| Plan: | Oostland-Berkel 4e partiële herziening; Verlengde Hoogseweg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1621.BP0120H04-VAST |
De gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp zijn voornemens om de Hoogseweg, voornamelijk gelegen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, te verlengen en aan te sluiten op het Kleihoogt in Lansingerland. Hiermee ontstaat in combinatie met de aan te leggen Oostelijke Randweg Pijnacker een betere ontsluiting voor het glastuinbouwgebied rondom het Kleihoogt en de fietsverbinding tussen de kernen Zoetermeer en Pijnacker. Deze ontwikkeling past niet binnen de vigerende kaders van het bestemmingsplan 'Oostland-Berkel', waardoor herziening noodzakelijk is.
Onderhavig plangebied is gelegen in het westen van de gemeente Lansingerland en ligt tegen de gemeentegrens van Pijnacker-Nootdorp aan, in het verlengde van de Hoogseweg (Pijnacker). Het plangebied loopt richting het noordoosten door tot de weg het Kleihoogt in Berkel en Rodenrijs. Aan de noordzijde van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen en de zuidgrens wordt gevormd door kassen. Zie afbeelding 1.1 voor de globale ligging van het plangebied.
Afbeelding 1.1 - Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan 'Oostland-Berkel' vastgesteld d.d. 27 juni 2013.
De gronden binnen onderhavig plangebied kennen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2&3' en 'Waterstaat - Waterkering'. Zie afbeelding 1.2.
Het vigerende bestemmingsplan staat de realisatie van een weg niet toe.
Afbeelding 1.2 - Uitsnede bestemmingsplan 'Oostland-Berkel'
Dit bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en planregels waarin de voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes, die in het bestemmingsplan gemaakt zijn, nader gemotiveerd en verantwoord.
Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten: de toelichting, de regels en de verbeelding.
De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de gebiedsvisie omschreven. Hoofdstuk 3 omvat het (boven)gemeentelijke beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de (milieutechnische) onderzoeken behandeld, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planopzet. In hoofdstuk 6 en 7 worden respectievelijk de maatschappelijke aanvaardbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan behandeld.
Landschap
In Berkel en Rodenrijs zijn in de periode tussen 1772 en 1776 de Noord-, West en Zuidpolder drooggemalen met behulp van windmolens. Tegelijkertijd met deze droogmakerijen vonden verveningen plaats, welke werden geïnitieerd vanuit verschillende wegen en de oevers. Deze vervening vond in het plangebied plaats tot aan de aanwezige kleiplateaus. Deze bleven in stand als schiereilanden, omgeven door kleine plassen. Met de droogmaking die hierop volgde kwamen de Voorafsche Polder en de Nieuwe Droogmaking tot stand.
Het plangebied ligt in de Voorafsche Polder in de kern Berkel en Rodenrijs. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een watergang en agrarische gronden.
Afbeelding 2.1 - Bestaande situatie
De ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt betreft de realisatie van de Verlengde Hoogseweg. De bestaande Hoogseweg in Pijnacker wordt hiermee aangesloten op de Kleihoogt in Lansingerland. Door het doortrekken van de Hoogseweg verbetert de ontsluiting van het omliggende glastuinbouwgebied en de fietsverbinding tussen de kernen Zoetermeer en Pijnacker.
Afbeelding 2.2 geeft de voorkeursvariant voor het doortrekken van de Hoogseweg naar het Kleihoogt weer. Naast de bestaande watergang aan de zuidzijde van de weg zal er een nieuwe watergang aan de noordzijde van de weg worden gerealiseerd.
Afbeelding 2.2 - Voorkeursvariant Verlengde Hoogseweg
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie verving de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.
Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. Vanaf 2020 neemt de beroepsbevolking niet meer toe. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking.
Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. Verder wordt genoemd het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden.
Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
Onderhavige ontwikkeling heeft geen directe relevantie op rijksniveau. Het plan past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en binnen de bepalingen van het Barro.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014, (geconsolideerd in werking per 12 januari 2017) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
De VRM bestaat uit: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte 2014, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
Bebouwde ruimte
Onderhavig plangebied ligt binnen de contouren van de 'bebouwde ruimte'. De provincie Zuid-Holland wil de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit hoofdzakelijk opvangen in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. De provincie draagt bij aan het beter benutten van de bebouwde ruimte door samen te werken met andere overheden en marktpartijen, en via regelgeving.
De Verordening Ruimte 2014 is op 9 juli 2014 door Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland vastgesteld (geconsolideerd in werking per 12 januari 2017). Het plangebied ligt op grond van deze verordening binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is verankerd in de Verordening Ruimte 2014.
Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Volgens Bro artikel 1.1.1 lid 1 wordt stedelijke ontwikkeling omschreven als:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Blijkens uitspraak 201400570/1/R6 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, d.d. 18 februari 2015 is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling bij de aanleg van een weg. Bij een nieuwe weg hoeft dus niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe weg, derhalve is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is het doorlopen van de ladder niet noodzakelijk.
Het programma ruimte beschrijft de operationele doelen en de realisatiemix om doelen te (doen) bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio's en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.
De voorgenomen planontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid. Aangezien de aanleg van een nieuwe weg niet wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling, is het niet noodzakelijk om de ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen.
In de Structuurvisie van Lansingerland (vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland op 18 februari 2010) zet de gemeente de koers uit met ontwikkelingsrichtingen voor periode tot ca. 2025. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling van een groot aantal ontwikkelingen dat in de Toekomstvisie 2040 opgenomen is.
Veel van de ontwikkelingen tot 2025 komen voort uit bestaand beleid. Voor een zeer belangrijk deel ligt de ruimtelijke structuur van Lansingerland dan ook al vast. Bestaande ruimtelijke afspraken in beleid – landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk, zijn maatgevend voor de toekomstige ontwikkelingen in de gemeente. De opgave voor Lansingerland is waar mogelijk te sturen om de ruimtelijke ontwikkelingen bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit en identiteit.
In de structuurvisiekaart is het langetermijnperspectief voor de periode tot 2025 concreet ruimtelijk vertaald. Onderhavig plangebied is aangemerkt als 'studiezone herstructurering glas (naar nieuw glas, groen en water, bedrijven en wonen)'. Voor dit gebied is het volgende van toepassing:
Afbeelding 3.1 - Uitsnede Structuurvisie Lansingerland
Het mobiliteitsplan 'Lansingerland beweegt' bevat de hoofdlijnen van het verkeers- en vervoerbeleid van de gemeente Lansingerland tot 2020. Het bestaat uit een visiedocument, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 28 mei 2009. Het visiedocument beschrijft de huidige situatie, analyseert de belangrijkste knelpunten en beschrijft oplossingsrichtingen. Tevens vormt het een kader voor uitwerkingsnota's. Indien nadere uitwerkingen van het beleid worden gemaakt, moeten zij passen binnen de oplossingsrichtingen van het mobiliteitsplan.
De inhoud van het plan kan worden samengevat in de volgende missie: Lansingerland wil voor alle vervoerswijzen veilige netwerken bieden die het verkeer snel en efficiënt afwikkelen, met zo klein mogelijke effecten op mens, natuur en milieu.
Verder is een maatregelenpakket opgesteld. Het maatregelpakket bevat de belangrijkste verkeers- en vervoerprojecten, met een prioriteitstelling en een planning. Het maatregelpakket zal met enige regelmaat geactualiseerd worden.
In het maatregelpakket is de ontsluiting van de Voorafsche Polder opgenomen om het (agro)- logistiek vrachtverkeer over oude linten te ontlasten.
Onderhavig bestemmingsplan maakt de uitvoering van de maatregel uit het maatregelpakket van het gemeentelijk mobiliteitsplan mogelijk. Onderhavig plan past derhalve binnen de gestelde kaders van het gemeentelijk beleid.
Gemeente Lansingerland is voornemens om de Hoogseweg, gelegen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, te verlengen en aan te sluiten op het Kleihoogt. Hiermee ontstaat in combinatie met de aan te leggen Oostelijke Randweg Pijnacker een betere ontsluiting voor het glastuinbouwgebied rondom het Kleihoogt en de fietsverbinding tussen de kernen Zoetermeer en Pijnacker. Door Goudappel zijn de verkeerskundige effecten van het aansluiten van de Hoogseweg op het Kleihoogt beschreven, zie Bijlage 1 (Verkeerseffecten verbinding Hoogseweg - Kleihoogt, d.d. 21 augustus 2017).
Conclusie
De verlenging van de Hoogseweg in combinatie met de aanleg van de Oostelijke Randweg Pijnacker, zorgt voor een directere ontsluiting van de omgeving van het Kleihoogt met de hoofdwegenstructuur. Over de verlengde Hoogseweg zullen circa 2.000 mvt/etmaal gaan rijden. Deze intensiteiten voldoen aan de richtlijnen voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom.
Door de aanleg van de Verlengde Hoogseweg zullen vooral de Monnikenweg en Molenlaan rustiger worden. De bestaande Hoogseweg en Pastoor Verburchweg krijgen meer verkeer te verwerken, maar de intensiteiten blijven wel voldoen aan de richtlijnen van de wegencategorisering.
Door de aanleg van de Oostelijke Randweg en de aansluiting van de bestaande Hoogseweg hierop, gaat er via deze weg meer verkeer rijden van en naar de woonwijk Klapwijk. Het afsluiten van de bestaande Hoogseweg voor autoverkeer ter hoogte van de woonwijk Klapwijk vermindert de kans op sluipverkeer via deze route en heeft een verlagend effect op de verkeersintensiteiten van de wegen in de directe omgeving.
Door de aanleg van de Verlengde Hoogseweg met een vrijliggend fietspad verbeterd ook de fietsverbinding tussen de kernen Zoetermeer en Pijnacker. Tevens onstaat er een betere ontsluiting op het recreatieve fietsnetwerk.
Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht:
Gezien het feit dat een nieuwe weg via een ruimtelijk besluit mogelijk wordt gemaakt, moeten de voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere waarde in acht genomen voor geluidsgevoelige bestemmingen in de zone. Om hierin inzicht te verschaffen is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd ('Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verlenging Hoogseweg'; Tritium Advies; d.d. 6 december 2017; zie Bijlage 2).
Uit de vergelijking van de rekenresultaten in dit onderzoek blijkt dat er op een groot aantal toetspunten sprake is van een toename van de geluidbelasting. Bij enkele toetspunten (met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde) is tevens sprake van een toename van afgerond 2 dB of meer ten opzichte van de heersende waarde (peiljaar 2018).
Aanleg nieuwe weg
Voor het nieuw aan te leggen gedeelte van de Hoogseweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan Hoogseweg 22 en 29 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt.
Maatregelen
Omdat er sprake is van een reconstructie en een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het nieuw aan te leggen gedeelte van de Hoogseweg is onderzocht of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Er is gekeken naar de mogelijkheden om de geluidbelasting door middel van bron- en/of overdrachtsmaatregelen terug te brengen zodat het reconstructiecriterium en/of de voorkeurgrenswaarde niet meer overschreden wordt.
Bronmaatregelen
Bij maatregelen aan de geluidbron wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Bij een maximale snelheid van 60 km/uur zijn er twee oorzaken van geluidproductie, namelijk de mechanische geluiden van de automobielen en het geluid dat de banden op het wegdek maken. Mogelijke maatregelen zijn stillere voertuigen, verlaging van de maximum snelheid of een geluidreducerend wegdek.
Overdrachtsmaatregelen
Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of tussen geluidbron en ontvanger de geluidoverdracht belemmerd kan worden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de hoogst toelaatbare geluidbelasting ontmoet in de onderhavige situatie echter overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard.
Hogere waarde
Het aanleggen van een geluidscherm gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde in de onderhavige situatie ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Indien stiller wegdek wordt meegenomen in de plannen rondom de verlenging van de Hoogseweg of als maatregel wordt uitgevoerd gelden de in onderstaande tabel 4.1 aan te vragen hogere waarden.
| toetspunt | adres | toetshoogte (m) | aan te vragen hogere waarden (dB) | ||
| Nieuw gedeelte Hoogseweg | Verlengde Hoogseweg | Kleihoogt | |||
| t05a | Hoogseweg 29 | 1,5 en 4,5 | 49 | - | - |
| t05c | Hoogseweg 29 | 1,5 en 4,5 | 50 | - | - |
Tabel 4.1 - aan te vragen hogere waarden (bij toepassing van stiller wegdek)
Indien het toepassen van stiller wegdek toch overwegende bezwaren ontmoet (bijvoorbeeld van financiële aard) gelden de in tabel 4.2 opgenomen hogere waarden.
| toetspunt | adres | toetshoogte (m) | aan te vragen hogere waarden (dB) | ||
| Nieuw gedeelte Hoogseweg | Verlengde Hoogseweg | Kleihoogt | |||
| t05a | Hoogseweg 29 | 1,5 en 4,5 | 52 | 52 | - |
| t05b | Hoogseweg 29 | 4,5 | - | 50 | - |
| t05c | Hoogseweg 29 | 1,5 en 4,5 | 53 | - | - |
| t06b | Hoogseweg 22 | 1,5 en 4,5 | 50 | - | - |
| t06c | Hoogseweg 22 | 1,5 | 49 | - | - |
| 4,5 | 50 | - | - | ||
| t12a | Kleihoogt 40D | 4,5 | - | - | 51 |
| t14a | Kleihoogt 40 | 4,5 | - | - | 51 |
| t19a | Kleihoogt 49A | 4,5 | - | - | 50 |
| t19b | Kleihoogt 49A | 1,5 en 4,5 | - | - | 52 |
| t19c | Kleihoogt 49A | 1,5 | - | - | 50 |
Tabel 4.2 - aan te vragen hogere waarden (zonder maatregelen)
Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde dient voor de woning(en) waarop deze hogere waarde van toepassing is/zijn een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd te worden. Derhalve zijn in bijlage 9 tevens de gecumuleerde geluidbelastingen inzichtelijk gemaakt.
In het akoestisch onderzoek is enkel de situatie 'zonder knip' beschouwd. De situatie 'met knip' zal tot vergelijkbare resultaten leiden ten gevolge van de Hoogseweg. Voor de Kleihoogt resulteert de situatie 'met knip' in een verlaging van de geluidbelastingen met maximaal 1 dB ten opzichte van de situatie 'zonder' knip.
Er zijn gezien het vorenstaande betreffende het aspect geluid geen bezwaren de verlenging van de Hoogseweg uit te voeren. Er wordt in de uitvoering uitgegaan van de situatie zonder 'knip' en het toepassen van voornoemd stiller wegdek op de in de rapportage aangegeven plaatsen. Er wordt een procedure Hogere Waarde gevolgd voor de locatie Hoogseweg 29. De gemeente Pijnacker-Nootdorp neemt dat mee in het wijzigingsplan dat zij in procedure gaan brengen ten behoeve van onderhavige ontwikkeling. Daarbij zal er ook een nader onderzoek naar de geluidwering op de gevels/gevelmaatregelen worden uitgevoerd. Dit onderzoek begint met een bouwkundige opname ter plaatse en leidt hoogstwaarschijnlijk tot het toepassen van geluidwerende maatregelen (conform het nadere onderzoek).
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). NO2 moet voldoen aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en uurgemiddelde grenswaarde van 200 µg/m3. PM10 moet voldoen aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en 24-uursgemiddelde concentratie van 50 µg/m3. PM2,5 moet voldoen aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3.
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
Daarnaast is in de Regeling NIBM een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten:
Woningbouw:
Kantoorlocaties:
In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
Beoordelingspunten
De luchtkwaliteit langs wegen wordt volgens de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit (Rbl, 2007) op een representatief punt, op een afstand van maximaal 10 m vanaf de rand van de weg beoordeeld. In verband met het blootstellingcriterium opgenomen in artikel 22 van de Rbl en het toepasbaarheidsbeginsel opgenomen in artikel 5.19 van de Wm is het mogelijk om in een aantal situaties van deze afstand af te wijken. Volgens het blootstellingcriterium wordt de luchtkwaliteit op locaties beoordeeld waar mensen aan de hoogste concentraties blootgesteld kunnen worden gedurende een periode die significant is ten opzichte van de middelingtijd van de betreffende grenswaarde. Zo wordt bij de jaargemiddelde NO2 grenswaarde getoetst daar waar langdurige blootstelling plaats kan vinden (vergeleken met de middelingtijd van een jaar) – bijvoorbeeld aan de gevel van woningen. Terwijl bij de 24-uurgemiddelde grenswaarde van PM10 zijn plaatsen als tuinen bij woningen en sportcentra relevant, waar mensen blootgesteld kunnen worden gedurende een periode vergeleken met de middelingtijd van een dag. Het toepasbaarheidsbeginsel geeft aan waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden – bijvoorbeeld “locaties waar leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is”.
Voor dit plan heeft de DCMR Milieudienst Rijnmond onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit ('Luchtaspecten bestemmingsplan Verlengde Hoogseweg Lansingerland'; d.d. 4 december 2017; zie Bijlage 3).
Met behulp van het verkeersmodel Haaglanden zijn de veranderingen in de verkeersstromen doorgerekend voor de relevante wegen. Deze stromen zijn verdeeld over de voertuigcategorieën (zwaar (ZV), middelzwaar (MV), licht verkeer(LV)). De verkeerscijfers zijn in onderstaande tabel 4.3 opgenomen.
| type | jaar | Hoogseweg | Kleihoogt Noord | Kleihoogt Zuid |
| LV | 2018 | 45 | 737 | 737 |
| MV | 2018 | 3 | 138 | 138 |
| ZV | 2018 | 3 | 16 | 16 |
| Totaal | 2018 | 51 | 891 | 891 |
| LV | 2029 | 2.456 | 276 | 1.667 |
| MV | 2029 | 106 | 51 | 311 |
| ZV | 2029 | 90 | 6 | 37 |
| Totaal | 2029 | 2.651 | 333 | 2.015 |
Tabel 4.3 - Verkeerscijfers Hoogseweg en Kleihoogt (2018 en 2029)
Met deze verkeersgegevens is een berekening uitgevoerd met behulp van de NSL Rekentool naar de concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10 en PM2.5) en roet (EC). In tabel 4.4 zijn de berekende concentraties voor beide jaren weergegeven.
| Concentratie (µ g/m2) | |||||
| Jaar | NO2 | PM10 | PM2.5 | EC | |
| Hoogseweg | 2018 | 21,1 | 19,7 | 11,9 | 0,64 |
| Hoogseweg | 2029 | 15,0 | 17,1 | 9,6 | 0,40 |
| Kleihoogt Noord | 2018 | 20,7 | 19,3 | 11,6 | 0,63 |
| Kleihoogt Noord | 2029 | 14,4 | 16,8 | 9,4 | 0,39 |
| Kleihoogt Zuid | 2018 | 21,6 | 19,5 | 11,8 | 0,65 |
| Kleihoogt Zuid | 2029 | 15,2 | 17,0 | 9,5 | 0,40 |
Tabel 4.4 - Concentraties langs wegen in 2018 en 2029
De wettelijke grenswaarde voor zowel NO2 als PM10 is 40 microgram per kubieke meter (µg/m3). Voor PM2.5 bedraagt de grenswaarde 25 µg/m3. Voor roet (EC) is geen grenswaarde vastgesteld.
De berekeningen laten zien dat langs de beide wegen ruim aan de grenswaarden wordt voldaan, ook op die plekken waar er meer verkeer gaat rijden dan nu het geval is.
Na realisatie van het plan wordt langs de voor dit plan relevante wegen voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
Algemeen
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen bestemmingen voor kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan alleen gemotiveerd mag worden afgeweken.
Groepsrisico (GR) en invloedsgebied
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Onderhavig plan maakt geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. Tevens is de ontsluitingsweg geen risicovolle activiteit die van invloed kan zijn op kwetsbare functies in de omgeving.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
Wet op de archeologische monumentenzorg
Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering.
De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven. Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden.
Besluit ruimtelijke ordening
Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.
Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland
De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom:
Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie.
Archeologische beleidsadvieskaart
In Lansingerland worden niet overal archeologische resten verwacht. De meeste kans op archeologische resten bestaat in de drie dorpskernen, die alle ontstaan zijn in de Late Middeleeuwen. In de gebieden waar wel iets verwacht wordt, worden vrijstellingsgrenzen gehanteerd. Pas als een plan deze vrijstellingsgrens overschrijdt, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De gemeente Lansingerland heeft een archeologische beleidskaart en -nota opgesteld, zie de uitsnede voor het plangebied in afbeelding 4.2.
Afbeelding 4.2 - Uitsnede Archeologische kaart
Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart ligt het tracé voor de Verlengde Hoogseweg binnen verwachtingszone IV (max. verstoring 500 m2 en 0,30 m –mv). Hiervoor geldt dat als de verstoring groter is dan het aangegeven oppervlak en dieper reikt dan de aangegeven diepte er onderzoek noodzakelijk is.
De aanwezige archeologische (verwachtings)waarde (zone IV) is op zowel de planverbeelding als in de planregels opgenomen ter bescherming van deze aanwezige waarde als dubbelbestemming “Archeologie-Waarde 4”.
Het aspect archeologie vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan.
Lansingerland heeft in 2013 haar eigen Bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart geeft een zo goed mogelijk beeld van de diffuse en chemische bodemkwaliteit in de gemeente Lansingerland en gaat over het hergebruiksbeleid voor grond en baggerspecie.
De functieverandering in het plangebied betreffen de aanleg van een weg en een fietspad. Een en ander wordt gesitueerd op grond die nu nog voor agrarisch gebruik is bestemd. Bij de toekomstige bestemming verkeersdoeleinden worden geringe eisen aan de bodemkwaliteit gesteld. Rondom het plangebied hebben in het verleden verschillende bodemonderzoeken plaatsgevonden (zie daarvoor de toelichting van het moederplan Oostland-Berkel).
Voordat de werkzaamheden binnen het plangebied worden uitgevoerd dient de bodemkwaliteit te worden onderzocht door middel van een verkennend bodemonderzoek. Daartoe wordt momenteel een onderzoek uitgevoerd door Van der Helm.
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Om natuurwaarden in Nederland te beschermen geldt de landelijke wet: Wet natuurbescherming (Wnb), waarin verwerkt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Wro (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Verordening Ruimte en Milieu (2014, actualisatie 2016); natuurbeheerplan 2017 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013. De Wnb implementeert de Europese regelgeving vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De meeste beschermde gebieden betreffen Natura 2000-gebieden.
Gebiedsbescherming
De Wnb bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. De wet schrijft onder voorwaarden voor dat een voortoets en/of een passende beoordeling voor het voornemen noodzakelijk is. De vergunningen omvatten allerlei voorwaarden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren.
PAS
Een wettelijk instrument om stikstofdepositie te reguleren is de op 1 juli 2015 ingevoerde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het instrument moet voorkomen dat beschermde gebieden worden aangetast als gevolg van een toenemende stikstofdepositie. De toegevoegde stikstofdepositie als gevolg van economische activiteiten wordt met generieke nationale maatregelen gecompenseerd.
Soortenbescherming
De Wnb regelt de soortenbescherming in Nederland. De wet is opgezet als een wet die alle schade aan soorten verbiedt, behalve als er dwingende redenen van belang zijn om hiervan af te kunnen wijken. Dan wordt een ontheffing van de verbodsartikelen verleend. Er gelden drie beschermingsregimes. De wet geeft op basis van drie verschillende beschermingsregimes aan welke soorten met een ontheffingsplicht dan wel andere wettelijke instrumenten als ecologische werkprotocollen en goedgekeurde gedragscodes worden beschermd. De wet voorziet in de bevoegd gezag rol van provincies die in haar eigen verordeningen nog soorten zwaarder kan beschermen. Daarnaast bevat de Wnb "de zorgplicht", die stelt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.
Door bureau Schenkeveld is een natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan, zie Bijlage 4 (Natuurtoets, d.d. 15 augustus 2017).
Gebiedsbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkenbosch op meer dan 10 km naar het noordwesten. Verder is er hier geen sprake van houtopstanden in de zin van de Wet natuurbescherming.
Toetsing aan de Verordening Ruimte Zuid-Holland (2014 en herzien in 2016) is niet aan de orde, omdat in artikel 2.3.2 lid 1 uitdrukkelijk wordt vermeld dat alleen toetsing van bestemmingswijziging binnen de begrenzing van het NNN verplicht is. Hier geldt geen externe werking.
Soortenbescherming
Het plangebied heeft nauwelijks natuurwaarden. Deze concentreren zich in de erfbeplanting aan de uiterste oostzijde. Hier groeien enkele karakteristieke kleibosplanten als Speenkruid, Vogelkers en nestelt Merel. De betekenis van het plangebied als foerageer- en pleisterplek van wintervogels zoals Grauwe gans, Kolgans, Kievit en Wulp is gering.
Ook de betekenis van het plangebied voor vleermuizen is niet groot. Deze vliegen en foerageren alleen langs de beplante wegen zoals het westelijk deel van de Hoogseweg en het Kleihoogt.
Bij de aanleg van de Verlengde Hoogseweg worden geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Voorwaarde is dat de erfbeplanting buiten het broedseizoen wordt weggehaald. Verder wordt aanbevolen de nieuwe sloot niet te beschoeien en bomen in de bermen van de weg te planten. Tenslotte wordt vanuit de zorgplicht gevraagd bij het grondverzet inclusief slootdemping rekening te houden met aanwezige dieren als Bruine kikker, Kleine modderkruiper en Veldmuis door deze voorafgaand aan de werkzaamheden weg te vangen en weg te houden.
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld.
Nationaal Waterplan
Op 10 december 2015 is Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) vastgesteld en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 en de partiële herziening. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP is bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het NWP legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
De ambities die in dit Waterplan centraal staan zijn:
Voor de gebieden waar het Rijk verantwoordelijkheden heeft op gebeid van waterveiligheid en zoetwater, zijn er gebiedsgericht uitwerkingen opgenomen in het NWP.
Provinciaal beleid
De provincie Zuid-Holland heeft een ontwerpplanherzieningsbesluit genomen voor haar waterbeleid. Het Waterbeleid 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015.
Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:
In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven.
Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap Delfland
Het plangebied ligt in het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op 19 november 2015 heeft Delfland het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) vastgesteld. In het WBP wordt de strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het WBP is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 en is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen.
De werkzaamheden en projecten voor de komende planperiode zijn terug gebracht tot vier speerpunten:
Beleidsregel veendijken
In 2007 is de Beleidsregel Veendijken door het Hoogheemraadschap van Delfland vastgesteld. De hoofdregel van de beleidsregel is dat het college geen vergunning verleent voor het verrichten van werkzaamheden en het hebben of aanbrengen van werken in, op, onder en boven de kernzone van een veendijk. De beleidsregel heeft niet tot doel om het effectief en efficiënt verbeteren van het waterkerend vermogen van veendijken te belemmeren.
Daartoe introduceert de beleidsregel een aantal uitzonderingen op de hoofdregel. De doelstellingen bij verbeteringen van veendijken zijn:
Naar aanleiding van de leerwijziging die in april 2017 heeft plaatsgevonden, is de polderkade tussen de twee polders (zie zwarte lijn in afbeelding 4.3) afgewaardeerd tot peilscheiding. Bovenstaande is daardoor niet langer van toepassing op onderhavige partiële herziening. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering', zoals deze in het vigerende bestemmingsplan 'Oostland-Berkel' is opgenomen is dientengevolge niet meer opgenomen in onderhavige partiële herziening.
Afbeelding 4.3 - Uitsnede beleidsregel veendijken
Handreiking watertoets voor gemeenten
In de Handreiking Watertoets licht Delfland de procedures en de toetscriteria bij ruimtelijke ontwikkelingen toe. De watertoets omvat een beschrijving van het effect van het ruimtelijke initiatief op de waterhuishouding en van de wijze waarop eventuele negatieve effecten worden gecompenseerd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn een aantal aspecten van belang:
Veiligheid en waterkeringen
In het moederplan 'Oostland-Berkel' is uitvoerig ingegaan op de waterbergingsopgave in het gebied. De waterberging in de Voorafsche Polder is inmiddels gereed en in werking. Het gaat om een polderberging van 35.000 m3 om een knelpunt met betrekking tot wateroverlast door neerslag als gevolg van klimaatverandering en intensivering van het glasoppervlak op te lossen. Hetoplossen van het knelpunt op de Binnenboezem / Noordeindsevaart als gevolg van windopzet en hoge waterstanden door een piekberging van 21.000 m3. Door deze maatregelen wordt gezorgd voor een veilige polder voor bewoners en ondernemers.
In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen waterkering gelegen, welke in planologische zin relevant is.
Voorkomen van wateroverlast
Langs de Hoogseweg (grondgebied gemeente Pijnacker-Nootdorp) is aan twee zijden een watergang gesitueerd, welke beide eindigen gelijktijdig met het eind van de Hoogseweg en de gemeentegrens, nabij huis nummer 29 en 22. De watergangen liggen in de Oude Polder met een peilgebied van 3,10/2,70 m - NAP. Hier geldt een zomer- en winterpeil.
In het verlengde van de Hoogseweg, ter plaatse van onderhavig plangebied, loopt een watergang langs het tuinbouwperceel richting het Kleihoogt Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland. Deze watergang is gelegen in de polder Berkel met het peilgebied van 3,20 - NAP. In dit peilgebied geld een vast peil.
De poldergrens tussen Oude polder van Pijnacker en Berkel loopt ten westen van de watergang naast huisnummer 29.
Afbeelding 4.4 - Peilgebieden
Ontwerp
Met het doortrekken van de Hoogseweg en aanleg van een vrij liggend fietspad tot aan het Kleihoogt dient de waterhuishouding hierop aangepast te worden, rekening houdend met de aanwezige peilscheiding. Om te voorkomen dat de Oude Polder gaat lozen op de polder van Berkel dient er een duidelijke scheiding te worden gehouden tussen de twee peilgebieden.
In de huidige situatie loost de watergang naast huisnummer 29 nog richting Berkel, deze koppeling dient te worden verwijderd
De peilgebieden worden in de nieuwe situatie van waterstructuren gescheiden door een dam of een keerschot. De watergangen liggend in hetzelfde peilgebied worden verbonden middels een duiker met een minimale diameter van 600 millimeter om zo de doorstroming te garanderen.
Dempen / graven
De huidige watergang aan de noordzijde van de Hoogseweg, grenzend aan de manege, wordt gedempt om ruimte te creëren voor een vrij liggend fietspad. Het te dempen wateroppervlak aan de noordzijde van de Hoogseweg wordt volledig gecompenseerd aan de zuidzijde van de Hoogseweg. De te verbreden watergang aan de zuidzijde wordt minimaal 4,50 meter breed op de waterlijn.
Langs de Verlengde Hoogseweg (Polder Berkel) blijft de bestaande watergang aan de zuidzijde in de huidige situatie gehandhaafd. Ten noorden van de Verlengde Hoogseweg wordt een nieuwe perceelsloot gegraven met een minimale waterlijn breedte van 2,50 meter. Deze watergang functioneert als afscheiding tussen het tuinbouwperceel en fietspad en zorgt tevens voor een optimale afwatering van aangrenzende percelen.
Ter plaatse van de twee toegangsdammen naar het toekomstige tuinbouwperceel worden duikers aangebracht om de doorstroming van de perceelsloot te garanderen.
De aansluiting van de Verlengde Hoogsweg op het Kleihoogt wordt gerealiseerd met de aanleg van een dam met duiker. Het te dempen deel aan wateroppervlak wordt volledig gecompenseerd met het graven van de nieuwe perceelsloot ten noorden van de Verlengde Hoogseweg.
Met de aanleg van de Verlengde Hoogseweg, breed 5,50 meter (310 m1) en een naastliggend fietspad, breed 3,50 meter (300 m1) wordt er 2.750 m2 verhard oppervlak gerealiseerd. Er wordt ter compensatie circa 570 m2 extra oppervlaktewater gegraven.
Grondwater en voorkomen (zoet)watertekort
De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit zware klei (bron: mapsbodemdata.nl). Er is sprake van grondwatertrap VI met een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 0,4 - 0,8 m beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand van meer dan 1,2 m beneden maaiveld.
De aanleg van de nieuwe infrastructuur zal geen invloed hebben op de grondwaterstand. De afwatering van het verhard oppervlak zal middels een vertraagde afvoer via de bermen naar het oppervlaktewater stromen. Met de wijziging van het verhard oppervlak glas (geen vertraagde afvoer) naar verhard oppervlak wegen en groen zal de invloed op peilstijging van ht oppervlaktewater afnemen.
Onderhoud en bagger
De watergangen langs de nieuwe weg hebben een reedte variërend van 2,50 meter tot 5,00 meter. Het onderhoud van de watergangen kan vanaf de naastliggende wegen en bermen worden uitgevoerd met een mobiele kraan. De vrije ruimte tussen watergang en wegen is 5,00 meter tot 6,00 meter en is voldoende om de vrijkomende baggerspecie en maaisel op de kant af te zetten. De onderhoudsplicht voor deze wategangen ligt bij de (particuliere) eigenaren.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De waterhuishouding wordt in beide peilvakken verbeterd door het realiseren van betere verbindingen en verbreding van een bestaande watergang Tevens wordt er meer wateroppervlak gerealiseerd wat bijdraagt aan de kwaliteit.
Alle aan te leggen watergangen en te verbreden watergangen worden gerealiseerd met een onderwaterbeschoeiing en een minimaal talud van 1:3. Hiermee wordt een natuurvriendelijke oever gecreëerd dat bijdraagt aan de kwaliteit van flora en fauna.
Afvalwaterketen
Onder het kopje 'Grondwater en voorkomen (zoet)watertekort' is reeds op de afwatering van het verhard oppervlak ingegaan. Bij de nieuwe infrastuctuur is net als bij omliggende wegen sprake van een normaal wegdektype; dicht asfaltbeton.
Het verlengen van een bestaande autoweg is een activiteit als bedoeld in het Besluit Milieueffectrapportage (categorie D1.1). Alhoewel de lengte van het nieuwe weggedeelte ruimschoots onder de drempelwaarde van 5 kilometer ligt, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Op grond van recente wijzigingen van het Besluit Milieueffectrapportage moet het besluit om geen MER te verlangen separaat (als zelfstandig besluit) worden genomen.
In het onderhavige geval gaat het om een smalle landweg met een beperkte lengte en capaciteit. Uit de onderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan blijkt dat de milieuconsequenties van het plan gering zijn. Voor luchtkwaliteit wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Door het toepassen van stil asfalt op verschillende plekken, om de geluidbelasting bij de aanwezige woningen te verlagen, wordt ook de geluidbelasting beperkt gehouden. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn dan ook niet aan de orde. Bovendien heeft het plan niet zo zeer een toename van verkeersbewegingen tot gevolg maar een wijziging van de locatie van verkeersbewegingen. Door de verbeterde bereikbaarheid wordt immers omrijden voorkomen. Er is dan ook eerder sprake van een positieve ontwikkeling voor de milieukwaliteit dan een negatieve. Het plangebied is gelegen in een glastuinbouwgebied en er zijn geen kwetsbare gebieden in de omgeving van het plangebied.
Het bovenstaande in aanmerking genomen besluit het college dat een MER voor dit deelplan niet noodzakelijk is (zie Bijlage 5).
De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen). De planregels bij het bestemmingsplan zijn als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingen zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Hoofdstuk 3, Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn. Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4.
Inleidende regels
Begrippen
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan en hoe gemeten dient te worden.
Bestemmingsregels
Verkeer - Wegverkeer
De Verlengde Hoogseweg heeft de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' gekregen, waarbinnen erftoegangswegen, met bijbehorende fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten bermsloten alsmede hieraan ondergeschikte voorzieningen zijn toegestaan.
Waarde - Archeologie 4
De bestemming 'Waarde - Archeologie 4' is ten behoeve van de gronden binnen het plangebied met een archeologische verwachtingswaarde.
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels
In deze bepalingen wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Slotregel
Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het plan.
Op de verbeelding, zijn de binnen het plangebied gelegen percelen voorzien van een passende bestemming, conform de in de regels gehanteerde indeling. Daarnaast zijn middels dubbelbestemmingen de archeologische zones weergegeven, waarbinnen een bijzondere beschermingsregeling geldt. De aanduidingen geven, daar waar noodzakelijk, een specifieke bepaling per (bouw)perceel weer. In de regels worden, zoals bovenstaand toegelicht, bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen van een juridische bepaling voorzien.
Het voorontwerp bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor vooroverleg opgestuurd naar de overlegpartners. In Bijlage 6 zijn de ontvangen overlegreacties opgenomen en is de gemeentelijke beoordeling op deze overlegreacties weergegeven, waarbij gemotiveerd is aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het bestemmingsplan is overgegaan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform wettelijke vereisten op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes weken ter inzage gelegen in de periode van 27 december 2017 tot en met 6 februari 2018. Gedurende de termijn van terinzagelegging is gelegenheid geboden om zienswijzen naar voren te brengen; er is één zienswijze naar voren gebracht. De resultaten van deze zienswijzeprocedure zijn gebundeld in de Nota zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 7.
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd.
Aangezien bij realisatie van de Verlengde Hoogseweg de gronden in eigendom zullen zijn verkregen van de gemeente Lansingerland, is verhaal van kosten niet aan de orde.