| Plan: | Wijzigingsplan, tweede bedrijfswoning, Kranenkampsweg 2 Zieuwent |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.WPBUI2014-VG01 |
| Wijzigingsplan, tweede bedrijfswoning, Kranenkampsweg 2 Zieuwent |
| Vastgesteld |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Omgeving |
| Nans Weelink |
| 0544 39 35 56 |
De initiatiefnemers hebben een plan ingediend met het doel een tweede bedrijfswoning te realiseren op het perceel Kranenkampsweg 2 te Zieuwent. De geplande tweede bedrijfswoning past niet in het bestemmingsplan, omdat daarin is bepaald dat op dit perceel het aantal bedrijfswoningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan één.
Het realiseren van een tweede bedrijfswoning is daarom in strijd met het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt een tweede bedrijfswoning toe te staan. Het ingediende plan voldoet aan de voorwaarden uit deze wijzigingsbevoegdheid. Daarom is voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Oost Gelre wordt in principe overal dezelfde plansystematiek gehanteerd. De bestemmingen en regels uit het voorliggende bestemmingsplan sluiten daardoor grotendeels aan op de bestemmingen en regels uit andere bestemmingsplannen. Daarmee wordt de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van de burgers vergroot.
Het plangebied ligt aan de noordoost-zijde in het buitengebied van Zieuwent.
Afbeelding: globale ligging plangebied.
Afbeelding: vogelvluchtfoto plangebied
Dit plan 'Wijzigingsplan, tweede bedrijfswoning, Kranenkampsweg 2 Zieuwent' is een wijzigingsplan voor het perceel Kranenkampsweg 2 te Zieuwent. Voor dit plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', met bijbehorende reparatieplannen 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'.
Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast heeft het perceel een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2', de functieaanduiding 'intensieve veehouderij, en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen niet toegestaan'. Er zit een bouwvvlak op het perceel.
Afbeelding: uitsnede geldend bestemmingsplan
Wijzigingsbevoegdheid tweede bedrijfswoning
In de planregels bij de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om een tweede bedrijfswoning toe te staan. Deze luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het toestaan van een tweede bedrijfswoning, met dien verstande dat:
In de Inleiding zijn de aanleiding en doel van dit wijzigingsplan uiteengezet. In de Planbeschrijving van de toelichting worden de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens worden het Beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Het hoofdstuk Haalbaarheid gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. De Juridische toelichting beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in het hoofdstuk Uitvoerbaarheid een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
Op het perceel Kranenkampsweg 2 te Zieuwent is een agrarisch bedrijf gevestigd met 89 melkkoeien, 86 jongvee, 540 zeugen, 2328 gespeende biggen, 2 beren en 72 opfokzeugen. Naast de bedrijfswoning zijn garages, loodsen en stallen aanwezig. Het erf ligt in een open gebied met grote rechtlijnige verkaveling. De initiatiefnemer is voornemens een tweede bedrijfswoning te realiseren binnen het bestaande bouwvlak op het perceel Kranenkampsweg 2.
Afbeelding: huidige situatie
De tweede agrarisch bedrijfswoning wordt binnen het bouwperceel geprojecteerd. De tweede bedrijfswoning wordt aan de voorzijde van het erf en dicht bij de bestaande bedrijfswoning gesitueerd. Stedenbouwkundig is dit een passende plek. Het erf blijft zeer compact en door de nieuwbouw en erfinpassing wordt het straatbeeld ook verbeterd.
Het blijkt dat er in de onderhavige situatie sprake is van een ruim volwaardig gemengd agrarisch bedrijf bestaande uit een melkveebedrijf en een varkensbedrijf. Met de omvang van de huidige en toekomstige veestapel en zeugen is de feitelijke bedrijfsvoering op dit perceel dusdanig, dat gesproken kan worden van een tweemaal volwaardig agrarisch bedrijf met de bijbehorende noodzaak tot toezicht door twee bedrijfsvoerders. Zie voor de onderbouwing Bijlage 1 Advies noodzaak tweede bedrijfswoning en Bijlage 2 Noodzaak tweede bedrijfswoning van de toelichting.
Afbeelding: gewenste situatie
Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van een tweede bedrijfswoning noodzakelijk blijkt. Daarnaast is de situering van de tweede bedrijfswoning ruimtelijk aanvaardbaar.
Juridisch-planologische situatie
Het voorliggende bestemmingsplan vormt een wijziging op het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost-Gelre 2011' en bijbehorende reparatieplannen. Hierin wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt een tweede bedrijfswoning te realiseren binnen het huidige bouwvlak.
Dit wordt geregeld door op de verbeelding ter plaatse van het bouwvlak een maatvoeringsaanduiding 'maximaal aantal wooneenheden - 2' op te nemen. Daarbij is in de regels opgenomen dat de tweede bedrijfswoning uitsluitend ten zuidwesten van de reeds bestaande bedrijfswoning mag worden opgericht. Ook is in de regels opgenomen dat de afstand tussen de beide bedrijfswoningen maximaal 25 meter mag bedragen.
Lanschappelijke inpassing
De eigenaren hebben een erf- en landschapsinpassingsplan gemaakt. Het plan is afgestemd op de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.
Het voorstel voor inpassing van het nieuwe erf bestaat uit verschillende onderdelen:
Een hout/struweelsingel langs de noord- en westzijde van de meest noordelijke stal, een elzensingel langs de weide-toegangsweg, een struweelsingel aan de zuidzijde van de stal, een boomgaard aan de westzijde van de nieuwe woning, en solitaire bomen in de noord-oost hoek van het perceel. De beplanting bestaat uit zwarte els, Gelderse roos, krentenboompje, lijsterbes, vuilboom, rode kornoelje, vlier, hulst en de wilde liguster.
Het complete inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 3 Landschappelijke inpassing van de toelichting.
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidskaders samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
Er is internationaal beleid geformuleerd. In dit beleid zijn geen doelstellingen opgenomen die rechtstreeks betrekking hebben op dit initiatief.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moeten worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
De eerste trede van de ladder houdt in dat wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De eerste vraag is dus of hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Het gaat hier om de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf in de vorm van de bouw van een extra bedrijfswoning. De uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf valt - volgens jurisprudentie - niet onder de noemer van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling voorziet enkel in een kleinschalige uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf.
Conclusie
Er kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet als 'stedelijke ontwikkeling' aangemerkt wordt en daarmee buiten het kader van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' valt.
Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld.
De provincie geeft in deze Omgevingsvisie aan bij te dragen aan gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met behulp van zeven onderwerpen (energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economische vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat) wordt hier richting aan gegeven. In de visie worden 'gezond, veilig, schoon en welvarend' toegelicht:
1. gezond en veilig;
Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid
2. schoon en welvarend;
Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie
Ook hebben Provinciale Staten in december 2018 de Omgevingsverordening geactualiseerd. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.
De Regionale Structuurvisie Achterhoek is vastgesteld op 4 juli 2012. Het geeft de speerpunten voor het regionale ruimtelijke beleid in de Achterhoek van 2011 tot 2020. Er liggen kansen voor de Achterhoek om haar positie in een netwerk van stedelijke knooppunten nog meer te benutten ter versterking van de eigen beroepsbevolking en bedrijvigheid. De ligging van de Achterhoek biedt hierin onder andere kansen als recreatief inloopgebied. Nieuwe werkgelegenheid is noodzakelijk om verlies aan werkgelegenheid in de agrarische sectoren op te vangen en om jongeren binnen de Achterhoekse gemeenten meer kansen te bieden. Toerisme, recreatie en zorg zijn sectoren die als kansrijk worden beschouwd. Het streven is dan ook een multifunctioneel gebied te creëren waar ruimte is voor (agrarische) bedrijvigheid, recreatie, toerisme en natuur. Verbreding en wijziging van functies is hiervoor noodzakelijk.
De voorgenomen realisatie van een tweede bedrijfswoning, en de ingezette groei van de melkveehouderij, sluit aan op het versterken van de (agrarische) bedrijvigheid zoals is beoogd met de structuurvisie.
Conclusie provinciaal beleid
Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.
Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in mindere mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.
Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk.
Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig.
Het gemeentelijk geluidbeleid is gebiedsgericht beleid. Het gemeentelijk beleid is verdeeld in tien akoestisch relevante gebiedstypen, zoals natuur, agrarisch gebied, woonwijken, centra en industrieterrein. Voor elk gebied is vastgesteld welke akoestische streef-, grens- en plafondwaarden gelden. Bij nieuwe activiteiten dient een geluidbelasting tussen streef- en grenswaarden te ontstaan, waarbij streefwaarden de norm zijn. Alleen akoestisch uitzonderlijke situaties geven mogelijkheden geluidbelastingen tussen grens- en plafondwaarden aan te houden. Kortom, hoe verder de geluidbelasting boven de streefwaarden komt des te belangrijker wordt een goede motivatie van deze afwijking. Doel is immers om een gekozen akoestisch leefklimaat te realiseren, indien nodig ten koste van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Waar meer geluidruimte is gegeven, zijn dus ook meer activiteiten mogelijk.
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.
De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.
Zie paragraaf 2.3 Geldende bestemmingsplannen voor een beschrijving van het vigerende bestemmingsplan.
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen? Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.
Bij de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit 'bouwen' van de tweede bedrijfswoning wordt getoetst aan welstand.
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld. Een demografische ontwikkeling in deze regio is dat het aantal inwoners in de komende periode langzaam maar zeker afneemt. In de Regionale Woonvisie wordt ingespeeld op die bevolkingsdaling en afname van het aantal huishoudens. Concreet betekent dit voor iedere gemeente in de Achterhoek dat de aangegeven bouwvolumes in de gemeentelijke woonvisies naar beneden bijgesteld moeten worden.
De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 - 2025 waarin de regionale woonvisie in is verweven. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016.
De woonvisie Oost Gelre is een kernachtige en toegankelijke visie. De visie is vormgegeven op basis van een drietal thema's: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn. Bij ieder thema is aangegeven wat wordt gezien als ontwikkelingen, wat er bereikt moet worden en wat hiervoor moet worden gedaan. Voorafgaand hieraan is ingegaan op de kwaliteiten van Oost Gelre, specifiek de verschillende kernen, en de maatschappelijke ontwikkelingen die het woonbeleid beïnvloeden. In een uitvoeringsprogramma is aangegeven welke activiteiten uit de woonvisie voortvloeien en wanneer en door wie deze worden uitgevoerd. De ruimtelijke uitvoeringsmaatregelen zoals het stoplichtmodel, vijfsporenstrategie, sturingstabel en de richtlijnen voor nieuwe principeverzoeken zijn als bijlage bij het uitvoeringsprogramma gevoegd.
Bij het opstellen van dit wijzigingsplan is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie.
Conclusie gemeentelijk beleid
Het plan voldoet aan het gemeentelijk beleid. Dit is getoetst in Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6.
In dit hoofdstuk is getoetst of het plan voldoet aan de milieu wet-en regelgeving.
Het te ontwikkelen perceel is gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Dit wil zeggen dat bij bodemingrepen dieper dan 30 centimer onder maaiveld en een oppervlakte groter dan 2.500 m2 groot er een inventariserend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
Situatie plangebied
Dit plan regelt het realiseren van een tweede bedrijfswoning. De oopervlakte van de tweede bedrijfswoning is minder dan 2.500 m2. Op het erf zal verder wat bodemverstoring plaatsvinden door de aanplant van de groenstructuur. Deze oppervlakte blijft echter beperkt tot de locaties waar deze nieuwe groenelementen worden aangeplant.
Het uitvoeren van een inventariserend archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wel geldt ten allen tijde de zorgplicht. Ook dient bij het afgeven van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de tweede bedrijfswoning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het dient de aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan direct in kennis te stellen.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering.
Het perceel is gelegen in een overwegend agrarische omgeving. In de VNG-brochure zijn voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid per type bedrijf richtafstanden bepaald. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie (o.a. woningen) die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
In de VNG-brochure staat dat de richtafstandenlijsten niet zonder meer worden toegepast op gevoelige functies die bewust op een bedrijventerrein of industrieterrein zijn gesitueerd, zoals bedrijfswoningen. Deze situaties vallen buiten de kaders van de richtafstandenlijsten. Dat neemt niet weg dat de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden een indicatie kunnen vormen voor de aanvaardbaarheid van bedrijfswoningen.
Voor het fokken en houden van rundvee is de grootste richtafstand (geur) 100 meter en voor het fokken en houden van varkens is dat 200 meter (geur).
Situatie plangebied
Uit onderstaande afbeelding blijkt dat er geen andere bedrijven of woningen gevestigd zijn binnen 200 meter vanaf het plangebied.
Afbeelding: bedrijven en woningen in de omgeving van het plangebied
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering.
In verband met het bestaan van risico voor de gezondheid van de mens mag een bouwwerk, bestemd voor het verblijven van mensen, niet worden gebouwd of verbouwd op verontreinigde grond. Om dit risico uit te kunnen sluiten, dient onderzoek naar de bodemgesteldheid plaats te vinden.
Situatie plangebied
Op 3 november 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door bureau Rouwmaat.
Geconcludeerd wordt dat in geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde is overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 4. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) onderschrijft de conclusies uit de bodemrapportage. Het advies van de ODA is opgenomen in Bijlage 5.
Conclusie
Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
Aanbeveling ODA
- Wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de ODA worden overlegd.
- Voor de toepassing van vrijkomende grond en bouwstoffen gelden de voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit.
- Wanneer tijdens de uitvoering van het werk grondwater wordt opgepompt en geloosd, moet eerst contact worden gelegd met het waterschap.
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven of opslagruimtes gevestigd. Ook liggen er geen leidingen voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.
Natura 2000
Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Situatie plangebied
Het plangbied is niet gelegen nabij het Natura2000 gebied. Er vinden geen sloopwerkzaamheden plaatst, daarom worden geen rust- en verblijfsplaatsen van soorten verstoord. Het gaat hier om een locatie die in agrarisch gebruik is. Gelet daarop is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk, aangezien er door het gebruik geen natuurwaarden aanwezig zullen zijn.
Stikstof
De ontwikkeling vindt plaats op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Er is sprake van de bouw van één woning die op een afstand van meer dan 7 km van een Natura 2000-gebied wordt gebouwd. In zo'n geval hoeft in ieder geval geen stikstofberekening te worden uitgevoerd, want dat is vanuit de handreiking die door de overheid is opgesteld 'niet nodig'. Bovendien is de stifkstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase, op basis van ervaringscijfers, zo gering dat invloed op een Natura 2000-gebied verwaarloosbaar is.
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Voor de beoordeling van het onderwerp geluid gelden bij ruimtelijke besluiten de volgende uitgangspunten:
1. Normen Wet geluidshinder
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent drie geluidbronnen waarvoor geluidzones gelden:
- railverkeerslawaai;
- wegverkeerslawaai;
- industrielawaai.
Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wgh, moet akoestisch onderzoek aantonen dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan kunnen onder voorwaarden hogere grenswaarden vastgesteld worden. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wgh moet voldoen.
2. Belemmering bedrijfsvoering
Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichtbij bedrijven komen te liggen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidnormen. Het realiseren van geluidgevoelige objecten in de buurt van bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is akoestisch onderzoek nodig om te onderzoeken welke geluidbelasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluidnormen, dan is in feite voldaan aan dit punt.
Voor de beoordeling kunnen verschillende toetsingskaders van toepassing zijn:
3. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Afgewogen moet worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wanneer een gemeente geluidbeleid heeft vastgesteld kunnen daarin geluidnormen zijn opgenomen. Voor rail- en wegverkeerslawaai kan aansluiting worden gezocht bij de normen in de Wgh. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wgh normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening regels en normen.
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering" is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen. Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, moet worden betrokken:
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gelden voor het te realiseren plan, maar geldt ook voor de omgeving van het plan.
4. Geluidbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft geluidbeleid. Het beleid is recent vernieuwd. Het nieuwe beleid sluit aan bij het Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering". Zie hiervoor hoofdstuk 5.2 Bedrijven en milieuzonering.
Situatie plangebied
Door ForFarmers is een onderbouwing aangeleverd, waarin onder andere ingegaan wordt op het aspect geluid. Zie Bijlage 2.
1. Normen Wet geluidshinder
Woning of ander geluidgevoelig gebouw
Het gaat om een nieuw te bouwen woning. De Wgh maakt geen onderscheid in een woning van een derde en een (agrarische) bedrijfswoning. Toets aan de Wgh is dan noodzakelijk.
Railverkeerslawaai
In de omgeving van het plan bevindt zich een spoorweg. De beoogde locatie voor de tweede woning ligt buiten de geluidzone van het spoor. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wgh is niet van toepassing.
Industrielawaai
In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wgh is niet van toepassing.
Verkeerslawaai
Wegen hebben een wettelijke zone op basis van de Wgh. Woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen wettelijke geluidzone.
| stedelijk gebied | buitenstedelijk gebied | |
| een of twee rijstroken of een of twee sporen | 200 meter | 250 meter |
| drie of meer rijstroken of drie of meer sporen | 350 meter | 400 meter |
Voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. Bij het niet kunnen voldoen aan deze grenswaarde bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Het College van Burgemeester en Wethouders is hiervoor bevoegd.
| Hoogste toelaatbare geluidsbelasting | stedelijk gebied | buitenstedelijk gebied |
| Woningen nieuw gelijk met wegaanleg | 58 dB | 53 dB |
| nieuwe woning bij agrarisch bedrijf | nvt | 58 dB |
| nieuwe woning / bestaande weg | 63 dB | 53 dB |
| Vervangende nieuwbouw | 68 dB | 58 dB |
| bestaande woning / nieuwe weg | 63 dB | 58 dB |
De locatie bevindt zich in buitenstedelijk gebied. In de omgeving van de nieuw te bouwen woning bevinden zich wegen met een wettelijke zone. De beoogde locatie voor de tweede woning ligt buiten de geluidzone van de Bedelaarsdijk, Oude Maat en Zegendijk. De locatie ligt wel binnen de zone van de Kranenkampsweg. De Kranenkampsweg is een openbare weg. Echter, in de praktijk functioneert deze weg als toegangsweg tot het bedrijf. Dit blijkt ook uit de opbouw van de weg. De weg is verhard tot aan het bedrijf en gaat daarna over in een zandweg. Dit onverharde deel wordt hoofdzakelijk gebruikt door een paar grondeigenaren van de aanliggende percelen en door wandelaars en fietsers. Bovendien is de Kranenkampsweg ook nog weer aangesloten op twee andere wegen, zodat niet alle verkeer van de aanliggende grondeigenaren langs het bedrijf komt. In dit plangebied hebben de zogenaamde wegen voor bestemmingsverkeer een dermate lage verkeersintensiteit (minder dan 500 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm)) dat voldaan kan worden aan de voorkeurswaarde van de Wgh.
2. Belemmering bedrijfsvoering, 3. aanvaardbaar woon- en leefklimaat en 4. geluidsbeleid
De aangrenzende percelen zijn in eigendom van de familie. De bouw van een tweede bedrijfswoning zal dan ook geen beperkingen opleveren voor eigenaren van de aangrenzende percelen. Daarnaast is de afstand van het bedrijf dusdanig groot, dat de bouw van een tweede bedrijfswoning geen beperkingen zal opleveren voor eigenaren van de aangrenzende percelen, woningen en bedrijven in de omgeving.
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ook aan het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre kan worden voldaan. Dit is toegelicht in paragraaf 5.2 Bedrijven en milieuzonering.
Conclusie
De onderbouwing van ForFarmers is voldoende. Een akoestisch onderzoek kan in dit geval achterwege blijven, omdat voldaan kan worden aan de voorkeurswaarde. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijke kader
De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer ("Wet luchtkwaliteit"). In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan de grenswaarden (normen) voor verschillende luchtvervuilende stoffen. In de praktijk is alleen bij stikstofdioxide en fijn stof mogelijk sprake van normoverschrijding, zodat de beoordeling tot deze stoffen beperkt blijft. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen met daarin het centraal staande begrip 'niet in betekenende mate':
Situatie plangebied
Op en rondom deze locatie is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Het eigen bedrijf blijft daarbij buiten beschouwing. Bovendien zijn op een bedrijfswoning de voor luchtkwaliteit geldende grenswaarden niet van toepassing.
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op één woning. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. De aanvraag blijft daar ruimschoots onder. Een berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit is daarom niet nodig.
De ruimtelijke procedure heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.
De locatie ligt bovendien op een afstand van:
- meer dan 300 meter van een rijksweg;
- meer dan 50 meter van een provinciale weg.
Alleen bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden nodig. Nu dit niet aan de orde is, hoeft geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden.
Conclusie
Het realiseren van een tweede bedrijfswoning draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een gevoelige bestemming. De locatie ligt bovendien op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Ten opzichte van het eigen bedrijf zijn die grenswaarden niet van toepassing. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het onderwerp luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling.
De verkeersaantrekkende werking voor de woonfunctie is zeer beperkt. De wegenstructuur is hier ruim voldoende voor. Parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Op het erf is ruim voldoende ruimte aanwezig om een aantal parkeerplaatsen mogelijk te maken.
Wettelijk kader
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. In het "Waterbeheersplan 2016-2021" heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Ja |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Situatie plangebied
Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat het afstromende hemelwater niet op de riolering wordt geloosd. Het afkoppelen in het buitengebied is al verplicht. De initiatiefnemer onderzoekt de mogelijkheden om het hemelwater van het dak en de (eventueel) nieuwe verharding via een infiltratievoorziening langzaam af te voeren op eigen terrein. Indien dit niet mogelijk is kan het hemelwater van het dak via een infiltratievoorziening langzaam af worden gevoerd op de sloot aan de Kranenkampsweg.
Het plan gaat uit van het realiseren van een tweede bedrijfswoning. Met de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in de vorm van een tweede bedrijfswoning, zal het af te voeren afvalwater toenemen. Dit zal geloosd worden op de gemeentelijke drukriolering.
Door de toename in verharding is er sprake van beperkt extra wateroverlast vanwege hemelwater. Deze toename van verhard oppervlak is echter gering en minder dan de compensatieplicht die geldt bij realisatie van 500 m2 en meer verharding.
Er ligt een kernzone en beschermingszone (in eigendom/beheer van Waterschap) onder de Kranenkampsweg. De ontwikkeling heeft hier geen gevolgen op.
Het Waterschap is akkoord met het voorliggende plan.
Conclusie
De ontwikkeling van de tweede bedrijfswoning vormt geen belemmering ten aanzien van het watersysteem of waterketenbeheer.
Hierna wordt het plan getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
Wijzigingsbevoegdheid tweede bedrijfswoning
In de agrarische bestermming van het bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om een tweede bedrijfswoning te realiseren. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
3.7.5 Tweede bedrijfswoning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het toestaan van een tweede bedrijfswoning, met dien verstande dat:
Toetsing aan de voorwaarden
Ad a: in een onderzoek, uitgevoerd door ForFarmers, is aangetoond dat er sprake is van een noodzakelijk en intensief toezicht. Het rapport is opgenomen in Bijlage 2.
Ad b: de eigenaren hebben een plan met situering ingediend, waaruit blijkt dat de afstand tot de eerste bedrijfswoning niet meer bedraag dat 25 meter. De situering is opgenomen in Bijlage 3.
Ad c: tijdens de omgevingsvergunning aanvraag voor het bouwen van de tweede bedrijfswoning wordt getoetst aan de bouwregels in lid 3.2 van regels.
Ad d: de afstand tot de as van de aanliggende weg is stedenbouwkundig aanvaardbaar.
Ad e: in hoofdstuk 5.6 Geluid is toegelicht dat aan de Wet geluidshinder wordt voldaan.
Ad f: in hoofdstuk 5 is toegelicht dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Ad g: initiatiefnemer heeft een landschappelijk inpassingsplan ingediend. In het plan zijn de maatregelen voor de lanschappelijke inpassing opgenomen. In hoofdstuk 3 is het plan voor het erf toegelicht. Met een zogenaamde voorwaardelijke verplichting in de planregels zijn de aanleg en de instandhouding van de inpassingsmaatregelen uit het inpassingsplan gegarandeerd.
Overige voorwaarden 'goede ruimtelijke ordening'
Naast de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid moet een wijzigingsplan voldoen aan eisen voor een 'goede ruimtelijke ordening'. Hiermee wordt onder andere bedoeld dat een plan moet voldoen aan de geldende milieuwet- en regelgeving. In hoofdstuk 5 is het plan getoetst aan alle andere relevante ruimtelijke aspecten. Het plan voldoet hier aan.
Dit wijzigingsplan is opgesteld met een gedetailleerde wijze van bestemmen omdat maatwerk nodig is. Dit biedt voldoende rechtszekerheid voor de burger.
Het perceel blijft de bestemming 'Agrarisch' behouden. Binnen dit bestemmingsvlak is één woning toegestaan. Met de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden - 2' is de tweede bedrijfswoning vastgelegd. Daarnaast is het bouwvlak en zijn de functieaanduiding 'intensieve veehouderij', de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen niet toegestaan' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' uit het geldende bestemmingsplan overgenomen.
Het erf- en beplantingsplan zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Aanleg en instandhouding van de beplanting zijn daarmee verplicht.
De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de bestemmingen met kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voorliggende bestemmingsplan is een conserverend plan (wat betekent dat het huidige gebruik en de huidige verschijningsvorm als uitgangspunt dienen). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.
Het digitale bestemmingsplan 'Wijzigingsplan, tweede bedrijfswoning, Kranenkampsweg 2 Zieuwent' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1586.WPBUI2014-VG01 met bijbehorende regels.
Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt.
Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
Regels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen vastgelegd. Dit bestemmingsplan bevat de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn de bouwregels opgenomen.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provincie heeft aangegeven dat zij woningbouwplannen van meer dan twaalf woningen graag in het vooroverleg zien. Kleine woonplannen met een lokaal belang hoeven niet aangeboden te worden in een vooroverleg. Omdat het voorliggende plan een klein woonplan is (bestaande uit één bedrijfswoning), is er geen sprake van provinciaal belang. Het plan hoeft dan ook niet in het kader van het vooroverleg aangeboden te worden aan de provincie.
De instanties waaraan het voorontwerp is voorgelegd konden instemmen met het plan.
Het ontwerp-wijzigingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. 'Een ieder' kon in deze periode een zienswijze indienen bij het college. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een anterieure overeenkomst met de gemeente afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Door deze overeenkomst is er geen financieel risico voor de gemeente.