Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST

Motivering

1 Inleiding
1.1 Inleiding en aanleiding
Op de locatie Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs is in de huidige situatie een woning gevestigd. Het planvoornemen is om de bestaande woning op perceel 4052 te slopen om vervolgens een nieuwe woning op perceel 5632, iets ten noorden van de bestaande woning, te kunnen realiseren. Beide percelen beschikking over de bestemming ‘Wonen’ in het bestemmingsplan ‘Molenweg e.o.’ dat onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. Perceel 5632 beschikt echter niet over een bouwvlak, waardoor de beoogde ontwikkeling niet past binnen de regels van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Voorliggend stuk voorziet in de benodigde motivering.
1.2 Ligging en begrenzing
Het plangebied ligt aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs, aan de westzijde van het dorp. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente Lansingerland, sectie B, perceelnummers 5632 en 4052. De planlocatie heeft een oppervlakte van 725 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en de globale begrenzing van de planlocatie.
     
Globale ligging plangebied, rode druppel (bron: Google Earth) 
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: perceelloep.nl)
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de beoogde situatie in het projectgebied uiteengezet. Hoofdstuk 3 gaat in op de toetsing van het omgevingsplan en de strijdigheden die er bestaan. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de te volgen procedure. De beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente worden vervolgens in hoofdstuk 4 uitgewerkt. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt op welke manier de BOPA aansluit bij de geformuleerde beleidsdoelstellingen en ambities. De juridische kaders vanuit het Rijk, de provincie en de gemeente worden in hoofdstuk 5 verder beschreven en beantwoord. Voor de specifieke omgevingsaspecten wordt dit gedaan in hoofdstuk 6. In dit hoofdstuk worden voor de verschillende omgevingsaspecten de beleidskaders en juridische kaders samengevat, wordt hieraan getoetst en wordt beschreven of, en onder welke eventuele voorwaarden, sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
 
In hoofdstuk 7 worden de juridische aspecten van het voorliggende TAM-omgevingsplan beschouwd. De economische haalbaarheid wordt besproken in hoofdstuk 8, evenals op welke wijze de door de gemeente te maken kosten worden verhaald. In hoofdstuk 9 wordt vervolgens ingegaan op de maatschappelijke belangenafweging waarbij ingegaan wordt op de uitgevoerde participatie en de belangen van de overige bestuurslagen en ketenpartners. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk nog ingegaan op de procedure en de bijbehorende eventuele zienswijzen. Tot slot wordt in hoofdstuk 10 samengevat waarom er bij dit omgevingsplan sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
 
2 Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie
De woning aan de Molenweg 59 bevindt zich in het zuidwesten van de kern van Berkel en Rodenrijs, aan de rand van het stedelijk gebied. De Molenweg e.o. wordt gekenmerkt door het gemengde karakter dat bestaat uit wonen, (agrarische) bedrijfsactiviteiten, water en recreatie. Het vormt tevens het overgangsgebied tussen het stedelijk gebied en natuur- en recreatiegebied Schieveen.
 
Onderhavige woning ligt aan een aftakking van het lint Molenweg. Na zuidwaartse voortzetting komt de Molenweg uit op het lint de Zuidersingel. Deze verbindt het plangebied met de kern van Berkel en Rodenrijs.
 
Aan de zuidkant van het perceel ligt een watergang die het plangebied afscheidt van een groot kassencomplex (Molenweg 33). Ten westen van het plangebied bevindt zich de woning Molenweg 61 met het bijbehorende kassencomplex. De huidige woning ligt vrij geïsoleerd aan de zuidkant van het perceel en ligt verstopt vanaf de openbare weg achter meerdere bosschages. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie.
 
Zicht vanaf toerit, woning rood omcirkeld (bron: Google Streetview)
 
De woning is opgedeeld in meerdere volumes. Het hoofdvolume bestaat uit één bouwlaag met kap. Aan de achterzijde staan twee bouwlagen in verbinding met het hoofdvolume. Aan de rechterzijde van de hoofdentree staat een aanbouw van één laag, die de hoek om loopt. De woning is oorspronkelijk gebouwd in 1910 en heeft een bruto vloeroppervlak van 112 m². De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de woning.
 
Impressie huidige woning (bron: Houweling Architecten)
 
De huidige woning voldoet niet meer aan de moderne woonwensen en -eisen, zowel qua ruimte als energieverbruik. Daarnaast heeft het, door de diverse uitbouwen, een rommelige uitstraling.
2.2 Toekomstige situatie
De initiatiefnemer beoogt de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te realiseren. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 voldoet de woning niet meer aan de moderne woonwensen en -eisen, zowel qua ruimte als energieverbruik. Door de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te realiseren ontstaat de mogelijkheid de woning zowel in ruimte als energieverbruik efficienter vorm te geven. Bovendien kan de woning beter op het perceel gepositioneerd worden, zoals te zien is op de navolgende situatietekening.
 
Situatietekening beoogde situatie (bron: Houweling Architecten)
 
Zoals te zien is op de situatietekening komt de woning dichter bij de toegangsweg te staan. De noordgevel staat ongeveer 16 m dichter bij de toerit dan in de huidige situatie. Er ontstaat meer samenhang met de omliggende bebouwing. Tevens wordt de zichtbaarheid van de woning vergroot door de verplaatsing en het verwijderen van groen langs de ten oosten gelegen watergang. Verder zal de woning bestaan uit één bouwlaag met een kap. Daarmee komen de goot- en bouwhoogte uit op maximaal 4 en 8 m. Op de navolgende afbeeldingen is een impressie van de woning weergegeven.
 
Impressie noordzijde woning (bron: Houweling Architecten)
Impressie zuidzijde woning (bron: Houweling Architecten)
 
3 Toetsing aan omgevingsplan
3.1 Huidige regeling omgevingsplan
Voor de gemeente Lansingerland geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan, waarvan het bestemmingsplan ‘Molenweg e.o.’, dat ter plaatse van het plangebied van toepassing is, onderdeel uitmaakt. Het bestemmingsplan Molenweg e.o. is op 29 maart 2012 vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan.
 
Uitsnede bestemmingsplan 'Molenweg e.o.', plangebied rood omkaderd (bron: Regels op de kaart)
 
In het bestemmingsplan Molenweg e.o. zijn de gronden in het plangebied bestemd met de bestemmingen ‘Wonen’ en 'Tuin'. Deze gronden zijn bestemd voor woningen, aanbouwen, tuinen, parkeervoorzieningen en water met de daarbij behorende bouwwerken.
3.2 Strijdigheid activiteit(en) en voorgenomen wijziging in relatie tot omgevingsplan
Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan:
 
Bestemming ‘Wonen’:
  • Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
3.3 Te volgen procedure
Om het huidige bouwvlak weg te kunnen nemen en een nieuw bouwvlak toe te kennen is een herziening van het omgevingsplan benodigd. Dit wordt bewerkstelligd middels voorliggend TAM-omgevingsplan.
 
4 Beleidskaders
4.1 Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
De NOVI bevat de hoofdzaken van het rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Als integraal strategisch beleidsdocument bepaalt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk op de fysieke leefomgeving van Nederland.
 
Uit de Ow volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI is in de plaats gekomen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; behalve paragraaf 4.9). Ook zijn de relevante strategische delen van het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 opgenomen (samen met het Nationaal Milieubeleidskader), en geldt de NOVI als wijziging van onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP).
 
In aanloop naar de inwerkingtreding van de Ow heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 11 september 2020 de eerste Nationale Omgevingsvisie - NOVI - vastgesteld, als één rijksvisie op de fysieke leefomgeving van Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Dit toekomstperspectief voor Nederland bestaat uit:
  • Een klimaatbestendige delta;
  • Duurzaam, concurrerend en circulair;
  • Kwaliteit van leven in stad en dorp;
  • Nabijheid en betrouwbare verbindingen;
  • Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk. 
Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:
  1. Naar een duurzame en concurrerende economie;
  2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  4. Naar een waardevolle leefomgeving. 
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn:
  1. Combineren boven enkelvoudig;
  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  3. Afwentelen voorkomen. 
De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat.
 
Relatie tot de ontwikkeling
Onderhavig initiatief past binnen de derde prioriteit (Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving), waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid. Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
4.2 Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 17 februari 2025. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon.
  1. Samen werken aan Zuid-Holland
  2. Bereikbaar Zuid‐Holland
  3. Schone energie voor iedereen
  4. Een concurrerend Zuid‐Holland.
  5. Versterken natuur in Zuid‐Holland
  6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland
  7. Gezond en veilig Zuid‐Holland 
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’).
 
Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit
Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vindt.
De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.
 
De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond, gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving.
 
Passende ruimtelijke ontwikkeling
Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is
De provincie maakt onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening.
 
Relatie tot de ontwikkeling
Kwaliteitskaart
Voor onderhavig planvoornemen zijn de kaartlagen van de kwaliteitskaart en het gebiedsprofiel Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas bestudeerd. Deze kaarten zijn van belang, omdat de nieuwe ontwikkeling van invloed is op de plaatselijke ruimtelijke kwaliteit. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende kaartlagen met bijhorende ambitie(s) relevant;
  • Droogmakerij als herkenbare eenheid: het behouden van het nog resterende weidelandschap met herkenbare langgerekte verkaveling. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen concentreren aan de linten (Bredeweg en Hoofdweg) en landschappelijk inpassen als nieuw, groen woon/werklandschap. De beoogde woning wordt ingepast op een bestaand woonperceel, waardoor geen afbreuk gedaan wordt aan het weidelandschap.
  • Water als structuurdrager: het gebied wordt gekenmerkt door twee ruimtelijk verschillende slotenpatronen. Het veenweidelandschap heeft een langgerekt slotenpatroon met smalle kavels en een hoog waterpeil. Ambities liggen in het behouden van het langgerekte verkavelingspatroon in het veenweidegebied. Met onderhavig plan wordt het slotenpatroon niet aangepast. 
Beleidskeuzes
De beleidskeuzes uit de omgevingsvisie die relevant zijn voor voorliggend plan komen navolgend aan bod.
 
- Ruimtelijke kwaliteit
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart.
 
- Wonen
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze ‘Wonen’. De provincie heeft als doel te voorzien in voldoende passende en betaalbare woningen op de juiste plekken. Met de beoogde ontwikkeling wordt bijgedragen aan het toekomstbestendiger maken van de woningvoorraad.
 
Conclusie
Voor de beoogde ontwikkeling komen geen belemmeringen voort uit de Omgevingsvisie. Zoals hierboven inzichtelijk is gemaakt is onderhavig plan in lijn met de lagen van de kwaliteitskaart. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de omgevingsvisie en de provinciale ambities.
4.3 Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Lansingerland
Vooruitlopend op de Ow heeft de gemeente Lansingerland al gewerkt aan een omgevingsvisie. De 'Omgevingsvisie Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond' is op 24 februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld.
 
De omgevingsvisie beschrijft wat voor gemeente Lansingerland in de toekomst wil zijn. De omgevingsvisie schets de gewenste ontwikkelingen voor thema's als wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. In 2040 is Lansingerland, nog meer dan nu, verbonden, vindingrijk en gezond. Om dat voor elkaar te krijgen moeten strategische keuzes gemaakt worden en het beleid voor de fysieke leefomgeving worden bepaald. Dit is, samen met de opbrengst uit een uitvoerig participatietraject waarin inwoners, ondernemers en partners hebben meegedacht, vertaald in een 'omgevingsvisie 1.0'. De 'omgevingsvisie 1.0' wordt momenteel geactualiseerd en aangescherpt in een '2.0'-versie.
 
In de omgevingsvisie van Lansingerland staan de volgende ambities centraal: 
  1. Verbonden in de metropool:
    1. Goed bereikbaar en moderne mobiliteitsvormen: inzetten op moderne, duurzame en schone vervoersmogelijkheden.
    2. Toekomstbestendige omgeving: komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht.
    3. Sterke ruimtelijke structuren en ruime groengebieden: beschermen van groengebieden, water en historische en landschappelijke structuren.
  2. Vindingrijk en ondernemend:
    1. Home of Horti Science: mogelijk maken van kennisontwikkeling/innovatie en plek voor nieuwe mogelijkheden in de glastuinbouwsector.
    2. Slimme verduurzaming: aanjagen van de energietransitie en circulaire economie via elektriciteitsopwekking, duurzame warmte en nieuwe materiaalstromen.
    3. Lokaal en regionaal werken en ondernemen: bevorderen van een goed vestigings- en ondernemersklimaat, werkgelegenheid en een gezonde middenstand.
  3. Gezond samen leven:
    1. Sterke samenleving met oog voor mensen: realiseren van een gelukkige en samenleving waar iedereen mee doet.
    2. Ontwikkelen met karakter: ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften.
    3. Gezonde levensstijl in een passende omgeving: stimuleren van sociale en maatschappelijke veiligheid, positieve gezondheid en het beperken van gezondheidsrisico's.
Relatie tot de ontwikkeling
In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente per deelgebied wat de ambities zijn. Het plangebied bevindt zich in het deelgebied ‘Glastuinbouw’. Glastuinbouwbedrijven uit Lansingerland vervullen een grote rol in de veredeling van en wereldhandel in groenten, fruit, bloemen en planten. De glastuinbouwgebieden zijn de plekken in de gemeente waar de gemeente milieubelastende activiteiten probeert te centreren. Dit mag echter niet ten kosten gaan van de gezonde leefomgeving in Lansingerland. Waar mogelijk vermindert de gemeente lichtemissie vanuit de glastuinbouw.
 
Het gebied Molenweg is specifiek aangewezen als gebied voor 'transformatie naar bedrijventerrein'. Molenweg is een klein kassengebied in het meest zuidoostelijke puntje van de gemeente, grenzend aan bedrijvenpark Oudeland. De gemeente verkent de mogelijkheden van transformatie naar Horti Science gerelateerde bedrijvigheid. Bedrijfs- en plattelandswoningen die elders uitgeplaatst dienen te worden, kunnen ook hier naar toe worden verplaatst.
 
Onderhavig plan heeft betrekking op een bestaand woonperceel. De beoogde sloop/nieuwbouw en beperkte verplaatsing doet geen afbreuk aan de ambities voor het glastuinbouwgebied en de Molenweg. Daarnaast sluit het aan op de gemeentelijke ambities voor een gezonde en gelukkige samenleving: door het perceel her in te richten en een kwalitatief hoogwaardige woning te kunnen realiseren wordt bijgedragen aan de gezondheid van de bewoners. Bovendien wordt een slecht geïsoleerde, met gas verwarmde woning, vervangen door een woning die voldoet aan de BENG-eisen. Dit draagt bij aan de energietransitie.
 
Het plan is in lijn met de ambities uit de omgevingsvisie.
4.4 Conclusie
Uit het beleid komen geen belemmeringen voor het initiatief voort. Daarnaast past het goed binnen de ambitie om in voldoende woningen te voorzien.
 
5 Juridische kaders
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische kaders die een rol spelen bij een TAM-omgevingsplan. Op grond van de Ow (artikel 1.2), heeft een omgevingsplan betrekking op: 
  • de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: bouwwerken, infrastructuur, water en watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel en werelderfgoed);
  • activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt en het nalaten van activiteiten; als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze worden of kunnen worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving). 
Het omgevingsplan heeft hiermee een brede reikwijdte, maar deze reikwijdte is dus beperkt tot de fysieke leefomgeving (en activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving). De bestuurlijke afwegingsruimte die de gemeente heeft wordt daarnaast beperkt door kaders die door andere bestuursorganen zijn gegeven.
5.1 Juridische kaders Rijk
5.1.1 Omgevingswet
De Omgevingswet is de grondslag voor het aanvragen van een BOPA. De wet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Ow werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur:
  • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
  • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • Omgevingsbesluit. 
De Ow bepaalt (artikel 2.28 e.v.) dat het Rijk instructieregels stelt over de beoordeling van bepaalde onderwerpen bij het opstellen van een omgevingsplan. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Bkl. Deze instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 8 staan nog aanvullende instructies voor omgevingsvergunningen. Hoe de beoordeling in zijn werk gaat wordt in het vervolg van deze paragraaf beschreven. Naast de instructieregels gelden op rijksniveau ook algemene regels voor de fysieke leefomgeving, die worden hierna ook kort besproken.
 
In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor onderhavig plan en welke daarvan betrokken moeten worden bij voorliggend omgevingsplan.
 
5.1.2 Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, die gelden voor burgers, bedrijven en overheden. Deze regels gelden naast het omgevingsplan en moeten altijd in acht worden genomen op het moment dat bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving worden uitgevoerd. Bij een aanvraag voor een BOPA dient hier dan ook rekening mee gehouden te worden.
 
De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AmvB's en wetten (o.a. het voormalige Activiteitenbesluit). Het Rijk stelt deze regels vanwege de aan haar toebedeelde taken (bijvoorbeeld met betrekking tot watersystemen en bepaalde infrastructuur), met het oog op een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau (bijvoorbeeld bij bepaalde milieubelastende activiteiten), of in verband met internationaalrechtelijke verplichtingen (bijvoorbeeld bij werelderfgoed en Natura-2000 activiteiten).
 
Het Bal bevat regels waaraan (met name de zwaardere milieubelastende) activiteiten moeten voldoen, en bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).
 
5.1.3 Besluit bouwwerken leefomgeving
De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende regels, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, en regels over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen.
 
Met de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor bouwen in een 'technisch' en 'ruimtelijk' deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken.
 
De technische bouwactiviteit
Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl, denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl.
 
De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk
Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl (zoals de van rechtswege vergunningvrije bouwwerken), maar staan ook in de Bruidsschat. In de Bruidsschat staan regels die door het Rijk zijn gedecentraliseerd richting gemeenten. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt en onder welke voorwaarden. Dit dient dan ook betrokken te worden bij de aanvraag voor een BOPA.
 
Vergunningvrij bouwen
Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen.
 
5.1.4 Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Het Bkl bevat onder andere instructieregels voor omgevingsplannen. Deze instructieregels zijn opdrachten aan de gemeente over hoe zij bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan moet regelen. Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn in hoofdstuk 5 van het Bkl opgenomen. Daarbij is bepaald (artikel 8.0b) dat deze instructieregels ook van toepassing zijn op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan: 
  • 'Betrekken bij': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming.
  • 'Rekening houden met': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel. Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd.
  • 'In acht nemen': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen. 
De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen. In het algemeen stelt het Bkl instructieregels over de volgende aspecten:
 
 
Relatie tot de ontwikkeling
Navolgend staan de relevante instructieregels uit het Bkl weergegeven met een verwijzing naar de paragraaf waarin dit aan bod komt: 
  • Waterkwaliteit en waterveiligheid (paragraaf 6.22)
  • Luchtkwaliteit (paragraaf 6.14)
  • Geluid door activiteiten (paragraaf 6.6)
  • Geluid door wegen (paragraaf 6.7)
  • Trillingen (paragraaf 6.21)
  • Bodemkwaliteit (paragraaf 6.2)
  • Geur (paragraaf 6.8)
  • Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 6.12)
  • Cultureel erfgoed (paragraaf 6.3)
5.1.5 Omgevingsbesluit
In het Omgevingsbesluit (Ob) zijn procedurele bepalingen opgenomen ten aanzien van de besluitvorming rondom omgevingsvergunningen, bevoegdheden, adviseurs, etc. Omdat deze regels geen gevolgen hebben voor de inhoud van een TAM-omgevingsplan, wordt daarop in deze toelichting niet nader ingegaan.
5.2 Juridische kaders provincie
5.2.1 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
Op 11 juli 2024 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: 
  1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 
Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van inpassen. Er worden geen wijzigingen op structuurniveau gedaan. De ontwikkeling past bij de bestaande gebiedsidentiteit van de Molenweg. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en beleidskeuzes zijn reeds onder ‘Omgevingsvisie Zuid-Holland’ toegelicht. Hieruit blijkt dat het plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 7.45 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. In paragraaf 6.12 wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit wordt duidelijk dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening.
 
Risico's van klimaatverandering
In artikel 7.41b van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: 
  1. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  2. overstroming
  3. hitte
  4. droogte 
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
 
- Wateroverlast
Uit de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor overvloedige neerslag. Het plangebied is in de huidige situatie deels verhard, in de beoogde situatie verwachten wij dat de verharding iets toeneemt. De verwachte toename van verharding als gevolg van klimaatverandering kan bijdragen aan een verhoogd risico op wateroverlast. Verdere maatregelen, zoals compensatie voor verharding, worden in paragraaf 6.22 nader toegelicht.
 
- Overstroming
De kans op overstroming in het plangebied is volgens de klimaateffectatlas klein (1/300 tot 1/3.000 per jaar) .
 
- Hitte
Volgens de klimaateffectatlas is de temperatuur in het plangebied in de huidige situatie vergelijkbaar met de rest van de Molenweg. Het gebied wordt niet negatief beïnvloed door het stedelijk hitte eiland effect. In de nieuwe situatie wordt beperkt verharding toegevoegd, en zal de temperatuur naar verwachting niet toenemen door fysieke ingrepen.
 
- Droogte
Op basis van de klimaateffectatlas kan gesteld worden dat er in het plangebied geen sprake is van problemen ten aanzien van droogte. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden niet nodig geacht.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
5.3 Juridische kaders gemeente
Er zijn geen specifieke gemeentelijke verordening van toepassing voor dit initiatief.
5.4 Conclusie
Er komen uit de juridische kaders geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan voort.
 
6 Omgevingsaspecten
6.1 M.e.r.-beoordeling
 
6.1.1 Kaders
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
 
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.  
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. de kenmerken van het project
  2. de plaats van het project
  3. de kenmerken van de potentiële effecten  
6.1.2 Toetsing
Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 
  • de kleine schaal van het project, waardoor de milieueffecten beperkt zijn
  • het aantal woningen blijft gelijk
6.1.3 Conclusie
Wanneer de argumenten uit paragraaf 6.1.2 afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het college van burgemeester en wethouders wordt voorgesteld te besluiten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld, omdat uit de beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn.
6.2 Bodem
6.2.1 Kaders
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
 
6.2.2 Toetsing
In de huidige situatie is er reeds een bodemgevoelig gebouw (woning) op de locatie aanwezig. Er kan dan ook aangenomen worden dat de bodemkwaliteit voldoet voor het woongebruik.
 
6.2.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit voldoet.
6.3 Cultuurhistorie en archeologie
 
6.3.1 Kaders
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
 
Gemeentelijk archeologiebeleid
Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten herzien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Te veel gebieden hadden een hoge archeologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactualiseerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.
 
Nota Cultuurhistorie Plus
De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld.
 
6.3.2 Toetsing
Cultuurhistorie
In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig.
 
Archeologie
Op de geactualiseerde beleidskaart (2016) van de gemeente Lansingerland is aan het plangebied geen arcehologische verwachting toegekend. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
 
6.3.3 Conclusie
Het plan doet geen afbreuk aan archeologische of cultuurhistorische waarden.
6.4 Duurzaamheid
 
6.4.1 Kaders
De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
 
6.4.2 Toetsing
De beoogde woning wordt gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Daarmee verbetert de situatie ten opzichte van de huidige, met gas verwarmde woning.
 
6.4.3 Conclusie
Het plan voldoet aan de landelijke regelgeving op het gebied van duurzaamheid.
6.5 Externe veiligheid
6.5.1 Kaders
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties.
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen.
 
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
 
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
 
Risicobronnen
Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden.
Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
 
6.5.2 Toetsing
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
 
 
Uitsnede risicokaart, plangebied blauwe druppel (bron: Atlas Leefomgeving)
   
Buisleidingen
Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich op circa 400 m een buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De planlocatie bevindt zich niet binnen brand-, explosie en/of gifwolkaandachtsgebied van deze leiding.
 
Transport gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt op circa 2,2 km van de A13. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet ‘weg’, wat het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze route mogelijk maakt. De planlocatie ligt niet binnen het brand-, explosie en/of gifwolkaandachtsgebied van deze weg.
 
Inrichtingen
De planlocatie ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van Huntsman Holland BV. Bij een eventuele gifwolk kan de mechanische ventilatie waarvan de woning voorzien is worden uitgeschakeld.
 
6.5.3 Conclusie
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6.6 Geluid door activiteiten
 
6.6.1 Kaders
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
 
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
 
6.6.2 Toetsing
Omdat de gemeente Lansingerland vooralsnog niet beschikt over een volledig omgevingsplan zijn er nog geen geluidzones opgenomen conform Activiteiten en milieuzonering 2024. Daarom is ervoor gekozen voorlopig uit te gaan van de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Omdat het plangebied zich bevindt in een gebied waar zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties voorkomen wordt uitgegaan van een gemengd gebied.
 
Met voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een functiewijziging. De positie en het oppervlak van het bouwvlak wijzigen wel. Het bouwvlak komt daarbij, net als in de huidige situatie, in de milieucontouren te liggen van een activiteit met teelt van groenten, bloemen en champignons aldus het bestemmingsplan Molenweg e.o. Aangezien de kas wordt gehuurd door Koppert BV (bedrijf in biotechnologie), is de feitelijke situatie naar verwachting anders dan de wettelijke situatie. In de feitelijke situatie is het gebouw een kas (met/zonder gasverwarming), waarvoor volgens de VNG-richtafstandenlijst een richtafstand van 10 m in gemengd gebied geldt. Het aspecten geluid vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.
 
6.6.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het geluid van activiteiten in de omgeving geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in het plangebied en dat de omliggende bedrijven niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering.
6.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
 
6.7.1 Kaders
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
 
6.7.2 Toetsing
Een woning is een geluidsgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarden. Daarom worden navolgend de relevante geluidbronnen beschouwd.
 
Wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt op ruime afstand van omliggende (gemeentelijke) wegen (> 100 m) waardoor akoestisch onderzoek naar wegverkeer niet aan de orde is. Overschrijdingen van de standaardwaarde liggen niet in de lijn der verwachting.
 
Railverkeerslawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Deze geluidsbron is dan ook niet relevant.
 
Geluidgezoneerde industrieterreinen
In en rondom het plangebied bevinden zich geen geluidgezoneerde industrieterreinen.
 
6.7.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen belemmering voor het plan vormt.
6.8 Geur
 
6.8.1 Kaders
Er bestaan diverse activiteiten waar geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
 
In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente kan bij een wijziging van het omgevingsplan waar nodig één of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.
 
6.8.2 Toetsing
Direct ten noorden van het plangebied zijn kassen gevestigd. De kassen staan op ca. 24 m van de beoogde woning. Conform de VNG-richtafstandlijst geldt voor het aspect geur dat kassen direct naast woningen kunnen staan (richtafstand 0 m in gemengd gebied). Overlast van geur is daarmee uitgesloten.
 
Andere geurbronnen dan activiteiten in kassen, zoals zuiveringstechnische werken of het houden van landbouwhuisdieren, zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig.
 
6.8.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat geur geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in het plangebied.
6.9 Gezondheid
6.9.1 Kaders
In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan in het omgevingsplan worden vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
 
6.9.2 Toetsing
Het plan wordt gerealiseerd in een gebied waar diverse functies aanwezig zijn, maar waar glastuinbouw en wonen de boventoon voeren. Er is sprake van een goede gezondheid van bewoners indien er voldoende ruimte is voor beweging, groen en water aanwezig is, geen schadelijke stoffen tot in het plangebied reiken en de temperatuur aangenaam is. Van functies in de omgeving zijn geen gifstoffen te verwachten. In kassen worden nog wel eens gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Omdat kassen zo goed als gesloten systemen zijn ontstaan er geen spuitzones richting de omgeving.
 
Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het stedelijk hitte eiland effect rondom het plangebied niet aan de orde. Er zijn in de omgeving daarnaast voldoende koele plekken aanwezig. Voorts beschikt het woonperceel over een ruim erf, waardoor er voldoende mogelijkheden zijn om verkoelend groen aan te brengen.
 
6.9.3 Conclusie
Vanuit de leefomgeving zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid van bewoners geborgd.
6.10 Kabels en leidingen
In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante (beschermingszones van) leidingen zoals rioolpersleidingen of hoofdwatertransportleidingen gelegen. Er bevinden zich ook geen (beschermingszones van) hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied.
 
Hiermee vormt het aspect leidingen geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
6.11 Klimaatadaptatie
6.11.1 Kaders
In het huidige wettelijke stelsel bestaan geen verplichtingen voor klimaatadaptief bouwen. Wel biedt het al veel mogelijkheden aan decentrale overheden om klimaatadaptief bouwen juridisch te borgen. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die in paragraaf 5.2.1 aan bod is gekomen, is een beschouwing van de risico’s van klimaatverandering verplicht gesteld in artikel 7.41b. De gemeente Lansingerland heeft haar eigen klimaatadaptatie beleid vastgelegd in de Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland.
 
Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland
De ruimtelijke adaptatiestrategie richt zich op klimaatadaptatie: het aanpassen van de leefomgeving en van ons gedrag aan de effecten van klimaatverandering. Uit de klimaatstresstest blijkt dat verschillende plekken in Lansingerland kwetsbaar zijn voor klimaatstress. Op sommige plaatsen is er alleen wateroverlast, hittestress of droogte, maar op andere locaties ziet de gemeente ook combinaties hiervan. De doelstelling van de gemeente is de verschillende knelpunten op te lossen om in 2050 zo klimaatbestendig mogelijk ingericht te zijn.
 
6.11.2 Toetsing
In paragraaf 5.2.1 is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige klimaatrisico’s zijn. Uit de klimaatstresstest van de gemeente Lansingerland zijn voor de Molenweg e.o. geen specifieke knelpunten naar voren gekomen. Specifieke maatregelen om effecten van klimaatverandering te verminderen worden dan ook niet nodig geacht. 
 
6.11.3 Conclusie
De risico’s van klimaatverandering vormen geen belemmering voor het initiatief.
6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking
6.12.1 Kaders
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: 
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
6.12.2 Toetsing
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Voorliggend plan heeft slechts betrekking op de sloop/nieuwbouw en verplaatsing van een woning. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeven de ‘treden van de ladder’ niet doorlopen te worden.
 
 
6.12.3 Conclusie
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
6.13 Licht
6.13.1 Kaders
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Assimilatiebelichting wordt in het Bal gezien als een milieubelastende activiteit. Hierin zijn regels rond assimilatiebelichting opgenomen. Deze regels gelden het hele jaar en zijn niet gekoppeld aan een belichtingsvermogen in de betreffende kas. De regels zijn terug te vinden in § 4.75 van het Bal.
 
6.13.2 Toetsing
Het plangebied ligt naast enkele kassen. Bij kassen kan lichthinder door assimilatiebelichting aan de orde zijn. Voor kassen groter dan 2.500 m² geldt dat er geen lampen zichtbaar mogen zijn buiten de kas (bron: DCMR). Op een afstand van 10 m van de gevel moet de lichtuitstoot met 95% afnemen. Aangezien de woning op minimaal 20 m afstand komt te staan is hier geen lichthinder te verwachten.
 
6.13.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat lichthinder door omliggende kassen niet aan de orde is.
6.14 Luchtkwaliteit
 
6.14.1 Kaders
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
 
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
6.14.2 Toetsing
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
 
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2021 (receptor 27364178_59) van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 14,8 μg/m³ voor PM10, 7,6 μg/m³ voor PM2,5 en 15,1 μg/m³ voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
 
6.14.3 Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.15 Mobiliteit
 
6.15.1 Kaders
Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
6.15.2 Toetsing
Verkeer
Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een functiewijziging of toename van het aantal woningen. Derhalve neemt de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet toe. 
 
Parkeren
Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in het ‘Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland’. Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernorm van het CROW. In de nota is het plangebied aangemerkt als 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk'. Voor de bebouwde kom in Lansingerland geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen voor een vrijstaande koopwoning. Afgerond komt dit uit op 3 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar om in dit parkeeraanbod te voorzien.
 
6.15.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende verkeers- en parkeersituatie.
6.16 Natuur en ecologie
 
6.16.1 Kaders
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van: 
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. 
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld: 
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. 
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
 
Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Inrichten gemeente Lansingerland
De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier.
 
In de Omgevingsvisie 1.0 (T22.00152) heeft de gemeente daarom uitgesproken te werken aan een toekomstbestendige en natuurinclusieve leefomgeving, met oog voor biodiversiteit en natuurwaarden. Om dit voor elkaar te krijgen, wil de gemeente dat ieder project bijdraagt aan het zorgen voor en behouden van een natuurinclusieve en biodiverse leefomgeving.
 
De gemeente heeft regels opgesteld om natuurinclusief bouwen concreet te maken voor bouwprojecten (nieuwbouw en ingrijpende renovatie). Om dit voor ieder project te toetsen, is er een toetsingssysteem met een toetsingsformulier. Dit systeem geeft duidelijkheid hoe je kunt voldoen aan de regels voor natuurinclusief bouwen.
6.16.2 Toetsing
De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten en gebieden. De huidige woning wordt immers gesloopt. Dit betreft een flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, 2025-0767, d.d.  mei 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ ligt ca. 17 km ten noorden van het plangebied. Door de ruime afstand tot dit Natura 2000-gebied zijn verstorende effecten zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring uitgesloten. Om ook stikstofeffecten uit te kunnen sluiten is een berekening met de AERIUS Calculator gemaakt (zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat de bijdrage van het plan niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j. Er is dan ook geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist.
 
Soortenbescherming
Naar aanleiding van de ecologische quickscan is gebleken dat het plangebied geen geschikt leefgebied, voortplantingslocatie of verblijfslocatie voor beschermde soorten vormt. De beoogde ontwikkeling en de bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijfslocaties van beschermde soorten. In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna.
 
De gemeente Lansingerland hanteert het 'Plantoetsingskader en Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen en Inrichten' voor ontwikkelingen. Deze is ingevuld door de initiatiefnemer en er zijn 24 van de 16 punten behaald. Er wordt ingezet op de doelsoorten weidehommel en egel door rond het perceel diverse hagen aan te planten, een kruidenrijk grasland langs de watergang in te zaaien en door nog wat extra bomen aan te planten. Met snoeihout wordt voorzien in een veilige faunapassage.
 
Houtopstanden
Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van effecten op houtopstanden.
 
6.16.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de natuurregelgeving van de Omgevingswet. Uit de quickscan blijkt dat er geen omgevingsvergunning flora-fauna activiteit noodzakelijk is.
6.17 Omgevingsveiligheid
 
6.17.1 Kaders
Onplofbare oorlogresten
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) gevonden. Onder OO wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden OO ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
 
Sociale veiligheid
De leefomgeving is van invloed op de sociale veiligheid in een gebied. Aspecten die hier van invloed op kunnen zijn betreffen verlichting, zicht op een locatie en kwaliteit van gebouwde objecten.
 
6.17.2 Toetsing
Onplofbare oorlogsresten
Berkel en Rodenrijs ligt niet in een zone die verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.
 
Sociale veiligheid
In de omgeving zijn voldoende woningen aanwezig. Een goede sociale veiligheid is daarmee geborgd.
 
6.17.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de omgeving voldoende veilig is.
6.18 Rotterdam The Hague Airport
Het plangebied ligt niet in gevaren- of geluidszones van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport. Een nadere beschouwing hiervan is dan ook niet vereist.
6.19 Slagschaduw van windturbines
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van windturbines. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet vereist.
6.20 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit
6.20.1 Kaders
Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.
 
6.20.2 Toetsing
Onderhavig plan ziet enkel toe op de sloop/nieuwbouw en beperkte verplaatsing van een woning. Daarmee heeft dit maar beperkt invloed op de stedenbouwkundige structuur en het landschap. De ruimtelijke kwaliteit verbetert doordat een verouderde, rommelige woning wordt vervangen door een woning met een eigentijds ontwerp.
 
6.20.3 Conclusie
Het plan doet geen afbreuk aan het stedenbouwkundig samenstel en de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waardoor het plan goed inpasbaar is.
6.21 Trillingen
6.21.1 Kaders
De fysieke leefomgeving kan nadelige gevolgen ondervinden van trillingen. Het Rijk stelt regels om trillinghinder te voorkomen. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op door het Rijk aangewezen trillinggevoelige gebouwen.
 
Uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet) volgt dat, ook voor gebouwen en locaties die niet door het Rijk zijn aangewezen, het aspect trillingen in sommige gevallen van belang is. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en zijn specifieke regels niet nodig. In bepaalde situaties is een motivatie van de bescherming nodig. Op basis van de ‘Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen’ kan het onderzoeksgebied bepaald worden. Bij nieuwbouw is een onderzoek naar trillingen binnen 100 meter van de bron de norm. Behalve het beschermen van gebouwen kan ook het beschermen van bepaalde locaties wenselijk zijn.
 
Er kan voor het bepalen of er sprake is van onevenredige trillinghinder worden aangesloten bij de door de Stichting Bouwresearch (SBR) opgestelde richtlijn ‘Hinder voor personen in gebouwen 2006’. Deze richtlijn, die grotendeels aansluit bij internationale richtlijnen, gaat in op schade aan gebouwen, op hinder voor personen in gebouwen en op storing aan apparatuur. Naast aandacht voor de meting van trillingen bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. In de richtlijn zijn streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen opgenomen. Overschrijding van deze waarden leidt tot een reële kans op hinder. De trillingsfrequentie en trillingsintensiteit moeten worden bepaald als de trillingsbron in werking is. Daarna kan een beoordeling of toetsing aan de streef-, standaard- en grenswaarden plaatsvinden. Achteraf worden de uitkomsten omgerekend om de trillingen te toetsen aan de beoordelingscriteria. Dit gebeurt bijvoorbeeld op het einde van de werkdag of na een referentieperiode. Daarnaast kunnen trillingen in gebouwen berekend worden met gegevens van de trillingsbron, de afstand tussen bron en ontvanger of de kenmerken van de bodem en de gebouwen. Dit kan onder andere worden toegepast bij het beoordelen van toekomstige situaties, zoals mogelijke nieuwbouw langs een spoorweg.
 
6.21.2 Toetsing
In de omgeving zijn geen trillingsbronnen aanwezig die trillingshinder voor de toekomstige bewoners kunnen veroorzaken.
 
6.21.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat het trillingsniveau ter plaatse aanvaardbaar is.
6.22 Water
 
6.22.1 Kaders
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
 
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
 
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Water Programma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Op 10 maart 2022 heeft de Verenigde Vergadering van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is een strategisch document dat de richtlijnen en maatregelen voor waterbeheer in de regio vastlegt. De belangrijkste doelstellingen van het programma zijn: 
  • Schoon en Gezond Water: Het waarborgen van de waterkwaliteit door effectieve zuivering en beheer van waterlichamen.
  • Waterpeilbeheer: Het handhaven van de juiste waterpeilen om zowel overstromingen als droogte te voorkomen.
  • Dijk- en Duinonderhoud: Versterken en onderhouden van dijken en duinen om de veiligheid te waarborgen. 
Het WBP6 is georganiseerd rond verschillende thema's, waaronder: 
  • Samenwerking in de Waterketen: Het bevorderen van samenwerking tussen verschillende partijen die betrokken zijn bij waterbeheer.
  • Transitie van de Waterketen: Innovaties en veranderingen in de waterketen om aan de toekomstige behoeften te voldoen.
  • Afvalwaterbeheer: Effectief transporteren en zuiveren van afvalwater.
Het programma bevat specifieke maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de waterkwaliteit, het verhogen van de waterveiligheid en het bevorderen van duurzaamheid. Dit omvat investeringen in infrastructuur en technologieën voor waterbeheer. 
 
Waterschapsverordening Delfland
De meest recente versie van de Waterschapsverordening Delfland is op 1 september 2025 in werking getreden. De waterschapsverordening vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Delfland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de verordening horen is dit nader uitgewerkt.
 
Weging van het waterbelang
De uitgangspunten van goed waterbeheer heeft HHD opgenomen in de Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten. Het is de bedoeling dat ruimtelijke ontwikkelingen getoetst worden aan deze handreiking.
 
6.22.2 Toetsing
Veiligheid en waterveiligheid
Het plangebied is niet gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Wel ligt het plangebied deels in een afwijkend peilgebied (GPG2008BKL XIII), waarmee HHD schade aan woningen, landbouw en natuur voorkomt.
 
Waterkwantiteit
De opgave is berekend met de watersleutel. Daarbij is uitgegaan van de verharde en onverharde oppervlakten zoals weergegeven in de navolgende afbeelding. 
 
Overzicht verharding toekomstige situatie (bron: Houweling Architecten)
 
De wateropgave voor de woning met erf bedraagt 0 m² in de vorm van oppervlaktewater, of 0 m³ in de vorm van bergingsmaatregelen. Dat komt doordat de situatie sterk verbetert ten opzichte van de huidige situatie. De berekening (ingevulde watersleutel) is toegevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 3.
 
De gemeente Lansingerland heeft het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend, waardoor de Minimale Eisen uit het convenant van toepassing zijn. De Minimale Eisen en de watersleutel worden naast elkaar gehanteerd. Alleen de grootste opgave hoeft gerealiseerd te worden. Uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen komt de eis voort dat 50 mm/m²/uur neerslag op eigen terrein dient te worden geborgen. De berging wordt berekend op basis van de oppervlakte van verhard oppervlak, omdat aangenomen wordt dat het groene oppervlak de neerslag die hierop valt bergt. In de toekomstige situatie is ca. 161 m² verhard oppervlak aanwezig. Dit leidt tot de volgende eis: (161*50/1000=) 8,1 m³. Dat staat gelijk aan ongeveer 41 m² oppervlaktewater. Om aan de wateropgave te voldoen graaft de initiatiefnemer ca. 275 m ten noordwesten van het plangebied 41 m² extra wateroppervlakte bij een bestaande watergang, zoals weergegeven op navolgende afbeelding.
 
Locatie watercompensatie
 
Deze watergang bevindt zich binnen hetzelfde peilgebied. Voor het vergroten van de watergang zal een vergunning bij HHD worden aangevraagd.
 
Bodem en grondwater
Uit het Dinoloket blijkt dat het grondwater ter plaatse hoog is. Delfland adviseert een drooglegging van 1,2 m, met een minimum van 1 m. Het geldende waterpeil voor het peilgebied waarin het plangebied zich bevindt bedraagt -5,28 m. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (hierna: AHN) blijkt dat de maaiveldhoogte ter plaatse van de beoogde woning ca. -4,3 m bedraagt. Daarmee is het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld ca. 0,98 m. Daarmee wordt net niet voldaan aan de vereiste drooglegging van 1 m, maar het komt er dicht bij in de buurt. Door het maaiveld ter plaatse van de woning slechts met 2 cm op te hogen wordt aan de vereiste drooglegging voldaan. De initiatiefnemer is voornemens dit te doen.
 
Waterkwaliteit
Bij de bouw van de woning wordt niet voorzien in maatregelen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. Zo wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen. Ook in de permanente situatie, waarbij het hemelwater dat op de woning valt wordt afgevoerd op de bestaande watergangen, worden geen uitloogbare materialen toegepast.
 
Onderhoud en bagger
De watergang aan de zuidzijde van het plangebied wordt als primaire watergang aangemerkt, en die aan de oostzijde als secundaire watergang. De onderhoudsverplichting voor de primaire watergang ligt bij HHD, die voor de secundaire watergang bij de initiatiefnemer. De beoogde woning komt, in tegenstelling tot de bestaande woning, buiten de beschermingszones van de oppervlaktewaterlichamen te staan.
 
Klimaatadaptatie
In paragraaf 6.11 zijn de risico's van klimaatverandering reeds aan bod gekomen. Om te voldoen aan de vereiste compensatie wordt door de initiatiefnemer extra oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied aangelegd.
 
Brug
De brug naar het perceel wordt niet vervangen, waardoor in dat kader geen melding of vergunning nodig is.
 
6.22.3 Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve gevolgen voor het watersysteem heeft.
 
7 Juridische aspecten
7.1 Inleiding
Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden.
 
Wat centraal staat bij het omgevingsplan, en een belangrijk verschil met de manier waarop we voorheen naar ruimtelijke plannen keken, is het stellen van regels over activiteiten in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar bijvoorbeeld ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.
7.2 Wijziging van het omgevingsplan
Voor onderhavig plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
7.3 Omgevingsplan Lansingerland
Met de regels is zoveel mogelijk aangesloten op het in opbouw zijnde (definitieve) omgevingsplan voor Lansingerland. Het deel voor bestaande woonwijken, genaamd ‘Bouwsteen 1’ is op 17 juli 2025 vastgesteld en op 1 september 2025 in werking getreden. Hierin wordt een structuur van de regels opgebouwd die ook van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. In het omgevingsplan gaat de gemeente uit van de activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft, zoals gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Gedurende de procedure zal ook het gemeentebrede omgevingsplan verder worden doorontwikkeld en mogelijk worden ondertussen ook andere wijzigingen van het omgevingsplan voorbereid. Uiteindelijk komen al deze wijzigingen samen in één omgevingsplan Lansingerland dat verder wordt uitgerold over het gemeentelijk grondgebied.
8 Haalbaarheid
 
8.1 Financieel economische uitvoerbaarheid
Voor de financieel economische uitvoerbaarheid is het van belang dat de initiatiefnemer het plan kan bekostigen.
8.2 Kostenverhaal
8.2.1 Kaders
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
8.2.2 Toetsing
Onderhavig plan heeft betrekking op de bouw van een gebouw met een woonfunctie. Dit is conform 8.13 sub a een kostenverhaalplichtige activiteit. De gemeente en initiatiefnemer zullen dan ook een anterieure overeenkomst sluiten.
8.3 Nadeelcompensatie
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Onder de Omgevingswet is het omgevingsplan niet langer het schadeveroorzakende kader. Desalniettemin zal de nadeelcompensatie worden geregeld in de anterieure overeenkomst.
 
9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
9.1 Participatie
De initiatiefnemer heeft het planvoornemen actief afgestemd met omwonenden. Een verslag van de participatie is toegevoegd als bijlagen bij toelichting bijlage 4.
9.2 Belangen andere bestuurslagen en ketenpartners
Er spelen ter plaatse maar in beperkte mate belangen van andere bestuurslagen en ketenpartners. Eventuele reacties van deze partijen worden hier te zijner tijd weergegeven.
9.3 Zienswijzen
Het ontwerp wijziging omgevingsplan heeft van 25 december 2025 tot en met woensdag 4 februari ter inzage gelegen. In deze periode is een zienswijze van het Hoogheemraadschap van Delfland ontvangen. Zij vroegen om een nadere beschouwing van de watercompensatie en hemelwaterafvoer. Om hieraan tegemoet te komen is paragraaf 6.22.2 aangevuld.
10 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop/nieuwbouw en verplaatsing van de woning Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs. De huidige woning, die in slechte staat verkeerd wordt gesloopt en maakt plaats voor een nieuwe, moderne woning. De nieuwe woning voldoet aan alle hedendaagse maatstaven op het gebied van duurzaamheid, waardoor het energieverbruik afneemt. Bovendien komt de betere beeldkwaliteit van de woning de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Er worden tevens door de initiatiefnemer diverse maatregelen getroffen om de biodiversiteit op het perceel te bevorderen. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Om ook de belangen van omwonenden mee te kunnen wegen in het besluit zijn de omwonenden geraadpleegd door de initiatiefnemer. Hieruit zijn geen bezwaren voortgekomen. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen knelpunten voort. 
 
Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.