Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Molenweg 59 Berkel en Rodenrijs en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c.’ gelezen worden.
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Voorrangsbepalingen
1.1 Toepassingsbereik
1.1.1
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in artikellid 1.1.3.
 
1.1.2
  1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 22c.
  2. Onder de regels in hoofdstuk 22c, als bedoeld onder a, worden de regels van het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59' met identificatienummer NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST van de Gemeente Lansingerland verstaan.
1.1.3
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
1.2 Voorrangsbepaling
1.2.1
De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in het bestemmingsplan "Molenweg e.o." waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand "NL.IMRO.1621.BP0098-VAST" die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.
1.2.2
De regels in dit hoofdstuk gaan ook voor op de regels in: 
  1. Artikel 22.29, eerste lid, onder b van het omgevingsplan.
Artikel 2 Algemene bepalingen
2.1 Begripsbepalingen
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit deel de volgende begripsbepalingen:
 
2.1.1 plan:
het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Berkel en Rodenrijs, Molenweg 59' met identificatienummer NL.IMRO.1621.TAMMolenweg59-VAST van de Gemeente Lansingerland.
 
2.1.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.
 
2.1.3 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
Een internetwinkel of webwinkel wordt alleen als detailhandel aangemerkt als de mogelijkheid bestaat ter plaatse producten te bekijken en/of af te halen.
 
2.1.4 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt.
 
2.1.5 perceel:
een aaneengesloten stuk grond met een bepaald doel of eigendom.
 
2.1.6 perceelsgrens:
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.
 
2.1.7 permanente bewoning:
het gebruiken van een onderkomen als hoofdverblijf.
 
2.1.8 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.1.9 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
 
2.1.10 voorgevelrooilijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen en het verlengde daarvan.
 
2.1.11 vrijstaande woning:
een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.
 
2.1.12 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera.
 
2.2 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit deel in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.10.
 
2.2.1 afstand:
afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
 
2.2.2 bebouwde oppervlakte:
an een (bouw)perceel, een bouwvlak of ander terrein, buitenwerks en neerwaarts geprojecteerd, als het totaal van de (grond)oppervlakten van alle op het terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken. Hierbij worden balkons en dakoverstekken buiten beschouwing gelaten, mits deze zich minimaal 2,5 m boven maaiveld bevinden.
 
2.2.3 bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk:
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren (op 1 m boven peil). Wanneer de gevels niet evenwijdig lopen of verspringen wordt het gemiddelde genomen van de kleinste en grootste maat.
 
2.2.5 dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.2.6 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.2.7 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.2.8 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Hierbij worden balkons en dakoverstekken buiten beschouwing gelaten, mits deze zich minimaal 2,5 m boven maaiveld bevinden.
 
2.2.9 peil:
  1. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg;
  2. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang;
  3. voor een ander bouwwerk: de hoogte van de weg waaraan het bouwwerk is gelegen of, als het bouwwerk niet direct aan de weg is gelegen, de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
  4. als wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in de gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m, geldt:
    1. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg, waarbij dit peil zich uitstrekt tot een zone van ten hoogste 4 m achter de achtergevelrooilijn van een op bedoeld perceel aangegeven hoofdgebouw, mits het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan het hoofdgebouw betreft;
    2. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: het peil wordt bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein;
    3. voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken wordt het peil bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein.
2.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
  
2.4 Normadressaat
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in de regels van dit plan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
 
2.5 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
 
2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Artikel 3 Gebieden
3.1 Tuin
3.1.1 Aanwijzing
Er is een gebiedstype 'Tuin'.
 
3.1.2 Geometrische begrenzing gebiedstype
De regels van dit artikel gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'Tuin'.
 
3.1.3 Doelen
De regels voor dit gebiedstype zijn gesteld met het oog op: 
  1. het realiseren, in stand houden en gebruiken van tuinen bij nieuwe woningen;
  2. het komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht;
  3. het bewerkstellingen van een goed woon- en leefklimaat voor nieuwe woningen.
3.1.4 Gebruiksactiviteiten
Functioneel ondersteunende voorzieningen bij woongebruik, zoals tuinen, erven, voetpaden, voorzieningen van algemeen nut, speelvoorzieningen, overige verhardingen, ontsluitingswegen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen.
3.1.5 Bouw- en sloopactiviteiten
Het verrichten van bouw- en sloopactiviteiten is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in Bouwactiviteiten.
 
3.2 Woongebied
  
3.2.1 Aanwijzing
Er is een gebiedstype 'Woongebied'.
 
3.2.2 Geometrische begrenzing gebiedstype
De regels van dit artikel gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied'.
 
3.2.3 Doelen
De regels voor dit gebiedstype zijn gesteld met het oog op: 
  1. het ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften;
  2. het komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht;
  3. het bewerkstellingen van een goed woon- en leefklimaat voor nieuwe woningen;
  4. het bewaken van de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen bedrijvigheid.
3.2.4 Gebruiksactiviteiten
Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: 
  1. Wonen zoals bedoeld in subparagraaf 3.2.1 Wonen, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19.
  2. Het exploiteren van een bed&breakfast, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 4;
  3. Het uitoefenen van een beroep aan huis, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 2;
  4. Het exploiteren van een bedrijf aan huis, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 3;
Functioneel ondersteunende voorzieningen, zoals tuinen, erven, woonstraten, woonerven, pleinen, fietspaden en/of -stroken en voetpaden, voorzieningen van algemeen nut, speelplaatsen, speelvoorzieningen, ontsluitingswegen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen.
  
De volgende activiteiten worden niet verricht: 
  1. het gebruik van gebouwen en andere bouwwerken als seksinrichting;
  2. het gebruik maken voor kamergewijze verhuur van kamers in geval van woningen en/of bijbehorende bouwwerken;
  3. permanente bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning;
  4. het opslaan van vuurwerk;
  5. prostitutie;
  6. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens voor de voorgevel van een hoofdgebouw en in het openbaar gebied.
3.2.5 Bouw- en sloopactiviteiten
Het verrichten van bouw- en sloopactiviteiten is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in Bouwactiviteiten.
 
3 Activiteiten
Artikel 4 Algemene bepalingen
4.1 Algemeen
4.1.1 Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 
  1. de bewoonbaarheid van het land en de bescherming van het leefmilieu;
  2. het beschermen van het milieu;
  3. het beschermen van de gezondheid;
  4. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en
  5. het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5 Gebruiksactiviteiten
5.1 Wonen
5.1.1 Aanwijzing activiteiten
5.1.1.1
Als activiteit 'wonen' wordt aangewezen het bewonen van een woonruimte.
 
5.1.1.2
Als activiteit 'beroep aan huis' wordt aangewezen het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, cosmetisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, waaronder gastouderopvang, of daarmee gelijk te stellen gebied.
 
5.1.1.3
Als activiteit 'bedrijf aan huis' wordt aangewezen het voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten.
 
5.1.1.4
Als activiteit 'bed&breakfast' wordt aangewezen een aan een woning ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, niet zijnde een zelfstandige wooneenheid, gericht op het bieden van een mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, voor een kortdurend verblijf (waaronder ook zakelijk toerisme). Onder deze aanwijzing wordt niet verstaan: overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
 
5.1.2 Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: 
  1. een goed woon- en leefklimaat;
  2. het beschermen van het milieu;
  3. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  4. het ontwikkelen van een duurzame woningvoorraad; en
  5. het beschermen van de gezondheid.
5.1.3 Algemene regels voor het uitoefenen van een woonactiviteit
5.1.3.1
In één woning woont slechts één huishouden. Onder één huishouden wordt ook verstaan: één huishouden dat mantelzorg ontvangt of verleent, waarbij de ontvanger of verlener van mantelzorg in de woning woont.
 
5.1.3.2
Bij het uitoefenen van een woonactiviteit geldt dat wonen slechts is toegestaan in een vrijstaande woning.
 
5.1.3.3
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners wordt een woning niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte.
 
5.1.4 Specifieke regels voor het uitoefenen van een beroep aan huis
Bij het verrichten van de in Artikel 3.2.19 lid 2 aangewezen activiteit gelden de volgende regels: 
  1. de beroepsmatige activiteiten worden uitgeoefend door degene die op het perceel woonachtig is;
  2. de totale bedrijfsvloeroppervlakte per perceel bedraagt niet meer dan 25% met een maximum van 50 m²;
  3. er vinden geen detailhandelsactiviteiten plaats, tenzij:
    1. er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
    2. de detailhandel functioneel ondersteunend is aan het beroep aan huis;
  4. er op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte in aanvulling op het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dat is gerealiseerd ten behoeve van de woonfunctie.
5.1.5 Specifieke regels voor het uitoefenen van een bedrijf aan huis
5.1.5.1
Het is verboden om de activiteit bedoeld in Artikel 3.2.19 lid 3 te verrichten zonder omgevingsvergunning.
 
5.1.5.2
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.2.23 lid 1, wordt alleen verleend als: 
  1. het bedrijf aan huis ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  2. de exploitatie van het bedrijf aan huis plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is;
  3. de totale vloeroppervlakte waarop het bedrijf aan huis wordt geëxploiteerd niet meer bedraagt dan 25% van het woonoppervlak met een maximum van 50 m²;
  4. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  5. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, tenzij:
    1. sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
    2. detailhandel functioneel ondersteunend is aan het bedrijf aan huis; en
    3. detailhandel geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente;
  6. op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte in aanvulling op het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dat is gerealiseerd ten behoeve van de woonfunctie. Bij de beoordeling hiervan neemt het college de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolgers in acht.
5.1.6 Specifieke regels voor het uitoefenen van een bed&breakfast
5.1.6.1
Het is verboden om de activiteit bedoeld in Artikel 3.2.19 lid 4 te verrichten zonder omgevingsvergunning.
 
5.1.6.2
De omgevingsvergunning bedoeld als in het eerste lid, wordt alleen verleend als: 
  1. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
  2. de exploitatie plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is;
  3. de totale vloeroppervlakte aan gastenkamers niet meer bedraagt dan 25% van het woonoppervlak met een
  4. maximum van 75 m²;
  5. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  6. het aantal gastenkamers niet meer bedraagt dan vier per woning;
  7. in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting zal optreden; en
  8. op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte naast het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor de woonfunctie. Bij de beoordeling hiervan neemt het college de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolgers in acht.
Artikel 6 Bouwactiviteiten
6.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten
  
6.1.1 Aanwijzing activiteiten
Als activiteit wordt aangewezen het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
 
6.1.2 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
 
6.1.3 Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 
  1. de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu;
  2. het gebruik van bouwwerken; en
  3. een goede omgevingskwaliteit.
6.2 Bouwregels tuin
6.2.1 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op bouwactiviteiten binnen het werkingsgebied 'Tuin'.
 
6.2.2 Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: 
  1. het beschermen van het woon- en leefklimaat;
  2. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit.
6.2.3 Bouwregels overige bouwwerken
Binnen het werkingsgebied 'Tuin' mogen uitsluitend paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, in- en uitritten, speelvoorzieningen en erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd, met de volgende bouwhoogtes: 
  1. erf- en terreinafscheidingen: niet meer dan 1 m;
  2. overige bouwwerken: niet meer dan 3 m.
6.3 Bouwregels woongebied
6.3.1 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken binnen het werkingsgebied 'Woongebied'.
 
6.3.2 Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 
  1. het beschermen van het woon- en leefklimaat;
  2. het gebruik van bouwwerken; en
  3. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit.
6.3.3 Aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen
6.3.3.1
Voor het bouwen van een hoofdgebouw binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan – in aanvulling op de beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan – slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: 
  1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
  2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
  3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de sociale veiligheid;
  6. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.3.2
In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
 
6.3.3.3
In aanvulling op lid 1 en 2 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien
is voorzien in 41 m² aan nieuw wateroppervlakte of 8,1 m³ aan waterberging. Bij wijzigingen in de oppervlakte aan verhard oppervlak kan de benodigde waterberging opnieuw worden bepaald met het Convenant Klimaatadaptief Bouwen of diens rechtsopvolger.
6.3.4 Aanvullende beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
6.3.4.1
Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan – in aanvulling op de beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan – slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: 
  1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
  2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
  3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de sociale veiligheid;
  6. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.4.2
In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
 
6.3.5 Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken
6.3.5.1
Voor het bouwen van overige bouwwerken, niet zijnde hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken, binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan – in aanvulling op de beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan – slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: 
  1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
  2. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; en
  3. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.5.2
In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
 
6.3.6 Bouwregels hoofdgebouwen
Binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat: 
  1. er enkel een vrijstaande woning mag worden gebouwd;
  2. het hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' dient te worden gebouwd;
  3. de goothoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde in Artikel 3.3.30 lid 1, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 5 m;
  4. de bouwhoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde in Artikel 3.3.30 lid 1, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 9 m;
  5. het bouwvolume van een hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 750 m³;
  6. de afstand van het hoofdgebouw tot een van de zijdelingse perceelsgrenzen niet minder mag bedragen dan 3 m.
6.3.7 Maximum aantal wooneenheden
Binnen het werkingsgebied 'Woongebied' wordt maximaal één vrijstaande woning gebouwd.
 
4 Overgangsrecht
 
Artikel 7 Overgangsrecht
7.1 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken
7.1.1
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop deze wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en dat als gevolg van die wijziging in strijd is met de regels over gebruik in Gebruiksactiviteiten mag worden voortgezet.
 
7.1.2
Lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
 
7.1.3
Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in lid 1, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik.
 
7.1.4
Indien het strijdig gebruik, bedoeld in lid 1, na inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
7.2 Overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken
7.2.1
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
 
7.2.2
Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 
  1. in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
7.2.3
Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.
 
7.2.4
Lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.