| Plan: | Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI2014-VG01 |
Kaasboerderij Weenink is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a te Lievelde. Het bedrijf bestaat uit een volwaardige melkveehouderij met als nevenactiviteiten een eigen kaasmakerij en een boerderijwinkel. Daarnaast is op basis van het geldende bestemmingsplan een aan de kaasboerderij ondergeschikte horecatak toegestaan. In de praktijk is deze aan de overige activiteiten ondergeschikte horecatak uitgegroeid tot een zelfstandige horecagelegenheid waar ook feesten en partijen gegeven worden. Ook is de kaasboerderij een trouwlocatie. Bij de kaasboerderij kunnen ook recreatieve arrangementen (boerengolf, boogschieten, rondleidingen en dergelijke) geboekt worden. Een aantal maal per jaar vinden evenementen plaats. Bekende evenementen zijn de Pinkstermarkt en de boerenmarkten. Het bedrijf is zich volop aan het ontwikkelen en heeft toekomstplannen en toekomstperspectief, maar niet alle plannen passen in het geldende bestemmingsplan.
Legaliseren en uitbreiden horeca
De horeca-activiteiten passen niet in het geldende bestemmingsplan. De eigenaren hebben daarom een verzoek ingediend om het bestemmingsplan aan te passen en de ondergeschikte horeca om te zetten naar zelfstandige horeca. Dit is een vorm van horeca waarbij ook zelfstandige feesten en partijen gegeven kunnen worden, die niet zijn gekoppeld aan de agarische (neven)activiteiten. Onderdeel van de vraag was of de koepel op het buitenterrein omgebouwd mocht worden naar een gebouw dat wel voldoet aan het Bouwbesluit en als tweede zaal in gebruik mag worden genomen. Het verzoek heeft dus betrekking op het legaliseren én uitbreiden van de bestaande horecagelegenheid.
Verdere toekomstplannen
De eigenaren hebben daarnaast verdere plannen voor hun bedrijf ingediend. Het gaat om:
Nieuw bestemmingsplan nodig
De zelfstandige horeca en de verdere plannen voor de ontwikkeling van de kaasboerderij zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft principemedewerking verleend aan het omzetten en uitbreiden van de ondergeschikte horecatak naar een volwaardige horecatak binnen het totaal van het bedrijf. Daarnaast heeft het college besloten om mee te werken aan de hiervoor genoemde overige plannen, waarbij een aantal voorwaarden is gesteld.
Een herziening van het geldende bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij opgesteld.
Kaasboerderij Weenink ligt ten noorden van Lievelde en is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a. In de omgeving liggen andere agrarische bedrijven, burgerwoningen en aan de overzijde van de weg is Erve Kots gevestigd (openluchtmuseum, recreatie en horeca).
Afbeelding 1: luchtfoto plangebied
Het bestemmingsplan Buitengebied, herziening Eimersweg 3 en 3a te Lievelde, kaasboerderij is een herziening van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 (vastgesteld 18 december 2012) en de daarbij behorende reparatieplannen.
Afbeelding 2: uitsnede vigerende bestemmingsplan
Het perceel Eimersweg 3 en 3a heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', met een bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het bouwvlak is 1,5 hectare groot. Met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is bepaald dat er twee bedrijfswoningen aanwezig mogen zijn.
Met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-nevenactiviteit' is aangegeven dat de volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan:
De maximale gezamenlijke oppervlakte van de functies bedraagt:
De oppervlakte van de terrassen ter plaatse van de aanduiding 'terras' mag niet meer bedragen dan 200 m2.
Op een groot deel van het perceel ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 3' (vanwege de Grolse Linie). Op het andere deel ligt de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 2'.
Kaasboerderij Weenink is gevestigd aan de Eimersweg 3 en 3a te Lievelde. Het bedrijf bestaat uit een volwaardige melkveehouderij met een eigen kaasmakerij en een boerderijwinkel. Daarnaast is een aan de kaasboerderij ondergeschikte horecatak toegestaan. In de praktijk is deze aan de overige activiteiten ondergeschikte horecatak uitgegroeid tot een zelfstandige horecagelegenheid waar ook feesten en partijen gegeven worden. Buiten zijn terrassen aanwezig. Ook is de kaasboerderij een trouwlocatie, waar ook de bruiloft gevierd kan worden.
Bij kaasboerderij kunnen ook recreatieve arrangementen (boerengolf, boogschieten, rondleidingen en dergelijke) geboekt worden. Een aantal maal per jaar vinden evenementen plaats. Bekende evenementen zijn de Pinkstermarkt en de boerenmarkten in het voorjaar en de zomer.
De zelfstandige horeca en de verdere plannen voor de ontwikkeling van de kaasboerderij zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft principemedewerking verleend aan:
In de principemedewerking is een aantal voorwaarden opgenomen. Deze hebben onder meer betrekking op het aantal evenementen, het aantal toegestane bezoekers en de toegestane geluidbelasting. Daarnaast moet landschappelijke inpassing op het erf en in de omgeving plaatsvinden. Parkeren moet worden opgelost op eigen terrein.
In Bijlage 1 Erf- en landschapsplan is de inrichtingsschets voor het gebruik van het erf en de directe omgeving opgenomen.
Inpassingsplan erf en landschap
Voor de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt is een plan voor de landschappelijke inpassing gemaakt. Het plan bestaat uit twee onderdelen: een plan voor de inpassing van het erf en een bijdrage aan de landschapsontwikkeling op een locatie aan de Avinkweg.
Inpassing erf
Het plan voor landschappelijke inpassing van het erf bestaat uit twee aspecten; het verwijderen van
niet-passende beplantingsvormen of soorten en het versterken van de inpassing door het aanleggen van nieuwe beplanting. Op de afbeelding zijn de elementen weergegeven die verwijderd of vervangen worden.
Afbeelding 3: wijziging bestaande elementen op en rond het erf
De volgende wijzigingen worden doorgevoerd:
Ter versterking van de erfinpassing worden de volgende maatregelen genomen:
Afbeelding 4: voorstel voor erfinpassing van het erf
Landschappelijke inpassing in de omgeving
Vanwege de ligging aan de voet van een es-complex, zijn rondom het erf beperkt mogelijkheden voor
landschapsversterking omdat nieuwe houtige beplanting op een es niet wenselijk is. Door bedrijfsuitbreiding beschikt initiatiefnemer ook over agrarische cultuurgrond langs de Avinkweg, circa 400 meter ten noordoosten van het erf. In overleg met de gemeente Oost-Gelre is afgesproken dat daar gezocht mag worden naar zinvolle maatregelen ter versterking van het landschap.
Ter versterking van het landschap worden de volgende maatregelen uitgevoerd:
Afbeelding 5: overzicht van te nemen maatregelen ter versterking van het landschap
Het volledige plan met de onderbouwing en nadere toelichting is opgenomen in Bijlage 1 Erf- en landschapsplan. Het plan is als voorwaardelijke verplichting aan de planregels gekoppeld. Hierin zijn eisen over het uitvoeren en instandhouden van de landschappelijke inpassing opgenomen.
Dit hoofdstuk beschrijft het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit hoofdstuk verwoord en afgewogen en indien noodzakelijk op de verbeelding en in de regels verwerkt.
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura-2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.
De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Het plan heeft ook geen negatieve gevolgen voor eventuele Vogelrichtlijngebieden.
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Op basis van de Habitatrichtlijn zijn de zogenaamde Natura2000-gebieden aangewezen. Op ruim drie kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura2000 gebied Korenburgerveen. Er is geen sprake van een (direct) ruimtelijk effect van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt op het Korenburgerveen. Om na te gaan of de nieuwe activiteiten die plaats gaan vinden op de kaasboerderij is getoetst of deze activiteiten leiden tot een toename van de stikstofdepositie. In paragraaf 4.6 Flora en
fauna van de toelichting van het voorliggend bestemmingsplan is daar nader op ingegaan.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Het verdrag is uitgewerkt in de Wet op de archologische monumentenzorg. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. Gemeentes moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met aanwezige en te verwachten monumentale- en archeologische waarden.
Het verdrag van Valletta is op gemeentelijk niveau verder uitgewerkt in een gemeentelijk beleid en kaart archeologische verwachtingswaarden. In paragraaf 4.1 Archeologie en Cultuurhistorie wordt hier nader op ingegaan.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:
Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
In paragraaf 4.3 Watertoets is nader ingegaan op de concrete wateraspecten van dit plan.
Het initiatief levert geen conflict op met de internationale belangen als hiervoor vermeld. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane internationale beleid.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.
Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.
De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.
In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd, het voor dit plan relevante belang is:
Nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke wettelijk verplichte procedure. In paragraaf 8.2 Inspraak is hier nader op ingegaan.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Ten aanzien van dit plan:
Voorliggend geval betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor het plan.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.
De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van deze omgevingsvergunning betrokken.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo. Gezien het hier gaat om een
De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Verder dient de ladder alleen toegepast te worden als de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een aanzienlijk aanvullend ruimtebeslag ten opzichte van de bestaande situatie. Nadat bepaalt is of het een nieuw stedelijke ontwikkeling betreft, dient gekeken te worden naar het ruimtelijk verzorgingsgebied. Voor een bedrijventerrein geldt dat gekeken moet worden naar de actieradius. Vindt de ontwikkeling plaats op een gemeente overstijgend bedrijventerrein? Wanneer deze vraag is beantwoord, kan gekeken worden naar de vraag of er behoefte is aan de ontwikkeling. Daarbij wordt gebruik gemaakt van lange termijn prognoses (10 jaar). Aanbod en plancapaciteit spelen hierbij een belangrijke rol. Tot slot wordt met de ladder gekeken naar de exacte plaats van de ontwikkeling: vindt deze plaats in stedelijk gebied of daarbuiten? Simpelweg kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder wanneer de ontwikkeling gepland is in bestaand stedelijk gebied en voorziet in een behoefte.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen c.q. uitbreiden van de bestaande bedrijfsgebouwen van een mengvoederbedrijf. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie volgt dat voor onder andere een bedrijventerrein geldt dat het als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt wanneer het plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 500 m².
Gelet op het feit dat het hier gaat om relatief kleine aanpassingen ten aanzien van het terrein en het bruto-vloeroppervlakte, kan gesteld worden dat in voorliggend geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee gaat de ladder voor duurzame verstedelijking in dit geval niet verder op.
Afweging
Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het realiseren van enkele bouwkundige aanpassingen aan het bedrijf van Gunnewick Mengvoeders B.V. niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling, zodat gesteld kan worden dat de ladder voor duuzame verstedelijking niet verder hoeft te worden doorlopen. Het betreft hier al duurzame verstedelijking.
Conclusie
De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Klimaatadaptatie heeft in het landelijke beleid een flinke impuls gekregen. Het Deltaprogramma 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte versnelt en intensiveert.
Daarnaast zijn er in de nabije toekomst diverse ontwikkelingen zoals het stimuleren van de bewustwording in relatie tot klimaatadaptatie, de invoering van de Klimaatwet en de invoering van de Omgevingswet.
De Klimaatwet hangt samen met het beleid dat in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is verwoord. In het regeerakkoord 2017 “Vertrouwen in de toekomst” staat dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een klimaatwet. Lessen die Planbureau voor de Leefomgeving (2016) uit de Britse klimaatwet heeft getrokken, zijn onder andere dat het geen probleem is om zowel mitigatie als adaptatie in deze wet te borgen. Naar verwachting volgt Nederland dat voorbeeld gezien de invoering van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de verplichte klimaatstresstest voor gemeenten. Daarnaast werkt het Rijk momenteel aan een Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving en wordt nagedacht over regels in het Bouwbesluit voor klimaatadaptief bouwen.
De invoering van de Omgevingswet biedt, naast het al door de gemeente ingezette klimaatbeleid, mogelijkheden om klimaatadaptatie een basis te geven in (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen en zo te werken aan een leefbare en gezonde stad.
Hiervoor kunnen de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan als juridische instrumenten worden ingezet. We kunnen zo een afgewogen keuze maken, welke risico's we al dan niet accepteren. De invoering van de Omgevingswet is nu gepland op 1 januari 2023.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DRPA)
Mede gebaseerd op de adviezen uit het Manifest Klimaatbestendige Stad (2013) is in 2014 de intentieverklaring Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie verschenen. In deze beslissing staat het gezamenlijk doel centraal: in 2050 is het bebouwde gebied in Nederland, inclusief vitale en kwetsbare objecten, zo goed mogelijk “waterrobuust” en “klimaatbestendig” ingericht. Hierbij wordt gewerkt aan maatregelen om de kwetsbaarheid van de stad te verlagen voor drie opgaven: te nat (overstroming en wateroverlast), te droog (wateronderlast) en te warm (hittestress). In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) staan zeven ambities centraal. Door te werken aan deze zeven ambities wordt de totstandkoming van een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting versneld en geïntensiveerd.
Afbeelding 6: weergave ambities Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie
Conclusie
De aandachtspunten ten aanzien van klimaatadaptatie zijn meegenomen in de behandeling van uitvoeringsaspecten in hoofdstuk 5 en worden daar dan ook verder behandeld.
Het initiatief levert geen conflict op met de nationale belangen als hiervoor vermeld. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet in strijd is met het voorgestane Rijksbeleid.
Op 19 december 2018 heeft de Provincie Gelderland de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In de omgevingsvisie stelt de provincie tot doel een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Daarnaast streeft de provincie onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen. In de omgevingsvisie is dit beleid uitgewerkt in 5 themakaarten;
Specifiek beleid gericht op voorliggend plan, is niet aan de orde.
Op 14 januari 2023 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de meest recente versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met de vastgestelde Omgevingsvisie het ruimtelijk beleid en ziet toe op het veiligstellen van de provinciale belangen.
Een groot deel van de regels uit de verordening heeft betrekking op bebouwing (nieuwe woningen, bedrijventereinen en uitbreidingen van agrarische bedrijven) of nieuwe ontwikkelingen in gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk of het Nationaal Landschap.
In dit geval wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Dit plan maakt een aantal ontwikkelingen in de vorm van nevenactiviteiten op en rond een bestaand agrarisch bouwvlak mogelijk.
De relevante artikelen uit de omgevingsverordening zijn:
Artikel 2.12 van de provinciale omgevingsverordening gaat in op het vestigen van nieuwe vormen van bedrijvigheid in het buitengebied die qua ruimtelijke aanvaardbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein.
Artikel 2.35 gaat in op nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. Deze zijn toegestaan als er sprake is van verkoop van zelfgeteelde of -geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving. De nevenactiviteiten mogen geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en het perceel moet landschappelijk worden ingepast.
Niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied
Voor dit perceel is in het verleden een bestemmingsplan opgesteld waarmee verschillende niet- of semi-agrarische nevenactiviteiten naast de reguliere agrarische bedrijfsvoering zijn mogelijk gemaakt. Dit nieuwe bestemmingsplan neemt deze grotendeels eerder bestemde en goedgekeurde activiteiten over en maakt op een aantal punten een beperkte uitbreiding van deze activiteiten mogelijk. De ondergeschikte horeca die zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot zelfstandige horeca wordt met dit bestemmingsplan gelegaliseerd. Op het perceel is nog steeds een ruim volwaardige melkveehouderij aanwezig. De nieuwe mogelijkheden vinden vooral inpandig plaats. Geen van de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein. Alle activiteiten vinden momenteel al plaats op dit perceel of houden een uitbreiding en/of legalisering van bestaande activiteiten in. De verschillende (neven)activiteiten die op dit bedrijf plaatsvinden zijn met elkaar en met de agrarische hoofdactiviteit verbonden en lopen in elkaar over. Dit bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden uit artikel 2.12 van de omgevingsverordening.
Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijf
In artikel 2.35 zijn de voorwaarden voor de verkoop van agrarische producten op het agrarisch bedrijf benoemd. Een nevenactiviteit is volgens de omgevingsverordening een bedrijfsactiviteit, die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het agrarische bedrijf. De landwinkel (ondersteunende detailhandel) behorend bij de kaasboerderij verkoopt producten van het eigen bedrijf (kaas, zuivel) en streekproducten. In de regels bij dit bestemmingsplan is de maximale verkoopvloeroppervlakte vastgelegd en is bepaald dat minimaal 50% van de omzet van deze winkel moet worden verkregen uit de verkoop van op het eigen bedrijf geproduceerde melk en melkproducten. De winkel en de geplande uitbreiding van de winkel vinden plaats binnen de bestaande bebouwing. De agrarische bedrijfsvoering op dit bedrijf bestaat uit een ruimschoots volwaardige melkveehouderij die een groot deel van de oppervlakte van het bouwvlak in gebruik heeft. De verschillende nevenactiviteiten zijn bestaande, meest al eerder bestemde, nevenactiviteiten waarbij voor een deel van de nevenactiviteiten een beperkte en inpandige uitbreiding plaatsvindt. Ruimtelijk gezien is en blijft de agrarische bedrijfsvoering de hoofdactiviteit.
Alle activiteiten op het bedrijf zijn met maatwerkregelingen mogelijk gemaakt. Per activiteit is aangegeven waar deze plaats mag vinden, hoe groot de oppervlakte mag zijn en er zijn verschillende andere regelingen opgenomen, zoals over de evenementen. In paragraaf 6.2 Toelichting op de regels is verder ingegaan op de verschillende maatwerkregelingen.
Bij dit bestemmingsplan is een plan voor de landschappelijke inpassing van het erf en de omgeving opgenomen. Dit plan is opgenomen in Bijlage 1 Erf- en landschapsplan en als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
GNN of Nationaal Landschap
Het perceel ligt daarnaast ook niet in een gebied dat is aangewezen als onderdeel van het GNN of het Nationaal Landschap.
Conclusie
Omdat het gaat om activiteiten die zijn gebonden aan het buitengebied en/of direct zijn verbonden aan de op dit perceel gevestigde hoofdactiviteit, te weten het agrarisch bedrijf, en de ontwikkelingen binnen het bestaande erf en bebouwing plaatsvinden is er geen sprake van een provinciaal belang. De meeste bestaande nevenactiviteiten zijn, met een beperkte inpandige uitbreiding, opnieuw bestemd. De stokerij komt in plaats van de eerder bestemde bierbrouwerij. Het terrein dat al jaren wordt gebruikt voor een aantal evenementen is als 'evenemententerrein' aangeduid en wordt daarmee gelegaliseerd.
In 2011 is het 'Beleid ruimtelijke procedures evenementen 2011' vastgesteld. Naast een evenementenvergunning is soms een omgevingsvergunning of aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk voor het mogelijk maken van evenementen. Doel van dit beleid is om een helder beleidskader te formuleren wanneer er een ruimtelijke procedure noodzakelijk is voor een evenement.
Per type gebied is aangegeven welk soort evenementen mogelijk is zonder dat er een ruimtelijke procedure doorlopen hoeft te worden.
Afbeelding 7: toetsingstabel of ruimtelijke procedure voor een evenement of terrein voor evenementen nodig is
Het evenemententerrein dat de eigenaren hebben aangevraagd ligt ook buiten het bouwvlak/erf en wordt daarom getoetst aan gebiedstype 'Buitengebied, gebied met waarden'. Een deel van de evenementen loopt ook over in het erf. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor evenementen buiten het bouwvlak, met uitzondering van het aantal categorie 2 - evenementen: dat mogen er dan 2 in plaats van 1 zijn.
De eigenaren hebben een evenemententerrein met bijbehorende parkeergelegenheid aangevraagd voor (het bouwvlak en) een locatie in directe aansluiting op het agrarisch bouwperceel. Ze willen op dit perceel 3 keer per jaar een categorie 2 - evenement kunnen organiseren en 7 keer per jaar een categorie 1 - evenement. Op basis van het ruimtelijk beleid voor evenementen betekent dit dat een ruimtelijke procedure doorlopen moet worden. Omdat het gaat om een evenemententerrein voor structureel gebruik is het nodig om het bestemmingsplan aan te passen.
In dit bestemmingsplan is het evenemententerrein met bijbehorende parkeerterrein als aanduiding opgenomen. In de planregels zijn bepalingen opgenomen over onder meer de duur van de evenementen, de duur van de op- en afbouw en het aantal bezoekers. Hierbij is aangesloten op het ruimtelijk beleid voor evenementen.
In februari 2020 is het nieuwe geluidbeleid vastgesteld. Het beleid dat sinds 2008 gold is daarmee vervangen. Doel van het nieuwe beleid is om toetsing te vereenvoudigen en het nieuwe beleid sluit aan op de normen uit het Activiteitenbesluit. Het geluidbeleid is in eerste instantie en voornamelijk bedoeld als toetsingskader voor milieuverguningen. Bij ruimtelijke procedures moet echter breder worden getoetst dan alleen dit geluidbeleid. Bij ruimtelijke procedures wordt ook getoetst aan de Wet geluidhinder, de vraag of om omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun mogelijkheden en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is een bredere toets dan alleen aan de geluidsnormen
Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de richtafstanden uit
de VNG Brochure. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan echter niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden.
Dit plan is ook uitgebreider beoordeeld dan alleen aan het geluidbeleid. In 4.4 Geluid is hier nader op ingegaan.
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Situatie plangebied
Een deel van het plangebied maakt deel uit van de Grolse Linie en is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met de bijbehorende reparatieplannen bestemd als 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 3' (het geel oplichtende gebied op de afbeelding). Dit bestemmingsplan regelt met name een wijziging van het gebruik van de bestaande panden. Een archeologisch onderzoek is op dit moment dan ook niet noodzakelijk. De beschermende planregels zijn in dit bestemmingsplan opgenomen. Bij toekomstige bouwplannen en/of ingrepen in de bodem moet in overleg met de gemeente alsnog een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Het overige deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en ligt buiten het bouwvlak. Hier is sprake van een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is nodig wanneer er bouwwerken met een oppervlakte meer dan 2.500 m2 worden opgericht. Het bestemmingsplan biedt voor dit gebied geen mogelijkheden voor het oprichten van bouwwerken. Ook bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter onder maaiveld zijn hier niet direct mogelijk. Ook voor dit gebied is een beschermende dubbelbestemming met een onderzoeksplicht opgenomen.
In dit bestemmingsplan worden de bestemmingen overgenomen die voor dit plangebied zijn opgenomen in het 'Parapluplan Archeologie', het bestemmingsplan dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 22 februari 2022. In dit parapluplan is het op 14 april 2020 door de gemeenteraad vastgestelde nieuwe archeologiebeleid planologisch vastgelegd. Om de archeologische dubbelbestemmingen uit het geldende plan tevens te actualiseren, is in het voorliggende plan aangesloten bij de regeling uit het parapluplan.
Afbeelding 8: uitsnede 'Parapluplan Archeologie'; geel opgelicht is 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'
Het deel dat geel opgelicht is in afbeelding 7, is in het parapluplan bestemd tot 'Waarde - Archeologisch rijksmonument'. Deze dubbelbestemming heeft puur een signaalfunctie en bevat verder geen regeling.
Afbeelding 9: uitsnede 'Parapluplan Archeologie'; geel opgelicht is 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1'
Aan het deel dat geel opgelicht is in afbeelding 8, kent het parapluplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1' toe. Op grond van die bestemming dient voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden een vergunning te worden aangevraagd. Afgezien van het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter, geldt voor de overige werkzaamheden dat de vergunningplicht past geldt indien er sprake is van werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van meer dan 250 m2.
Cultuurhistorie
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:
De mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt tasten de cultuurhistorische waarden niet aan, maar levert op een aantal punten een bijdrage aan de ontwikkeling van deze waarden. Het perceel ligt aan de rand van een open es die open blijft. Niet-streekeigen beplanting op het erf wordt vervangen door streekeigen soorten. In de omgeving van de Avinkweg en langs de Eimersweg worden waardevolle landschappelijke elementen hersteld.
Ook zijn binnen het plangebied geen monumentale gebouwen aanwezig.
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Situatie plangebied
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Omdat geen nieuwe bebouwingslocaties met verblijfsruimtes mogelijk worden gemaakt is geen verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bij een eventuele toekomstige herbouw van de koepel zal in het kader van de omgevingsvergunning moeten worden aangetoond dat de bodemkwalitiet voldoet aan de eisen voor verblijfsruimtes.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.
De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:
Situatie plangebied
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
| Thema | Toetsvraag | Relevant | Intensiteit# |
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
2 2 |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
2 1 1 |
| Wateroverlast (oppervlakte-water) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
2 1 1 1 |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Nee |
1 |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? |
Nee Nee Nee Nee |
1 1 1 1 |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee | 1 |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Nee |
1 2 |
| Volksgezondheid |
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
1 1 |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
2 2 1 1 |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee | 1 |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? |
Nee |
2 |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee | 1 |
Wateroverlast
Met dit plan wordt in beperkte mate nieuwbouw mogelijk gemaakt (sanitairgebouw voor de camping, mogelijke herbouw van de 'koepel'). De ondernemer onderzoekt of er mogelijkheden om de bestaande bebouwing af te koppelen en het hemelwater te infiltreren. Nieuwe bebouwing wordt voor wat betreft het afvoeren van hemelwater niet meer aangesloten op de riolering en geïnfiltreerd in de bodem. Ook het hemelwater afkomstig van de parkeerterreinen wordt geïnfiltreerd in de bodem.
Inrichting en beheer
Langs de zuidzijde van het plangebied ligt een watergang van het waterschap. Er vinden geen ingrepen aan de watergang plaats. Wel wordt de huidige rij knotwilgen ten noorden van de watergang vervangen door een elzensingel. Dit zal geen negatieve gevolgen hebben voor de watergang. Als er binnen 5 meter van de watergang werkzaamheden plaatsvinden neemt de initiatiefnemer contact op met het waterschap over het verlenen van een watervergunning.
Wettelijk kader
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein/bedrijf liggen.
Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Gemeente Oost Gelre heeft in februari 2020 geluidsbeleid vastgesteld om richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke.
Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de waarden uit het geluidsbeleid. Het gemeentelijk geluidbeleid sluit aan bij de normen uit het Activiteitenbesluit. Daaruit moet blijken of de activiteiten vergunbaar zijn. Daarnaast moet blijken dat er bij het realiseren van de nieuwe activiteiten sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden.
Situatie plangebied
Dit bestemmingsplan maakt enkele ontwikkelingen mogelijk die effect kunnen hebben op de omgeving. Daarom is gekeken naar het onderwerp Milieuzonering om te controleren of er voldaan kan worden aan alle richtafstanden zoals die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'. Voor wat betreft het aspect geluid, kent de VNG brochure een stappenplan:
- 45 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;
- 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
- 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
- 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;
- 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
- 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
- 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;
- 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden);
- 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
- 55 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau;
- 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden) exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer;
- 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking.
De hierboven genoemde normen zijn etmaalwaarden. Dit houdt in dat deze als volgt uitgesplitst kunnen worden in de volgende waarden; die voor de dagperiode (is gelijk aan de etmaalwaarde), die voor de avondperiode (etmaalwaarde - 5 dB(A)) en die voor de nachtperiode (etmaalwaarde -10 dB(A)). Een etmaalwaarde van 50 dB(A) is dan ook een waarde van 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht.
In paragraaf 4.7 is de toets van het initiatief aan de richtafstanden toegelicht. Daaruit vloeit voort dat aan de richtafstanden wordt voldaan. In beginsel zou daarmee verdere toetsing achterwege kunnen blijven. Het gaat hier echter om een ontwikkeling die een substantieel verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; het zogeheten inrichting gebonden verkeer. Daarnaast kunnen de evenementen divers van karakter zijn, met mogelijk diverse geluidbelasting. Daarom is een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd door adviesbureau Cauberg Huygen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 Akoestisch
onderzoek behorende bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan.
Beoordelingskader
Circulaire indirecte hinder
Het inrichting gebonden verkeer op de openbare weg buiten het terrein van de inrichting wordt gezien als indirecte hinder. Deze vorm van hinder wordt beoordeeld volgens de 'Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting' (29 februari 1996).
De Circulaire kent de volgende normen voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus:
• voorkeursgrenswaarde: 50 dB(A) etmaalwaarde;
• ontheffingsmogelijkheid tot 65 dB(A) etmaalwaarde.
Als niet aan de voorkeur waarde kan worden voldaan geeft de circulaire hierover onder punt 1 het volgende aan:
Voorts acht ik het onder bepaalde voorwaarden acceptabel wanneer u bij vergunningverlening gebruik maakt van de bandbreedte tussen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximale grenswaarde van 65 dB(A) op de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen. Ik geef u hierbij in overweging om geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toe te staan indien een dergelijke overschrijding kan worden voorkomen door het treffen van bronmaatregelen of door (op kosten van de vergunningaanvrager te treffen) geluidwerende maatregelen in de overdrachtsweg. Wanneer het bevoegd gezag toch een hogere grenswaarde overweegt, kan rekening worden gehouden met de bestaande situatie, de mogelijkheden om geluidsgevoelige ruimten van betrokken woningen door gevelmaatregelen voldoende te beschermen en met de geldende grenswaarden uit de Wet geluidhinder.
In deze tekst wordt aangegeven dat deze van toepassing is bij vergunningverlening.
Activiteitenbesluit
In de geluidparagraaf van het Activiteitenbesluit is de term 'indirecte hinder' niet terug te vinden. Ook is daarin niets geregeld over indirecte geluidhinder ten gevolge van verkeer aantrekkende werking.
Wel is in artikel 2.1 een zorgplicht geregeld. Met in name lid 2 onder k. van dit artikel wordt ingegaan op het beperken van nadelige gevolgen voor het milieu door verkeersbewegingen.
In het kader van dit artikel heeft het bevoegd gezag wel de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen voor zover een aspect bij of krachtens het Activiteitenbesluit niet uitputtend is geregeld. Dit houdt in dat in het kader van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften kunnen worden opgelegd omtrent de verkeer aantrekkende werking.
Anderzijds is het de vraag wat er met maatwerkvoorschriften geregeld kan worden. In de circulaire is namelijk het volgende aangegeven.
Volgens de jurisprudentie is het overigens niet toegestaan om in de milieuvergunning voorschriften op te nemen waarvan de vergunninghouder de naleving niet in zijn macht heeft. Derhalve kan niet worden voorgeschreven dat de vergunninghouder verplicht is om aan omliggende woningen zo nodig geluidwerende voorzieningen aan te brengen. In het overleg voorafgaand aan de vergunningaanvraag kunnen hierover echter wel afspraken worden gemaakt tussen betrokken partijen. Hierbij kan worden betrokken de mogelijkheid om bij omliggende woningen gevelisolatiemaatregelen aan te brengen. Wanneer het in het kader van een noodzakelijk geachte hogere waarde wenselijk wordt geacht gevelisolatiemaatregelen aan te brengen, lijkt het redelijk om de kosten welke hieraan zijn verbonden ten laste van de vergunningaanvrager te brengen. Ik merk daarbij op dat situaties zich kunnen voordoen waarbij door de eigenaar of de bewoner van een woning of de gebruiker van een gebouw geen toestemming wordt gegeven voor het aanbrengen van deze isolatiemaatregelen. In die gevallen kan het bevoegd gezag bij de afweging om een hogere grenswaarde toe te staan naast de hierboven genoemde aspecten laten meewegen of de vergunningaanvrager terzake een redelijk isolatieaanbod heeft gedaan.
Dit impliceert dat ook bij maatwerkvoorschriften geen zaken mogen worden opgenomen waarvan de vergunninghouder de naleving niet in zijn macht heeft.
Hoewel aannemelijk, staat niet in Activiteitenbesluit dat de circulaire hiervoor moet worden gevolgd.
VNG-brochure
Conform de VNG brochure moet eveneens worden gekeken naar de verkeer aantrekkende werking van een ontwikkeling. Dit is echter pas bij de stappen 2 en 3 van het stappenplan aan de orde. Bij Stap 1 wordt gekeken naar de richtafstanden, als daar aan voldaan wordt behoeven de verdere stappen niet te worden behandeld. Als de stappen 2 en 3 wel worden getoetst zal ook de verkeer aantrekkende werking moeten worden getoetst. Hiervoor geldt net als voor het Activiteitenbesluit dat niet direct wordt verwezen naar de Circulaire. Toch wordt in de brochure wel van dezelfde waarden uitgegaan. Blijft de geluidsbelasting van het verkeer onder de 50 dB(A) dan wordt voldaan aan stap 2. Is de geluidsbelasting hoger dan 50 dB(A), dan dient er bij stap 3 gekeken worden naar het type gebied. Betreft het een gebied dat is te karakteriseren als rustige woonwijk dan blijft de norm 50 dB(A). Kan het echter worden gezien als gemengd gebied, dan kan er na afweging en onderbouwing tot 65 dB(A) worden toegestaan.
Resultaten onderzoek
In deze paragraaf worden de resultaten van het akoestisch onderzoek samengevat dat als bijlage 2 bij de toelichting is gevoegd.
Representatieve bedrijfssituatie
Onder de representatieve bedrijfssituatie (RBS) worden de normale agrarische activiteiten geschaard (behalve het inkuilen van veevoer), aangevuld met de winkel, de stokerij, kaasmakerij, het kleinschalige kampeerterrein, de dagrecreatieve activiteiten, de horeca en het Springkussenfestival. Een deel van deze activiteiten heeft geen akoestische gevolgen.
Uit het onderzoek blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 43 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 42 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode. Tevens blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie het maximaal geluidniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 62 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 54 dB(A) in de nachtperiode.
Regelmatig afwijkende bedrijfssituatie
De regelmatig afwijkende bedrijfssituatie (RABS) ziet op het inkuilen van ruwvoer. Uit het onderzoek blijkt dat bij de regelmatig afwijkende bedrijfssituatie het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 42 dB(A) bedraagt in de dagperiode. Tevens blijkt dat bij de regelmatig afwijkende bedrijfssituatie het maximaal geluidniveau veroorzaakt door de extra geluidbronnen (ten behoeve van inkuilen voer) ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 49 dB(A) bedraagt in de dagperiode.
Incidentele bedrijfssituatie
Onder de incidentele bedrijfssituatie worden feesten en partijen verstaan die ten hoogste gedurende 12 dagen per jaar plaatsvinden. Daarbij wordt luider muziekgeluid ten gehore gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat bij de incidentele bedrijfssituatie het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 41 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 39 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode, mits ramen en deuren maar gesloten blijven.
Evenementen
Bij de inrichting vindt ook een beperkt aantal evenementen plaats. Uit het onderzoek blijkt dat bij een groot evenement het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode en 44 dB(A) in de avondperiode. Tevens blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie inclusief groot evenement het maximaal geluidniveau ter plaatse van woningen van derden ten hoogste 62 dB(A) bedraagt in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode.
Inrichtingsgebonden verkeer / indirecte hinder
Uit het akoestisch onderzoek volgt dat voor de RBS de geluidbelasting als gevolg van indirecte hinder resulteert in een etmaalwaarde van 53 dB(A) (46 dB(A) in de dagperiode, 47 dB(A) in de avondperiode en 43 dB(A) in de nachtperiode). Voor de RABS is een etmaalwaarde van 53 dB(A) berekend (53 dB(A) in de dagperiode, 47 dB(A) in de avondperiode en 42 dB(A) in de nachtperiode. Voor evenementen is een geluidbelasting van 60 dB(A) in de dagperiode en 58 dB(A) in de avondperiode berekend en een etmaalwaarde van 62,6 dB(A). Er is geen nachtperiode, want de evenementen duren tot 20:00. De incidentele bedrijfssituatie is voor wat betreft indirecte hinder al opgenomen in de RBS. Indien een evenement gelijktijdig valt met de RBS, is er sprake van een berekende equivalente geluidbelasting van ten hoogste 60 dB(A) in de dagperiode en 58 dB(A) in de avondperiode en 43 dB(A) in de nachtperiode.
Beoordeling
Beoordeling en toetsing geluidbelasting
In principe kan gesteld worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG brochure en dat daarmee gesteld kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Desondanks wordt toch nader ingegaan op het akoestisch onderzoek. De uitkomsten van het onderzoek zelf zijn dan ook getoetst aan de normen van het stappenplan de VNG-brochure (als toegelicht in de paragraaf inzake het beoordelingskader). De normen zijn die van stap 2 met tussen haakjes de norm van stap 3. Beide normen gelden voor gemengd gebied. In de directe omgeving van de inrichting liggen namelijk (agrarische) bedrijven en horeca, die afgewisseld worden door woningen van derden. Er is dan ook geen sprake van een rustige woonwijk.
| Geluidsbelasting in d(B) | |||
| Dagperiode (7-19 uur) | Avondperiode (19-23 uur) | Nachtperiode (23-7 uur) | |
| Gemengd gebied | |||
| Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau | 50(55) | 45(50) | 40(45) |
| maximaal geluidsniveau (piekbelasting) | 70(70) (exclusief bijdrage door af- en aanrijdend verkeer) | 65(65) | 60(60) |
| Ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. | 50(65) | 45(60) | 40(55) |
De resultaten van het onderzoek ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie (RBS) voldoen ruimschoots aan de normen van stap 2. Dit geldt ook voor wat betreft de regelmatig afwijkende bedrijfssituatie (RABS) en de incidentele bedrijfssituatie. Hieruit vloeit voort dat bij deze activiteiten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de omliggende geluidgevoelige functies.
Ten aanzien van de evenementen geldt dat de resultaten (45 dB(A) in de dagperiode (piek van 62 dB(A) en 44 dB(A) in de avondperiode (piek van 65 dB(A)) ook voldoen aan de normen uit stap 2. Omdat hierbij sprake zal zijn van herkenbaar muziekgeluid ter plaatse van de omliggende woningen, moet deze berekende geluidsbelasting (langtijdgemiddelde) worden verhoogd met 10 dB(A). Deze geluidsbelasting komt dan uit op 55 dB(A) in de dagperiode en 54 dB(A) in de avondperiode. Dit voldoet niet aan de normen uit het Activiteitenbesluit en de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. De norm voor stap 2 voor de dagperiode wordt met slechts 2 dB(A) overschreden en die van de avondperiode met 7 dB(A). Evenementen voldoen gedurende de dagperiode aan de normen van stap 3. In de avondperiode is de overschrijding echter 4 dB(A). De avondperiode duurt van 19:00 tot 23:00. Aangezien de evenementen slechts tot 20:00 duren, is daarbij slechts sprake van een overschrijding gedurende een beperkt deel van de periode. In totaal gaat het daarbij om 10 evenementen die samen maximaal 13 dagen duren. Het gaat dus om 13 dagen waarop de geluidsnormen mogelijk worden overschreden. Tevens zijn de berekende waarden gebaseerd op de grote evenementen, die in totaal maximaal 3 keer per jaar gedurende 2 dagen mogen worden gehouden. Het is aannemelijk dat de kleine evenementen een lagere geluidbelasting tot gevolg hebben, aangezien er daarbij sprake is van een bezoekerspiek die 10% bedraagt van de piek bij de grote evenementen. De overschrijding van de normen is dan ook dermate incidenteel dat de geluidbelasting als aanvaardbaar wordt geoordeeld. Daarnaast is uit de praktijk bekend dat woningen over het algemeen een geluidsisolatie hebben tussen 18 en 24 dB(A), waarbij ervan uit mag worden gegaan dat een normaal goed onderhouden woning een isolatiewaarde heeft van tenminste 20 dB(A). Dat wil zeggen dat bij een geluidsbelasting op de gevel tot 55 dB(A) etmaalwaarde nog net kan worden voldaan aan het binnen niveau. De geluidbelasting als gevolg van evenementen heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor het binnenniveau van de omliggende woningen.
Ten aanzien van het aspect Inrichtingsgebonden verkeer / indirecte hinder geldt dat deze als gevolg van de RBS de voorkeurswaarden van stap 2 in de avond- en nachtperiode met 3 dB(A) overschrijden. Deze waarden voldoen echter wel aan de normen uit stap 3. Als gevolg van de RABS wordt de voorkeurswaarde uit stap 2 met 3 dB(A) overschreden. Ook deze geluidbelasting voldoet aan de normen uit stap 3. Voor de beide situaties geldt dat daarbij sprake is van verkeer als gevolg van een reguliere agrarische activiteit die inherent is aan het buitengebied. Daarmee wordt de hinder als aanvaardbaar geoordeeld. Bij evenementen geldt eveneens een overschrijding van 10 dB(A) gedurende de dag en 13 dB(A) in de avondperiode. Deze waarden zijn hetzelfde indien er sprake is van de situatie waarbij een evenement gelijktijdig plaatsvindt met de RBS. Ook deze voldoen niet aan de normen uit stap 2, maar wel uit die van stap 3. Daarbij geldt voor de indirecte hinder als gevolg van een evenement dezelfde afweging als bij de geluidbelasting van de evenementen zelf. De berekening is gebaseerd op de grote evenementen (worst case scenario). Deze kunnen gedurende maximaal 6 dagen per jaar plaatsvinden. De kleine evenementen zullen met een piek van slechts 10% van de grote evenementen (500 in plaats van 5000 bezoekers) een substantieel lagere indirecte hinder tot gevolg hebben. Daardoor is het zeer aannemelijk dat de hinder gedurende een beperktere periode plaatsvindt dan de maximaal 13 dagen dat er evenementen (groot of klein) plaatsvinden. Gedurende de grote evenementen zal er mogelijk sprake zijn van een overschrijding van het wettelijk binnenniveau. Dit geldt dan voor de dagperiode, en een beperkt deel van de avondperiode. De evenementen duren namelijk tot maximaal 20:00. Aangezien deze overschrijding beperkt is, wordt deze als aanvaardbaar beoordeeld. Temeer omdat het hierbij gaat om activiteiten die al gedurende een aantal jaren plaatsvinden bij het bedrijf.
In de avondperiode is de overschrijding echter 4 dB(A). De avondperiode duurt van 19:00 tot 23:00. Aangezien de evenementen slechts tot 20:00 duren, is daarbij slechts sprake van een overschrijding gedurende een beperkt deel van de periode. In totaal gaat het daarbij om 10 evenementen die samen maximaal 13 dagen duren. Het gaat dus om 13 dagen waarop de geluidsnormen vanwege verkeer worden overschreden of mogelijk worden overschreden. Tevens zijn de berekende waarden gebaseerd op de grote evenementen, die in totaal maximaal 3 keer per jaar gedurende 2 dagen mogen worden gehouden. Het is aannemelijk dat de kleine evenementen een lagere geluidbelasting tot gevolg hebben, aangezien er daarbij sprake is van een bezoekerspiek die 10% bedraagt van de piek bij de grote evenementen. De overschrijding van de normen is dan ook dermate incidenteel dat de geluidbelasting vanwege verkeer als aanvaardbaar wordt geoordeeld. Temeer omdat het hierbij gaat om activiteiten die al gedurende een aantal jaren plaatsvinden bij het bedrijf.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Een aantal uitgangspunten waarmee gerekend is in het akoestisch rapport is doorvertaald in de planregels van dit bestemmingsplan. Dit is gedaan om te garanderen dat er niet meer geluidbelasting ontstaat dan waarmee gerekend is en waarmee de activiteiten die dit bestemmingplan mogelijk maakt zijn getoetst.
Het gaat om de volgende punten:
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
Wettelijk kader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Situatie plangebied
Voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is een NIBM-berekening uitgevoerd. Hierin zijn de vervoersbewegingen opgenomen van een 'normale' dag en een dag met evenementen gemiddeld. Uitkomst van de berekening (d.d. 27 mei 2022) is dat ruimschoots wordt voldaan aan de NIBM-norm. Met het plan is de maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan 0,22 NO2 in µg/m3 en 0,05 PM10 in µg/m3. De grens voor "Niet in betekenende Mate" ligt op 1,2 µg/m3.
De resultaten van de berekening aan de hand van de NIBM-tool zijn bijgevoegd in bijlage 3 NIBM-resultaten behorende bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan.
De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een gevoelige bestemming. De locatie ligt bovendien op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.
Natura 2000
Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
Afbeelding 10: ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Situatie plangebied
Dit bestemmingsplan maakt enkel de gebruikswijziging van een aantal panden en aantal gronden mogelijk. Het gebruik van de panden wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie. Er worden geen panden gesloopt of gewijzigd. Het deel van de gronden dat wordt aangewezen als evenemententerrein en bijbehorend parkeerterrein mag slechts enkele dagen per jaar gebruikt worden. Het gaat om gronden direct grenzend aan het agrarisch bouwvlak. Het zijn gronden die al jaren in intensief agrarisch gebruik zijn en ook al voor evenementen gebruikt worden. Dit bestemmingsplan legt het bestaande gebruik vast. Een onderzoek naar de effecten op flora en fauna is daarom ook niet noodzakelijk.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan: flora en fauna
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming blijft altijd gelden. Zo moeten bijvoorbeeld de werkzaamheden ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het erf en de omgeving buiten het broedseizoen plaatsvinden. Bij ontwikkelingen die mogelijk schade kunnen veroorzaken moet daarom alsnog onderzoek plaatsvinden. Dit kan het geval zijn als alsnog gebouwen worden gesloopt of andere werkzaamheden aan de gebouwen plaatsvinden.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan: stikstof
De emissie van stikstofverbindingen vanuit een inrichting of tijdens de aanlegfase van een bouwontwikkeling kunnen leiden tot een stikstofdepositie op nabij gelegen natuurgebieden. De ontwikkeling die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt, houdt in dat aan de Eimersweg een agrarische bestemming wordt geactualiseerd aan de hand van een aantal feitelijk al plaatsvindende nevenactiviteiten. Om een rekenkundig inzicht te krijgen in de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de stikstofdepositie, is de nieuwe situatie zoals het bestemmingsplan die beoogd te regelen in AERIUS doorgerekend. Dit is een worst-case scenario waarbij zowel de wijzigingen in gebruik alsmede het verkeer als gevolg daarvan gelijktijdig zijn doorberekend.
In bijlage 4 AERIUS-berekening van de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan wordt inzicht geboden in de voor het plan uitgevoerde AERIUS-berekeningen.
De AERIUS-berekening is uitgevoerd op basis van de vergunde situatie, namelijk een vergunning Natuurbeschermingswet 1998 (nu Wet Natuurbescherming) vergund op 1 oktober 2012. In de toelichting van de AERIUS-berekening is uitvoerig ingegaan op de emissiebronnen van de vergunde situatie.
Met het plan wordt de omvang van de winkel/horeca vergroot, een camping gerealiseerd en worden daarnaast enkele evenementen georganiseerd. Voor deze gewenste situatie zijn in het AERIUS-model 2022 de volgende bronnen ingevoerd:
Conclusie stikstof
Uit de berekening volgt dat er in de gewenste situatie, ondanks een toename van het aantal vervoersbewegingen, geen effect is op de stikstofdepositie op een Natura2000-gebied van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dan ook geen sprake van een significant nadelig effect. Er behoeft geen nieuwe vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd.
De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten zoals hiervoor omschreven vormen geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
Situatie plangebied
Het plan is getoetst aan de richtlijnafstanden voor restaurants en kampeerterreinen. Aan de richtlijnafstanden kan ruimschoots worden voldaan.
Voor het evenementerrein geldt dat rekening moet worden gehouden met een richtlijnafstand van 300 meter. Binnen deze afstand liggen wel enkele woningen van derden. Omdat evenementen erg van karakter kunnen verschillen is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van dit plan, waaronder de akoestische effecten van het evenemententerrein. Zie ook paragraaf 4.4 Geluid.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:
In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Daarom is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het beleid betreffende externe veiligheid is samengevat in onderstaand figuur.
Afbeelding 11: overzicht beleid externe veiligheid
Situatie plangebied
Volgens de website www.risicokaart.nl bevinden zich in de omgeving van het perceel geen wegen, leidingen of installaties die een gevaar kunnen vormen voor de bezoekers van het perceel.
Risicobronnen
Het plan is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicobron. Dit betekent dat (beperkte) verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. Advies van de veiligheidsregio hoeft niet te worden gevraagd.
Evenementen
Met het plan wordt mogelijkheid gecreëerd voor het organiseren van grote en kleine evenementen.
Grote evenementen kennen maximaal 7.500 totaal aantal bezoekers per dag, waarvan ten hoogste 5.000 tegelijkertijd aanwezig (piekaantal). Een groot evenement duurt maximaal 2 dagen en mag plaatsvinden tussen 07:00 en 20:00 uur op die dagen. Per jaar vinden er maximaal 3 grote evenementen plaats, met een totale op- en afbouwtijd per evenement van maximaal 5 dagen.
Kleine evenementen kennen maximaal 2.500 totaal aantal bezoekers per dag, waarvan ten hoogste 500 tegelijkertijd aanwezig (piekaantal). Een klein evenement duurt maximaal 1 dag en mag plaatsvinden tussen 07:00 en 20:00 uur op die dag. Per jaar vinden er maximaal 7 kleine evenementen plaats, met een totale op- en afbouwtijd per evenement van maximaal 3 dagen.
Conclusie: aangezien het plangebied niet in een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicobron ligt, zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen op dit onderdeel.
Stokerij (PGS15)
In het plangebied is een stokerij met destilleerketel (100 liter) aanwezig. Het betreft een activiteit van een relatief kleinschalig karakter. De alcohol die uit de destilleerketel komt heeft een alcoholpercentage rond de 50%. Deze alcohol wordt opgeslagen in houten vaatjes om te rijpen. Of wordt direct weer aan vruchten toegevoegd om fruitlikeur van te maken (alcoholpercentage 15%).
Gelet op het alcoholpercentage van tussen de 24% en de 70% gaat het hier om een brandbare stof met verpakkingsgroep III. PGS15 is niet van toepassing op ‘Alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking’, echter wordt de alcohol (>30%) onder ander opgeslagen in houten vaten en niet in consumentenverpakking. Er is dus sprake van (beperkte) opslag van gevaarlijke stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen valt onder het activiteitenbesluit (paragraaf Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR -stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik […]). Er dient dan voldaan te worden aan artikel 4.1 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In artikel 4.1, lid 1 wordt beschreven dat ten minste voldaan moet worden aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Met andere woorden, er moet voldaan worden aan de voorschriften die hiervoor zijn opgenomen in de activiteitenregeling Milieubeheer.
De Activiteitenregeling Milieubeheer, artikel 4.3, lid 1 geeft het volgende: “Gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR stoffen in verpakking worden opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd en wordt gebruikt overeenkomstig de volgende onderdelen van de PGS15.” Vervolgens worden een aantal paragrafen en voorschriften uit de PGS 15 (2016, versie 1.0) opgesomd. Het gaat hier om algemene voorschriften/eisen waaraan voldaan moet worden. In de activiteitenregeling zijn geen concrete interne of externe veiligheidsafstanden opgenomen. De PGS 15 geeft ook geen veiligheidsafstanden ten opzichte van externe objecten.
De toegevoegde activiteit voor de stokerij heeft, gezien het kleinschalige karakter, geen gevolgen voor het onderwerp externe veiligheid. Ten aanzien van de (beperkte) opslag van gevaarlijke stoffen in de destilleerketel (100 liter) betreft dat voldaan moet worden aan de voorschriften uit de PGS15 (2016, versie 1.0). Ten aanzien hiervan ontbreken concrete veiligheidsafstanden (zoals in het geval van plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicobron), en daarom kan simpelweg met het voldoen aan de voorschriften uit de PGS15 volstaan worden op dit punt.
Conclusie: er zijn op dit onderdeel geen belemmeringen ten aanzien van externe veiligheid.
Camping
Voor het exploiteren van een kleine camping geldt dat in dit geval de planlocatie niet zodanig in de directe nabijheid van een risicobron ligt dat het bepalen van het groepsrisico noodzakelijk is. De activiteiten die binnen dit plangebied plaatsvinden zijn kleinschalig van karakter en het betreffen geen risicovolle activiteiten; althans in die mate dat ze voor externe veiligheid niet relevant zijn. Zo wordt er ten behoeve van de kleinschalige camping geen propaantank geplaatst. In plaats daarvan wordt gebruik gemaakt van een klein aantal gasflessen (25 liter per stuk). Dat betekent dat er geen advies van de veiligheidsregio of brandweer nodig is en er geen verantwoording van het groepsrisico nodig is.
Conclusie: er zijn op dit onderdeel geen belemmeringen ten aanzien van externe veiligheid.
Veiligheidsregio
Ter volledigheid is ten tijde van planvorming advies opgevraagd bij Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). Het advies is als bijlage 5 Advies veiligheidsregio van de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan toegevoegd. De VNOG heeft in dit advies aangegeven dat goed is geconcludeerd dat verder geen advies van de Veiligheidsregio nodig is. Het plan past binnen de normen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
De VNOG geeft in de brief algemeen advies waarmee, wanneer opgevolgd, de kans op calamiteiten kan worden verkleind, of - als er zich toch een ongeluk voordoet - de gevolgen worden beperkt. In de brief wordt geadviseerd (1) een ontruimingsplan op te (laten) stellen, (2) in overleg met de brandweer een betere bluswatervoorziening te realiseren in de vorm van een geboorde put met een capaciteit van 90 m³ water per uur, en (3) bewoners en bezoekers in het plangebied te wijzen op de verschillende middelen waarmee zelfredzaamheid (verder) wordt vergroot.
Dit algemeen advies van de VNOG is neergelegd bij initiatiefnemer.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008
De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.
Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij:
Situatie plangebied
Dit bestemmingsplan maakt een aantal neventakken bij een bestaand agrarisch bedrijf mogelijk. Een deel van deze neventakken is bestaand en in het geldende bestemmingsplan vastgelegd. Een ander deel van de neventakken is nieuw of vormt een uitbreiding van de bestaande neventakken.
De ontwikkelingen hangen samen met de bestaande kaasboerderij. Ondanks het voornemen om zelfstandige feesten en partijen te kunnen geven is sprake van een zodanige binding tussen de verschillende bestaande en beoogde onderdelen van het bedrijf dat sprake is van één inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Voor zover al sprake is van geurgevoelige objecten, gaat het hier om geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een veehouderij. Het is daarom voldoende om ten opzichte van omliggende veehouderijen een minimumafstand van 50 meter aan te houden. Meting van de afstand vindt plaats vanuit de rand van omliggende agrarische bouwvlakken. Het perceel Eimersweg 3 bevindt zich buiten die minimumafstand. Overigens is in de directe omgeving enkel sprake van melkrundveehouderijen waarvoor sowieso een minimumafstand van 50 meter geldt. Verdere berekening van de voor- en achtergrondbelasting is daarom niet nodig. Ter plaatse van de aangevraagde ontwikkeling is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Eimersweg. De Eimersweg en overige wegen in de omgeving beschikken over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van de plannen aan te kunnen. Bij grote evenementen worden verkeersregelaars ingezet om de verkeersafwikkeling in goede banen te leiden.
Parkeren
Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre
De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma.
In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.
Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.
De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.
Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
Situatie plangebied
Het plangebied beschikt nu al over een aantal parkeerplaatsen. Als onderdeel van de ontwikkeling zullen in totaal 91 parkeerplaatsen structureel worden gerealiseerd. Bij evenementen zal een weiland worden ingericht als parkeerterrein zodat in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. Het bestemmingsplan voorziet hiervoor in een aanduiding 'parkeerterrein' van ruim 15.000 m2.
Bij de grote evenementen wordt incidenteel ruimte op aangrenzende gronden bijgehuurd.
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Het ingediende plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Deze paragraaf gaat in op de boven- en ondergrondse planologisch relevante technische infrastructuur.
Situatie plangebied
Er zijn binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Binnen het plangebied ligt een deel van een militaire laagvliegroute, Linkroute 10a geheten. Op deze route mag door militaire vliegtuigen worden gevlogen op een hoogte van minimaal 75 m. Op grond van het gestelde in artikel 2.6.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, gelden onder de route beperkingen voor de bouw van obstakels (zoals telecommunicatiemasten, windturbines en dergelijke). Bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m zijn niet toelaatbaar onder de laagvliegroute. De zone waarvoor de beperking geldt, is weergegeven op onderstaande afbeelding. Omdat het bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt voor bouwwerken tot 40 m hoogte, is dit niet verwerkt in de regels van dit bestemmingsplan. Daarnaast heeft de staatssecretaris van Defensie in haar brief d.d. 29 mei 2020 aangegeven besloten te hebben om deze laagvliegroute op te heffen. De exacte datum hiervoor zal nog nader worden bepaald. Op grond van het voorgaande heeft deze laagvliegroute geen consequenties voor de regels van het voorliggende bestemmingsplan.
Afbeelding 12: weergave laagvliegroute
Uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Dit aspect vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling.
Dit hoofdstuk gaat in op de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt, waarom deze mogelijkheden zijn geboden en op welke manier en hoe deze mogelijkheden in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het gaat om een combinatie van nieuwe ontwikkelingen, legalisering van een aantal bestaande activiteiten en het verduidelijken van een aantal regelingen uit het geldende bestemmingsplan.
In hoofdzaak een agrarisch bedrijf met een kaas- en zuivelmakerij
Kaasboerderij Weenink is in hoofdzaak een agrarisch bedrijf met circa 100 melkkoeien en bijbehorend jongvee. Een aantal jaren geleden zijn de stallen en kuilvoerplaten voor het bedrijf nog geheel vernieuwd. Omdat het bedrijf in hoofdzaak een agrarisch bedrijf is en blijft, is in dit bestemmingsplan het huidige agrarisch bouwvlak van 1,5 hectare weer bestemd. Op het perceel is een grondgebonden veehouderij mogelijk. Er is een aanduiding opgenomen ten behoeve en ter plekke van de bestaande buiten het bouwvlak gelegen, eerder vergunde, kuilvoerplaten.
Bij het agrarisch bedrijf is een kaas- en zuivelmakerij aanwezig. De melk van het eigen bedrijf wordt hier verwerkt in kaas en andere zuivelproducten. Deze producten worden in de bijbehorende landwinkel verkocht. In het bestemmingsplan is zowel het gebruik als de maximale toegestane oppervlakte voor de kaas- en zuivelmakerij vastgelegd. Een nieuwe ontwikkeling is dat ook melk van andere agrarische bedrijven (bijvoorbeeld van een geitenhouderij of een biologische melkveehouder) verwerkt mag worden tot kaas en zuivel. De huidige verwerkingscapaciteit (in liters melk) mag daarbij niet toenemen. Op deze manier kan een grotere diversiteit aan producten gemaakt worden zonder dat hiervoor een uitbreiding van de bebouwing nodig is.
Omzetten ondergeschikte horeca naar volwaardige horeca
Het horeca-onderdeel bij het bedrijf is in het verleden mogelijk gemaakt als ondersteunende activiteit bij de kaasmakerij, dus als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering met kaasmakerij. Een hapje en een drankje na een activiteit waren dus toegestaan, maar zelfstandige feesten en partijen waren (via de definitie van ondergeschikte horeca) uitgesloten.
In de loop der jaren is deze horecatak uitgegroeid tot een zelfstandige horecatak waar naast de toegestane activiteiten ook zelfstandige feesten en partijen worden georganiseerd en waar bijvoorbeeld ook geluncht kan worden. Bij de horecazaal zijn ook enkele terrassen aanwezig. De 'koepel' wordt ook gebruikt voor de ontvangst van gasten maar voldoet niet aan de bouwkundige eisen.
Met dit bestemmingsplan wordt de ondergeschikte horeca omgezet naar zelfstandige horeca, waarmee het bestaande gebruik gelegaliseerd wordt. Zelfstandige feesten en partijen worden hier mee toegestaan. Daarnaast is een uitbreiding in oppervlakte mogelijk gemaakt, waardoor de huidige koepel vervangen kan worden door een gebouw dat aan bouwkundige en stedebouwkundige eisen voldoet. De toegestane oppervlakte bebouwing voor de horeca neemt daarmee toe van 118 m2 naar 245 m2. Doordat de horecafunctie nog wel geschaard wordt onder de nevenactiviteiten zal deze alleen uitgeoefend kunnen worden zolang de agrarische hoofdactiviteit op het perceel wordt uitgeoefend.
Omdat deze horecagelegenheid in het verleden is ontstaan als een ondergeschikte nevenfunctie en de locatie in het buitengebied ligt is in het bestemmingsplan een sluitingstijd van 01:00 uur opgenomen. Het terrein is dan ook uiterlijk om 02:00 leeg. Deze eindtijd sluit ook aan bij de praktijk en de uitgangspunten uit het akoestisch onderzoek. Nachthoreca, zoals gebruikelijk in de centrumgebieden, is hier dan ook niet toegestaan. In de regels is de toegestane horecacategorie vastgelegd en is in aanvulling daarop bepaald dat een gebruik als café en/of hotel niet is toegestaan. Zo blijft het gebruik beperkt tot het huidige gebruik dat met dit bestemmingsplan wordt gelegaliseerd.
De omzetting naar zelfstandige horeca is mogelijk gemaakt omdat het gebruik al jaren plaatsvindt en niet tot overlast heeft geleid. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt ook dat het gebruik niet leidt tot een overschrijding van de geluidsnormen. De oppervlakte van de horecagelegenheid is en blijft beperkt. Het gebruik blijft relatief extensief, nachthoreca is bijvoorbeeld niet toegestaan.Daarnaast is de openingstijd beperkt tot maximaal 1 uur 's nachts.
Gebruik van de terrassen
De regeling uit het geldende bestemmingsplan voor terrassen is overgenomen. Dit houdt in dat de locaties van de terrassen zijn aangeduid en de maximale oppervlakte van 200 m2 is vastgelegd.Op het terras mag ook gebruik gemaakt worden van barbecues, foodtrucks en dergelijke om eten te bereiden. Uitgangspunt bij de akoestische berekening is geweest dat er vanaf 23:00 uur geen stemgeluid meer van de terrassen meer komt. De bestemmingsplanregeling sluit hierbij aan doordat bepaald is dat de terrassen tot uiterlijk 23:00 geopend mogen zijn. Na dat tijdstip mag het terras wel gebruikt worden als opslag voor het benodigde meubilair of andere benodigdheden.
Recreatieve nevenactiviteiten en kleinschalig kampeerterrein
Op het perceel vinden meerdere recreatieve nevenactiviteiten plaats. Deze zijn als nevenactiviteit meebestemd. Het gaat om rondleidingen, sportieve buitenactiviteiten en behendigheidsspellen op het erf. Vaak vinden deze activiteiten plaats in combinatie met gebruik van de horeca (arrangementen).
Daarnaast is een kleinschalig kampeerterrein mogelijk gemaakt. Deze voldoet aan de voorwaarden die aan kleinschalige kampeerterreinen worden gesteld en ook zonder deze bestemmingsplanherziening vergund had kunnen worden. Met de aanduiding 'kampeerterrein' is de locatie voor dit kleinschalig kampeerterrein aangewezen.
Binen de agrarische bestemming (dus ook buiten het bouwvlak) is extensieve dagrecreatie toegestaan. Naast wandelen, fietsen en daarmee te vergelijken activiteiten valt daar in dit bestemmingsplan ook de activiteit boerengolf onder.
Een andere nevenactiviteit is de intensieve dagrecreatie in de vorm van het springkussenfestival. Voor dit festival zijn het maximaal aantal festivaldagen en het aantal op- en afbouwdagen, alsmede bezoekersaantallen, maar ook de maximale geluidbelasting op de omliggende eerstelijnsgevels van gevoelige functies opgenomen.
Uitbreiding van de landwinkel (ondersteunende detailhandel)
Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van de landwinkel mogelijk gemaakt. De uitbreiding van de winkel is aangevraagd om meer ruimte te maken voor het kunnen verkopen van een breder en diverser aanbod van streekproducten. De uitbreiding kan inpandig op de begane grond plaatsvinden, er vindt geen uitbreiding van de bebouwing plaats. In de planregels is de verkoopvloeroppervlakte vastgelegd. Daarnaast is een regeling opgenomen dat minimaal 50% van de omzet van deze ondersteunende detailhandel moet worden verkregen uit de verkoop van de op dit bedrijf geproduceerde melk en melkproducten.
Stokerij en slijterij
In de hooiberg is een stokerij van sterke drank gevestigd. Hier wordt onder meer likeur van fruit uit de regio gestookt. De functie vindt plaats in de bestaande bebouwing. De stokerij is toegestaan omdat de in het nog geldende bestemmingsplan een mogelijkheid voor een kleinschalige bierbrouwerij was opgenomen. Van deze mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt en deze wordt nu als het ware ingewisseld voor de stokerij. De verkoop van de sterke drank (in een slijterij) wordt ook met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Vanwege de wettelijke eisen (onder andere een eigen ingang) die gelden voor slijterijen wordt deze alleen toegestaan in de hooiberg. Omdat beide functies binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden is het ruimtebeslag beperkt. Verkoop van de drank in de slijterij mag pas plaatsvinden als de benodigde slijterijvergunning is verleend. De sterke drank mag niet in de landwinkel worden verkocht. Verkoop via de webwinkel mag wel.
Evenemententerrein
In de huidige situatie vindt jaarlijks een aantal evenementen plaats. Het gaat dan structureel om de Pinkstermarkt en aantal boerenmarkten. Daarnaast vinden incidenteel evenementen plaats zoals het NK Boerengolf.
De eigenaren hebben om een uitbreiding van dit gebruik gevraagd om zo meer evenementen per jaar te kunnen organiseren.
Omdat het gebruik structureel is en uitbreidt is in dit bestemmingsplan een regeling voor het gebruik als evenemententerrein opgenomen. In dit bestemmingsplan is geregeld dat per jaar 10 evenementen georganiseerd mogen. Drie van deze evenementen mogen zogenaamde 'grote' evenementen zijn. Dit zijn evenementen die twee dagen mogen duren en qua bezoekersaantallen groter zijn. Qua omvang kunnen deze vergeleken worden met de Pinkstermarkten. De overige zeven evenementen zijn bedoeld voor een kleiner aantal bezoekers en voor evenementen van maximaal 1 dag. Het terrein dat als evenemententerrein gebruikt mag worden is op de verbeelding aangeduid als 'evenemententerrein'. In de planregels zijn het maximaal aantal evenementen, bezoekers (totaal aantal en piekaantal) en dagen opgenomen. De eindtijd van de evenementen is vastgesteld op 20:00 uur. Ook is de maximale op- en afbouwperiode benoemd. Muziekevenementen zijn in principe uitgesloten, hiervoor zijn andere locaties in de gemeente aangewezen (o.a. Besselinkschans). Om die reden zijn er maximale geluidsnormen in de regels opgenomen die gelden voor de eerstelijns gevels van geluidgevoelige functies rondom het evenemententerrein. Er mogen geen permanente voorzieningen ten behoeve van de evenementen geplaatst worden. Als er geen evenement plaatsvindt, is het terrein buiten het bouwvlak in gebruik als weiland.
Op het erf vinden soms ook zeer kleine evenementen plaats, zoals het startpunt zijn voor een route/vierdaagse-achtige activiteit. Deze activiteiten zijn toegestaan en opgenomen in de bestemmingsomschrijving (extensieve dagrecreatieve nevenactiviteiten).
Evenementen geven een geluidsbelasting op de omgeving. In het akoestisch onderzoek is doorgerekend wat de akoestische effecten van deze evenementen op woningen in de omgeving zijn. Uit het onderzoek blijkt dat de uitbreiding van het aantal evenementen voldoet aan geluidsnormen en dat er sprake is en blijft van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat in de omgeving. In paragraaf 4.4 Geluid is uitgebreid op dit punt ingegaan. Om dit ook te borgen, zijn de eerder genoemde geluidnormen opgenomen in de regels.
Parkeren
De nieuwe functies en de uitbreiding van een aantal van de bestaande functies leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking. Met name de evenementen zullen leiden tot extra verkeersbewegingen en parkeerdruk. Een deel van het weiland is daarom in dit bestemmingsplan aangeduid als 'parkeerterrein'. Voor de kleinere evenementen is hier genoeg parkeerruimte. Voor dit parkeerterrein geldt, net als voor het evenemententerrein, dat permanente voorzieningen, verharding of extra inritten niet toegestaan worden.
Bij de grote evenementen worden weilanden in de omgeving bijgehuurd. Dit gebruik is incidenteel en wisselend en wordt via de evenementenmelding of -vergunning verder geregeld.
Op het erf van de kaasboerderij komen voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor de overige activiteiten (horeca, landwinkel, recreatieve activiteiten).
In paragraaf 4.10 Verkeer en parkeren is uitgebreid op dit onderwerp ingegaan.
Landschappelijke inpassing
Om de nieuwe ontwikkelingen landschappelijk goed in te passen is een inpassingsplan voor het erf en de omgeving opgesteld.
In paragraaf 2.2 Ontwikkelingen is het inpassingsplan beschreven. In de planregels is de uitvoering en instandhouding van de overeengekomen inpassingsmaatregelen met een zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Dit bestemmingsplan is een plan voor een deels nieuwe ontwikkeling. De systematiek van bestemmen is een gedetailleerde systematiek. Op deze manier kunnen de voorwaarden uit de door het college verleende principemedewerking doorvertaald worden. De gedetailleerde manier van bestemmen biedt ook duidelijkheid en rechtsbescherming voor aanwonenden.
In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de regels die onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan en wat daar in wordt geregeld.
Toegestane en bestemde activiteiten
Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". De bebouwing en het erf zijn opgenomen in het bouwvlak. Binnen het bouwvlak mag gebouwd worden ten dienste van het agrarisch bedrijf en de meebestemde nevenactiviteiten. Het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden maakt ook onderdeel uit van de bestemming.
Kuilvoerplaten zijn buiten het bouwvlak uitsluitend toegestaan ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kuilvoerplaat'.
Het bouwvlak is 1,5 hectare groot. De hoofdfunctie is het agrarisch gebruik in de vorm van een grondgebonden melkveehouderij. Daarnaast zijn de volgende nevenfuncties meebestemd (opgenomen in de bestemmingsomschrijving:
-horecagelegeheid (uitsluitend horeca 2) tot een oppervlakte van maximaal 245 m2, ter plaatse van de aanduiding 'horeca' waarbij geen gebruik als café en/of hotel is toegestaan. De toegestane openingstijden zijn opgenomen. Met de aanduiding 'terras' is aangegeven waar de terrassen (tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 200 m2) zijn toegestaan. De terrassen mogen tot uiterlijk 23 uur gebruikt worden. Eten bereiden op de terrassen met bijvoorbeeld een barbeque of een foodtruck is toegestaan;
-kaas- en zuivelmakerij tot een oppervlakte van maximaal 715 m2. De te verwerken capaciteit bedraagt maximaal 2 miljoen liter melk per jaar. Van deze capaciteit dient minimaal 75% van de melk afkomstig te zijn van het eigen agrarisch bedrijf;
-stokerij van sterk alcoholische dranken en de verkoop ervan in de slijterij: dit is toegestaan in de hooiberg. De hooiberg is aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - stokerij'. In de begripsbepalingen zijn definities van 'stokerij' en 'slijterij' opgenomen;
-extensieve dagrecreatieve nevenactiviteiten bijvoorbeeld in de vorm van rondleidingen, sportieve buitenactiviteiten en behendigheidsspellen op het erf;
-kleinschalig kampeerterrein op de plek die is aangeduid als 'kampeerterrein';
-ondersteunende detailhandel in de vorm van een landwinkel waar in hoofdzaak op het eigen bedrijf geproduceerde melk en melkproducten verkocht mogen worden;
-een springkussenfestival;
-extensieve dagrecreatie, waaronder boerengolf.
Evenemententerrein
Met de aanduidingen 'evenementerrein' en 'parkeerterrein' is aangegeven wat de toegestane locatie voor het evenemententerrein en het bijbehorende parkeerterrein is. In de bestemmingsomschrijving staan de voorwaarden voor het gebruik van het evenemententerrein. Het aantal toegestane evenementen is benoemd, net als het maximale aantal bezoekers en de toegestane op- en afbouwtijd. De eindtijd van de evenementen is vastgesteld op 20 uur. Tevens zijn begin- en eindtijden opgenomen voor de op- en afbouw van evenementen en is bepaald dat de geluidbelasting op de eerstelijnsgevels van geluidgevoelige bestemmingen als gevolg van het evenement niet meer mag bedragen dan 55 dB(A) met een maximale LAmax van 65 dB(A). Daardoor zijn muziekevenementen niet mogelijk.
Voorwaarden aan het gebruik
In artikel 3.4 is een aantal specifieke gebruiksregels opgenomen. Deze regelen o.a. het volgende:
Afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden
In de planregels zijn de voor agrarische bedrijven gebruikelijke afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Deze hebben onder meer betrekking op bouwen buiten het bouwvlak, het agrarisch bouwvlak uitbreiden, het toepassen van een ander stalssysteem en het gebruik van de bedrijfswoning.
Werkzaamheden (niet zijnde bouwen)
Voor de gronden buiten het bouwvlak is het vergunningenstelsel voor werken en/of werkzaamheden van toepassing.
Archeologische dubbelbestemmingen
In het plangebied zijn twee archeologische dubbelbestemmingen van toepassing. Een deel van het perceel heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde ("Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1"). De vergunning- onderzoeksplicht geldt in dit gebied bij de bouw- en bodemwerkzaamheden vanaf een oppervlakte van 250 m2 èn een diepte van minimaal 30 centimeter onder maaiveld. Voor het overige deel van het plangebied geldt dat dit deel uitmaakt van een archeologisch Rijksmonument waardoor andere regelgeving in de bescherming van de mogelijk ter plaatse aanwezige archeologische waarden voorziet. De dubbelbestemming "Waarde - Archeologisch rijksmonument" heeft dan ook vooral een signaalwaarde.
De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Dit geldt ook voor alle kosten die samenhangen met de uitvoering van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt. Hiervoor is een anterieure overeenkomst met de gemeente afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Door deze overeenkomst is er geen financieel risico voor de gemeente.
Dit bestemmingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is daarnaast ook van toepassing. Ook is het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening besproken met het waterschap. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze procedure en overleggen behandeld.
Voor het plan is, overeenkomstig de door het gemeentebestuur bekrachtigde werkafspraken, geen inspraak door de gemeente georganiseerd. Initiatiefnemer heeft het plan zelf in de buurt bekend gemaakt. Een verslag hiervan is als bijlage 6 Buurtdialoog bij deze toelichting gevoegd.
Uit de buurtdialoog zijn geen vernieuwe inzichten of problemen naar voren gekomen, op basis waarvan het plan aanpassing behoefde.
Voor het plan is de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat het ontwerp voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen. Een ieder heeft gedurende deze periode een zienswijze kunnen indienen. Het ontwerp heeft van 20 januari 2023 tot en met 2 maart 2023 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen.
Er zijn gedurende deze termijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is derhalve ongewijzigd ter vaststelling aangeboden bij de gemeenteraad.
Het ontwerp plan is op basis van artikel 3.1.1. Bro overlegd met het waterschap Rijn en IJssel. Omdat er geen sprake is van een provinciaal belang is het plan niet besproken met de provincie Gelderland. Er zijn vanuit deze overheidsinstanties geen zienswijzen ingediend of anderszins opmerkingen geplaatst.