| Plan: | 't Binnenhaof, Melick |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1669.BPMLK202DORPSST63C-VG01 |
Hartjes Ontwikkeling B.V. wil aan de Dorpsstraat 63c, aan de zuidrand van Melick, het woonzorgcomplex 't Binnehaof ontwikkelen: 22 woonzorgappartementen voor ouderen. Tot voor kort werden hier (hobbymatig) paarden gehouden. Op het terrein stonden een open machineloods en een paardenstal die inmiddels zijn gesloopt. De ontwikkeling van 't Binnehaof past niet binnen het geldende bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen': er is nu geen bouwvlak aangeduid. Daarom is voor dit initiatief een herziening van dat bestemmingsplan nodig.
figuur 1.1: ligging plangebied
figuur 1.2: plangebied in vogelvlucht
Het plangebied betreft een gedeeltelijk onverhard en gedeeltelijk verhard terrein, aan de achterzijde van de woningen aan de Dorpsstraat, Marktstraat, St. Servaaslaan en Graaf van Gelrestraat (zie figuur 1.3). Aan de zuidkant loopt de Dorpsstraat en liggen ook een cafetaria en een kringloopwinkel. Het plangebied is samengesteld uit de kadastrale percelen gemeente Melick en Herkenbosch, sectie E, nummers 6625 en 6637 en het is in totaal 2.932 m² groot (zie figuur 1.4).
figuur 1.3: luchtfoto plangebied
figuur 1.4: kadastrale percelen plangebied
Het plangebied ligt in bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen', vastgesteld op 22 maart 2016 door de gemeenteraad van Roerdalen. Het plangebied heeft hoofdzakelijk de bestemming 'Maatschappelijk'. Gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen of evenementen. 'Maatschappelijke voorzieningen' zijn in het geldende bestemmingsplan gedefinieerd als: voorzieningen op het gebied van welzijn en zorg, alsmede zorgwoningen, volksgezondheid, cultuur, religie, onderwijs, sport, verenigingsleven, hondenschool, opvoeding, kinderopvang, kinderboerderij, openbaar bestuur en andere openbare en sociale voorzieningen. Het gebruik voor zorgwoningen is in het geldende bestemmingsplan dan ook al toegestaan. Omdat echter een bouwvlak ontbreekt, is de bouw van de zorgwoningen op deze locatie niet toegestaan. Aan de kant van de Marktstraat heeft een klein deel van het plangebied de bestemming 'Wonen', ook hier zonder bouwvlak.
Voor het plangebied zijn ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4, 5 en 7' van kracht. Op grond hiervan is het plangebied behalve voor de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Wonen', mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Paragraaf 4.3 licht toe hoe in dit plan met deze waarden is omgegaan.
Een gedeelte van het plangebied ligt in een 'geluidzone - industrie'. Binnen deze zone is de bouw van een woning of een ander geluidsgevoelig gebouw alleen toegestaan als hiervoor een besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde is verleend en als uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van de woning of het geluidgevoelig gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A). Paragraaf 4.7 licht toe hoe hiermee in dit plan is omgegaan.
Op grond van het 'Facetbestemmingsplan Vervallen bestemmingsplanregeling huisvesting (buitenlandse) werknemers', vastgesteld op 23 mei 2019 door de gemeenteraad van Roerdalen, is de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor het huisvesten van arbeidsmigranten geschrapt uit de bestemmingsplannen van de gemeente Roerdalen. Daarmee wordt in dit bestemmingsplan rekening gehouden.
figuur 1.5: uitsnede verbeelding bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen'
In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op relevant ruimtelijk beleid van rijk, provincie en gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 licht de juridische aspecten van dit plan toe. Hoofdstuk 6 beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het plangebied ligt in de kern Melick achter het dorpslint van de Dorpsstraat. Deze historische weg kenmerkt zich door uiteenlopende lintbebouwing. Hoewel de Dorpsstraat en de omgeving ervan in de 20e eeuw in toenemende mate is verstedelijkt, is het plangebied steeds onbebouwd en als weiland in gebruik gebleven.
Tot circa 1960 bleef de bebouwing van de kern Melick beperkt tot het dorpslint. Na de komst van een eigen rooms-katholieke kerk eind jaren '50 breidde de bebouwing naar het noorden uit en raakte het plangebied hierdoor ingesloten (zie figuur 2.1).
Nu grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen aan de Dorpsstraat, Marktstraat, St. Servaaslaan en Graaf van Gelrestraat. Aan de kant van de Dorpsstraat liggen cafetaria 'De Pearsstal' en een brocanterie. Links van het cafetaria is de huidige inrit naar het plangebied (zie figuur 2.2).
figuur 2.2: huidige inrit naar het plangebied (bron: StreetSmart)
Op het perceel Dorpsstraat 63c stonden tot voor kort een open machineloods en een paardenstal (zie figuur 2.3), met een oppervlakte van in totaal circa 770 m². De rest van het perceel was onbebouwd, deels verhard en deels in gebruik als weiland voor paarden.
figuur 2.3: situatie plangebied d.d. 25 augustus 2021 (bron: StreetSmart)
In het nieuwe woonzorgcomplex komen 22 appartementen voor maximaal 2 personen per appartement, bedoeld voor ouderen die zorg nodig hebben. Bij het complex worden ook gemeenschappelijke voorzieningen gerealiseerd, zoals een gemeenschappelijke woonkamer met keuken, een centrale wasruimte en een lift. De footprint van het gebouw is circa 1.163 m² , het totaal aantal m² bvo is circa 1.264 m². De gebruikersoppervlakte per appartement is circa 49 m².
Het gebouw telt twee bouwlagen met de tweede bouwlaag gedeeltelijk onder een kap. De lichttoetreding van de woonzorgappartementen op de verdieping vindt plaats via dakramen in de kap (zie figuur 2.4). Zo is er aan de ene kant voldoende lichttoetreding en wordt aan de andere kant de privacy van omwonenden gerespecteerd. Door het raam in het schuine dak is er namelijk geen direct uitzicht op (de tuinen van) de omliggende woningen. Dit was een belangrijk uitgangspunt voor het ontwerp.
figuur 2.4: impressie voor- en zijgevel
figuur 2.5: impressie voorgevel
Voor de ontsluiting van gemotoriseerd verkeer wordt een doorsteek naar de Marktstraat gemaakt. De huidige inrit naar de Dorpsstraat wordt gewijzigd in een langzaam-verkeersroute: een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is hier uit verkeerskundig oogpunt ongewenst.
Bij de nieuwe in- en uitrit komt een slagboom en achter de slagboom is ruimte voor 22 parkeerplaatsen (zie figuur 2.6). Aan de kant van Marktstraat liggen nu haaksparkeerplaatsen. In de uitwerking van het plan worden de beschikbaarheid van openbare parkeerplaatsen op deze plek, de groenvoorziening en de verkeersveiligheid nader afgewogen (zie paragraaf 4.11). In dat verband toont de inzet in figuur 2.6 een variant voor de in- en uitrit.
Het terrein is elke dag tussen 7:00 en 23:00 uur toegankelijk voor de bewoners en bezoekers van het woonzorgcomplex. Het parkeerterrein is 's nachts afgesloten. De tuinen van de woningen aan de Dorpsstraat worden door een geluidsafschermende voorziening, gecombineerd met een haag / hoge beplanting, afgeschermd voor het parkeerterrein.
figuur 2.6: situatieschets
De tuinen van het woonzorgcomplex worden landschappelijk ingericht, met aandacht voor hemelwaterberging. De tuinen worden gemeenschappelijk gebruikt, zodat een grote, open en groene tuin kan worden ingericht. Daarnaast krijgen de woningen afzonderlijk een klein terras. Als verlengstuk van de gemeenschappelijke woonkamer is ook een gezamenlijk terras voorzien.
Op de verdieping komt de lift uit bij een gemeenschappelijke daktuin (zie figuur 2.7). Alle appartementen op de verdieping zijn aangesloten op deze daktuin die zo uitnodigt tot ontmoetingen en bijeenkomsten. De daktuin is vrijwel helemaal omsloten, zodat er niet of nauwelijks geluidbelasting is van deze daktuin op de omliggende woningen (zie paragraaf 4.2).
figuur 2.7: impressie daktuin
In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit verbeterd.
In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Er wordt met het plan een bijdrage geleverd aan de benodigde woningbouw.
De nationale belangen uit de SVIR worden, naast het Barro, ook geborgen door middel van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Het uitgangspunt daarbij is een goede ruimtelijke ordening. In artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro is gesteld dat indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' een bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toets aan ladder voor duurzame verstedelijking
Conform het Bro dient aan de ladder te worden getoetst bij een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Wanneer geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is geen verantwoording van de ladder benodigd.
Ingevolge de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ABRS overwoog daarbij het volgende: “Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.”
Dit bestemmingsplan voorziet in de beoogde realisatie van een woonzorgcomplex met 22 appartementen voor ouderen met zorg, in bestaand stedelijk gebied. Er is dus sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', waardoor de behoefte aan deze ontwikkeling moet worden gemotiveerd.
Zorgwoningen
Limburg ontgroent en vergrijst snel. Uit onderzoek van Progneff blijkt dat in Limburg het aantal personen van 0 tot 20 jaar en 65 jaar of ouder, in verhouding tot het aantal personen van 20 tot 65 jaar (ofwel: de demografische druk), toeneemt van 68,6% in 2015 naar 106,8% in 2040. De leeftijdsopbouw van de Limburgse bevolking is daarmee aan een (grote) verandering onderhevig.
Ten aanzien van het aantal huishoudens constateert Progneff in haar onderzoek dat het aantal huishoudens tot begin jaren twintig op provinciaal niveau (nog) zal groeien met zo'n 9.000 huishoudens. Rond 2022 komt deze groei tot stilstand, waarna het aantal huishoudens geleidelijk aan zal afnemen. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hebben onderzoek gedaan naar de bevolkingsontwikkeling. De gegevens van PBL/CBS komen in essentie overeen met de bevindingen van Progneff. Op basis van de Regionale prognose 2020-2050 van het CBS (2018) stijgt het aandeel ouderen in de leeftijdsklassen vanaf 60 jaar in de gemeente Roermond met 2.900 personen van 2021 tot en met 2031. Dat is een stijging van 17%. Het percentage 65+ gaat de komende jaren toenemen van 20,3% in 2018 naar 26,1% in 2035. In de regio Midden-Limburg gaat het om een stijging van 27% (aantal personen vanaf 60 jaar), waarbij het aantal personen in leeftijdsklassen vanaf 80 jaar sterk stijgen met meer dan 40%. In aantallen uitgedrukt gaat stijgt het aantal 65+-ers in de regio in de periode 2021-2031 van 58.000 naar 70.000.
Ook zijn er andere indicatoren en prognoses die duidelijk maken dat er op lokaal niveau sprake is van een hogere mate van dementie en chronisch zieken dan elders in Nederland. Zo verdubbeld het aantal dementen met van 1.000 in 2020 naar 1.400 in 2030 (Bron: ABF Research).
Dit betekent dat het aantal huishoudens met een 65-minner de komende jaren weliswaar zal afnemen, maar dat het aantal huishoudens met een 65-plusser voorlopig nog wel toeneemt. Kort samengevat is in de toekomstige situatie vooral een toename te zien van het aantal eenpersoonshuishoudens en stellen zonder kinderen, waarvan een persoon ouder is dan 65 jaar.
Resumerend kan worden gesteld dat met name de 'vergrijzing' in Limburg, en daarmee ook in Melick en omgeving, toeneemt. De bevolking is onmiskenbaar aan het vergrijzen en ouderdom komt vaak met gebreken. In de toekomst zal er daarom vooral vraag zijn naar zorggeschikte dan wel levensloopbestendige c.q. seniorenwoningen.
Ouderdom en dementie
Niet alleen is er sprake van een groter aantal ouderen (>65 jaar), deze ouderen zullen ook in toenemende mate langer thuis willen of moeten blijven wonen. Dit vanwege het gegeven dat er minder snel een (CIZ-)indicatie wordt afgegeven voor verblijf in een (intramurale) zorginstelling. Als deze wel afgegeven wordt is er, naast wachtlijsten, niet direct een passende vorm van wonen met (intensieve) zorg als alternatief beschikbaar is (bij voorkeur in de eigen vertrouwde woonomgeving). De constatering dat ook het aantal 75+-ers toeneemt, met daarbij een toenemende kans op de aanwezigheid van mensen met cognitieve problemen of dementie, vergroot deze zorgvraag verder. Het toenemen van de kans op dementie met het toenemen van de leeftijd, blijkt uit het navolgende (bron: www.alzheimer-nederland.nl):
De stichting Alzheimer Nederland heeft een inventarisatie gemaakt van het aantal mensen met dementie in Nederland, per provincie en per gemeente. De navolgende cijfers geven een indicatie van het aantal mensen met dementie in 2018. Op basis van voorspellingen van de toekomstige bevolkingsopbouw, is ook een prognose gemaakt van het aantal mensen met dementie in de toekomst. Een uitsnede van deze berekening, gemaakt door ABF Research in opdracht van Alzheimer Nederland (peildatum: 01-11-2018), is gegeven in navolgende tabel.
| 2018 | 2020 | 2025 | 2030 | 2040 | 2050 | |
| Nederland | 270.000 | 280.000 | 330.000 | 390.000 | 520.000 | 620.000 |
| Limburg | 21.000 | 23.000 | 26.000 | 30.000 | 38.000 | 43.000 |
| Roerdalen | 400 | 420 | 500 | 600 | 750 | 820 |
figuur 3.1: aantal mensen met dementie in Nederland, provincie Limburg en gemeente Roerdalen
Woonmonitor Limburg 2016
Ten behoeve van de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving' (SWZW) voert Etil research group, in opdracht van de Provincie Limburg, sinds 2006 de provinciale woonmonitor uit. Op basis van deze monitor kan het beleid tijdig aangepast of bijgestuurd worden. In de Woonmonitor 2020 wordt op het vlak van Wonen met Zorg geconstateerd dat, bij de huidige demografische ontwikkeling, de vraag naar voor ouderen geschikte woningen de komende jaren sterk zal blijven toenemen. Deze toenemende vraag betreft zowel wooneenheden, geschikt voor intensieve 'intramurale' zorg, als zelfstandige woningen. De Woonmonitor stelt dan ook vast dat een substantiële toename van het aantal zorgwoningen moet worden ingepland, met name zelfstandige 'extramurale' zorgwoningen voor ouderen. De voorziene toename van de woningbehoefte voor de verschillende zorgdoelgroepen binnen de regio Midden-Limburg in de periode 2016-2030 is weergegeven in navolgende tabel.
Legenda:
Scenario 0: op basis van demografische ontwikkelingen.
Scenario 1: rekening houdende met het actuele beleid.
Scenario 2: versterkte extramuralisering.
figuur 3.2: prognose 'Wonen met Zorg', naar doelgroep en scenario
Indien de focus wordt gericht op de gemeente Roerdalen ontstaat het volgende beeld van actuele en toekomstige woningbehoefte voor de verschillende zorgdoelgroepen in de periode 2016-2030:
figuur 3.3: kerncijfers Wonen met Zorg
Geconstateerd kan worden dat de gemeente Roerdalen, in lijn met de regio Midden-Limburg, in de periode tot 2030 een (sterke) stijging kent in de vraag naar Wonen met Zorg. Deze trend is in het meest recentelijk 'Woningmarktonderzoek Midden-Limburg 2018' bevestigd, waarbij is geconstateerd dat het aantal ouderen huishoudens vanaf 65 jaar fors toeneemt, terwijl de doelgroepen daaronder afnemen. In kwalitatieve zin is er een sterke behoefte aan seniorenwoningen. De zorgcomponent is daar onlosmakelijk aan verbonden.
Kort samengevat kan daarom worden gesteld dat initiatieven vanuit de markt, gericht op het bieden van passende woon-zorgvoorzieningen, gezien kunnen worden als een welkome aanvulling op het tekort aan bestaande zorgplaatsen. Gezien vorenstaande is er voldoende behoefte voor de realisatie van 22 appartementen voor ouderen met zorg.
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan conform artikel 3.1.6 lid 2 voorziet in een behoefte.
Algemeen
Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semioverheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.
De Omgevingsvisie Limburg is een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie Limburg kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-07-2022).
Wonen
De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woning- markt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is reeds in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburgbreed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.
Volgens de huidige prognoses kunnen we ongeveer vanaf 2030 overschotten in de woningvoorraad verwachten. Lokaal zijn die er nu al of ontstaat dit overschot juist later. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten.
Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien dragen we hiermee bij aan het verbeteren van de sociaaleconomische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie.
figuur 3.4: woningbouwontwikkeling als provinciaal belang
Beoordeling plan
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 22 woonzorgappartementen in het bestaand stedelijk gebied. De woningen zijn beoogd op een locatie waar in de huidige planologische situatie reeds een maatschappelijke functie is toegestaan. Het plan sluit aan bij de geconstateerde behoefte aan woonzorgconcepten, waardoor passende woon- en zorgvoorzieningen kunnen worden getroffen voor de snel groeiende groep senioren. Daarnaast wordt met het plan beoogd een sociale omgeving te realiseren waar ontmoeting en leefbaarheid centraal staat. Het plan past daarmee binnen de kaders van het POL2014 voor wat betreft het aspect bebouwd gebied, wonen en leefbaarheid.
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie) staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Zuid-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkingsinstrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document.
Duurzame verstedelijking en wonen
Op kaart 2 'Duurzame verstedelijking en wonen' is het plangebied aangeduid als 'Bebouwd gebied', zoals op de navolgende afbeelding is te zien. Met onderhavig plan wordt de realisatie van een woonzorgcomplex mogelijk gemaakt op een perceel. In het kader van duurzame verstedelijking geeft de omgevingsverordening aan dat aan de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden getoetst, indien een ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In paragraaf 3.1.4 is reeds aandacht besteed aan de ladder. Daarbij is geconcludeerd dat er behoefte is aan deze ontwikkeling. Conform artikel 2.4.2 mag een plan niet voorzien in de toevoeging van wonen, tenzij dit is afgestemd in de Regionale Structuurvisie. In paragraaf 3.3 komt het regionaal woonbeleid van de regio Midden-Limburg aan bod. Strikt genomen zijn het geen reguliere woningen, waardoor regionale afstemming niet noodzakelijk is.
figuur 3.5: uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerd) kaart 2
figuur 3.6: uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerd) kaart 8
Milieubeschermingsgebieden
Het hoofdstuk Milieubeschermingsgebieden bevat regels met betrekking tot de boringsvrije zone waarbinnen het plangebied is gelegen. Conform kaart 8 'Milieubeschermingsgebieden' en kaart 11 'Grondwateronttrekking' uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied gelegen in de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Voorts zijn in de verordening enkele bepalingen opgenomen die gelden voor werken en werkzaamheden binnen deze boringsvrije zone. Het is in het gebied Roerdalslenk III verboden:
Met bovenstaand verbod is in dit planvoornemen rekening gehouden. Er worden geen boorputten of bodemenergiesystemen aangelegd, dieper dan 80 meter. Dit is opgenomen in de regels. Daarmee voldoet het plan aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende panden
Conform artikel 2.2.3 voorziet een ruimtelijk plan in het toestaan van nieuwe functies tevens de mogelijkheid om deze functie(s) in leegstaande monumentale panden onder te brengen. In eerste instantie is onderzocht of de bestaande bebouwing kon worden gebruikt voor dit plan. Al snel bleek dat de huidige bebouwing constructief niet voldeed, waardoor hiervan is afgezien. Omdat het niet gaat om een leegstaand monumentaal pand voldoet het plan aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Provinciale Staten hebben op 17 december 2021 de nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld. Deze Omgevingsverordening treedt tegelijk in werking met de Omgevingswet op 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.
Hoewel de Omgevingsverordening Limburg 2021 hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
figuur 3.7: uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2021
Het plangebied is gelegen in 'Landelijke kernen' (Midden-Limburg). Conform de instructieregel in artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2021 wordt voorrang verleend aan stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. Dit plan voldoet daar aan. Tevens is in een instructieregel opgenomen dat er sprake moet zijn van een plan waar behoefte aan is. Paragraaf 3.1.2 gaat hierop nader in, in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet aan het regionaal beleid (zie paragraaf 3.3.1) en het is beoogd het plan binnen 5 jaar te realiseren.
Op 16 december 2022 is de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Op grond van artikel 2.19.1 in deze wijzigingsverordening moet een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperkten en de afweging die daarbij is gemaakt.
In dit geval wordt rondom de nieuwbouw een gezamenlijke groene tuin aangelegd waarin ook het hemelwater - dat op eigen terrein terecht komt - wordt geïnfiltreerd. Het realiseren van een gezamenlijke groene tuin en het afkoppelen van het hemelwater zijn voorbeelden van klimaatadaptieve oplossingen. Met dit plan is aldus rekening gehouden met klimaatverandering.
Algemeen
Op 4 juli 2019 is de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 vastgesteld. In deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld wonen voor de termijn van 2018 tot en met 2021 met een doorkijk naar de lange termijn (2030) vastgelegd. De structuurvisie is een actualisatie van zijn voorganger uit 2014.
De structuurvisie is uitvoeringsgericht en bevat afwegings- en toetsingskaders om te beoordelen of een initiatief past binnen de (toekomstige) regionale woningbehoefte. Het beleid is met name gericht op sturing vanuit actuele behoeftecijfers en vanuit de kwantiteit en kwaliteit, zowel algemeen als gespecificeerd naar doelgroep. Een grootschalig uitgevoerd woningmarktonderzoek (voorjaar 2018) heeft hiervoor de benodigde input geleverd. De Structuurvisie Wonen 2018 richt zich primair op wonen. Aanvullend dient er aandacht te blijven voor het aspect Wonen en Zorg.
De gemaakte afspraken in de structuurvisie uit 2014 voor wat betreft het kwantitatief afwegingskader blijven gehandhaafd. Voor de uitgangspunten van de Structuurvisie Wonen 2018 betekent dit dat:
Gemeente Roerdalen
Er heeft voor de gemeente Roerdalen ook op kernenniveau een verdieping plaatsgevonden. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit het woonbehoefteonderzoek in de regio opgesomd:
Voor de kern Melick is in de kwaliteitsenvelop opgenomen dat er kwantitatief ongeveer 70 woningen gebouwd kunnen worden (richtcijfer). Kwalitatief gezien ligt de voorkeur bij appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen, zowel in de huur- als koopsector (lager en middensegment).
Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025
In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 leggen de gemeenteraden van gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting vast op het gebied van wonen. Uitgangspunt is dat Midden-Limburg het verbindend hart is van Limburg, waar wonen aantrekkelijk is. De kwaliteit van de leefomgeving en daarmee van het wonen is hoog. Toch zijn er op het gebied van wonen, zeker gezien de huidige woningmarkt, uitdagingen: het (laten) bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroepen.
De structuurvisie legt de nadruk op het tegemoet komen aan de groeiende woningbehoefte met kwalitatief het juiste aanbod. Maar ook de bestaande woningen moeten duurzamer en levensloopbestendiger worden. In deze Structuurvisie wordt ruimte gemaakt om de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment te kunnen realiseren. De ambitie, zoals opgenomen in de Structuurvisie, is hoog. Daarnaast is er aandacht voor transformatie en herstructurering. Doel is het op peil houden van de leefbaarheid in steden en dorpen en een thuis te kunnen bieden aan (toekomstige) inwoners.
Na de Structuurvisie Wonen voor de periode 2014 t/m 2017 en 2018 t/m 2021 is in kwantitatieve zin overcapaciteit voor een deel blijven bestaan, maar heeft er wel een kwalitatieve opschoning van de plannen plaatsgevonden. Deze Structuurvisie biedt een toetsings- en afwegingskader voor het invullen van de resterende opgave met nieuwbouw en transformatie. De afzonderlijke gemeenten worden in staat gesteld de meest passende onderdelen uit het beschikbaar instrumentarium in te zetten om daadwerkelijk sturing te geven.
De Structuurvisie bevat regionale afspraken. Binnen deze regionale afspraken kunnen gemeenten uiteraard desgewenst meer uitgewerkt lokaal beleid vaststellen. Concreet betekent dit:
Beoordeling plan
Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 22 appartementen voor ouderen met zorg. Specifiek voor de doelgroep ouderen is er een aanvullende behoefte aan appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen. Het aantal ouderen in Roerdalen neemt in de komende jaren sterk toe, daarmee ook het aantal mensen dat thuiszorg nodig heeft. Dit plan is specifiek op deze doelgroep gericht, in lijn met ambitie 2 in de ontwerp-structuurvisie. Gezien deze feiten is het plan passend in de regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 (en opvolger) en de kwaliteitsenvelop Melick.
Dit plan past daarmee ook binnen de kader van de structuurvisie wonen Midden-Limburg 2018-2021 (en opvolger) en het onderliggende woningmarktonderzoek uit 2018.
Algemeen
De 'Omgevingsvisie Roerdalen 2050' is gericht op de kwaliteit en ontwikkeling buiten (onze fysieke leefomgeving) voor de lange termijn. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving en gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur (wegen, sporen etc.) en cultureel erfgoed.
Met betrekking tot de woningmarkt wordt gestreefd naar een gezonde evenwichtige verdeling van koop, middenhuur en sociale huurwoningen. Hiermee wordt ingezet op het behoud van een gezonde mix (diversiteit) aan inwoners, zowel in leeftijd als achtergrond. Het strategisch verdunnen van het woningaanbod vormt een oplossingsrichting om de balans op de woningmarkt te herstellen. Het biedt kansen om de kwaliteit van de woningvoorraad, binnen de kernen van Roerdalen, op peil te houden. Strategisch verdunnen kan vorm krijgen door op specifieke plekken in een wijk een deel van de bebouwing te slopen. De vrijgekomen ruimte wordt benut voor de herbouw van woningtypes die aansluiten bij de behoefte; bijvoorbeeld levensloopbestendige woningbouw voor senioren. Deze vastgoedontwikkeling kan vervolgens direct worden gebouwd conform de nieuwste eisen ten aanzien van energie en duurzaamheid.
Zorg
De ontwikkeling dat mensen steeds ouder worden gaat helaas ook vaak gepaard met chronische ziekten (CBS-Stateline, 2020). De behoefte aan zorg en de toegankelijkheid en veiligheid hiervan spelen dan ook belangrijke rol. De verzorgingsstaat staat, als gevolg van groeiende vergrijzing, onder druk. Als antwoord hierop ontstaan steeds meer verschillende zorginitiatieven, maar komt er ook steeds meer gedeelde verantwoordelijkheid om voor elkaar te zorgen bij onze inwoners te liggen. Vergrijzing (ouderen die langer zelfstandig thuis wonen) en ontgroening (jongeren gaan op kamers). De vraag naar gezinswoningen neemt af terwijl de behoefte aan passende eenpersoonshuishoudens (of kleine huishoudens) groeit (Volksgezondheid, 2018). De vraag ligt hierbij met name bij levensloopbestendige woonvormen. Voor ouderen zijn dit bijvoorbeeld woningen die gelijkvloers zijn, dichtbij voorzieningen als een supermarkt liggen en zijn gevestigd in een dorp met goede verbindingen rondom het openbaar vervoer. Voor ouderen is zelfstandigheid erg belangrijk. Ze willen dan ook vaak zolang mogelijk zelfstandig blijven wonen. De locatie van woningen, in de nabijheid van voorzieningen en dichtbij anderen is hierbij van belang. Hierdoor ontstaan er nieuwe initiatieven in woonvormen. Vanuit de zorg wordt er steeds meer geleund op mantelzorgers die vaak moeite hebben om de zorgtaken te combineren met hun werk en gezin (Planbureau, 2019). Hierdoor wordt de zelfstandigheid voor de ouderen nóg belangrijker.
Beoordeling plan
Het plan omvat de bouw van een woonzorgcomplex met 22 appartementen op een inbreidingslocatie, nadat op de locatie de huidige opstallen zijn gesloopt. Er wordt gebouwd ten behoeve van de doelgroep ouderen met zorg. Dat is een van de grote opgaves in de gemeente Roerdalen. Het planvoornemen past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten uit de gemeentelijke Omgevingsvisie.
De regionale sectorale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 is nader uitgewerkt in beleidsregel 'Compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen 2022'.
Ontwikkeling van nieuwe wooninitiatieven heeft een negatieve invloed op de woningvoorraad. Om deze negatieve invloed te compenseren wordt voor bepaalde initiatieven een financiële bijdrage gevraagd. De beleidsregel is van toepassing op nieuw te bouwen woningen, die niet zijn opgenomen in de planvoorraadlijst.
De te bouwen wooneenheden betreffen specifieke zorgwoningen. In lijn met de gemeentelijke 'Gedragslijn wonen en zorg in het bestemmingsplan', is voor dit planvoornemen de bestemming “Wonen” met aanduiding 'zorgwonen' opgenomen. Deze bestemmingswijze wordt gehanteerd voor woningen of gebouwen waarin mensen zelfstandig hun woning huren of kopen, en daarnaast een vorm van zorg inhuren/verkrijgen. Met de aanduiding 'zorgwonen' wordt aan de bestemming een specifieke functie aangewezen, omdat deze woningen specifiek voor mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op (enige) zorg en ondersteuning. Deze woningen tellen mee in de woningvoorraad maar zijn uitsluitend beschikbaar voor een specifieke doelgroep.
Beoordeling plan
Gezien de behoefte aan woningen voor deze doelgroep en het specifieke woningbouwtype (één gebouwencomplex t.b.v. zorgwonen) is de beleidsregel niet van toepassing op onderhavig plan en is een compensatiebijdrage per nieuwe wooneenheid niet vereist.
Het Kwaliteitskader Roerdalen van de gemeente Roerdalen is geïntroduceerd bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie Roerdalen 2050. In het gemeentelijk kwaliteitskader van de gemeente Roerdalen wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen binnen dan wel buiten de rode contour.
Beoordeling plan
Onderhavige locatie is gelegen binnen de kern van Melick. Dit kan onder andere worden teruggevoerd op het ter plaatse geldende bestemmingsplan, genaamd '1e herziening Kernen Roerdalen'.
In het kwaliteitskader Roerdalen wordt voor de module 'bebouwd gebied (binnen de kerngrenzen)' onderscheid gemaakt in een aantal soorten ruimtelijke ontwikkelingen. Het realiseren van een woonzorgcomplex dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan valt onder module 13 "projectmatige woningbouw" waarbij maatwerkafspraken moeten worden gemaakt.
Op 22 december 2020 heeft het college van gemeente Roerdalen de 'Gedragscode wonen en zorg in het bestemmingsplan' vastgesteld. Deze gedragslijn schept duidelijkheid in het besluitvormingsproces rondom het toekennen van een bestemming bij een nieuwbouwopgave waarbij het leveren van zorg een belangrijke rol speelt. In dit geval is de bestemming Wonen gehanteerd met de aanduiding 'zorgwoning'. Dit omdat het woonzorgcomplex beoogd is voor mensen die zelfstandig wonen, met daarnaast een zorgcomponent. Deze bestemming is specifiek voor mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen zijn aangewezen op enige zorg en ondersteuning. Deze woningen tellen mee in de woningvoorraad maar zijn uitsluitend beschikbaar voor een specifieke doelgroep.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Toetsing
In categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 1) een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2) een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of 3) een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer, m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Met de realisatie van 22 appartementen en een totaal van 1.264 m² bvo blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. UIt de toetsing aan relevante omgevingsaspecten in de volgende paragrafen blijkt dat, mede gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden als gevolg van het plan. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure.
Conclusie
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is.
De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Toetsing omgevingslawaai als gevolg van plan
Het woonzorgcomplex sluit in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' het meest aan bij de omschrijving 'verpleeghuis'. Hiervoor geldt voor het omgevingstype 'Rustige woonwijk' een richtafstand van 30 meter. De omgeving van het plangebied kan echter worden aangemerkt als gebiedstype 'Gemengd gebied', gezien de ligging aan de doorgaande Dorpsstraat en de daaraan gelegen horeca- en detailhandelsbedrijven. Daarom kan de richtafstand met één stap worden teruggebracht tot 10 meter, waarbij geluid het maatgevend omgevingsaspect is. Voor diverse omliggende woningen geldt dat niet aan deze richtafstand kan worden voldaan. Derhalve dient te worden aangetoond dat na realisatie van het woon-zorgcomplex een akoestisch goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd ter plaatse van de omliggende woningen.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het effect van het omgevingslawaai als gevolg van het plan op de omliggende woningen onderzocht. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.
Het aspect omgevingslawaai heeft betrekking op het te realiseren parkeerterrein. Hierbij is de
geluidbelasting op de bestaande woningen inzichtelijk gemaakt. Daarnaast is onderzocht of ter
plaatse van de omliggende woningen hinder wordt ondervonden ten gevolge van stemgeluiden bij
samenkomsten op het dakterras en het kleine terras op de begane grond.
Als hulpmiddel voor de inpassing van functies in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies
nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een indicatieve bedrijvenlijst
opgesteld. Deze bedrijvenlijst is opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering',
editie 2009 (verder: VNG-uitgave). Hoewel de onderhavige situatie duidelijk een woonfunctie
betreft, sluit het woonzorgcomplex het meest aan bij de omschrijving 'verpleeghuis' uit de VNG-uitgave.
Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter behorende bij het gebiedstype 'rustige
woonwijk'. De omgeving kan echter worden aangemerkt als gebiedstype 'gemengd gebied' gezien
de ligging aan de doorgaande Dorpsstraat en de aanwezigheid van detailhandel en horeca en een
maatschappelijke bestemming. Derhalve kan de richtafstand met een stap worden teruggebracht
tot 10 meter. Voor diverse omliggende woningen geldt dat niet aan deze richtafstand kan worden
voldaan. Derhalve dient te worden aangetoond dat na realisatie van het woon-zorgcomplex een
akoestisch goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd ter plaatse van de omliggende woningen.
Uit het onderzoek blijkt dat in het kader van best beschikbare technieken (BBT) geluidafschermende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Om de geluidbelasting op de woningen van derden te reduceren dienen ten noorden en ten zuiden van de parkeerplaats geluidschermen te worden gerealiseerd. Dit geluidscherm dient een massa te hebben van minimaal 10 kg/m2, kierdicht te worden uitgevoerd en een hoogte te hebben van minimaal 1,8 meter boven maaiveld. Een mogelijke geluidafschermende voorziening is bijvoorbeeld een steenachtige tuinmuur of een kokoswand geluidscherm.
figuur 4.1: positie geluidafschermende voorzieningen (rood)
Uitgaande van het toepassen van bovenstaande maatregel kunnen de volgende conclusies worden
getrokken:
In onderliggend rapport zijn de geluidniveaus tijdens de representatieve situatie berekend,
inzichtelijk gemaakt en tevens getoetst aan de gestelde geluideisen. Op basis van de resultaten
kan worden gesteld dat op de gevels van de omliggende woningen na realisatie van het
parkeerterrein en het realiseren van de extra geluidafschermende voorzieningen een akoestisch
goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een
goede ruimtelijke ordening.
Het plan betreft meerdere (zorg)woningen die niet meer aan het bestaande gasnetwerk worden
aangesloten. Derhalve worden mogelijk een of meerdere warmtepompen met buitenunits
toegepast. Conform opgave van de opdrachtgever staat het nog niet vast welk systeem gebruikt
wordt om het gebouw te verwarmen. Conform opgave van de gemeente Roerdalen dient de
cumulatie van geluid bij toepassing van meerdere warmtepompen met buitenunits bij planologische
ontwikkelingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderzocht en
beoordeeld. Indien de cumulatie van het geluid problematisch blijkt te zijn, dienen bijvoorbeeld
geluidsisolerende omkastingen te worden toegepast.
Uit het aanvullend onderzoek naar stemgeluiden bij samenkomsten op het gezamenlijke dakterras
en het kleine terras op de begane grond blijkt dat met een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
(LAr,LT) en een maximale geluidniveau (LAmax) van respectievelijk 47 en 62 dB(A) etmaalwaarde op
de maatgevende toetspunten ruimschoots aan de grenswaarden voor stap 2 wordt voldaan.
Derhalve wordt het onwaarschijnlijk geacht dat ter plaatse van de omliggende woningen hinder
wordt ondervonden van het dakterras en het kleine terras op de begane grond.
Toetsing invloed omliggende bedrijven op het plan
In de omgeving van het plangebied ligt een aantal bedrijven met een richtafstand op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering':
Conclusie
Onderhavig plan voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Enerzijds is sprake van een goed woon- en leefklimaat, zoals ook uit het akoestisch onderzoek is gebleken. Anderzijds worden bedrijven niet in de bedrijfsvoering belemmerd.
Toetsingskader
Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Per 1 juli 2016 zijn de bepalingen van de Wamz 2007 gedeeltelijk overgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de verbeelding en ze te beschermen middels regels.
figuur 4.2: uitsnede archeologische waardenkaart
Toetsing
Op basis van de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Roerdalen ligt het plangebied in een gebied met een hoge en - aan de zuidoostkant - lage verwachtingswaarde. Daarom is het gebied in het geldende bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen' bestemd met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4', 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde - Archeologie 7'. Voor bouw- en aanlegwerkzaamheden groter dan respectievelijk 250 m², 1.000 m² en 10.000 m² of dieper dan 40 cm is een omgevingsvergunning nodig. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord of dat deze afdoende kunnen worden beschermd door middel van voorschriften.
De bebouwing van het woonzorgcomplex en het bouwvlak daarvan zijn geprojecteerd op de dubbelbestemmingen die in het plangebied gelden (zie figuur 4.3). Daarbij is het bouwvlak, conform de verbeelding bij dit plan, 1 meter buiten de nieuwe bebouwing geprojecteerd:
Hieruit volgt dat voor de bebouwing op grond van de dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan (en de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart die daaraan ten grondslag ligt) geen archeologisch onderzoek nodig is. Voor de aanleg van erfverhardingen en hemelwatervoorzieningen wordt de bodem niet dieper dan 40 cm beneden maaiveld geroerd. Daarnaast was een deel van het plangebied bebouwd, waardoor gronden reeds zijn geroerd. Hierom is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De dubbelbestemmingen blijven van kracht en zijn als zodanig overgenomen in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan.
Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalvondsten. Als tijdens werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht in art. 5.10 van de Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de gemeente Roerdalen. Vervolgens zal bepaald worden of en zo ja, welke aanvullende maatregelen getroffen worden
figuur 4.3: oppervlakte bebouwing binnen dubbelbestemmingen
Gemeente Roerdalen bereidt een actualisatie van haar archeologiebeleid voor en van een (ontwerp)bestemmingsplan waarin dat beleid juridisch-planologisch wordt vertaald. Op de actualisatie van de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart is het plangebied hoofdzakelijk aangeduid als een gebied met een archeologisch verwachting van categorie 4, waarin bij bouw en aanlegwerkzaamheden groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig. De inrit aan de Dorpsstraat ligt in een gebied met een archeologisch verwachting van categorie 4 waarin bij bouw- en aanlegwerkzaamheden groter dan respectievelijk 250 m² en 1.000 m² en dieper dan 40 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Conclusie
Zowel in het kader van het geldend archeologiebeleid als in het kader van het nieuwe archeologiebeleid dat door de gemeente Roerdalen in voorbereiding is, is geen archeologisch onderzoek nodig en is het omgevingsaspect archeologie geen belemmering voor het plan.
Toetsingskader
Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van provinciaal kaartmateriaal is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Toetsing
Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg blijkt dat binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden zijn. Direct ten zuiden van het plangebied loopt de Dorpsstraat die op de cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als een cultuurhistorisch element, namelijk als een 'weg ouder dan 1806'. De Dorpsstraat kenmerkt zich door haar historische bebouwing. Aan de overkant van de weg zijn Dorpsstraat 78, 80 en 82 aangewezen als gemeentelijk monument. Het gaat om boerderijen uit de periode 1890 tot 1930.
figuur 4.4: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg
Conclusie
Het plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden in de omgeving. Het omgevingsaspect cultuurhistorie is geen belemmering voor het plan.
Toetsingskader
In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. Het waterschap hanteert als centraal uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat deze ontwikkelingen hydrologisch neutraal moeten zijn: het regenwater mag het gebied niet sneller mag verlaten dan het geval is voor aanvang van de ontwikkeling. Waterschap Limburg is het bevoegd gezag voor het afkoppelen van regenwater. Het beleid van het waterschap is opgenomen in de Keur. De kernpunten uit het beleid van Waterschap Limburg zijn:
Watertoets
Waterkwantiteit
De oppervlakte van het plangebied is 2.932 m². In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd, nadat recent twee opstallen met een totale oppervlakte van circa 770 m² zijn gesloopt. De rest van het terrein is in gebruik als weiland (circa 1.060 m²) of is deels verhard. De totale oppervlakte verhard terrein is nu 1.872 m².
Bij de ontwikkeling van het woonzorgcomplex wordt het hemelwater afgekoppeld, op eigen terrein opgevangen en in de bodem geïnfiltreerd. Uit een indicatief doorlatendheidsonderzoek (zie bijlage 2) blijkt dat de bodem, met inachtneming van plaatselijke grondverbetering, geschikt is voor infiltratie. Het hemelwater kan dan ook via infiltratiekratten of wadi's worden geïnfiltreerd op eigen terrein. De exacte dimensionering en positionering van deze hemelwatervoorzieningen (infiltratiekratten en wadi's) worden nader bepaald bij de uitvoering van het project, op basis van de volgende uitgangspunten:
Aan de hand van een afwateringsplan is beoordeeld of dit bestemmingsplan uit het oogpunt van het omgevingsaspect water uitvoerbaar is, rekening houdend met bovenstaande uitgangspunten. Dit afwateringsplan is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.
De totale oppervlakte aan verharding bedraagt 1.940 m². Omdat de halfopen verharding van de parkeerplaatsen (285 m²) voor slechts 80% hoeft worden geteld, is de berekeningsoppervlakte voor de hemelwaterbergingsopgave 1.883 m². Gerekend met een bui van 40 mm is de hemelwaterbergingsopgave: 1.883 m² x 0,04 m = 75 m³
De hemelwaterbergingsopgave wordt ingevuld door middel van een wadi naast het woonzorgcomplex met een inhoud van 15 m³ Het overige hemelwater (60 m³) kan door middel van een ondergrondse berging c.q. infiltratiesysteem worden geborgen, naar verwachting onder de parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte voor dit systeem. Buien groter dan 40 mm storten via een kolk bovengronds over op het DWA-riool richting de Dorpsstraat. De exacte dimensionering en positionering van deze hemelwatervoorziening (infiltratiekratten en wadi's) worden nader bepaald bij de uitvoering van het project, op basis van bovenstaande uitgangspunten.
Afvalwater
Het afvalwater zal op eigen terrein onder de nieuwe doorsteek naar de Marktstraat worden afgevoerd en worden aangesloten op het bestaande rioolnetwerk.
Riolering
De riolering (HWA en DWA) wordt aangesloten op de riolering in de Dorpstraat. De riolering in de Dorpstraat wordt komende zomer vervangen. Eventueel kunnen al uitleggers richting de inrit aan de Dorpsstraat gelegd worden waar op aangesloten kan worden.
Situatietekening DWA en HWA
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij een bestemmingsplan, dat nieuwe bouwmogelijkheden of een nieuwe functies mogelijk maakt, een bodemonderzoek plaatsvinden en moet daarmee de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie.
Beoordeling plan
Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
Zintuiglijk zijn vanaf het maaiveld tot 0,4 m-mv heterogene bijmengingen aangetroffen met puin. Tevens is plaatselijk een volledig puinlaag aangetroffen. Dit materiaal betreft geen bodem (minder dan 50% bodemvreemd materiaal). Uit de analyseresultaten blijkt dat de puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met kobalt. De zintuiglijk schone grond onder het pand blijkt licht verontreinigd te zijn met cadmium, kobalt, lood en zink. Verder blijkt de grond niet verontreinigd te zijn met de onderzochte parameters. Gelet op de hoogte van de aangetoonde gehalten wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het grondwater is in verband met de diepte (7,6 m-mv) conform de NEN 5740 niet onderzocht.
Het gehalte aan PFAS van de gehele locatie is niet verhoogd ten opzichte van de risicogrenswaarden. Op basis van een indicatieve toetsing blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de landelijke toepassingsnormen voor functieklasse “landbouw/natuur”.
Zintuiglijk is zowel op het maaiveld als in de grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Plaatselijk is een uiterst puinhoudende laag aangetroffen. Deze laag is aangetroffen vanaf het maaiveld tot 0,25 m-mv. De gemiddelde dikte wordt geraamd op 0,2 m. In de uiterst puinhoudende grond is asbest aangetoond met een indicatief gewogen gehalte van 19 mg/kg d.s. Gelet op de hoogte van het aangetoonde gehalte wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de overige grondmengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. In de volledige puinlaag ter plaatse van boring 08 is een indicatief gewogen asbestgehalte aangetoond van 10 mg/kg d.s. Gelet op de hoogte van het aangetoonde gehalte wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het omgevingsaspect bodem is geen belemmering voor het plan.
Toetsingskader
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In de Wgh is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
Toetsing wegverkeerslawaai
In dit plan worden nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt binnen de geluidzone van de Genhofweg. Deze weg is echter niet akoestisch relevant, omdat deze alleen is opengesteld voor bestemmingsverkeer. De geluidbelasting vanwege deze weg hoeft dan ook niet nader worden onderzocht.
Het plangebied ligt ook in de nabijheid van de 30 km/uur-wegen Dorpsstraat, Marktstraat, Sint Servaaslaan en Graaf van Gelrestraat. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en met het oog op de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat is de geluidbelasting ten gevolge van deze wegen onderzocht. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 aan onderhavige toelichting gehecht.
Voor de 30 km/uur wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze
wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het woon-zorgcomplex overschrijdt.
Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze
wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van
wegverkeerslawaai niet aan de orde.
Toetsing Industrielawaai
Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de geluidzone van industrieterrein Roerstreek (zie paragraaf 1.3). Conform de opgave van de gemeente Roermond bedraagt de geluidbelasting vanwege dit industrieterrein hier 44 dB(A). Omdat dit ruim lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), hoeft in dit geval geen hogere grenswaarde vastgesteld te worden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het omgevingsaspect geluid geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor (beperkt) kwetsbare objecten (zoals woningen) dient het aspect externe veiligheid meegewogen te worden. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het begrip beperkt kwetsbaar object gedefinieerd. Nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten moeten buiten de risicocontour van bestaande risicobronnen (inrichtingen, transport gevaarlijke stoffen, luchthavens) gerealiseerd te worden.
Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. De 'verantwoording van groepsrisico' is ingevoerd met de inwerkingtreding van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Kort gezegd komt het er op neer dat het bevoegd gezag verantwoording aflegt over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken. Dit onderzoek beschrijft derhalve vanuit de risicobronnen de consequenties voor het bestemmingsplan.
Persoonsgebonden risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6 per jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6 per jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het PR kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour).
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een groep mensen tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Dat risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht.
Toetsing
Op basis van de Professionele Risicokaart is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden (zie figuur 4.5). Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het projectgebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Geen van dergelijke risicobronnen zijn in de nabijheid van het plangebied aanwezig.
figuur 4.5: uitsnede Professionele Risicokaart Nederland
Conclusie
Het omgevingsaspect externe veiligheid is geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
Toetsingskader
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
De uitwerking van het begrip 'niet in betekenende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een Rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.
Naast toetsing aan de Wet luchtkwaliteit' en het Besluit gevoelige bestemmingen dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
Toetsing
Met de realisatie van een woonzorgcomplex met 22 appartementen voor ouderen is in dit geval sprake van een plan dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Binnen het plangebied wordt een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Echter, omdat binnen 300 meter van het plangebied geen rijksweg ligt en binnen 50 meter geen provinciale weg, is ook vanwege het Besluit gevoelige bestemmingen geen luchtkwaliteitonderzoek noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ten westen van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de Heinsbergerweg de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 µg/m³ ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt ook niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dan ook dat de concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit liggen: plaatse van het plangebied is uit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het omgevingsaspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is dan wel dat daarvoor een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
figuur 4.6: natuurgebieden in de omgeving van het plangebied
Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (Goudgroene natuurzone / Zone natuurbeek). Het gebiedstype 'Zone Natuurbeek' ligt op een afstand van circa 175 meter van het plangebied. Door deze afstand zijn er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen en kernkwaliteiten van dit gebied te verwachten.
Het plangebied ligt op circa 750 meter van het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Roerdal’. Omdat significant negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van dit plan niet kunnen worden uitgesloten, zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd, zowel voor de gebruiksfase (zie bijlage 5.) als voor de realisatiefase (zie bijlage 6). In een notitie bij deze berekeningen worden de resultaten ervan nader toegelicht (zie bijlage 7)
Via de AERIUS-calculator is berekend in hoeverre het initiatief voor wat betreft de gebruiks- en realisatiefase invloed heeft op dit Natura 2000-gebied en andere verder weg gelegen gebieden inclusief de dichtstbijzijnde binnen 25 kilometer van het plangebied in het buitenland. Uit de berekeningen volgt dat geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis hiervan hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.
Soortenbescherming
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd, nadat recent twee opstallen (een open machineloods en een paardenstal) zijn gesloopt. Hiervoor is een sloopmelding ingediend. De gronden liggen in de huidige situatie voor een groot gedeelte braak (zie figuur 4.7).
figuur 4.7: luchtfoto huidige situatie zonder bebouwing
Voor het overige bestaat het plangebied uit een weiland en erfverharding. Er zijn geen groene elementen, met uitzondering van het gras in het weiland. Het ontbreekt hierdoor aan geschikte habitats voor (beschermde) plant- en diersoorten en het is daardoor niet aannemelijk is dat er (beschermde) plant- en diersoorten aanwezig zijn dan wel verstoord worden. Vanwege het ontbreken van vegetatie is het plangebied ook geen geschikt foerageergebied. Een quickscan naar de mogelijke aanwezigheid van (beschermde) plant- en diersoort of daarvoor geschikt leef- of foerageergebied is voor dit plan niet nodig.
Wel geldt voor alle plant- en diersoorten en voor alle natuurgebieden altijd de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:
Conclusie
Er is geen sprake van beschermde gebieden in het plangebied of in de directe nabijheid ervan. Er is ook geen sprake van stikstofdepositie als gevolg van het plan op Natura 2000-gebied. In het plangebied worden geen (beschermde) plant- en diersoorten verwacht. Met inachtneming van de algemene zorgplicht is het omgevingsaspect ecologie daarom geen belemmering voor (de uitvoerbaarheid van) het plan.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderzocht welk effect een plan heeft op de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en de parkeerbalans. Voor dit plan is daarom een verkeers- en parkeeronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd.
Toetsing parkeren
De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen', omdat de gemeente Roerdalen niet over een eigen parkeernorm beschikt. De gemeente Roerdalen en het centrum van Melick kunnen in de zin van de CROW-publicatie worden gecategoriseerd als 'niet stedelijke omgeving'. De parkeerbehoefte conform de parkeernormen die dit gebiedstype horen, moet volgens de CROW-publicatie in eerste instantie worden ingevuld op eigen terrein.
De parkeerkencijfers van de CROW-publicatie voor een woon- en verzorgingshuis gaan uit van 0,5 tot 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid, ongeacht of het een één of tweepersoonskamer betreft. Op basis hiervan zijn 11 tot 15,4 parkeerplaatsen (22 wooneenheden x 0,5 tot 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid) noodzakelijk voor het woonzorgcomplex. Het aandeel bezoekers wordt volgens de CROW-publicatie geschat op 60%. Dit wil zeggen dat minimaal 7 en maximaal 10 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn voor bezoekers die hun auto willen parkeren.
Binnen het plangebied wordt in 19 parkeerplaatsen voorzien, zodat ruimschoots wordt voldaan aan de norm. De totale parkeerbalans in de omgeving gaat er hiermee op vooruit.
figuur 4.8: inrichting parkeerplaatsen
Toetsing verkeer
Het plangebied wordt ingericht als een eenrichtingserftoegangsweg die wordt verbonden met Marktstraat in het westen. Het woonzorgcomplex leidt volgens de CROW-publicatie slechts tot een beperkte verkeersgeneratie: circa 66 verkeersbewegingen per dag van of naar het plangebied. De totale verkeersintensiteiten in de directe omgeving lopen hierdoor beperkt op tot ongeveer 3.166 verkeersbewegingen per dag, wat binnen de normen valt van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Deze waarde overschrijdt weliswaar de streefwaarde van 3.000 voertuigen per dag maar gelet op de beperkte toename wordt niet verwacht dat er door deze planontwikkeling problemen ontstaan ten aanzien van de bereikbaarheid en leefbaarheid op de toeleidende weg.
Conclusie
De conclusie is dat voorliggend plan haalbaar is op het gebied van verkeer en parkeren.
Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
Het bestemmingsplan 'Woonzorgcomplex Dorpsstraat 63 Melick' is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan 'Woonzorgcomplex Dorpsstraat 63 Melick'. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.1669.BPMLK202DORPSST63C-OW01.
Het bestemmingsplan 'Woonzorgcomplex Dorpsstraat 63 Melick' bestaat uit een verbeelding met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is deze toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.
In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld.
Artikel 3 Groen
De bestemming Groen is opgenomen aan weerszijden van de langzaamverkeersroute van het plangebied naar de Dorpsstraat. Mede hierdoor is het planologisch onmogelijk een inrit voor gemotoriseerd verkeer te realiseren.
Artikel 4 Tuin
Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gezamenlijke tuin rondom het toekomstige hoofdgebouw.
Artikel 5 Verkeer
De doodlopende erftoegangsweg, (eigen) parkeerplaatsen en de langzaamverkeersroute zijn ondergebracht in de bestemming Verkeer. Het is niet toegestaan bebouwing op te richten in deze bestemming, met uitzondering binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bijgebouwen', voor de realisatie van een stalling voor fietsen, scootmobielen en/of afvalcontainers.
Artikel 5 Wonen
In lijn met de gemeentelijke 'Gedragslijn wonen en zorg in het bestemmingsplan', vastgesteld door B&W van gemeente Roerdalen, is voor dit planvoornemen de bestemming “Wonen” met aanduiding 'zorgwonen' opgenomen. Deze bestemmingswijze wordt gehanteerd voor woningen of gebouwen waarin mensen zelfstandig hun woning huren of kopen, en daarnaast een vorm van zorg inhuren/verkrijgen. Met de aanduiding 'zorgwonen' wordt aan de bestemming een specifieke functie aangewezen, omdat deze woningen specifiek voor mensen die vanwege hun leeftijd, gezondheid of beperkingen aangewezen zijn op (enige) zorg en ondersteuning. Deze woningen tellen mee in de woningvoorraad maar zijn uitsluitend beschikbaar voor een specifieke doelgroep.
Voor het overige is wat betreft bouw- en gebruiksregels aangesloten bij de bestemmingsplanregels zoals deze in het bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen' zijn opgenomen.
Artikel 6, 7 en 8 Waarde - Archeologie (4, 5 en 7)
De voor 'Waarde - Archeologie 4, 5 en 7' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. In paragraaf 4.1 is hier nader op ingegaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene aanduidingsregels (waaronder regels t.b.v. de industriële geluidzone, de roerdalslenk en een aanduiding voor het bouwen van bijgebouwen t.b.v. stallingsruimte) algemene procedureregels en overige regels.
Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12 lid 1 en 2 van de Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan moet worden gemaakt. In artikel 6.2.1 Bro zijn de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan - in dit geval een bestemmingsplan - of besluit waarop het betrekking heeft. In de Wro en het Bro is tevens bepaald in welke gevallen kan worden afgezien van het van het vaststellen van een exploitatieplan.
De gemeenteraad kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, of indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente Roerdalen en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Door middel van deze anterieure overeenkomst is het kostenverhaal (anderszins) verzekerd. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar en een exploitatieplan is niet noodzakelijk.
Op grond van artikel 6.1 Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd.
Degenen die schade lijden door planologische wijzigingen krijgen de schade slechts vergoed voor zover deze niet binnen het normaal maatschappelijk risico valt. De schade die minder bedraagt dan 2% van de waarde van de onroerende zaak of het inkomen van de aanvrager voorafgaand aan de planologische wijzigingen blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager. Deze forfaitregeling geldt niet voor schade in de vorm van waardevermindering indien de planologische wijziging ziet op het eigen perceel van de benadeelde, de zogenaamde 'directe' planschade.
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een woonzorgcomplex op de onbebouwde locatie. De afwenteling van eventuele planschade als gevolg van deze ruimtelijke ontwikkeling maakt deel uit van de anterieure overeenkomst.
Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is overleg nodig met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn.
Het bestemmingsplan is in het kader van het bestuurlijk vooroverleg aangeboden aan de Provincie Limburg en de Veiligheidsregio. De provincie heeft aangegeven dat het plan in beginsel geen provinciale belangen schaadt, al had het enkele inhoudelijke opmerkingen die vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2021 (vastgesteld, maar nog niet in werking) en Ontwerp wijzigingsverordening Limburg 2014 van invloed zijn op het plan. Ten slotte is een advies gegeven m.b.t. archeologie. De opmerkingen vanuit het vooroverleg zijn doorgevoerd in het ontwerp-bestemmingsplan.
In september 2022 zijn alle mensen die in de buurt van het gebied wonen, zoals de Dorpsstraat, Graaf van Gelrestraat, Sint Servaaslaan en de Marktstraat, persoonlijk uitgenodigd voor een informatieve bijeenkomst in zaal de Sport in Melick. De opkomst was erg goed, ongeveer 60% van de buurtbewoners was aanwezig.
Tijdens de bijeenkomst werden de eerste plannen gepresenteerd. Er werden verschillende opmerkingen gemaakt over deze plannen.
Er is voornamelijk gesproken over de projectering van het gebouw ten opzichte van de erfgrens en de fysieke scheiding tussen parkeerplaatsen en tuinen.
Veel oudere mensen spraken hun steun uit voor dit soort woningen met zorg in Melick en toonden interesse om er mogelijk in de toekomst te wonen. Naast de aanwezigheid van de architect en enkele ambtenaren was ook de wethouder aanwezig.
Op dat moment werd aangegeven dat de plannen op deze punten zouden worden aangepast, met betrekking tot de afstand tussen het gebouw en de tuinen. Er werd een persoonlijke afspraak gemaakt met de bewoners die hun zorgen uitten, om ter plaatse de situatie te bekijken. Na het bekijken van de situatie werd een voorstel besproken voor een scheiding tussen de erven en maatregelen om het verkeer te regelen, samen met de bewoners.
Gedurende het ontwikkelingsproces zijn de buurtbewoners op de hoogte gehouden van de voortgang via brieven.
Op 1 december 2022 vond er een openbare bijeenkomst plaats om de aangepaste plannen aan de buurt te tonen. Naast een persoonlijke uitnodiging voor de buurtbewoners werden ook de andere inwoners van Melick uitgenodigd via een aankondiging in de Heraut, het plaatselijke huis-aan-huisblad. Omdat het plan op veel punten was aangepast, waren er veel vragen.
Tijdens deze bijeenkomst werden grote informatieborden gebruikt om gerichte vragen te stellen en uitgebreid te beantwoorden.
Ook tijdens deze bijeenkomst was de opkomst goed. Meer dan honderd mensen bezochten de bijeenkomst. Een kleine groep buurtbewoners maakte zich zorgen over het toevoegen van een extra verdieping op het gebouw. Door duidelijkheid te geven over de oriëntatie van de woningen naar de binnenplaats en het feit dat de ramen op een bepaalde hoogte zijn geplaatst om daglicht binnen te laten, werden de meeste zorgen weggenomen.
Een vertegenwoordiging van de gemeente gaf uitleg over de ruimtelijke procedure die zal worden gevolgd. Naast het projectteam waren er enkele ambtenaren en twee wethouders aanwezig. Verschillende bezoekers toonden ook interesse in de mogelijkheid om in het project te wonen.
Het bevoegd gezag plaatst de kennisgeving van het ontwerpbesluit in de Staatscourant en een huis-aan-huis-blad. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Het ontwerp bestemmingsplan ligt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage.