direct naar inhoud van Regels
Plan: Westpolder/Bolwerk 2012, deelplan 4 West
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0104U17-VAST

Regels

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Van toepassing verklaring

Op dit uitwerkings- en wijzigingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012", vastgesteld op 28 maart 2013 door de gemeenteraad van Lansingerland, van toepassing, voor zover in de regels van dit uitwerkings- en wijzigingsplan niet anders is bepaald en met dien verstande dat in geval van discrepantie tussen de regels van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" en het uitwerkings- en wijzigingsplan, de regels van het uitwerkings- en wijzigingsplan van toepassing zijn.

Artikel 2 Begrippen

Ter aanvulling op de begripsbepalingen van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" wordt in deze regels verstaan onder:

2.1 plan

het uitwerkings- en wijzigingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012, deelplan 4 West" met identificatienummer NL.IMRO.1621.BP0104U17-VAST van de gemeente Lansingerland.

2.2 uitwerkings- en wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen.

2.3 geluidluwe buitenruimte

een buitenruimte bij een woning, bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe gevel/zijde van een woning, waarbij op 1,5 meter de cumulatieve geluidbelasting van wegverkeer niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde zonder aftrek (= 53 dB) en/of de geluidsbelasting van railverkeer niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde (= 55 dB).

2.4 geluidluwe gevel

een gevel van een woning, niet-zijnde een scheidingsgevel met een andere woning, waarop de cumulatieve geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde zonder aftrek (= 53 dB) en/of de geluidsbelasting van railverkeer niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde (= 55 dB).

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. water;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen;
  • f. speelplaatsen en speelvoorzieningen;
  • g. in- en uitritten;
  • h. voorzieningen van algemeen nut;
  • i. ontsluitingen ten behoeve van calamiteitenverkeer;

met de daarbij behorende bouwwerken en bij de bestemming behorende voorzieningen.

3.1.2 Specifiek

Ter plaatse van de aanduiding:

  • a. 'specifieke vorm van verkeer – zoekgebied rotonde' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien aanleg van een rotonde noodzakelijk is én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder;
  • b. 'specifieke vorm van verkeer– zoekgebied aansluiting N471' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' en de aanduiding 'geluidscherm' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld) indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van verkeer(sveiligheid) en/of akoestiek onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder(s);
  • c. 'specifieke vorm van groen - zoekgebied water en groen' mag de situering van de bestemmingen 'Groen' en 'Water' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien de daadwerkelijke inrichting dat vereist én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water minimaal 8.283 m2 bedraagt, als er een geluidswal met geluidscherm langs de N471 gerealiseerd is of minimaal 9.260 m2 bedraagt als er geen geluidswal met geluidscherm langs de N471 gerealiseerd is of de minimale oppervlakte die is vastgelegd in de watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland, tenzij de wateroppervlakte die vergund is door het hoogheemraadschap minimaal gerealiseerd wordt.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

3.2.2 Gebouwen

Op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m²;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
3.2.3 Andere bouwwerken

Op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen andere bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingen, waaronder bruggen, overige kunstwerken en straatmeubilair, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.

3.3 Afwijken van de gebruiksregels
3.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 3.1 voor het gebruik van maximaal 10% van het bestemmingsvlak ten behoeve van de aanleg van halfverharde parkeervoorzieningen.
3.3.2 Algemene randvoorwaarden voor afwijken van de gebruiksregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits:

  • a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde, inclusief de bijbehorende randvoorwaarden voor de woning en buitenruimte van die hogere grenswaarde;
  • b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op:
    • 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbaar gebied, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het gewenste voorzieningenniveau;
    • 5. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 6. de bebouwingsmogelijkheden; gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 7. het milieu;
  • c. de verkeersaantrekkende werking in overeenstemming is met de functie en vormgeving van de wegen in de nabije omgeving;
  • d. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte, waarbij dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.

Artikel 4 Verkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woonstraten, woonerven en pleinen;
  • b. fietspaden en/of -stroken en voetpaden;
  • c. een parkeergarage;
  • d. ongebouwde parkeervoorzieningen;
  • e. overdekte fietsenstallingen;
  • f. geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen;
  • g. voorzieningen van algemeen nut;
  • h. bermen, groenvoorzieningen en water;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. speelplaatsen en speelvoorzieningen;
  • k. standplaatsen voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam of een wagen;
  • l. in- en uitritten;

met de daarbij behorende bouwwerken.

4.1.2 Specifiek

Ter plaatse van de aanduiding:

  • a. 'geluidscherm' moet een geluidscherm langs de N471 gerealiseerd en in standgehouden worden met een hoogte van minimaal 2 m (wal + scherm) conform het akoestisch onderzoek, opgenomen als bijlage 3 bij de regels;
  • b. 'specifieke vorm van verkeer – zoekgebied rotonde' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien aanleg van een rotonde noodzakelijk is én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder;
  • c. 'specifieke vorm van verkeer - zoekgebied aansluiting N471' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' en de aanduiding 'geluidscherm' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld) indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van verkeer(sveiligheid) en/of akoestiek onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder(s);
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

4.2.2 Gebouwen en overkappingen

Op of in de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m²;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de grondoppervlakte van een overdekte en/of gebouwde fietsenstallingen, inclusief beheerdersloge, mag niet meer bedragen dan 1.750 m2;
  • d. de bouwhoogte van een overdekte en/of gebouwde fietsenstalling, inclusief beheerdersloge, mag niet meer bedragen dan 4,5 m.
4.2.3 Bestaande parkeergarage

Op of in de in lid 4.1 bedoelde gronden mag de bestaande parkeergarage binnen het bouwvlak behouden blijven met inachtneming van de volgende regels:

  • a. op de bestaande parkeergarage mag een derde parkeerlaag worden gebouwd tot een bouwhoogte van 10,5 m;
  • b. op de parkeergarage mogen niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten dienste van de parkeergarage of de aangrenzende woningen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m boven de toegestane bouwhoogte.
  • c. op de parkeergarage mogen overkappingen voor zonnepanelen worden gebouwd boven de parkeerplaatsen die niet aan de buitenrand grenzen, mits voorzien van een stedenbouwkundig advies, waarbij:
    • 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,5 m boven de toegestane bouwhoogte;
    • 2. er door de zonnepanelen geen spiegeling/reflectie plaatsvindt naar/voor omliggende woningen.
4.2.4 Andere bouwwerken

Op of in de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen andere bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingen, waaronder straatmeubilair, bruggen en overige kunstwerken, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor:

  • a. het toevoegen van een vierde parkeerlaag aan de parkeergarage indien dit vanuit de parkeerbehoefte van het plangebied, omliggende plangebieden en/of het openbaar vervoer noodzakelijk is en de bouwhoogte niet meer dan 14 meter bedraagt, waarbij op de parkeergarage niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten dienste van de parkeergarage of de aangrenzende woningen mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.
4.3.2 Algemene randvoorwaarden voor het afwijken van de bouwregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits;

  • a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde, inclusief de bijbehorende randvoorwaarden voor de woning en buitenruimte van die hogere grenswaarde;
  • b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op:
    • 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het aantal en de bruikbaarheid van parkeervoorzieningen;
    • 5. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 6. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 7. het milieu.
  • c. de verkeersaantrekkende werking in overeenstemming is met de functie en vormgeving van de wegen in de nabije omgeving.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Parkeervoorzieningen
  • a. Het is verboden de gronden zodanig te gebruiken dat geen gebruik kan worden gemaakt van de in lid 7.1.2 bedoelde parkeervoorzieningen.
  • b. Langsparkeervakken in openbaar gebied hebben een minimale breedte van 2 m;
  • c. Ter plaatse van haaksparkeren in openbaar gebied is de totale breedte van de rijbaan en het haaksparkeervak minimaal 11 m.
4.4.2 Profielen in het openbaar gebied
  • a. De minimale wegbreedte van de woonstraten is 5 m. Voorkeur hierin is een bestraatte rijbaanbreedte van 4,8 m met een strook van grasbetontegels of gestabiliseerd gras (0,3 m) aan de berm of parkzijde;
  • b. Trottoirs hebben een minimale breedte van 1.80 m.

Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woonstraten, woonerven en pleinen, waar auto's niet zijn toegestaan;
  • b. calamiteitenontsluiting;
  • c. fietspaden en/of -stroken en voetpaden;
  • d. voorzieningen van algemeen nut;
  • e. bermen, groenvoorzieningen en water;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. in- en uitritten;
  • h. geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

5.2.2 Andere bouwwerken

Op of in de in lid 5.1.1 bedoelde gronden mogen andere bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. overige andere bouwwerken, zoals bruggen, kunstwerken, straatmeubilair en geluidsafschermende voorzieningen mogen worden gebouwd waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10 m.

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Algemeen

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water;
  • b. de waterhuishouding (waterberging, -aanvoer en -afvoer, (hoofd)watergangen, e.d.);
  • c. taluds;
  • d. groenvoorzieningen.
6.1.2 Specifiek

Ter plaatse van de aanduiding:

  • a. 'specifieke vorm van verkeer – zoekgebied rotonde' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien aanleg van een rotonde noodzakelijk is én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder;
  • b. 'specifieke vorm van verkeer - zoekgebied aansluiting N471' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' en de aanduiding 'geluidscherm' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld) indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van verkeer(sveiligheid) en/of akoestiek onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder(s);
  • c. 'specifieke vorm van groen – zoekgebied water en groen' mag de situering van de bestemmingen 'Groen' en 'Water' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien de daadwerkelijke inrichting dat vereist én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water minimaal 8.283 m2 bedraagt, als er een geluidswal met geluidscherm langs de N471 gerealiseerd is of minimaal 9.260 m2 bedraagt als er geen geluidswal met geluidscherm langs de N471 gerealiseerd is of de minimale oppervlakte die is vastgelegd in de watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland, tenzij de wateroppervlakte die vergund is door het hoogheemraadschap minimaal gerealiseerd wordt.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming en kunstwerken, zoals bruggen en dammen (al dan niet met duikers), ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende (langzaam) verkeers- en/of woonbestemmingen en/of onderhoudsdoeleinden worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.

6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor:

  • a. de bouw van vlonders, aanlegplaatsen en/of kaden, indien de waterstaatkundige belangen dit gedogen. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • b. de bouw van andere bouwwerken tot een bouwhoogte van maximaal 5 m, indien de waterstaatkundige belangen dit gedogen. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij de waterbeheerder.
6.3.2 Algemene randvoorwaarden voor het afwijken van de bouwregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits;

  • a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde, inclusief de bijbehorende randvoorwaarden voor de woning en buitenruimte van die hogere grenswaarde;
  • b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op:
    • 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het aantal parkeervoorzieningen
    • 5. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 6. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 7. het milieu.
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in de Algemene gebruiksregels, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van water als ligplaats en/of opslag van boten en overige zaken.

6.4.2 Vergunning waterbeheerder

Voor werkzaamheden aan of in deze bestemming, niet behorende tot het normale onderhoud, dient een (Keur)vergunning te worden aangevraagd bij de waterbeheerder.

Artikel 7 Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maximaal 355 woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of webwinkel waarvan:
    • 1. minimaal 30 sociale huurwoningen;
    • 2. maximaal 300 gestapelde woningen (appartementen en bebo's);
    • 3. maximaal 160 grondgebonden woningen (dus excl. bebo's);
  • b. tuinen en erven;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen;
  • d. woonstraten, woonerven en pleinen, fietspaden en/of -stroken en voetpaden, voorzieningen van algemeen nut, speelplaatsen en speelvoorzieningen en in- en uitritten;
  • e. parkeervoorzieningen, al dan niet in de vorm van parkeerkoffers, en de ontsluiting daarvan, met dien verstande dat parkeerkoffers uitsluitend tussen de woningen gerealiseerd mogen worden, dus niet op hoeken.

met de daarbij behorende bouwwerken.

7.1.2 Specifiek
  • a. ten behoeve van de bestemming 'Wonen' dienen binnen de bestemming 'Wonen' of binnen de aangrenzende bestemming 'Verkeer' per woning en woningtype, tenminste de in onderstaande tabel opgenomen parkeerplaatsen te worden aangelegd en in stand gehouden te worden. Daar bovenop dienen er per woning 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers te worden aangelegd en in stand gehouden te worden.
  Parkeernomen  
Woningtype    
Appartementen    
Sociale huur   0,65  
Betaalbare huur   1,0  
Betaalbare koop   1,15  
Beneden-Boven woningen *    
Benedenwoning (betaalbaar+)   1,05  
Benedenwoning (betaalbaar-)   0,9  
Bovenwoning (betaalbaar-)   0,9  
Rij- en hoekwoningen    
Rij (middenduur)   1,2  
Hoek (middenduur)   1,2  
Rij (duur)   1,4  
Hoek (duur)   1,4  

* bij beneden-bovenwoningen wordt in het parkeeronderzoek verschil gemaakt in verschillende prijsklasse, hier kort aangeduid met '+' of '-'.

Voor zover de tabel geen passende parkeernorm biedt en voor de maatschappelijke voorzieningen als genoemd in artikel 7.2.2 b onder 3, dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid, tenzij op basis van het advies van verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, of het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers zijn toegestaan op zowel maaiveld als op een nieuw aan te leggen parkeerdek in de parkeergarage. Daarbij is dubbelgebruik van parkeervoorzieningen in de parkeergarage (bewoners, bezoekers, OV-reizigers) toegestaan, met dien verstande dat te allen tijde de parkeercapaciteit van twee parkeerlagen in de parkeergarage op werkdagen overdag aantoonbaar (d.m.v. parkeeronderzoek) beschikbaar blijft voor OVreizigers, alsmede dat de parkeercapaciteit van één parkeerlaag op werkdagavonden en -nachten aantoonbaar (d.m.v. parkeeronderzoek) beschikbaar blijft voor bewoners.

  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – zoekgebied rotonde' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld), indien aanleg van een rotonde noodzakelijk is én onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – zoekgebied aansluiting N471' mag de situering van de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water' en 'Wonen' en de aanduiding 'geluidscherm' worden aangepast (verschoven/uitgewisseld) indien dit noodzakelijk is uit het oogpunt van verkeer(sveiligheid) en/of akoestiek onder voorwaarde dat de hoeveelheid water gelijk blijft c.q. elders wordt gecompenseerd. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland en de wegbeheerder(s)
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – minimaal 20% groen' dient minimaal 20% van de oppervlakte van deze zone uitgevoerd te worden als openbaar toegankelijk groen of water;
  • e. ter plaatse van of binnen 50 m aan weerskanten van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - fietsverbinding' dient een fietsverbinding in twee richtingen te worden aangelegd tussen het fietspad langs de Zilvergracht en de Stationssingel met een minimale breedte van 3.50 m, al dan niet in combinatie met ontsluitingen voor ander verkeer;
  • f. ongeveer ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – hoogteaccent' is een hoogteaccent toegestaan, mits dit voldoet aan het bepaalde in artikel 7.1.l.
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - woonzorglocatie' zijn de gronden tevens bestemd voor een woonzorglocatie (met maximaal 24 niet-zelfstandige woningen en gemeenschappelijke ruimten voor de ondersteuning van de bewoners in hun dagelijkse activiteiten vanuit een (medische) zorgindicatie).

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouw van bouwwerken niet mag leiden tot het feit dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de in lid 7.1.2 bedoelde parkeervoorzieningen.

7.2.2 Hoofdgebouwen (woningen)
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - laagbouw' mag uitsluitend laagbouw, bestaande uit grondgebonden woningen en beneden-boven-woningen, worden gebouwd met een hoogte van maximaal 3 bouwlagen al dan niet met kap tot een goothoogte van maximaal 10 meter en tot een bouwhoogte van maximaal 14 meter. In afwijking hiervan mag de laagbouw grenzend aan de Stationssingel een maximale bouwhoogte van 16 meter bedragen, mits toepassing wordt gegeven aan artikel 7.2.2 j.
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoogbouw' mag zowel laagbouw als hoogbouw worden gebouwd, waarbij:
    • 1. laagbouw maximaal drie bouwlagen al dan niet met kap mag bedragen tot een goothoogte van maximaal 10 meter en tot een bouwhoogte van maximaal 14 meter. In afwijking hiervan mag de laagbouw grenzend aan de Stationssingel een maximale bouwhoogte van 16 meter bedragen, mits toepassing wordt gegeven aan artikel 7.2.2 j.;
    • 2. hoogbouw ter plaatse van de aanduiding 'maximaal bouwhoogte' mag maximaal vijf bouwlagen bedragen met een bouwhoogte van maximaal 20 meter. Als een kapconstructie wordt toegepast, dient deze een hoogte te hebben van minimaal zes meter;
    • 3. hoogbouw ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' en 'maximum bouwhoogte' mag maximaal zes bouwlagen al dan niet met kap bedragen met een goothoogte van maximaal 20 meter en een bouwhoogte van maximaal 25 meter, mits er in de eerste bouwlaag geen sprake is van wonen maar van maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van het wonen op de bovengelegen bouwlagen, zoals entrees, stijgpunten en bergingen;
    • 4. Indien hoogbouw grenst aan laagbouw mag hoogbouw uitsluitend worden gebouwd als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      • Bezonning - De bezonning van iedere woning moet minimaal voldoen aan de strenge norm van TNO. Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Het is geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind.
      • Zicht - het zicht vanuit de hoogbouw/ appartementen vormt geen inbreuk op de privacy van de buitenruimten/ tuinen van de laagbouw/ grondgebonden woningen. Balkons/ buitenruimten bevinden zich zo min mogelijk direct aan dezelfde zijde van nabij gelegen tuinen.
      • Programmatische relatie - plinten van hoogbouw/ gestapelde woningen/ appartementsgebouwen hebben een programmatische relatie met de nabij gelegen laagbouw/ grondgebonden woningen. Er zijn in ieder geval geen blinde gevels of achterkantsituaties.
  • c. de afstand van een laagbouwwoning tot het openbaar gebied is minimaal 1 meter, waarbij de laagbouwwoning maximaal 13 meter diep is exclusief bijbehorende bouwwerken;
  • d. een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen in het plangebied wordt niet verleend als er geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouw van het geluidsscherm langs de N471 conform de aanduiding 'geluidscherm' en het akoestisch onderzoek, opgenomen als bijlage 3 bij de regels;
  • e. de woningen in het plangebied mogen pas in gebruik worden genomen als het geluidscherm langs de N471 is gebouwd conform de aanduiding 'geluidscherm' en het akoestisch onderzoek, opgenomen als bijlage 3 bij de regels;
  • f. in aanvulling op d en e geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen in het plangebied niet wordt verleend indien niet is aangetoond dat elke woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte (niet zijnde een galerij, maar een balkon) en minimaal 1 geluidluwe gevel;
  • g. in afwijking van f hoeft de bouwlaag onder de kap van een woning niet te beschikken over een geluidluwe gevel, mits op de deze bouwlaag geen verblijfsruimten aanwezig zijn;
  • h. indien er erfafscheidingen grenzen aan openbaar gebied dan zijn deze groen en mee ontworpen en dienen de in de omgevingsvergunning te worden opgenomen én voorzien van een stedenbouwkundig advies, waarbij:
    • 1. bij hoekkavels de erfafscheidingen aan de voor- en zijkant in vormgeving gelijk zijn;
    • 2. de erfafscheiding zo is ontworpen en uitgevoerd dat de gehele achtertuin wordt omkaderd en er in principe geen toevoegingen nodig zijn om de privacy in de achtertuin te borgen. Dat wil zeggen dat de groene erfscheiding daar voldoende hoogte heeft en ook de parkeerplaats afschermt en/of andere toegangen/paden naar achtertuin of berging;
    • 3. de (groene) erfafscheiding is zo ontworpen en uitgevoerd dat de voorzijde gelijk is aan de zijkant tot en met de toegang tot de voordeur. Dat wil zeggen dat de groene erfscheiding daar laag is;
    • 4. alle toegangen in de (groene) erfafscheidingen van minimaal 1 meter hoog op het zij- c.q. achterf (tot parkeerplaats, berging, etc., m.u.v. tot voordeur) zijn afsluitbaar met een beweegbaar hekwerk.
  • i. indien woningen voorzien worden van een kap, dient de dakhelling tussen de 30° en 60° te bedragen;
  • j. in afwijking van i mogen de woningen grenzend aan de Stationssingel een dakhelling van maximaal 75° hebben, mits voorzien van een stedenbouwkundig advies;
  • k. de voor-, achter- en zijgevel(s) van het als eerste vergunde en gebouwde hoofdgebouw per kavel, zoals deze in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw zijn opgenomen, worden aangemerkt als de voor dat hoofdgebouw geldende bebouwingsgrenzen, welke niet door hoofdbebouwing mogen worden overschreden;
  • l. de kopgevels grenzend aan het openbaar gebied hebben minimaal een verbijzondering in het metselwerk (plint, reliëf van metselwerk) op de begane grond en een raam op de verdiepingen en zijn voorzien van een stedenbouwkundig advies;
  • m. ten aanzien van het bouwen is tevens het bepaalde in de Algemene gebruiksregels van toepassing;
  • n. woningen binnen de 35 meter zone vanaf de N471 (gemeten vanaf de rechterzijde van de rechter rijstrook) moeten voldoen aan artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012;
  • o. woningen moeten, waar mogelijk, minimaal één (nood-)uitgang van de N471 afgericht (in ieder geval niet gericht op de N471) hebben die in voldoende mate aansluit op de infrastructuur van de omgeving;
  • p. woningen binnen de 40 meter zone vanaf de N471 (gemeten vanaf de rechterzijde van de rechter rijstrook) moeten afsluitbare deuren, ramen en ventilatieopeningen én een luchtverversingssysteem hebben dat uitgeschakeld kan worden (artikel 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012);
  • q. voor woningen binnen de richtafstand van 10 meter van de (bestaande) parkeergarage dient gemotiveerd te worden aangetoond dat afwijking van deze richtafstand niet leidt tot overlast voor de woningen;
  • r. de voorgevel van hoofdgebouwen wordt georiënteerd op de openbare weg/openbaar gebied.
7.2.3 Dakkapellen

De goothoogte van een dakkapel wordt buiten beschouwing gelaten voor zover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. in het dakvlak waarop de dakkapel is voorzien, is nog geen dakkapel aanwezig;
  • b. de hellingshoek van het dakvlak waarop de dakkapel is voorzien bedraagt minimaal 30 graden;
  • c. de afstand van de bovenzijde boeiboord of daktrim tot de daknok bedraagt minimaal 0,5 m;
  • d. de afstand van de voet van de dakkapel tot de verdiepingsvloer bedraagt minimaal 0,5 m en maximaal 1 m;
  • e. de afstand van de zijkant van een dakkapel tot de binnenkant van de scheidingsmuur/-muren en/of de zijdelingse dakrand(en) bedraagt minimaal 1 m;
  • f. de maatvoering, vormgeving en situering gelijk is aan de dakkapellen die deel uitmaken van de omgevingsvergunning van de woningen in dezelfde typologie binnen deelplan 4 West van de wijk Westpolder/Bolwerk;
  • g. in afwijking van f dient, indien er nog geen dakkapellen zijn die deel uitmaken van de omgevingsvergunning van de woningen in dezelfde typologie binnen deelplan 4 West van de wijk Westpolder/Bolwerk, een dakkapel gelijk te zijn aan de optioneel aangeboden dakkapellen bij de oplevering van de woningen binnen deelplan 4 West of te zijn voorzien van een stedenbouwkundig advies.
7.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen
  • a. bij iedere woning mogen aan de achtergevel van het hoofdgebouw aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarbij:
    • 1. de diepte gemeten uit de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw niet meer dan 3 m mag bedragen; voor zover deze zijn gelegen tussen de zijgevels en/of scheidingsmuren van het als eerste per bouwperceel vergunde hoofdgebouw, zoals deze in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw zijn opgenomen;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m tot een maximum van 4 m;
    • 3. op de uitbouw zijn veiligheidsvoorzieningen, zoals een balustrade of borstwering, tot een bouwhoogte van 1,5 m toegestaan, tenzij het betreedbaar oppervlak zich dan binnen 2 m van een buurperceel bevindt;
  • b. bij iedere woning mogen aan de zijgevel van het hoofdgebouw aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarbij:
    • 1. de diepte gemeten uit:
      • de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw van aanbouwen en bijgebouwen niet meer dan 6 m mag bedragen, voor zover deze niet zijn gelegen tussen de zijgevels en/of scheidingsmuur van het als eerste per bouwperceel vergunde hoofdgebouw, zoals deze in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw zijn opgenomen;
      • in afwijking van het bovenstaande mag de maximale diepte van 6 m van aanbouwen en bijgebouwen, gemeten uit de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw doorgetrokken worden voorbij de zijgevel, waarbij:

- de breedte 25% mag bedragen van de achtergevel voor zover gelegen tussen de zijgevels en/of scheidingsmuur van het als eerste per bouwperceel vergunde hoofdgebouw, zoals deze in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw zijn opgenomen;

- de betreffende aanbouw en/of bijgebouw aansluit aan bovenstaande aanbouw en/of bijgebouw;

- geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

      • de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw van overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen;
      • de zijgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 3 m mag bedragen;
    • 1. de afstand tot:
      • de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw minimaal 1 m zal bedragen;
      • de zijdelingse perceelsgrens; grenzend aan openbaar gebied; minimaal 2 m zal bedragen;
      • de zijdelingse perceelsgrens; niet grenzend aan openbaar gebied; minimaal 1 m zal bedragen, tenzij de uitbreiding wordt gerealiseerd op de perceelsgrens;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 m tot een maximum van 4 m;
    • 3. op de uitbreiding zijn veiligheidsvoorzieningen, zoals een balustrade of borstwering, tot een hoogte van 1,5 m toegestaan, tenzij het betreedbaar oppervlak zich dan binnen 2 m van eenbuurperceel bevindt;
  • c. bij iedere woning mogen voor de voorgevel van het hoofdgebouw aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd in de vorm van;
    • 1. pergola's, waarbij geldt dat:
      • de diepte vanaf de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1,5 meter;
      • de hoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
      • het dakvlak niet gebruikt mag worden als dakterras;
      • de pergola geen gesloten wanden mag bevatten, met uitzondering van de wand die gevormd door de gevel van het hoofdgebouw;
      • de pergola integraal onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betreffende hoofdgebouw;
      • de afstand tot openbaar gebied minimaal 2 meter bedraagt;
    • 2. luifels boven de voordeur, waarbij geldt dat:
      • de diepte, gemeten vanuit de voorgevelrooilijn, niet meer mag bedragen dan 1 m;
      • de breedte niet meer mag bedragen dan 50% van de breedte van de betreffende gevel van het hoofdgebouw;
      • deze luifel integraal onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betreffende hoofdgebouw;
      • de afstand tot openbaar gebied minimaal 2 meter bedraagt.
  • d. bij iedere woning mogen vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd, waarbij:
    • 1. de goothoogte niet meer dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m mag bedragen, gemeten ten opzichte van het aansluitende terrein;
    • 2. de afstand tot:
      • de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw ten minste 6 m zal bedragen;
      • de zijdelingse perceelsgrens; grenzend aan openbaar gebied; minimaal 2 m zal bedragen;
      • de zijdelingse perceelsgrens; niet grenzend aan openbaar gebied; minimaal 1 m zal bedragen, tenzij de uitbreiding wordt gerealiseerd op de perceelsgrens;
      • (het verlengde van) de zijgevel van het hoofdgebouw minimaal 1 m zal bedragen;
  • e. bij iedere woning mogen vrijstaande overkappingen worden gebouwd, waarbij:
    • 1. de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen, gemeten ten opzichte van het aansluitende terrein;
    • 2. de afstand tot de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw minimaal 1 m zal bedragen;
    • 3. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens; grenzend aan openbaar gebied; minimaal 2 m zal bedragen;
    • 4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens; niet grenzend aan openbaar gebied; minimaal 1 m zal bedragen, tenzij de uitbreiding wordt gerealiseerd op de perceelsgrens;
  • f. de gebouwen en overkappingen als bedoeld onder a, b, c, d en e mogen slechts worden gebouwd, indien het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen', buiten het oppervlak van de als eerst vergunde en gebouwde hoofdgebouw per bouwperceel, voor niet meer dan 50% van de oppervlakte wordt bebouwd en minimaal 35 m² onbebouwd en onoverdekt blijft en:
    • 1. de maximale grondoppervlakte van de gebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 75 m², indien de oppervlakte van het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen', buiten het als eerste vergunde en gebouwde hoofdgebouw per kavel, zoals die in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw is opgenomen, minder dan 300 m² bedraagt;
    • 2. de maximale grondoppervlakte van de gebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 100 m², indien de oppervlakte van het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen', buiten het als eerste vergunde en gebouwde hoofdgebouw per kavel, zoals die in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw is opgenomen, tussen de 300 en 500 m² bedraagt;
    • 3. de maximale grondoppervlakte van de gebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan 150 m², indien de oppervlakte van het perceelsgedeelte met de bestemming 'Wonen', buiten het als eerste vergunde en gebouwde hoofdgebouw per kavel, zoals die in de omgevingsvergunning voor de bouw van dat hoofdgebouw is opgenomen, meer dan 500 m² bedraagt.
7.2.5 Niet voor bewoning bestemde bouwwerken
  • a. Op of in de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten dienste van het openbaar nut en de waterhuishouding, zoals gasdrukregelstations, duikers, keermuren en bruggen, gemalen, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, worden gebouwd, waarbij:
    • 1. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m²;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. Op of in de in lid 7.1 bedoelde gronden is gebouwd parkeren toestaan, waarbij;
    • 1. de hoogte niet meer mag bedragen dan van de omliggende (woon)bebouwing
    • 2. de kleur en materialisering is afgestemd op de omliggende (woon)bebouwing.

Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling (7.2.5 a en b) dient advies te worden ingewonnen bij de stedenbouwkundige.

7.2.6 Andere bouwwerken
  • a. Bij ieder hoofdgebouw mogen andere bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan:
    • 1. 1 m voor erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken voor de voorgevelrooilijn en de zijgevelrooilijn grenzend aan openbaar gebied;
    • 2. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn;
    • 3. 3 m voor overige andere bouwwerken achter de voorgevelrooilijn.
7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan op basis van een stedenbouwkundig advies bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 7.2.6 onder a voor de bouw van gebouwde erf- en terreinafscheidingen en overige andere bouwwerken voor de voorgevelrooilijn op perceelsgedeelten die grenzen aan het openbaar gebied waarbij de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 2 m mag bedragen en de bouwhoogte van andere bouwwerken, niet zijnde erf- en terreinafscheidingen, niet meer dan 3 m bedraagt, op voorwaarde dat de binnen de bestemming te realiseren parkeervoorzieningen vrij toegankelijk blijven;
  • b. het bepaalde in lid 7.2.6 onder b voor de bouw van gebouwde erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn waarbij de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 2,5 m mag bedragen, op voorwaarde dat de binnen de bestemming te realiseren parkeervoorzieningen vrij toegankelijk blijven en dit vanwege de geluidsafschermende werking noodzakelijk is;
  • c. het bepaalde in lid 7.2 voor de bouw van een carport op het perceelsgedeelte gelegen naast het hoofdgebouw, waarbij:
    • 1. de grondoppervlakte niet meer dan 20 m² bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 3. de carport wordt gebouwd op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn;
  • d. het bepaalde in lid 7.2.2 onder a en b1 voor een maximaal 3 m hogere goothoogte over maximaal 70% van de breedte van de gevel van een laagbouwwoning mits voorzien van een kap ten behoeve van de bouw van (steden)bouwkundige accenten;
  • e. het bepaalde in lid 7.2.2 onder i voor het bouwen van een afwijkende dakhelling of kapvorm;
  • f. het bepaalde in lid 7.2.3 onder f voor het bouwen van een dakkapel met een maatvoering, vormgeving en/of situering die afwijkt van de dakkapellen die deel uitmaken van de omgevingsvergunning van de woningen in dezelfde typologie binnen deelplan 4 West van de wijk Westpolder/Bolwerk, mits voorzien van een stedenbouwkundig advies, waarbij de overige bepalingen uit 7.2.3 gehandhaafd blijven;
  • g. het bepaalde in lid 7.2.4 onder b.1 voor een afwijkende diepte van een aanbouw en/of bijgebouw, gemeten uit de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, tot maximaal 7 m;
  • h. het bepaalde in lid 7.2.4 onder d voor een afwijkende goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw tot maximaal 3 m respectievelijk 5 m;
  • i. het bepaalde in lid 7.2.4 onder d voor de bouw van een vrijstaand bijgebouw en/of overkapping op een kortere afstand tot de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw indien de diepte van het perceel gemeten uit de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw minder dan 9 m bedraagt;
  • j. het bepaalde in lid 7.2.4 onder b, d en e voor een afwijkende afstand van een aanbouw en/of (vrijstaand) bijgebouw en/of (vrijstaande) overkapping tot de zijdelingse perceelsgrens grenzend aan openbaar gebied;
  • k. het bepaalde in lid 7.2.2 onder b.2 en b.3 voor de bouw van twee extra bouwlagen, al dan niet met kap, voor het benutten van bijzondere locaties en/of ter versterking van markante stedenbouwkundige situaties, mits voorzien van een stedenbouwkundig advies, waarbij de bepaling uit lid 7.2.2 onder b.4 gehandhaafd blijft én rekening wordt gehouden met de toetsingsvlakken van de Luchtverkeersleiding Nederland vanwege Rotterdam The Hague Airport;
  • l. het bepaalde in lid 7.2.2 onder b.2 en b.3 voor de bouw van bijzondere elementen, zoals hoogteaccenten (een toren), mits voorzien van een stedenbouwkundig advies, waarbij de bepaling uit lid 7.2.2 onder b.4 gehandhaafd blijft én rekening wordt gehouden met de toetsingsvlakken van de Luchtverkeersleiding Nederland vanwege Rotterdam The Hague Airport;
  • m. het bepaalde in lid 7.2.2 onder b.3 voor het vestigen van horeca, detailhandel en/of dienstverlening i.p.v. maatschappelijke voorzieningen op de eerste bouwlaag op voorwaarde dat:
    • 1. dit mede ten dienste staat van de OV-gebruikers;
    • 2. kleinschalige detailhandel die geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente;
    • 3. alleen horeca categorie 1a is toegestaan, bij voorkeur horeca met een duidelijke ontmoetingsfunctie (dus liever geen snackbar maar wel een lunchcafé waar je ook meeneem-koffie + broodje kunt kopen en even zitten);
    • 4. het verkoopvloeroppervlak per vestiging minimaal 35 m2 en maximaal 50 m2 bedraagt;
    • 5. maximaal drie vestigingen zijn toegestaan;
    • 6. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte, waarbij dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.

Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient advies te worden ingewonnen bij de beleidsadviseur Economie en de verkeerskundige.

  • n. de randvoorwaarden voor hoogbouw grenzend aan laagbouw, zoals bepaald in lid 7.2.2 onder b.4, op basis van advies van de stedenbouwkundige.
7.3.2 Algemene randvoorwaarden voor het afwijken van de bouwregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits;

  • a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde, inclusief de bijbehorende randvoorwaarden voor de woning en buitenruimte van die hogere grenswaarde;
  • b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op:
    • 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het aantal en de bruikbaarheid van parkeervoorzieningen;
    • 5. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 6. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 7. het milieu.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Parkeervoorzieningen
  • a. Het is verboden de gronden zodanig te gebruiken dat geen gebruik kan worden gemaakt van de in lid 7.1.2 bedoelde parkeervoorzieningen.
  • b. Langsparkeervakken in openbaar gebied hebben een minimale breedte van 2 m;
  • c. Ter plaatse van haaksparkeren in openbaar gebied is de totale breedte van de rijbaan en het haaksparkeervak minimaal 11 m.
7.4.2 Profielen in het openbaar gebied
  • a. De minimale wegbreedte van de woonstraten is 5 m. Voorkeur hierin is een bestraatte rijbaanbreedte van 4,8 m met een strook van grasbetontegels of gestabiliseerd gras (0,3 m) aan de berm of parkzijde;
  • b. Trottoirs hebben een minimale breedte van 1.80 m.
7.4.3 Beroep aan huis

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 10 'Algemene gebruiksregels' wordt gerekend het gebruik van gedeelten van het hoofdgebouw, aanbouwen en/of bijgebouwen voor een beroep aan huis, voor zover niet aan de volgende randvoorwaarden wordt voldaan:

  • a. de woonfunctie dient in overwegende mate gehandhaafd te blijven (met name ingeval de beroepsmatige werkruimte in het hoofdgebouw wordt gerealiseerd);
  • b. de beroepsmatige activiteiten dienen te geschieden door degene die op het perceel woonachtig is;
  • c. de totale beroepsvloeroppervlakte mag per perceel niet meer dan 25% bedragen met een maximum van 50 m²;
  • d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • e. in de omgeving mag geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreden;
  • f. er mogen geen activiteiten plaatsvinden vallend onder de Wet milieubeheer / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • g. er slechts detailhandelsactiviteiten mogen plaatsvinden op voorwaarde dat:
    • 1. er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
    • 2. het detailhandel betreft als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering;
    • 3. de detailhandel geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente;
  • h. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte naast het oorspronkelijke aantal parkeerplaatsen voor de woonfunctie, waarbij dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid;
  • i. binnen de bestemming worden uitsluitend functies toegestaan met een maximale milieucategorie 1 zoals opgenomen in bijlage 1, voor zover deze in de bijlage niet zijn doorgehaald.
7.4.4 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 10, lid 1, wordt gerekend:

  • a. het exploiteren van een webwinkel waarbij sprake is van uitstallen ten verkoop of het ter plaatse leveren of afhalen van goederen;
  • b. het gebruik van de woningen in het plangebied zonder dat het geluidscherm langs de N471 is gebouwd en in stand wordt gehouden ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' en conform het akoestisch onderzoek, opgenomen als bijlage 3 bij de regels.
7.5 Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1 Bedrijf aan huis

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik van gedeelten van het hoofdgebouw, aanbouwen en/of bijgebouwen voor ambachtelijke/verzorgende bedrijven, voor zover aan de volgende randvoorwaarden wordt voldaan:

  • a. de woonfunctie dient in overwegende mate gehandhaafd te blijven (met name ingeval de beroepsmatige werkruimte in het hoofdgebouw wordt gerealiseerd);
  • b. de bedrijfsmatige activiteiten dienen te geschieden door degene die op het perceel woonachtig is;
  • c. de totale bedrijfsvloeroppervlakte mag per perceel niet meer dan 25% bedragen met een maximum van 50 m²;
  • d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • e. in de omgeving mag geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreden;
  • f. er mogen geen activiteiten plaatsvinden vallend onder de Wet milieubeheer / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • g. er slechts detailhandelsactiviteiten mogen plaatsvinden op voorwaarde dat:
    • 1. er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
    • 2. het detailhandel betreft als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering;
    • 3. de detailhandel geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente.
  • h. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte naast het oorspronkelijke aantal parkeerplaatsen voor de woonfunctie, waarbij dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid;
  • i. binnen de bestemming worden uitsluitend functies toegestaan met een maximale milieucategorie 1 zoals bedoeld in bijlage 1, voor zover de bedrijven in de bedoelde lijst niet zijn doorgehaald.
7.5.2 Algemene randvoorwaarden voor afwijken van de gebruiksregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits;

  • a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde, inclusief de bijbehorende randvoorwaarden voor de woning en buitenruimte van die hogere grenswaarde;
  • b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op;
    • 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbaar gebied, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het aantal en de bruikbaarheid van parkeervoorzieningen;
    • 5. het gewenste voorzieningenniveau;
    • 6. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 7. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 8. het milieu;
  • c. de verkeersaantrekkende werking in overeenstemming is met de functie en vormgeving van de wegen in de nabije omgeving;
  • d. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte, waarbij dient te worden voldaan aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.

Artikel 8 Leiding - Riool

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een rioolleiding ongeveer ter plaatse van de figuur 'hartlijn leiding - riool';
  • b. de aanleg, het herstel en de instandhouding van een rioolleiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding.
8.2 Bouwregels

Op voor 'Leiding - Riool' bestemde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m.

8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor de bouw van bouwwerken ten behoeve van de onderliggende bestemming(en).

8.3.2 Algemene randvoorwaarden voor afwijken van de bouwregels

De genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning kunnen slechts worden verleend mits:

  • a. door de bouwwerken geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s);
  • c. voldaan wordt aan de bepalingen van de onderliggende bestemming(en).
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 33 "Algemene gebruiksregels" lid 1 van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012", wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor opslag.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Verbod

Het is verboden op of boven de in lid 8.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en/of verharden van gronden, zoals wegen, fiets- en voetpaden en oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van (drainage)leidingen;
  • c. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • e. het aanleggen van boven- of ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen anders dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het verhogen of verlagen van de grondwaterstand.
8.5.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 8.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer ten dienste van de onderliggende en bovenliggende bestemming(en);
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • d. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in 8.2 of 8.3.
8.5.3 Toelaatbaarheid

De in lid 8.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Ondergeschikte bouwdelen

In aanvulling op artikel 32, lid 32.1 van het bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk 2012” wordt bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van goot- en bouwhoogten voor liftopbouwen waarvan de overschrijding van de goot- en/of bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m, buiten beschouwing gelaten, mits de afstand uit de gevel van deze opbouwen gelijk is aan de hoogte van deze opbouwen.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Ondergeschikte bouwdelen

Voor zover het gebruik van ondergeschikte bouwdelen zoals bedoeld in artikel 9, lid 9.1 van dit uitwerkings- en wijzigingsplan en in artikel 32, lid 32.1 van het bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk 2012” niet past binnen de desbetreffende bestemming, worden deze gebruiksregels buiten beschouwing gelaten.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Vrijwaringszone - luchtvaartvoorziening 30m NAP en 40m NAP

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 is het niet toegestaan binnen de (gebieds)aanduiding 'Vrijwaringszone - luchtvaartvoorziening 30m NAP en 40m NAP' bouwwerken op te richten waarvan blijkt dat het bouwwerk hoger is dan de door middel van het toetsingsvlak aangeduide oplopende bouwhoogte, zijnde de denkbeeldige rechte lijn tussen de hoogtes van het toetsingsvlak, waarbij de toetshoogtes per meter - zoals aangegeven op de kaart 'Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland', opgenomen als bijlage 2 Luchtvaartvoorziening bij deze regels - in acht dienen te worden genomen.

11.2 Vrijwaringszone - luchtvaartvoorziening 40m NAP en 46,07m NAP

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2 is het niet toegestaan binnen de (gebieds)aanduiding 'Vrijwaringszone - luchtvaartvoorziening 40m NAP en 46,07m NAP' bouwwerken op te richten waarvan blijkt dat het bouwwerk hoger is dan de door middel van het toetsingsvlak aangeduide oplopende bouwhoogte, zijnde de denkbeeldige rechte lijn tussen de hoogtes van het toetsingsvlak, waarbij de toetshoogtes per meter - zoals aangegeven op de kaart 'Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland', opgenomen als bijlage 2 Luchtvaartvoorziening bij deze regels - in acht dienen te worden genomen.

11.3 Overige zone - minimaal 20% groen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – minimaal 20% groen' dient minimaal 20% van de oppervlakte van deze zone uitgevoerd te worden als openbaar toegankelijk groen of water.

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het uitwerkings- en wijzigingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012, deelplan 4 West".