direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Centraal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Gemeente Oost Gelre is in samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V. voornemens het huidige regionaal bedrijvenpark Laarberg uit te breiden. Hiervoor zijn al een Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' (vastgesteld 18 december 2012) en een Structuurvisie (vastgesteld 17 december 2013) opgesteld. Deze vormen het kader voor concrete ontwikkelingen.


De beoogde uitbreiding Laarberg is gelegen ten noorden van Groenlo, grenzend aan de bestaande bedrijventerreinen Laarberg (1e fase) en Den Sliem. Den Sliem is met name bedoeld voor lokaal gebonden bedrijvigheid. Laarberg, ruimtelijk als een verlengstuk hiervan, is bedoeld als een regionaal bedrijvenpark. Het ligt gunstig langs de N18, zowel vanuit het oogpunt van bereikbaarheid als vanuit zichtbaarheid. Met bedrijvenpark Laarberg wordt voorkomen dat verspreid in de regio nieuwe bedrijventerreinen (soms als uitleggebieden) ontwikkeld moeten worden.

Het voorliggend bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk voor een deel van regionaal bedrijvenpark Laarberg: Laarberg Centraal. Dit deelgebied maakt bedrijven in de milieucategorie 5.1 mogelijk en heeft het karakter van een regulier bedrijventerrein.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied Laarberg Centraal beslaat een oppervlakte van 5,7 ha en is onderdeel van het regionaal bedrijvenpark Laarberg te Groenlo. Het bedrijvenpark Laarberg wordt aan de noordzijde begrensd door de Leerinkbeek, aan de westzijde door de Oude Borculoseweg, aan de zuidzijde door Den Sliem en aan de oostzijde door de huidige N18/Twenteroute.

Het plangebied Laarberg Centraal is gelegen aan de Ruiterweg en Holtkampsweg. Op afbeelding 1.1 is het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0001.jpg"

Afbeelding 1.1 ligging plangebied Laarberg Centraal

1.3 Vigerende plannen

Voor het plangebied, zoals op afbeelding 1.1 is aangegeven, vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2012. De ontwikkeling van het plangebied tot bedrijvenpark kan op grond van het vigerende bestemmingsplan niet worden gerealiseerd, omdat het voornemen niet is toegestaan op grond van de geldende bestemming 'Agrarisch'.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie en betrokken gemeenten uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet waarbij de plankaart en planregels worden besproken. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Historie

Het plangebied Laarberg Centraal is gelegen in het midden van het plangebied Regionaal Bedrijvenpark Laarberg. Het gebied grenst aan de Verbindingszone en het bestaande deel van het bedrijventerrein van Laarberg. De Verbindingszone is het gebied tussen het Bedrijventerrein en het Biobased Transitiepark en het Groot Hoornwerk.

Het plangebied is gelegen nabij de Grolse Linie, een aanvalslinie die Frederik Hendrik in 1627 voor het eerst gebruikte om Grolle in de Tachtigjarige oorlog van de Spanjaarden te ontzetten. De Grolse Linie om Groenlo is voor het grootse deel nog intact in de bodem aanwezig. Deze Grolse Linie is gelegen in agrarisch gebied.

Het plangebied ligt in het buitengebied van Groenlo en is in agrarisch gebruik. Op de kaart van rond 1900 (afbeelding 2.1) is het onstaan van het landschap goed te zien. Het plangebied ligt binnen de heideontginningen met een rechtlijnige verkaveling. De Hupselsche beek (tegenwoordig Leerinkbeek), de Slinge, de Ruiterweg en de Oude Borculoseweg zijn de kenmerkende lijnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0002.jpg"

afbeelding 2.1 Situatie circa 1900 afbeelding 2.2 Huidige situatie (2012)

De verkavelingspatronen van het jonge ontginningen landschap zijn tegenwoordig nog steeds zichtbaar, zie afbeelding 2.2. De rechtlijnige patronen van het ontginningsgebied is vooral zichtbaar door de lijnvormige beplantingsstructuren. De Leerinkbeek volgt nog haar oorspronkelijke loop.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Begin 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid heeft onder meer de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de Structuurvisie Randstad 2040 vervangen. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water-)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen m.b.t. (inter-)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.

Daarnaast wordt (boven-)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's met concentraties van topsectoren (waaronder Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking.

Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beoordeeld of er sprake is van een regionale behoefte, of deze behoefte is op te vangen in bestaand stedelijk gebied en of de beoogde locatie multimodaal ontsloten is of kan worden.

In de Achterhoek is regionaal behoefte aan bedrijventerreinen voor zware milieuhinderlijke bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid past gezien de omvang en de hinder niet binnen bestaand stedelijk gebied. Derhalve zijn er afspraken gemaakt om het bedrijvenpark te vestigen buiten de bebouwde kom van Groenlo. Deze locatie is via de N18 goed ontsloten voor autoverkeer en busvervoer. Hiermee voldoet onderhavig plan aan de ladder van duurzame verstedelijking.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden was het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze documenten alleen nog bindend voor het rijk en niet meer voor andere overheden. Het rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. Dit kan via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).


Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt over ruimtelijke ordening.

Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau, in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren, de Waddenzee, defensie, erfgoederen en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).


Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. In deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.

In bijlage E van het Barro zijn radarzones weergegeven. Het bedrijventerrein ligt in een radarzone (gebied rondom zend- en ontvangsinstallaties buiten militair luchtvaartterrein antennepark Eibergen). Hier geldt een maximale bouwhoogte van 22 meter.

Verdrag van Malta - Wet archeologische monumentenzorg

Het Europese Verdrag van Malta (1992) beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt te behouden. Het verdrag dwingt alle ondertekenaars (waaronder Nederland) om archeologische belangen in een vroegtijdig stadium mee te wegen in de besluitvorming rond ruimtelijke planvorming. Het Verdrag van Malta is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving in de Wet archeologische monumentenzorg (herziening Monumentenwet).

Conclusie

Het plangebied ligt in een in het Barro aangewezen radarzone. De ontwikkeling van deelgebied Laarberg Centraal heeft verder geen betrekking op thema's uit het Barro. Vanuit het Barro zijn alleen bindende regels ten aanzien van radarzones opgenomen die gevolgen hebben voor het plangebied/voorliggende bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt voor bouwwerken hoger dan 22 meter, is de radarzone niet verwerkt in de planregels.

3.2 Provinciaal beleid

Streekplan Gelderland 2005

Het Streekplan Gelderland 2005 (nu structuurvisie geheten ex artikel 2.2. Wro) is door Provinciale Staten op 29 juni 2005 vastgesteld. Samen met verschillende uitwerkingen en herzieningen van het streekplan en verschillende thematische structuurvisies verwoordt het streekplan het provinciaal ruimtelijk beleid. Het richt zich op de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur, die wordt gevormd door het 'groenblauwe raamwerk' en het 'rode raamwerk'. Het 'rode raamwerk' is het stedelijke netwerk en de regionale centra die goed bereikbaar dienen te zijn. De ruggengraat van dit netwerk is de hoofdinfrastructuur. De bedrijventerreinen zijn alle opgenomen in het 'rode raamwerk'.

Ruimtelijke Verordening Gelderland

Een gedeelte van het provinciale beleid is op grond van de Wro-agenda door Provinciale Staten vastgelegd in de Ruimtelijke Verordening Gelderland. De Ruimtelijke Verordening is vastgesteld in december 2010, deze geldt sinds maart 2011. Door de verordening stelt de provincie algemene regels aan de inhoud, toelichting en/of onderbouwing van bestemmingsplannen. Deze regels kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen daarvan of gebiedsgerichte thema's betreffen.

Het plangebied is volgens de Ruimtelijke Verordening een 'regionaal bedrijventerrein'. In bestemmingsplannen wordt binnen nieuwe intergemeentelijke bedrijventerreinen die gelegen zijn buiten het bundelingsgebied een maximale kavelgrootte toegestaan van 0,75 ha.

In juni 2012 is de Ruimtelijke Verordening, derde herziening vastgesteld. De verordening bevat aanvullende regels voor bedrijventerreinen. Hierin wordt onder meer aangegeven dat nieuwe zelfstandige kantoren op bestaande bedrijventerreinen niet zijn toegestaan. De overige regels zijn niet van toepassing op bestaande bedrijventerreinen, maar gelden bijvoorbeeld voor nieuwe ontwikkelingen, regionale bedrijventerreinen en kadegebonden bedrijven.

Inmiddels zijn er meerdere herzieningen van de Ruimtelijke Verordening vastgesteld. Deze herzieniningen hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkelingen.

Structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties

De Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties is een aanpassing van het beleid voor bedrijventerreinen van het in 2005 vastgestelde streekplan Gelderland. Op 30 juni 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties is een aanpassing van het structuurvisiebeleid als gevolg van de volgende ontwikkelingen:

  • Toekomstprognoses wijzen erop dat na 2020 de vraag naar bedrijventerreinen sterk zal afnemen, op termijn (vanaf 2025) treedt zelfs krimp op.
  • Maatschappelijk is er weerstand tegen de verrommeling van het landschap ontstaan. Dit vertaalt zich in de vraag naar meer regie van de provincie op het (her)ontwikkelen van de juiste kwaliteit bedrijventerrein op de juiste plek.

Uitgangspunt van het nieuwe beleid is dat er eerst optimaal gebruik wordt gemaakt van bestaande bedrijventerreinen voordat er nieuwe worden ontwikkeld. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid blijft beleidsuitgangspunt, maar overschot aan bedrijventerrein moet worden voorkomen. Verder vraagt de provincie Gelderland aan de gemeenten om extra aandacht te besteden aan kwalitatieve aspecten, zoals een goede ruimtelijke inpassing, een zorgvuldige vormgeving en een zo laag mogelijke milieubelasting. Het nieuwe beleid wordt in overleg met samenwerkende gemeenten op regionaal niveau uitgewerkt en tot uitvoering gebracht. In een Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) moet de weerslag van het provinciale beleid zichtbaar worden.

Regionale bedrijventerreinen

Regionale terreinen vervullen een belangrijke (opvang)functie voor de grotere, zwaardere (wat betreft milieuhindercategorie) en op hoogwaardige bereikbaarheid (A-wegen) aangewezen bedrijven. De provincie vindt van belang dat dit type bedrijvigheid zich duurzaam kan vestigen op dit soort hoogwaardige terreinen. In de structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties is de locatie Laarberg aangewezen als een regionaal bedrijventerrein.

Omgevingsverordening Gelderland (ontwerp)

De Gelderse Omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. De Omgevingsvisie Gelderland betreft een ontwerp, en dient nog te worden vastgesteld door Provinciale Staten. Verwachting is dat de Omgevingsvisie in juli 2014 wordt vastgesteld.

Enkele beleidsrichtingen en nieuwe accenten, relevant voor de ontwikkeling regionaal bedrijvenpark Laarberg, zijn:

  • De provincie heeft op regionale schaal afspraken met partners over wonen en bedrijventerreinen gemaakt. Deze afspraken blijven staan en worden met partijen verder doorontwikkeld.
  • Ruimte voor bedrijvigheid is vastgelegd in afspraken met partijen op regionaal niveau. De provincie verwijst in de Omgevingsvisie naar deze afspraken. Zij biedt verder ondersteuning aan bedrijven die zich duurzaam willen ontwikkelen door waar mogelijk te faciliteren bij processen en procedures.

Ten aanzien van regionale bedrijventerreinen, regionale programmeringsafspraken en energieopwekking hanteert de provincie Gelderland de volgende uitgangspunten.

Regionale bedrijventerreinen

Regionale terreinen vervullen een belangrijke opvangfunctie voor de grotere, zwaardere bedrijven (wat betreft milieuhindercategorie) die op hoogwaardige bereikbaarheid (A-wegen) zijn aangewezen. Het gaat om bedrijven met een kavel groter dan 0,5 hectare waarvan vestiging op een lokaal bedrijventerrein niet gewenst is. De provincie vindt het van belang dat dit type bedrijvigheid zich in elke Gelderse regio duurzaam kan vestigen op zulke hoogwaardig terreinen, waarbij met name ruimte voor bedrijven uit categorie 4 en 5 wordt gewaarborgd en waarbij bedrijven uit categorie 1 en 2 niet zijn toegestaan.

Regionale programmeringsafspraken

De provincie gaat uit van de regionale programmeringsafspraken over voorraden en soorten bedrijventerreinen die in 2011 zijn gemaakt. Deze afspraken zorgen voor voldoende kwaliteit en kwantiteit van bedrijventerreinen. Daarin staan onder meer afspraken over regionale bedrijventerreinen, intergemeentelijke terreinen en kadegebonden terreinen. Het uitgangspunt is zorgvuldig ruimtegebruik: terughoudend zijn met het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen.

Energieopwekking en energieneutraliteit in de Achterhoek

In een regionaal 'routekaart'-proces maakt de provincie afspraken met regio's, gemeenten, terreinbeherende organisaties en netwerkbedrijven over hoe de ambities voor energietransitie per regio waar te maken. Uitgangspunt van de routekaarten is de ambitie die binnen de regio leeft rond windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa.


Het routekaartproces resulteert eind 2013 in een overzicht van de locaties en ambities die de provincie en partijen in de Achterhoek hebben voor hernieuwbare energie: windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa.

In de regio Achterhoek is er een sterke ambitie om te komen tot een energieneutrale regio. Organisatiestructuren als AGEM en BION zijn samenwerkingsvormen om die energieneutraliteit te verwezenlijken.

Omgevingsverordening Gelderland (ontwerp)

Bij de Omgevingsvisie Gelderland worden regels gesteld. Deze regels zijn gesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. Verwachting is dat de Omgevingsverordening in oktober 2014 wordt vastgesteld.

De omgevingsverordening stelt regels aan regionale bedrijventerreinen. Bedrijfsfuncties uit milieucategorieën 1 en 2 en bedrijfsfuncties die gemengd kunnen worden zijn niet toegestaan op regionale bedrijventerreinen. Hiervan kan afgeweken worden indien deze bedrijven en bedrijfsfuncties een ondersteunende functie vervullen voor de bedrijven op het bedrijventerrein of wanneer de vestiging van deze bedrijven vanwege de milieuzonering of op grond van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit gewenst zijn.

Conclusie

Laarberg betreft een regionaal bedrijvenpark dat voorziet in de opvang van grotere en zwaardere bedrijven. Deelgebied Laarberg Centraal voorziet in de realisatie van bedrijven in de milieucategorie 5.1. Met deze voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het plangebied wordt voorzien in de ambitie van de provincie ten aanzien van de opvangfunctie van grotere en zwaardere bedrijven op regionale terreinen.

3.3 Regionaal beleid

Regionale structuurvisie Achterhoek

De visie 'Speerpunten Regionaal Ruimtelijk beleid Achterhoek 2011-2020' geeft de beleidsambities van acht Achterhoekse gemeenten voor de regionale economie, volkshuisvesting, landschappelijke kwaliteit, leefbaarheid en mobiliteit. De visie is een aanvulling en actualisatie op de Regionale Structuurvisie Achterhoek uit 2004 en legt de nadruk op andere speerpunten ten gevolge van de demografische ontwikkelingen.

In de visie uit 2004 was uitgangspunt voor de positionering van de Achterhoek ten opzichte van andere regio's: de doorontwikkeling als een economisch en sociaal-cultureel zelfstandige regio die zich naar buiten toe met name profileert met haar kleinschaligheid en gebiedskwaliteiten. Een grotere dynamiek in de regio wordt nagestreefd met behoud van de eigen ruimtelijke kwaliteit.

Ten aanzien van bedrijventerreinen is het algemene uitgangspunt: het juiste bedrijf op de juiste locatie. Er wordt ruimte geboden voor groei van locale bedrijvigheid in bestaande sectoren als detailhandel, bouwnijverheid en industrie en in relatief nieuwe sectoren als recreatie, toerisme, dienstverlening en op het gebied van gezondheid en zorg. Aan nieuwe keuzes en ontwikkelingen gaat regionale afstemming vooraf.

Speerpunten zijn:

  • demografische ontwikkeling;
  • oriëntatie op externe relaties (met het KAN-gebied, Twente, Duitsland, Stedendriehoek);
  • de verandering van het platteland;
  • duurzame energie.

Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Achterhoek

In regionaal verband hebben de gemeenten en de provincie in de regio Achterhoek afspraken rondom bedrijventerreinen vastgelegd (Regionaal programma bedrijventerreinen RPB). In het voorjaar van 2009 heeft de Regio Achterhoek haar Economisch Programmerings- en Ontwikkelingsdocument (EPO) opgesteld. Met het RPB wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie bedrijventerreinen en werklocaties. Het RPB biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten. De provincie Gelderland is partner op diverse onderwerpen. Zij is nauw betrokken bij afspraken over vraag en aanbod, aanpak van de herstructurering en implementatie van de SER-ladder.

Op subregionaal niveau zijn de volgende aanvullende afspraken gemaakt:

  • het regionaal afsprakenkader over planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Achterhoek en provincie;
  • de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van bedrijventerreinen;
  • het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio.

In het RPB is Laarberg opgenomen als ontwikkeling waar zware milieuhinderlijke bedrijvigheid kan worden opgevangen.

Conclusie

Met onderliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de Regionale structuurvisie Achterhoek en het RPB Achterhoek.

3.4 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie Oost Gelre

In de 'Toekomstvisie Oost Gelre' zijn de wensbeelden van de gemeente voor 2020 weergegeven. Ook komt aan de orde hoe de gemeentelijke organisatie met dat toekomstbeeld omgaat. In 2020 komt dat onder andere tot uiting in het feit dat Oost Gelre voor Oost-Achterhoek de belangrijkste speler is op het gebied van industriële bedrijvigheid. De (gerevitaliseerde) industrieterreinen concentreren zich daarbij rond de verbindingsweg tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Er zijn goede mogelijkheden voor betaalbaar openbaar vervoer, wat overigens gestimuleerd wordt door de aanwezige bedrijven.

Het regionale duurzame bedrijvenpark 'De Laarberg' in Groenlo is gevuld met diverse verhuisde bedrijven, afkomstig uit de gehele Oost Achterhoek, maar ook met een groot aantal nieuwe bedrijven. Aan duurzame energie en duurzaamheid in zijn algemeenheid wordt veel waarde gehecht.

Alle milieubelastende bedrijven zijn uit de kernen verdwenen. Verder zijn de bedrijven zo ingericht dat mogelijke milieuproblemen al bij de bron worden aangepakt. Dit maakt het wonen en recreëren in Oost Gelre prettig en veilig. Er zijn dan ook geen klachten meer als gevolg van industriële bedrijvigheid en aan het industrieel erfgoed worden nieuwe bestemmingen gegeven. Bedrijven kunnen ook buurten en buurtschappen 'adopteren' om zo de sociale duurzaamheid in Oost Gelre te stimuleren.

Structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg'

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark is een structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' opgesteld (vastgesteld 17 december 2013). De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. Aan de hand van de structuurvisie kunnen voor concrete ontwikkelingen bestemmingsplannen op maat worden opgesteld.

In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen. Deze randvoorwaarden zijn mede voortgekomen uit de uitgevoerde planMER en gelden voor de bestemmingsplannen die opgesteld worden voor Laarberg fase 2, waaronder ook dit bestemmingsplan. Voor de wijze van implementatie van deze randvoorwaarden in de planregels en op de verbeelding wordt verwezen naar hoofdstuk 6.

Visie

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0003.png"

Afbeelding 3.1 Structuurvisie met ligging plangebied

De visie beschrijft het plan voor Laarberg op hoofdlijnen. De directe omgeving en delen van Laarberg hebben landschappelijke waarde. De ontwikkeling van het bedrijventerrein maakt, daar waar mogelijk, zoveel mogelijk gebruik van die kwaliteiten. Daarmee kan een terrein ontwikkeld worden dat functionaliteit laat samengaan met ruimtelijke kwaliteit. Er wordt rekening gehouden met de specifieke kwaliteiten van de omgeving. Dit kan er toe leiden dat op de ene plek het bedrijventerrein juist wordt tentoongesteld aan de omgeving (rond de Grolse Linie), terwijl het op een andere plek voor de omgeving ‘verstopt’ wordt; juist een hele groene uitstraling krijgt, aansluitend op het bestaande landschap (aan de westzijde). Alvorens een ontwikkeling plaatsvindt aan een rand, worden groenstructuren gerealiseerd, welke tevens als compensatiegebied kunnen dienen.

De structuurvisie maakt onderscheid in vier ruimtelijke eenheden, met elk haar eigen ruimtelijke en functionele kenmerken. Dit zijn:

  • de Verbindingszone;
  • het Biobased Transitiepark;
  • het Bedrijventerrein;
  • het Agrarisch Landschap.

De samenhang tussen de ondergrond en de nieuwe ontwikkeling bovengronds, wordt door deze bovengenoemde zones zichtbaar gemaakt.

Het Bedrijventerrein vormt het grootste deel van het Regionale bedrijventerrein Laarberg; in feite is het gebied ingeklemd tussen enerzijds het Biobased Transitiepark/Verbindingszone en het Agrarisch Landschap en anderzijds het bestaande deel van het bedrijventerrein van Laarberg. De bestaande structuren van Laarberg worden doorgezet in de uitbreiding. Dit zorgt voor een versmelting van de eerste en tweede fase. Het ruimtelijke casco wordt in eerste instantie afgestemd op de zich vestigende bedrijven.

De uiteindelijke structuur binnen het Bedrijventerrein dient aan te sluiten op de Verbindingszone, het Agrarisch Landschap en het bestaande deel van het bedrijventerrein. Hierbinnen kan gefaseerd en flexibel worden ontwikkeld. De exacte ligging van de wegen is nog niet bekend. De uiteindelijke structuur zal altijd doorlopend zijn. De bestaande profielen van Laarberg 1 worden in oost-west

richting doorgezet. Ruimtelijk gezien gaan Laarberg fase 1 en fase 2 daarmee samen. In de noord-zuid

richting bestaan de profielen uit een functioneler profiel; minder breed maar functioneel. Kwalitatief groen wordt samengebracht in de Verbindingszone.

Dit bestemmingsplan beslaat 5,7 ha van de in totaal 42 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein op Laarberg fase 2. Dit bestemmingsplan is in zijn geheel gelegen binnen de ruimtelijke eenheid Bedrijventerrein, waarbinnen in totaal 35 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein gerealiseerd wordt.

Voorwaardelijke bepalingen

In de Structuurvisie zijn voorwaardelijke bepalingen opgenomen. Deze bepalingen komen voort uit de opgestelde planMER. Het stellen van voorwaardelijke bepalingen voor de thema's natuur, verkeer, geluid en geur is noodzakelijk gebleken om de uitvoerbaarheid van de structuurvisie te waarborgen. Deze voorwaarden werken door in de bestemmingsplannen.

Dit geldt ook voor voorliggend bestemmingsplan. Zie paragraaf 6.3 voor een nadere toelichting op deze doorwerking van de structuurvisie.

Conclusie

Deze structuurvisie sluit aan op de Toekomstvisie Oost Gelre.

Met onderliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Doelstellingen en uitgangspunten

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg heeft de raad een Masterplan (december 2012) vastgesteld. Dit Masterplan schetst de kaders in hoofdlijnen voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg. Op basis van het Masterplan is vervolgens een Structuurvisie (ontwerp september 2013) opgesteld. De structuurvisie vormt het kader voor de concrete toekomstige ontwikkelingen. Zie ook paragraaf 3.4.

Ter plaatse van Laarberg Centraal is ruimte voor 5,7 hectare bedrijventerrein. Binnen het plangebied wordt ruimte geboden aan zwaardere bedrijvigheid.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een deel van het bedrijventerrein.

4.2 Functies

Binnen het plangebied wordt ruimte geboden aan zwaardere bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 5.1. Dit kunnen onder andere de volgende type bedrijven zijn:

  • babymelkpoederverwerking
  • vlees- en viswerkering
  • verwerking en opwaardering van dierlijke bijproducten (food en feed)
  • verwerking van restproducten tot calcium en/of fosfaat gerelateerde eindproducten (onder ander kunstmest)
  • (afval)waterbehandelingssystemen

4.3 Beeldkwaliteit

De concreetheid van het voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om nadere invulling te geven aan het beeldkwaliteitsplan (23 oktober 2012, Bijlage 1). Voor Laarberg Centraal geldt dat hier vooral de zwaardere bedrijven worden gerealiseerd met een milieucategorie 5.1

Voor het grootste gedeelte van het Bedrijventerrein geldt de laagste beeldregie. Alleen langs de randen die grenzen aan de Verbindingszone worden hoge beeldregie-eisen opgelegd. De samenhang

in dit deelgebied zit zoveel mogelijk in het bouwen in de 2 rooilijnen en het antraciete hekwerk als erfscheiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0004.jpg"

Afbeelding 4.1 Beeldkwaliteit Bedrijventerrein

Beeldregie hoog

Het deel van het Bedrijventerrein dat grenst aan de Verbindingszone krijgt hoge beeldregie-eisen opgelegd, aangezien de Verbindingszone de etalage is van het regionaal bedrijivenpark Laarberg. Eisen zijn noodzakelijk om de ruimtelijke kwaliteit te kunnen waarborgen.

Samenhang wordt bereikt door de kleur van de bebouwing, wandvorming en organisatie van de kavel.

De wandvorming, als achtergrond voor de groene verbindingszone, wordt gecreëerd door in het aanzicht

minimaal 80% van de rooilijn te bebouwen, waarvan minimaal 30% in de eerste rooilijn. De eerste rooilijn ligt op 3 meter uit de perceelgrens en de tweede rooilijn op 7 meter. Indien er geen bouwprogramma aanwezig is, dan is er de mogelijkheid dit doormiddel van een ‘pergola’ vorm te geven. Belangrijk aspect is wel dat dit in goede overeenstemming moet met aanliggende kavels. De voorkeur gaat uit naar de eis van 80% bouwen in de rooilijn.

De samenhang in kleur wordt bereikt door de hoofdmassa van de bebouwing uit te voeren in een

middengrijs tot antraciet tinten. Extra aandacht wordt besteed aan de organisatie van de kavel. Het parkeren dient uit het zicht plaats te vinden evenals de opslag en het laden en lossen. Op de perceelgrens, grenzend aan de Verbindingszone, komt een haag (60 à 80 cm hoog,

bijv. beukenhaag). Indien men een hekwerk wil plaatsen dan zal dit in de eerste of tweede rooilijn plaatsvinden. Deze is maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur.

Onderdelen   Eisen  
Organisatie van de kavel   - Geen parkeren in het zicht
- Geen opslag in het zicht
- Geen laden en lossen in het zicht  
Rooilijn   - Verplicht bouwen in de rooilijn
- 1ste rooilijn op 3 meter van de perceelsgrens met openbare ruimte
- 2de rooilijn op 7 meter van de perceelsgrens met openbare ruimte
- In aanzicht: minimaal 80% van de rooilijn bebouwd
- minimaal 30% in de 1ste rooilijn bouwen  
Kleur   - De hoofdmassa in een midden-grijs tot antraciet tint  
Hoogte   - 1ste rooilijn, tussen de 6 en 7 meter
- 2de rooilijn maximaal 15 meter  
Dak   - Plat dak  
Erfafscheiding   - Haag (bijv. beukenhaag) op de perceelsgrens aan de zijde van de naar de weg toegekeerde gevel (60 a 80 cm hoog)
- Indien hekwerk, dan verplicht in 1ste of 2de rooilijn; maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur  

Beeldregie laag

Voor het deel met beeldregie laag worden alleen eisen opgelegd voor de erfscheidingen en de rooilijn waar op of achter met een maximale hoogte gebouwd mag worden. Naast de eisen bestaat de wens om zoveel mogelijk in één rooilijn te bouwen en opslag van materiaal zoveel mogelijk uit het zicht.

Onderdelen   Eisen  
Rooilijn   - Minimaal bouwen in of achter de 1ste rooilijn
- 1ste rooilijn op 3 meter van perceelgrens met openbare ruimte
- 2de rooilijn op 7 meter van perceelsgrens met openbare ruimte  
Hoogte   - Tussen de 1ste en 2de rooilijn maximaal 7 meter, achter de 2de rooilijn maximaal 20 meter.
- Bouwhoogte hoger van 20 meter toegestaan t.b.v. productieproces. Deze locatie is aangegeven  
Erfscheiding   - Hekwerk parallel aan de weg; op de erfgrens of in de 1ste rooilijn.
- Maximale hoogte 2 meter
- Kleur antractiet  

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)

Wettelijk kader

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn.

Onderzoek

Het plangebied Laarberg Centraal maakt onderdeel uit van het grotere Laarberg fase 2. Ten behoeve van de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg is een structuurvisie opgesteld. Deze structuurvisie is planm.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van de voorziene ontwikkelingen (namelijk zware bedrijvigheid) en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (een passende beoordeling in het kader van Natuurbeschermingswet 1998 is verplicht). Het planMER maakt tevens onderdeel uit van onderliggend bestemmingsplan. Deze is te vinden in bijlage 1. In de planm.e.r. zijn de milieueffecten van de gehele uitbreiding van Laarberg in samenhang beschouwd. De resultaten van de planm.e.r. zijn niet alleen bruikbaar voor de structuurvisie, maar ook voor de onderliggende bestemmingsplannen. Het planMER is opgenomen in Bijlage 2. De resultaten van deze planm.e.r. zijn bij de bewuste (milieu)aspecten beschouwd en waar nodig aangevuld.

Resultaten

In de planm.e.r. zijn twee alternatieven beschouwd. Het voorkeursalternatief dat hieruit volgt komt nagenoeg overeen met het tweede beschouwde alternatief.


Het voorkeursalternatief is weergegeven in onderstaande verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0005.jpg"

Afbeelding 5.1 Voorkeursalternatief planm.e.r.

Het voorkeursalternatief leidt tot een beoordeling van de milieueffecten. Te zien is dat de beoordeling van het VKA maar op één punt afwijkt van het alternatief 2. Het natuurcriterium Ecologische Hoofdstructuur ( EHS; oftewel Gelders Natuurnetwerk in de ontwerp Omgevingsvisie Gelderland) wordt beoordeeld als neutraal (0) in plaats van positief. Reden hiervoor is dat de gereserveerde zone langs de zuidzijde van de Leerinkbeek smaller is dan in alternatief 2. De smallere zone is nog wel als een licht positief effect op te vatten, maar het effect is niet groot genoeg voor een '+'. In onderstaande tabel zijn de milieueffecten van de alternatieven en het voorkeursalternatief samengevat aan de hand van een beoordeling.

Tabel 5.1 Beoordeling milieueffecten alternatieven en voorkeursalternatief planm.e.r

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0006.png"

In het planMER zijn voorwaarden opgenomen voor de realisatie van het voorkeursalternatief. Deze voorwaarden zijn overgenomen in de structuurvisie en werken door in de bestemmingsplannen. Zie hiervoor ook de paragrafen 3.4 en 6.3.

De planm.e.r. gaat uit van ontwikkeling van het gehele Laarberg fase II. Omdat in onderliggend bestemmingsplan sprake is van een gedeelte van de ontwikkeling van Laarberg fase II moet bij de beoordeling van de omgevingsaspecten voor het overige gedeelte van Laarberg fase II rekening gehouden worden met de bestaande situatie.

Conclusie

Onderliggend bestemmingsplan is een vertaling van het voorkeursalternatief uit de planm.e.r. voor het deel Laarberg Centraal. In de beschrijving van de milieuaspecten hieronder wordt onder andere gebruik gemaakt van de resultaten uit de planm.e.r..

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) dient te worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied.

Beleid

Bedrijvigheid kan negatieve effecten met zich mee brengen voor woningen en gevoelige functies in de omgeving. Negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op geur, geluid, stof en trillingen. Andersom kunnen woningen een belemmerend effect hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).

In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.

Tabel 5.2 Richtafstanden per milieucategorie

Milieucategorie   Richtafstanden tot een 'rustige woonwijk'   Richtafstanden tot een 'gebied met menging van functies'  
1.   10 meter   0 meter  
2.   30 meter   10 meter  
3.1   50 meter   30 meter  
3.2   100 meter   50 meter  
4.1   200 meter   100 meter  
4.2   300 meter   200 meter  
5.1   500 meter   300 meter  
5.2   700 meter   500 meter  
5.3   1.000 meter   700 meter  
6.   1.500 meter   1.000 meter  

Plangebied

In de omgeving van Laarberg Centraal ligt een aantal vrijstaande (bedrijfs)woningen en op het nabij gelegen Groot Hoornwerk liggen (beperkt) gevoelige functies die bepalend zijn voor de maximaal toegestane milieucategorieën binnen dit bestemmingsplan. Omdat hier sprake is van verspreid liggende woonbebouwing in een buitengebied waar al (agrarische) bedrijvigheid plaatsvindt en niet van een rustige woonwijk, mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' gehanteerd worden.

Op het nabij gelegen Groot Hoornwerk worden beperkt gevoelige functies mogelijk gemaakt waar mensen voor een korte periode (aantal uren aaneen) verblijven. Daarnaast zijn de functies op het Groot Hoornwerk mogelijk gemaakt als onderdeel van een bedrijventerrein. Zodoende mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' met nog eens één afstandsstap versoepeld worden.

Deze inwaartste milieuzonering maakt onderdeel uit van de bestemmingsregels en is terug te vinden op de verbeelding en in de planregels.

Binnen het plangebied zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 5.1 mogelijk. De geplande activiteiten passen binnen de inwaartse milieuzonering.

Conclusie

Naar aanleiding van de ontwikkeling van Laarberg Centraal kan geconcludeerd worden dat de huidige omliggende (beperkt) gevoelige functies niet gehinderd worden door de komst van de nieuwe functies.

5.3 Verkeer

Laarberg Centraal is gelegen op het regionaal bedrijvenpark Laarberg dat gunstig gelegen en goed bereikbaar is. Via de N18 is aansluiting op het snelwegennetwerk A18, A12 en A35. Een directe aansluiting richting Duitsland ontbreekt.

Laarberg Centraal is aangesloten op lokale fietsroutes. Deze vormen een goede langzaamverkeersroute voor onder andere woonwerkverkeer voor werknemers uit de nabije omgeving. In de nabijheid van het plangebied (tegenover het bedrijf VION) is een OV-busverbinding die de mogelijkheid biedt aan werknemers om gebruik te maken van het openbaar vervoer voor woon-werkverkeer. Het dichtsbijzijnde station is Lichtenvoorde-Groenlo in Lievelde op een afstand van 8 kilometer. Ontwikkelingen rond de N18 en de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg maken heroverweging van de gewenste locatie van de halte en routing noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0007.png"

Afbeelding 5.2 Beoogde nieuwe ontsluitingsstructuur Laarberg op nieuwe N18

Autoverkeer

Op 20 augustus 2013 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu het Tracébesluit N18 Varsseveld - Enschede vastgesteld. Doel van dit tracébesluit is om de N18 op delen aan te passen, om een aantal verkeersveiligheidsmaatregelen in de N18 te treffen en om tussen Groenlo en Enschede een nieuw tracé aan te leggen. Ter plaatse van Laarberg komt een nieuw tracé voor de N18. Ten opzichte van de huidige N18 ligt deze iets oostelijker. Tevens worden ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg op- en afritten aangelegd.

Plangebied Laarberg Centraal is, zeker na de uitvoering van de nieuwe N18, goed bereikbaar voor de regio, maar ook vanaf de A1 (via de A35) en A50 (via de A12). Het plangebied wordt ontsloten via de N18. Zowel het regionale-, het bestemmings- als het lokale verkeer bereikt het bedrijvenpark via deze invalsweg.

Totdat de beoogde nieuwe ontsluitingsstructuur is gerealiseerd, kan de huidige Ruiterweg gebruikt worden als calamiteitenverbinding voor hulpdiensten.

Fietsverkeer

De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het fietsnetwerk voorziet in de utilitaire fietsverbindingen in noord-zuid richting via het oude spoorlijntracé en het tracé van de huidige N18 enerzijds en via de Deventer Kunstweg anderzijds. In oost-west richting wordt een verbinding gelegd tussen dit noord-zuidtracé en de Deventer Kunstweg. Hier wordt gedacht aan een vrijliggend fietspad. Hierdoor wordt het mogelijk om dit fietspad deels door de Verbindingszone en deels langs en over de Grolse Linie te situeren. Dit versterkt het recreatieve karakter van deze route als onderdeel van het regionale recreatieve fietsknooppuntennetwerk. In noordwestelijke richting sluit deze fietsknooppuntenroute aan op de Deventer Kunstweg. Nabij de aansluiting op de N18 bevindt zich knooppunt 50 waarbij de route over het viaduct over de N18 loopt en zich uitsplitst in noordelijke richting via de Wolvenkamerweg en in zuidelijke richting via de Schietbaan.

Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer wordt in de toekomst afgewikkeld via de bestaande N18, welke als parallelstructuur van de opgewaardeerde N18 functioneert. Door de uitbreiding van het gehele bedrijvenpark Laarberg komt de huidige halte (kruising N18/ Vredenseweg) decentraal te liggen. Een nieuwe halte dient centraler te komen liggen, zodat het gehele bedrijvenpark Laarberg op relatief korte loopafstand van het openbaar vervoer bereikbaar is. De locatie ter plaatse van de entree van het bedrijvenpark en het Groot Hoornwerk biedt daar kansen voor.

Conclusie

Het verkeer wordt afgewikkeld via het verlengde van de Noordgang, welke aangesloten is op de N18. De N18 is in de huidige en de toekomstige situatie geschikt voor de hoeveelheid verkeer als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

5.4 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen', van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' ('Wlk') genoemd. Uit de 'Wet luchtkwaliteit' volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo verbetering van de luchtkwaliteit plaats door mitigerende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de afzonderlijke concentraties van de componenten NO2 en PM10 veroorzaakt van maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van NO2 en PM10. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Onderzoek

In het kader van de planm.e.r. ten behoeve van Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg is de invloed op de luchtkwaliteit en de verkeersaantrekkende werking van de uitbreiding van het bedrijvenpark als geheel bepaald.

In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel lager zal zijn dan de bijdrage aan de concentratie NO2. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof geeft ook geen aanleiding om deze lage bijdrage te berekenen.

Stikstofdioxide (NO2)

De uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel draagt als volgt bij aan de NO2 concentratie:

  • De nieuwe Industriële activiteiten zorgen voor een maximale NO2 toename (waarbij sprake is van blootstelling) van 3,7 µg/m3, net buiten het plangebied
  • De verkeersaantrekkende werking van Laarberg II zorgt voor een NO2 toename van 1,5 µg/m3 ter plaatse van het plangebied

Voor beide bronnen is de maximale (worst case) bijdrage bepaald. De beide bijdragen geven samen een maximale bijdrage aan de NO2 concentratie van 5,2 µg/m3 voor de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel.

De achtergrondconcentratie NO2 op de planlocatie bedraagt 14,3 µg/m3 in 2012 en 14,4 µg/m3 in 2015. De totale concentratie komt daarmee op maximaal 19,6 µg/m3.

De bijdrage vindt vooral plaats op en rond het bedrijvenpark Laarberg en in mindere mate in het buitengebied rond Laarberg, waar verspreid enkele agrarische bedrijven en woningen liggen. Op woonwijken vindt nauwelijks een toename plaats. Op de noordelijke rand van Groenlo bedraagt de toename maximaal 0,5 tot 1 µg/m3 NO2 als gevolg van de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel. De verwachte toename van de NO2 concentratie ter plaatse van eventueel gevoelige bestemmingen (zoals scholen, kinderdagverblijven en bejaardentehuizen) is daarmee over het algemeen ook zeer laag.

Fijnstof 

De bijdrage aan de concentratie PM10 is in ieder geval lager dan de bijdrage aan de NO2 concentratie. Voor beide bronnen (industrie en verkeer) zal de maximale bijdrage samen zeker niet meer zijn dan 5,2 µg/m3 voor de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel.

De achtergrondconcentratie PM10 op de planlocatie bedraagt 21,7 µg/m3 in 2012 en 22,5 µg/m3 in 2015. De (overschatte) totale concentratie komt daarmee op maximaal 27,7 µg/m3 voor de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel. De locatie van de bijdrage is vergelijkbaar met de bijdrage van NO2.

Conclusie

Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 op het gehele bedrijvenpark Laarberg fase 2, waar Laarberg Centraal onderdeel van uitmaakt, niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen. De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen, maar de grenswaarden worden niet overschreden. De verwachte toenames vinden daarnaast vrijwel niet plaats bij (eventueel) gevoelige bestemmingen.

Het aspect luchtkwaliteit levert daarmee geen belemmering op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.5 Geluidhinder

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied.

Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.

De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde.

Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt:

  • 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur;
  • 5 dB voor overige wegen.

Industrielawaai

Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).

Toetsing

Industrielawaai

Industrielawaai is in de Plan m.e.r. getoetst. Ten aanzien van geluid is in de Plan m.e.r. uitgegaan van milieucategorie 5.1 bedrijven met een kental voor milieucategorie 4.2 bedrijven. Dit is gedaan omdat milieucategorie 5.1 bedrijvigheid voor wat betreft het aspect geluid over het algemeen zware havenbedrijvigheid betreft die op dit bedrijventerrein niet voorkomen. Het is hiermee aannemelijk dat de gewenste milieucategorie 5.1 bedrijvigheid op het bedrijvenpark Laarberg fase 2 voor wat betreft het aspect geluid overeenkomt met milieucategorie 4.2 bedrijvigheid.

Met de ontwikkeling van bedrijvigheid op Laarberg Centraal komt de geluidbelasting op woningen in de omgeving niet hoger uit dan 60 dB(A). Deze belasting is acceptabel in het kader van het hogere waarden beleid van de gemeente Oost Gelre.

Voor de gewenste categorie bedrijfsactiviteiten in het bestemmmingsplan, bestaat een zoneringsplicht omdat op het terrein zoneringsplichtige inrichtingen op basis van de Wet geluidhinder gewenst zijn.

Voor het bedrijvenpark Laarberg fase 2 is het noodzakelijk een geluidzone vast te stellen. Deze geluidzone is ondermeer noodzakelijk voor de activiteiten op Laarberg Centraal. Momenteel wordt door de gemeenten Oost Gelre en Berkelland gewerkt aan een bestemmingsplan ten aanzien van de geluidszonering rondom het bedrijventerrein Laarberg/Den Sliem. De uitgangspunten hiervoor zijn vastgelegd in de memo "Uitbreiding gezoneerd terrein en geluidszone bedrijventerrein Den Sliem/Laarberg", Arcadis, maart 2014 (Bijlage 3). In dit bestemmingsplan wordt de geluidcontour met de daarbij behorende geluidzone, als gevolg van de bedrijventerreinen Den Sliem en Laarberg fase 1 en fase 2 vastgelegd. Totdat het bestemmingsplan voor de geluidszonering is vastgesteld, geldt de bestaande geluidszonering rondom Laarberg faste 1 en Den Sliem en zijn geluidszoneringsplichtige inrichtingen niet toegestaan.

Wegverkeerslawaai/indirecte hinder

Voor de ontsluiting van Laarberg Centraal zal er een kort weggedeelte worden aangelegd, uitsluitend bedoeld voor verkeer van en naar Laarberg Centraal. De ontsluitingsweg is een weg bestaande uit twee rijstroken in het buitengebied. Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder bedraagt de zone langs de weg 250 meter. Wanneer binnen de zone langs de weg woningen of andere geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen, dient er een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd (artikel 77 Wet geluidhinder).

Er zijn geen woningen gelegen binnen een afstand van 250 meter van de weg. Er is dan ook geen aanleiding een akoestisch onderzoek in te stellen voor het nieuwe gedeelte van de ontsluitingsweg. De ontsluitingsweg sluit aan op de N18. Langs de ontsluitingsweg zijn geen woningen gelegen.

Conclusie

Omdat het bestemmingsplan voor het gezoneerde industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder nog niet vastgesteld is, mogen geluidszoneringsplichtige inrichtingen nog niet gerealiseerd worden. Hiertoe is een gebruiksbepaling opgenomen in de planregels.

Voor het overige levert het aspect geluid geen problemen op voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.6 Geurhinder

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of ‘immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning ‘terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend.

Wettelijk kader

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een individuele, vergunningplichtige, veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Voor meldingsplichtige veehouderijen is een van de Wgv afgeleid beoordelingskader opgenomen in het Activiteitenbesluit.

Voor diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de regeling geurhinder en veehouderij (intensieve veehouderijen) moet de geurbelasting bij vergunningverlening worden berekend in odour units per kubieke meter lucht (OUE/m3). De geurbelasting van individuele bedrijven met deze diersoorten mag (binnen een zogenaamd ‘concentratiegebied’, zoals gemeenten Oost Gelre en Berkelland betreft) niet meer zijn dan:

  • 3,0 OUE/m3 op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom;
  • 14,0 OUE/m3 op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Voor overige (grondgebonden) veehouderijen gelden minimaal aan te houden afstanden

(ongeacht de omvang van het bedrijf):

  • ten minste 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom
  • ten minste 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom

Gemeentelijk geurbeleid

De Wgv biedt de gemeenten de mogelijkheid een eigen geurbeleid op te stellen en daarmee (gemotiveerd) af te wijken van de wettelijke normen, binnen een in de wet vastgelegde bandbreedte. Gemeente Oost Gelre heeft enkele afwijkingen van de standaard normen onderbouwd in de “Gebiedsvisie ten behoeve van de Verordening geurhinder en veehouderij voor de Gemeente Oost Gelre” (Gemeente Oost Gelre, 2007).

De afwijkende normen zijn vastgelegd in een gemeentelijke verordening. Voor de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark Laarberg is relevant dat de verordening een andere individuele geurnorm stelt voor de bebouwde kom van Groenlo. Gevoelige objecten binnen deze kom mogen een geurbelasting ondervinden van een individueel bedrijf van 5 OUE/m3. Deze norm van 5 OUE/m3 geldt ook voor bedrijventerreinen en is dus ook van toepassing op geurgevoelige objecten op het bestaande en toekomstige deel van Laarberg.

Gemeente Berkelland heeft ook een Verordening geurhinder en veehouderij. Voor zeven kleine kernen geldt een norm van 6 OUE/m3 voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object en een minimaal aan te houden afstand van 75 meter (i.p.v. 100 m) tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Het plangebied is geen onderdeel van gemeente Berkelland. De normen voor de bebouwde kom van Groenlo zijn geldend voor de geurbelasting die veehouderijen gelegen in Berkelland op het plangebied mogen hebben.

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijen gelegen. De geur afkomstig vanuit de veehouderijen zou van invloed kunnen zijn op (toekomstige) activiteiten in het ontwikkelingsgebied (‘omgekeerde werking’ genoemd). Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:

  • Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
  • Worden omliggende bedrijven (in dit geval nabij gelegen veehouderijen) onevenredig in hun belangen geschaad?

Hiervoor is een notitie opgesteld in het kader van een bestemmingsplan in het noorden van het in de structuurvisie voorziene gebied voor de uitbreiding van Regionaal bedrijvenpark Laarberg. In deze notitie zijn de effecten van de huidige situatie, inclusief verleende vergunningsaanvragen, getoetst aan het toetsingskader. De notitie is opgenomen in Bijlage 4. De toekomstige situatie is gelijkgesteld aan de huidige situatie. De resultaten zijn eveneens bruikbaar voor bestemmingsplan Laarberg Centraal.

Resultaat

Op basis van voorgaande studies en in overleg met de gemeente Berkelland, is het studiegebied bepaald op 3 x 3 km rondom het plangebied.

Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de receptorpunten (op de hoekpunten van het genoemde bestemmingsplan in het noorden van Laarberg fase II) de geurnorm van 5 OUE/m3 voor de voorgrondbelasting van veehouderijen niet wordt overschreden. Voor de achtergrondbelasting wordt de geurnorm van 5 OUE/m3 wel overschreden.

De te verwachten geurhinder bij omgekeerde werking is bepaald voor de huidige situatie. De

geurhinder is bepaald uitgaande van de achtergrondbelasting en voorgrondbelasting van het

plangebied. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij (de

dominante veehouderij) welke de grootste geurbelasting voor het plangebied veroorzaakt

(Groenloseweg 53, gelegen ten noordoosten van het plangebied aan de N18).

Het RIVM hanteert voor haar milieurapportages en toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder ‘milieukwaliteitscriteria’. Gesteld kan worden dat de huidige geurbelasting rondom het plangebied binnen een milieukwaliteit valt welke aangemerkt kan worden als ‘tamelijk slecht’.

Effect van het plan op de omgeving

Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven binnen het plangebied met een geuremissie op de omgeving van het plangebied. Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie binnen het plangebied kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting.

De voorgestelde milieuzonering voorziet in hoofdlijnen in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Wanneer daadwerkelijk sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf vindt in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaats. Wanneer blijkt dat niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, ondanks de aangebrachte milieuzonering, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen worden getroffen volgens de 'best beschikbare technieken' (BBT) om geurhinder op de omgeving te beperken. Bij naleving van deze regels kan een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd.

Specifiek voor voorliggend bestemmingsplan geldt dat de beoogde ontwikkelingen (met onder andere bedrijven tot en met milieucategorie 5.1) geurrelevante activiteiten kunnen zijn. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor bedrijven tot en met categorie 5.1 een richtafstand van maximaal 500 meter voor geurhinder. Het dichtstbij liggende geurgevoelige object (activiteiten Groot Hoornwerk) ligt ten noorden van het plangebied. Op het nabij gelegen Groot Hoornwerk worden beperkt gevoelige functies mogelijk gemaakt waar mensen voor een korte periode (aantal uren aaneen) verblijven. Daarnaast zijn de functies op het Groot Hoornwerk mogelijk gemaakt als onderdeel van een bedrijventerrein. Zodoende mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' met nog eens één afstandsstap versoepeld worden. Deze inwaartse milieuzonering maakt onderdeel uit van de bestemmingsregels en is terug te vinden op de verbeelding en in de planregels.

Daarnaast geldt ook voor de activiteiten dat, als niet voldaan kan worden aan de geldende geurnormen, emissiebeperkende maatregelen getroffen moeten worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.

De ontwikkeling is verenigbaar met andere reeds aanwezige bedrijven in de omgeving (incl. bedrijven op Laarberg II).

Conclusie

De geurbelasting is in de huidige situatie dermate dat kan worden gesteld dat het huidige woon- en verblijfsklimaat rondom het plangebied aangemerkt kan worden als tamelijk slecht. Echter gelet op het feit dat het een industrieterrein betreft, waarbij zelf ook al (geur)hinder voor kan komen, wordt de 'tamelijk slechte' milieukwaliteit voor wat betreft geurhinder als acceptabel genoeg beschouwd voor mogelijke nieuwe geurgevoelige bestemmingen op een industrieterrein.

Daarnaast geldt dat de huidige aanmerking van een 'tamelijk slechte' milieukwaliteit is gebaseerd op receptorpunten, gelegen op de hoekpunten van het genoemde bestemmingsplan in het noorden van het (in de structuurvisie) voorziene gebied voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg. Deze receptorpunten liggen grotendeels dichter bij veehouderijen dan het nu voorliggende bestemmingsplan Laarberg Centraal waardoor voor voorliggend bestemmingsplan sprake kan zijn van lagere achtergrondconcentraties.

Ook geldt dat op een industrieterrein zonder woningen minder stringent kan worden omgegaan met regels ten aanzien van woon- en leefklimaat dan in een woonwijk.

In de notitie (Bijlage 4) is verder aangegeven dat op basis van een uitspraak van de Raad van State een mindere milieukwaliteit toegestaan is (hoger percentage geurgehinderden) als kopers een 'bewuste keuze' maken. In het verlengde daarvan kan ook voor voorliggend bestemmingsplan worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien er sprake is van een hoger percentage geurgehinderden dan gewenst op basis van het beleid.


Tenslotte wordt met het naleven van de hiervoor genoemde regels een verslechtering van het huidige woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie voorkomen.

5.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. In de volgende besluiten en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven.
  • Circulaire Risiconomering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire Rnvgs). De Circulaire Rnvgs is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater.
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen.
  • Vuurwerkbesluit. In het vuurwerkbesluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld.
  • Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Oost Gelre haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.

De gemeente heeft haar ambities per gebiedstype geformuleerd. Voor het plangebied is het gebiedstype 'ruimte voor industrie' relevant:

Het betreft hier de industrie- en bedrijventerreinen in Oost Gelre. In deze gebieden zijn economie, bedrijvigheid en werkgelegenheid de belangrijkste uitgangspunten. De gebieden bieden maximale ruimte voor bedrijven, waarbij aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan. Een verdergaand beschermingsniveau dat ten koste gaat van de ontplooiingsruimte voor bedrijven wordt onwenselijk geacht. Hierbinnen is overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico evenals toename van het groepsrisico onder voorwaarden acceptabel.

Binnen ‘ruimte voor industrie’ geldt het volgende ambitieniveau ten aanzien van het groepsrisico:

  • De oriënterende waarde van het groepsrisico is slechts richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken. Indien noodzakelijk voor het in stand houden van de industriële activiteiten zal de gemeente Oost Gelre een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico toestaan, mits daarvoor gewichtige redenen zijn. Hierover zal advies bij de regionale en lokale brandweer worden ingewonnen. De gemeente Oost Gelre vereist geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als:
    • 1. het groepsrisico tot een factor 10 onder de oriënterende waarde ligt;
    • 2. het een marginale toename van het groepsrisico betreft (tot maximaal 10% beschouwt de gemeente Oost Gelre de toename als marginaal);
    • 3. de geplande kwetsbare objecten buiten het invloedsgebied liggen;
    • 4. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (zeer laag groepsrisico);
    • 5. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico minimaal is.

Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden vereist de gemeente Oost Gelre een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij naast de wettelijk verplichte aspecten ook aandacht wordt besteed aan de overige criteria.

  • Een toename van het groepsrisico wordt, mits gemotiveerd en voorzien van een positief advies van de Regionale brandweer, geaccepteerd.

Risiconormen inrichtingen en vervoer gevaarlijke stoffen

De overheid stelt grenzen aan de externe risico's van gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het risico op een plaats langs een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval bij de buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor buisleidingen geldt dat binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als richtwaarde.

Kwetsbare objecten   Beperkt kwetsbare objecten  
Woningen   Verspreid liggende woningen (2/ha)  
Ziekenhuizen, bejaarden- en verpleeghuizen e.d.   Dienst- en bedrijfswoningen  
Scholen en dagopvang minderjarigen   Kantoorgebouwen (<1.500 m2)  
Kantoorgebouwen en hotels (> 1.500 m2)   Hotels en restaurants (< 1.500 m2)  
Winkelcentra (> 1.000 m2 > 5 winkels)   Winkels  
Winkel met supermarkt (> 2.000 m2)   Sport-, kampeer- en recreatieterreinen (< 50 pers.)  
Kampeer- en verblijfsrecreatieterrein (> 50 pers.)   Bedrijfsgebouwen  
Andere gebouwen met veel personen   Equivalente objecten  
  Objecten met hoge infrastructurele waarde  

Groepsrisico

De cumulatieve kans per jaar dat een aantal personen overlijdt als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt. In plaats daarvan wordt het groepsrisico gerelateerd aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De beschouwing door het bevoegde gezag ten aanzien van deze kwantitatieve waarde is een van de elementen uit de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Binnen deze verantwoording kan het bevoegde gezag van deze waarde afwijken.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Verantwoording van het groepsrisico is een onderdeel van het externe veiligheidsbeleid. Door middel van een verantwoordingsplicht wil de bevoegde overheden aanzetten tot nadenken over onder andere de omvang van het groepsrisico in relatie tot de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Voor buisleidingen is de verantwoordingsplicht uitgewerkt in het Bevb en voor inrichtingen in het Bevi.

Verantwoording groepsrisico inrichtingen

Op basis van het Bevi moeten gemeenten bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit (zoals een bestemmingplan) het groepsrisico verantwoorden. Conform het Bevi moeten ten minste de volgende aspecten in de bestuurlijke afweging van het groepsrisico worden vermeld:

  • Het aantal personen in het invloedsgebied;
  • Het groepsrisico;
  • De mogelijkheden tot risicovermindering;
  • De mogelijke alternatieven (pro-actie);
  • De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid (preventie, preparatie en repressie);
  • De mogelijkheden voor zelfredzaamheid.

Verantwoording groepsrisico buisleidingen

Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij het vaststellen van een bestemmingsplan het groepsrisico verantwoorden. Hierbij maakt het Bevb een onderscheid tussen een beperkte verantwoording van het groepsrisico en een uitgebreide verantwoording. Onder de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verstaan dat alleen inzicht gegeven moet worden in:

  • de aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied;
  • de hoogte van het groepsrisico per kilometer;
  • de mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten bij de buisleiding (bestrijdbaarheid);
  • de mogelijkheden voor zelfredzaamheid.

Van een beperkte verantwoording is alleen sprake als:

  • Het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt of
  • Het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of
  • Het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde.

Bij de uitgebreide verantwoording moet ook onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de risico’s te beperken.

Advies van de Veiligheidsregio

Een belangrijk onderdeel van de verantwoordingsplicht is de adviestaak van de Veiligheidsregio. De rijksoverheid heeft (wettelijk) vastgesteld dat het bevoegd gezag het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid dient te stellen advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een risicobron. Dit is zowel het geval bij buisleidingen als voor inrichtingen.

5.7.1 Kwantitatieve risicoberekening

Toetsing

Om de hoogte van het risico van de aardgastransportleidingen in de omgeving van het plangebied te berekenen is een kwantitatieve risicoberekening uitgevoerd (Externe Veiligheid Bedrijventerrein Laarberg, Kwantitatieve risicoberekening aardgastransportleidingen, Royal HaskoningDHV, december 2013, Bijlage 5). De resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse zijn getoetst aan de huidige wet- en regelgeving.

Conclusie

Het vast te stellen bestemmingsplan is gelegen in de omgeving van twee aardgastransportleidingen van de Gasunie. Dit betreffen de aardgastransportleidingen A-579 en A-628. Het transport van aardgas door deze leidingen brengt risico's met zich mee voor aanwezige personen in de directe omgeving van de leidingen. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor buisleidingen geformuleerd.

Plaatsgebonden risico

Het berekende plaatsgebonden risico is (zowel voor de leiding A-579 als A-628) binnen het bekeken gebied nergens groter dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico legt dus geen beperkingen op voor de realisatie van het plangebied.

Groepsrisico

Het vast te stellen bestemmingsplan zorgt voor een toename van het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de leidingen. Het berekende groepsrisico kan hierdoor toenemen. In onderstaande tabel is de berekende maximale waarde ten opzichte van de oriëntatiewaarde weergegeven.

Situatie   Maximale waarde t.o.v. oriëntatiewaarde A-579   Maximale waarde t.o.v. oriëntatiewaarde A-628  
Huidige situatie   0.048   0.037  
Realisatie plangebied   0.048   0.037  

Het plangebied is op relatief grote afstand van de buisleidingen gelegen en laat geen aantoonbare verhoging van het groepsrisico zien. In de berekende situatie is het berekende groepsrisico ruim lager dan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Bij de uitgevoerde berekeningen blijft de maximale waarde voor het groepsrisico onder de 0.1 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Hiermee kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

5.7.2 Verantwoording groepsrisico

Toetsing

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee hogedruk aardgastransportleidingen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Tevens sluit het bestemmingsplan risicovolle bedrijven niet uit. Op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dient het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen verantwoord te worden. Tevens dient op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het groepsrisico te worden verantwoord van de mogelijk toekomstige risicovolle bedrijven, waaronder LPG tankstations, ammoniakkoelinstallaties en PGS 15 opslagen. Derhalve is een verantwoording groepsrisico opgesteld (Elementen verantwoording

groepsrisico plangebied D, Royal HaskoningDHV, januari 2014, Bijlage 6).

Elementen verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico

Uit het berekende groepsrisico van de aardgastransportleidingen blijkt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie beperkt niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico onder de 0.1 keer de oriëntatiewaarde blijft. Voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is de verwachting dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Of dit daadwerkelijk het geval is, zal duidelijk worden wanneer voor een Bevi-inrichting een omgevingvergunningaanvraag gedeelte milieu wordt ingediend.

Aanwezigheid binnen het invloedsgebied

Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen en de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen is met name landbouw en bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied maakt bedrijvigheid mogelijk, hierbij wordt uitgegaan van een personendichtheid van 40 personen per hectare.

Treffen van bronmaatregelen

Het treffen van bronmaatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen.

Aangezien de Bevi-inrichtingen nog niet aanwezig of aangevraagd zijn is het niet mogelijk om bronmaatregelen te treffen. Dit wordt onderzocht bij de omgevingsvergunningsprocedure van een Bevi-inrichting.

Treffen van ruimtelijke maatregelen

Het treffen van ruimtelijke maatregelen dient alleen beschouwd te worden voor de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen.

De provincie Gelderland heeft Laarberg aangewezen als locatie voor een regionaal bedrijvenpark, waarvan dit plangebied onderdeel uit maakt. Om de risico’s ten gevolge van de mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen te beperken is rekening gehouden met de afstand tot de woonkern Groenlo. Tevens wordt rekening gehouden met de populatiedichtheid in en rondom het plangebied.

De mogelijkheden van bestrijdbaarheid

Aardgastransportleidingen

De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid van een incident van de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent en de hittestraling te hoog is voor een inzet van hulpverleners.

Bevi-inrichtingen

De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit verschillen per maatgevend scenario. In algemene zin wordt gesteld dat het plangebied bereikbaar is voor hulpdiensten en de bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voldoende zijn. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen verder te optimaliseren. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een omgevingsvergunningaanvraag gedeelte milieu van een Bevi-inrichting.

De mogelijkheden van zelfredzaamheid

Aardgastransportleidingen

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een incident met de aardgastransportleidingen zijn beperkt. Dit komt doordat het maatgevende scenario van de aardgastransportleidingen nauwelijks tot geen ontwikkeltijd kent. Personen die zich buiten bevinden dienen te vluchten in een gebouw.

Bevi-inrichtingen

De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid verschillen per maatgevend scenario. Over het algemeen kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid voldoende is. De alarmering is een aandachtspunt, de huidige WAS-palen zijn onvoldoende. Een alternatief hiervoor is het inschakelen van SMS-alert. De mogelijk toekomstige Bevi-inrichtingen kunnen echter aanleiding geven om de inrichting van het gebied te optimaliseren ter verbetering van de zelfredzaamheid. Dit zal samen met de Veiligheidsregio nader onderzocht worden bij een omgevingsvergunningaanvraag gedeelte milieu van een Bevi-inrichting.

 

Verder kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen objecten mogelijk maakt die zijn bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Advies van de Veiligheidsregio

Op 15 mei 2014 heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland haar advies (Bijlage 7) uitgebracht op dit bestemmingsplan. Het voornemen past binnen de normen van het Bevi. Als advies wordt meegegeven dat bedrijven die zich op het bedrijvenpark gaan vestigen voldoen aan het hoogste beschermingsniveau dat in het Bevi en Revi gesteld wordt. Bij de invulling van het bedrijvenpark dient rekening gehouden te worden met locaties van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in de omgeving van het bedrijvenpark. Uitgangspunt is dat alle aanwezigen binnen de inrichting op het bedrijventerrein zelfredzaam zijn.

Geadviseerd wordt de bereikbaarheid te vergroten door een extra gebiedsontsluiting aan te leggen. Er is nu één goede ontsluitingsweg in oostelijke richting. In geval van incidenten is een tweede ontsluiting in westelijke richting gewenst om te dienen als alternatieve route.

Indien gestart wordt met de infrastructuur dient er contact opgenomen te worden met Brandweer Achterhoek Oost. Dit om in samenspraak het aantal ondergrondse brandkranen te kunnen bepalen.

Om de bereikbaarheid van het plangebied te vergroten wordt de Ruiterweg in westelijke richting toegankelijk gemaakt voor hulpdiensten in geval van calamiteiten.

Op het moment dat er daadwerkelijk initiatieven ontwikkeld worden, wordt gekeken naar de normen vanuit de Bevi en de Revi en naar de ondergrondse brandkranen.

Conclusie

In de rapportage "Elementen verantwoording groepsrisico plangebied D" is invulling gegeven aan de elementen van de verantwoording van het groepsrisico zodat het bevoegd gezag met hulp van deze rapportage en het advies van de Veiligheidsregio een wel afgewogen besluit kan nemen.

5.7.3 LPG-tankstation

Op bedrijvenpark Laarberg moet een tankstation aangelegd kunnen worden. Dit tankstation moet tevens een verkooppunt voor LPG of anderssoortig gas kunnen zijn. Om een dergelijk tankstation mogelijk te maken op Laarberg Centraal is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

Een LPG-tankstation is een inrichting met gevaarlijke stoffen. Derhalve dient aannemelijk gemaakt te worden dat de vestiging van een dergelijk tankstation mogelijk is vanuit het oogpunt van externe veiligheid.

Op basis van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) gelden voor LPG-tankstations de volgende afstanden:

  PR 10-6 contour   Invloedsgebied  
Doorzet < 1.000 m3/jaar   45 meter   150 meter  
Doorzet > 1.000 m3/jaar   110 meter   150 meter  

Binnen 45 meter (of 110 meter bij een groot tankstation) mogen geen kwetsbare objecten voorkomen. De dichtstbijzijnde kwetsbare objecten liggen in de huidige situatie op ongeveer 500 meter van het plangebied van Laarberg Centraal.

Op het bedrijvenpark zelf is sprake van een toename van het groepsrisico als gevolg van de realisatie van een LPG-tankstation. Dit is beperkt gezien de dichtheid van mensen op het terrein. Daarnaast betreft het over het algemeen goed zelfredzame personen.

Conclusie

In het plangebied van Laarberg Centraal kan gezien de huidige omgeving een LPG-tankstation worden gerealiseerd. Hiertoe is het noodzakelijk dat een plaatsgebonden risicocontour wordt vastgelegd, waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht en is het noodzakelijk dat het groepsrisico verantwoord wordt.

5.8 Bodemkwaliteit

Wettelijk kader/inleiding

In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van herbestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven.

Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.

Onderzoek

Om te bepalen of de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de voorgenomen plannen is het voldoende om de bodemkwaliteit in beeld te brengen door het uitvoeren van een onderzoek conform de Handreiking bodem voor gemeenten (Bijlage 8). In dit protocol is aangegeven op welke wijze de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit beoordeeld moet worden met het oog op de toekomstige functie. Hieruit volgt of de huidige bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Het Besluit bodemkwaliteit is hierin het juridische instrument.

Het verzamelen en beoordelen van de gegevens is uitgevoerd op basis van het protocol NEN 5725 “Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek”. De resultaten van het vooronderzoek zijn getoetst aan haalbaarheid van de toekomstige functie van het terrein.

Resultaten

Uit het vooronderzoek is naar voren gekomen dat ter plaatse van het bestemmingsplan Laarberg Centraal gelegen aan de Ruiterweg te Groenlo mogelijk plaatselijk licht verhoogde gehalten aan zware metalen, minerale olie en PAK in de bovengrond aanwezig zijn. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde concentraties aan zware metalen aanwezig. Deze worden beschouwd als 'van nature verhoogd aanwezig' en vormen geen belemmering voor het gebruik als bedrijventerrein.

Conclusie

De actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van deellocatie 'Centraal' van het bedrijventerrein Laarberg geeft op basis van de beschikbare informatie geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingen en eventuele bouwactiviteiten.

5.9 Water

Wettelijk kader / inleiding

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

Masterplan Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg

Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. Dit proces is doorlopen met gemeente Oost Gelre en Waterschap Rijn en IJssel. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterplan dat in samenwerking met het waterschap wordt uitgewerkt, parallel aan de structuurvisie voor Laarberg fase II. In dat plan wordt gestreefd naar een hoge mate van detail. De watertoets wordt gebruikt voor de bestemmingsplannen die worden opgesteld binnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark.De watertoets is opgenomen in Bijlage 9.

Huidige situatie plangebied

In en in de directe nabijheid van het bedrijvenpark Laarberg zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig.

  • Leerinkbeek;
  • Afwatering van Heideblom (inclusief zijtak);
  • Bluswatervoorziening bestaand industrieterrein;
  • Retenties bestaand industrieterrein.

Aan de noordzijde van het regionaal bedrijvenpark loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Nabij het plangebied liggen retentiewateren van het bestaande deel van het bedrijvenpark Laarberg. Daarnaast zijn er enkele kleine watergangen aan de randen van het plangebied en in de omgeving (kleinere sloten).

Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het plangebied is gelegen rond de 22,50 meter boven NAP.

De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4,1m onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leem-en silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter.

Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig. Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket.

Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden.

De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid goed. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter).

Ten behoeve van het bestaande industrieterrein is reeds retentie aangelegd. De retentie is alleen na een regenbui gevuld met water (met dakwater en weg-/terreinwater) en loost op de Leerinkbeek. In het plangebied infiltreert het meeste hemelwater in de op dit moment onbebouwde bodem (agrarisch gebied) en loost vervolgens op de Leerinkbeek. Het bestaande industrieterrein Laarberg I is over het algemeen voorzien van een verbeterd gescheiden rioolstelsel. De (voormalige) bebouwing op bedrijvenpark Laarberg is/was aangesloten op drukriolering. In principe zijn de wegen en terreinverhardingen aangesloten op het hemelwaterriool en het dakwater op de aanwezige retenties. De solitaire bebouwing, veelal met agrarische bestemmingen, binnen de grenzen van de onderzoekslocatie is aangesloten op drukriolering.

Watertoets

In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de stedenbouwkundige visie opgenomen op basis waarvan in 2011 de watertoets plan is opgesteld. Deze stedenbouwkundige visie wijkt minimaal af van het huidige bouwplan. Binnen het plangebied worden de volgende functies onderscheiden; bouwkavels, groenstroken en wegen. Voor de bouwkavels en de wegen wordt uitgegaan van 100% verharding. Binnen dit bestemmingsplan zijn daar de bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' voor opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0008.jpg"

afbeelding 5.4 Uitsnede bouwplan waterhuishoudkundig plan

Riolering en Afvalwaterketen

Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater zal via het aan te leggen rioleringsstelsel worden afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal "Laarberg". Bij de aanleg van het gemaal "Laarberg" en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken. Het nieuwe terrein zal naar huidig inzicht voorzien worden van een 'drievoudig stelsel' (soort verbeterd gescheiden stelsel).

Wateroverlast

Het verhard oppervlak voor het plangebied neemt toe met naar schatting maximaal 5,7 hectare (inclusief wegen) indien alle bedrijfskavels 100% verhard worden.

Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpak ingepast. Het hemelwater zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Hemelwater wordt via infiltratievelden en retenties geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Grondwateroverlast 

In de bodem van de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark bevinden zich op enkele plaatsen slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om deze slecht doorlatende lagen te onderbreken (spitten).

Inrichting en beheer

De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil).

Waterhuishoudkundig plan

De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap Rijn en IJssel. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudkundigplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt (Bijlage 10). In dat plan wordt gestreefd naar een hoge mate van detail.

5.10 Ecologie

Wettelijk kader

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998.

Gebiedsbescherming

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.

Soortenbescherming

Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.

Situatie plangebied

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het plangebied ligt op enige afstand van een aantal Natura 2000-gebieden:

  • Zwillbrockervenn & Ellewickerveld en vogelrichtlijngebied (5 km);
  • Korenburgerveen (7 km);
  • Stelkampsveld (10 km);
  • Buurserzand en Haaksbergerveen (10 km).

Passende beoordeling

In de passende beoordeling bij het PlanMER Structuurvisie Laarberg fase II (Royal HaskoningDHV, augustus 2013) is de stikstofdepositie ten gevolge van de industriële activiteit en de verkeersaantrekkende werking van het regionaal bedrijvenpark Laarberg als geheel bepaald. Wanneer het bedrijventerrein volledig wordt ingevuld volgens de met de structuurvisie beoogde milieuzonering zal de dan optredende stikstofemissie van industrie en wegverkeer leiden tot een kleine toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie in Natura 2000-gebieden Zwillbrockervenn, Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen.

Op de Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen) is sprake van een kleine toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, waarvan op voorhand niet is uitgesloten dat dit een significant negatief effect veroorzaakt. Op deze gebieden is volgens de huidige 'juridische werkelijkheid' (nagenoeg) geen toename toegestaan, met uitzondering van het Duitse gebied. In het Duitse Natura 2000-gebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld is sprake van een toename van 1-2 mol N/ha/jr. Deze toename ligt ruim beneden de in Duitsland gehanteerde drempelwaarde van 3% van de kritische depositiewaarde. Daarmee is hier geen sprake van aantasting van de natuurlijke kenmerken.

Voor de Nederlandse gebieden (op een afstand van 7 tot 10 kilometer) ligt de depositietoename van de ontwikkeling van Laarberg fase II als geheel tussen de 0,5 en 1 mol N/ha/jaar. De depositietoename is in absolute zin een dusdanig kleine verandering dat deze ecologisch gezien verwaarloosbaar is.

Ter vergelijking: op weidevogelgraslanden wordt vaak 100-200 kg N per ha per jaar aan mest aangebracht1, om de voedselrijkdom voor volwassen weidevogels op peil te houden. Dit komt overeen met 7.700 – 14.300 mol N/ha/ja. 0,5 Mol stikstof is gelijk aan een theelepel kunstmest (circa 7 gram pure stikstof). Verspreid over één hectare, aangebracht gedurende een jaar heeft dit geen enkel effect op de vegetatie.

Ook relatief gezien is een dergelijk kleine toename aan stikstof ecologisch gezien verwaarloosbaar (Jaspers et al, 20102 ). Een toename van stikstof die kleiner is dan 0,5% van de kritische depositiewaarde (dat is 2 mol N/ha/jr, uitgegaan van de strengst mogelijk KDW van 400 mol N/ha/jr) is ecologisch feitelijk niet meer meetbaar.

Tenslotte staat de toename ook in geen enkele verhouding tot natuurlijke fluctuaties als gevolg van meteorologische omstandigheden. De achtergronddepositie ter plaatse laat een fluctuatie zien van circa 179 tot 190 mol N/ha/jr.

Uit het onderzoek van Jaspers et al blijkt dat een zeer beperkte toename ecologisch verwaarloosbaar is. Echter, de juridische werkelijkheid is strikter. Een toename is volgens de huidige wetgeving niet toegestaan. Met de ontwikkeling van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt in de toekomst mogelijk een geringe ruimte geboden in stistofdepositie als gevolg van economische ontwikkelingen.

Aanvullend op voorgaande moet op deze plaats nog worden aangegeven dat de depositiebijdrage van voorliggend bestemmingsplan kleiner is dan de bijdrage die is berekend in de Passende Beoordeling. Daarin is uitgegaan van de stikstofemissie van het bedrijventerrein als geheel en een worst case situatie qua emissie per toegestane milieucategorie, op basis van kentallen. Het gehele bedrijventerrein Laarberg II (met ruim 60 hectare uitgeefbaar terrein) stoot volgens de Passende Beoordeling circa 111 ton stikstofoxide (NOx) uit per jaar. Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt maximaal een oppervlakte van 5,6 hectare gebruikt voor bedrijvigheid, waarvan maximaal 75% voor bedrijven met milieucategorie 5.1(4,2 ha) en 25% voor bedrijven met maximaal milieucategorie 4.2 (1,4 ha). Het overige deel van het plangebied wordt onder andere gevuld met infrastructuur en groen. Voor milieucategorie 5.1 is het kental voor de emissie van NOx 2100 kg NOx per hectare bedrijvigheid per jaar en voor milieucategorie 4.2 850 kg NOx per hectare per jaar. Voorliggend bestemmingsplan zorgt op basis van de hiervoor genoemde (worst case) kentallen voor een emissie van maximaal circa 10 ton NOx per jaar.

Dit is ruim 9% van de worst case emissie van het totale ontwikkelde bedrijventerrein. De te verwachten (worst case) depositie als gevolg van de ontwikkeling in dit bestemmingsplan op Natura 2000-gebieden bedraagt daarmee een klein deel van de hiervoor aangegeven depositie op de verschillende Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming

Flora en Faunawet

Tijdens een veldinventarisatie zijn er diverse beschermde soorten binnen het plangebied aangetroffen. Het gaat onder andere om de ransuil, boomvalk en diverse vleermuizen.

De groene structuur langs de huidige Holtkampsweg is van belang voor de ransuil, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze groene structuur is ter hoogte van Laarberg Centraal alleen gelegen aan de noordzijde van de Holtkampsweg. Deze groene structuur grenst dan ook niet direct aan het plangebied. Het behouden van deze routestructuur van voldoende formaat is van belang. Deze dient bij voorkeur onverlicht te blijven, omdat deze soorten verlichting mijden. Als het onvermijdelijk is dat er verlichting wordt aangebracht, dan dient de zone voldoende breed te worden ontwikkeld zodat er altijd een donkere zone voor deze soorten aanwezig is, waarbinnen ook de bestaande bomenrij valt. Het is van belang dat deze zone ook wat betreft geleidende beplanting aansluit op het landbouwgebied aan de Oude Borculose weg en op de groenstructuur van de Ruiterweg en de waterberging nabij het Groot Hoornwerk. De soorten profiteren daarnaast van de maatregelen om het foerageergebied van de steenuilen te behouden en verbeteren.

De eekhoorn en steenmarter die zeer waarschijnlijk in het plangebied voorkomen (maar exacte locatie is niet bekend) zullen meeprofiteren van de randvoorwaarden die voor de inrichting van het gehele bedrijvenpark zijn opgesteld. Er blijft voldoende foerageergebied en nestgelegenheid voor deze soorten bestaan.

Aanvullend onderzoek

Er vindt jaarlijks een monitoring van de natuurwaarden op Laarberg plaats om na te gaan of de conclusies uit eerdere flora- en faunaonderzoeken na verloop van tijd stand houden.

Compensatieverplichting

Gezien bovenstaande gelden er voor dit bestemmingsplan an sich geen compensatieverplichtingen.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

Ter implementatie van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. In deze wet is vastgelegd dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening ook rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dat kader dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Wet op de Archeologische Monumentenzorg

In de Wet op de archeologische monumentenzorg zijn de uitgangspunten van het in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.

Uitgangspunt van de WAMZ is om archeologische waarden te beschermen, zonder meer maatschappelijke last te veroorzaken dan nodig is. Wat er moet gebeuren, verschilt per gebied en regio, dus niet alle activiteiten zijn even ingrijpend.

De WAMZ heeft vier belangrijke pijlers:

  • archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard, omdat de bodem de beste conserveringsomgeving is;
  • archeologie moet tijdig worden meegenomen in de procedures van ruimtelijke planvorming;
  • de verstoorder van het bodemarchief betaalt de kosten van archeologisch vooronderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voorzover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de verstoorder;
  • gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in de verankering van archeologie in hun ruimtelijke plannen en vergunningen; zij krijgen de ruimte om vergunningvoorwaarden genuanceerd in te vullen.

Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre

Gemeente Oost Gelre heeft het nationale archeologiebeleid vertaald in het rapport Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre (RAAP, 2008). Daar hoort een archeologische beleidsadvieskaart bij. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en wat de archeologische verwachtingswaarde is van andere gebieden. Het beleid dient direct door te werken in bestemmingsplannen. Behoud van archeologische (verwachtings)waarden is het uitgangspunt.

Onderzoek

Archeologie

Uit de Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008) en het archeologisch bureauonderzoek 'Uitbreiding bedrijventerrein te Groenlo' (Synthegra, december 2013) blijkt dat er veel archeologische waarden voorkomen. Het archeologisch bureauonderzoek is opgenomen in Bijlage 11.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1502-VG01_0009.png"

Afbeelding 5.5 Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008)

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bedrijvigheid en infrastructuur gerealiseerd waarvoor graafwerkzaamheden plaats gaan vinden. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.

Voor het plangebied geldt ter plaatse van die delen van het landschap waar een gooreerdgrond voorkomt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd geldt eveneens een lage verwachting. Uitzondering op dit beeld wordt gevormd de zone rond het urnenveld waarvoor wel een archeologische verwachting geldt.

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied vervolgonderzoek geadviseerd. In het plangebied wordt een verkennend booronderzoek geadviseerd om de bodemopbouw in kaart te brengen en daarmee het verwachtingsmodel te toetsen. Op basis van het verkennend onderzoek kan dan de strategie voor eventueel vervolgonderzoek worden bepaald.

Cultuurhistorie

Laarberg Centraal ligt ten zuiden van de Grolse Linie uit 1627 (ook wel de Circumvallatielinie genoemd). Deze linie is een belangrijke cultuurhistorisch waardevolle structuur op het bedrijvenpark Laarberg. De Grolse Linie is een aanvalslinie uit de Tachtigjarige Oorlog. Wat de Grolse Linie om Groenlo uniek maakt, is dat deze voor het grootste deel nog intact in de bodem aanwezig is. Deze ligt in het agrarisch gebied. De linies rondom andere steden zijn vrijwel volledig vergraven ten behoeve van met name snelwegen en nieuwbouwwijken.

Doel is om de Grolse Linie te behouden en waar mogelijk de structuur zichtbaar en beleefbaar te maken. De ontwikkeling van Laarberg Cenraal ten zuiden van de Grolse Linie staat dit niet in de weg.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden.

Het bestemmingsplan is een digitaal bestand in gml-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Om het plan te kunnen raadplegen zijn in feite drie onderdelen van belang:

  • een digitale en analoge verbeelding van de geometrisch bepaalde planobjecten (plankaart);
  • de juridisch bindende regels van het bestemmingsplan (planregels);
  • een bijbehorende toelichting (plantoelichting).

Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware; in ieder geval via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het bestemmingsplan opgeroepen worden door het aan- of uitvinken van planobjecten. Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen.

Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.

Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de kaart. In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.

6.2 Plansystematiek

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP).

Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) en de kadastrale kaart.

6.3 Vertaling structuurvisie

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark is een (ontwerp) structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' opgesteld. De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en op de ontwikkeling van deelgebieden en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen. Het Bedrijventerrein wordt in de structuurvisie beschreven als een gebied waar:

  • Dat het grootste deel vormt van Laarberg fase 2. Er wordt ruimte geboden aan ongeveer 35 hectare uitgeefbaar terrein.
  • Waar de overgang van het bedrijventerrein naar de Verbindingszone gelijke aandacht verdient qua beeldkwaliteit als de overgang van het Bio-Based Transitiepark naar de Verbindingszone.
  • Waar de bestaande wegenstructuren van Laarberg fase I worden doorgezet in de uitbreiding.
  • Waar gefaseerd en flexibel ontwikkeld wordt.
  • Dat ruimtelijk samengaat met Laarberg fase 1.
  • Bestaand groen, indien noodzakelijk, zal wijken voor de situering van bedrijven. Bestaand en nieuw groen wordt geconcentreerd in de Verbindingszone als identiteitsdrager en als compensatiegroen.

Onderliggend bestemmingsplan is van toepassing op het noordoostelijke gedeelte van het Bedrijventerrein: Laarberg Centraal.

Aan bovenstaande beschrijving van het Bedrijventerrein wordt in dit bestemmingsplan op de volgende manier invulling gegeven:

Het grootste deel van Laarberg fase 2. Er wordt ruimte geboden aan ongeveer 35 hectare uitgeefbaar terrein

In dit bestemmingsplan wordt ruimte geboden aan ongeveer 5,7 hectare 'bedrijventerrein'. Middels een staat van bedrijfsactiviteiten wordt weergegeven welke soorten bedrijvigheid op dit bedrijventerrein mogelijk zijn.

De overgang van het Bedrijventerrein naar de Verbindingszone verdient gelijke aandacht qua beeldkwaliteit als de overgang van het Bio-Based Transitiepark naar de Verbindingszone

Het bedrijventerrein in dit bestemmingsplan grenst aan de Verbindingszone, met dien verstande dat tussen het Bedrijventerrein en de Verbindingzone een weg gelegen is. Om een goede overgang mogelijk te maken neemt de bouwhoogte richting de openbare weg en de Verbindingszone in hoogte af.

De bestaande wegenstructuren van Laarberg fase I worden doorgezet in de uitbreiding

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' uit het bestemmingsplan voor Laarberg fase 1 en het Groot Hoornwerk wordt verlengd in dit bestemmingsplan, waardoor de verkeersstructuur in westelijke richting doorgezet kan worden.

Gefaseerde en flexibele ontwikkeling

Het Bedrijventerrein wordt gefaseerd ontwikkeld op basis van de vraag. Om die reden worden er in de tijd verschillende bestemmingsplannen opgesteld. Laarberg Centraal is hier één plan van. Het bedrijventerrein op Laarberg Centraal krijgt een flexibele inrichting qua perceelsindeling en soort bedrijvigheid.

Ruimtelijk samengaan met Laarberg fase 1

De verkeersstructuur van Laarberg fase 1 en het Groot Hoornwerk wordt doorgezet in dit bestemmingsplan. De kavelstructuur uit Laarberg fase 1 wordt voortgezet in Laarberg fase 2, waardoor geen onderscheid meer zichtbaar is tussen Laarberg fase 1 en Laarberg fase 2.

Bestaand groen, indien noodzakelijk, zal wijken voor de situering van bedrijven. Bestaand en nieuw groen wordt geconcentreerd in de Verbindingszone als identiteitsdrager en als compensatiegroen

Bestaand groen (bestaande bomen) hoeft voor dit plan niet te wijken.

Voorwaardelijke bepalingen

Het bestemmingsplan moet voldoen aan de voorwaardelijke bepalingen zoals opgenomen in de structuurvisie. Voor voorliggend bestemmingsplan zijn de navolgende bepalingen relevant. Aan de overige bepalingen voldoet het plan zonder verder benodigde inspanning.

Natuur, Flora en Faunawet:

  • 1. Behoud in voldoende mate van routestructuur voor vleermuizen aan de Holtkampsweg.

Geluid:

  • 2. Verlaging zonder meer toegestane maximale geluidsemissie van milieucategorie 5.1 bedrijven naar 70 dB(A)/m2.

1: Met onderliggend bestemmingsplan wordt afstand gehouden tot de routestructuur van de vleermuizen en de bijhorende bomen aan de Holtkampsweg.

2: Ter plaatse worden bedrijven tot en met milieucategorie 5.1 toegestaan. Grote lawaaimakers volgens de wet geluidhinder zijn echter pas toegestaan als een bestemmingsplan en/of beleidsregel ten aanzien van geluidszonering rondom bedrijvenpark Laarberg is vastgesteld. In dit bestemmingsplan en de bijbehorende beleidsregels worden eisen gesteld aan de geluidsproductie van bedrijven.

6.4 Indeling regels

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn regels opgenomen over onder andere de indeling van de planregels en de naamgeving van bestemmingen. De planregels kennen standaard vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

Het bedrijventerrein is bestemd als 'Bedrijventerrein'. Het betreft hier een bedrijventerrein dat zich met name richt op zwaardere bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 5.1. Binnen deze bestemming is de bedrijvigheid uit de bijgevoegde 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' toegelaten. De toegelaten categorieën zijn aangeduid op de verbeelding. Bedrijven uit de categorieën 1 en 2 zijn niet toegestaan. De categorieën zijn gebaseerd op de omliggende woonbebouwing.

Voor de functies op het nabijgelegen Groot Hoornwerk gelden afstanden omdat hier sprake is van beperkt kwetsbare functies. De volgende afstanden per categorie worden hier gehanteerd:

Categorie   Afstand tot aan functies op het Groot Hoornwerk  
4.1   50 m  
4.2   100 m  
5.1   200 m  

Het bouwvlak mag voor 75% bebouwd worden, maar maximaal 50% van het bouwvlak mag bebouwd worden met gebouwen.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ter bescherming van de beeldkwaliteit van het gebied.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven te kunnen vestigen in een lagere milieucategorie. Tevens is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven te kunnen vestigen in een hogere milieucategorie, maar met vergelijkbare milieueffecten. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Onzelfstandige kantoorfuncties zijn toegestaan. Het oppervlak voor kantoor mag niet meer dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte bedragen.

De bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. In verband met de beeldkwaliteit is in de zone die grenst aan de openbare weg een lagere hoogte toegestaan. Hogere schoorstenen zijn met een afwijking van de bouwregels wel toegestaan.

Ten behoeve van het vestigen van een LPG-tankstation op het bedrijvenpark is in deze bestemming een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vestiging hiervan. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is het aannemelijk dat de vestiging van een dergelijk tankstation mogelijk is. Zie hiervoor paragraaf 5.7.3 van deze toelichting.

Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied

De verkeersstructuur wordt voorzien in de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' Verkeersmaatregelen en eventuele herinrichting kan plaatsvinden binnen de verkeersbestemming. Nutsvoorzieningen zijn mogelijk tot een maximum van 25 m2. Ook kleinschalig groen valt onder de verkeersbestemming.

Artikel 5 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2

Deze bestemming draagt zorg voor de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3

Deze bestemming draagt zorg voor de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in een gebied met een lage verwachtingswaarde. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 8 Algemene bouwregels

In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden, voor zover er geen voor de bestemming geldende bouwregels van toepassing zijn. Hierin zijn regels opgenomen ten behoeve van overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

In deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn. Er is onder andere geregeld dat nutsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd tot een maximum van 75 m3. Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

Het plan kan gewijzigd worden ten behoeve van: het in geringe mate aanpassen van het plan zoals bestemmingsgrens of bouwgrens, het oprichten van nutsvoorzieningen met een maximale inhoud van 100 m3 en het enigszins gewijzigd situeren en/of begrenzen van bouwvlakken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.

Artikel 12 Slotregel

Deze regel bevat de citeerregel van het plan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan.

Volgens de Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. Van een dergelijk bouwplan is in dit geval sprake (artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening).

Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. Deze heeft de uitvoering van de ontwikkeling en realisatie van dit regionale project ten doel. Gebiedsonderneming Laarberg kent twee publieke aandeelhouders; de gemeente Oost Gelre en de gemeente Berkelland. Beide aandeelhouders hebben ieder een borgstelling afgegeven. Ter beoordeling van de financiële haalbaarheid stelt de gebiedsonderneming jaarlijks een grondexploitatie op. Uit de laatste grondexploitatie 2013, waarin de uitgangspunten van de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn meegenomen, blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Centraal' heeft de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen.

Inspraak

Burgers worden middels informatiebijeenkomsten en nieuwsbrieven geïnformeerd over het project. Zo zijn burgers middels informatiebijeenkomsten betrokken geweest bij het masterplan en de structuurvisie. Derhalve is nu volstaan met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan.

Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en IJssel, zie paragraaf 5.9.

De planvorming omtrent bedrijvenpark Laarberg is tot stand gekomen in een projectgroep, waarin de gemeente Berkelland net als de gemeente Oost Gelre zitting heeft.

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is voor overleg verzonden aan de provincie Gelderland. De provincie Gelderland heeft op 10 april 2014 haar reactie gegeven. De reactie van de provincie heeft betrekking op het provinciaal beleid en de provinciale belangen.

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is tevens voor overleg toegezonden aan de Omgevingsdienst Achterhoek. De Omgevingsdienst heeft op 16 april 2014 haar reactie gegeven.

Het concept-ontwerpbestemmingsplan en de verantwoording groepsrisico zijn ter advies tevens aan de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland toegezonden. De Veiligheidsregio heeft op 15 mei 2014 haar advies uitgebracht. Zie hiervoor paragraaf 5.7.2.

Op basis van het vooroverleg zijn aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan.

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 18 april 2014 tot en met 29 mei 2014 gedureende zes weken ter visie gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan is een Nota van wijzigingen opgenomen.