Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Renheide 8
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1658.22lRenheide8-vs01

Regels

 
Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het wijzigen van de functie ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ op de locatie Renheide 8 te Leende en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22l) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het Omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22l' gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1. Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende
Dit plan wijzigt het ‘Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende’ in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22l wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22l van het Omgevingsplan gemeente Heeze Leende. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l.’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22l.’ gelezen worden.
  
1.2. Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
  
1.3. Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
  
1.4. Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie Renheide 8, Leende, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1658.22lRenheide8-vs01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begrippen
 
2.1. Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.
  
2.2. Aanvullende begripsbepalingen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in artikel 2.2.1. tot en met artikel 2.2.78 gehanteerd.
 
2.2.1. plan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Renheide 8, Leende met identificatienummer NL.IMRO.1658.22lRenheide8-vs01 van de gemeente Heeze-Leende;
 
2.2.2. omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende;
 
2.2.3. TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Renheide 8, Leende’ met identificatienummer NL.IMRO.1658.22lRenheide8-vs01 van de gemeente Heeze-Leende;
 
2.2.4. aanbouw/uitbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonische opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
2.2.5. aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
2.2.6. aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
2.2.7. aan-huis-verbonden bedrijf
een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
 
2.2.8. aan-huis-verbonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
2.2.9. aardkundige waarden
landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, grondwaterhuishouding (kwelgebieden), bodemopbouw/bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;
 
2.2.10. bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
2.2.11. bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen, herstellen, verhuren, opslaan en distribueren van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen;
 
2.2.12. bedrijfswoning/dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;
 
2.2.13. bedrijvigheid
het vervaardigen, bewerken en/of verwerken van stoffelijke objecten/goederen;
 
2.2.14. bestaande situatie
  1. t.a.v. bebouwing: bouwwerken aanwezig op het moment van het van kracht worden van het plan, en bouwwerken die op het moment van het van kracht worden van dit plan mogen worden gebouwd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning;
  2. t.a.v. gebruik: legaal gebruik aanwezig op het moment van het van kracht worden van dit plan;
 
2.2.15. bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
 
2.2.16. bijgebouw
een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
2.2.17. bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
2.2.18. bouwgrens
de grens van een functievlak;
 
2.2.19. bouwlaag of verdieping(slaag)
een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren en balklagen/plafonds is begrensd, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder/vliering;
 
2.2.20. bouwmassa
een complex van aaneengebouwde bouwwerken;
 
2.2.21. bouwperceel
aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een functievlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;
 
2.2.22. bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel;
 
2.2.23. bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct met de aarde verbonden is;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
2.2.24. burgerwoning
een woning, niet zijnde een agrarische bedrijfswoning, een bedrijfswoning of recreatiewoning, welke bedoeld is voor één afzonderlijk huishouden;
 
2.2.25. cultuurhistorische waarden
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;
 
2.2.26. dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
 
2.2.27. detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit met uitzondering van supermarkten. Bedrijven gericht op consumentenverzorging, zoals kappers, schoonheidsspecialisten en nagelstudio's zijn hieronder begrepen;
 
2.2.28. erfbeplanting
visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie;
 
2.2.29. erker
een voor de gevel uitgebouwde raampartij;
 
2.2.30. escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;
 
2.2.31. extensief recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de doeleinden binnen de bestemming;
 
2.2.32. functie
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;
 
2.2.33. functiegrens
de grens van een functievlak;
 
2.2.34. functievlak
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde functie;
 
2.2.35. gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.2.36. groenblauwe mantel
gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone of die deze verbinden;
 
2.2.37. hoofdfunctie
een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt;
 
2.2.38. hoofdgebouw
een gebouw, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, gelet op die bestemming, het belangrijkste is;
 
2.2.39. hydrologische waarden
gronden met waarden in verband met een specifieke (geo)hydrologische en/of waterhuishoudkundige situatie, mede in relatie tot aanwezige aardkundige waarden en/of waterafhankelijke natuurwaarden.
Het gaat hier onder meer om verdrogingsbestrijding, waterberging en beekherstel;
 
2.2.40. kampeermiddel
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
2.2.41. kelder
een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk;
 
2.2.42. kleinschalig kamperen
Kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie in de vorm van kamperen met kampeermiddelen tot een in de regels aangegeven maximum aantal kampeermiddelen, zoals kamperen bij de boer;
 
2.2.43. kleinschalig logeren
een nevenactiviteit bij een (bedrijfs)woning met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk 1 tot maximaal 14 nachten, ter plaatse verblijft. Een eenheid is een slaapplaats voor 2 personen;
 
2.2.44. kwaliteitsverbetering van het landschap
een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving;
 
2.2.45. landschappelijke waarden
het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;
 
2.2.46. landschapselementen
de verzameling van landschappelijke beplantingen en kleine natuurelementen, welke onderdeel uitmaken van het lokaal landschappelijk raamwerk;
 
2.2.47. natuurwaarden
de waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied;
 
2.2.48. normaal onderhoud en/of gebruik
tot het normaal onderhoud en/of gebruik van landbouwgronden, bossen/bosjes, natuurterreinen en landschapselementen behoort het reguliere beheer. Hiertoe behoort het normaal agrarisch beheer en het normaal bos-, natuur- en landschapsbeheer:
  1. normaal agrarisch beheer, waaronder het maaien, beweiden en bemesten van grasland, het verbeteren van grasland door het scheuren van de grasmat buiten het broedseizoen van weidevogels en het direct opnieuw inzaaien, het ploegen en cultiveren van bouwland niet dieper dan de bouwvoor, het verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt, het maaien en schonen van de sloot en slootkant en het vervangen van - en onderhoud aan drainage;
  2. normaal bos-, natuur- en landschapsbeheer, waaronder het periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel, het knotten van bomen, het opvullen van open plekken in een houtwal of singel, alsmede het uitdunnen van bomen, laten liggen van dode bomen en het verwijderen van dode bomen;
 
2.2.49. omgevingsvergunning
vergunning als bedoeld in de Omgevingswet, waarmee het bevoegd gezag toestemming verleent om een activiteit uit te voeren waarvoor op grond van de Omgevingswet of het omgevingsplan een vergunning is vereist, en waarmee voorwaarden worden gesteld aan de uitvoering van die activiteit;
 
2.2.50. opslag
het bewaren van goederen, materialen of producten zonder dat deze een bewerking ondergaan en zonder dat ze verhandeld worden;
 
2.2.51. overkapping
een constructie met niet meer dan drie wanden waarvan niet meer dan twee wanden tot de constructie behoren;
 
2.2.52. paardenbak
een buitenrijbaan ten behoeve van (hobbymatige) paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander vergelijkbaar materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining;
 
2.2.53. perceelsgrens
de grens van een bouwperceel;
 
2.2.54. prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding;
 
2.2.55. raamprostitutie
een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen;
 
2.2.56. recreatiewoning
een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van gebruikers die hun hoofdverblijf/eerste woning elders hebben;
 
2.2.57. recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
 
2.2.58. ruimtelijke eenheid
complex van bij elkaar behorende bouwwerken;
 
2.2.59. ruimtelijke kwaliteit
de kwaliteit van de ruimte (woon-, werk- en leefomgeving) als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte, deze kwaliteit wordt bepaald door expliciete aandacht voor de ruimtelijk-functionele kwaliteit, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de architectonische kwaliteit, de landschappelijke kwaliteit en de cultuurhistorische kwaliteit van objecten en terreinen, mede in relatie tot het streekeigen karakter van de directe omgeving;
 
2.2.60. seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.2.61. stacaravan
een caravan of soortgelijk onderkomen al dan niet op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd of uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden;
 
2.2.62. stalling
het onderbrengen van voertuigen, rijdende werktuigen, mobiele machines of vergelijkbare objecten;
 
2.2.63. straatprostitutie
het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken;
 
2.2.64. (teelt)ondersteunende kas
een (teelt)ondersteunende voorziening in de vorm van een (permanente) kas;
 
2.2.65. (teelt)ondersteunende voorzieningen
ondersteunende voorzieningen, in, op of boven de grond, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren. hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of –verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik. Hierbij kunnen worden onderscheiden:
  1. (teelt)ondersteunende kassen;
  2. hoge permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen;
  3. hoge tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen;
  4. lage permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen c.q. containervelden;
  5. lage tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen;
 
2.2.66. teeltondersteunende voorzieningen (hoog, permanent)
teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 m, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaats vindt.
Hieronder worden in ieder geval verstaan teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen. ondersteunende (glas)kassen. plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen;
 
2.2.67. teeltondersteunende voorzieningen (hoog, tijdelijk)
teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 m, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd.
Hieronder worden in ieder geval verstaan: menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon. hagelnetten en vraatnetten;
 
2.2.68. teeltondersteunende voorzieningen (laag, permanent)
teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 m, voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt.
Hieronder worden in ieder geval verstaan: containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van niet-opneembare/gesloten verhardingen, zoals beton. containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen;
 
2.2.69. teeltondersteunende voorzieningen (laag, tijdelijk)
teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 m, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd.
Hieronder worden in ieder geval verstaan: lage tunnels van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen. insectengaas. afdekfolies. vlakveldfolies;
 
2.2.70. trekkershut
een bedrijfsmatige geëxploiteerde, houten kleine vrijstaande blokhut, zonder of met eigen sanitaire voorziening, die dient als periodiek verblijf voor wisselende individuen en groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben;
 
2.2.71. uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
2.2.72. verblijfsrecreatie
het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen;
 
2.2.73. voorgevel
de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekgevel is er slechts sprake van één voorgevel);
 
2.2.74. voorgevelrooilijn
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;
 
2.2.75. water en waterhuishoudkundige voorzieningen
al het oppervlaktewater zoals greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.;
 
2.2.76. werk
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;
 
2.2.77. wonen
het verblijven van een huishouden in een hoofdverblijf;
 
2.2.78. woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
 
2.2.79. zijdelingse / achterste perceelsgrens
de niet naar een weg of openbaar gebied gekeerde grens van een bouwperceel.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
3.1. Meetbepalingen
In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:
  
3.2. Afstand tot de weg
de afstand tussen de bebouwing en de as van de weg;
  
3.3. Afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse en achterste perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;
  
3.4. Bebouwd oppervlak van een bouwperceel
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
  
3.5. Bebouwingspercentage
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming;
  
3.6. Bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  
3.7. Breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;
  
3.8. Dakhelling:
langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak;
  
3.9. Goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
3.10. Inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  
3.11. Oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  
3.12. Peil
  1. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  
3.13. Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan
1,5 m in de diepte en 3,0 m in de hoogte.
 
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 4 Agrarisch
 
4.1. Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie ‘Agrarisch’.
  
4.2. Functieomschrijving
Gronden binnen de functie ‘Agrarisch’ mogen worden benut voor:
  1. (hobbymatige) agrarisch grondgebruik;
  2. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. landschappelijke inpassing;
  6. behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone -groenblauwe mantel’.
  
4.3. Beoordelingsregels bouwen
4.3.1. Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.
 
4.3.2. Gebouwen en bouwwerken
Voor gebouwen en bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
 
4.3.2.1. Algemeen
  1. gebouwen zijn niet toegestaan;
  2. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die ten dienste staan van de functie;
  3. in aanvulling op het bepaalde onder b mogen tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik, zoals banken, picknicktafels, vogel/wild-observatieposten, bewegwijzering e.d.;
  4. teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  5. paardenbakken zijn niet toegestaan.
 
4.3.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. overkappingen zijn niet toegestaan;
  2. kleinschalige voorzieningen zijn niet toegestaan;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  4. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.
 
4.4. Vergunningplicht - bouwactiviteiten
4.4.1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte
a. Vergunningplicht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte
Met een omgevingsvergunning kunnen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte worden toegestaan, in strijd met artikel 4.3.2.2. sub c.
 
b. Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.
 
4.4.2. Erfafscheidingen met een hogere bouwhoogte
a. Vergunningplicht erfafscheidingen met een hogere bouwhoogte
Met een omgevingsvergunning kunnen erfafscheidingen met een hogere bouwhoogte worden toegestaan, in strijd met artikel 4.3.2.2. sub c.
 
b. Beoordelingsregels erfafscheidingen met een hogere bouwhoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.2. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
  
4.5. Vergunningplicht - diverse werken of werkzaamheden
4.5.1. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Met een omgevingsvergunning kunnen de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden worden uitgevoerd:
  1. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
  2. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2.
 
4.5.2. Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder 4.5.1 bepaalde is niet van toepassing voor werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
4.5.3. Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.5.1. kan worden verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregel:
  1. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de algemene landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden;
 
Artikel 5 Wonen
 
5.1. Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie ‘Wonen’.
  
5.2. Functieomschrijving
Gronden binnen de functie ‘Wonen’ mogen worden benut voor:
  1. wonen;
  2. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;
  3. kleinschalig logeren tot een maximum van 100 m2 ten behoeve van maximaal twee eenheden;
  4. groenvoorzieningen;
  5. tuinen en erven;
  6. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone -groenblauwe mantel’.
  
5.3. Beoordelingsregels bouwen
5.3.1. Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.
 
5.3.2. Gebouwen en bouwwerken
Voor gebouwen en bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
 
5.3.2.1. Algemeen
  1. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die ten dienste staan van de functie, zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  2. per functievlak is maximaal één woning toegestaan.
 
5.3.2.2. Hoofdgebouwen
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd binnen het functievlak;
  2. de inhoud van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 750 m3 bedragen, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend. Indien de bestaande inhoud van de woning meer bedraagt geldt die inhoudsmaat als maximum;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  5. de dakhelling van gebouwen mag niet minder dan 12o en niet meer dan 50o bedragen;
  6. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m. Indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand tot de weg.
 
5.3.2.3. Bijgebouwen
  1. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  2. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het functievlak;
  3. de totale oppervlakte van bijgebouwen bedraagt maximaal 240 m2 met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte van 240 m2 noodzakelijk is voor het regulier gebruik van bijgebouwen en voor opslag en stalling ten behoeve van een aan-huis-verbonden bedrijf;
    2. indien geen sprake meer is van de noodzaak voor opslag en stalling ten behoeve van een aan-huis-verbonden bedrijf, de maximale oppervlakte aan bijgebouwen dient te worden teruggebracht tot de reguliere maatvoering voor bijgebouwen, zijnde 120 m2.
  4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  5. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  6. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m;
  7. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning mag niet meer bedragen dan 20 m.
 
5.3.2.4. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m;
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m;
  3. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 4 m;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 20 m². Indien de bestaande oppervlakte van overkappingen meer bedraagt geldt die oppervlakte als maximum;
  5. Voor de bouw van onoverdekte zwembaden geldt dat:
    1. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 5 m;
    2. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel tot een maximum van 100 m²;
    3. het zwembad uitsluitend achter de achtergevelrooilijn van de woning mag worden gesitueerd.
 
5.3.2.5. Ondergronds bouwen
  1. ondergronds bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan onder gebouwen, die bovengronds:
    1. reeds zijn gebouwd en/of;
    2. gelijktijdig worden gebouwd;
  2. de verticale diepte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
  
5.4. Vergunningplicht - bouwactiviteiten
5.4.1. Grotere inhoud hoofdgebouw
a. Vergunningplicht grotere inhoud hoofdgebouw
Met een omgevingsvergunning kan een grotere inhoudsmaat voor een woning worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.2. sub b.
 
b. Beoordelingsregels grotere inhoud hoofdgebouw
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van (overtollige) gebouwen, renovatie/restauratie van gebouwen en/of een adequate stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing.
 
5.4.2. Wijzigen van de voorgeschreven dakhelling
a. Vergunningplicht wijzigen van de voorgeschreven dakhelling
Met een omgevingsvergunning kan het wijzigen van de voorgeschreven dakhelling worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.2. sub e.
 
b. Beoordelingsregels wijzigen van de voorgeschreven dakhelling
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.2. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. het stedenbouwkundig beeld wordt niet aangetast;
  2. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.
 
5.4.3. Bouwen op een kortere afstand van de weg
a. Vergunningplicht bouwen op een kortere afstand van de weg
Met een omgevingsvergunning kan het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg, worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.2. sub f.
 
b. Beoordelingsregels bouwen op een kortere afstand van de weg
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.3. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. het stedenbouwkundig beeld wordt niet aangetast;
  2. de verkeersveiligheid wordt niet aangetast.
 
5.4.4. Bouwen van aan- en uitbouwen buiten het functievlak
a. Vergunningplicht bouwen van aan- en uitbouwen buiten het functievlak
Met een omgevingsvergunning kan het bouwen van aan- en uitbouwen buiten het functievlak worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.2. sub a.
 
b. Beoordelingsregels bouwen van aan- en uitbouwen buiten het functievlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.4. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen buiten het functievlak mag niet meer bedragen dan 50 m2;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
5.4.5. Verkleinen van de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens
a. Vergunningplicht verkleinen van de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens
Met een omgevingsvergunning kan het verkleinen van de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.3. sub f.
 
b. Beoordelingsregels verkleinen van de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.5. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.
 
5.4.6. Bouwen van bijgebouwen op een grotere afstand van de woning
a. Vergunningplicht bouwen van bijgebouwen op een grotere afstand van de woning
Met een omgevingsvergunning kan het bouwen van bijgebouwen op een grotere afstand van de woning worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.3. sub g.
 
b. Beoordelingsregels bouwen van bijgebouwen op een grotere afstand van de woning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.6. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. het vergroten van de afstand is noodzakelijk in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
 
5.4.7. Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere bouwhoogte
a. Vergunningplicht bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere bouwhoogte
Met een omgevingsvergunning kan het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere bouwhoogte worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.4. sub c.
 
b. Beoordelingsregels bouwen op een kortere afstand van de weg
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.7. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
 
5.4.8. Ondergronds bouwen buiten gebouwen en/of op een grotere diepte
a. Vergunningplicht ondergronds bouwen buiten gebouwen en/of op een grotere diepte
Met een omgevingsvergunning kan het ondergronds bouwen buiten het grondoppervlak van bestaande gebouwen en/of het ondergronds bouwen op een grotere diepte worden toegestaan, in strijd met artikel 5.3.2.5. sub a. en/of b.
 
  1. Beoordelingsregels ondergronds bouwen buiten gebouwen en/of op een grotere diepte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.8. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. het ondergronds bouwen dient plaats te vinden binnen het functievlak;
  2. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  3. de hydrologie mag niet onevenredig worden aangetast;
  4. de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt.
  
5.5. Specifieke functieregels
5.5.1. Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven
Binnen de voor de functie ‘Wonen’ aangewezen gronden is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven in de woning en/of bijgebouwen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende beoordelingsregels van toepassing zijn:
  1. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 45 m²;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt voor opslag en stalling ten behoeve van een aan-huis-verbonden bedrijf het bepaalde in artikel 5.3.2.3. sub c.;
  3. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  4. detailhandel is niet toegestaan;
  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door de bewoner.
 
5.5.2. Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met deze functie wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden en/of bouwwerken voor de volgende functies:
  1. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. kleinschalig kamperen;
  3. gebruik van een woning als recreatiewoning;
  4. gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning.
 
5.5.3. Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
  1. Tot een verboden gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 5.2. wordt begrepen het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de in artikel 5.2 opgenomen gebruiksactiviteiten, zonder de aanleg en instandhouding van de in de bijlage opgenomen landschapsmaatregelen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a. mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de toegelaten functie(s) onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing op het betreffende functievlak conform de in de bijlage opgenomen landschappelijke inpassing dan wel een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is goedgekeurd.
  
5.5.4. Voorwaardelijke verplichting - waterberging
Alvorens nieuwe bouwwerken in gebruik genomen worden als bijgebouw, dient binnen het plangebied, waarop dit hoofdstuk, conform artikel 1 van toepassing is, een waterberging met een inhoud van 30 mm per vierkante meter verhard / bebouwd oppervlak te worden gerealiseerd, waarbij deze waterberging na realisatie duurzaam in stand moet worden gehouden.
 
5.4. Vergunningplicht - gebruiksactiviteiten
5.4.1. Kleinschalig kamperen
a. Vergunningplicht kleinschalig kamperen
Met een omgevingsvergunning kan een afwijkende gebruiksactiviteit in de vorm van kleinschalig kamperen worden toegestaan, in strijd met artikel 5.5.2. sub a.
 
b. Beoordelingsregels kleinschalig kamperen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan;
  2. de afstand van de kampeerlocatie tot de dichtstbij gelegen (bedrijfs)woning bedraagt minimaal 50 m;
  3. de aanwezige natuur- of landschapswaarden worden niet aangetast.
 
5.4.2. Gebruik van een woning als recreatiewoning
a. Vergunningplicht gebruik van een woning als recreatiewoning
Met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een woning als recreatiewoning worden toegestaan, in strijd met artikel 5.5.2. sub b.
 
b. Beoordelingsregels gebruik van een woning als recreatiewoning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.2. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de recreatiewoning mag voor maximaal 10 personen gebruikt worden;
  2. het parkeren voor de recreatiewoning vindt plaats op eigen terrein;
  3. de afstand tussen twee recreatiewoningen bedraagt minimaal 150 meter;
  4. indien de woning in gebruik wordt genomen als recreatiewoning mag er geen sprake zijn van reguliere bewoning;
  5. indien de woning ligt binnen de aanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’, dient de functiewijziging gepaard te gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden;
  6. het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken indien 2 jaar geen gebruik is gemaakt van de functiewijziging tot recreatiewoning.
 
3 Algemene regels
 
Artikel 6 Toepassingsbereik
 
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.
Artikel 7 Aanvraagvereisten
 
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    2. het bepaalde in artikel 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.
 
Artikel 8 Anti-dubbeltelregeling
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene beoordelingsregels bouwen
 
9.1. Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.
 
9.2. Gebouwen en bouwwerken
Voor gebouwen en bouwwerken gelden de volgende algemene beoordelingsregels:
 
9.2.1. Bestaande afwijkende maatvoering
  1. het in stand houden van bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvan de maatvoering afwijkt van het bepaalde in dit plan is toegestaan indien de bestaande maatvoering bestond op het moment dat dit artikel in werking is getreden en het bouwwerk is gerealiseerd overeenkomstig een daartoe verleende omgevingsvergunning;
  2. in geval van herbouw is het bepaalde onder a. slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  
9.3. Vergunningplicht - bouwactiviteiten
9.3.1. Afwijkende maatvoering bebouwing
a. Vergunningplicht afwijkende maatvoering bebouwing
Met een omgevingsvergunning kan het oprichten van bebouwing met een afwijkende maatvoering worden toegestaan, in strijd met de maatvoeringen, zoals genoemd in artikel 4 en 5.
 
b. Beoordelingsregels afwijkende maatvoering bebouwing
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.3.1. sub a. kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking van de maten, afmetingen en percentages mag niet meer dan 10% bedragen, met dien verstande dat deze afwijking niet geldt voor woningen alsmede recreatiewoningen, chalets, stacaravans en trekkershutten;
  2. het functievlak mag in geringe mate worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  3. een overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, is toegestaan met dien verstande dat:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
    2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
 
4 Overgangsregels
Artikel 10 Overgangsrecht
 
10.1. Overgangsrecht bouwwerken
10.1.1. Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
 
10.1.2. Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 11.1.1. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder artikel 11.1.1 met maximaal 10%.
 
10.1.3. Uitzondering
Artikel 11.1.1. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  
10.2. Overgangsrecht gebruik
10.2.1. Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
10.2.2. Verbod
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
10.2.3. Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1., na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
10.2.4. Uitzondering
Het bepaalde in artikel 12.2.1. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.