| Plan: | Kruisweg 39, Bleiswijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1621.BP0094W01-VAST |
Vanaf 2009 is er contact tussen gemeente en initiatiefnemer met betrekking tot het inmiddels voormalige glastuinbouwbedrijf aan de Kruisweg 39 te Bleiswijk. De eerste contacten hadden betrekking op de bedrijfsbeëindiging en daarmee gewenste ontwikkeling van het perceel. In het kader van de gebiedsvisie Kruisweg is gesproken over het toepassen van de ruimte voor ruimte regeling, zodat in plaats van het glastuinbouwbedrijf twee woningen kunnen worden gebouwd op het perceel. De in de gebiedsvisie Kruisweg opgenomen ontwikkelingsrichting is planologisch-juridisch vertaald in het bestemmingsplan Rottezoom. Het bestemmingsplan Rottezoom geeft het glastuinbouwbedrijf een passende (agrarische) bestemming. Naast deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt een transformatie van glas naar woningbouw mogelijk. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse het plan te wijzigen waarmee twee woningen gebouwd kunnen worden en waarbij de huidige bedrijfswoning kan worden omgezet naar burgerwoning. In de wijzigingsbevoegdheid staat een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden om het plan goed in de omgeving in te passen.
De bouw van twee nieuwe woningen (na sloop van de kas) wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt met het onderhavige wijzigingsplan. De omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is tevens onderdeel van dit wijzigingsplan. Deze verplaatsing van de bestaande woning is de komende 10 jaar nog niet voorzien en derhalve niet meegenomen in dit plan. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 opgenomen.
|
|
Figuur 1.1 Globale ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het buurtschap Kruisweg ten noorden van Bleiswijk, tussen Zoetermeer en Moerkapelle. Op het perceel Kruisweg 39 was tot voor kort een agrarisch bedrijf (glastuinbouw) gevestigd. De activiteiten zijn inmiddels beëindigd. De glasopstanden (op de achterzijde van het perceel) zijn nog aanwezig en worden gesloopt zodra de herontwikkeling in gang wordt gezet. De oppervlakte van de kas en bedrijfsruimte is circa 1,15 ha.
Algemeen
Het plan betreft de realisatie van twee woningbouwkavels na sloop van de huidige glasopstanden. Deze ontwikkeling is primair mogelijk op basis van de ruimte-voor-ruimteregeling van de provincie (zie paragraaf 2.2). Op basis van het aantal m2 te slopen kassen mogen er twee woningen worden gerealiseerd (1 woning per 5.000 m2). Daarnaast krijgt de bestaande bedrijfswoning een woonbestemming.
Ruimtelijke inpassing
Herontwikkeling van het perceel is mogelijk binnen de contour van de wijzigingsbevoegdheid. Aan het realiseren van de twee woningen wordt wel een aantal voorwaarden gekoppeld die eraan bijdragen dat de ruimtelijke kwaliteit en de variatie in het lint behouden blijven. In de overleggen met de initiatiefnemer architect/adviseur en de gemeente zijn onder meer de volgende
randvoorwaarden besproken:
De nieuwbouw dient terughoudend qua maat en volume ontworpen te worden. De inhoud van de woningen is gemaximeerd tot 750 m3 exclusief bijgebouwen. Die inhoudsmaat is gangbaar in andere buitengebieden van Lansingerland.
Bij het verkavelingsplan is rekening gehouden met de doorzichten op het achterliggende landschap. Dit wordt geborgd door een grote tuinbestemming op het perceel. Op de tuinbestemming kan niet gebouwd worden. Dat komt ook ten goede aan de ruimte tussen de twee woningen.
In het bestemmingsplan Rottezoom is in artikel 31, lid 31.2.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestaande (agrarische) bestemming kan worden gewisseld ten behoeve van Wonen, Tuin en Agrarisch - weide. De genoemde wijzigingsbevoegdheid is als volgt geformuleerd:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen en aanduidingen (waaronder bouwvlakken) van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied-1' te wijzigen in de bestemmingen Wonen (W), Tuin (T) en Agrarisch - weide met inachtneming van de volgende regels:
Toetsing aan wijzigingsregels
In dit geval kan de wijzigingsbevoegdheid worden toegepast. Hieronder wordt aan de wijzigingsregels getoetst.
Behalve dat moet worden voldaan aan de wijzigingsregels, dient bij een wijzigingsplan sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening en moet het binnen het vigerende beleid passen. Hierop wordt in het volgende hoofdstuk ingegaan. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling planologisch gezien mogelijk is. Aangezien de uitvoering van het wijzigingsplan een zeer beperkte invloed heeft op de omgeving, is het plan uitvoerbaar.
Hoofdstuk 2 van dit wijzigingsplan bevat het relevante beleidskader. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van relevant onderzoek naar onder andere milieuaspecten. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 4. De uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5.
Het plan dient getoetst te worden aan het vigerend rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is dit beleid nader beschreven. Gezien de kleinschalige aard van het plan, is dit onderdeel beperkt gehouden. Er geldt geen specifiek rijks- of regionaal beleid voor het plan.
Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland'
In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. De visie is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
Verstedelijking binnen bestaand bebouwd gebied
De provincie kiest ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee worden investeringen in de gebouwde omgeving gebundeld, waardoor de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden blijft en versterkt wordt. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en de kernen. Op de functiekaart is het plangebied aangewezen als 'Agrarisch Landschap' en is tevens aangeduid als 'Provinciaal Landschap'. Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour.
Bouwen buiten de contour
Verstedelijking buiten deze bebouwingscontouren is in principe niet toegestaan, het zogenoemde 'nee,
tenzij-beleid'. Uitzonderingen op deze regel zijn situaties waarbij door de bouw van een beperkt aantal
woningen of een bedrijfsvestiging, de kwaliteiten in een gebied kunnen worden versterkt. Daarbij kan
worden gedacht aan fysieke maatregelen via de Ruimte voor Ruimte-regeling. Dit wijzigingsplan maakt gebruik van deze regeling.
Provinciaal landschap
Provinciale landschappen zijn regio-overschrijdende en begrensde landschappen in de stedelijke
invloedssfeer en liggen tussen stedelijke agglomeraties. Ze hebben een unieke landschappelijke
identiteit en ze zijn multifunctioneel van karakter (verbrede landbouw, recreatie, natuur, water,
cultuurhistorie, dorpen). De provincie is hier de trekker.
Verordening Ruimte
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke (bestemmings)plannen. In de Verordening is in artikel 3, lid 1 opgenomen dat buiten de bebouwingscontouren geen verstedelijking plaats mag vinden.
In lid 2 is een afwijking opgenomen voor ruimte voor ruimte:
In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen plannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren de volgende ontwikkelingen mogelijk maken:
'Ruimte voor ruimte'; de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen danwel de sanering van sierteelt en de bouw van één of meer compensatiewoningen ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing of op een andere passende locatie. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Toetsing voorwaarden
Structuurvisie Lansingerland
In de structuurvisie Lansingerland is ten aanzien van de linten het volgende bepaald. De linten zijn belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. Daar waar functies zijn gevestigd die qua aard of schaal als niet meer passend moeten worden beschouwd, is ontwikkeling of transformatie mogelijk. Ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en maat van het lint. Transformatie is geen doel op zich maar een middel om bij te dragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het lint. Kruisweg is aangemerkt als landelijk lint. Het is daarom van belang dat nieuwe ontwikkelingen in samenhang met de lintstructuur en landschappelijke structuur plaatsvinden. Een belangrijke kwaliteit is de transparantie van het lint; de doorzichten op het open landschap. Herontwikkeling van locaties in het lint moeten bijdragen aan de instandhouding en waar mogelijk de versterking van die kwaliteit. Dit zal zich manifesteren door de situering en maatvoering van bebouwing, de landschappelijke structuur en eenheid en relatie van het hele perceel met de lintstructuur.
Perceel Kruisweg 39 bestaat uit een bedrijfswoning met achter op het perceel een bedrijfsgebouw met daaraan vast een kassencomplex. De kassen zijn gebiedsvreemd in de Rottezoom. Het is het enige glastuinbouwbedrijf tussen de akkerbouwpercelen. Door sloop van de kassen ontstaat er eenheid in het landschap tussen de Kruisweg en de Rotte. Het zicht op het landschap vanaf de Kruisweg wordt vergroot, doordat de kassen geen visuele hinder meer vormen.
Gebiedsvisie Kruisweg
Een van de regels van de wijzigingsbevoegdheid heeft betrekking op de gebiedsvisie Kruisweg. In de wijzigingsregels is opgenomen dat de ontwikkeling moet passen binnen de vastgestelde gebiedsvisie Kruisweg, met bijbehorende erratum. In de gebiedsvisie wordt per ontwikkelingslocatie stilgestaan bij de stedenbouwkundige uitwerking. Naast een indicatieve visuele uitwerking wordt de gewenste ontwikkelingsrichting van de locatie in hoofdlijnen beschreven. De uitwerkingen geven een indruk van de stedenbouwkundige ontwikkelingsmogelijkheden van de verschillende locaties. Ten aanzien van het perceel Kruisweg 39 is aangegeven dat de nieuwbouw dient plaats te vinden direct ten zuiden van de bestaande bedrijfswoning (dus aan het lint). Bij de uitwerking van het plan is dat echter onrealistisch gebleken. Het bouwen in de tweede lijn is in 2011 besproken met de provincie. Zij hebben aangegeven daarmee in te kunnen stemmen. Stedenbouwkundig is bouwen in de tweede lijn ook verantwoord, mits de woningen goed worden ingepast. In paragaaf 1.3 is de inpassing van het bouwplan beschreven.
In dit hoofdstuk worden de voor dit wijzigingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Het plan maakt een bestemmingswijziging mogelijk. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de benodigde onderzoeken met de daarbij behorende conclusies.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.
Europees:
Nationaal:
Provinciaal
Hoogheemraadschapsbeleid
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2010-2015, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.
De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:
Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan van HHSK 2010 – 2015 van het hoogheemraadschap van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan van HHSK 2010 – 2015 is beschreven hoe het hoogheemraadschap omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied betreft een agrarisch bedrijf met kassen en een bedrijfswoning. Ten zuiden van de kassen is een waterbassin ten behoeve van deze kassen aanwezig. Direct rondom het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.
Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied Binnenwegse Polder, binnen deze polder geldt een flexibel peil wat varieert van -5,95 tot -6,05 m t.o.v. NAP.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit klei met een homogeen profiel. Er is sprake van grondwater trap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 0,4 tot 0,8 meter onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 meter onder maaiveld is gelegen.
Waterkwantiteit
Zoals hiervoor reeds is genoemd, is er geen sprake van oppervlaktewater direct rondom het plangebied. Ten westen is wel oppervlaktewater aanwezig, maar is op dergelijke grote afstand van de ontwikkeling gelegen dat dit geen invloed heeft op de ontwikkeling en andersom heeft de ontwikkeling ook geen invloed op het oppervlaktewater.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
In de directe omgeving is geen sprake van oppervlaktewater, en daarmee ook geen sprake van water zoals opgenomen in het KRW. Ecologische waarden met betrekking tot water zijn dan ook niet aanwezig.
Veiligheid en waterkeringen
Binnen het plangebied liggen geen kern- of beschermingszones ten behoeve van waterkeringen.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie reeds aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Toekomstige situatie
Algemeen
Het plan voorziet in de sloop van de huidige kassen, en de realisatie van 2 vrijstaande woningen. Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak afnemen. Daarmee wordt er meer ruimte voor infiltratie mogelijk gemaakt, en is het niet noodzakelijk om watercompenserende maatregelen te treffen.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Onderzoek
Het plan omvat de bouw van twee nieuwe woningen. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidgevoelige functies en dienen daarom in dat kader getoetst te worden aan de wettelijke geluidsnormen. Deze toetsing is vastgelegd in de rapportage 'Akoestisch onderzoek Kruisweg 39' (Rho Adviseurs voor leefruimte, 2014). Deze rapportage is opgenomen in bijlage 1.
Resultaat en conclusies
Uit het onderzoek blijkt ten aanzien van het wegverkeer op de Nieuwe Hoefweg, de parallel voorziening van de Nieuwe Hoefweg en de Verlengde Australiëweg dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Aanvullende procedures in het kader van de Wgh zijn daarom niet noodzakelijk.
Ten aanzien van het gezoneerde spoortracé van de Hogesnelheidslijn blijkt eveneens dat de voorkeursgrenswaarde (55 dB) niet wordt overschreden. Ook ten aanzien van railverkeerslawaai zijn zodoende geen aanvullende procedures noodzakelijk.
Ontsluiting woningen
De woningen ontsluiten via een doorgang langs bestaande bebouwing op de Kruisweg. Deze weg is gecategoriseerd als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom en kent een maximum snelheid van 30 km/h. De weg heeft geen doorgaande functie en loopt in noordelijke richting dood. Ten zuiden van de woningen sluit de Kruisweg aan op de Dwarslaan. Vanaf hier wordt verder ontsloten richting Moerkapelle of de N209 (Nieuwe Hoefweg).
Parkeren
Het parkeren bij de beide nieuwe woningen wordt opgelost op eigen terrein. Hiervoor is, ten behoeve van de bewoners zelf, op eigen terrein ruimte gereserveerd voor twee parkeerplaatsen per woning. Voor bezoekers geldt dat het parkeren ook op het eigen terrein opgelost moet worden. De Kruisweg en de doorgang naar de woningen bieden geen ruimte voor het parkeren van voertuigen. Doorgaands wordt per woning 0,3 parkeerplaatsen gereserveerd voor bezoekers. Omdat de ruimte op het eigen terrein moet worden gezocht dient per woning een extra parkeerplaats gerealiseerd te worden.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies de milieuaspecten in voldoende mate mee te nemen, wordt in de milieuonderbouwing van de beoogde ontwikkeling gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze uitgave is een lijst van bedrijfstypen opgenomen, waarin voor een groot aantal bedrijfstypen en -activiteiten richtafstanden ten opzichte van een 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' worden vermeld. Zoals ook in de VNG-publicatie is aangegeven en in vaste jurisprudentie is bevestigd, kan voor het omgevingstype 'gemengd gebied' worden afgeweken van deze richtafstanden.
Onderzoek en conclusie
Ten zuiden van het plangebied ligt een akkerbouwbedrijf. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt ten opzichte van de bedrijfsgebouwen van akkerbouw- en fruitteeltbedrijven een richtafstand van 30 m ten opzichte van omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' (maatgevend aspect: geluid). De afstand tussen het bouwvlak (met bedrijfsgebouw) van het betreffende agrarische bedrijf en de nieuwe woningen bedraagt ruimschoots meer dan 30 m. Het betreffende bedrijf wordt dan ook niet in zijn bedrijfsvoering beperkt en ter plaatse van de toekomstige woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Voor het GR geldt geen norm, maar een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft in het algemeen een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken. Zowel de grenswaarde als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Op basis van het Bevi geldt een verantwoordingplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoor
Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2012) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties betreft dit een richtwaarde. Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR geldt een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.
Basisnet en Besluit transportroutes externe veiligheid
In 2015 zal naar verwachting het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden vastgesteld. In dat Besluit en het bijbehorende basisnet (voor wegen/spoorwegen/ vaarwegen) worden veiligheidszones aangegeven waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd (en beperkte kwetsbare objecten slechts onder voorwaarden). Daarnaast gelden in de omgeving van deze transportroutes beperkingen in verband met de mogelijke effecten van een optredende plasbrand (plasbrandaandachtsgebieden).
De huidige risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen volgt uit de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze anticipeert waar mogelijk reeds op het Basisnet.
Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi met normen voor het plaatsgebonden risico en een oriëntatiewaarde en invloedsgebied voor het groepsrisico. Voor het PR geldt dat er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarden als een richtwaarde.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
In het plangebied en de omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie in het plangebied.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Op circa 75 meter ten westen van het plangebied is de N209 gelegen. Deze weg is niet weergegeven als transportroute gevaarlijke stoffen op de risicokaart, en is niet opgenomen in het Bassnet Weg. Echter conform de gegevens van de gemeente blijkt echter dat er wel sprake is van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er dan ook gesteld worden dat het aantal transporten met gevaarlijke stoffen minimaal is gezien het ontbreken van de weg op de risicokaart en het Basisnet. De ontwikkeling betreft de realisatie van 2 woningen ter vervanging van minimaal 10.000 m² glastuinbouw. Dit zorgt niet voor een significante wijziging van het personenaantal. Het groepsrisico zal naar alle waarschijnlijkheid niet groter zijn dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, ten gevolge van de ontwikkeling zal het groepsrisico in ieder geval niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico wordt niet noodzakelijk geacht.
Op circa 1400 m vanaf het plangebied ligt de A12. Uit de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet weg blijkt dat over deze weg gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De PR 10-6-contour ligt niet buiten de wegas. Tevens is het GR in de huidige situatie kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gelet op de grote afstand tot het plangebied en de aard van de ontwikkeling zal als gevolg van het plan het groepsrisico niet toenemen (geen toename personendichtheid). Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.
In de omgeving van het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen over het water vervoerd. Ook over de spoorlijn Den Haag-Gouda worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door leidingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig met vervoer van gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor de externe veiligheidssituatie in het plangebied.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit een agrarisch bedrijf met kassen en een bedrijfswoning. De locatie is gelegen aan de Kruisweg 39 te Bleiswijk. Aan de oostzijde van de kassen is een waterbassin ten behoeve van de kassen aanwezig. Binnen het plangebied is geen natuurlijk oppervlaktewater aanwezig.
Beoogde ontwikkelingen
Het plan voorziet in de sloop van de kassen en de realisatie van 2 burgerwoningen.
Hiervoor de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
Normstelling
Provinciale Verordening
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
- nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.
- nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
De Ffw is voor dit plan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van plannen moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Circa 6,7 km ten noorden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied de Wilck. Het dichtstbijzijnde EHS-gebied is gelegen op circa 3,7 kilometer afstand aan de zuidkant van het plangebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied is op meer dan 5 km ten noordwesten van het plangebied gelegen. De ontwikkeling is dermate kleinschalig, en de afstanden tot de natuurgebieden zijn relatief groot, dat de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg staan.
Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-, EHS- en belangrijke weidevogelgebieden
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon en www.waarneming.nl).
Vaatplanten
Het plangebied wordt intensief beheerd en is voor een groot deel verhard. Binnen het plangebied komen naar verwachting geen beschermde planten voor.
Vogels
De ontwikkeling voorziet in de sloop van bestaande kassen en in de realisatie van 2 woningen. De kassen beschikken niet over geschikte broedlocaties voor vogels met een vaste broed- en verblijfplaats.
Zoogdieren
Het plangebied biedt mogelijk geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis en konijn. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig en de bebouwing (kassen) is niet geschikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen. Dergelijke geschikte verblijfplaatsen zijn niet aanwezig bij de kassen. Ter plaatse van de ontwikkelingen is tevens geen sprake van een vliegroute van vleermuizen, of fourageergebied. Daarom kan gesteld worden dat in het plangebied geen vleermuizen voorkomen.
Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen mogelijk gebruik maken van het plangebied als schuilplaats in struiken en onder stenen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde reptielen, vissen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.
In tabel 3.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 3.1 Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime
| Nader onderzoek nodig | ||||
| Vrijstellingsrege-ling Ffw | tabel 1 | mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis, en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de bastaardkikker |
nee | |
| Ontheffingsrege-ling Ffw | tabel 2 | - | nee | |
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | - | nee | |
| bijlage IV HR | - | nee | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | - | nee | |
Het plan voorziet in de sloop van de huidige kassen en de realisatie van 2 woningen. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.
Beleid en normstelling
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door paragraaf 5.2 uit de Wet milieubeheer (Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tabel 3.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een plan) onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project niet in betekenende mate bijdraagt en dus niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wm. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
Onderzoek
Het plan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk, waarbij een bestaand glastuinbouwbedrijf zijn bedrijfsactiviteiten beeindigd. Deze ontwikkeling heeft nauwelijks verkeersaantrekkende werking en valt ruimschoots binnen de categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.
Uit de gegevens die beschikbaar zijn via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, blijkt dat direct langs de N209 wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof, zowel in 2012 als in 2015. In 2015 bedraagt de concentratie voor stikstofdioxide maximaal 34,6µg/m³ en voor fijnstof maximaal 22,3µg/m³ . Voor beide stoffen geldt dat deze onder de grenswaarde van 35 µg/m³ blijven. Bekend is dat de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de loop der tijd zal afnemen (onder andere door schonere technieken en schonere motoren). Omdat direct langs de N209 als maatgevende weg voor de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit binnen het gehele plangebied ook zeker het geval zijn. De concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Binnen het plangebied is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Beleid en normstelling
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Onderzoek en conclusie
Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Econsultancy, mei 2014, bijlage 2) blijkt het volgende. Ter plaatse van het voorterrein zijn diverse gradaties aan baksteenbijmenging in de bodem waargenomen. Onder de asfaltverharding bevindt zich een (gebroken) puinlaag. De verdachte laag is plaatselijk licht verontreinigd (koper, lood, zink, PCB en/of PAK). In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium en nikkel. Deze metaalverontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op de aard en mate van verontreiniging is geen reden voor een nader onderzoek. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan eventuele (graaf)werkzaamheden ter plaatse van het asfaltverhard terreingedeelte een verkennend asbest in puin (NEN 5897) uit te voeren.
De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.
Normstelling en beleid
Wet archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Archeologische beleidskaart Gemeente Lansingerland
Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
Onderzoek
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Lansingerland ligt het westelijke deel van het plangebied binnen een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf een diepte van 50 cm –mv (Zone III). Deze zone hangt samen met de middeleeuwse ontginningsas langs de Kruisweg. Het centrale en oostelijke deel van het plangebied vallen grotendeels binnen een zone met een middelhoge verwachting voor archeologische resten vanaf een diepte van 30 cm –mv (Zone IV). Deze zone hangt samen met de ligging van de voormalige getijdegeul. Een kleine hoek in het noorden van het plangebied valt binnen een zone met een middelhoge verwachting voor archeologische resten vanaf een diepte van 250 cm –mv (Zone VI). Deze zone valt buiten zowel de getijdegeul als de middeleeuwse ontginningsas.
Binnen het gebied dat momenteel als kassencomplex in gebruik is wordt verwacht dat het bodemprofiel is verstoord waardoor er geen archeologische waarden meer worden verwacht. Voor dit deel van het onderzochte gebied wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren en het vrij te geven. (zie bijlage 3).
Binnen het gebied waar nu de bedrijfswoning is gevestigd blijft de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 1”, zoals opgenomen in het moederplan, gehandhaafd.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Het oude dorpslint de Kruisweg is cultuurhistorisch waardevol. Het behouden en versterken van de herkenbaarheid van het lint vergroot de aantrekkelijkheid van Lansingerland. Nieuwe ontwikkelingen mogen hieraan geen afbreuk doen. De bebouwing langs de Kruisweg heeft een divers karakter. Er is een duidelijk verschil tussen de bebouwing aan de westzijde en de oostzijde van de Kruisweg. De bebouwing aan de oostzijde van de Kruisweg (zoals Kruisweg 39) bestaat in veel gevallen uit traditionele erven met een woonhuis als hoofdgebouw en diverse ondergeschikte bijgebouwen. Tussen de erven door zijn diverse doorzichten richting het open polder landschap.
Perceel Kruisweg 39 bestaat uit een bedrijfswoning met achter op het perceel een bedrijfsgebouw met daaraan vast een kassencomplex. De kassen zijn gebiedsvreemd in de Rottezoom. Het is het enige glastuinbouwbedrijf tussen de akkerbouwpercelen. Door sloop van de kassen ontstaat er eenheid in het landschap tussen de Kruisweg en de Rotte. Het zicht op het landschap vanaf de Kruisweg wordt vergroot, doordat de kassen geen visuele hinder meer vormen.
Beleid en normstelling
Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden. Bij ondergrondse hoogspanningleidingen dient slechts rekening te worden gehouden met een beschermstrook.
Onderzoek en conclusie
Er is een Rijksinpassingsplan opgesteld voor de nieuwe 380 kV-verbinding Zoetermeer-Beverwijk. Ten oosten van het plangebied is op meer dan 300 m afstand van de nieuwe woningen het tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding bestemd. De woningen liggen ruimschoots buiten de relevante magneetveldzone. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Op basis van de onderzochte aspecten zijn geen bijzondere belemmeringen aanwezig voor de vaststelling van het wijzigingsplan ten aanzien van de milieu- en overige aspecten.
Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Rottezoom', zoals vervat in de bestandenset met planidentificatie NL.IMRO.1621.BP0094-VAST . Dit betekent dat alle algemene bepalingen en bestemmingen die op het bestemmingsplan van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld de begripsbepalingen en de wijze van meten) ook voor dit plan gelden.
Uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en bouwregels. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
Bestemmingsvlak, bouwvlak en aanduidingen
Een bestemmingsvlak geeft aan waar bepaald gebruik toegestaan is. De bebouwing mag binnen het bouwvlak opgericht worden. Het oprichten van een bedrijfswoning is uitgesloten binnen het gehele bouwvlak.
Met dit wijzigingsplan wordt de bestemmingswijziging mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.
Wettelijk overleg
Het voorontwerpwijzigingsplan 'Kruisweg 39, Bleiswijk' is in het kader van het overleg aan de wettelijke overlegpartners toegezonden. De reacties zijn opgenomen in de notitie overlegreacties en wijzigingen (bijlage 4) .
Inspraak
Overeenkomstig de Inspraakverordening van de gemeente Lansingerland is inspraak verleend op het voorontwerpwijzigingsplan Kruisweg 39, Bleiswijk. Het voorontwerpwijzigingsplan heeft 4 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijke inspraakreacties op het voornoemde voorontwerpwijzigingsplan in te dienen. De binnengekomen reacties en ambtshalve aanpassingen zijn opgenomen in de notitie overlegreacties en wijzigingen (bijlage 4).
Zienswijzen
Het ontwerpwijzigingsplan heeft conform de bepalingen van de Wet ruimtelijke ordening van 22 oktober t/m 2 december ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend, waardoor het plan ongewijzigd kan worden vastgesteld.