1.1 Aanleiding opstellen plan
Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Hostertstraat 5, 6012 RL te Haler een gemengd bedrijf. Het bedrijf bestaat uit twee agrarische hoofdtakken, te weten een pluimveeservicebedrijf en een akkerbouwbedrijf. Verder is er een recreatieve neventak aanwezig in de vorm van een boerderijcamping. De percelen waarop het bedrijf is gevestigd zijn kadastraal bekend als gemeente Hunsel, sectie G, nummers 340, 343, 425, 426, 429, 465, 466, 467 en 468.
Initiatiefnemer heeft een doel voor ogen met zijn bedrijven, namelijk meegaan in de tijd met opslag van producten, alle agrarische bedrijvigheid op één locatie onderbrengen en het scheiden van het pluimveeservice- en akkerbouwbedrijf. Hiervoor is meer ruimte nodig. Initiatiefnemer wenst daarom het bouwvlak op onderhavige locatie te vergroten tot een oppervlakte van 2,3 ha, t.b.v. de bouw van een loods voor het akkerbouwbedrijf alsook voor een gedeelte van de landschappelijke inpassing.
Daar het huidige bouwvlak reeds volledig bebouwd is, is een vergroting van het bouwvlak noodzakelijk. Hiertoe is op 28 januari 2020 en aangevuld 5 juni 2021 een principeverzoek ingediend voor de gewenste uitbreiding van het bouwvlak, t.b.v. de bouw van de loods voor het akkerbouwbedrijf.
Op 7 januari 2021 heeft de gemeente Leudal het principeverzoek positief beoordeeld onder voorwaarden ten aanzien van de voorwaarden genoemd in artikel 3.8.5. van het bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’. Dit wijzigingsplan geeft aan hoe aan deze voorwaarden kan worden voldaan.
1.2 Doel van het plan
De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” d.d. 4 september 2019. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een wijziging van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Hiertoe is het voorliggende wijzigingsplan “Hostertstraat 5 te Haler” opgesteld.
1.3 Plangebied en begrenzingen
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Leudal ten oosten van het woondorp Haler en ten westen van het woondorp Hunsel. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een agrarisch gebied met diverse functies, waaronder agrarisch, maar ook wonen.
In de navolgende figuur wordt de ligging van het plangebied (rood) weergegeven.
Figuur 1 Ligging plangebied (bron: www.openstreetmap.org)
In de ingevoegde uitsnede is het vergelijk weergegeven tussen het plangebied (rood) en de eigendomssituatie (blauw). Het plangebied verschilt van de eigendomssituatie, daar het wijzigingsplan alleen een vergroting van het bouwvlak betreft. Echter is de weergave van de eigendomssituatie relevant, daar de landschappelijke inpassing in de aangegeven eigendomssituatie gerealiseerd dient te worden.
1.4 Overzicht geldende ruimtelijke instrumenten
De locatie is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’ van de gemeente Leudal (vastgesteld op 4 september 2019).
Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak van ca. 1,6 ha. Hierop zijn de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimveeservicebedrijf’, ‘kampeerterrein’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ van toepassing. Ook zijn de bouwaanduidingen ‘maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2’ en ‘specifieke bouwaanduiding – solitaire stalruimte’ aanwezig. Als laatste is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ aanwezig en de volgende gebiedsaanduidingen:
- ‘Milieuzone – boringsvrije zone’;
- ‘Overige zone – landschappelijke elementen’;
- ‘Overige zone – beekdal’;
- ‘Overige zone – oud bouwland’
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen.
Initiatiefnemer heeft een doel voor ogen met zijn bedrijven, namelijk meegaan in de tijd met opslag van producten, alle agrarische bedrijvigheid op één locatie onderbrengen en het scheiden van het pluimveeservice- en akkerbouwbedrijf. Hiervoor is meer ruimte nodig. Initiatiefnemer wenst daarom het bouwvlak op onderhavige locatie te vergroten tot een oppervlakte van 2,3 ha, t.b.v. de bouw van een loods voor het akkerbouwbedrijf alsook voor een gedeelte van de landschappelijke inpassing. Middels onderhavig wijzigingsplan wordt de gewenste ontwikkeling juridisch-planologisch vastgelegd.
2.1 Ontstaansgeschiedenis
Opde locatie Hostertstraat 5 zijn drie bedrijven aanwezig en twee bedrijfswoningen aanwezig (1&2). Het tweetal bedrijfsloodsen (3&4) worden voor zowel het pluimveeservicebedrijf als het akkerbouwbedrijf gebruikt. Als laatste wordt er op het achterste gedeelte van de locatie een nevenactiviteit in de vorm van een boerderijcamping geëxploiteerd, waar 59 plaatsen beschikbaar zijn voor tenten, vouwwagens, caravans en campers.
De locatie is in 1979 aangekocht. Het was destijds een intensieve veehouderij locatie, waar varkens en stieren gehouden werden. Er waren toen al gronden in bezit voor de teelt van maïs t.b.v. het vee. Begin jaren ’80 is het entbedrijf opgericht door de vader van initiatiefnemer. In 1985 is de camping erbij gekomen. Als gevolg van het oprichten van deze twee bedrijfstakken, is men in 1995 gestopt met de intensieve veehouderij. De in eigendom zijnde gronden zijn daarna ingezet als akkers, waardoor het akkerbouwbedrijf is ontstaan.
In de daaropvolgende jaren is het familiebedrijf uitgegroeid van een belangrijke speler in de regio, naar een internationaal entbedrijf met klanten in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland.
Het transportbedrijf is in 2006 opgericht door initiatiefnemer en diens vader, om een extra service te kunnen bieden aan de klanten van hun
entbedrijf. Het familiebedrijf is uitgegroeid van 2 vrachtwagens in de beginjaren, tot 8 moderne combinaties tegenwoordig. Daarmee wordt een gedeelte van de West-Europese markt bediend.
Initiatiefnemer heeft aandelen in een bedrijf in België waarvoor ze het transport van pluimvee verzorgen. Initiatiefnemer verzorgt daarnaast het transport voor alle Belgische broederijen. Sommigen worden vanuit Nederland bedient, en andere vanuit België (afhankelijk van de ligging). Het entbedrijf en het transportbedrijf vormen tezamen het hierna genoemde pluimveeservicebedrijf.
Inmiddels heeft initiatiefnemer het bedrijf overgenomen van diens vader, en stuurt nu een team van ruim 30 medewerkers aan.
2.2 Bestaande situatie
Pluimveeservicebedrijf
Het pluimveeservicebedrijf richt zich op het verlenen van verschillende diensten in de pluimveesector waaronder het enten van pluimvee en het verzamelen en het vervoeren van pluimvee. Om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren beschikt het bedrijf over een 10-tal vrachtwagens. Het inenten van het pluimvee gebeurt op locatie. Derhalve zijn ook verschillende busjes noodzakelijk voor het vervoer van de ent-ploegen naar de verschillende locaties.
Vóór het enten van pluimvee en het transporteren van pluimvee tussen verschillende pluimveebedrijven dient altijd een volledige reiniging plaats te vinden van de voertuigen en materialen. Hiertoe beschikt het bedrijf over een interne wasstraat voor de voertuigen en een wasstraat voor de kratten.
De omvang van het pluimveeservicebedrijf is al enkele jaren stabiel en zal dat in de toekomst ook blijven. Het pluimveeservicebedrijf is betrokken bij onderhavig plan vanwege de benodigde scheiding (t.b.v. de bedrijfsvoering en hygiëne). Juist door de scheiding is er noodzaak aan meer ruimte voor het bedrijf (er wordt zelfs een extra loods gerealiseerd, welke op 29-10-2020 is vergund). Daardoor heeft het agrarisch bedrijf ook meer ruimte nodig.
Akkerbouwbedrijf
De locatie is in 1979 aangekocht. Het was destijds een intensieve veehouderij locatie, waar varkens en stieren gehouden werden. Er waren toen al gronden in bezit voor de teelt van maïs t.b.v. het vee. Toen men in 1995 met de intensieve veehouderij gestopt is, zijn de in eigendom zijnde gronden ingezet als akkers, waaruit het akkerbouwbedrijf ontstaan is. In de loop van de jaren is het areaal aan gronden gegroeid en inmiddels heeft initiatiefnemer 15 ha grond in eigendom en wordt er jaarlijks ca. 120 ha gepacht/ ingezet als ruilgronden.
Er worden verschillende gewassen geteeld, waaronder voornamelijk aardappelen en uien maar ook maïs en tarwe. De ruilgronden zijn noodzakelijk om te gebruiken voor de vruchtwisseling op de gronden. Vruchtwisseling is noodzakelijk om ziektes te voorkomen en daarmee gezonden producten te telen.
Door de groei aan percelen heeft er ook een verdere groei en modernisering van het machinepark plaatsgevonden. Door gebrek aan ruimte wordt een deel van de machines op dit moment, onbewaakt en zonder toezicht, gestald in een loods in Kelpen-Oler en inmiddels worden ook machines gestald in Weert. Gezien de hoge aanschafkosten van de machines en vanuit logistiek oogpunt is dit geen wenselijke situatie. Daarom de wens om alle machines terug naar één locatie te brengen, namelijk de Hostertstraat. Op deze locatie zijn namelijk alle bedrijven van initiatiefnemer zeer nauw met elkaar verbonden wat betreft uitwisseling van personeel, planning en administratie, milieutechnische besparingen etc..
Boerderijcamping ‘Stroaterhof’
Sinds 1985 wordt een boerderijcamping geëxploiteerd. Inmiddels is de nevenactiviteit uitgegroeid tot een kampeerterrein met 59 plaatsen voor tenten, vouwwagens, caravans en campers. Daarnaast zijn verschillende faciliteiten, zoals sanitaire voorzieningen, een speeltuin, speeltoestellen, een zwembad, een receptie een dierenweide en een speelschuur aanwezig. De boerderijcamping wordt inmiddels volledig geëxploiteerd door de ouders van initiatiefnemer en is niet betrokken bij onderhavig planvoornemen. Met andere woorden: er wordt geen uitbreiding van het bouwvlak voorzien t.b.v. de boerderijcamping. Echter maakt deze wel deel uit van de landschappelijke inpassing.
3.1 Rijksbeleid
Onderhavig plan betreft een wijzigingsplan dat uitgevoerd wordt op grond van artikel 3.8.5 uit het Bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016”. De afwegingen inzake het rijksbeleid zijn reeds gemaakt ten tijde van het opstellen van dit moederplan. Het rijksbeleid wordt derhalve hier niet opnieuw afgewogen.
3.2 Provinciaal beleid
Het Limburgs Provinciaal beleid is in ontwikkeling. Op 1 oktober 2021 is een nieuwe Omgevingsvisie vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma’s.
De provincie Limburg heeft op 17 december 2021 de nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld, welke een belangrijke stap vormt om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Inwerkingtreding zal echter pas plaatsvinden op het moment dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt (01-01-2024). Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening 2014 van kracht.
Hierna volgend komen de Omgevingsvisie Limburg, Omgevingsverordening Limburg 2014, de Ladder voor duurzame verstedelijking en het Limburgs Kwaliteitsmenu aan de orde. Om alvast een doorkijk te maken richting de toekomst, zal de nieuwe Omgevingsverordening (2021) kort toegelicht worden.
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg
Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (POVI) vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde provinciaal omgevingsplan Limburg (POL2014) en is een strategische visie voor de lange termijn (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De visie gaat naast de fysieke leefomgeving ook in op onderwerpen als gezondheid, veiligheid, economie en sociale aspecten. En dat in onderlinge samenhang.
De Omgevingsvisie is een zelfbindend document en bindt daarmee (enkel) de provincie Limburg. Als het nodig is voor de uitwerking van de onderdelen van het beleid om bindende regels te stellen dan gebeurt dat via de Omgevingsverordening, vastgestelde op 17 december 2021. De inwerkingtreding van de Omgevingsverordening laat echter nog even op zich wachten, en zal gebeuren op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting 1 januari 2024. Tot die tijd geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Hoewel de visie gaat over de periode 2030-2050 is de Omgevingsvisie Limburg geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kan de provincie nog keuzes maken. Daarbij kiest de provincie Limburg voor maatwerk en wordt rekening gehouden met karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, dan gebeurt dat op basis van de onderstaande Limburgse principes:
- Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
- Kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
- Meer stad, meer land;
- Zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden bovengrond én ondergronds.
Naast deze inhoudelijke principes hanteert de provincie ook een aantal procesmatige uitspraken. Land- en tuinbouw worden in de visie apart benoemd. Het provinciaal belang wordt als volgt benoemd:
- Een gunstig ondernemersklimaat voor de agrofoodsector;
- Een betekenisvolle transitie in de agrofoodsector; een overgang naar een meer duurzame, circulaire, vraaggerichte productie, die in balans is met, en bijdraagt aan een gezonde en duurzame leefomgeving.
De Omgevingsvisie benoemt verder de uitdagingen en opgaven waar de land- en tuinbouwsector voor staat. De provincie wil daar vooral een faciliterende rol innemen. Voor de uitvoering stelt de provincie een aantal instrumenten ter beschikking. Na de inwerkintreding van de Omgevingswet zullen deze instrumenten verder uitgewerkt worden.
Toets
Voorliggend plan voorziet in de vergroting van het bouwvlak en de bouw van een loods t.b.v. van het akkerbouwbedrijf. Door het bouwvlak in deze richting te vergroten wordt er zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte die er nog is. Feitelijk gezien betreft dit de enige uitbreidingsmogelijkheid voor het bedrijf. Tevens betreft het stuk een ‘loze ruimte’ tussen in eigendom zijnde percelen. Hierdoor kan gesteld worden dat er zorgvuldig omgegaan wordt met de beschikbare ruimte bovengronds.
Door dit gedeelte van het bouwvlak in te zetten voor de bouw van een loods t.b.v. tijdelijke opslag van agrarische producten, kunnen de producten duurzamer worden opgeslagen. Door de mogelijkheid tot geconditioneerde opslag, blijven de producten langer houdbaar. Hierdoor kan initiatiefnemer beantwoorden aan de veranderende vraag van de markt om de producten meer gespreid aan te leveren. Hierdoor wordt ingespeeld op de vraaggerichte productie en wordt bijgedragen aan een gezonde, duurzame leefomgeving en een gunstig ondernemersklimaat.
De beoogde ontwikkeling is noodzakelijk om het agrarisch familiebedrijf toekomstbestendig te maken (doorontwikkeling).
Het initiatief draagt daarmee bij aan het in de Omgevingsvisie beschreven provinciaal belang, met name op de gebieden van duurzaamheid en vraaggerichte productie.
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014
De omgevingsverordening is vastgesteld op 12 december 2014. Nadien zijn er nog een aantal wijzigingsverordeningen vastgesteld. De meest recente geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening dateert van 22 november 2019.
Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale milieubeschermingsgebieden, waartoe op grond van de OvL2014 specifieke regelgeving geldt.
Zoneringen
De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels gelegen in de zonering ‘Buitengebied’ een klein stukje is gelegen in de zonering ‘Bronsgroene landschapszone’.
Figuur 4: Uitsnede kaart ‘zoneringen’ Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied bron:
Buitengebied
De gronden die gelegen zijn in de zone ‘Buitengebied’ betreffen alle gronden in het landelijk gebied die niet zijn gelegen in de ‘Goudgroene natuurzone’, ‘Zilvergroene natuurzone’ en/of ‘Bronsgroene landschapszone’.
Het betreffen met name gronden met een agrarisch karakter, waarbij (o.a.) ruimte wordt gegeven voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De provinciale beleidsaccenten in de zone ‘Buitengebied’ zijn gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe (landbouw)bedrijfslocaties, het terugdringen van de milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond.
De landschapszone ‘Buitengebied’ is toegekend aan grote delen van Limburg, waar natuurwaarden een minder grote rol vervullen. Ter plekke van het buitengebied geeft de provincie de meeste ruimte voor doorontwikkeling van de landbouw en vrijetijdseconomie.
Bronsgroene landschapszone
De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d.. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d.
De beoogde ontwikkeling is noodzakelijk voor de doorontwikkeling van de agrarische akkerbouwtak van het bedrijf. Dit is in overeenstemming met het beleid voor de zone ‘Buitengebied’. Ter plaatse van de zone ‘bronsgroene landschapszone’ komt geen bebouwing, maar wordt enkel
de al aanwezige inrit verbreedt en verhard. Tevens wordt een deel van de landschappelijke inpassing hier gerealiseerd. Hierdoor blijven de aanwezige landschappelijke kwaliteiten behouden en worden deze zelfs versterkt, waardoor dit plan past in het beleid voor
de zone ‘Bronsgroene landschapszone’.
Milieubeschermingsgebied
In de OvL2014 is het plangebied aangewezen als ‘landelijk gebied’ en ‘Regio Midden-Limburg’ (kaart 2). Het plangebied is verder gelegen in milieubeschermingsgebied boringsvrije zone ‘Roerdalslenk III’ (kaart 8).
Figuur 5: Uitsnede kaart ‘milieubeschermingsgebieden’ met ligging plangebied (bron: www.ruimtelijke plannen.nl
De aanduiding “Boringsvrije zone Roerdalslenk III” heeft betrekking op het beschermen van de waterkwaliteit en –kwantiteit. Vanuit deze milieubeschermingszone worden regels gesteld aan het boren dieper dan 80 meter onder maaiveld en het uitvoeren van activiteiten die de waterkwaliteit en –kwantiteit negatief kunnen beïnvloeden. Het planvoornemen voorziet niet in dergelijke activiteiten.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de beleidslijnen zoals opgenomen in het Omgevingsverordening Limburg 2014
3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021
Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 ter inzage gelegen.
Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe Omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.
Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg 2021 hoofdzakelijk een beleids- neutrale omzetting van de OvL2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijke aanmerkelijke gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Volgens de kaart ‘Grondwaterbescherming’ is het plangebied gelegen binnen ‘Boringsvrije zone Roerdalslenk lll’. Een melding is noodzakelijk indien binnen die zone boringen zijn voorzien die dieper gaan dan 80 meter. Boringen van dergelijke diepte zijn niet voorzien.
Volgens de kaart ‘Landbouw’ is het plangebied gelegen in het buitengebied. Een gedeelte van het plangebied is gelegen in de zogenoemde ‘Groenblauwe Mantel’ en in het ‘Beekdal’.
Buitengebied
De hoger gelegen zandgronden in Noord en Midden-Limburg en de plateaugebieden van Zuid-Limburg vormen samen het zogenaamde buitengebied. In Noord-Limburg vinden hierbinnen de glastuinbouwgebieden een plaats. De intensieve veehouderij is vooral aanwezig in de gebieden ten westen van de Maas in Noord- en Midden- Limburg. Ter plekke van het buitengebied geeft de provincie de meeste ruimte voor doorontwikkeling van de landbouw en vrijetijdseconomie.
Groenblauwe mantel en Beekdal
De groenblauwe mantel omvat onder andere het Maasdal en de landschappelijke en cultuurhistorische waardevolle beekdalen. De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden. Het betreft gebieden met overwegend (extensievere), monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen. In de groenblauwe mantel staat het klimaat adaptief maken van het watersysteem alsook het behouden/versterken van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het beekdal centraal. Er zijn hier kansen voor natuurwaarden en landschapskwaliteit in combinatie met andere functies zoals landbouw en vrijetijdseconomie.
Ter plaatse van het plangebied is overwegend het karakter van het beekdal waarneembaar. De afwisselende houtwallen en hooilanden aan de zuidzijde van de Isidoorstraat, het type vegetatie, het hoogteverloop en de brede bosstrook die de beekloop begeleid zijn karaktertypologieën van het beekdal. Middels de landschappelijke inpassing en aanvullende kwaliteitsverbetering wordt beoogd de bestaande waarde van het beekdal te versterken. Door het doorzetten van de bosstrook die de beekloop begeleid, het aanplanten van een bloemrijke weide en het creëren van een dynamische infiltratievoorziening, worden de waarden van het beekdallandschap behouden en versterkt. Voor een verdere toelichting hierop, zie het landschappelijk inpassingsplan, bijgevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting.
Conclusie Omgevingsverordening Limburg 2021
Onderhavig planvoornemen is in lijn met de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2021.
3.2.4 Nota kwaliteit – Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu
Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ (waarvan in casu sprake is) is het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu.
In z’n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijze tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijk inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen.
Het LKM is door de gemeente Leudal verwerkt in haar ‘Nota Kwaliteit 2013’.
Conclusie Limburgs kwaliteitsmenu
Het LKM is door de gemeente Leudal verwerkt in haar eigen Nota Kwaliteit. Hiermee is het LKM vastgelegd in het gemeentelijke beleid. Het LKM in relatie tot het planvoornemen is uitgewerkt in paragraaf 3.3.2 ‘Nota Kwaliteit 2013’.
3.2.5 Conclusie provinciaal beleid
Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid bestaan er geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bouwvlak.
3.3 Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is omschreven in de Structuurvisie Leudal, de Nota Kwaliteit 2013 en het vigerende bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016”.
3.3.1 Structuurvisie Leudal
Op 2 februari 2010 heeft de gemeente Leudal de Structuurvisie Leudal vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van de gemeente van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren, wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In deze structuurvisie ligt bewust de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Hiermee wordt op gemeentelijk niveau invulling gegeven aan het Limburg Kwaliteitsmenu.
Aan de hand van de structuurvisiekaart kunnen de beleidsuitgangspunten voor een locatie worden bepaald. Op de structuurvisiekaart zijn diverse gebieden aangegeven. Deze gebieden hebben ieder een eigen typologie. Onderscheid kan gemaakt worden in de dorpen, de werkgebieden en het buitengebied. Het plangebied is gelegen tussen de woondorpen Haler en Hunsel
en het gedeelte van het buitengebied dat is aangewezen als terrassenlandschapszone, zie de navolgende figuur.
De hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van deze gebieden zijn als volgt geformuleerd:
Voor de dorpen richt het beleid zich primair op het behouden, beschermen en versterken van de kern specifieke kwaliteiten en eigenheden en gebruikskwaliteiten van de verschillende kernen, in hun setting van het omringend landelijk gebied en de daarbij behorende omgevingskwaliteiten.
Buitengebied
Voor het buitengebied richt het beleid zich op het duurzaam behouden van de kernwaarden van de natuurgebieden en het (cultuur)landschap en het tegelijkertijd versterken van de gebruiks- en belevingswaarden voor de inwoners van Leudal en voor bezoekers van de gemeente.
Op de structuurvisie kaart is het plangebied gelegen in de ‘T
errassenlandschapszone’. Hierover vermeldt de structuurvisie het volgende:
Het grootste deel van de gemeente Leudal is gelegen binnen de Terrassenlandschapszone. Binnen de zone is sprake van een gefragmenteerde, blokvormige verkaveling. De massa in het gebied is verspreid van aard en kent een amorfe structuur. Dit is ook terug te zien in de bebouwing. Ook deze is verspreid gelegen. De bebouwingsdichtheid is gemiddeld.
In het gebied zijn enkele beekdalen gelegen, zoals de Haelense en Tungelroyse beek. Deze beekdalen bieden landschappelijk structuur en bezitten voor zover ontwikkeld en zichtbaar, een hoge landschappelijke kwaliteit. Behoud en versterking van de kwaliteiten van de beekdalen wordt voorgestaan.
De ruimtelijke kwaliteit van het overige deel van het gebied blijft beperkt tot het groene, agrarische karakter. Functioneel speelt de agrarische sector in deze zone een belangrijke rol. De agrarische sector is voor de gemeente Leudal van groot belang. In een deel van de gemeente, gelegen in een schil van zuidwesten naar noorden, is de moderne meer grootschalige landbouw sterk aanwezig. Hier kan in beperkte mate, na een ruimtelijke afweging, ook ruimte geboden worden voor groei, waarbij maatwerk voorop staat. Veel woondorpen zijn binnen deze zone gelegen.
Conclusie Structuurvisie Leudal
In het plangebied kan ten behoeve van de akkerbouwtak na een ruimtelijke afweging ruimte geboden worden voor groei. Hierdoor past het planvoornemen in de Structuurvisie Leudal.
3.3.2 Nota Kwaliteit 2013
In de structuurvisie Leudal 2010 (vastgesteld op 14 april 2010) is opgenomen dat bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied alleen mogelijk zijn wanneer deze een bijdrage leveren aan kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Zo wordt het optredende verlies aan omgevingskwaliteit gecompenseerd.
De voorwaarden waaronder deze kwaliteitsverbetering moet plaatsvinden zijn uitgewerkt in de Nota Kwaliteit (vastgesteld door de gemeenteraad op 3 september 2013).
In de Nota Kwaliteit staat opgenomen dat het kwaliteitsmenu van de provincie geldt als een minimumvereiste.
Hiernavolgend wordt derhalve ingegaan op de module “Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding’ uit het Limburgs Kwaliteitsmenu 2012”.
Limburgs Kwaliteitsmenu 2012
De wens om te groeien kan op gespannen voet staan met de wens om de kwaliteit van het bestaande landschap te behouden. Met name grootschalige bedrijven kunnen een inbreuk in het landschap vormen. Om zowel de ontwikkeling van landbouwbedrijven te blijven faciliteren alsook de kwaliteit van het landschap te verbeteren worden landschappelijke maatregelen en eventueel verdergaande kwaliteitsverbeterende maatregelen gevraagd van agrarische bedrijven die willen uitbreiden of die zich nieuw willen vestigen.
De module “Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding” is van toepassing op agrarische bedrijven, agrarische hulp- en nevenbedrijven, boomkwekerijen, paardenhouderijen en hoveniersbedrijven e.d. Specifiek voor glastuinbouwbedrijven geldt aanvullend de module uitbreiding glastuinbouw.
Nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is alleen toegestaan na een ruimtelijke afweging en onder voorwaarde dat de agrarische bedrijven een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving middels inpassing en kwaliteitsverbetering. Bij nieuwvestiging dient de agrariër op basis van een bedrijfsontwikkelingsplan aan te tonen dat zijn bedrijf, op termijn, volwaardig is. De kwaliteitsverbetering is maatwerk op basis van aard en omvang van de ontwikkeling en de waarde van de omgeving.
Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding van agrarische bedrijven dat:
- de ontwikkeling wordt ingepast op basis van een inpassingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke en ruimtelijke inpassing);
- er ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling voorzieningen worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater, waarbij afhankelijk van de situatie dit infiltratie of retentie kan zijn.
In de onderstaande gevallen geldt naast de basis ook een aanvullende kwaliteitsverbetering:
- nieuwvestiging (inclusief omschakeling) of,
- overschrijding van de referentiemaat conform Handreiking RO of,
- ontwikkeling in gebieden met méér dan alleen agrarische waarde volgens het bestemmingsplan (landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarde).
Indien aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen aan de orde zijn, dient in ieder geval de volledige kavel te worden ingepast (bij het basispakket hoeft alleen de uitbreiding ingepast te worden). Bij nieuwvestiging zal er dus naast het basispakket (water) en een volledige inpassing ook altijd een kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van bebouwing of aanleg van natuur of landschap aan de orde zijn.
Om te voldoen aan de basisvoorwaarden, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld conform het landschapskader Noord en Midden Limburg. De benodigde infiltratievoorziening op het erf wordt ingepast d.m.v. een landschappelijke sloot. Het complete landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 1. Hiermee wordt aan de basisvoorwaarden voldaan.
Toets aanvullende kwaliteitsverbeteringen
Op grond van de handreiking RO geldt een referentiemaat voor het bouwvlak van 1,5 ha. Met onderhavig planvoornemen wordt het bouwvlak vergroot tot 2,3 ha, waardoor deze referentiemaat overschreden wordt. Hiertoe zijn kwaliteitsverbeterende maatregelen aan de orde. Deze zijn afgestemd met de gemeente, en nader uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan welke is bijgevoegd als bijlage 1.
Conclusie Nota Kwaliteit 2013
Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen het gemeentelijke en provinciaal beleid.
3.3.3 Vigerend bestemmingsplan
Voor onderhavig wijzigingsplan is het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” van toepassing, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 4 september 2019.
De planlocatie heeft in het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Tevens is er een bouwvlak aanwezig en een maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.
Op de locatie zijn drie verschillende functieaanduidingen aanwezig, te noemen: ‘kampeerterrein’, ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimveeservicebedrijf’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Verder is op de hele locatie de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ aanwezig en op een gedeelte van de locatie zijn de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – oud bouwland’ en ‘overige zone – beekdal’ aanwezig.
In de onderstaande figuur wordt het bouwvlak en zijn de verschillende functie- en gebiedsaanduidingen aanduidingen inzichtelijk gemaakt.
Figuur 8: Uitsnede functieaanduidingen (bron: http://www.ruimtelijkeplannen.nl en QGIS)
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 3.8.5. van het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” het plan wijzigen ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ of ‘glastuinbouw’’ voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarde dat:
De voorwaarden die voor de wijziging van het bestemmingsplan worden gesteld worden hieronder puntsgewijs benoemd. Cursief is aangegeven op welke wijze het plan voldoet aan deze voorwaarden.
a) de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 2,5 ha.
Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van ca. 1,6 ha. Het gewenste bouwvlak heeft een oppervlakte van ca. 2,3 hectare. Er wordt onder de maat van 2,5 hectare gebleven.
b) de uitbreiding of vormverandering noodzakelijk is in verband met bedrijfseconomische dan wel andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden en dit wordt aangetoond aan de hand van een actueel en onderbouwd bedrijfsontwikkelingsplan. Het bedrijfsontwikkelingsplan is opgesteld, en is bijgevoegd als bijlage 2.Tevens is de noodzaak ook beschreven in paragraaf 1.2 van deze toelichting.
c) geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden.
Voor het aspect archeologie is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat archeologie geen belemmering vormt voor de vergroting van het bouwvlak. Tevens zijn in het plangebied en de directe omgeving daarvan geen cultuurhistorische elementen aanwezig, waardoor dit eveneens geen belemmering vormt voor de vergroting van het bouwvlak. Voor het aspect ‘soortenbescherming’ is een QuickScan uitgevoerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. T.b.v. de gebiedsbescherming is een AERIUS-berekening uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen significante stikstofdepositie aangetoond is op het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied.
d) de (agrarische) functie van omliggende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet wordt belemmerd.
Het aspect milieuzonering is uitgewerkt in paragraaf 5.4.7. Conclusie: er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ in relatie tot het naastgelegen perceel met de bestemming ‘Wonen’ aan Isidoorstraat 1a. Hiertoe is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting.
e) de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden geschaad.
Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Isidoorstraat 1a is een woonbestemming met
2 wooneenheden aanwezig. In de directe omgeving zijn geen (agrarische) bedrijven aanwezig. Met de uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van een loods voor de akkerbouwtak worden (agrarische) bedrijven niet onevenredig geschaad.
f) sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in
artikel 55.4.
Hoe omgegaan wordt met een verbetering van de omgevingskwaliteit is uitgewerkt in paragraaf 3.3.2 en 4.3.
g) landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden.
Het landschappelijk inpassingsplan is uitgewerkt in paragraaf 4.3 en te vinden in bijlage 1.
h) uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
De onderzoeksaspecten uitgewerkt in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 5 toont aan
dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en duurzame ontwikkeling.i)
de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht.
Het aspect waterhuishouding is uitgewerkt in paragraaf 5.7.
j) Er geen sprake is van een toename van de stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf.
Het aspect gebiedsbescherming is uitgewerkt in paragraaf 5.5.
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’
In het vigerende bestemmingsplan is in artikel 40.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Ter plaatse van de betrokken locatie is deze dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ komen te vervallen i.v.m. het gedane onderzoek. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3 bij deze toelichting.
Gebiedsaanduiding ‘Overige zone - beekdal’
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beekdal' dienen de landschappelijk en natuurlijke waarden welke zijn verbonden aan de beekloop en het fysieke en zichtbare beekdal behouden, beschermd en/of hersteld te worden. Tevens dient de landschappelijke structuur en zichtbaarheid van het beekdal behouden, beschermd en/of hersteld te worden. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – beekdal’ wordt geen bebouwing gerealiseerd. Echter wordt hier de landschappelijke inpassing op voorzien. Middels het landschappelijk inpassingsplan worden deze waarden reeds hersteld en versterkt. Het landschappelijke inpassingsplan is nader uitgewerkt en bijgevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting.
Gebiedsaanduiding ‘Overige zone – oud bouwland’
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - oud bouwland' dienen de cultuurhistorische waarden van het gebied zoveel mogelijk behouden en versterkt te worden. Echter, in de praktijk, zijn deze waarden nu niet aanwezig op dit perceel, waardoor de realisatie van de landschappelijk inpassing op dit gedeelte géén afbreuk doet aan de waarden van dit gebied.
Conclusie vigerend bestemmingsplan
Gelet op vorenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen past binnen de gestelde voorwaarden van de wijzigingsbevoegd van het bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’.
3.3.4 Conclusie gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende gemeentelijke beleid, bestaan er geen belemmeringen voor de vergroting van het bouwvlak.
4.1 Doelstelling en uitgangspunten
De wens is om de bedrijfsvoering van beide bedrijven, die nu door elkaar heen lopen, beter te organiseren. Daar waar in de huidige situatie de twee bestaande loodsen voor beide bedrijven gebruikt worden, zorgen vier loodsen voor extra ruimte. Onderstaand een overzicht van het huidige gebruik van de bebouwing, en het beoogde gebruik.
Tabel 1 Functie per loods
Loods | Huidig gebruik | Beoogde gebruik |
1 | - kantoorruimte; - kantine; - wasserette** t.b.v. pvsb*; - stalling van machines en werktuigen t.b.v. akkerbouwbedrijf; - werkplaats t.b.v. akkerbouwbedrijf. | - kantoorruimte; - kantine; - werkplaats t.b.v. akkerbouwbedrijf. |
2 | - opslag vuile kratten t.b.v. pvsb*; - opslag schone kratten t.b.v. pvsb*; - wasstraat voor de voertuigen t.b.v. pvsb*; - wasstraat voor kratten t.b.v. pvsb*; - verlading van schone kratten t.b.v. pvsb*. | - wasserette** t.b.v. pvsb*; - opslag vuile kratten t.b.v. pvsb*; - wasstraat voor de voertuigen t.b.v. pvsb*; - wasstraat voor kratten t.b.v. pvsb*; - stalling 2 vrachtwagens. |
3 | Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend op 29 oktober 2020 | - opslag schone kratten t.b.v. pvsb*; - verlading van schone kratten t.b.v. pvsb*; - stalling 4 vrachtwagens. |
4 | Plan | - stalling van machines en werktuigen t.b.v. akkerbouwbedrijf; - geconditioneerde opslag van agrarische producten. |
*pvsb = pluimveeservicebedrijf **wasserette = wasmachine voor laarzen, bedrijfskleding etc.
Vervolgens kan er beter ingespeeld worden op de behoefte voor beide bedrijven. Nu zijn er twee loodsen aanwezig, het gewenste ruimtebeslag is vier loodsen. Initiatiefnemer wenst ook beide bedrijven te behouden op deze locatie want op deze locatie zijn namelijk alle bedrijven van initiatiefnemer zeer nauw met elkaar verbonden wat betreft uitwisseling van personeel, planning en administratie, milieutechnische besparingen etc..
De gewenste nieuwe loods voor het akkerbouwbedrijf past niet meer in het bouwvlak. Tevens is van belang dat de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimveeservicebedrijf’ niet groter mag worden i.v.m. politieke en milieutechnische redenen.
De gewenste loods dient als stallingsruimte voor landbouwmachines en -werktuigen en de tijdelijke opslag van agrarische producten. In de huidige situatie is er geen opslagruimte wat inhoud dat de producten meteen met de oogst verkocht moeten worden. De huidige markt vraagt echter om een regelmatige en gespreide afzet van de agrarische producten gedurende het jaar, waardoor opslag nodig is.In het oogstseizoen kan het voor komen dat er in een etmaal tussen 06:00 en 23:00 34 trekkers met geoogst product van en naar de inrichting aan de Hostertstraat rijden. Dit komt neer op 2 trekkers en dus 4 bewegingen per uur. De rest van het jaar ligt het aantal bewegingen met tractoren en getrokken materiaal aanzienlijk lager. De producten worden ca. 4 maanden opgeslagen. Door onderhavig plan wordt voor het pluimveeservicebedrijf de hygiënestatus gewaarborgd. Het pluimveeservicebedrijf beschikt over een wasstraat voor voertuigen, welke door de NVWA erkend is. Een voorwaarde hiervoor is dat de vuile vervoersbewegingen van de vrachtwagens gescheiden worden van de schone vervoersbewegingen van de vrachtwagens. Dit wordt gerealiseerd door middel van het verbreden van de bestaande inrit aan de Isidoorstraat. De vervoersbewegingen t.b.v. het pluimveeservicebedrijf wijzigen niet. In het oogstseizoen komen er verkeersbewegingen voor het akkerbouwbedrijf voor het binnen halen van de agrarische producten. De routing en parkeerplaatsen zullen nader worden toegelicht in de paragraaf ‘Verkeer en Parkeren’.
4.2 Toekomstige situatie
De nieuwe loods wordt grotendeels voorzien ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – oud bouwland’. Deze loods (4) heeft een lengte van ca. 50 meter en een breedte van ca. 25 meter. Deze maat is gekozen omdat dit ter plaatse de maximale maat is. De oppervlakte van de tijdelijke opslagruimte bedraagt 20 x 25 m. De oppervlakte voor de stalling van landbouwmachines en -werktuigen bedraagt 30 x 25 m. Hiermee kan er tijdelijk 600 ton aan agrarische producten worden opgeslagen.
In de onderstaande figuur wordt de situering van de te realiseren loods weergegeven.
Figuur 9 Schematische weergave van de nieuwe loods (via: QGIS)
De nieuwe loods zal in dezelfde lijn worden gerealiseerd als de reeds bestaande bebouwing. De kaprichting wordt hiermee in lijn gelegd met de andere gebouwen, waardoor een goed stedenbouwkundigbeeld ontstaat.
De bouw van de nieuwe loods en het verbreden van de inrit is vanwege de vorm en omvang van het vigerend bouwvlak niet mogelijk. Derhalve bestaat de wens om het bouwvlak aan de zuidwest zijde, grotendeels ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – oud bouwland’ uit te breiden.
Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van ca. 1,6 hectare. Middels onderhavig wijzigingsplan wordt het bouwvlak aan de zuidwestzijde uitgebreid tot een totale oppervlakte van ca. 2,3 hectare. Deze oppervlakte is noodzakelijk om zowel de nieuwe loods alsook de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak te realiseren. Het bouwvlak is groter dan de nieuwe loods, echter wordt een gedeelte hiervan gebruikt t.b.v. de landschappelijk inpassing. De locatie van de loods wordt geborgd door ter plaatse van de te realiseren landschappelijke inpassing, een functieaanduiding op te nemen.
Het nieuwe bouwvlak is opgenomen op de verbeelding als juridisch bindend onderdeel van dit wijzigingsplan.
Op de navolgende luchtfoto wordt het huidige en nieuwe bouwvlak weergegeven.
Figuur 10: Luchtfoto met het huidige en nieuwe bouwvlak (QGIS)
4.3 Landschappelijke inpassing
Op grond van de structuurvisie Leudal 2010 (vastgesteld op 2 februari 2010) dienen ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en in de kernen gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering in (bij voorkeur) de directe omgeving. Ruimtelijke ontwikkelingen worden niet toegestaan zolang niet verzekerd is dat het optredende kwaliteitsverlies wordt gecompenseerd.
Onderhavig planvoornemen betreft een uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van het uitbreiden van het akkerbouwbedrijf middels het realiseren van een nieuwe loods. Daarmee gepaard gaat het verbreden van de in- en uitrit aan de Isidoorstraat. De realisatie van de loods vindt plaats aan de zuidwestzijde van het bestaande bedrijf. Voor dergelijke ontwikkeling geldt dat een basis inpassing noodzakelijk is. Voor nadere toelichting hierop, zie § 3.3.2. Hieronder valt inpassing op basis van een inpassingsplan en het treffen van voorzieningen voor de afkoppeling van hemelwater (hydrologisch neutraal ontwikkelen).
Voor de locatie is een landschappelijk inpassingplan opgesteld, welke is bijgevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting. Het landschappelijk inpassingsplan is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken, zoals het landschapstype waarin het plangebied zich bevindt. De locatie Hostertstraat 5 is al goed in het omliggende landschap ingepast. De ontwikkeling is aan de zuidwestelijke zijde van het erf. Dit is ook de enigste zijde van het plangebied vanaf waar de ontwikkeling waarneembaar is. De focus van de landschappelijke inpassing zal hier ook op liggen. De zuidwestelijke grens van het plangebied grenst aan een kleinschaliger landschap binnen de ‘kampen en graslandentype’. Om een duidelijke grens van het erf te creëren zal de houtwal die verder ten noordwesten staat, door worden getrokken tot aan de Isidoorstraat. Dit zal een extra impuls geven aan de biodiversiteit die lokaal, grenzend aan het beekdal, extra waardevol is. Bovendien is een houtwal zeer geschikt binnen het landschapstype zoals benoemd binnen het landschapskader Noord- en Midden Limburg.
In het vigerende bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’ is een juridische regel opgenomen, welke stelt dat de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak gerealiseerd dient te worden.
Om de nieuwe loods ook aan de voorzijde van het perceel goed in te passen, is het bouwvlak tot voor aan de wegzijde doorgetrokken.
Doordat de maximale referentiemaat van het bouwvlak van 1,5 ha wordt overschreden, dient er aanvullende kwaliteitsverbetering geleverd te worden. In het landschappelijke inpassingsplan wordt beschreven op welke manier de aanvullende kwaliteitsverbetering vorm heeft gekregen.
De onderstaande figuur bevat een uitsnede van de landschappelijke inpassing. Het gehele rapport van het landschappelijke inpassingsplan met uitgebreide beschrijving en toelichting is bijgevoegd als bijlage 1. Hierin wordt tevens de sortimentslijst en het beheer en onderhoud van de beplanting beschreven.
Figuur 11 Uitsnede landschappelijke inpassing Hostertstraat 5
5 Onderzoeksaspecten
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de onderzoekaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
5.1 Archeologie en cultuurhistorie
5.1.1 Archeologie
Op basis van het verdrag van Malta (Valetta, 1992) is sinds september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht. De gemeente heeft de wettelijke taak gekregen om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht).
De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:
- de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.
- er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect
- archeologie.
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeente Leudal beschikt over eigen archeologiebeleid: Een archeologische beleidskaart voor de gemeente Leudal. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen binnen een hoge archeologische verwachtingswaarde (‘Waarde – Archeologie 5’). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Toets
Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwe loods worden overschreden, is ter plaatse archeologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: ‘op grond van de aangetroffen bodemverstoringen en het ontbreken van archeologische indicatoren in het onderzochte gedeelte van het plangebied, en daarmee lage archeologische verwachting, is er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk.’ Het gehele bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase (booronderzoek) is bijgevoegd als bijlage 3. Derhalve is ter plaatse van het onderzoeksgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ komen te vervallen. Het overige gedeelte van het plangebied is niet onderzocht. Derhalve is daar de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ van toepassing gebleven.
5.1.2 Cultuurhistorie
Artikel 3.1.6, lid 4, van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft voor dat de overheid bij het nemen van een planologisch besluit verplicht is om in de toelichting te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met cultuurhistorische waarden.
De navolgende figuur geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Leudal.
Toets cultuurhistorie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig. Zie ook het uitgevoerde bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase (booronderzoek) dat toegevoegd is als bijlage 3.
5.1.3 Conclusie archeologie en cultuurhistorie
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.2 Duurzaamheid
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden net het waterhuishoudingssysteem, omgevingsinvloeden landschapsstructuren en landschapselementen.
Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen.
Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing.
Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.
In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Verder is het bedrijf voor ruim 4 jaar zelfvoorzienend op het gebied van energie, door de reeds aanwezige zonnepanelen op de bestaande loodsen. Er komen géén zonnepanelen op de nieuwe loodsen.
Als onderdeel van het plan wordt in het kader van landschappelijke inpassing groen aangeplant op de locatie. Dit groen draagt bij aan een versterking van de groen- en landschapsstructuren in de omgeving.
5.3 Kabels en leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
Conclusie kabels en leidingen
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.1 Bodemkwaliteit
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. In het kader van de vergroting van het bouwvlak is een vooronderzoek NEN5725 uitgevoerd.
5.4.1.1 Onderzoek
Het vooronderzoek is op 6 oktober 2020 uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: ‘op de onderzochte locatie is geen sprake (geweest) van bodembedreigende activiteiten die de bodemkwaliteit mogelijk hebben beïnvloed.’
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging en derhalve geen belemmering vormt voor de beoogde uitbreiding van het bouwvlak. Verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Het vooronderzoek is bijgevoegd als bijlage 4.
5.4.1.2 Conclusie bodemkwaliteit
De milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor het beoogd gebruik. Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodemkwaliteit’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.2 Externe veiligheid
In onderhavig geval is geen sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve niet van toepassing. Desalniettemin is er een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.
5.4.2.1 Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden.
Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.
(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes), of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.
5.4.2.2 Verantwoording groepsrisico
Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de risicokaart geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen. Een uitsnede van de risicokaart is opgenomen in de onderstaande figuur.
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de planlocatie niet gelegen is binnen een externe veiligheidscontour.
5.4.2.3 Conclusie externe veiligheid
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.3 Geluid
Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai.
5.4.3.1 Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid Leudal
De gemeente Leudal beschikt over gemeentelijk geluidbeleid welke is vastgesteld op 9 oktober 2014. Volgens dit geluidbeleid dient in het landelijk gebied het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau getoetst te worden aan de volgende geluidsnormen:
- 45 dB(A) in de dagperiode;
- 40 dB(A) in de avondperiode;
- 35 dB(A) in de nachtperiode.
Op basis van het gemeentelijk geluidbeleid geldt tot 50 meter rond de inrichtingsgrens een zogenaamde overgangszone met 5 dB extra geluidsruimte boven de eis voor ‘landelijk gebied’. Hieraan kan echter niet getoetst worden omdat niet kan worden aangetoond dat de recreatie al het geluid van de agrarische activiteiten, 24 uur per dag, overstemd.
Toets –
Grens van de bestemming ‘Wonen’
In het bestemmingsplan is het bestemmingsvlak van de woning Isidoorstraat 1a meteen het bouwvlak. In een dergelijke situatie zou de huidige woning of andere bebouwing ten alle tijde gesloopt kunnen worden, en ergens anders op het terrein weer kunnen worden opgericht – binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan – welke dus alsnog dichter naar de nieuwe inrichting komen. Derhalve is in het akoestisch onderzoek getoetst op de grens van de bestemming ‘Wonen’.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet op de gevels van Venderstraat 2 en Isidoorstraat 1a (ook op de rand van de bestemming ‘Wonen’) aan de gestelde geluideisen van 45 dB(A) etmaalwaarde. Op 50 meter westelijk van de inrichtingsgrens wordt voldaan aan 50 dB(A) etmaalwaarde. De maatgevende bron is (stemgeluid vanuit) het zwembad. Daarmee voldoet de geluidbelasting aan het gemeentelijk beleid.
Het maximale geluidniveau voldoet op gevels van voornoemde adressen, op de rand van de bestemming ‘Wonen’ en op 50 meter van de inrichtingsgrens aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde.
Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de inrichting voldoet ter plaatse van de gevels van voornoemde woningen aan de voorkeursgrenswaarde, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde.
5.4.3.2 Weg- en railverkeerslawaai
Onderhavig planvoornemen leidt niet tot het realiseren van een geluidgevoelig object. Geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer- en railverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde.
5.4.3.3 Industrielawaai
Uit paragraaf 5.4.7 is gebleken dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ in relatie tot het naastgelegen perceel met de bestemming ‘Wonen’ aan Isidoorstraat 1a. Derhalve is een akoestisch onderzoek opgesteld welke is bijgevoegd als bijlage 5.
5.4.3.4 Conclusie geluid
Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat buitenplanse inpassing mogelijk is. De toekomstige situatie ten aanzien van de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden kan akoestisch inpasbaar en vergunbaar worden geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmeringen voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.4.1 Wet geurhinder en veehouderij
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de normen uit deze wet.
De Wgv geeft voor een geurgevoelig object de volgende definitie: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Toets
De gewenste uitbreiding van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van een loods voor de akkerbouwtak. De loods fungeert als stallingsruimte voor materieel en werktuigen maar ook voor (tijdelijke) geconditioneerde opslag van agrarische producten als aardappelen en uien. Hiermee wordt voor omliggende (agrarische) bedrijven geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd en worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
5.4.4.2 Conclusie geur veehouderijen
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur en veehouderijen’ geen belemmeringen voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.5.1 Algemeen
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 van de Wet milieubeheer is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Bij de start van nieuwe (bouw)projecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
5.4.5.2 Besluit NIBM
In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 lucht voor zowel PM10 als NO2.
5.4.5.3 Regeling NIBM
In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht.
Toets
Het aantal transportbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling is niet zodanig dat er sprake is van een toename van de concentratie schadelijke stoffen in de lucht. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden (zie handreiking ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) luchtkwaliteit). Infomil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 270 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 33,3% vrachtverkeer.
De navolgende figuur bevat een uitsnede van de berekening met de NIBM-tool.
5.4.5.4 Conclusie luchtkwaliteit
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen voor de vergroting van het bouwvlak.
5.4.5.4.1 Conclusie milieueffectenrapportage
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieueffecten vanwege het project kunnen worden uitgesloten. De wijze van bestemmen zorgt ervoor dat nadelige milieugevolgen worden voorkomen. Het opstellen van een plan-m.e.r. is dan ook niet noodzakelijk.
5.4.6 Milieueffectenrapportage (m.e.r.)
5.4.6.1 Wet milieubeheer
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voor bepaalde activiteiten met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een milieueffectrapportage opgesteld moet worden staan opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Overigens wordt in dit besluit onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’ (categorie C) of ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’ (categorie D), waarbij het bevoegd gezag moet afwegen of dat er sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu.
In het Besluit milieueffectrapportagezijn drempelwaarden opgenomen.
Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dit, dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen.
5.4.6.2 Toets m.e.r.-beoordelingsplicht
In de onderhavige situatie is het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” het kaderstellend plan. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de oprichting van een activiteit boven de drempelwaarde, zoals opgenomen in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het initiatief valt dus niet onder het Besluit m.e.r. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gedaan aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Hierna wordt kort op deze criteria ingegaan.
- De kenmerken van het project:
Het project betreft een uitbreiding van het bouwvlak met een oppervlakte van ca. 3.920 m2 op de agrarische bedrijfslocatie aan de Hostertstraat 5 te Haler. De gewenste uitbreiding van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van een loods voor de akkerbouwtak + het verbreden van de inrit. De loods fungeert als stallingsruimte voor materieel en werktuigen maar ook voor tijdelijke opslag van agrarische producten als aardappelen en uien.
Het plan heeft geen negatieve impact op het milieu en op het woon- en leefklimaat in de omgeving.
- De plaats van het project:
De locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken, waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten.
- De kenmerken van de potentiële effecten:
De milieuaspecten zijn getoetst in voorgaande paragrafen. Voor
alle milieuaspecten geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’.
5.4.7.1 Algemeen
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
- Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
- Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
5.4.7.2 Toets plangebied
De gewenste uitbreiding van het bouwvlak is bedoeld voor de bouw van een loods voor de akkerbouwtak. De loods fungeert als stallingsruimte voor materieel en werktuigen maar ook voor (tijdelijke) geconditioneerdeopslag van agrarische producten als aardappelen en uien.
Bedrijfsgebouwen ten behoeve van de akkerbouw (SBI-code 0111) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 2 bedrijf. De richtafstand van het milieuaspect ‘geluid’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot omgevingstype “rustige woonwijk” bedraagt 30 meter. De richtafstand tot omgevingstype “gemengd gebied” bedraagt 10 meter.
De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Leudal met een afwisseling van agrarische bedrijven en burgerwoningen. Hieruit kan geconcludeerd worden het plangebied is gelegen in gebiedstype “rustige woonwijk”.
In afwijking van bovenstaande moet in onderhavige situatie moet de afstand gemeten worden vanaf de buitenzijde van het bedrijfsgebouw naar het perceel van de buurman. De afstand van de grens van het nieuwe bouwvlak op de locatie Hostertstraat 5 tot aan de grens van de bestemming ‘Wonen’ op Isidoorstraat 1a bedraagt ca. 15,5 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’.
5.4.7.3 Conclusie milieuzonering
Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geluid’ in relatie tot het naastgelegen perceel met de bestemming ‘Wonen’ aan Isidoorstraat 1a. In paragraaf 5.4.3 is dit aspect reeds nader uitgewerkt.
5.5.1 Gebiedsbescherming
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998).
Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten.
Met AERIUS – Calculator is een stikstof depositieberekening uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met een worst-case benadering van 90 bewegingen zwaar verkeer, 168 bewegingen licht verkeer en 12 bewegingen middelzwaar verkeer (270 verkeersbewegingen) per etmaal. De verkeersbewegingen zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek, d.d. 17 april 2023.
Uit de berekeningen blijkt dat er geen significante stikstofdepositie aangetoond is op het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Sarsven en de Banen’. Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘gebiedsbescherming’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak. De AERIUS berekening is bijgevoegd als bijlage 6.
5.5.2 Soortenbescherming
De bescherming van dier- en plantensoorten is ook geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). De wet geldt voor iedereen die negatieve effecten veroorzaakt op exemplaren of leefgebied van beschermde planten en dieren. Voor alle planten en dieren geldt een algemene zorgplicht.
Activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zijn verboden. Wel zijn onder de nieuwe Wet Natuurbescherming enkele definities aangepast. Zo is opzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten te hebben uitgevoerd, blijft strafbaar. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd.
QuickScan Flora en Fauna
Om inzicht te krijgen over de aanwezige flora en fauna is er ter plaatse van het plangebied een QuickScan flora en fauna uitgevoerd.
De QuickScan is uitgevoerd op 25 augustus 2022. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: ‘het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed’. De volledige QuickScan is bijgevoegd als bijlage 7.
5.5.3 Conclusie Natuur
Op basis van bovenstaande informatie en de uitgevoerde AERIUS-berekening, blijkt dat er geen sprake is van een significante stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied. Uit de QuickScan kan geconcludeerd worden dat er geen beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Het aspect ‘Natuur’ vormt daarmee geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.6 Verkeer en parkeren
Met betrekking tot de onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
5.6.1 Verkeer
Het planvoornemen (bouw nieuwe loods) leidt mogelijk tot een beperkte toename van verkeer. De Isidoorstraat en Hostertstraat hebben reeds voldoende capaciteit om de verkeers- en vervoersbewegingen van en naar het bedrijf op te vangen. De bestaande ontsluitingswegen van de bedrijfslocatie hoeven derhalve niet gewijzigd te worden.
Inrit
De inrit aan de Hostertstraat wordt gebruikt ten behoeve van de camping. De inritten aan de Isidoorstraat worden gebruikt ten behoeve van de ontsluiting van de bedrijfswoningen, het pluimveeservicebedrijf en de akkerbouwtak. In verband met hygiëne bestaat de wens om de zuidwestelijk gelegen inrit te verbreden en te verharden. Het pluimveeservicebedrijf beschikt over een wasstraat voor voertuigen, welke door de NVWA erkend is. Een voorwaarde hiervoor is dat de vuile vervoersbewegingen van de vrachtwagens van het pluimveeservicebedrijf gescheiden worden van de schone vervoersbewegingen van de vrachtwagens van het pluimveeservicebedrijf. Dit wordt gerealiseerd door middel van het verbreden van de bestaande inrit aan de Isidoorstraat. Het aantal vervoersbewegingen t.b.v. het pluimveeservicebedrijf wijzigen niet. In het oogstseizoen komen er verkeersbewegingen voor het akkerbouwbedrijf voor het binnen halen van de agrarische producten.
De vuile vervoersbewegingen van de vrachtwagens van het pluimveeservicebedrijf komen via de noordoostelijk gelegen inrit binnen, en verlaten de inrichting schoon via de zuidwestelijke inrit. Hierdoor wordt een verdere scheiding van het pluimveeservicebedrijf en de akkerbouwtak gecreëerd. Hiernavolgend is een schematische weergave van de verkeersroutes weergegeven.
Figuur 16 Schematische weergave verkeersroutes
*pvsb = pluimveeservicebedrijf
Beoogde verkeersbewegingen
Omdat in het akoestisch onderzoek gerekend is met een maximale representatieve bedrijfssituatie zijn hieruit de onderstaande verkeersbewegingen te onderscheiden. Deze bewegingen zijn ook aangehouden voor de AERIUS – berekeningen en de berekening met de NIBM-tool. Dit zijn de volgende verkeersbewegingen:
- Maximaal 84 personenauto’s per dag: 168 verkeersbewegingen licht verkeer;
- Maximaal 6 busjes per dag: 12 verkeersbewegingen middelzwaar verkeer;
- Maximaal 11 vrachtwagens per dag: 22 verkeersbewegingen zwaar verkeer;
- Maximaal 34 tractoren per dag: 68 verkeersbewegingen zwaar verkeer.
Bij licht verkeer is rekening gehouden met het personeel t.b.v. het pluimveeservicebedrijf, alsook bezoekers van en voor de boerderijcamping. Onder middelzwaar verkeer vallen de busjes t.b.v. het pluimveeservicebedrijf en onder zwaar verkeer is rekening gehouden met de vrachtwagens t.b.v. het pluimveeservicebedrijf alsook de tractoren t.b.v. het akkerbouwbedrijf.
In het oogstseizoen kan het voor komen dat er in een etmaal tussen 06:00 en 23:00 34 trekkers met geoogst product van en naar de inrichting aan de Hostertstraat rijden. De rest van het jaar ligt het aantal bewegingen met tractoren en getrokken materiaal aanzienlijk lager. In de bestaande situatie zijn deze bewegingen t.b.v. de productopslag er niet, daardoor zijn 68 tractorbewegingen representatief. Feitelijk zijn voor de stallingsruimte van de loods dagelijks slechts enkele tractorbewegingen representatief. De overige vervoersbewegingen blijven ongewijzigd t.o.v. de bestaande situatie.
5.6.2.1 Nota parkeernormen Leudal 2016
De gemeente Leudal beschikt over een eigen Nota parkeernormen Leudal 2016, vastgesteld op 29 juli 2016.
De parkeernormen zijn niet bedoeld voor reeds bestaande bouwwerken en functies. Indien bestaande situaties worden gewijzigd of uitgebreid, dan kunnen deze parkeernormen wel worden toegepast. De parkeernorm geldt dan alleen voor het te wijzigen of uit te breiden deel. Een opslagloods in het buitengebied heeft een max. parkeerbehoefte van 1,3 parkeerplaatsen/ 100 m2. Hiernavolgend wordt het plan getoetst.
5.6.2.2 Toetsing
Akkerbouwbedrijf
Een gedeelte van de nieuw te bouwen loods voor het akkerbouwbedrijf zorgt voor extra opslagruimte. Het andere gedeelte dient als stallingsruimte voor landbouwmachines. Hierdoor verandert de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie. Onderhavig planvoornemen is echter getoetst aan de ‘Nota Parkeernormen’ van de gemeente Leudal. Het totale bruto vloeroppervlakte van de akkerbouwloods bedraagt 1.250 m2. Dit betekent dat er minimaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd zouden moeten worden.
Doordat de loods dient voor stalling en opslag, leidt dit niet tot evenredigheid van een toename van personeel waarbij in de Nota Parkeernormen wordt uit gegaan. Gezien het aantal vrije parkeerplaatsen dat aanwezig is op het bedrijfsterrein en omdat de parkeerruimte is de bestaande situatie klopt, worden 4 extra parkeerplaatsen t.b.v. de loods noodzakelijk geacht.
Pluimveeservicebedrijf
Met onderhavig plan treden er geen wijzigingen op in de parkeerbehoefte van het pluimveeservicebedrijf. Er komen namelijk niet meer vrachtwagens bij. Echter is op 29 oktober 2020 een vergunning verleend voor de bouw van loods 3, waardoor de vrachtwagens op een andere plek geparkeerd dienen te worden. Door onderhavig initiatief kunnen uiteindelijk 6 vrachtwagens binnen gestald worden (in loods 2 en 3). 4 vrachtwagens worden gestald op de uitbreidingslocatie, waardoor onderhavig plan dus ook voorziet 4 parkeerplaatsen voor vrachtwagens van het pluimveeservicebedrijf.
Hiernavolgend is een figuur opgenomen waarin schematisch de nieuwe parkeerplaatsen zijn weergeven.
Figuur 17 Schematische weergave parkeerplaatsen
*pvsb = pluimveeservicebedrijf
5.6.3 Conclusie verkeer en parkeren
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
5.7.1 Beleidskader
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater).
5.7.1.1 Watertoets Waterschap Limburg
Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. In deze hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap.
Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de ‘digitale watertoets’ ontwikkeld. Door middel van het intekenen van het projectgebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is.
Resultaat vergunning checker
De antwoorden levert bij Waterschap Limburg en andere overheden geen juridische verplichtingen op.
5.7.2 Kenmerken van het watersysteem
5.7.2.1 Afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard is op dit moment al aangesloten op het aanwezige gemeentelijk riool en zal in de toekomst ook aangesloten blijven op het riool.
5.7.2.2 Hemelwater
Op basis van de uitgangspunten van ‘Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en het Waterketenplan voor de jaren 2022-2026’, dient bij nieuwbouw plannen hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd. Bestaande bebouwing en verharding hoeft niet te worden meegenomen. De vereiste infiltratie-/ bergingscapaciteit wordt gerealiseerd door een infiltratieweide/ sloot ten zuiden van de nieuwe loods te realiseren.
Totaal wordt binnen de plangrenzen ca. 4.450 m2 aan nieuw verhard oppervlak gerealiseerd. Vanwege de zandgronden met een relatief hoge infiltratiecapaciteit, het natuurlijk hoogteverschil binnen het plangebied en de onverharde gronden ten zuiden van de nieuwe verharding is het mogelijk om een deel van het hemelwater af te laten lopen naar de onverharde gronden en hier direct te laten infiltreren. Op de visuele weergave van de toekomstige hydrologische situatie is het verhard oppervlak dat niet door straatkolken wordt opgevangen, weergegeven. Het hemelwater dat neerslaat op de verharding ten zuiden van de laatste straatkolk zal dan ook direct infiltreren binnen de aangrenzende onverharde gronden. Ten zuiden van de toekomstige loods, parallel aan de Isidoorstraat is binnen de huidige inrichting al een infiltratiesloot/wadi gerealiseerd, die het hemelwater van de bestaande bebouwing en verharding verwerkt. Om uit te sluiten dat alle bestaande bebouwing en verharding meegenomen dient te worden bij de huidige berekening van de vereiste infiltratiecapaciteit, is gekozen om een aparte infiltratievoorziening te realiseren die enkel het hemelwater van de nieuwe bebouwing en verharding verwerkt.
Het oppervlakte bebouwing en verharding (waarvan een deel bestaande verharding is) dat aangesloten wordt op de nieuwe infiltratievoorziening komt neer op [2050+1250] 3.300m². Op basis van de dimensioneringseis van Waterschap Limburg, van 100mm/m² verhard oppervlak, kan de vereiste infiltratie-/bergingscapaciteit van de infiltratievoorziening worden vastgesteld op [3300*0.1] ±330m³.
Figuur 18 Uitsnede waterhuishouding (bron: Landschappelijk inpassingsplan Hostertstraat 5, Bergs Advies, d.d. 26 juni 2023)
5.7.3 Conclusie waterhuishouding
Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘waterhuishouding’ geen belemmering voor de vergroting van het bouwvlak.
6.1 Planstukken
Een wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:2000. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten van SVBP2012 gehanteerd.
6.2.1 Toelichting op de verbeelding
Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond op schaal 1:2000. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend wijzigingsplan en een IMRO-code. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
6.2.2 Toelichting op de regels
6.2.2.1 Algemeen
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
- Inleidende regels;
- Bestemmingsregels;
- Algemene regels;
- Overgangs- en slotregels.
Voor het vormgeven van de regels van onderhavig wijzigingsplan is aansluiting gezocht bij de regels van het vigerend bestemmingsplan ‘Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016’.
6.2.2.2 Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. Artikel 1 bevat de definities van begrippen die van belang zijn voor toepassing van het plan. Artikel 2 betreft de wijze van meten waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de regels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaardbegrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3). De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden.
De bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven dat onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, afwijken van de bouwregels en specifieke gebruiksregels. Ook zijn er afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik opgenomen.
Op of in de als ‘Waarde – Archeologie 5’ aangewezen gronden mag op basis van de onderliggende bestemming(en) worden gebouwd. Wanneer bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld plaatsvinden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels voor het gehele plangebied.
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
Deze regel zorgt ervoor dat gronden niet dubbel worden meegerekend bij het toestaan van bouwplannen.
Artikel 6 Algemene bouwregels
In deze regels staan algemene bepalingen voor het bouwen van bouwwerken (o.a. ondergrondse bouwwerken).
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
In deze regels staan algemene bepalingen van het gebruik van de gronden van het plangebied.
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels
Hierin staan de regels ten aanzien van de volgende gebiedsaanduidingen:
- Milieuzone – Boringsvrije zone;
- Overige zone – Beekdal;
- Overige zone – Landschappelijke elementen;
- Overige zone – Oud bouwland.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
Hierin wordt bepaald waarvoor burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels
Hierin wordt bepaald waarvoor burgemeester en wethouders het bestemmingsplan kunnen wijzigingen.
Artikel 11 Algemene procedureregels
Hierin worden de procedure regels benoemd die bij het stellen van nadere eisen als bedoeld in deze regels toegepast dienen te worden.
Artikel 12 Overige regels
In dit artikel zijn een aantal bepalingen opgenomen omtrent de verhoudingen tussen bestemmingen, alsook over het verbeteren van de omgevingskwaliteit.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In de overgangsregels (artikel 13) is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling (artikel 14) opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.
Bijlagen
Bij de planregels zijn bijlagen bijgevoegd. Het betreft de volgende bijlagen:
Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan, opgesteld door Bergs Advies B.V., 10 november 2023
Bijlage 2: Nota Kwaliteit
Bijlage 3: Lijst van Bedrijfsactiviteiten
Bijlage 4: Staat van Bedrijfsactiviteiten – nevenfuncties en opvolgfuncties
Bijlage 5: Parkeerkencijfers
Bijlage 6: Kaarten met landschappelijke elementen
Bijlage 7: Kaart met Natura2000-gebieden
Bijlage 8: Overzicht met passende beoordeling Nbw 1998
7.1 Economische uitvoerbaarheid
De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief.
De initiatiefnemer, die eigenaar is van de betreffende gronden fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid.
Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin het planschadeverhaal is geregeld maar ook andere kosten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Leudal komt, maar voor rekening van de initiatiefnemer.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Zienswijzen
Het ontwerp van voorliggend wijzigingsplan heeft vanaf donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn is er één zienswijze ingekomen, van de provincie Limburg. Deze zienswijze luidt als volgt:
- ‘Het plan heeft betrekking op het vergroten van het bouwvlak voor een agrarisch bedrijf. Van dit agrarisch bedrijf maakt ook een boerderijcamping deel uit. De gronden waarop de boerderijcamping is gevestigd maken geen deel uit van dit plan. Kijkend naar de regels van dit plan constateren wij dat het hierdoor niet meer duidelijk is hoeveel kampeerplaatsen op de boerderijcamping worden toegestaan.’
Hierop zijn de volgende wijzigingen aangebracht in het vast te stellen wijzigingsplan:
- De verbeelding is gewijzigd door het gehele kampeerterrein op te nemen binnen het plangebied zodat er één regelset is voor het gehele terrein.
Het wijzigingsplan ‘Hostertstraat 5, Haler’ is op 26 maart 2024 gewijzigd vastgesteld.
7.2.2 Omgevingsdialoog
Voorafgaand aan de formele procedure van het wijzigingsplan heeft initiatiefnemer een zorgvuldige dialoog gevoerd met de omgeving. Alle direct omwonenden zijn hierbij betrokken. Er zijn hieruit geen bezwaren naar voren gekomen ten aanzien van het initiatief. Een verslag van de dialoog is overlegd aan de gemeente. In verband met de privacywet wordt het verslag geanonimiseerd opgenomen in het wijzigingsplan als bijlage 8.
8.1 Overleg artikel 3.1.1 Bro
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Het ontwerpplan is in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ter advisering aangeboden aan de betrokken instanties. Naar aanleiding van het vooroverleg zijn wel/geen reacties ingekomen.
8.2 Procedure ontwerpplan en vastgesteld plan
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. Op grond van het bepaalde in artikel 3.9a Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De wettelijke (formele) wijzigingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:
- Openbare kennisgeving van het ontwerp wijzigingsplan.
- Ter inzage legging van het ontwerp wijzigingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, en betrokken Rijksdiensten.
- Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren brengen.
- Vaststelling van het wijzigingsplan door het college van B&W binnen 8 weken.
- Algemene bekendmaking van het wijzigingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het wijzigingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling.
- Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden.
- Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.