direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Deel Zuid Midden Gemert
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Deel in Gemert ligt een initiatief voor een woningbouwontwikkeling voor 12 woningen. Op 2 maart 2024 is het bestemmingsplan “Deel zuid Gemert” vastgesteld voor twee naastgelegen woningbouw initiatieven. Voorliggende locatie ligt tussen deze twee initiatieven in en zal daarom de naam 'Deel zuid – Midden' krijgen.

Het plangebied bestaat nu uit agrarische percelen aan een oud bebouwingslint. Ten zuiden van het plangebied loopt de Molenbroekseloop. Binnen het plangebied is men voornemens om 12 woningen te realiseren.

Omdat het initiatief niet past binnen de bestaande kaders van het gemeentelijke (tijdelijke) omgevingsplan, wordt een ruimtelijke procedure opgestart. Door middel van een TAM-Omgevingsplan wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt.

In voorliggende ruimtelijke motivering wordt het plan getoetst aan de geldende wet- en regelgeving en zal worden aangetoond dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties alsmede de beoordeling- en instructieregels uit het Bkl.

1.2 TAM-Omgevingsplan

Een omgevingsplan bestaat uit regels en gaat vergezeld van deze motivering. Iedere regel heeft een zogenaamd 'werkingsgebied'. Dit werkingsgebied geeft aan waar in de gemeente een bepaalde regel geldt. Het omgevingsplan bevat regels die te maken hebben met de fysieke leefomgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om regels over bouwen (waar, hoe hoog, welke materialen) of het gebruik van gronden (wonen, detailhandel, groen). Maar het kunnen ook regels zijn over monumenten, water of gezondheid, veiligheid et cetera. Het omgevingsplan richt zich op het goed functioneren, beheren en beschermen van onze stad en ons buitengebied.

TAM-Omgevingsplan

Voorliggend plan is een TAM omgevingsplan. TAM staat voor tijdelijke alternatieve maatregel. TAM maakt het mogelijk om na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een plan in procedure te brengen zonder dat wordt voldaan aan de nieuwe standaarden. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen wel via het Omgevingsloket te raadplegen. Het plan is dan zichtbaar als een laag 'bovenop' het omgevingsplan. Later moet het dit plan nog wel conform de nieuwe standaarden gepubliceerd worden.

Juridisch-inhoudelijk is dit plan een wijziging van het omgevingsplan. Dat betekent dat het plan voldoet aan de eisen die de Omgevingswet stelt.

1.3 Ligging plangebied / werkingsgebied

De locatie is gelegen in het noorden van Gemert, ten zuiden van de Deel. De gronden zijn kadastraal bekend als gemeente Gemert, sectie O nummers 942, 650 en 250. De totale oppervlakte bedraagt 10.034 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0001.png"

Afbeelding 1.1 Ligging locatie in de kern Gemert

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0002.png"

Afbeelding 1.2 Begrenzing plangebied (kadastrale percelen)

1.4 Toetsing vigerend omgevingsplan

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) beschikt iedere gemeente in Nederland over een omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit:

  • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;
  • en rijksregels over activiteiten die het Rijk overdraagt aan de gemeentes (aangeduid als 'de bruidsschat').

Het nieuwe deel van het omgevingsplan is in eerste instantie nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht en de bruidsschat. De regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan komen tot stand door bestaande regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid.

Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om het nieuwe deel van het omgevingsplan te wijzigen en vast te stellen. Ter plaatse van het plangebied bestaat het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Gemert uit de volgende plannen:

  • "Omgevingsplan gemeente Gemert-Bakel", in werking vanaf 1 januari 2024, laatst gewijzigd op 16 augustus 2024;
  • Bestemmingsplan “Parkeren Gemert-Bakel”, vastgesteld op 23 januari 2018;
  • Bestemmingsplan “Stedelijke gebieden, april 2013”, vastgesteld op 1 juli 2013;
  • Bestemmingsplan “Woongebied 2011”, vastgesteld op 29 juni 2011;

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0003.png"

Afbeelding 1.3 Uitsnede bestemmingsplan "Woongebied 2011"

Toets omgevingsplan

Omgevingsplan gemeente Gemert-Bakel

Het “Omgevingsplan gemeente Gemert-Bakel” bestaat vooralsnog (d.d. 1 januari 2024) hoofdzakelijk uit de bruidsschat, die is opgenomen in hoofdstuk 22. Totdat de gemeente het tijdelijke deel van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied heeft gewijzigd of een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven de voormalige bestemmingsplannen “Woongebieden 2011” en “Stedelijke gebieden, 2013” van toepassing op het plangebied.

Bestemmingsplan “Woongebieden 2011”

Ter plaatse van de oostelijk gelegen delen van het plangebied zijn de gronden bestemd als 'Agrarisch' met de aanduiding 'oude akker'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor al dan niet bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik inclusief tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en extensief recreatief medegebruik. De aanduiding 'oude akker' geeft aan dat het cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle akkers betreft. Het afgraven, vergraven en egaliseren van de bodem; het aanleggen van drainage; het aanbrengen van oppervlakteverharding en het aanleggen van mest- of waterbassins van folie is in de basis niet toegestaan.

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de agrarische bestemming worden gebouwd.

Relatie tot voorgenomen ontwikkeling

Op de beoogde locatie zijn woningen met daarbij behorende wegen en groen voorzien. Deze functies zijn binnen de bestemming 'agrarisch' niet mogelijk.

Zowel het bouwen van gebouwen als het beoogde gebruik is in strijd met het bestemmingsplan “Woongebieden 2011”.

Bestemmingsplan “Stedelijke gebieden, april 2013”

In 2013 zijn de westelijk gelegen gronden, welke eerst ook deel uitmaakt van “Woongebieden 2011”, vervangen door bestemmingsplan “Stedelijke gebieden 2013”. Deze gronden zijn daarin eveneens bestemd als 'Agrarisch' met de aanduiding 'oude akker'. De bestemmingsomschrijving is daarbij gelijkluidend als “Woongebieden 2011”.

Daarnaast is een vrijwaringszone ten behoeve van de molen Bijenkorf opgenomen. De maximale bouwhoogte binnen deze aanduiding is de uitkomst van de formule: (afstand tot de molen / 50) + 3,24). Hier wordt in paragraaf 4.2 nader op ingegaan.

Relatie tot voorgenomen ontwikkeling

Op de beoogde locatie zijn woningen met daarbij behorende wegen en groen voorzien. Deze functies zijn binnen de bestemming 'agrarisch' niet mogelijk.

Zowel het bouwen van gebouwen als het beoogde gebruik is in strijd met het bestemmingsplan “Stedelijke gebieden, april 2013”.



Bestemmingsplan “Parkeren Gemert-Bakel”

Middels het bestemmingsplan “Parkeren Gemert-Bakel” heeft de gemeente haar parkeerbeleid zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' juridisch vastgesteld voor haar gehele grondgebied.

Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal voldaan moeten worden aan het gemeentelijke parkeerbeleid. De nadere uitwerking van het aspect 'parkeren' is te vinden in paragraaf van deze ruimtelijke motivering.

1.5 Leeswijzer

Voorliggende ruimtelijke motivering kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 is de aanleiding van de ruimtelijke procedure uiteengezet. Alsmede ook de ligging van het plangebied. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie van het plangebied en gaat in op de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De relevante beleidskaders worden in Hoofdstuk 3 weergegeven. De planologisch relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden behandeld in hoofdstuk 4. De economische uitvoerbaarheid is in hoofdstuk 5 opgenomen en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6. Tot slot wordt de eindconclusie in hoofdstuk 7 gegeven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

De Deel in Gemert is een voormalig gehucht, dat aan de rand van het stedelijk gebied is gelegen. De weg Deel is een typische landweg die de Pandelaar met de Vondellaan verbindt. Slechts enkele bomenrijen markeren wegen of lijnen in het landschap. In het verleden, voor de het doortrekken van de Vondellaan naar het zuiden, was de Deel de doorgaande route naar Gemert.

De bebouwing bestaat overwegend uit (monumentale) woonboerderijen, gelegen op ruime en groene percelen. Ze vormen een historisch dorpslint aan de noordzijde van de weg. Op sommige plekken wordt de bebouwing onderbroken door een agrarisch perceel, waardoor er een doorkijk ontstaat naar het achterliggende landschap.

Aan de zuidzijde van de weg is slechts een enkele woning aanwezig. De overige gronden zijn agrarische percelen die aan de zuidzijde grenzen aan de Molenbroekseloop. Alle gronden zijn momenteel nog in gebruik als gras/agrarisch land. Voor deze oostelijke en westelijke percelen loopt echter een ruimtelijke procedure om woningbouw te realiseren.

2.2 Nieuwe situatie

Visie

In januari 2023 heeft Buro Lubbers een visie opgesteld voor het gebied Deel Zuid. Hierin is ook de onderhavige locatie gelegen. De visie voor het gebied Deel Zuid wordt gekenmerkt door een groen en landelijk karakter waardoor het gebied zich als een gehucht binnen het dorp Gemert gedraagt. De weg Deel blijft als weg en historisch lint herkenbaar. Er is in de visie gekozen voor het aanleggen van een ecologische verbindingszone langs de Molenbroekseloop. Het gebied wordt gekenmerkt door een lage bebouwingsdichtheid.

Gezien de grote woningbehoefte heeft de gemeente besloten om Gemert aan de noodzijde verder uit te breiden. De eerste stap van deze uitbreiding is Doonheide II, gelegen ten noordoosten van de Deel. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om het gebied direct ten noorden van de Deel te bebouwen. Dit betekent dat de Deel volledig omsloten zal gaan worden door woningbouw en dus nog meer verweven zal worden met het stedelijk gebied. Er is in de toekomst geen sprake meer van een kernrandzone maar van een groene zone/ landelijke sfeer binnen het stedelijk gebied waarin de kenmerken van het historische gehucht 'de Deel' nog steeds duidelijk aanwezig zijn. Voor het behoud en herstel van deze waarden en kwaliteiten dient het uitgangspunt bij elke toekomstige ontwikkeling rondom deze locatie bij te dragen aan deze uitstraling en sfeer. De omgeving van de Deel zien wij als een verbindende 'groene' schakel tussen de bestaande en toekomstige omliggende gebieden. Door de groene uitstraling en de aanwezigheid van de waterloop is dit een gebied waar mensen kunnen wonen, ontspannen, sporten en ontmoeten.

Nieuwe situatie

In Bijlage 1 is een vergrootte versie van het verkavelingsplan opgenomen. De bebouwing aan de Deel kenmerkt zich door een afwisseling van woningen (voormalige boerderijen) en open ruimte (voormalige akkers). De bebouwing staat op wisselende afstand van de weg. In de planopzet liggen drie bouwblokken op wisselende afstand van de weg. Naast de ontsluitingsweg aan de Deel ligt een brede groenzone. De groenzone en de weg vormen een open ruimte, tussen de bouwblokken. Een tweede insteek vanaf de Deel geeft toegang tot een voorerf, waaraan 5 woningen liggen. Ook dit voorerf vormt een open ruimte tussen de bebouwing. De bouwblokken liggen op verschillende afstand tot de weg.

Aan de Molenbroekseloop is ruimte gemaakt voor de ecologische verbindingszone en een onderhoudsstrook voor de waterloop. De woningen liggen met hun achtertuinen aan deze zone, waardoor dit een rustige en groene ecologische verbinding wordt die als wandelroute door het gehucht gebruikt kan worden. De woningen zijn bereikbaar vanaf de ontsluitingsweg die in het midden van het gebied. De bestaande bomenrij in het oosten wordt gehandhaafd en versterkt door een naastgelegen vijf meter brede groenzone. Hierin ligt een langzaamverkeersroute, die het dorp Gemert in de toekomst gaat verbinden met de gemeentelijke uitbreidingslocatie ten noorden van de Deel.

De kavels worden als zelfbouwkavels uitgegeven. Voorliggende ruimtelijke motivering geeft de ruimtelijke kaders aan.

De naastgelegen bouwplannen gaan ook uit van zelfbouwkavels, echter bevinden deze zich in een hoger marktsegment. Door de kleinere kavels in voorliggend plan, is dit plan voor een grotere doelgroep bereikbaar en een welkome aanvulling op de ontwikkelingen. Tevens kan hiermee een bijdrage worden geleverd aan de doorstroming in de lokale woningmarkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.1. Verkaveling (bron: Bureau Dhondt, S21060-V023, d.d. 5 juni 2025)

Groen en water

In de stedenbouwkundige opzet wordt aangesloten bij de recent plannen op naastgelegen percelen en wordt de bestaande landschapskarakteristiek zoveel mogelijk versterkt

Dit wordt gedaan door de gebouwen aan de weg Deel qua verhoudingen en materiaalgebruik te laten aansluiten op de oudere boerderijen die langs de weg staan. Deze gebouwen zijn rondom een gezamenlijk groen erf geplaatst of worden omringd door een boomgaard. De woningen die vanaf het woonstraatje daarachter bereikbaar zijn, en niet zichtbaar zijn vanaf de weg hebben een andere opzet. Hier wordt een landelijke uitstraling nagestreefd, met een verspringende rooilijn, variatie in de oriëntatie en materiaalgebruik. Daarnaast hebben de woningen een grote tuin waardoor de straat het karakter van een rustige groene dorpsstraat krijgt. Daarnaast wordt een oude bomenrij uit het verleden teruggebracht.

Voor de landschappelijke inpassing van het geheel is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke als Bijlage 2 aan de ruimtelijke motivering is toegevoegd. In Bijlage 3 is de berekening ten aanzien van de groennorm opgenomen. In afbeelding 2.2 is een verkleinde weergave van het landschappelijk inpassingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0005.png"

Afbeelding 2.2. Landschappelijk inpassingsplan (bron: Barbara Roozen, 2 juni 2025)

Verkeer en parkeren

De 7 woningen aan de rand van het plangebied (kavels 1 t/m 7) worden ontsloten via een nieuw aan te leggen weg welke een aansluiting heeft op de Deel. De kavels 1 t/m 7 hebben allen voldoende ruimte om minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

De kavels 8 t/m 12 worden ontsloten via een nieuw aan te leggen parkeerterrein dat aansluit op de Deel. Op deze parkeerplaats is ruimte voor 12 parkeervakken, deze zijn met name bedoeld voor de twee-onder-een-kapwoningen en bezoekers.

De toetsing aan de parkeernormen vindt plaats in paragraaf 4.9.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden of gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking zal treden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020 en biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave.

Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.

De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • Duurzaam economisch groeipotentieel
  • Sterke en gezonden steden en regio's
  • Toekomstig bestendige ontwikkeling van het landelijk gebied


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie

Gezien de aard en omvang van voorliggend initiatief heeft bovengenoemd rijksbeleid niet direct invloed op onderhavige ontwikkeling. De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en vier prioriteiten van het Rijk als leidraad gebruiken.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

Het Bkl is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.

De Omgevingswet gaat over beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Er zijn vijf typen maatschappelijke opgaven op het terrein van de fysieke leefomgeving waarvoor het Rijk regels stelt:

  • Het beschermen van kwetsbare onderdelen van fysieke leefomgeving, zoals gebouwen waar mensen verblijven. Hiervoor gelden regels met het oog op geur, geluid, externe veiligheid. Ook cultureel erfgoed is een kwetsbaar belang, waarvoor in het Bkl regels zijn gesteld.
  • Het beschermen van onderdelen van de fysieke leefomgeving van nationaal belang, zoals rijkswegen en defensieterreinen tegen gevolgen van activiteiten van derden.
  • De zorg voor een aanvaardbare kwaliteit van specifieke onderdelen van de fysieke leefomgeving, zoals de kwaliteit van de buitenlucht of het oppervlaktewater.
  • Het waarborgen van een aanvaardbare kwaliteit van onderdelen van de fysieke leefomgeving waar een eigenaar of beheerder aan zet is (onder meer bouwwerken en badgelegenheden).
  • Het benadrukken van algemene belangen in besluitvorming, zoals het belang van het voorkomen van rampen, het waterbelang of de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 5.129g van het Bkl is de Ladder voor duurzame verstedelijking (kortweg 'Ladder') opgenomen. De Ladder is een instructieregel die verplicht is voor ruimtelijke plannen waarbij een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' planologisch mogelijk wordt gemaakt. Het doel van de Ladder is het nastreven van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Dit betekent dat de behoefte aan deze nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangetoond én dat voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied gemotiveerd moet worden waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kunnen worden ontwikkeld.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In 'beginsel' is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Bij toevoeging van een gebouw ligt de ondergrens 'in beginsel' eveneens bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2.

De Laddertoets geldt alleen voor 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte. Van belang is dus in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; en
  • welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan

Beoordeling

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 woningen op een locatie dat momenteel nog een agrarische bestemming heeft. De ontwikkeling wordt derhalve aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Omdat de locatie buiten het bestaand stedelijk gebied is gelegen, dient tevens de behoefte gemotiveerd te worden.

Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2023

Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog ruim 225.000 huishoudens bij. Doordat het aantal huishoudens de komende jaren nog sterk toeneemt, zijn er ook meer huizen nodig. Naar verwachting hebben we in 2050 in totaal 1.444.000 woningen nodig in de Provincie Noord-Brabant. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens meer dan 40% een eenpersoonshuishouden is. Vooral het aantal oudere alleenstaanden van 75 jaar en ouder neemt sterk toe.

Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen. In de Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage staat dat er in de regio Zuidoost Brabant in de periode 2023 t/m 2032 nog 46.100 woningen nodig zijn.

Onderstaande tabel is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0006.png"

Afbeelding 3.1 indicatie toename woningvoorraad (Bron: De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2023)

De indicatie voor de gemeente Gemert-Bakel is 1.300 woningen in de periode 2023-2030. Op basis van de bevolkings- en woningbehoefteprognose Provincie Noord-Brabant is de verwachting dat de woningbehoefte binnen de gemeente Gemert-Bakel in de periode 2022 t/m 3030 in totaal 1.620 woningen is, waarvan er in 2022 en 2023 in totaal 250 woningen zijn opgeleverd. Het referentiebeeld voor de periode 2024-2040 is volgens de provinciale prognose voor Gemert-Bakel 2.635 woningen.

Verzorgingsgebied en verhuisbewegingen gemeente Gemert-Bakel

Om de behoefte van het plan in beeld te kunnen brengen moet eerst bepaald worden wat het verzorgingsgebied (c.q. marktregio) is van de ontwikkeling. De Ladder voorziet onder meer in een zorgvuldig ruimtegebruik waardoor planoverschotten op de (regionale) woningmarkt worden voorkomen. De woonconsument is niet gebonden aan gemeentegrenzen maar de praktijk wijst uit dat het gros van de verhuizingen binnen de gemeente plaatsvindt. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio. Voor de woningbouw in het plan Deel zuid - Midden wordt de gemeente Gemert-Bakel gelijk gesteld aan het ruimtelijk verzorgingsgebied (de marktregio) van de ontwikkeling. Dit is gebaseerd op het beoogde type plan en verhuisbewegingen, zoals hieronder toegelicht.

Op basis van de CBS-migratiecijfers van alle verhuisde personen bleek dat in de periode 2020-2023 53% van alle verhuisde personen in de gemeente Gemert Bakel uit de eigen gemeente kwam.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0007.png"

Afbeelding 3.2 Periode 01-01-2022 / 31-12-2023 (bron: CBS)

Slechts een klein deel van de verhuisbewegingen buiten gemeente Gemert-Bakel zijn van buiten de provincie afkomstig. Het overgrote deel van de verhuisbewegingen van buiten de gemeente Gemert-Bakel zijn afkomstig uit Noord-Brabant, deels uit Zuidoost-Brabant. In de gemeente Gemert-Bakel is het merendeel van alle inkomende verhuizingen afkomstig uit de gemeente Gemert-Bakel zelf en een deel uit Zuidoost-Brabant. Dit betekent dat sprake is van een lokale en regionale marktregio. Daarom wordt de woningmarktregio Zuidoost-Brabant als verzorgingsgebied voor de woningbouwontwikkeling Deel zuid - Midden gehanteerd.

Regionale afspraken

In de Regionale woondeal Zuidoost-Brabant zijn afspraken gemaakt tussen Rijk, provincie, 13 woningcorporaties en 21 gemeenten in Zuidoost-Brabant, met een steunverklaring van de waterschappen. De Woondeal is een start van een langdurige samenwerking om de woningbouwproductie in de regio te vergroten. De regionale woondeal wordt in 2025 herijkt en verrijkt.

Conform de woonafspraken De Peel is voor het plan Deel zuid - Midden in Gemert op 28 november 2024 regionaal instemming verleend door de planrelevante gemeenten qua kwantiteit.

Woningopgave en- ambitie Metropoolregio Eindhoven

Binnen het eerder afgebakende verzorgingsgebied wordt de additionele woningvraag t/m 2030 bekeken gebaseerd op de meest actuele woningopgave en -ambitie van Zuidoost-Brabant.

Zuidoost-Brabant (Brainportregio) staat voor een schaalsprong, daarom zijn voor de herijking en verrijking van de woondeal voorlopige woningbouwaantallen vastgesteld. Per gemeente kunnen - afhankelijk van de planvoorraad en mogelijkheden van elke gemeente - de aantallen dus nog hoger of lager uitkomen.

Voor de Metropoolregio Eindhoven is de minimale opgave voor de periode 2022 t/m 2030 in totaal 62.130 woningen. Hierbij is een onderverdeling gemaakt naar vier subregio's. Subregio de Peel, waarin Gemert-Bakel is gelegen, draagt bij aan de schaalsprong door ruimte te beiden aan de groei van de verstedelijking. Nieuwe woningen versterken bestaande steden en dorpen. Dit betekent dat de Peelgemeenten gezamenlijk bereid zijn om in de subregio de Peel in de periode 2022 t/m 2030 in totaal 6.405 woningen in onze regio te accommoderen.
De minimale opgave voor de periode 2022 t/m 2030 voor de gemeente Gemert-Bakel is 1.750 woningen. Deze opgave ligt hoger dan de provinciale prognose van 2023.

Meer realiseren mag om eerder in de buurt te komen van de ambitie van de regionale Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant, mits op goede locaties en in overeenstemming met de ontwikkelprincipes van de regionale Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant en NOVEX stedelijk Brabant.

De aantallen uit de regionale Ontwikkelstrategie gelden de komende jaren als richtinggevende ambitie tot 2040. Voor de gemeente Gemert-Bakel is deze in de periode 2024 tot 2040 in totaal 3.785 woningen. Mocht door nieuwe inzichten en ontwikkelingen of monitoring te zijner tijd blijken dat bijstelling van deze ambitie noodzakelijk is, dan gaan Rijk, provincie, regio en gemeenten daar gezamenlijk over in gesprek.

Woningopgave en- ambitie gemeente Gemert-Bakel

In de regio is afgesproken dat de gemeente Gemert-Bakel minimaal 1.750 woningen realiseert in de periode 2022 t/m 2030. In 2022 en 2023 zijn feitelijk 250 woningen gerealiseerd. De restantopgave voor 2024 t/m 2030 is nog 1.500 woningen. Tot 2030 wordt uitgegaan van een planologische overprogrammering van 130% in plannen om de 100% te realiseren, wat neerkomt op 1.950 woningen. De gemeente Gemert-Bakel streeft met haar planvoorraad naar dit minimale aantal. De richtinggevende ambitie is om in de periode 2024 tot 2040 in Gemert-Bakel in totaal 3.785 woningen te realiseren. De gemeente werkt aan het versnellen van de woningbouwopgave. In de periode 2022 tot en met 2032 streven we na om 2.400 woningen te realiseren, voor eigen inwoners, werknemers én voor de regio.

Om de minimale resterende behoefte te bepalen wordt de woningvraag afgezet tegen de harde plancapaciteit. Harde plancapaciteit betreft de nog onbenutte ruimte voor woningbouw die in vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplannen (en onder de Omgevingswet in BOPA's of TAM-IMRO plannen) resteert.

De totale plancapaciteit in de te ontwikkelen woningbouwplannen van Gemert-Bakel in de periode 2024 tot en met 2030 is ongeveer 1.800 woningen (met sloop). De totale harde plancapaciteit is ongeveer 870 woningen. Daarnaast zijn in de gemeente nog 930 zachte plannen variërend van eerste verkenningen tot planvorming. Om de minimale behoefte te behalen is meer (harde) plancapaciteit nodig. Dit is inclusief de woningen van onderhavig woningbouwplan. De totale plancapaciteit in de te ontwikkelen woningbouwplannen van Gemert-Bakel is ongeveer 2.350 woningen (JUNO: peildatum 1 december 2024).

Woningvraag in relatie tot plan Deel zuid - Midden. 

Om de minimale behoefte van 1.500 woningen te behalen is meer harde plancapaciteit nodig. De eerder vastgestelde woningvraag en de totale harde plancapaciteit in de woningmarktregio laten zien dat behoefte is aan extra woningen voor de komende jaren. Hieruit blijkt dat het woningbouwplan Deel zuid - Midden voorziet in een behoefte. In het woningbouwplan Deel zuid - Midden zijn maximaal 12 woningen gepland. Hiermee wordt bijgedragen aan de resterende woningbehoefte van 1.500 woningen in de periode 2024 t/m 2030 in de woningmarktregio

Alternatieve woningbouwlocaties

Nu is gebleken dat het plan (gedeeltelijk) voorziet in de woningbehoefte binnen het verzorgingsgebied voor de komende jaren, is het van belang af te wegen of er binnen bestaand stedelijk gebied (BSG) kan worden voorzien in deze behoefte. Uitgangspunt van de Ladder voor duurzame verstedelijking is dat ontwikkelingen enkel buiten BSG plaatsvinden als er binnenstedelijk geen geschikt (te maken) en/of beschikbaar (te maken) alternatieven zijn.

Er zijn in Gemert-Bakel in de periode vanaf 2022 ongeveer 530 woningen in harde inbreidingsplannen gerealiseerd of in ontwikkeling, waarbij verdichting door onder andere transformatie en/of gestapelde bouw wordt bereikt. Binnen de kern Gemert zijn 340 woningen gerealiseerd of in ontwikkeling.

In de zachte plancapaciteit zijn in meerdere kernen woningbouw ontwikkelingen opgenomen in het binnenstedelijk gebied.

Binnen de gemeentelijke kernen zijn diverse locaties opgenomen in de zachte plancapaciteit als inbreidingslocaties. Binnen deze zachte plancapaciteit zijn in binnenstedelijk gebied 460 woningen opgenomen. Binnen de kern Gemert zijn 300 woningen opgenomen als zachte plancapaciteit. In totaal zijn en worden dus ongeveer 640 woningen ontwikkeld in de kern Gemert.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0008.png"

Afbeelding 3.3 Tabel met zachte plancapaciteit gemeente Gemert Bakel d.d. 1 december 2024 (Bron: gemeente Gemert-Bakel)

De totale plancapaciteit van inbreidingsplannen is bijna 1000 woningen. Met alleen inbreiding kunnen de vereiste aantallen nieuwe woningen niet worden bereikt. Bij uitbreidingslocaties wordt ingestoken op afronding van de kernen, waarbij kwaliteit voorop staat. Deel zuid - Midden is hier een voorbeeld van. Bij de prioritering van potentiële beschikbare (te maken) locaties voor woningbouw worden projecten binnen bestaand stedelijk gebied in kernen van de gemeente Gemert-Bakel hoger gewaardeerd.

Hiermee wordt voldaan aan het uitgangspunt van de Ladder voor duurzame verstedelijking dat de benodigde woningbouwontwikkelingen al zoveel mogelijk binnenstedelijk opgelost worden.

Prijssegmentatie

In de visie 'Samen thuis in Gemert-Bakel, Visie op wonen – zorg – welzijn' stuurt de gemeente gemeentebreed, dus niet per project, op de volgende prijssegmentatie voor nieuwe woningen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0009.png"

Voor de definities en prijsgrenzen wordt aangesloten bij de actuele vastgestelde 'Regionale begrippenlijst wonen' van de Woningmarktregio Metropoolregio Eindhoven.

Deel zuid - Midden is onderdeel van het woningbouwplan Deelse Kampen.

Woningbouwplan Deel zuid - Midden is onderdeel van het woningbouwplan Deelse Kampen. De gemeenteraad heeft op 17 oktober 2024 de visie voor plan de Deelse Kampen vastgesteld.

Om de gemeentebrede ambities te behalen wordt in dit woningbouwplan ingezet op 75% betaalbare woningen en 25% overige koop hoog. Voor de woningbouwontwikkeling Deel zuid - Midden wordt rekening gehouden met deze segmentering in het woningaanbod. In het plan wordt ruimte geboden aan 12 zelfbouwkavels, welke in de categorie 'overige koop hoog' vallen. In het betreffende plan zetten we deze woningen in als onderdeel van het woningbouwplan Deelse Kampen. Zo zorgen we voor een diverse mix van woningtypen en trekken we een gevarieerde groep bewoners aan. Bij deze woningbouwprojecten stimuleren we zelfbouw. Dit woonsegment zorgt ook voor doorstroming in andere segmenten, veelal in de categorie 'middelduur'. Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in doorstroom.

In het plangebied worden 12 grondgebonden woningen gerealiseerd. Het toevoegen van deze woningen geeft invulling aan de behoefte naar dure koop. Dit plan draagt hiermee bij aan de na te streven gemeentebrede prijssegmentering.

Locatiekeuze

Met de keuze voor 12 zelfbouwkavels wordt aangesloten op type woningen in het prijssegment dure koop, die in de plannen van Deel Zuid (oostelijk en westelijk) zijn opgenomen.

Binnen de kern Gemert is geen plek voor het toevoegen van 12 woningen op ruime kavels. Daarom is al in 2011 in de Structuurvisie+ Gemert-Bakel 2011-2021 gekozen voor locaties aansluitend aan de kern.

De locatie Deel is als stedelijke ontwikkelingslocatie aangemerkt. Voor de percelen aan de oost- en westzijde is in 2023 het bestemmingsplan Deel Zuid vastgesteld. De ontwikkeling van het middelste gebied is hier een logisch vervolg op. Hier is met minimale aanpassingen/ingrepen woningbouw mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0010.png"

De locatie was in de IOV Noord Brabant aangemerkt als “Verstedelijking Afweegbaar”.

Verder wordt er door de gemeente gewerkt aan de ontwikkeling van plan Deelse Kampen. Dit plan ligt ten noorden van plan Deel zuid - Midden. Na de realisatie van plan Deelse Kampen zal plan Deel zuid Midden midden in het stedelijk gebied liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0011.png" Afbeelding 3.4 Visiekaart van plan Deelse Kampen met in het zuiden de Deel.

Ruimtelijk is de locatie:

  • in de Structuurvisie + aangemerkt als een ontwikkellocatie;
  • in de voormalige IOV als “Verstedelijking afweegbaar”;
  • gelegen tussen de percelen van bestemmingsplan Deel Zuid. De woningbouwontwikkeling van dit plan is in 2023 vastgesteld. De ontwikkeling van Deel zuid - Midden is hier een logisch vervolg op.
  • onderdeel van het plan Deelse Kampen waarvan de visie op 17 oktober 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld.


Woningbouw op de beoogde locatie leidt daarmee niet tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten.

Conclusie

De ontwikkeling past binnen de regionale verstedelijkingsafspraken en er is regionale instemming met dit plan. Er is sprake van een grote woningbehoefte en er zijn nog onvoldoende harde plannen. Met de ontwikkeling in de vorm van zelfbouwkavels wordt ruimte geboden aan 12 zelfbouwkavels woningen. De ontwikkeling valt in de categorie dure koop. Het toevoegen van deze woningen geeft invulling aan de behoefte naar dure koop en betreft een woonsegment dat zorgt voor doorstroming in andere segmenten. Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in doorstroom. Binnen bestaand stedelijk gebied zijn diverse woningbouwplannen in ontwikkeling en is geen ruimte voor 12 ruime grondgebonden woningen.

Alternatieve woningbouwlocaties voor de toevoeging van 12 zelfbouwkavels zijn binnen bestaand stedelijk gebied van gemeente Gemert-Bakel niet aanwezig. Woningbouwplan Deel zuid - Midden is opgenomen in de zachte plancapaciteit binnen de gemeente. Het woningbouwplan voorziet in de woningvraag binnen gemeente Gemert-Bakel. Alternatieven binnen bestaand stedelijk gebied kunnen (ondanks schaarste geschikte woningbouwlocaties) – ook na onherroepelijk worden omgevingsplan Deel zuid - Midden – nog worden ontwikkeld. De behoefte aan woningen is binnen gemeente Gemert-Bakel groot genoeg.

De locatie was in de Structuurvisie + een ontwikkellocatie en ligt in een gebied dat in de voormalige IOV als “Verstedelijking afweegbaar” was bestempeld. Deel Zuid-Midden maakt onderdeel uit van het plan Deelse Kampen waarvan de visie op 17 oktober 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld.

3.1.4 Radarstations

Militaire en civiele radarstations zorgen voor de beveiliging van het nationale luchtruim. Ze zorgen ook voor de veilige afhandeling van het militaire verkeer en het burgerluchtverkeer. Hoge bouwwerken en windturbines in gebieden rond een radarstation kunnen het radarbeeld verstoren. De gemeente kan daarom in het omgevingsplan geen bouwwerken en windturbines toelaten, die de maximaal toegelaten hoogte overschrijden. De toegestane maximale bouwhoogte van bouwwerken ten aanzien van radarstations is geregeld in artikel 5.155 van het Bkl:

Voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op een gebied waar bouwwerken het bereik van een radar kunnen verstoren, laat het ruimtelijk plan niet toe dat:

    • 1. binnen een straal van 15 km vanaf de radar bouwwerken worden gebouwd die de maximale hoogte van bouwwerken, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, overschrijden; en
    • 2. binnen een straal van 15 tot 75 km vanaf de radar windturbines worden gebouwd met een tiphoogte die de maximale hoogte van windturbines, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, overschrijden.

Beoordeling

De dichtstbijzijnde radar betreft vliegbasis Volkel. Het plangebied is gelegen binnen 15 km van de vliegbasis. De maximale hoogte van bouwwerken wordt als volgt bepaald:

De hoogte van de antenne + (0,004363 * afstand radar tot plangebied) =

49 + (0,004363 * 9200 m) = 89,1396 meter.

De maximale bouwhoogte voor bouwwerken bedraagt circa 89 meter. Deze hoogte wordt niet bereikt middels voorliggende ontwikkeling.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie
  • Werken aan een klimaatproof Brabant
  • Werken aan de slimme netwerkstad
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.

Beoordeling en conclusie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen ligt het accent op de herstructurering en het beheer van het bestaand (cultuurhistorisch waardevol) bebouwd en onbebouwd gebied om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. Voorliggend initiatief betreft de realisatie van 12 woningen aan de noordrand van Gemert.

De beoogde ontwikkeling speelt in op een goede omgevingskwaliteit en een duurzame economie. Hierdoor kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Alle provinciale regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving, staan bij elkaar in de Omgevingsverordening Noord-Brabant (OV). De Omgevingsverordening Noord-Brabant bestaat uit:

  • Algemene regels voor initiatiefnemers, inwoners en bedrijven ten behoeve van activiteiten te verrichten en geven ook aan of bijvoorbeeld eerst een melding gedaan moet worden of een vergunning moet worden aangevraagd voordat de activiteit mag worden uitgevoerd.
  • Instructieregels voor bestuursorganen van de overheid. Met deze regels geeft de provincie een opdracht aan gemeente over onderwerpen die zij in het omgevingsplan moeten opnemen of aan een waterschap over de manier waarop ze hun taken moeten uitvoeren.

In paragraaf 5.1.2 zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen:

  • artikel 5.7 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • artikel 5.8 zorgvuldig ruimtegebruik;
  • artikel 5.9 toepassing van de lagenbenadering;
  • artikel 5.10 meerwaardecreatie;

Zoals op afbeelding 3.2 te zien ligt het plangebied binnen het Landelijk gebied. Voor ontwikkelingen welke in het landelijk gebied mogelijk worden gemaakt dient de ontwikkeling gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of omgeving. Dit is opgenomen in:

  • artikel 5.11 kwaliteitsverbetering landschap.

Beoordeling en conclusie

Toetsing artikel 5.7 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;

Regels

Een ruimtelijk plan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8);
  • de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9);
  • meerwaardecreatie (artikel 5.10).

Deze aspecten worden hierna beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0012.png"

Afbeelding 3.2 Uitsnede TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant

Toetsing artikel 5.8 zorgvuldig ruimtegebruik;

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied 'Stedelijk gebied' of een bestaand bouwperceel. De locatie is gelegen binnen landelijk gebied (zie afbeelding 3.2). Het betreft een onbebouwd braakliggend perceel gelegen tussen percelen waar reeds gebouwd mag gaan worden. Het perceel zal dan ook aan drie zijden bebouwd gaan worden en is het ruimtelijk gezien feitelijk een inbreidingslocatie. Daarnaast zijn er plannen in voorbereiding voor woningbouw ten noorden van het perceel, project de Deelse Kampen. Onderhavige locatie loopt daar op voorruit, maar na realisatie van de Deelse Kampen ligt onderhavig plangebied niet (meer) aan de rand van het stedelijk gebied.

Toetsing artikel 5.9 toepassing van de lagenbenadering;

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • de ondergrond, zoals bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonden leefomgeving.

Voor de Deelse Kampen is een analyse uitgevoerd op basis van de lagenbenadering. Deze is als Bijlage 4 aan de motivering toegevoegd. Op basis van deze lagenbenadering is geconcludeerd dat het gebied ten noorden van de Molenbroekseloop geschikt is voor woningbouw. Er is een visie opgesteld voor de ontwikkeling van woongebied de Deelse Kampen. De schatting is dat hier circa 600 tot 800 woningen kunnen komen. Voor de locatie Deel Zuid zijn de ontwikkelingen al in een verder gevorderd stadium.

Toetsing artikel 5.10 meerwaardecreatie;

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

De meerwaardecreatie blijkt o.a. uit de bijdrage van het initiatief aan de woningbouwbehoefte, de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, de opwaardering van de zone langs Molenbroekseloop en de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van de planinvulling.

In hoofdstuk 4 van voorliggende ruimtelijke motivering wordt daarnaast nader ingegaan op de aspecten met betrekking tot een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving.

Toetsing artikel 5.11 kwaliteitsverbetering landschap.

Een omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving (artikel 5.11 lid 1 TAM-OV).

Vanwege de uitbreiding in landelijk gebied is kwaliteitsverbetering noodzakelijk. In de 'Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap', de rood met groen koppeling d.d. 1 november 2011, wordt inzake kwaliteitsverbetering van het landschap ingeval van uitbreiding uitgegaan van een (minimale) basisinspanning van 1% van de uitgifte prijs.

Met de beoogde ontwikkeling wordt 6.491 m² aan gronden uitgegeven. De gronduitgifteprijs voor woningbouw (vrije sector, > 250 m²) bedraagt € 400 per m² (excl. btw). De basisinspanning komt daarbij neer op (6.491 * 400 * 1% =) € 25.964,00 (excl. btw). De kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd in de vorm van landschappelijke inpassing. Er is een landschappelijke inpassingsplan (Bijlage 2) opgesteld inclusief financiële onderbouwing.

Uit de financiële onderbouwing blijkt dat aan de 1%-eis van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt voldaan met de aanleg van de landschapselementen binnen de groenbestemmingen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Gemert-Bakel

De omgevingsvisie van de gemeente Gemert-Bakel is vastgesteld op 28 mei 2025. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten in de Omgevingswet. Hiermee wordt richting gegeven aan de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving op lange termijn.

De omgevingsvisie beschrijft hoe er gezorgd kan worden dat de gemeente Gemert-Bakel ook in 2040 bestaat uit zeven vitale kerkdorpen en een toekomstbestendig buitengebied. Want ‘vitale kernen’ en ‘toekomstbestendig buitengebied’ zijn de twee ambities die de omgevingsvisie nastreeft. Om de kernen vitaal te houden wordt ingezet op beschikbaarheid van voldoende voorzieningen in alle kernen, voldoende woningen en een goede bereikbaarheid.

Naast het algemene deel van de omgevingsvisie is een gebiedsgerichte uitwerking opgesteld. Hierin zijn per kern de ambities opgenomen. Voor Gemert zijn met name de volgende ambities van toepassing:

Gezien de omvang van de woningbouwopgave zijn mogelijke uitbreidingsrichtingen ten noorden en zuiden van de kern voorzien. Vanwege de natuurlijke elementen rondom Gemert is een uitbreiding van de kern logisch aan de noordkant. Deze mogelijke uitbreidingsrichtingen zijn gericht op het creëren van een gemengd gebied ter afronding van de kern, waarbij de Peelse Loop een natuurlijke grens vormt. Rekening wordt gehouden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

Als Gemert in woningen en inwonersaantallen groeit wordt daarbij ook een mobiliteitstoename verwacht. Vooral voor de zoeklocatie aan de noordzijde is een goede ontsluiting een randvoorwaarde. Vooralsnog kan op het bestaande wegennet ontsloten worden. In de mobiliteitsvisie wordt nader onderzocht of en welke maatregelen genomen moeten worden om dit ook in de toekomst te waarborgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0013.png"

Afbeelding 3.4 Uitsnede Omgevnigsvisie Gemert-Bakel. Plangebied ligt ter plaatse van de onderste rode ster.

3.3.2 Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017

Met de Nota Parkeernormen biedt de gemeente een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Gemert-Bakel om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen of wijzigingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.

Om deze doelstelling te halen wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • De parkeernormen moeten een positieve invloed hebben op de leefbaarheid en bereikbaarheid van de gemeente Gemert-Bakel;
  • Elke initiatiefnemer van (bouw)plannen is verantwoordelijk voor het aanleveren van een berekening voor zijn eigen parkeeropgave en het realiseren van de eigen parkeeroplossing;
  • Een bouwinitiatief of wijziging van een functie van een locatie mag geen parkeerproblemen in de openbare ruimte veroorzaken of vergroten;
  • Er bestaat de mogelijkheid om maatwerk te leveren.

Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemert-Bakel' vastgesteld. De parkeernormen uit de nota zijn vertaald in dit bestemmingsplan en dienen toegepast te worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Beoordeling en conclusie

De toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in paragraaf 4.9.2. Hieruit blijkt met de beoogde ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

3.3.3 Woonzorgvisie Gemert-Bakel

De kwalitatieve woningbehoefte is beschreven in de gemeentelijke visie 'Samen thuis in Gemert-Bakel, visie op wonen - zorg - welzijn' (november 2024), zogenaamd de woonzorgvisie. In de gemeentelijke woonzorgvisie wordt bij de realisatie van de totale plancapaciteit gestreefd naar een verdeling over de verschillende marktsegmenten. Hierbij wordt versneld gebouwd met balans in het woningaanbod voor iedere doelgroep, met de focus op starters en senioren.

Met deze visie wordt ingezet om een prettige woonomgeving, passende woningen en een zorgzame samenleving te creëeren. Een groene leefomgeving met (sport-)voorzieningen en voldoende woningen voor iedereen is het streven: een gemeente waar het fijn leven is, een plek waar iedereen zich thuis voelt.

Gemert-Bakel wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven. Prettig en passend wonen draagt bij aan de kwaliteit van leven, van huishoudens, de leefbaarheid van buurten, dorpskernen en de gemeente als geheel. Daartoe werkt de gemeente samen met haar partners aan een goed functionerende woningmarkt. De woonzorgvisie is een sturingsinstrument in dit voortdurende streven.

Verschillende trends en ontwikkelingen hebben consequenties voor de woningvraag, woningvoorraad, zorgvraag en woonomgeving. Hier speelt de gemeente Gemert-Bakel met deze woonzorgvisie op in. Op basis van de trends en ontwikkelingen zet de woonzorgvisie in op de volgende drie ambities:

  • Prettige leefomgeving. Gestreefd wordt naar een prettige leefomgeving met voldoende kwalitatief goede voorzieningen, een goed ingerichte en toegankelijke openbare ruimte met oog voor duurzaamheid én waar voor iedereen een plek is.
  • Passende woningen. Een passende woningmarkt bij de woningvraag en -behoefte, focus op betaalbare huur- en koopwoningen voor iedereen, ingespeeld op ontwikkelingen om het wonen nog aantrekkelijker te maken. Op naar uitvoering van een nieuw evenwicht in de woningmarkt van Gemert-Bakel.
  • Zorgzame samenleving. Gestreefd wordt naar een inclusieve en zorgzame samenleving waar men naar elkaar omkijkt, iedereen een plek heeft en mee kan doen met regie over eigen leven en ondersteuning waar nodig.

Gemert-Bakel groeit naar 35.000 inwoners. Groei biedt kansen om een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te blijven bieden. In de periode van 2022 tot en met 2032 wordt er naar gestreeft om 2.400 woningen te bouwen voor de eigen inwoners, voor werknemers én voor de regio. Er wordt versneld woningen gebouwd, waarbij balans wordt gehouden in het woningaanbod voor iedere doelgroep. In de woonzorgvisie is het streven opgenomen dat gemeentebreed 75% betaalbare huur- en koop woningen en 25% woningen in het segment overig koop hoog worden gerealiseerd. Onder betaalbare woningen vallen de sociale huur- en middenhuur woningen en de koopwoningen tot € 405.000 (prijsgrens 2025).

Boordeling en conclusie

De ontwikkeling valt in de categorie dure koop. Wanneer bewoners doorstromen naar 'dure koop' biedt dit vaak ruimte in de categorie 'middelduur'. Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in mogelijke doorstroom.

3.3.4 Omgevingsprogramma Woningbouwontwikkeling Deelse Kampen, Gemert

De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie om de komende tien jaar 2.400 woningen te bouwen met een focus op betaalbare woningen. Eén van de locaties die we op het oog hebben om een uitbreiding van Gemert te realiseren ligt aan de noordzijde van Gemert. Het gebied is in de huidige situatie in gebruik als akkerland en staat bekend onder de naam ‘Deelse Kampen’.

De locatie ligt aan de rand van het dorp, en kan daarmee een logische uitbreiding van Gemert vormen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet was de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant hét document met daarin de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. In de Interim omgevingsverordening werd in de provincie gewerkt met de status ‘verstedelijking afweegbaar’. Rond vele Brabantse dorpen waren vaak landelijke gebieden als zodanig aangewezen, zo ook in Gemert. Voor een flink deel van de gronden van dit programma gold deze status. Dit betekende voor de provincie dat de gronden als eerste in beeld komen voor een mogelijke uitbreiding.

Sinds op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden, geldt in Noord-Brabant de TAM-omgevingsverordening waar binnen de status ‘verstedelijking afweegbaar’ niet langer voorkomt in de hele provincie. Het principe dat in het landelijk gebied in eerste instantiegeen stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan is blijven gelden. Voor eventuele stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gelden nu universele regels. Eén van deze regels is dat de ontwikkeling moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.

Het omgevingsprogramma Deelse Kampen is opgesteld op basis van het gedachtegoed van deze provinciale regels en kan dan ook worden gezien als een ‘ontwikkelingsrichting’. Het programma is opgesteld op basis van de identiteit en waarden van het gebied, mede met behulp van de ‘lagenbenadering’ van de provincie Noord-Brabant. Op deze manier wordt de ontwikkeling van het gebied vormgegeven aan de hand van de kwaliteiten en waarden van het gebied.

Visie

Bij de ontwikkeling van woongebied Deelse Kampen geven bestaande kwaliteiten en structuren identiteit aan de nieuwe buurt. De Molenbroekseloop, Groenesteeg, Boekelseweg en Deel zijn de structuurlijnen, die allen een rol spelen in de ontwikkeling van het gebied. De Molenbroekseloop krijgt meer ruimte en een natuurlijke uitstraling. Dit zorgt straks, samen met de Peelsche Loop een gebied om te recreëren en heeft ook veel potentie voor het versterken van de biodiversiteit.

Wonen

In het nieuwe woongebied Deelse Kampen is straks ruimte voor circa 600- 800 woningen. Het precieze aantal woningen wordt bepaald bij de verdere uitwerking en is afhankelijk van de benodigde ruimte voor aspecten als water, parkeren en groen. Een gevarieerd én betaalbaar aanbod voor Gemertse inwoners, en het voorzien in de regionale behoefte, is het uitgangspunt. Daarbij biedt woongebied Deelse Kampen straks ruimte aan alle doelgroepen; van starters tot senioren en van kleine één of twee persoonshuishoudens tot gezinnen.

Bodem en Water

Natuurlijk bodem- en watersysteem zijn leidend. Het woongebied bevindt zich op de overgang van hogere zandgronden naar lager gelegen gebied. IIn de oostelijke zone van de Deelse Kampen worden landschappelijke, glooiende wadi’s in de robuuste groenzones gerealiseerd waar hemelwater wordt opgevangen en in de bodem kan infiltreren. Tevens worden de hoogteverschillen in het gebied beleefbaar gemaakt door de hoofdontsluiting en het historische "pedje" op de overgang van hoog naar laag te situeren.

Het westelijke deel, nabij de Molenbroekseloop is lager gelegen. Specifiek voor het noordwestelijk deel geldt dat er sprake is van kwel. In deze zone wordt een retentiegebied aangelegd dat ruimte biedt aan zowel de waterberging voor de ontwikkeling zelf als ook de waterberging voor Gemert-Noord.

Molenbroekseloop

De gehele Molenbroekseloop krijgt meer ruimte en de intensie is om een natuurvriendelijke meanderende beek te realiseren met een hoge natuurwaarde. Dit sluit aan op de aanwezige Ecologische Verbindingszone rondom de Peelsche Loop. De mogelijkheden voor de Molenbroekseloop gaat in samenspraak met het Waterschap Aa en Maas bij de nadere uitwerking van het programma.

Beoordeling en conclusie

Woningbouwontwikkeling Deel Zuid is opgenomen in het omgevingsprogramma maar er is geen concrete invulling aan gegeven. De ontwikkeling van voorliggende locatie loopt vooruit op de plannen uit het omgevingsprogramma.

De Deel is aangeduid als buurtontsluitingsweg. De ontwikkeling aan de zuidzijde van de Deel heeft daar geen negatief effect op.

Voor de Molenbroekseloop, gelegen aan de zuidzijde van de woningbouwontwikkeling, is minimaal 11,5 meter vrij gelaten ten behoeve van beheer, onderhoud en toekomst van de Molenbroekseloop. Daarnaast wordt een houtsingel aangebracht tussen de woonpercelen en de oevers van de Molenbroekseloop ter afscheiding.

3.3.5 Groennorm Gemert-Bakel

De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie een groene gemeente te willen zijn. Het streven is om een goede balans te vinden tussen ruimte, economie en leefbaarheid. De te respecteren uitgangspunten zijn cultuurhistorie, natuurvriendelijkheid en duurzaamheid. Bij nieuwe ontwikkelingen wil de gemeente de kwaliteit en de kwantiteit van het ruimtebeslag garanderen en waarborgen. Bij initiatieven met het toevoegen van woningen wordt als tegenprestatie 75 m2 extra groen per woning verwacht. Deze groennorm van 75 m2 dient als richtgetal voor een benodigde hoeveelheid recreatief groen in stedelijk gebied. De groennorm wordt toegepast voor alle initiatieven die een uitbreiding van het bestand aan woningen en appartementen tot doel hebben. De toepassing van de groennorm is uitgewerkt in 'Uitwerking groennorm Gemert-Bakel'.

Per wooneenheid dient 'fysiek' 75 m2 groen met de eigenschap 'permanent openbaar toegankelijk' gerealiseerd te worden. Dit heeft vergaande consequenties voor de wijze van vormgeving en inrichting van het groen. Het te realiseren groen heeft door deze kwalificatie een blijvend, tenminste (semi-) openbaar karakter. Het groen hoeft niet per definitie eigendom van de gemeente te zijn (of te worden). Indien niet voorzien kan worden in de tegenprestatie is het mogelijk om een bedrag te storten in het Groenfonds. De mogelijkheid om geld te storten in het fonds dient als uitweg voor het geval dat een (gehele of gedeeltelijke) fysieke invulling van de groennorm onlogisch of onmogelijk is. Dit op basis van het beleid en afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

Als de directe leefomgeving rondom een initiatieflocatie beschikt over voldoende groen, dan is het niet nodig om van het inbreidingsinitiatief een volwaardige fysieke invulling van de groennorm ter plekke van het initiatief te eisen. Een geschikt groen- of uitloopgebied is permanent (24/7) openbaar toegankelijk, kan bestaan uit recreatief ontsloten parken, groenzones, speelterreinen en trapveldjes. Ook het buitengebied kan geschikt zijn voor het maken van 'ommetjes' via openbare routes of zandpaden. De werkelijke loopafstand van 300 m (enkele afstand) naar omliggend groen of het buitengebied wordt als norm gehanteerd.

Beoordeling en conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 12 woningen. Dat betekent dat conform de groennorm (12 * 75m2 =) 900 m2 extra groen gerealiseerd moet worden. Voor onderhavige ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke als Bijlage 2 is opgenomen. Daarin is aangegeven waar welke landschapselementen worden aangelegd. Vervolgens is de Rekentool Groennorm 2.0 ingevuld en daaruit kan worden geconcludeerd dat voldaan kan worden aan de groennorm. De ingevulde rekentool is tevens als Bijlage 3 opgenomen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten / fysieke leefomgeving

4.1 Geluid

Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In het Bkl zijn daarom standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid van wegen en industrieterreinen op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Met uitzondering van wegen met een etmaalintensiteit kleiner dan 1.000 motorvoertuigen, beschikt elke weg over een geluidaandachtsgebied. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald door geluidproductieplafonds (gpp) of de basisgeluidemissie (bge). Dergelijke wettelijk vastgelegde informatie is opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidsgegevens (CVGG). Voor het oprichten van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk en wordt de standaardwaarde in acht genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0014.png"

Tabel 4.1 Standaard- en grenswaarden geluid op een geluidgevoelig gebouw (bron: Bkl)

Een overschrijding van de standaardwaarde is na afweging van geluidsreducerende maatregelen toegestaan tot de grenswaarde. Indien op basis van overwegende bezwaren de geluidsbelasting op het geluidsgevoelige gebouw onvoldoende of niet kan worden gereduceerd tot aan de standaardwaarde, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere geluidbelasting toestaan. In dat geval wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

Doorgaans kan worden gesteld dat sprake is van een geluidluwe gevel indien de standaardwaarde op de desbetreffende gevel niet overschreden wordt. Bij ontheffing van de standaardwaarde kan een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning.

Indien het geluidgevoelige gebouw binnen meerdere aandachtsgebieden is gelegen, dient onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van verschillende geluidbronsoorten (gecumuleerd geluid als bedoeld in artikel 5.78p in het Bkl). De cumulatieve geluidsbelasting dient te worden bepaald conform de rekenmethode zoals beschreven in artikel 3.25 van de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Om te bepalen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt aansluiting gezicht bij de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens het RIVM. In de volgende tabel is de kwalificatie van het woon- en leefklimaat weergegeven.

Geluidbelasting in dB   Indicatie geluidkwaliteit in de leefomgeving  
< 45 dB   Zeer goed  
45 - 50 dB   Goed  
50 - 55 dB   Redelijk  
55 - 60 dB   Matig  
60 - 65 dB   Slecht  
> 65 dB   Zeer slecht  

Tabel 4.2 Beoordeling akoestische kwaliteit in woon- en leefklimaat

Beoordeling

Woningen zijn geluidsgevoelige functies. De locatie is gelegen binnen een aandachtsgebied van diverse wegen. Een akoestisch onderzoek is dan ook uitgevoerd en als Bijlage 5 aan de motivering toegevoegd.

Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat als gevolg van het wegverkeerslawaai, de standaardwaarde van 53 dB niet wordt overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 46 dB. Omdat de standaardwaarde niet overschreden wordt behoeft de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen niet onderzocht te worden.

In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) dient voldaan te worden aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, welke eisen stelt aan de geluidwering van uitwendige scheidingsconstructies (GA;k). Op grond van artikel 4.103 geldt een minimale karakteristieke geluidwering van het verschil tussen de vastgestelde omgevingswaarde en 33 dB. De benodigde geluidwering in onderhavige situatie bedraagt 13 dB (46-33 dB) en gezien dit lager is dan het minimum van 20 dB conform artikel 4.102 wordt een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie niet noodzakelijk geacht.

Als gevolg van de omliggende gemeentelijke wegen bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de woningen 35 – 46 dB. Op grond van tabel 4.2 is dit te kwalificeren als een zeer goed tot goed woon- en leefklimaat. Hiermee wordt een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd voor de toekomstige bewoners.

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ten hoogste 46 dB wordt berekend. De standaardwaarde van 53 dB wordt hiermee niet overschreden. Er wordt dan ook voldaan aan de regels die gesteld worden in het Bkl.

In het kader van de activiteit bouwen dient voldaan te worden aan de Bbl. Met een geluidsbelasting op de gevel van 46 dB en een vereist binnenniveau van 33 dB dient de benodigde geluidwering van de gevels minimaal 13 dB te bedragen. Een standaard minimum van een gevel dient op grond van Bbl minimaal 20 dB te bedragen, dus ook hier wordt aan voldaan.

De berekende geluidsbelasting van 46 dB is daarnaast te kwalificeren als een zeer goed tot goed woon- en leefklimaat.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Met het instrument milieuzonering wordt een ruimtelijk kader vastgelegd voor de toelating van bedrijven ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige functies, met enerzijds als doel het borgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en anderzijds het borgen van ruimte voor bedrijven om hun bedrijf uit te oefenen.

De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering, 2009' geeft richtafstanden ten aanzien van bedrijven. Dit is de gebruiksruimte van een bedrijf. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. In de VNG-uitgave gaat hierbij vooral om de gebruiksruimte op het gebied van geur en geluid.

In de VNG-brochure is een richtafstandenlijst opgenomen. In deze richtafstandenlijst is aangegeven welke richtafstanden gelden voor de verschillende typen bedrijven. Met deze richtafstanden wordt een indicatie gegeven voor de aan te houden afstand tot een rustige woonwijk. Wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied' kunnen er kleinere richtafstanden aangehouden worden voor de zones.

Beoordeling

Voorliggende initiatief betreft de realisatie van 12 woningen. In de directe omgeving zijn voornamelijk woningen en agrarische bestemmingen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'.

Boekelseweg 3 (tankstation, carwash, autoservicebedrijf)

Aan de Boekselseweg 3 is een verkooppunt van motorbrandstoffen, inclusief LPG, gevestigd. Tevens bevindt zich er een wasstraat en een autoservicebedrijf. De doorzet ten aanzien van lpg is minder dan 1.000 m3/jr. Volgens de VNG-brochure dient ten aanzien van geur- en geluid een afstand van 30 meter aangehouden te worden.

Ook ten aanzien van het autoservicebedrijf en de wasstraat geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter.

De afstand tot aan onderhavige locatie bedraagt circa 180 meter en voldoet daarmee aan de aan te houden richtafstanden.

Biemans Plantkwekerij B.V. (Deel 70)

Aan de Deel 70 is een plantenkwekerij gelegen. De minimale afstand tussen de woningen en de perceelsgrens van het bedrijf bedraagt circa 130 meter. Volgens de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering valt een tuinbouwbedrijf in milieucategorie 2. De grootste bijhorende richtafstand bedraagt 30 meter in een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt zodoende voldaan.

Aspergeboerderij van der Heijden (Deel 88)

Aan de Deel 88 is een aspergeboerderij gelegen. De minimale afstand tussen de woningen en de perceelsgrens van het bedrijf bedraagt circa 60 meter. Volgens de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering valt een akkerbouw/groenteteelt bedrijf in milieucategorie 2. De grootste bijhorende richtafstand bedraagt 30 meter in een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt zodoende voldaan. Ook wanneer er sprake zou zijn van een categorie 3.1 bedrijf (in geval van aanwezigheid van bewaarplaatsen, koelinstallaties of zwaarde mechanisatie) wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand van 50 meter.

Diverse agrarische percelen (spuitzones)

Aan de overzijde aan de Deel liggen diverse agrarische percelen zonder bouwblok waar het telen van gewassen en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen planologisch niet is uitgesloten. Fruitteelt is het type teelt met het meest intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ter hoogte van het plangebied is echter geen fruitteelt aanwezig, maar wel mogelijk.

Door het ontbreken van wetgeving is, op basis van jurisprudentie van de Raad van State, een vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische percelen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies, niet onredelijk is. Volgens vaste rechtspraak kan gemotiveerd worden afgeweken van de afstand van 50 meter, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.

Binnen 50 meter rondom het plangebied bevindt zich enkel een agrarische bestemming tussen de percelen Deel 80 en 82. Er mag van de 50 meter grens afgeweken worden. Hierover is echter nog geen eenduidige jurisprudentie beschikbaar hoe men hiermee om kan /mag gaan. Omdat de percelen Deel 80 en 82, gelegen naast de agrarische bestemming, beiden reeds een woonbestemming hebben, zou het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen leiden tot nadelige effecten op bestaande woningen. De verwachting is dan ook dat het agrarische perceel thans beperkt wordt in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Diverse agrarische percelen ((pluim)veehouderijbedrijven)

De gemeente Gemert-Bakel heeft in 2017 het beleid "Toetsen Volksgezondheid bij procedures voor veehouderijen" vastgesteld. Indien er een pluimveehouderij binnen 1 kilometer van beoogde woningbouw is gelegen moet worden bepaald op welke afstand de adviesnorm van 30 EU/m3 wordt overschreden. Afhankelijk van dit onderzoek moet er advies gevraagd worden bij de GGD.

Aan De Kampen 2 is een pluimveehouderij aanwezig. De afstand tot het plangebied bedraagt 1,3 km en ligt derhalve buiten de onderzoeksafstand van 1 km.

Daarnaast blijkt uit diverse studies dat in de omgeving van geitenhouderijen sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico's. Zo blijkt dat de kans op longontsteking voor omwonenden binnen een afstand van 2 km van geitenhouderijen aanzienlijk hoger ligt dan daarbuiten. Uit de beschikbare onderzoeken blijkt echter ook dat er nog veel onzekerheden zijn waar het gaat om de gezondheidsrisico's voor omwonenden en de factoren die daarbij een rol spelen. Het is overigens niet zo dat er na 2 kilometer gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten, 2 kilometer is de grootste onderzochte afstand.

Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig.

Overige veehouderijbedrijven liggen op meer dan 600 meter van het plangebied. Daarnaast kan op basis van de kaart 'achtergrondbelasting geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat als gevolg van geur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0015.png"

Afbeelding 4.1 Achtergrondbelasting geur, OZDB, juni 2023

Den Elding 2 - Molen de Beijenkorf

Aan Den Elding 2 staat molen De Bijenkorf. De molenbiotoop van deze molen bedraagt 400 meter en reikt tot over het plangebied. Op basis van de in het omgevingsplan opgenomen aanduiding 'vrijwaringszone – bijenkorf – molenbiotoop 2' gelden beperkingen tot de maximale bouwhoogte. De maximale bouwhoogte is de uitkomst van de volgende formule: (afstand tot de molen / 50) + 3,24).

De kortste afstand tussen het plangebied en de molen bedraagt 324 meter. De molenbiotoop heeft een straal van 400 meter en de begrenzing van de molenbiotoop loopt midden door het plangebied heen. Voor de woningen aan de oostzijde van deze grens gelden geen hoogtebeperkingen meer. In totaal zijn er 6 woningen binnen de molenbiotoop geprojecteerd.

Volgens de formule betekent dit dat de maximale bouwhoogte binnen het plangebied oploopt van 9,72 (op 324 meter afstand) tot 11,25 meter (op 400 meter afstand). De afstand van de molen tot de dichtstbij gelegen geprojecteerde woning betreft 334 meter en levert een maximale bouwhoogte van 9,92 meter. De maximale bouwhoogte van de andere woningen neemt toe naar mate de afstand tot de molen groter wordt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0016.png"

Afbeelding 4.2 Ligging molenbiotoop binnen het plangebied

De molen is gelegen op 16,07 meter +NAP. Het plangebied ligt op 15,87 meter +NAP. Dit betekent dat het plangebied 0,20 meter lager ligt dan de molen. Het verschil in hoogteligging kan worden toegevoegd aan de toegestane bouwhoogte dat berekend wordt middels de hiervoor genoemde formule. In geval van ophoging van het terrein zal het verschil in mindering moeten worden gebracht.

Tussen het plangebied en de molen staat diverse bebouwing. Dit betreft voornamelijk woningen. Deze woningen bestaan uit één of twee bouwlagen met een kap. Waarbij de woningen van twee bouwlagen met kap een bouwhoogte hebben van circa 10 meter. De woningen aan de Deelvoort, ten zuiden van het plangebied, hebben een maximale bouwhoogte van 11 meter. Aan de Deel staan diverse hoge bomen die, wanneer deze vol in blad staan, mogelijk van invloed zijn op de windvang van de molen.

Conclusie

Er wordt geen onevenredige milieuhinder verwacht ten opzichte van omliggende woonfuncties. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.3 Bodem

Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van het plangebied dient aangetoond te worden dat de (milieuhychiënische) bodemkwaliteit geschikt is voor het gewenste gebruik. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Door middel van een verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) vastgesteld om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen functiewijziging en geplande realisatie van woningen in het plangebied. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage aan de ruimtelijke motivering toegevoegd.

Beoordeling

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende:

Zintuiglijke waarnemingen

Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen in het opgeboorde materiaal.

Analyseresultaten - Toetsing Wbb (oud toetsingskader)

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond plaatselijk een lichte verontreiniging is aangetoond met koper en PAK. In de ondergrond is geen verontreiniging aangetoond. In het grondwater is een sterke verontreiniging met nikkel, matige verontreiniging met kobalt en zink en een lichte verontreinigingen met barium, cadmium, koper, nikkel en zink aangetoond.

Toetsing Omgevingswet

Op basis van de omgevingswet blijkt dat in de grond géén sterke verontreinigingen zijn aangetoond. De signaleringsparameter voor nikkel wordt echter wel overschreden. De bovengrond voldoet aan de indicatieve bodemklasse ‘landbouw/natuur’ en plaatselijk ‘wonen’. De ondergrond voldoet aan de indicatieve bodemklasse ‘landbouw/natuur’.

PFAS

In de grond is PFAS aangetoond. De boven- en ondergrond voldoen volgens de landelijke norm aan de classificatie 'landbouw/natuur'.

Voorlopige veiligheidsklasse (CROW 400)

Voor de geanalyseerde meng(monsters) is geen veiligheidsklasse van toepassing (basishygiëne). Opgemerkt wordt dat de veiligheidsklasse niet automatisch bepaalt welke maatregelen getroffen dienen te worden, maar een indicatie vormt voor de veiligheidskundige om te bepalen welke maatregelen passend zijn tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. De definitieve veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige.

Conclusie

De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetoonde sterke verontreiniging met nikkel en matige verontreinigingen met kobalt en zink worden vaker in de regio in het grondwater aangetoond zonder direct aanwijsbare oorzaak. Op basis van de grondwaterkwaliteitskaart komen de gehalten overeen met het verwachtingspatroon. Er is mogelijk sprake van een natuurlijke achtergrondkwaliteit. Derhalve wordt geen nader grondwateronderzoek noodzakelijk geacht. De aangetroffen gehaltes in de grond zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar eveneens niet noodzakelijk wordt geacht.

De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging van de onderzoekslocatie en de geplande realisatie van woningen in het plangebied.

Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

4.4 Weging van waterbelang

Om de waterhuishoudkundige consequenties van een plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen dient het waterbelang meegewogen te worden. Bij de weging van het waterbelang vormen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening de basis. Er is een separate watertoets opgesteld welke als bijlage aan de ruimtelijke motivering is toegevoegd.

Samenvatting

Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van ca. 4.855 m2. De oppervlakten zijn bij benadering en bepaald aan de hand van de toekomstige situatie zoals opgenomen in de bijlagen van de watertoets. In het kader van de watertoets wordt 50 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak -bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0017.png"

Tabel 4.4 Tabel met toekomstig verhard oppervlak

In de waterschapsverordening van waterschap Aa en Maas is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het planlocatie in totaal ca. 291 m3 (4.855 m2 x 60 mm).


Randvoorwaarden en uitgangspunten

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);
  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);
  • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;
  • De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 4.855 m2.
  • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2;
  • Wateropgave 291 m3;
  • Afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha bedragen;
  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
  • GHG 15,10 m +NAP;
  • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);
  • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Hemelwater

Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt.

De initiatiefnemer is voornemens de waterbergingsopgave van de uitgeefbare ruimte op kavelniveau te verwerken. De waterbergingsopgave van de openbare ruimte (infrastructuur) dient in de openbare ruimte gecompenseerd te worden. Voor de uitgeefbare ruimte resulteert dit in een waterbergingsopgave van 226 m3 (ca. 3.775 m2 x 60 mm), en voor de openbare ruimte in een waterbergingsopgave van 65 m3 (ca. 1.080 m2 x 60 mm).

De waterbergingsopgave verschilt per kavel en is afhankelijk van de kavelgrootte en het toekomstig verhard oppervlak.

Er zijn verschillende maatregelen om het hemelwater op eigen terrein te bergen. Om het hemelwater op een duurzame manier te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt geadviseerd om in de toekomstige (tuin)ontwerpen niet te veel verharding aan te brengen en bijvoorbeeld te werken met halfverhardingen. Het toepassen van halfverhardingen zorgt ervoor dat het regenwater gemakkelijk in de bodem kan wegzakken. Op deze manier kan het grondwater worden aangevuld. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van waterpasserende verharding of halfverharding (grind, schelpen, steenslag).

Daarnaast kan de tuin zodanig ontworpen worden dat het regenwater gemakkelijk naar het groen kan stromen door bijvoorbeeld plantvakken lager te plaatsen en deze zonder opstaande rand aan te leggen. Door in het tuinontwerp te werken met hoogteverschillen kan tijdens zware regenbuien tijdelijk water worden vastgehouden in de onverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het regenwater geleidelijk infiltreren in de bodem. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden dat de lager gelegen delen op afstand van zowel de woning als naastgelegen percelen zijn gelegen.

Compensatie openbare ruimte

De waterbergingsopgave van de openbare ruimte dient in de openbare ruimte gecompenseerd te worden. Op basis van het aangesloten verhard oppervlak resulteert dit in een waterbergingsopgave van 65 m3 (ca. 1.080 m2 x 60 mm). Hierbij dient opgemerkt te worden dat er een splitsing gemaakt dient te worden in de waterbergingsopgave van het aangesloten verhard oppervlak van de weg en de parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0018.png"

Tabel 4.5 Tabel met splitsing waterbergingsopgave openbare ruimte

Compensatie weg

Om te voorzien in de waterbergingsopgave van de weg is er binnen de planlocatie de mogelijkheid tot de aanleg van een "groene" bovengrondse voorziening, een wadi. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud.

Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is navolgend een dergelijk alternatief indicatief uitgewerkt. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale diepte van 0,4 meter, een talud van 1 op 3 en een waterhoogte van 0,3 m. Wanneer een wadi van 20 bij 10 meter wordt aangelegd kan ca. 47 m3 geborgen worden. De beschikbare bergingscapaciteit is berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide. De ligging van een wadi zou kunnen plaatsvinden op de groenstrook parallel naast de nieuwe ontsluitingsweg aan de Deel. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden.

Compensatie parkeerplaats

De waterbergingsopgave van de parkeerplaats betreft 19 m3. Binnen de parkeerplaats is weinig ruimte beschikbaar is om het hemelwater bovengronds te bergen. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Vanwege de hoge GHG is het toepassen van een infiltratieriool en/of infiltratiekratten niet mogelijk. Om hemelwater binnen de planlocatie te kunnen verwerken kan eventueel water worden geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Dergelijke systemen worden vaak toegepast in gebieden waar de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn of waar sprake is van een hoge grondwaterstand. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende materialen worden toegepast zoals lava, (drain)zand, waterdoorlatende bestrating en/of bergende bestratingselementen.

Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten. In de bijlage worden diverse opties toegelicht.

Riolering

Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 12 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van ca. 3,6 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden.

In de Deel is in de huidige situatie een gemeentelijk drukriool gelegen. Een nieuwe aansluiting op de drukriolering mag niet leiden tot een overbelasting of te grote oprekking van het drukrioleringssysteem. Om overbelasting te voorkomen zal in het verdere planproces in overleg met de gemeente onderzocht en berekend worden of er mogelijkheden zijn om aan te sluiten op het drukrioleringssysteem.

Conclusie

Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgestane ontwikkeling. De dimensiorering en civieltechnische uitwerking wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Hierbij zal ook de infiltratiecapaciteit worden geverifieerd.

4.5 Ecologie

Per 1 januari 2024 is de voormalige Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur en het Aanvullingsbesluit natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.

4.5.1 Ecologische quickscan

In het kader van dit initiatief is een ecologische quickscan van het plangebied uitgevoerd. Hierbij wordt aangegeven welke beschermde planten en dieren mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de te verwachten effecten van de ingreep hierop zijn. Daarnaast is een eerste inschatting uitgevoerd van het effect van de ingreep op beschermde gebieden. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage van de ruimtelijke motivering, hieronder volgt een samenvatting van de onderzoeksresultaten.

Beschermde gebieden

Gezien de kleinschalige aard van de voorgenomen werkzaamheden en de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (12,9 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Ten aanzien van het gevolg van stikstofdepositie dient een AERIUS-berekening uit te wijzen of dit leidt tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Deze berekening is uitgevoerd en opgenomen in paragraaf 4.5.3.

Ten aanzien van het NNN hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect tot gevolg op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Beschermde houtopstanden zijn niet aan de orde in het plangebied.

Beschermde soorten

In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel van de OW. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen en reptielen voorkomen. Wel gelden voor alle aanwezige soorten in het plangebied de zorgplichten, zie kader in hoofdstuk 1. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied.

Soorten van paragraaf 11.2.2 van het Bal

De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vogels doordat in de omgeving voldoende alternatief beschikbaar blijft.

Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor steenuil en bevindt zich binnen 300 meter van een mogelijk bezet steenuilnest. Het maakt daarom mogelijk deel uit van het essentiële leefgebied van steenuil. Door de werkzaamheden gaat dit verloren en kan mogelijk een geschikte nestlocatie van steenuil verloren gaan. Nesten van steenuil zijn jaarrond beschermd, het vernietigen en verstoren is een overtreding van de Omgevingswet. Nader onderzoek naar steenuil in het plangebied is noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit onderzoek is in 2024 uitgevoerd. De resultaten zijn beschreven in een aparte rapportage.

Soorten van paragraaf 11.2.3 van het Bal

De directe omgeving van het plangebied kan dienen als onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Wanneer de werkzaamheden overdag plaatsvinden, en de bomenrij, sloot en beek net buiten het plangebied in de schemering en nacht niet extra worden verlicht, hebben de werkzaamheden geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Ook in de gebruiksfase dienen deze elementen onverlicht te blijven of dient vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.

Soorten van paragraaf 11.2.4 van het Bal

Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen voorkomen in het plangebied. Het plangebied biedt (marginaal) geschikt landhabitat. Voor de soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet en moet worden gewerkt volgens de zorgplichten. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. In het kader van de zorgplicht dient de volgende maatregel te worden genomen: bij de graafwerkzaamheden dient in een rustig tempo en in één richting gewerkt te worden, zodat individuen kunnen vluchten.

Het plangebied kan (een onderdeel van het) leefgebied bieden voor algemene muizensoorten. Verblijfplaatsen van algemene muizensoorten kunnen aanwezig zijn in het plangebied. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Wel gelden de zorgplichten. Om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen kan bij de (graaf)werkzaamheden in een rustig tempo en in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

Conclusie

De ontwikkelingen in het plangebied leiden mogelijk tot een overtreding van de OW. Voor amfibieën, vleermuizen en algemene, grondgebonden zoogdieren kan dit voorkomen worden door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor steenuil dient voorafgaand aan de werkzaamheden nader onderzoek te worden uitgevoerd. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt of aanvullende maatregelen genomen moeten worden en of mogelijk een vergunning van de Omgevingswet verkregen dient te worden voor de werkzaamheden. Werkzaamheden kunnen pas worden uitgevoerd na afronding van het nader onderzoek en wanneer de aanvullende maatregelen die hieruit komen, zijn opgevolgd.

Mitigerende maatregelen

  • De (graaf)werkzaamheden in het plangebied dienen stapvoets te worden uitgevoerd en in één richting, zodat aanwezige amfibieën en zoogdieren kunnen vluchten.
  • Verstoring van vleermuizen door extra lichtgebruik dient voorkomen te worden. Dit kan door in de schemering en 's avonds de verlichting uit te zetten. Geen verlichting toepassen in de schemering of nacht (aanleg- en gebruiksfase), of gebruikmaken van vleermuisvriendelijke verlichting (armatuur toepassen, watergangen en groenelementen niet verlichten, 'warm' licht toepassen).

Nader onderzoek

  • Steenuilenonderzoek laten uitvoeren, zie hiervoor paragraaf 4.5.2
  • AERIUS-calculatie laten uitvoeren, zie hiervoor paragraaf 4.5.3

4.5.2 Nader onderzoek steenuilen

Om eventuele overtreding van de Omgevingswet te kunnen voorkomen, is onderzocht of het plangebied onderdeel uitmaakt van het (essentieel) foerageergebied van steenuilen. Hiervoor is door Staro notitie opgesteld, welke als bijlage aan de ruimtelijke motivering is toegevoegd.

Op 65 meter ten noordoosten van het plangebied is een steenuil waargenomen op de boerderijwoning tijdens de derde onderzoeksronde. Vanuit de Vogelwerkgroep Gemert is bekend dat op dit adres een steenuilenkast aanwezig is. Gezien steenuilen honkvast zijn en de steenuilenkast vanaf 2014 al bewoond wordt, is de verwachting dat dat ook dit jaar het geval is. Op basis van de resultaten van het onderzoek van dit jaar kan worden aangenomen dat een nestplaats van steenuil aanwezig is op het adres Deel 80. De mogelijke nestlocatie ligt op korte afstand van het plangebied, maximaal 65 meter afstand. Steenuilen foerageren tot op een afstand van maximaal 300 meter van de nestlocatie, maar met voorkeur binnen 100 meter van de nestplek.

Een steenuilenterritorium beslaat maximaal 28 hectare. De grootte is echter afhankelijk van diverse factoren, waaronder voedselaanbod. Door de realisatie van twaalf woningen in het plangebied wordt circa 1 hectare maïsland bebouwd. Uit de geschiktheidsanalyse blijkt dat de maïsakker (plangebied) matig geschikt foerageergebied voor steenuilen is. Van belang is dat er na de voorgenomen plannen voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar blijft voor steenuilen. Binnen het territorium blijft na de ontwikkeling van het plangebied de oppervlakte 'zeer geschikt' ongewijzigd.

Tevens is er een bestemmingsplan vastgesteld voor woningbouw op het perceel ten oosten en westen van het huidige plangebied. De drie ontwikkelingen binnen het territorium van de steenuilen met een nestplaats op Deel 80 kunnen niet los van elkaar worden gezien. In totaal hebben de drie ontwikkelingen tot gevolg dat 1,02 ha 'zeer geschikt' en circa 1 ha 'matig geschikt' foerageergebied voor de steenuilen komt te vervallen. Wanneer deze cumulatieve ontwikkelingen alle drie worden uitgevoerd blijft voor de steenuil in totaal 13,94 hectare foerageergebied beschikbaar, waarvan 4,67 hectare 'zeer geschikt'. Alhoewel de druk op het territorium van de steenuil hiermee behoorlijk groot wordt zou gezien de resterende oppervlaktes foerageergebied het territorium nog in stand gehouden kunnen worden.

4.5.3 Stikstofdepositie

Een ontwikkeling mag niet leiden tot een significant verstorend effect op de soorten waarvoor een natura2000-gebied is aangewezen. De juridische basis zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald.

Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan.

Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.

Ten behoeve van beoogde activiteiten is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de beoogde aanleg- en gebruiksfase. Deze rapportage is een weergave van de stikstofberekening met de Aerius Calculator versie 2023.2. Nadien is de calculator voorzien van een update. Daarom heeft een actualisatie plaatsgevonden met de Aerius Calculator versie 2024. De rapportage en de actualisatie zijn respectievelijk als Bijlage 10 en Bijlage 11 toegevoegd. Hieronder volgen de algehele conclusie.

Beoordeling en conclusie

Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van het plangebied aan de Deel ong. te Gemert de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000 gebieden. Hiertoe moet in de aanlegfase gebruik worden gemaakt van de mobiele werktuigen zoals aangegeven in onderhavig onderzoek en SEB (Schoon en Emmissieloos Bouwen).

Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Omgevingswet geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Omgevingswet voor een Natura 2000 activiteit is niet aan de orde.

Op basis van de berekening is geconcludeerd dat bij de te beschermen gebieden geen bijdrage [>0,00 mol/ha/jaar] wordt berekend. Daarnaast wordt geen bijdrage berekend ter plaatse van hexagonen met een hersteldoel. Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft het aspect stikstofdepositie er derhalve vanuit de Omgevingswet geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Omgevingswet voor een Natura 2000 activiteit is niet aan de orde.

4.6 Trillingen

Bij het wijzigen of afwijken van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Om te kijken of onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).

Ten behoeve van het oprichten van trillinggevoelige gebouwen binnen een zone van 100 meter tot één of meerdere spoortracés wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren. Aan de hand van deze quickscan kan worden vastgesteld of mogelijk sprake is van trillinghinder. Zo ja, dan is een nader onderzoek met trilling metingen nodig en dienen eventueel maatregelen getroffen te worden ter voorkoming van trillinghinder.

Voor trillinggevoelige gebouwen binnen een zone van 100 tot 250 meter van spoortracés zal een afweging gemaakt moeten worden of het uitvoeren van een onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer reeds sprake is van klachten door trillinghinder op grotere afstand dan 100 meter van het spoor. Ook de plaatselijke bodemopbouw en/of treinbeeld kunnen leiden tot trillinghinder. Zo kan een combinatie van zwaar treinverkeer en een stijve zandlaag of zandpakket leiden tot trillinghinder op meer dan 100 meter van het spoor.

Voor het oprichten van trillinggevoelige gebouwen op een grotere afstand van 250 meter van spoortracés is het aspect trillingen niet relevant en het uitvoeren van een onderzoek naar trillinghinder derhalve ook niet noodzakelijk.

Beoordeling en conclusie

Het plangebied is gelegen op meer dan 250 meter van spoortracés. Op deze afstand wordt het aspect trillingen niet relevant geacht voor het oprichten van trillinggevoelige gebouwen.

4.7 Kwaliteit van de buitenlucht

Projecten moeten worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Deze verplichting geldt niet voor projecten die geen tot weinig luchtverontreinigingen veroorzaken. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling waardoor toetsing aan de rijksomgevingswaarden niet noodzakelijk is.


Beoordeling


Niet in betekenende mate (NIBM)

Op grond van artikel 5.54 lid b. onder 1° van het Bkl behoren woningbouwprojecten met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg tot de standaardgevallen die aan te wijzen zijn als NIBM-projecten. Onderhavig voorziet in de omzetting van een agrarische perceel naar twee ruimte-voor-ruimtekavels waarna hier twee woningen gebouwd kunnen worden. Gezien de beperkte aard en omvang is dit initiatief aan te wijzen als zijnde een NIBM-project. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is niet noodzakelijk.


Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) nabij het projectgebied. De toetsresultaten ter plaatse van de dichtstbijzijnde toetspunten (Boekelseweg ten noorden en ten zuiden van de Deel), alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft naast de Europese grenswaarden ook advieswaarden voor luchtkwaliteit vastgesteld. Deze zijn strenger dan de huidige Europese grenswaarden. Deze advieswaarden dienen als streefdoel voor een gezondere luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0019.png"

Tabel 4.6 Gegevens Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: CIMLK, afleesdatum: 11 augustus 2025)

Ter plaatse van het projectgebied blijven de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit onder de grenswaarden van zowel vóór als na 2030. De WHO-advieswaarden worden, m.u.v. PM10 niet gehaald. Omdat zowel de actuele grenswaarden als de grenswaarden geldend vanaf 2030 niet worden overschreden kan wel geconcludeerd worden dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit.

Conclusie

Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat het initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8 Cultureel Erfgoed

Onder cultureel erfgoed wordt verstaan monumenten, archeologische monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De regels over het cultureel erfgoed zijn gegeven in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De regels die betrekking hebben op het werelderfgoed zijn opgenomen in artikel 5.131. Daarnaast bevatten hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aanvullende regels.

Bij nieuwe ontwikkelingen dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden.

4.8.1 Cultuurhistorie

Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouwd erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop Nederland beleefd, ingericht en gebruikt wordt.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant dient in het kader van de bescherming van waardevolle cultuurhistorische elementen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, herziening 2024). Op deze kaart staan de bepalende cultuurhistorische elementen afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0020.png"

Afbeelding 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant

Beoordeling

Er heeft een cultuurhistorische verkenning plaatsgevonden om de cultuurhistorische waarden van het gebied te herleiden. De rapportage is als Bijlage 12 aan de motivering toegevoegd.

Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als bouwland. Het perceel zelf kent geen landschappelijke elementen die als cultuurhistorisch waardevol zijn te bestempelen. Oude verkavelingspatronen, houtsingels of andere relicten zijn niet aanwezig. De Deel is een historische weg maar deze blijft bij het voornemen onaangetast. Ook de Molenbroekse Loop is een waardevolle oude watergang maar ligt niet binnen het plangebied van de werkzaamheden.

Er bevinden zich geen gemeentelijke of rijksmonumenten in het plangebied. Het dichtstbijzijnde monument is de langgevelboerderij aan de Deel 80 maar deze blijft intact. Ook beschermde stad-of dorpsgezichten zijn niet aan de orde. Aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden zijn niet aanwezig.

Molenbiotoop

Zoals af te lezen op bovenstaande cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant ligt een deel van het perceel binnen de molenbiotoop van stellingmolen De Bijenkorf. In 1665 is deze als papiermolen in Zaandijk gebouwd en in 1907 verkocht en in Gemert als korenmolen herbouwd. Het begrip molenbiotoop is geïntroduceerd om de windvang van en het zicht op een traditionele windmolen aan te duiden. Obstakels, zoals flats, bedrijfsgebouwen en hoge bomen, belemmeren de windtoevoer en zijn rond een molen volgens het bestemmingsplan niet toegestaan.

Oude akkercomplex

Op de cultuurhistorische erfgoedkaart van Gemert-Bakel is het plangebied benoemt als 'oude akkers/ akkercomplexen'. Deze gebieden zijn in het bestemmingsplan 'Gemert-Bakel, Stedelijk gebieden, april 2013' opgenomen met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch –oude akker'.

Het plangebied valt binnen Akkercomplex Doonheide-Lodderdijk aan de noordzijde van Gemert Het akkercomplex heeft een omvang van 142 ha, waarvan ten tijde van de inventarisatie ongeveer de helft bebouwd was. De rest was nog grotendeels in gebruik als agrarisch gebied. Het grootste deel van het akkergebied, waartoe ook het huidige plangebied behoort, is laag gewaardeerd vanwege de hoge mate van aantasting door bebouwing en industriële ontwikkelingen. Alleen het noordwestelijke deel, d.w.z. ten noordwesten van de Deel, is hoog gewaardeerd vanwege het nog grotendeels ongeschonden karakter van de open akker en de ruimtelijke samenhang met het bijbehorende gehucht. Alleen voor dit deel van de oude akker is een bescherming door middel van de dubbelbestemming Waarde- Oude Akker voorgesteld. Voor de rest van het gebied, en dus ook voor het plangebied aan de Deel, is geen bescherming voorgesteld.

Door de uitbreiding van Gemert is het omliggende landschap in de 21e eeuw flink gewijzigd. De relatie tussen het plangebied en het grotere akkercomplex waar het plangebied deel van uitmaakt, is hierdoor grotendeels verdwenen. De enige herinnering hieraan is het agrarisch gebruik van een open plangebied in een verder bebouwde omgeving. Dit vertegenwoordigt nog enige waarde voor de herkenbaarheid van de Deel als historisch gehucht in een agrarische omgeving. De waarde hiervan is middels de methodiek van de RCE beoordeeld. Vanuit de verschillende kwaliteiten en criteria voor het beoordelen van cultuurhistorische waarden volgt een 'redelijk lage waarde' als gemiddelde score van het akkercomplex.

Conclusie

Bij de ontwikkeling van het plangebied moeten de bestemmingsregels voor de molenbiotoop gevolgd worden. Wel heeft het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – oude akker'. Echter door de ontwikkeling van Gemert vanaf de 19e eeuw kan niet meer worden gesproken van een waardevolle oude akker. Bovendien blijft de relatie met het historische gehucht Deel nog behouden in de boerderijen en percelen aan overzijde van de weg. Samen met de bouw van woningen aan de oost- en westzijde leidt de ontwikkeling van het plangebied cumulatief wel tot een verdichting. De openheid vermindert maar dit is meer een landschappelijke verandering dan dat het ten koste gaan van cultuurhistorische waarden.

Er zijn verder geen cultuurhistorische waarden die de werkzaamheden in de weg staan. Het provinciale beleid wordt daarmee nageleefd.

4.8.2 Archeologie

Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet, de Erfgoedwet. De onderdelen die betrekking hebben tot de omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet overgaan in deze wet.


Beoordeling

In het plangebied geldt in het omgevingsplan Gemeente Gemert-Bakel een Categorie – Archeologie 5. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 2500 m2 en dieper dan 40 cm -Mv reiken. Vanwege de gezamenlijke oppervlakte van de te wijzigen percelen (1 ha) is archeologisch vooronderzoek nodig. Dit onderzoek is uitgevoerd en als bijlage aan de ruimtelijke motivering toegevoegd.

Archeologisch bureau- en veldonderzoek

Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een horst-plateau ligt, met terrasafzettingen. Delen van dit plateau zijn bedekt met dekzand. Zowel op de terrasafzettingen als in de top van het dekzand kunnen resten van bewoning worden verwacht, sinds het Paleolithicum. In de buurt van het plangebied zijn echter geen resten van voor de Late Middeleeuwen. De aanwezigheid van resten kan niet worden uitgesloten. De verwachting op resten uit de periode Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen is middelhoog

De verwachting op resten uit de periode Late Middeleeuwen- Nieuwe tijd is hoog. Gemert dateert uit de 12e eeuw. Tot in de 19e eeuw was landbouw de voornaamste bron van inkomsten voor het dorp. In de percelen direct ten westen en ten oosten van het plangebied is een oud akkercomplex aangetroffen uit de vroege Nieuwe tijd, met daarin losse vondsten uit de Late Middeleeuwen. Deze akker is naar verwachting ook aanwezig in het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen voor bebouwing vanaf 1811, maar dat sluit eerdere bebouwing niet uit. In 1603 heeft een veldslag plaatsgevonden op 300 m ten noorden van het plangebied. Mogelijk zijn er resten van deze slag te vinden in het plangebied als wapentuig en wellicht veldgraven.

Tijdens het veldonderzoek zijn zowel terrasafzettingen als dekzand aangetroffen als archeologisch relevant niveau. De terrasafzettingen zijn over heel het plangebied aanwezig en bevinden zich op een diepte van 55 - 100 cm -Mv (15,05 – 14,85 m +NAP). Het dekzand verschilt in dikte van 65 tot 25 cm. De top van het dekzand ligt op 35 - 55 cm -Mv (15,15 – 15,55 m +NAP). Er is geen bodemvorming in het dekzand waargenomen. De aanwezigheid van zandbrokken met roestvlekken in de menglaag duiden erop dat de top van het dekzand verploegd is. Resten uit de periode Paleolithicum-Mesolithicum worden verwacht als strooiingen van losse vondsten in de top van het dekzand. Omdat deze top verploegd is, wordt de verwachting op resten uit de periode Paleolithicum-Mesolithicum bijgesteld naar laag. Het sporenniveau, waarin onder andere resten van landbouw en nederzettingen uit het Neolithicum-Vroege Middeleeuwen aanwezig kunnen zijn, is nog wel intact. De verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen blijft daarom middelhoog. Er is geen intact oud bouwlanddek aangetroffen. Deze is vermoedelijk verploegd voor de huidige maisakker. Daarom wordt de verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe tijd bijgesteld naar laag.

Voor het plangebied bestaat het voornemen een nieuwe woningen te realiseren, op een oppervlakte van circa 900 m2. Het precieze te bebouwen oppervlak is nog niet bekend. Tussen de woningen zal een verbindingsweg worden aangelegd. Het is nog niet bekend hoe diep eventuele verstoringen zullen zijn, maar waarschijnlijk dieper dan 50 cm -Mv. Hierbij zullen de archeologisch relevante niveaus, namelijk het dekzand (35 - 55 cm -Mv) en de terrasafzettingen (55 - 100 cm -Mv) worden aangetast. Geadviseerd wordt om in het plangebied deze archeologische verwachting aanvullend te toetsen in een karterende en waarderende (onderzoeks)fase.

Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven

Voorafgaand aan de uitvoering van het proefsleuven onderzoek is een Programma van Eisen opgesteld dat voorziet in de kaders voor het proefsleuvenonderzoek. Het Programma van Eisen is als Bijlage 14 aan de motivering toegevoegd en is door alle partijen ondertekend.

Voor het proefsleuvenonderzoek zijn 10 proefsleuven van 25 bij 4 meter aangelegd (1000 m2). In het veld zijn 42 sporen aangetroffen. Deze bestaan uit greppels, kuilen, paalkuilen, natuurlijke sporen en recente verstoringen. De greppels, in totaal zes, zijn in vrijwel alle werkputten aangetroffen en liggen in de oriëntatie oost-west. De paalkuilen bevinden zich hoofdzakelijk centraal in het plangebied. In totaal zijn er twaalf vondsten gedaan. De vondsten bestaan uit metaal, keramiek en keramisch bouwmateriaal. De keramiek dateert uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd (12e/15e eeuw – 16e/17e eeuw) en bestaan uit grijsbakkend aardewerk en grape-fragmenten. De andere vondsten (keramisch bouwmateriaal en metaal) komen uit de bouwvoor, dan wel de akkerlaag en zijn – voor zover dateerbaar – in de 16e-18e en de 19e eeuw gedateerd.

Er zijn in het plangebied twee archeologische vindplaatsen aangetroffen, zijnde een greppelcomplex en een paalkuilencluster. Op basis van onderzoek ten oosten en ten westen van het plangebied is geconstateerd dat de greppels waarschijnlijk in de 15e eeuw zijn aangelegd en in de 19e eeuw gedempt zijn.

Beide archeologische vindplaatsen zijn als niet-behoudenswaardig bevonden wegens de geringe informatiewaarde. De kans dat tijdens de graafwerkzaamheden waardevolle archeologische resten zullen worden verstoord, is daarom klein.

Conclusie

Het advies is om het plangebied vrij te geven. Wel geldt, dat wanneer tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologisch waardevolle zaken worden aangetroffen, deze volgens de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 bij het Rijk moeten worden gemeld. In dit geval kan dat bij de gemeente Gemert-Bakel en/of haar archeologisch adviseur.

4.9 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

4.9.1 Verkeersgeneratie

De beoogde nieuwbouw brengen extra verkeersbewegingen met zich mee. In de stikstofdepositie berekening is uitgegaan van een toename van 104 motorvoertuigbewegingen per dag.

Een weg zoals de Deel (zonder fietssuggestiestroken), gelegen buiten de bebouwde kom worden ontworpen voor een intensiteit tot circa 4.000 motorvoertuigen per etmaal. In het kader van de beschouwing wegverkeerslawaai is de huidige intensiteit van De Deel opgevraagd. Deze heeft een etmaalintensiteit van 682 mvt. De Deel heeft dan ook ruim voldoende capaciteit over om de extra 104 motorvoertuigbewegingen op te vangen.

4.9.2 Parkeren

Behoefte

Op basis van de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 (en Bestemmingsplan "Parkeren Gemert-Bakel") is de locatie gelegen binnen het gebied “rest bebouwde kom”. Voor vrijstaande koopwoningen geldt een parkeernorm van 2,3 en voor twee-onder-een-kap-koopwoningen geldt een parkeernorm van 2,2. De normen zijn inclusief 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers.

De totale parkeerbehoefte bedraagt (6*2,3 + 6*2,2) = 27 parkeerplaatsen. Hiervan zijn 23,4 parkeerplaatsen bedoeld voor eigen gebruik en 3,6 voor bezoekers. Rekening houdend met de aanwezigheidspercentages is op het maatgevende moment (werkdag avond) een totaal van 23,9 parkeerplaatsen benodigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0021.jpg"

Tabel 4.6 Tabel aanwezigheidspercentages berekening parkeerbehoefte

Aanbod

De benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. De 7 woningen aan de buitenrand worden allen voorzien van een eigen dubbele oprit. In theorie kunnen er 2 auto's geparkeerd worden op een dubbele oprit, op basis van de gemeentelijke parkeernota moet echter worden uitgegaan van een berekeningsaantal van 1,7 parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit van de dubbele opritten bedraagt daarmee (7 * 1,7 =) 11,9 parkeerplaatsen.

De 4 twee-onder-één-kapwoningen en de vrijstaande woning aan het hofje worden niet voorzien van een oprit op het eigen perceel. Voor het parkeren kunnen de bewoners en bezoekers gebruik maken van de openbaar toegankelijke parkeerplaats met 12 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn ieder minimaal 2,5 m breed en 5 m lang en hebben daarmee een berekeningscapaciteit van 1 parkeerplaats.

De totale parkeercapaciteit binnen het plangebied, bestaande uit de 7 dubbele opritten (11,9 parkeerplaatsen) en de openbaar toegankelijke parkeerplaats (12 stuks), bedraagt 23,9 parkeerplaatsen.

Conclusie

Ten aanzien van parkeren voldoet onderhavig plan aan de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017.

4.10 Externe veiligheid

Externe veiligheid is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Ten aanzien van externe veiligheid zijn in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen met als doel de kans te beperken dat mensen die in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's verblijven door een ongeval met die activiteiten. Onder activiteiten met externe veiligheidsrisico's worden onder andere verstaan:

  • bedrijven met gevaarlijke stoffen;
  • het basisnet met vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen;
  • windturbines.

Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een windturbine. De overlijdenskans van die persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn.

De brand-, explosie-, en gifwolkaandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Voor veel activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn in het Bkl vaste afstanden bepaald voor brand- en explosieaandachtsgebieden.

Meer dan bij het risico op brand of een explosie, is het risico op een gifwolk sterk afhankelijk van variabelen die niet op voorhand bepaald kunnen worde n zoals windkracht en windrichting. De omvang van gifwolkaandachtsgebieden bij inrichtingen met giftige stoffen zal daarom per risicobron berekend moeten worden. De maximale begrenzing van het gifwolkaandachtsgebied is bepaald op 1,5 kilometer vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Deze begrenzing sluit aan bij de door de brandweer en hulpverlengingsdiensten gehanteerde levensbedreigende waarde (LBW). Uit een oogpunt van proportionaliteit en kosteneffectiviteit is het gifwolkaandachtsgebied beperkt tot het gebied waarbinnen mogelijke fysieke veiligheidsmaatregelen in verhouding staan tot de veiligheidswinst die deze opleveren.

Vanwege de wisselende en slecht voorspelbare aanwezigheid van de risicobron bij het transport van gevaarlijke stoffen, gelden voor transportroutes die in het Basisnet zijn opgenomen vaste afstanden voor aandachtsgebieden, te weten:

  • brandaandachtsgebieden: 30 meter;
  • explosieaandachtsgebieden: 200 meter; en
  • gifwolkaandachtsgebieden: 300 meter.

Beoordeling en conclusie

Op basis van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving (zie hieronder) kan worden geconcludeerd dat de locatie niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied ten aanzien van omgevingsveiligheid.

Daarnaast betreffen de beoogde activiteiten geen activiteiten die opslag van gevaarlijke stoffen met zich meebrengen.

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vergunningverlening van de beoogde activiteiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0022.png"

Afbeelding 4.4 Kaart Externe veiligheid (bron: Atlast Leefomgeving(plangebied is blauw omlijnd)

4.11 Gezondheid

Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Gezondheidsbescherming

Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit en geluidhinder.

Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten:

  • Geitenhouderijen;
  • Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen;
  • Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen.
  • Gezondheidsbevordering

Gemeentelijk beleid

Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving is voor vitale kernen en toekomstbestendig buitengebied een streven binnen de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2024, zie paragraaf 3.3.1 . De manier waarop de leefomgeving is ingericht is van invloed op de mentale en fysieke gezondheid en veiligheid van mensen die in Gemert-Bakel wonen of de gemeente bezoeken. Het kan de leefstijl, het sociaal welbevinden en de levensverwachting van mensen positief of negatief veranderen.

Omdat de gemeente de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het sociaal welbevinden van mensen wil beschermen en verbeteren heeft de omgevingsvisie aandacht voor gezondheid vanuit omgevings- en milieukwaliteit. Inzetten op omgevingskwaliteit betekent dat Gemert-Bakel de bestaande basis op orde houdt (gezondheidsbescherming) en bij het inrichten van de openbare ruimte ontwerpkeuzes maakt die uitnodigen tot spelen, sporten en bewegen voor iedereen (gezondheidsbevordering).

De keuzes die de gemeente maakt over de ruimtelijke inrichting versterken de autonomie en zelfredzaamheid van onze inwoners, zodat iedereen mee kan doen. Bij milieukwaliteit wordt gedacht aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidshinder rondom industrie, wegen of veehouderijen en de gezondheidseffecten die dit heeft op de omgeving. Gestreefd wordt om overal te voldoen aan de wettelijke grenswaarden om de volksgezondheid te beschermen.

Gezondheidsbescherming

De omgevingsaspecten in relatie tot gezondheidsbescherming zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. Voor bijvoorbeeld de omgevingsaspecten bodemkwaliteit, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en omgevingsveiligheid blijkt dat aan de normen wordt voldaan, dan wel dat hiervoor de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om aan deze normen te voldoen. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling van woningen op de planlocatie. Zie hiervoor tevens de overige paragrafen in dit hoofdstuk.

Geitenhouderijen

Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Zoals reeds in paragraaf 4.2 is aangegeven ligt de locatie niet binnen de invloedsfeer van eeng geitenhouderij.

Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen

Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Zoals blijkt uit paragraaf 4.2 liggen de (pluim)veehouderijen in de omgeving op voldoende afstand om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goed woon- en leefklimaat moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Zoals blijkt uit paragraaf 4.2 zijn er geen belemmeringen voor dit plan als gevolg van van spuitzones.

Gezondheidsbevordering

De bewoners en gebruikers van het plangebied worden gestimuleerd om te verblijven in de buitenruimte door middel van een aantrekkelijke groene plek met diverse mogelijkheden voor ontspannen.

Bij de inrichting van de openbare ruimte is gekozen om groenstructuren en langzaamverkeersroutes aan te laten sluiten op structuren en infrastructuur uit de omgeving. Deze inrichting vergroot daarmee de toegankelijkheid voor zowel toekomstige bewoners als voor bewoners en gebruikers uit de omgeving.

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheidsbescherming is de beoogde ontwikkeling passend binnen het plangebied. De ontwikkeling zelf draagt bij aan gezondheidsbevordering.

4.12 M.e.r.-beoordeling

In een mer-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een plan of project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. In de tabel van Bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke projecten en de daarvoor benodigde besluiten een project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

In kolom 1 zijn onder J11 stedelijke ontwikkelingsprojecten met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen aangewezen als projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. Op basis van kolom 2 geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen mer-plicht. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is wel sprake van een mer-beoordelingsplicht (zie kolom 3).

Uitgaande van kolom 4 geldt de mer-beoordelingsplicht voor het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. In de gevallen waarbij een stedelijk ontwikkelingsproject mogelijk wordt gemaakt middels het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, is in artikel 11.8, derde lid van het Omgevingsbesluit bepaalt dat die omgevingsvergunning wordt aangemerkt als het besluit waarvoor de mer-beoordelingsplicht geldt.

Ten behoeve van de mer-beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria uit Bijlagen III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU). De drie hoofdcriteria zijn:

  • 1. de kenmerken van het project;
  • 2. de plaats van het project; en
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1652.TAMOPDeelZuidMid-VA01_0023.png"

Afbeelding 4.5 Onderdeel J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit

Beoordeling en conclusie

Een woningbouwontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Een aanmeldnotitie is opgesteld en als Bijlage 16 toegevoegd. Op basis hiervan kan een mer-beoordelingsbesluit genomen worden.

Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zal de ontwikkeling niet leiden tot aanzienlijke negatieve effecten op het milieu en de omgeving.

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente.

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Ten behoeve van dit project wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. De kosten die het bestuursorgaan maakt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht worden op grond van artikel 3.11 van de Omgevingswet verhaalt op de initiatiefnemer.

5.2 Nadeelcompensatie

In titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een wettelijke regeling opgenomen voor nadeelcompensatie. Artikel 4:126 regelt het recht op nadeelcompensatie. Het artikel bepaalt in het eerste lid: indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe. Schade zal niet door het bestuursorgaan worden vergoed en blijft voor rekening van de aanvragen voor zover hij/zij:

  • het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard;
  • de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden;
  • de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend; of
  • de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.

Het gaat hierbij niet alleen om schade veroorzaakt door besluiten waaronder ook beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften vallen, maar ook om schade veroorzaakt door feitelijke handelingen. Hiermee worden alle geschillen over rechtmatig overheidsoptreden geconcentreerd bij de bestuursrechter.

In de Omgevingswet is een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling opgenomen die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. In artikel 15.1 en 15.4 van de Omgevingswet is een limitatieve opsomming van schadeoorzaken opgenomen. Als een schadeoorzaak binnen het omgevingsrecht hier niet onder valt, kan niet alsnog via de Awb om schadevergoeding worden verzocht.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Derden (waaronder omwonenden) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Met het tijdig uitvoeren van een participatieproces kunnen overheden en initiatiefnemers op tijd belangen, meningen en creativiteit vanuit de omgeving op tafel krijgen.

Ten behoeve van dit plan is door initiatiefnemer een participatietraject doorlopen. Op 27 augustus zijn zo'n 40 omwonenden aangeschreven middels een nieuwsbrief. Men kon met behulp van een reactieformulier hun reactie kenbaar maken. Er zijn 21 reacties ontvangen. In verband met privacy worden deze reacties niet integraal opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing. De reacties en gegevens zijn bekend bij de gemeente. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de ingekomen reacties.

Bezwaar (1x)

  • heeft bezwaar, geen nadere toelichting gegeven.

Na een huisbezoek van de initiatiefnemer bleek dat het formulier verkeerd was ingevuld. Desbetreffende persoon heeft geen bezwaar maar steunt het plan juist.

Min of meer - geen ja/ geen nee (2x)

  • Jammer dat er gebouwd gaat worden en een uniek stukje Gemert verloren gaat. Begrijpt wel noodzaak om te bouwen;
  • In de groenstrook langs de Moenbeekseloop is geen pad voorzien. Het zou prettig als het pad vanaf de Vondellaan doorloopt. De Molenbeekseloop mag wat meer meanderen;

Geen bezwaar (18x)

  • Graag een voetpad achter schuur en loop die uitkomt op de Deelvoort;
  • Mooi plan, ook belangrijk omdat de Straat Deel een van de oudste in Gemert is.
  • Plannen zien er goed uit. Authentieke boerderijstijl qua uitstraling wordt erg belangrijk gevonden;
  • Indien mogelijk zo veel van het groen in de omgeving in stand houden;
  • Blijft pad en bomenrij behouden ? Ja, deze blijven behouden
  • Overige 'geen bezwaar' zonder nadere toelichting.

Naar aanleiding van de bezwaren zijn diverse huisbezoeken geweest. Hieruit zijn geen vervolgacties voort gekomen en zijn er geen wijzigingen aangebracht in het plan.

6.2 Vooroverlegreacties

Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio, Provincie Noord-Brabant en waterschap. Hieronder zijn de reacties samengevat en voorzien van een reactie.

Provincie Noord-Brabant

De provincie geeft enkele punten aan die tekstuele aanpassing behoeven.

Ten aanzien van de motivering is verzocht enkele onderdelen inhoudelijk aan te vullen, waaronder zorgvuldig ruimtegebruik, meerwaardecreatie als ook de landschappelijke inpassing.

Tevens ziet de provincie graag dat de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap als voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan het mogen gebruiken van de woonbestemming. En adviseren ze een specifieke aanduiding voor de landschappelijke inpassing op te nemen op de verbeelding.

Reactie gemeente

De tekstuele aanpassingen (zowel regels als motivering) zoals omschreven in de vooroverlegreactie zijn verwerkt.

In de motivering is tevens een inhoudelijke aanvulling gedaan ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik en meerwaardecreatie. In het landschappelijk inpassingsplan is een financiële onderbouwing toegevoegd waaruit blijkt dat voldaan kan worden aan het te investeren bedrag. Een nieuwe versie van het LIP is aan het TAM Omgevingsplan toegevoegd.

De gemeente acht daarnaast het koppelen van het uitvoeren en in stand houden van het landschappelijk inpassingsplan aan de woonfunctie in juridisch opzicht in strijd met het evenredigheidsbeginsel en daarmee niet handhaafbaar. De voorwaardelijke bepaling is gekoppeld aan het plan dat binnen een termijn de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering moet zijn gerealiseerd. Deze borging van het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in de zowel de algemene gebruiksregels als de algemene bouwregels. Dit geeft voldoende juridische borging van het landschappelijk inpassingsplan en de mogelijkheid tot handhaving. De gemeente handhavingscapaciteit in om de erfbeplanting te controleren.

Vanwege samenhang met naastgelegen gebieden in Deel Zuid is een groenbestemming ter plaatste van de landschappelijke inpassing het meest op zijn plaats. Een extra aanduiding is niet nodig, omdat deze gebieden liggen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – waterloop'. Deze gebieden dienen vrij te blijven van belemmeringen, waardoor ook groene afscherming is geborgd. Bovendien wordt de gemeente eigenaar van deze gronden.

Waterschap Aa en Maas

Het waterschap vraagt zich af hoe wordt geborgd dat perceelseigenaren hun waterbergingsopgave nakomen.

Daarnaast is ten zuiden van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is de Waterschapsverordening van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. Benadrukt wordt dat het realiseren van obstakels (ook bomen en struiken) niet wenselijk is binnen deze zone en alleen mogelijk is als hier door een watervergunning voor is verleend. Geadviseerd wordt dit in de ruimtelijke onderbouwing te vermelden.

Geadviseerd wordt om in de klimaatstresstest (Watertoets, 4.7 Klimaateffect) het gebied te modelleren op een bui van 70 mm in één uur, in plaats van twee uur. Dit is een bui met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar (T=100). Maak daarbij (waar mogelijk) gebruik van de stresstesten van de gemeente in plaats van die van de provincie. Doorgaans zijn de lokale stresstesten en gegevens een stuk representatiever.

Reactie gemeente

In de regels is de aanleg van waterberging verankerd. Daar staat dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning waterberging moet worden gerealiseerd.

Het is vanzelfsprekend, op grond van de waterschapsverordening, dat het aanbrengen van obstakels alleen toegestaan zijn wanneer daar vergunning voor is verleend. Dit hoeft niet te worden vermeld in de onderbouwing. Het plan beschrijft daarnaast geen obstakels in de beschermingszone.

Het plan wordt bestendig gemaakt tegen extreme neerslag door de bouwpeilen van de woningen voldoende hoog te leggen. Het advies van het waterschap mbt de klimaatstresstest gaat niet over waterberging die moet worden aangelegd voordat er afvoer naar het regionale watersysteem plaats vindt, maar over klimaatbestendigheid van het plan als geheel. Als gemeente streven we ernaar dat er bij een dergelijke bui geen water over de drempels heen de woningen in stroomt. Het advies wordt ter kennisname aangenomen, maar de gemeente gaat over de inrichting van het plan en de openbare ruimte.

Veiligheidsregio Brabant Zuidoost

Het plan voldoet voor wat betreft omgevingsveiligheid. De veiligheidsregio wijst verder op de regels bereikbaarheid.

Reactie gemeente

Aan de opmerking ten aanzien van bereikbaarheid kan worden voldaan. Dit wordt meegenomen in de uitwerking van het plan.

6.3 Ter visie legging

Het TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 15 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

De volgende ambtshalve wijzigingen zijn in de vastgestelde versie dorogevoerd:

a. Bijlage 7 bij motivering & bijlage 3 bij regels, watertoets.

De tabel met verhard oppervlak is aangepast op de verbeelding. Daarbij is rekening gehouden met het maximaal te bebouwen oppervlak ten aanzien van het hoofdgebouw. In de eerdere versie was enkel de geprojecteerde woning in de verkaveling meegenomen, maar feitelijk mag het bouwvlak volledig bebouwd worden met het hoofdgebouw, dus is nu uitgegaan van een maximaal bebouwd oppervlak.

Daarnaast is in de tabel toegevoegd hoeveel infiltratiekratten er per kavel, inclusief het benodigd oppervlak.

De kopers van de kavels zijn zelf verantwoordelijk om aan de waterbergingseis te voldoen, daarbij is de hoeveelheid uiteindelijk afhankelijk van het daadwerkelijk bebouwd oppervlak. Met de aangepaste watertoets is beter inzichtelijk gemaakt dat de opvang van hemelwater haalbaar is met infiltratiekratten en het daarvoor benodigd oppervlak.

b. Bijlage 11, actualisatie stikstofonderzoek.

Vanwege een landelijke actualisatie van de Aerius-berekenmethode op 7 oktober 2025 is een nieuwe actualisatie uitgevoerd. De uitkomst is hetzelfde; er zijn voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief.

Hoofdstuk 7 Conclusie

Aan de Deel in Gemert ligt een initiatief voor een woningbouwontwikkeling voor de realisatie van 12 woningen.

Het plangebied bestaat nu uit agrarische percelen aan een oud bebouwingslint. Ten zuiden van het plangebied loopt de Molenbroekseloop. Omdat het initiatief niet past binnen de bestaande kaders van het gemeentelijke (tijdelijke) omgevingsplan, wordt een ruimtelijke procedure opgestart. Door middel van een TAM-omgevingsplan wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt.

In voorliggende ruimtelijke motivering is aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.