direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Oost Gelre is, in samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V., voornemens het huidige regionaal bedrijvenpark Laarberg uit te breiden. Hiervoor zijn een Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' (vastgesteld 18 december 2012) en een Structuurvisie (vastgesteld, 17 december 2013) opgesteld.

Voor deelgebied Laarberg Zuid is het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' vastgesteld op 16 juni 2015. Op een deel van de gronden die onderdeel uitmaken van voorgenoemd bestemmingsplan is de agrarische bestemming in stand gehouden. Om de verwezenlijking van het bedrijventerrein in de toekomst alsnog mogelijk te maken is in het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' binnen de bestemming 'Agrarisch' een wijzigingsbevoegheid opgenomen. Met deze wijzigingsbevoegdheid is het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre bevoegd om de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Op 18 maart 2017 is voor een deel van de Agrarische bestemming binnen het plan Laarberg Zuid het wijzigingsplan 'Wijziging Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' opgesteld. Hiermee is voor dit deel de agrarische bestemming gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein'.

Onderdeel van het onderhavig bestemmingsplan betreft een deel (0.4 hectare) van de locatie bekend als 'boerderij Panneman', welke locatie destijds bewust niet is meegenomen in verband met de bewoning van de boerderij. Van bewoning is inmiddels geen sprake meer. De boerderij staat leeg en zal, vanwege de slechte staat ervan, ook moeten worden gesloopt. Gelet op het vorenstaande is gewenst om ook hier de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'.

De voorgenomen bestemmingswijziging past niet geheel binnen de kaders van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.6.1 van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'. Dit omdat het gewenst is om een klein gedeelte van de aangrenzende bestemming 'Groen' eveneens te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Hiervoor in de plaats wordt de groenstructuur langs de Oude Borculoseweg versterkt.

Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk anders dan de ontwikkelingen die al onderzocht zijn in het bestemmingsplan 'Regionaal bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'. Laarberg Zuid heeft het karakter van een regulier bedrijventerrein en maakt onder andere opslaggerelateerde bedrijven en transportbedrijven mogelijk. Met dit bestemmingsplan wordt de verwezenlijking daarvan volledig mogelijk gemaakt.

In dit bestemmingsplan is aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied Laarberg Zuid beslaat een totaaloppervlakte van 9,5 hectare en is onderdeel van het regionaal bedrijvenpark Laarberg te Groenlo. Het bedrijvenpark Laarberg wordt aan de noordzijde begrensd door de Leerinkbeek, aan de westzijde door de Oude Borculoseweg, aan de zuidzijde door Den Sliem en aan de oostzijde door de huidige N18/Twenteroute.

Het plangebied Laarberg Zuid wordt globaal begrensd door de Oude Borculoseweg aan de westzijde, het verlengde van de Zuidgang aan de noordzijde en het bestaande bedrijvenpark Laarberg/Den Sliem aan de zuid- en oostzijde.

Dit bestemmingsplan omvat het wijzigen van circa 0,4 hectare met de bestemming 'Agrarisch' in de bestemming 'Bedrijventerrein'. In afbeelding 1.1 is het plangebied voor Laarberg Zuid rood omcirkeld en het plangebied van voorliggend wijzigingsplan zwart omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied Laarberg fase 2 (rood) en voorliggend bestemmingsplan (zwart)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid - boerderij Panneman” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01) en een renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Geldend bestemmingsplan

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid" (vastgesteld op 16 juni 2015). Daarnaast gelden het bestemmingsplan "Buitengebied, Reparatieplan 2016" (vastgesteld op 4 april 2017), "Facetbestemmingsplan parkeren" (vastgesteld op 5 juni 2018) en het "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld op 22 februari 2022).

In dit geval is met name het eerstgenoemde plan relevant. Met de overige relevante regels uit de andere bestemmingsplannen wordt in dit bestemmingsplan wel rekening gehouden.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingplan “Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid” opgenomen. Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.2 Bestemmingsomschrijving

De gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Groen - Landschappelijke inpassing'. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' van toepassing.

Hieronder wordt nader ingegaan op de ter plaatse geldende bestemmingen.

Agrarisch

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijfm het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen, behoud en herstel van kleinschalige landschapselementen en extensieve dagrecreatie.

Alleen de bestaande bebouwing is toegestaan.

Groen - Landschappelijk inpassing

De voor 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken, alsmede het voorkomen van significante effecten op kernkwaliteiten en omgevingscondities die aan realisering van het Gelders Natuurnetwerk in de weg staan, natuurwaarden en groenvoorzieningen.

Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2

Gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Op basis van het paraplubestemmingsplan 'Archeologie' blijkt echter dat van archeologische waarden geen sprake meer is. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.

1.5 Strijdigheid

Het realiseren van bedrijvigheid ter plaatse van het plangebied is niet mogelijk, aangezien de gronden zijn voorzien van een agrarische en groenbestemming. Het plan is daarmee in strijd met zowel de bouw- als gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan.

Om de voorgenomen ontwikkeling (planologisch) mogelijk te kunnen maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. In deze plantoelichting wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.6 Leeswijzer

In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied maakt onderdeel uit van Laarberg Zuid. Laarberg Zuid ligt aan de zuidzijde van het plangebied Regionaal Bedrijvenpark Laarberg. Het gebied grenst aan het agrarisch gebied en het bestaande deel van het bedrijventerrein van Laarberg.

Het plangebied omvat het perceel behordend bij de voormalige boerderij Panneman gelegen aan de Oude Borculoseweg 8 te Groenlo. Binnen het plangebied zijn voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en een boerderij (bedrijfswoning) aanwezig. Tussen de gebouwen is veelal sprake van (erf)verharding. Voor het overige is het plangebied onverhard en/of ingericht als tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied  

2.2 Gewenste ontwikkeling

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg heeft de gemeenteraad van Oost Gelre een Masterplan (18 december 2012) vastgesteld. Dit Masterplan schetst de kaders in hoofdlijnen voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg. Op basis van het Masterplan is vervolgens een Structuurvisie (17 december 2013) vastgesteld. De structuurvisie vormt het kader voor de concrete toekomstige ontwikkelingen. Zie ook paragraaf 3.5.4.

Binnen het plangebied Laarberg Zuid wordt ruimte geboden aan zwaardere en vooral opslaggerelateerde bedrijvigheid. Er is ruimte voor in totaal 6,5 hectare bedrijventerrein. In verband met een mogelijk aanwezige nestlocatie van een steenuil in de boerderij aan de Oude Borculoseweg 8 en het bijhorende potentiële foerageergebied, kon Laarberg Zuid als bedrijventerrein niet onmiddellijk in zijn geheel ontwikkeld worden. Derhalve is de ontwikkeling van Laarberg Zuid opgesplitst in twee fasen. Fase 1 (inclusief fase 0) betrof de ontwikkeling van bedrijvigheid ten noorden van de Zuidgang en de ontwikkeling van maximaal 2,1 hectare bedrijvigheid ten zuiden van de Zuidgang op meer dan 150 meter van de boerderij Oude Borculoseweg 8.

Fase 2 betreft de ontwikkeling van het overige deel van Laarberg Zuid, zie ook het licht paarse gedeelte op afbeelding 2.1. Fase 2 heeft in de huidige situatie nog een bestemming 'Agrarisch'. In het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' (het moederplan) is voor de bestemming 'Agrarisch' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen naar de bestemming 'Bedrijventerrein'. Van de wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaat wanneer is aangetoond dat de gunstige staat van instandhouding van de steenuil is gewaarborgd, overeenkomstig de bepalingen in het bij het moederplan horende Natuurmitigatieplan. Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden in het plangebied bedrijven toegestaan die behoren tot de categorie 3.1 tot en met 4.1, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij het moederplan. Deze milieuzonering is in lijn met de structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.1: Fasering ontwikkeling Laarberg Zuid  

Fase 2 is al deels planologisch mogelijk gemaakt aan de hand van het wijzigingsplan 'Wijziging Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in deze wijziging van de bestemming 'Agrarisch' en 'Groen' naar de bestemming 'Bedrijventerrein' en 'Groen' voor het perceel waarop de boerderij Panneman ligt (zie het rood omkaderde deel van fase 2 in afbeelding 2.1). Op deze manier kan ook dit gedeelte van fase 2 van de ontwikkeling benut worden ten behoeve van het bedrijventerrein. De binnen het plangebied aanwezige bebouwing wordt gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0005.png"  
Afbeelding 2.2: Beoogde ontwikkeling plangebied  

Voor de eisen ten aanzien van beeldkwaliteit en beeldregie en voor de eisen ten aanzien van de landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.

3.1 Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.

De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.

3.1.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.

3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op de archeologische waarden binnen het plangebied

3.1.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering)

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de waterhuishouding binnen het plangebied.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie
3.2.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.2.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de NOVI

Het voornemen betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
3.2.2.1 Algemeen

De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden was het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze documenten alleen nog bindend voor het rijk en niet meer voor andere overheden. Het rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. Dit kan via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt over ruimtelijke ordening. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau, in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren, de Waddenzee, defensie, erfgoederen en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. In deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.

In artikel 2.6.8 (zend- en ontvangstinstallaties en beperkingen in de nabijheid daarvan) van het Barro (geconsolideerde versie, d.d. 01-12-2020) zijn regels opgenomen voor zogenaamde bouwbeperkingengebieden. Het bedrijventerrein Laarberg ligt binnen een aangewezen zone rond een antennepark in Eibergen, zoals is opgenomen in bijlage 6.2 van het Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) (geconsolideerde versie, d.d. 01-12-2020), waarin het bedrijventerrein is aangewezen als zogenaamd bouwbeperkingengebied. Artikel 2.6.8 van het Barro stelt voor deze aangewezen gebieden een geen bestemmingen opgenomen worden die een wijziging bewerkstelligen die het oprichten van bouwwerken hoger dan 22 meter gemeten vanaf het maaiveld mogelijk maken.

De bouwhoogte van de nieuwe bedrijfsbebouwing binnen het plangebied wordt beperkt tot maximaal 15 meter. Het plan maakt geen gebouwen hoger dan 15 meter mogelijk.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

De vraag bij de ladder voor duurzame verstedelijking is of de ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat gewoonlijk ontwikkelingen groter dan 500 m2 bvo en ontwikkelingen met meer dan 11 woningen worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

De uitbreiding van het Bedrijvenpark Laarberg Zuid wordt gelet op de aard en omvang aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling en is daarmee ladderplichtig.

3.2.3.1 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Achterhoek is regionaal behoefte aan bedrijventerreinen voor zware milieuhinderlijke bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid past gezien de omvang en de hinder niet binnen bestaand stedelijk gebied. Derhalve zijn er afspraken gemaakt om het bedrijvenpark te vestigen buiten de bebouwde kom van Groenlo. Deze locatie is via de N18 goed ontsloten voor autoverkeer en busvervoer. Er worden geen andere ontwikkelingen mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan dan al voorzien was in het bestemmingsplan 'Regionaal bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'.

3.2.3.2 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2.4 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante nationale beleidskaders.

3.3 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
3.3.1.1 Inleiding

De Gelderse Omgevingsvisie (geconsolideerde versie, december 2018) is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies.

In de Omgevingsvisie heeft de provincie twee hoofddoelen benoemd om bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur
  • Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving

Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. Voor het regionaal bedrijventerrein Laarberg zijn de volgende stappen van belang:

  • De provincie besteedt meer aandacht aan de versterking van opgaven in steden en stedelijke netwerken dan voorheen. De maatschappelijke opgaven in die gebieden maken dat dit noodzakelijk is. Stedelijke netwerken zijn van groot belang voor Gelderland als geheel: als motor voor de economie en vanwege de voorzieningen voor de gehele regio. Dit vertaalt zich naar meer investeringen en intensievere betrokkenheid van plan- en procesbegeleiding in die gebieden.
  • De provincie schept meer ruimte voor economie, voor kansen pakken. Dit doet de provincie door actief te zijn in de ondersteuning en facilitering van bestaande en nieuwe bedrijven in de(top)sectoren, logistiek, vrijetijdseconomie en door ook tuinbouw-aanverwante bedrijvigheid in de vijf clusters toe te laten, door duurzame groei van agrarische bedrijven toe te staan en door mee te denken over groei op bestaande locaties voor bedrijventerreinen. De provincie ondersteunt, faciliteert en handelt vanuit mogelijkheden en niet alleen vanuit kaders.
3.3.1.2 Regionale bedrijventerreinen

Ten aanzien van regionale bedrijventerreinen, regionale programmeringsafspraken en energieopwekking hanteert de provincie Gelderland de volgende uitgangspunten.

Regionale terreinen vervullen een belangrijke opvangfunctie voor de grotere, zwaardere bedrijven (wat betreft milieuhindercategorie) die op hoogwaardige bereikbaarheid (A-wegen) zijn aangewezen. Het gaat om bedrijven met een kavel groter dan 0,5 hectare waarvan vestiging op een lokaal bedrijventerrein niet gewenst is. De provincie vindt het van belang dat dit type bedrijvigheid zich in elke Gelderse regio duurzaam kan vestigen op zulke hoogwaardig terreinen, waarbij met name ruimte voor bedrijven uit categorie 4 en 5 wordt gewaarborgd en waarbij bedrijven uit categorie 1 en 2 niet zijn toegestaan.

3.3.1.3 Regionale programmeringsafspraken

De provincie gaat uit van de regionale programmeringsafspraken die zijn gemaakt over voorraden en soorten bedrijventerreinen. Het regionaal bedrijventerrein Laarberg is op de kaart 'Regionale afspraken bedrijventerreinen' weergegeven. Deze afspraken zorgen voor voldoende kwaliteit en kwantiteit van bedrijventerreinen. Daaronder vallen onder meer afspraken over regionale bedrijventerreinen, intergemeentelijke terreinen en kadegebonden terreinen. Het uitgangspunt is zorgvuldig ruimtegebruik: terughoudend zijn met het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen.

Energieopwekking en energieneutraliteit in de Achterhoek

In een regionaal 'routekaart'-proces maakt de provincie afspraken met regio's, gemeenten, terreinbeherende organisaties en netwerkbedrijven over hoe de ambities voor energietransitie per regio waar te maken. Uitgangspunt van de routekaarten is de ambitie die binnen de regio leeft rond windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa.

Het routekaartproces resulteert in een overzicht van de locaties en ambities die de provincie en partijen in de Achterhoek hebben voor hernieuwbare energie: windenergie, zonne-energie, gebruik van warmte en energie uit biomassa.

Met de regio's gaat de provincie een monitor maken waaruit blijkt of de doelstellingen gehaald worden.

In de regio Achterhoek is er een sterke ambitie om te komen tot een energieneutrale regio. Organisatiestructuren als AGEM en BION zijn samenwerkingsvormen om die energieneutraliteit te verwezenlijken. De regio loopt voorop in ontwikkelingen bij mest(co-)vergisting met bedrijven als Friesland Campina en Groot-Zevert. Ook herbergt de regio bij Azewijn de eerste grootschalige veldopstelling voor zonnepanelen.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen.

Regionale bedrijventerreinen (Artikel 2.10)

Bedrijventerreinen zijn primair bedoeld voor functies die zich moeilijk laten combineren met andere functies vanwege omvang, vervoersbewegingen en milieuhinder. In artikel 2.10 is opgenomen dat de bestemming tot bedrijventerreinen slechts toegestaan is indien dit past in het vigerende Regionaal programma werklocaties.

Toetsing

In het Regionaal programma werklocaties wordt Laarberg aangeduidt als een noodzakelijke locatie voor grootschalige bedrijvigheid, zodat er op andere bedrijventerreinen in Groenlo en Lichtenvoorde ruimte gecreëerd kan worden voor kleinschaligere bedrijven. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan.

3.3.3 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante provinciale beleidskaders

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionaal programma werklocaties Achterhoek
3.4.1.1 Algemeen

In regionaal verband hebben de gemeenten en de provincie in de regio Achterhoek afspraken rondom bedrijventerreinen vastgelegd in het Regionaal Programma Werklocaties regio Achterhoek 2019 - 2023 (RPW). Het RPW is vastgesteld door de gemeenteraden in de regio Achterhoek en op 12 november 2019, door Gedeputeerde Staten van Gelderland.

Met het RPW wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie bedrijventerreinen en werklocaties. Het RPW biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten. De provincie Gelderland is partner op diverse onderwerpen. Zij is nauw betrokken bij afspraken over vraag en aanbod, aanpak van de herstructurering en implementatie van ladder voor duurzame verstedelijking.

Op subregionaal niveau zijn aanvullende afspraken gemaakt over planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Achterhoek en provincie; de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van bedrijventerreinen; het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio.

In het RPW is bedrijvenpark Laarberg opgenomen als ontwikkeling waar grootschalige en/of zware milieuhinderlijke bedrijvigheid kan worden opgevangen. Op deze manier kan op de andere bedrijventerreinen in Groenlo en Lichtenvoorde ruimte gecreëerd worden voor kleinschaligere bedrijven. Het is belangrijk dat de gemeente Oost Gelre verschillende kavelgroottes kan bieden. Laarberg biedt hiervoor de mogelijkheid.

Naar aanleiding van de vaststelling van het RPW heeft de Regio Achterhoek uitvoeringsafspraken vastgesteld, zoals het verwerken van duurzaamheidsdoelstellingen vanuit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Dat betekent voor de uitbreiding of aanleg van bedrijventerreinen dat er wordt ingezet op:

  • het benutten van daken voor zonnepanelen;
  • gasloos bouwen;
  • het benutten van daken voor zonnepanelen;
  • gasloos bouwen (tenzij noodzakelijk voor het productieproces);
  • uitwisseling restwarmte, elektriciteit en grondstoffen binnen het terrein en de directe omgeving het reserveren van ruimte voor bijvoorbeeld (elektrische) oplaadpunten, waterstof tanken, batterij/voorzieningen t.b.v. opslaan elektriciteit;
  • het opstellen van een materialenpaspoort voor gebouwen;
  • voldoende waterberging, natuurinclusief bouwen en het vergroenen van de openbare ruimte waardoor samen een goede groene structuur en aantrekkelijkere omgeving ontstaat;
  • parkmanagement of een andere vorm van organisatiegraad.

Er wordt afgesproken dat ontwikkelplannen vroegtijdig met de provincie worden doorgesproken om op grond daarvan tot een goede invulling komen. Het uitvoeren van duurzaamheidsmaatregelen wordt klimaatrechtelijk geborgd bij de uitgifte van de kavels.

3.4.1.2 Oost-Gelre

Specifiek voor Oost-Gelre geldt dat op de lange termijn behoefte is aan 15-25 hectare bedrijventerrein. Voornamelijk voor grootschalige bedrijvigheid op de Laarberg. Mogelijke oplossingen zijn:

  • Nieuw terrein ontwikkelen op Laarberg Centraal ten behoeve van regionale en grootschalige/hmc-bedrijvigheid; verplaatsing van regionale bedrijven naar de Laarberg is niet opgenomen in de confrontatie. Dit kan betekenen dat de ruimte nog sneller gevuld kan worden.
  • Revitalisering biedt geen soelaas in het ruimtetekort dat ontstaat. Er zijn slechts enkele plekken op de bedrijventerreinen met een mindere kwaliteit;
  • Probeer grootschalige bedrijven met uitbreidingswensen te bewegen zich te verplaatsen naar de Laarberg. Op deze manier kan op de andere bedrijventerreinen in Groenlo en Lichtenvoorde ruimte gecreëerd worden voor kleinschaligere bedrijven. Dit kan financieel ook aantrekkelijk zijn ten opzichte van nieuw ontwikkelen (vanwege aankoop gronden).
  • Voorsorteren op eventuele uitbreiding in Lichtenvoorde. Zorg ervoor dat stedenbouwkundige visies in 2020 gereed zijn. Monitoring in 2020 bepaalt of er ontwikkeld wordt of niet.
  • Het is belangrijk dat de gemeente verschillende kavelgroottes kan bieden. De Laarberg biedt hiervoor de mogelijkheid.
3.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan het regionaal werkprogramma Werklocaties achterhoek

Met het bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid (moederplan), is invulling gegeven aan de Regionale structuurvisie Achterhoek en het RPB Achterhoek. Dit bestemmingsplan maakt geen andere ontwikkelingen mogelijk dan al waren voorzien en onderzocht in het moederplan.

3.5 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is een doorvertaling van rijks-, provinciaal en regionaal beleid en is verwoord in tal van plannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de voor de ontwikkeling relevante beleidsstukken.

3.5.1 Bestemmingsplan Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid

Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan valt binnen het vigerende bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' van de gemeente Oost Gelre dat op 16 juni 2015 is vastgesteld.

Artikel 3.6.1 van het vigerende bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid. Burgemeester en Wethouders zijn daarmee bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Daarbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • a. aangetoond is dat de gunstige staat van instandhouding van de steenuil is gewaarborgd, overeenkomstig de bepalingen in het, bij het bestemmingsplan horende, Natuurmitigatieplan;
  • b. uitsluitend bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.2 van de, bij het bestemmingsplan horende, Staat van bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan.

Toelichting voorwaarden

ad a.

Er is bij het maken van het moederplan een steenuil in de omgeving van het plangebied gesignaleerd. Dit is de reden om deze voorwaarde op te nemen. Er hoeft anno heden niet meer te worden verondersteld dat de steenuil ook op het erf van deze boerderij zou broeden. Met uitgebreid aanvullend onderzoek is dat in 2015 al aangetoond. Hiermee was het ook aannemelijk dat het plangebied niet als foerageergebied werd gebruikt. Desalniettemin is op basis van het verstoren van een deel van het jachtgebied van de steenuil in het kader van de wijzigingsplannen binnen Laarberg Zuid een ontheffing Flora en Fauna afgegeven in 2016.

In paragraaf 4.6 wordt verder toegelicht dat de gunstige staat van instandhouding van de steenuil is gewaarborgd.

ad b.

De regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' conform artikel 4 van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' worden in de basis overgenomen. In de regels is opgenomen dat binnen het plangebied van voorliggend wijzigingsplan uitsluitend bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.1 van de, in de bij het bestemmingsplan horende Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen, bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Op de verbeelding is middels een functieaanduidingen aangegeven waar bedrijven in de categorie 3.1 tot en met 4.1 zijn toegestaan. Deze gehanteerde milieuzonering sluit aan bij de structuurvisie ´Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg´.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande wordt geconstateerd dat in beginsel wordt voldaan aan de voorwaarden behorend bij de wijzigingsbevoegdheid. Echter ziet voorgenomen ontwikkeling tevens toe op het wijzigen van een gering stuk groenbestemming in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het gaat hierbij om een stuk van circa 50 m2. Tevens is het de wens om een deel van de huidige agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming 'Groen'. Het gaat hierbij om het deel dat grenst aan de Oude Borculoseweg waar een versterking van de daar aanwezige groensingel is beoogd.

Omdat de wijzigingsbevoegdheid niet geheel toereikend is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

3.5.2 Toekomstvisie 2020 Oost Gelre
3.5.2.1 Algemeen

In de 'Toekomstvisie 2020 Oost Gelre', vastgesteld in 2009, zijn de wensbeelden van de gemeente voor 2020 weergegeven. Ook komt aan de orde hoe de gemeentelijke organisatie met dat toekomstbeeld omgaat. In 2020 komt dat onder andere tot uiting in het feit dat Oost Gelre voor Oost-Achterhoek de belangrijkste speler is op het gebied van industriële bedrijvigheid. De (gerevitaliseerde) industrieterreinen concentreren zich daarbij rond de verbindingsweg tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Er zijn goede mogelijkheden voor betaalbaar openbaar vervoer, wat overigens gestimuleerd wordt door de aanwezige bedrijven.

Het bedrijvenpark Laarberg is gevuld met diverse verhuisde bedrijven, afkomstig uit de gehele Oost Achterhoek, maar ook met een groot aantal nieuwe bedrijven. Aan duurzame energie en duurzaamheid in zijn algemeenheid wordt veel waarde gehecht.

Alle milieubelastende bedrijven zijn uit de kernen verdwenen. Verder zijn de bedrijven zo ingericht dat mogelijke milieuproblemen al bij de bron worden aangepakt. Dit maakt het wonen en recreëren in Oost Gelre prettig en veilig. Er zijn dan ook geen klachten meer als gevolg van industriële bedrijvigheid en aan het industrieel erfgoed worden nieuwe bestemmingen gegeven. Bedrijven kunnen ook buurten en buurtschappen 'adopteren' om zo de sociale duurzaamheid in Oost Gelre te stimuleren.

3.5.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie

Het initiatief draagt bij aan het streven om Laarberg te ontwikkelen met diverse bedrijven uit de gehele regio, waarbij veel aandacht is voor duurzame energie en duurzaamheid in zijn algemeenheid. Het plan past daarmee in de toekomstvisie.

3.5.3 Omgevingsvisie Oost Gelre (Ontwerp)
3.5.3.1 Algemeen

De gemeente Oost Gelre beschikt over een (concept) omgevingsvisie. Omdat deze visie het nieuwe kader zal gaan vormen voor ontwikkelingen, wordt hier al wel aan getoetst. De visie is uitgewerkt in vijf doelen. Dit betreffen de volgende doelen. Oost Gelre:

  • 1. heeft hechte en leefbare kernen;
  • 2. geeft ruimte voor ondernemen;
  • 3. blijft dichtbij en bereikbaar;
  • 4. is een gezonde en veilige leefomgeving;
  • 5. heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven.

In dit geval is met name het tweede doel van belang, hier wordt hierna op ingegaan.

3.5.3.2 Oost Gelre geeft ruimte voor ondernemen

Gemeente Oost Glere is bij uitstek een ondernemersgemeente. De gemeente moedigt ondernemerschap aan en wil koploper worden in toekomstbestendige werklocaties voor zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen. Concrete doelen betreffen. Op weg naar 2040:

  • Worden we sterker als echte ondernemersgemeente met aantrekkelijke voorwaarden voor ondernemers. Dat betekent dat we werken aan duurzame, groene en klimaatadaptieve bedrijventerreinen. Daarbij zoeken we naar slimme verbindingen met de opwekking en inzet van hernieuwbare energie.
  • Maken we ruimte voor uitbreiding van de Laarberg waarbij we rekening houden met de geldende milieuwetgeving.
  • Zijn we terughoudend met het vestigen van bedrijven in de opslag- en distributie sector.
  • Zorgen we voor goede woningen en bereikbaarheid om jong talent en arbeidsmigranten aan te trekken.
  • Versterken we cultuurhistorische monumenten en landschappen in onze gemeente. Bij nieuwe invulling van gebouwen kiezen we een geschikte functie die recht doet aan de cultuurhistorische kwaliteiten.
  • Hebben we volop ruimte voor kleine en grote evenementen onder voorwaarden die we nog verder uitwerken. Deze voorwaarden passen binnen de geldende milieu- en (water) veiligheidsgrenzen.

De gemeente heeft speciale aandacht voor de Laarberg vanwege de regionale functie. Hier is uitbreiding nodig, omdat het bedrijventerrein vol begint te raken en er mogelijk over een aantal jaar geen kavels meer beschikbaar zijn. We stellen daarom samen met de gemeente Berkelland een langjarige aanpak op. Een deel van onze bedrijvigheid - die nauw verbonden is met de agrarische sector in Oost Gelre - zal er in 2040 anders uitzien. Door de veranderingen in de agrarische sector zal de keten die hier direct op is aangesloten, mee-innoveren. Als gemeente willen we hierin faciliteren door de bedrijventerreinen optimaal in te richten en de bereikbaarheid van deze locaties te versterken.

3.5.3.3 Werklocaties

Voor een krachtige en vitale economie is het van belang om deze werklocaties in Oost Gelre toekomstbestendig te maken en te verduurzamen, zodat het bestaansrecht in de toekomst gegarandeerd blijft. Op de werklocaties zien we grote opgaven op het gebied van duurzaamheid, klimaatadaptatie en personeelstekorten. Daarom zoeken we naar slimme meekoppelkansen op het gebied van collectieve energiewinning, circulaire economie, klimaatadaptatie en bereikbaarheid. De ontwikkelingsrichting geeft onder andere het volgende aan:

  • De gemeente zet in op het duurzaam, klimaatadaptief en groen maken van bestaande bedrijventerreinen in de gemeente. Dit doet de gemeente door het toevoegen van groenstructuren en bomen, maar ook door zon-op dak als standaard en het stimuleren van de overstap naar duurzame warmte.
3.5.3.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

Het plan draagt bij aan de ambitie om ruimte te bieden aan ondernemers. Daarnaast wordt de groenstructuur aan de zijde van de Oude Borculoseweg versterkt wat zorgt voor een groene inpassing van het plangebied. Hetgeen aansluit op de ambitite om groen toe te voegen op de bedrijventerreinen,

Het initiatief past hiermee binnen de ambities van de Omgevingsvisie.

3.5.4 Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg

Het Masterplan is vertaald in de structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' (vastgesteld 17 december 2013). De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. Aan de hand van de structuurvisie kunnen voor concrete ontwikkelingen bestemmingsplannen op maat worden opgesteld.

In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen. Deze randvoorwaarden zijn mede voortgekomen uit de uitgevoerde planMER en gelden voor de bestemmingsplannen die opgesteld worden voor Laarberg fase 2, waaronder ook het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' waar dit wijzigingsplan onderdeel van is. Voor de wijze van implementatie van de randvoorwaarden in de planregels en op de verbeelding wordt verwezen naar het bestemmingsplan.

Het plangebied Laarberg Zuid heeft een grootte van 9,5 hectare. Het bestemmingsplan bood al ruimte aan 6,5 hectare (3,9 hectare rechtstreeks en 2,6 hectare middels wijzigingsbevoegdheid) van de in totaal 35 hectare uitgeefbaar terrein binnen de ruimtelijke eenheid Bedrijventerrein op het gehele Laarberg fase 2. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt aan de laatste 0,4 hectare bedrijventerrein ook rechtstreeks ruimte geboden.

3.5.5 Beleidsvisie Externe veiligheid
3.5.5.1 Inleiding

Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.

3.5.5.2 Toetsing van het plan aan de beleidsvisie Externe veiligheid

In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de externe veiligheidsrisico in relatie tot de woningbouwontwikkeling.

3.5.6 Welstandsbeleid Oost Gelre 2017
3.5.6.1 Inleiding

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren".

Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.

Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

3.5.6.2 Toetsing van het plan aan het Welstandsbeleid

Het bouwplan van de ontwikkeling wordt te zijner tijd beoordeeld door de welstandscommissie.

3.5.7 Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre
3.5.7.1 Inleiding

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.

Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk.

Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.

Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.

3.5.7.2 Toetsing van het plan aan het Geluidsbeleid Oost Gelre

In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies.

3.5.8 Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
3.5.8.1 Inleiding

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.

Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.

De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.

3.5.8.2 Toetsing van het plan aan het integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024

In voorliggend geval zijn de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van belang. In paragraaf 4.10 wordt hier nader op ingegaan.

3.5.9 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

4.1 Archeologie en Cultuurhistorie

4.1.1 Wettelijk kader

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.1.2 Situatie plangebied
4.1.2.1 Archeologie

In 2015 is voor Laarberg Zuid een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies. De gronden behorend bij voorliggend wijzigingsplan maakten onderdeel uit van dit onderzoek. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en resultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7.

Uit de resultaten van het verkennend en karterend booronderzoek blijkt dat sprake is van een relatief late heideontginning, waarbij de top van het dakzand in het zuidwestelijk en noordelijk deel van het plangebied door de ontginning en door ploegen vermengd is geraakt met de oorspronkelijke bouwvoor. Ter plaatse van dekzandwelving in de oostelijke helft van het centrale deel van het plangebied, is de top van de C-horizont bij 13 boringen nog intact, maar zijn geen indicaties aangetroffen voor vindplaatsen uit de Steentijd of vindplaatsen van vroege landbouwende samenlevingen. Hierdoor kan de archeologische verwachting van het onderzoeksgebied bijgesteld worden naar laag. Vanwege het ontbreken van archeologische vindplaatsen wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zijn de gronden voor wat betreft archeologie vrijgegeven (zie Bijlage 8).

Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).

4.1.2.2 Cultuurhistorie

Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

Situatie plangebied

Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijksmonumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Wel is het gebouw aan de Oude Borculoseweg 8 aangewezen als gemeentelijk monument.

In verband met de staat van het gebouw is het vanuit financieel oogpunt onhaalbaar op het gebouw te behouden en te hergebruiken. Ter bescherming van eventueel aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen behoudt het gebouw vooralsnog de monumentale status. Dit houdt tevens in dit voor het slopen van het gebouw een omgevingsvergunning benodigd is. Ten tijde van het de aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen van het gebouw dient een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het gebouw te worden overlegd. Dit kan resulteren in het demonteren van bepaalde belangrijke elementen zodat deze beschikbaar blijven voor hergebruik (elders).

Het vorenstaande vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.1.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. De archeologische bestemming is reeds verwijderd. De cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.

4.2.2 Situatie plangebied

In het kader van voorliggend bestemmingsplan is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek inclusief nader onderzoek asbest uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten van het onderzoek.

4.2.2.1 Onderzoeksresultaten

Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin

De zintuigelijke zwak baksteenhoudende grond op het terrein is lokaal licht verontreinigd met cadmium, minerale olie en PAK. Een sterkte nikkelverontreiniging in een mengmonster is, bij analyse van de individuele monster, niet bevestigd. Vermoedelijk is er sprake geweest van een toevalstreffer. Het grondwater op het centrale terreindeel is licht verontreinigd met barium, cadmium en xylenen. In de grond ter plaatse van de drie voormalige bovengrondse olie-opslagen zijn zintuigelijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van olie. Analytisch zijn in de grond en het grondwater eveneens geen verontreinigingen met minerale olie aangetoond. De bovengrond van de locatie is niet verontreinigd met PFAS.

In de asbest verdachte druppelzones (noordelijk en zuidelijk van de ligboxenstal) is een asbestgehalte van 22 mg/kg d.s. aangetoond, dat geen aanleiding vormt tot nader bodemonderzoek. In de halfverharding is geen asbest aangetoond.

Asbestverontreiniging achterterrein

In de puinhoudende bovengrond op het achterterrein zijn op basis van het nader onderzoek asbestgehalten variërend van 101,8 mg/kg d.s. tot 288,6 mg/kg d.s. in de bovengrond aangetoond.

In de zintuigelijk schone ondergrond en de bovengrond waarin zintuigelijk geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen is analytisch geen asbest aangetoond.

Uitgaande van een oppervlakte van circa 380 m2 en een gemiddelde dikte van 0,5 m bedraagt de omvang van de asbesthoudende grond (concentratie > interventiewaarde) circa 190 m3 (vast).

De bodemverontreiniging met asbest is naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de oude halfverharding (pad naar het mestbassin) die op de locatie aanwezig was. Het is niet bekend wanneer de halfverharding is aangelegd, maar redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze reeds lange tijd op de locatie aanwezig was (ruim voor 1993). Aangezien sprake is van een bodemverontreiniging met asbest kan gesteld worden, dat het hier een niet-spoedeisend geval ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming betreft (Stb. 1994, 95). Naar alle waarschijnlijkheid betreft het een bestaand geval (ontstaan vóór 1 januari 1993).

Asfalt

De asfaltverharding op het terrein is deels teerhoudend (deklaag) (30 ton) en deels teervrij (onderlaag) (70 ton).

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt na sanering van saneringsplichtige verontreiniging geen belemmering voor de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Water

4.3.1 Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.

De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:

  • een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
  • water meer ruimte geven;
  • versterken van de ecologische waarden;
  • creëren van een vitaal watersysteem

Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang:

  • De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven;
  • Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool;
  • Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water.
4.3.2 Waterparagraaf
4.3.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.3.2.2 Situatie plangebied

Algemeen

Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Laarberg is in het kader van het Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' de watertoets (Civicon BV, 2011) doorlopen. In 2021 is de watertoets geactualiseerd. De toets geeft aan wat de gevolgen zijn voor het ruimtelijke plan voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudings- en rioleringsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. De watertoets wordt gebruikt voor de bestemmingsplannen die worden opgesteld binnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark. Veel onderdelen van het waterhuishoudings- en rioleringsplan zijn reeds gerealiseerd. Voorliggend plangebied, onderdeel van Laarberg Zuid, is onderdeel van de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark.

Huidige situatie

Binnen en nabij het bedrijvenpark Laarberg zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig.

  • 1. Leerinkbeek;
  • 2. Afwatering van Heideblom;
  • 3. Retenties fase 1 langs Bolwerk, Noordgang en Redoute;
  • 4. Retenties fase 2 (uitbreiding):
    • a. Retentie noordoost, Groot Hoornwerk;
    • b. Retentie zuid, Zuidgang;
    • c. Retentie west, Ruiterpad.

Aan de noordzijde van het regionaal bedrijvenpark loopt de Leerinkbeek. Deze beek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (heringericht in 2007). Aan de zuidzijde loopt de Afwatering van de Heideblom. In het plangebied liggen diverse retentiewateren voor de opvang van hemelwater.

Naast het oppervlaktewater zijn het verloop van het maaiveld, de bodemopbouw en de grondwaterstanden in grote mate bepalend voor de waterhuishouding. De maaiveldhoogte van het voorliggend plangebied Laarberg Noord verloopt van circa 20,90 tot 22,00 m +NAP.

De bodem bestaat tot een diepte van 2 á 2,5 meter voornamelijk uit fijne silthoudende zandlagen. Iets dieper (tot 4 meter onder maaiveld) zijn overwegend matig fijne grindhoudende zanden aanwezig. Tot een diepte van 10 à 15 meter zijn overwegend schone zandlagen aanwezig met op een aantal plaatsen leem-en silthoudende lagen op een diepte van circa 5 tot 8 meter. Tot de maximaal verkende diepte van 15 meter is een keileempakket aanwezig. Hier ligt ook de basis van het freatische en eerste watervoerend pakket.

Het waterbeleid is er op gericht dat hemelwater in eerste instantie zo veel mogelijk vastgehouden moet worden door infiltratie in de bodem. Als dat onvoldoende mogelijk is, dient het water zo veel mogelijk geborgen te worden in retentievoorzieningen. Als ook dat niet toereikend is kan water afgevoerd worden.

De infiltratiemogelijkheden worden vooral bepaald door de doorlatendheid van de bodem en de grondwaterstanden. Door de bodemopbouw met veel zandlagen is de doorlatendheid redelijk. In het plangebied varieert de grondwaterstand tussen circa 0 en 1,8 meter onder het maaiveld. Aan de noordzijde van het plangebied, waar het maaiveld ook het laagst ligt, zijn bij de Leerinkbeek grondwaterstanden tot nabij maaiveld aangetroffen (in de winter).

Watertoets

Inleiding

In het kader van de watertoets is, zoals hiervoor is aangegeven, een watertoetsrapportage opgesteld en beoordeeld door het waterschap. In die rapportage, zie Bijlage 5, is benoemd welke wateraspecten aan de orde zijn. Binnen het plangebied worden de volgende functies onderscheiden; bouwkavels, groenstroken en wegen. Voor de bouwkavels en de wegen wordt uitgegaan van 100% verharding.

Riolering en afvalwaterketen

Ten gevolge van de ontwikkeling zal sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater wordt via het reeds aangelegde vuilwaterriool afgevoerd en aangesloten worden op het gemaal "Laarberg". Bij de aanleg van het gemaal "Laarberg" en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de groei van het afvalwater door uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze voorzieningen kunnen naar huidig inzicht de toename van het afvalwater verwerken. Het nieuwe terrein is/wordt naar huidig inzicht voorzien worden van een 'drievoudig stelsel' (soort duurzaam gescheiden stelsel).

Wateroverlast

Het verhard oppervlak voor het plangebied neemt toe. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het vuilwaterstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpark ingepast. Het hemelwater van het terreinverhardingen zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek en Afwatering van de Heideblom. Het hemelwater van dakwater wordt rechtstreeks aangesloten op de retenties.

De volgende bergingseisen zijn (destijds) samen met het waterschap vastgesteld:

  • 10 mm statische berging in infiltratievelden;
  • T=10+10% bergen in de retenties, peilstijging tot maximaal het stuwpeil (dus bergen tussen streefpeil en stuwpeil retenties). Het waterschap hanteert voor een bui T=10+10% een statische berging van 40mm (hierbij mag de berging in de infiltratievelden in mindering worden gebracht);
  • T=100+10% bergen tot aan het maaiveld waarbij er geen wateroverlast ontstaat op het bouwplan. Het waterschap hanteert voor een bui T=100+10% een statische berging van 74mm*;
  • Vanuit het bouwplan mag niet meer afgevoerd worden dan de landbouwafvoernorm, deze is 1,3 l/s/ha (bron: Duurzaam en veilig water in de stad).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0007.png"

Zoals uit de tabel blijkt is er in de nieuwe situatie, zoals deze is geschetst in 2021, sprake van voldoende bergingscapaciteit, uitgaande van een volledig verhard oppervlakte van de bouwkavels en de wegen, waaronder het plangebied. In de nieuwe situatie worden deze resultaten daarom representatief geacht.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Hemelwater van wegen en terreinverhardingen wordt via infiltratievelden en retenties geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Grondwateroverlast

In de bodem van de uitbreiding van het regionale bedrijvenpark bevinden zich op enkele plaatsen slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om deze slecht doorlatende lagen te onderbreken.

Inrichting en beheer

De ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd (bestaand gemiddeld grondwaterpeil).

Waterhuishoudingsplan

De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap Rijn en IJssel. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties. Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterhuishoudingsplan dat in samenwerking met het waterschap is uitgewerkt. In dat plan is gestreefd naar een hoge mate van detail (Civicon BV 2012, zie Bijlage 6).

4.3.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is met oog op het aspect oppervlaktewater en grondwater uitvoerbaar.

Het ruimtelijk kader is uit planologisch opzicht voldoende afgestemd op de waterbelangen in het gebied. Het kan echter nodig zijn dat een initiatiefnemer nadere vergunningen op het gebied van de waterhuishouding moet aanvragen, afhankelijk van de bedrijfsvoering en/of het bouwplan. Een dergelijke vergunning moet (meestal) bij de gemeente of bij het waterschap worden aangevraagd.

4.4 Geluid

4.4.1 Kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.4.2 Situatie plangebied

Industrielawaai

Uitgangspunt voor de ontwikkeling van bedrijvenpark Laarberg is dat met de ontwikkeling van bedrijvigheid op Laarberg Zuid de geluidbelasting op woningen in de omgeving niet hoger uitkomt dan 60 dB(A). Deze belasting is acceptabel in het kader van het hogere waardenbeleid van de gemeente Oost Gelre.

Voor de gewenste categorie bedrijfsactiviteiten in het wijzigingsplan, bestaat een zoneringsplicht omdat op het terrein zoneringsplichtige inrichtingen op basis van de Wet geluidhinder gewenst zijn.

Voor het gehele bedrijvenpark Laarberg fase 2 is het noodzakelijk een geluidzone vast te stellen. Deze geluidzone is ondermeer noodzakelijk voor de activiteiten op Laarberg Zuid. Momenteel wordt door de gemeenten Oost Gelre en Berkelland gewerkt aan een bestemmingsplan ten aanzien van de geluidszonering rondom het bedrijventerrein Laarberg/Den Sliem. In dit bestemmingsplan wordt de geluidcontour met de daarbij behorende geluidzone, als gevolg van de bedrijventerreinen Den Sliem en Laarberg fase 1 en fase 2 vastgelegd. Totdat het bestemmingsplan voor de geluidzonering is vastgesteld, geldt de bestaande geluidzonering rondom Laarberg fase 1 en Den Sliem en zijn geluidszoneringsplichtige inrichtingen niet toegestaan.

Wegverkeerslawaai

Voor de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de ontsluiting voor Laarberg Zuid. In het moederplan is reeds rekening gehouden met de ontwikkeling van dit plangebied tot bedrijventerrein. Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai zal dan ook geen verslechtering van de situatie optreden.

Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

4.4.3 Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.5.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.5.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.5.2 Situatie plangebied

Bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid, is al aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheden planologisch haalbaar zijn ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Hierdoor hoeft geen nader luchtkwaliteitsonderzoek plaats te vinden.

Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 op het gehele bedrijvenpark Laarberg fase 2, waar Laarberg Zuid onderdeel vanuit maakt, niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen. De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen, maar de grenswaarden worden niet overschreden. De verwachte toenames vinden daarnaast vrijwel niet plaats bij gevoelige bestemmingen.

4.5.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Ecologie

4.6.1 Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante igevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

In navolgende paragrafen wordt eerst ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens op soortenbescherming.

4.6.2 Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden

In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 7 kilometer afstand van het plangebied.

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling.

Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting.

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig.

4.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN ligt op circa 600 meter afstand van het plangebied. Gezien de ligging buiten het GNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.

Toetsing:

In dit geval gaat het om een reeds bestemd bedrijfsperceel dat deels binnen de GO ligt. In het destijds opgestelde bestemmingsplan voor het biobased bedrijventerrein is destijds het volgende opgenomen: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling voor Laarberg een zone van 20 meter tussen de gerealiseerde verbindingszone en toekomstige bebouwing gereserveerd. Er moet gestreefd worden om de "samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren". De maatregelen moeten zich richten op het versterken van de natuurwaarden binnen deze zone langs de Leerinkbeek.

In dit geval voorziet het bestemmingsplan enkel in een planologische wijziging van toegelaten bedrijvigheid op het bestaande bedrijventerrein. Van (aantasting van) kernkwaliteiten is geen sprake, aangezien de gronden nu volledig in agrarisch gebruik zijn. Voor het gehele bedrijventerrein "Laarberg Noord" worden in het kader van de daarvoor door te lopen procedure afspraken gemaakt over de GO en de te nemen maatregelen ter versterking van de natuurwaarden van de Leerinkbeek. Het onderhavig bestemmingsplan maakt uitsluitend een andere vorm van bedrijvigheid toe op reeds bestaand bestemd bedrijfsperceel, vooruitlopend op de totale herziening voor de Laarberg Noord 2. Voor dit individuele plan zijn er daarom geen maatregelen in het kader van de GO beoogd.

4.6.3 Soortenbescherming

Algemeen

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

Situatie plangebied

Het voornemen is om de vervallen bebouwing binnen het plangebied (boerderij De Panneman) te slopen. Doordat de voorgenomen ontwikkelingen van invloed kunnen zijn op de aanwezige flora en fauna, is in 2020 een natuuronderzoek (zie Bijlage 2) uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn verschillende beschermde soorten in relatie tot de te slopen gebouwen aangetroffen. Het betreffen de soorten:

  • 1. Gewone dwergvleermuis
  • 2. Wezel
  • 3. Bunzing
  • 4. Huismus
  • 5. Kerkuil

In de directe omgeving zijn eveneens vaste verblijfplaatsen aangetroffen van beschermde soorten als rosse vleermuis en steenuil. Voor deze soorten zullen de verblijfplaatsen behouden blijven en zal door de sloop geen significante verandering van het leefgebied plaatsvinden ten opzicht van de huidige inrichting. Voor deze soorten is daardoor geen ontheffing noodzakelijk.

De vaste verblijfplaatsen van de soorten gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil, wezel en bunzing zullen door de sloop van de boerderij, de opstallen en de tuin verloren gaan. Om schade aan individuen en de aanwezige populaties te voorkomen worden specifieke soortgerichte maatregelen getroffen.

Voor het verwijderen van de vaste verblijfplaatsen wordt een ontheffing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) aangevraagd. Hiervoor is reeds een projectplan/ecologisch werkprotocol opgesteld ten behoeve van het zorgvuldig handelen om schade aan individuen en de populatie te voorkomen of te minimaliseren (zie Bijlage 3).

4.6.4 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. In het kader van soortenbescherming wordt voor het verwijderen van de vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil, wezel en bunzing een ontheffing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) aangevraagd en noodzakelijke mitigerende maatregelen getroffen. Vorenstaande vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd

4.7.2 Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Het plangebied maakt onderdeel uit van bedrijvenpark Laarberg. Daarnaast bevinden zich nabij het plangebied diverse agrarische bedrijfspercelen. Gelet op het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied sprake van een verhoogde milieubelasting en is binnen het plangebied en directe omgeving sprake van een 'gemengd gebied'.


afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN312-VG01_0008.png"

4.7.3 Situatie plangebied
4.7.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.7.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving.

In voorliggende situatie gaat het om de uitbreiding van bedrijventerrein Laarberg Zuid waarbij milieucategorie 3.1 tot en met milieucategorie 4.2 bedrijvigheid wordt toegelaten.

In de planregels en op de verbeelding is een begrenzing opgenomen voor verschillende toegestane milieucategorieën binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het wijzigingsplan sluit aan bij de gehanteerde milieuzonering in het moederplan en de indeling uit de structuurvisie. In het plangebied van voorliggend wijzigingsplan zijn bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Hiermee voldoet dit bestemmingsplan aan de wijzigingsvoorwaarde uit het moederplan.

Met het opnemen van een milieuzonering is rekening gehouden met de afstand tot omliggende (gevoelige) functies. In voorliggend geval zal de agrarische bedrijfspercelen met daarbij behorende bedrijfswoningen aan de Oude Borculoseweg 9-9A en 7-7A maatgevend.

Naar aanleiding van de ontwikkeling van Laarberg Zuid kan geconcludeerd worden dat de huidige omliggende (beperkt) gevoelige functies niet gehinderd worden door de komst van de nieuwe functies.

4.7.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande milieubelastende functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies. In dit geval wordt niet voorzien in het toevoegen van nieuwe (milieu)gevoelige functies als bedoeld in de VNG Brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Het voornemen leidt dus niet tot aantasting en/of belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies.

4.7.4 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Externe veiligheid

Bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid, is al aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheden planologisch haalbaar zijn. Er heeft reeds een risicoberekening plaatsgevonden voor de aardgastransportleidingen in de omgeving van het plangebied.

Plaatsgebonden risico

Het berekende plaatsgebonden risico is binnen het bekeken gebied nergens groter dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico legt dus geen beperkingen op voor de realisatie van het plan.

Groepsrisico

Het vastgestelde bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid' (inclusief wijzigingsbevoegdheden) zorgt voor een toename van het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de leidingen. Het groepsrisico neemt hierdoor toe. In het moederplan is reeds voorzien in een verantwoording van het groepsrisico.

Vanuit het aspect externe veiligheid is in het moederplan reeds aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheden uitvoerbaar zijn.

4.9 Geur

In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de milieuzonering uit het moederplan ('Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'). Hierdoor is sprake van voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Het aspect geur levert geen belemmering op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

4.10 Verkeer

De verkeersaantrekkende werking van de gehele ontwikkeling is in het kader van de structuurvisie en het moederplan onderzocht. De voorgenomen ontwikkelingen van dit wijzigingsplan hebben geen veranderende invloed op de onderzochte verkeersafwikkeling.

Het bedrijventerrein krijgt geen ontsluiting op de Oude Borculoseweg. De ontsluiting vindt plaats via de hoofdstructuur zoals die is opgenomen in de Structuurvisie.

4.11 Besluit Milieueffectrapportage

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk een m.e.r.-procedure te doorlopen als de voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage C van het Besluit m.e.r. (de 'C-lijst'), de activiteit daarbij in omvang minimaal gelijk is aan de daarbij vermelde drempelwaarde of belangrijke milieueffecten heeft én de activiteit mogelijk wordt gemaakt in één van de in het Besluit m.e.r. aangewezen wettelijke plannen of besluiten, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Daarnaast kan een activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn op basis van het Besluit m.e.r. Dit is het geval wanneer de voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'), de activiteit minimaal gelijk is aan de vermelde drempelwaarde of belangrijke milieueffecten heeft, en de activiteit mogelijk wordt gemaakt in de aangewezen plannen of besluiten

Het plangebied Laarberg Zuid maakt onderdeel uit van het grotere Laarberg fase 2. Ten behoeve van de uitbreiding van regionaal bedrijvenpark Laarberg is een structuurvisie opgesteld. Deze structuurvisie is planm.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van de voorziene ontwikkelingen (namelijk zware bedrijvigheid) en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (een passende beoordeling in het kader van Natuurbeschermingswet 1998 is verplicht).

Onderliggend bestemmingsplan is reeds voorzien in de planm.e.r. Het plan zorgt niet voor een verslechtering van de algemene milieueffecten ten opzichte van het onderzochte in de planm.e.r.

Het bestemmingsplan blijft daarnaast ook ruim onder de drempelwaarden zoals opgenomen in bijlage C of D uit het Besluit m.e.r..

4.12 Kabels en leidingen

In Laarberg Zuid zijn een hoogspanningsleiding en een gastransportleiding aanwezig.

De wijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar de bestemming 'Bedrijventerrein' heeft geen invloed op deze leidingen aangezien de leidingen niet binnen het plangebied voor dit wijzigingsplan liggen.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2 Opzet van de regels

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Bestemmingsregels;
  • Algemene regels;
  • Overgangs- en slotregels.
5.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:

Bestemmingsomschrijving:

Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

Bouwregels:

In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

Afwijken van de bouw- en gebruiksregels:

Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en de gebruiksregels in het plan.

Specifieke gebruiksregels:

In dit artikel zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen.

Nadere eisen:

In de nadere eisen is bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van het elders het betreffende artikel bepaalde, nadere eisen kunnen stellen aan bebouwing.

5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Algemene bouwregels (Artikel 6)

In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake ondergronds bouwen, het overschrijden van bouwgrenzen en afwijkingsbevoegdheden.

Algemene gebruiksregels (Artikel 7)

In dit artikel worden het verboden gebruik in dit bestemmingsplan geregeld.

Algemene afwijkingsregels (Artikel 8)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Algemene wijzigingsregels (Artikel 9)

In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om het plan in geringe mate aan te passen. Het gaat hierbij om bestemmings- of bouwgrenzen of het bouwen van gebouwen van openbaar nut.

Parkeerregelgeving (Artikel 10)

In dit artikel is regelgeving opgenomen omtrent parkeren conform de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

Artikel 3 Bedrijventerrein

In dit geval is het grootste gedeelte van het plangebied voorzien van deze bestemming. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijven behorend tot categorie 3.1 tot en met 4.1 zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten,

Wat betreft de gebruiks- en bouwregels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'. Hierdoor blijft sprake van een eenduidige regeling voor Laarberg Zuid.

Artikel 4 Groen - Landschappelijke inpassing

De gronden ter plaatse van de beoogde groenstructuur langs de Oude Borculoseweg is voorzien van de bestemming 'Groen - Landschappelijke inpassing'. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken, alsmede het voorkomen van significante effecten op kernkwaliteiten en omgevingscondities die aan realisering van het Gelders Natuurnetwerk in de weg staan.

Voor wat betreft de gebruiks- en bouwregels is aangesloten op het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Zuid'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Algemeen

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Hieronder worden de reacties uit het vooroverleg weergegeven.

6.1.2 Provincie Gelderland

In dit geval gaat het om een ontwikkeling met lokaal belang. Het bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg aan de provincie Gelderland worden voorgelegd.

6.1.3 Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel is in het kader van de totale herontwikkeling van het gebied geïnformeerd en betrokken bij het daarvoor op te stellen waterhuishoudkundig plan. Dit plan voorziet uitsluitend in een functiewijziging ten aanzien van het type bedrijvigheid. Daarom is nader overleg met het waterschap in dit kader niet noodzakelijk.

6.1.4 Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland

Het plan zal in het kader van het vooroverleg aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd.

6.1.5 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzagegelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt. Voorliggend bestemmingsplan is daarom ongewijzigd vastgesteld.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een wijzigingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan.

Volgens de Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. Van een dergelijk bouwplan is in dit geval sprake (artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening).

Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. Deze heeft de uitvoering van de ontwikkeling en realisatie van dit regionale project ten doel. Gebiedsonderneming Laarberg kent twee publieke aandeelhouders; de gemeente Oost Gelre en de gemeente Berkelland. Beide aandeelhouders hebben ieder een borgstelling afgegeven. Ter beoordeling van de financiële haalbaarheid stelt de gebiedsonderneming jaarlijks een grondexploitatie op. Uit de grondexploitatie 2013, waarin de uitgangspunten van de Structuurvisie Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg zijn meegenomen, blijkt dat de voorgenomen plannen voor het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.