| Plan: | Sportpark Bosschenhoofd |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1655.BP4002-C001 |
Regelgeving
Het archeologisch bodemarchief is de grootste bron voor de geschiedenis van Nederland. Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van deze archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta is geïmplementeerd in de Monumentenwet.
Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.
Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht kunnen worden. Wie de bodem in wil, bijvoorbeeld om te bouwen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen of het opgraven van archeologische vondsten. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de "verstoorder" betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek en toetsing
Het plangebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde volgens de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart stedelijk gebied. Voor gronden die als zodanig zijn aangeduid is feitelijk geen archeologische onderzoek noodzakelijk en er gelden in principe geen restricties ten aanzien van de planvorming.
Voor de gronden van het Sportpark die buiten de beleidsadvieskaart van het stedelijk gebied vallen gelden volgens de Archeologische advieskaart buitengebied van de gemeente Halderberge de volgende archeologische verwachtingen:
Middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van late landbouwers (Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd). Middelhoge tot lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van vroege landbouwers (Neolithicum-Vroege Middeleeuwen).
Lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers-verzamelaars
(Laat-Paleolithicum-Neollithicum).
Voor gronden als zodanig aangewezen geldt dat Archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor bodemingrepen dieper dan de bouwvoor (bouwvoor: grondlaag waar de wortels van de planten in groeien, globaal de bovenste 25 centimeter). Het archeologisch (voor)onderzoek zal met name gericht moeten zijn op vindplaatsen van vroege en late landbouwers. De aard en omvang van het archeologisch (voor)onderzoek wordt sterk bepaald door de aard en omvang van de geplande bodemingrepen. Met het oog op een zorgvuldige belangenafweging dient een archeologisch (voor)onderzoek te worden uitgevoerd in de vroegste fase van planvorming.
Voor de aanleg van een voetbalveld vinden geen bodemingrepen plaats welke dieper zijn dan de bouwvoor.
Figuur 4.1. Fragment Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart stedelijk gebied (RAAP-rapport 1129, kaart bijlage 5c)
Figuur 4.2. Fragment Archeologische advieskaart buitengebied (RAAP-rapport 1129 kaartbijlage 4)
Conclusie
Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.