direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Woudenbergseweg 92a, Maarsbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Aan de Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen ligt een locatie voor een intensieve veehouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels gestaakt en het erf is ernstig in verval. De bedrijfslocatie bestaat uit een monumentale dwarshuisboerderij met een monumentale stenen schuur. Daarnaast bevindt zich op het erf een kapschuur.

Direct ten noorden van de bedrijfslocatie ligt, tegen het agrarisch bouwvlak aan, een (niet-monumentale) schaapskooi/veldschuur. De schaapskooi/veldschuur heeft altijd bij het boerenerf gehoord. De verbinding tussen het boerenerf en de schaapskooi/veldschuur is nog altijd zichtbaar door de laanachtige structuur tussen het erf en de schaapskooi/veldschuur. Om de historische schaapskooien te behouden, is door de gemeente Utrechtse Heuvelrug een Nota schaapskooien opgesteld waarin ook de onderhavige locatie 'Woudenbergseweg 0' is opgenomen. De nota ziet op het in ere herstellen van de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooien en het toestaan van nieuwe functies door middel van het herbestemmen van de locaties.

Initiatiefnemer is voornemens om de locaties integraal te herontwikkelen, waarbij de agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een reguliere woonfunctie met in totaal drie wooneenheden. Het plan voorziet in één woning in de woonboerderij, één woning in de stenen schuur en de schaapskooi/veldschuur wordt eveneens omgebouwd tot één schuurwoning. De nieuwe woningen in de woonboerderij en de stenen schuur krijgen de beschikking over gezamenlijke bijgebouwen. Voor de nieuwe schuurwoning wordt een inpandige berging gerealiseerd.

Het doel van de herontwikkeling is enerzijds het behoud van de monumentale en/of cultuurhistorische bebouwing en anderzijds het creëren van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Dit wordt bereikt door het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij op korte afstand van een woonkern en door de cultuurhistorische waarde van de locatie als monumentaal erf in het buitengebied te versterken met een passende erfopzet en bijbehorende landschappelijke inpassing.

Om de gewenste herontwikkeling mogelijk te maken, is een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

De gemeente Utrechtse Heuvelrug ligt in het zuidoosten van de provincie Utrecht. Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied en ligt in het jonge heide ontginningslandschap, direct ten noorden van de kern Maarsbergen. De afstand tot de kern Maarsbergen bedraagt circa 200 meter.

In de directe omgeving van het plangebied liggen hoofdzakelijk onbebouwde agrarische gronden met enkele verspreid liggende reguliere burgerwoningen. Ten noorden en oosten van het plangebied bevinden zich dergelijke onbebouwde agrarische gronden. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een rijksmonumentale bakstenen schaapskooi in ruïneuze toestand. Deze schaapskooi is door middel van het bestemmingsplan 'Drie schaapskooien' (vastgesteld op 7 februari 2019) herbestemd als recreatiewoning. De feitelijke werzaamheden vinden plaats in 2021/2022. Tot slot bevindt zich ten westen van het plangebied, op circa 250 meter van de dwarshuisboerderij Woudenbergseweg 92a, de provinciale weg N226.

De begrenzing van het plangebied bestaat uit het perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Maarn, sectie D, nummer 671 (met uitzondering van de toegangsweg). Voor het overige bestaat de begrenzing van het plangebied uit het bouwvlak van de (voormalige) intensieve veehouderij en het toekomstige woonperceel van de nieuwe schuurwoning. Het bouwvlak ligt, naast op een deel van het perceel met nummer 671, op een gedeelte van de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Maarn, sectie D, nummers 631 en 648. Ook het toekomstige woonperceel van de nieuwe schuurwoning ligt op een gedeelte van het perceel die kadastraal bekend is als gemeente Maarn, sectie D nummer 648. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 16.000 m2.

In onderstaande figuur is de ligging en begrenzing van het volledige plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0001.png" Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldende plannen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug op 3 juli 2019 vastgesteld.

Conform het bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen' kennen de gronden behorende tot het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - half-open landschap'. Centraal in het plangebied is een groot 'bouwvlak' aangeduid, waarbij tevens de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' van toepassing is. In het noordelijk deel van het plangebied is de bestaande schaapskooi/veldschuur aangeduid als 'bouwvlak', waarbij tevens de gebiedsaanduiding 'overige zone - tabaksschuur en schaapskooi in vrije ligging' van toepassing is.

Daarmee zijn de gronden in hoofdzaak bestemd ten behoeve van agrarische bedrijvigheid, waarbij ter plaatse van het bouwvlak met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' de uitoefening van een veehouderijbedrijf in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan alsmede een intensieve veehouderij met bijbehorende bedrijfsgebouwen en één bedrijfswoning. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - tabaksschuur en schaapskooi in vrije ligging' zijn de gronden mede aangewezen voor een als cultuurhistorisch waardevol gebouw te behouden voormalige tabaksschuur of schaapskooi.

Daarnaast kent het grootste deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Een beperkt deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Tot slot kent het volledige plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.

Gelet op het voorgaande past het beoogde initiatief niet rechtstreeks binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren zal een nieuw bestemmingsplan moeten worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0002.png" Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Opzet bestemmingsplan en toelichting

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Analyse landschap

Het plangebied ligt in het jonge heide ontginningslandschap. Het landschap ten noorden van Maarsbergen en Overberg maakt deel uit van het agrarisch gebied van de Gelderse Vallei, dat globaal ligt tussen de Woudenbergse Grift in het westen tot de Grebbelinie in het oosten, met de bebouwingsgrenzen van Woudenberg en Renswoude als noordgrens en met de A12 bij Maarsbergen en het Valleikanaal en onderdelen van de voormalige Liniedijk bij Overberg als zuidgrens.

Het karakter van dit jonge heide ontginningslandschap wordt bepaald door dekzandruggen en tussenliggende beekdalen en een vrij groot aantal agrarische bedrijven. Het maakt deel uit van het agrarisch productiegebied van de Gelderse Vallei, waar de veehouderij (grond- en niet-grondgebonden) - onder voorwaarden - ruimte krijgt voor enige schaalvergroting. Dit jonge heide ontginningslandschap onderscheidt zich van andere deelgebieden door een primaire agrarische functie. Daarnaast omvat dit typisch agrarische landschapstype een grote verscheidenheid aan bedrijfstypen, afgewisseld met tal van kleine landschapselementen, zoals houtopstanden (bosjes, houtwallen, houtkaden en houtsingels), poelen en steilranden.

Het gemeentelijk beleid is gericht op het handhaven c.q. versterken van de karakteristieken van de landschappelijke deelgebieden. Dit betekent dat de verschillen tussen die deelgebieden herkenbaar moeten blijven, hersteld of zelfs versterkt moeten worden. Contrasten tussen openheid en geslotenheid moeten vergroot worden, teneinde de herkenbaarheid te verbeteren.

2.2 Huidige situatie

Omgeving

De gemeente Utrechtse Heuvelrug ligt in het zuidoosten van de provincie Utrecht. Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied en ligt in het jonge heide ontginningslandschap, direct ten noorden van de kern Maarsbergen. De afstand tot de kern Maarsbergen bedraagt circa 200 meter.

In de directe omgeving van het plangebied liggen hoofdzakelijk onbebouwde agrarische gronden met enkele verspreid liggende reguliere burgerwoningen. Ten noorden en oosten van het plangebied bevinden zich dergelijke onbebouwde agrarische gronden. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een rijksmonumentale bakstenen schaapskooi in ruïneuze toestand. Deze schaapskooi is door middel van het bestemmingsplan 'Drie schaapskooien' (vastgesteld op 7 februari 2019) herbestemd als recreatiewoning. De feitelijke werzaamheden vinden plaats in 2021/2022. Tot slot bevindt zich ten westen van het plangebied, op circa 250 meter van de bestaande bebouwing, de provinciale weg N226.

Plangebied

Het plangebied bestaat uit het bouwvlak van de voormalige intensieve veehouderij aan de Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen met een deel van de omliggende weidegronden en de bijbehorende schaapskooi/veldschuur. Het agrarische bouwvlak kent een oppervlakte van circa 10.000 m2. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels gestaakt en het erf is ernstig in verval. De bedrijfslocatie bestaat uit een dwarshuisboerderij en een stenen schuur. Beide gebouwen zijn aangemerkt als gemeentelijk monument. Daarnaast bevindt zich op het erf een kapschuur. Direct ten noorden van de bedrijfslocatie ligt, tegen het agrarisch bouwvlak aan, een (niet-monumentale) schaapskooi/veldschuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0003.png" Luchtfoto bestaande situatie Woudenbergseweg 92a, Maarsbergen (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0004.png" Aanzicht plangebied vanaf de toegangsweg

De dwarshuisboerderij is opgetrokken op de plek van de voormalige boerderij De Meente en ligt aan het eind van een smalle toegangsweg op enige honderden meters afstand van de Woudenbergseweg. De geschiedenis van deze plek gaat ver terug. Ooit was de hoeve onderdeel van Kasteel Maarsbergen. De eigenaar verpachtte meerdere boerderijen. Die pacht werd gedeeltelijk in natura uitbetaald. Dit was een grote bron van inkomsten en bevoorrading. Uit stukken over de verdeling van een erfenis wordt duidelijk dat de boerderij De Meente al in 1717 in bedrijf is. Sindsdien heeft er op dezelfde plek steeds een agrarisch bedrijf gefunctioneerd, hoewel de positie van de gebouwen in de loop van de tijd verschillend is weergegeven.

De woonboerderij is van het T-huis- of dwarshuistype. Het woonhuis staat haaks op de achterliggende schuur. Aangezien in deze omgeving voornamelijk langhuisboerderijen voorkomen zijn de paar dwarshuisboerderijen opmerkelijk. De meeste van de huidige opstallen zijn eind 19e eeuw gebouwd. De kadastrale administratie meldt dat er in 1832 bebouwing was in eigendom van de wed. Rijk Grootveld. Waarschijnlijk is het perceel in de tweede helft van de negentiende eeuw in eigendom gekomen van de familie Hoof van Geerestein. Deze zou de huidige woonboerderij rond 1880 hebben gebouwd.

De woonboerderij kent een totale inhoud van circa 1.750 m3 (oppervlakte circa 450 m2). Hoewel in vervallen staat lijkt het casco nog in goede staat. Er is op het eerste oog geen sprake van verzakking. Op een enkele aanbouw na heeft het zijn hoofdopzet behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0005.png" Dwarshuisboerderij Woudenbergseweg 92a

De monumentale stenen schuur bevindt zich ten oosten van de woonboerderij en kent een oppervlakte van circa 235 m2. De schuur heeft een soortgelijke, maar soberder opzet dan de boerderij. Ook de schuur is opgebouwd uit een dwars'huis' en aangebouwde schuur. Het pand oogt vrij oorspronkelijk zonder aanbouwen of grootscheepse aantastingen. De onderhoudstoestand is echter deplorabel. De gevels zijn in matige staat. De gebinten zijn enerzijds verregaand verbouwd, maar ook zwaar aangetast door insecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0006.png" Stenen schuur

De noordelijk gelegen (niet-monumentale) schaapskooi/veldschuur kent een oppervlakte van circa 100 m2. De schaapskooi/veldschuur heeft altijd bij het boerenerf gehoord en ligt momenteel tegen het agrarisch bouwvlak aan. Pas zeer recent is deze losgekoppeld en apart verkocht. De verbinding tussen het boerenerf en de schaapskooi/veldschuur is nog altijd zichtbaar door de laanachtige structuur tussen het erf en de schaapskooi/veldschuur.

Hoewel het gebouw niet de uitstraling van een typische schaapskooi heeft, bestaat er wel het vermoeden dat het een schaapskooi was. Het heeft gepotdekselde wanden en ook de kenmerken als grote openingen in de gevel. Het dak is vervangen door golfplaten dak. Het bouwjaar is vermoedelijk, net als de dwarshuisboerderij en stenen schuur, 19e eeuw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0007.png" Schaapskooi/veldschuur

2.3 Projectbeschrijving

Initiatiefnemer is voornemens om de locaties integraal te herontwikkelen, waarbij de agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een reguliere woonfunctie met in totaal drie wooneenheden. Het plan voorziet in één woning in de woonboerderij, één woning in de stenen schuur en de schaapskooi/veldschuur wordt eveneens omgebouwd tot één schuurwoning.

De boerderijwoning is ruim van opzet. De gehele deel wordt benut voor de dagelijkse woonfuncties; entree, hal, woonkamer en keuken. Om een goede toegang tot de tuin te maken, wordt een gedeelte van de zuidelijke deelmuur en de aansluitende kap verwijderd. Door hierbinnen een hoge glazen pui te plaatsen wordt tegelijk veel daglicht in de anders te donkere deel toegelaten. Het voorhuis kan ofwel dienen als ruim slaapgedeelte of als inwoongedeelte. Het grootste deel van de slaapkamers bevindt zich op de verdieping. Hierbij wordt niet alleen het voorhuis geheel benut voor deze functie, maar is ook boven de deel een insteekverdieping voorzien die een slaapkamer herbergt. Dit beperkt de grote ruimte van de deel tot een ruimte met een menselijker maat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0008.png" Impressie boerderijwoning

De schuur op het oostelijk deel van het erf wordt binnen de bestaande beobuwing gerealiseerd. Daardoor zal deze ondergeschikt zijn aan de bestaande dwarshuisboerderij. De schuur heeft een groot vloeroppervlak, maar een geringe hoogte. Om de voormalige schuur goed tot zijn recht te laten komen, kan deze geheel gelijkvloers worden benut. Dan blijven (te herstellen) gebinten en kap in het zicht. De eindgevels van het oostelijk deel zijn herbruikbaar. Door de hoogte van de voormalige schuurdeuren zijn deze goed te benutten als toegang tot de tuin, zonder de authenticiteit aan te tasten. De oostelijke wand en de noord- en zuidgevel van het westelijke gedeelte zouden opnieuw opgebouw kunnen worden met andere materialen en nieuwe gevelopeningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0009.png" Impressie schuurwoning oostelijk deel erf

Bij de realisatie van de boerderijwoning en de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf zal oog zijn voor het zoveel mogelijk behouden van de cultuurhistorische waarden. Dit betreft tevens de bescherming van de monumentale waarde van het interieur. In dit kader heeft initiatiefnemer een waardestelling laten uitvoeren van de monumentale bebouwing. Deze is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. De realisatie van de boerderijwoning en de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf zal, in afstemming met de monumentencommissie, nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.

Ten behoeve van het initiatief is een, bij de boerderij en het landelijk gebied, passende erfopzet gemaakt. Bij het ontwerp is onder meer de één erf-gedachte als uitgangspunt gehanteerd. Er is ook in de beoogde nieuwe situatie sprake van een herkenbaar ensemble als boerenerf. In de erfopzet is voorzien in woonpercelen op maat. De woonpercelen zijn beperkt tot het noodzakelijke, zodat er een compact erf ontstaat. De nieuwe boerderijwoning en de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf, krijgen de beschikking over een carport en een (gezamenlijke) tuinschuur. De carport bevindt zich ter plaatse van de bestaande kapschuur en is van belang in het kader van het (oorspronkelijke) erfensemble. De carport en gezamenlijke tuinschuur zijn zoveel mogelijk geclusterd met de bestaande bebouwing.

De toegangsweg ten behoeve van het gezamenlijke erf blijft ongewijzigd op 12-18 meter van de boerderijwoning liggen. Om de woningen te kunnen ontsluiten en elk privacy te geven moet het erf goed worden ingericht. Een tuin aan de zuidkant is goed te realisren. Het erf oostelijk van de boerderij en noordelijk van de schuur doet dienst als gedeeld erf waar ook de stalling van auto's plaatsvindt. In totaal wordt op het erf voorzien in 4 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeernorm van minimaal 2 parkeerplaatsen per woning.

Verder wordt op het erf een veilige keermogelijkheid opgenomen voor de vuilophaaldienst. Daarmee kan de vuilniswagen doorrijden tot aan het erf Woudenbergseweg 92a.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0010.png" Erfindeling Woudenbergseweg 92a

De noordelijke schaapskooi/veldschuur wordt omgebouwd tot één schuurwoning. Uitgangpunt hierbij is dat de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde behouden blijft. De schuurwoning maakt onderdeel uit van het ensemble en wordt eveneens ontsloten via de bestaande toegangsweg richting de Woudenbergseweg. De noordelijke schuurwoning ontsluit derhalve via het monumentale erf Woudenbergseweg 92a. Bovendien blijft door de laanachtige structuur de bestaande verbinding met het voormalige boerenerf bestaan.

Het betreft een rechthoekige schuurwoning met een goothoogte van circa 2,4 meter en een bouwhoogte van circa 6,5 meer. De beoogde woning krijgt zijn belangrijkste functies op de begane grond. Gezien de geringe nokhoogte is een eventuele verdieping slechts beperkt bruikbaar.

Voor de nieuwe schuurwoning wordt, conform gemeentelijk beleid, een inpandige berging gerealiseerd. Op eigen terrein zal worden voorzien in 2 parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0011.png" Plattegrond begane grond noordelijke schuurwoning

Alleen de hoofdgebouwen krijgen in dit nieuwe bestemmingsplan een bouwvlak. Bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'. Het agrarisch bouwvlak verdwijnt volledig en daarvoor in de plaats komen drie bouwvlakken ten behoeve van de boerderijwoning, de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf en de noordelijke schuurwoning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0012.png" Erfopzet totaal

Bouwmogelijkheden nabij schaapskooi/veldschuur

Voor de gronden direct om de schaapskooi/veldschuur heen wordt de bestemming 'Tuin' met de functieaanduiding 'landschapswaarden' opgenomen.

Het realiseren van gebouwen, overkappingen en overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) is niet toegestaan binnen de bestemming 'Tuin'. Daarnaast is door de functieaanduiding 'landschapswaarden' vergunningvrij bouwen niet toegestaan. Dit bestemmingsplan sluit derhalve elke vorm van (nieuwe) bebouwing uit op het woonperceel behorende bij de schaapskooi/veldschuur. Onderstaand wordt één en ander nader gemotiveerd aan de hand van de specifieke landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse van de schaapskooi/veldschuur.

Ten eerste kent de locatie van de schaapskooi belangrijke landschappelijke waarden. Er is sprake van een mozaïeklandschap aan de rand van de Gelderse Vallei. Rondom de schaapskooi is dit nog goed herkenbaar. De openheid en grillige vormen van de kavels zijn behouden gebleven. Bovendien kent de locatie van de schaapskooi geen verleden als woonerf dan wel bedrijfsmatig erf. Het is dan ook van belang om de openheid rondom de schaapskooi te behouden.

Ten tweede kent de locatie van de schaapskooi belangrijke cultuurhistorische waarden. Het betreft een vrij liggende schaapskooi in agrarisch gebied die mede bepalend is in het landschap. Onderhavige locatie is opgenomen in de Nota schaapskooien welke als doel heeft de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde te behouden. Conform deze Nota hebben schaapskooien een belangrijke historisch - geografische waarde. De gebouwen herinneren aan de geschiedenis van het schapenhouden op de Utrechtse Heuvelrug. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3.4. In de Nota zijn voorwaarden opgenomen die gelden bij herbestemming. Eén van deze voorwaarden is dat het omliggende terrein van de schaapskooien een bestemming dient te krijgen die geen bouwmogelijkheden biedt. Hieraan wordt invulling gegeven door de betreffende bestemming 'Tuin' met functieaanduiding 'landschapswaarden'.

Gelet op het voorgaande zou het realiseren van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en/of overige bouwwerken ernstig afbreuk doen aan de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de gewenste ruimtelijke kwaliteit op deze specifieke locatie. Het realiseren van extra bouwwerken leidt tot ongewenste verstening en/of verrommeling die de cultuurhistorisch waardevolle schaapskooi mogelijk (deels) aan het zicht zou onttrekken. Door de bestemming 'Tuin' met functieaanduiding 'landschapswaarden' worden de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden gerespecteerd en wordt voorkomen dat er in de toekomst een traditioneel woonerf ontstaat.

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als bijlage bij de toelichting is gevoegd (Bijlage 2). De inpassing is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. Onderstaand worden de belangrijkste onderdelen van de landschappelijke onderbouwing en erfinrichting benoemd.

De locatie van het boerenerf, inclusief de noordelijke schuurwoning, is verbonden met diverse landschapselementen. Om dit boerenerf ook in de toekomst ingepast te laten blijven in de omgeving, is het zaak de elementen te versterken en uit te bouwen. De landschappelijke inpassing versterkt de karakteristieken van het erf en draagt bij aan een hogere natuurwaarde.

Het erf wordt aan de westelijke zijde omzoomd met een halfhoge heg, aan de oostelijke weilandzijde met een waterloop. Het erf wordt aan noordoostelijke zijde aangevuld met enkele losstaande bomen, zodat de ruimte ook aan noordelijke zijde een ruimtelijke afsluiting krijgt. Daarnaast is ter plaatse een moestuin als element ter inspiratie opgenomen, hetgeen bijdraagt aan de versterking van het erf. Het erf wordt deels verhard met een carport en een gezamenlijke tuinschuur. Zo wordt in een parkeerbehoefte van in totaal vier auto's voorzien. De carport en tuinschuur hoeven enkel qua materialisering aan te sluiten bij de landelijke, boerderijachtige insteek.

Tot slot wordt de laan vanaf het erf naar het noorden versterkt. De groenstructuur van beplante kavelgrenzen wordt aangevuld met nieuwe bomen en hagen. Ook wordt aan de oostzijde een nieuwe ondiepe greppel gegraven waarmee de bestaande waterstructuur wordt hersteld. Dit komt de kwaliteit en berging van de waterhuishouding ten goede. De overige watergangen, zoals aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan, zijn reeds feitelijka aanwezig. In verband met (ongewenste) waterdoorstroming wordt de nieuwe ondiepe greppel niet verbonden met deze bestaande watergangen. De greppel vormt ook direct de kavelscheiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0013.png"

Landschappelijke inpassing

2.4 Ruimtelijke gevolgen

Initiatiefnemer is voornemens om de locatie Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen te herontwikkelen, waarbij de agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een reguliere woonfunctie. Binnen de bestaande monumentale bebouwing en de cultuurhistorisch waardevolle schaapskooi/veldschuur worden in totaal drie wooneenheden gecreëerd. Ook worden er diverse inpassingsmaatregelen getroffen.

Dit leidt tot:

  • Behoud van monumentale bebouwing en herstel van een monumentaal erf. De nieuwe wooneenheden vormen een kostendrager voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het monumentale erf met bijbehorende bebouwing.
  • Behoud van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige schaapskooi, waarbij door herbestemming de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde behouden blijft,
  • Een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Dit wordt bereikt door het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij op korte afstand van een woonkern en door de cultuurhistorische waarde van de locatie als monumentaal erf in het buitengebied te versterken met een passende erfopzet en bijbehorende landschappelijke inpassing.
  • Een compact erf passend bij de boerderij en het omliggende landschap. Het erf blijft een herkenbaar ensemble als één boerenerf.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid.

In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven:

  • Rijksvaarwegen;
  • Project mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie;
  • Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Conclusie

Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen:

  • 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte;
  • 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Stedelijke ontwikkeling

Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Aangezien bij dit plan slechts drie woningen worden gerealiseerd (waarvan twee extra woningen), is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is er geen verantwoording noodzakelijk in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie

Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie

Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht op 10 maart 2021 vastgesteld. Dat betekent dat de provincie Utrecht - vooruitlopend op de Omgevingswet - vanaf 1 april 2021 aan de slag is gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals verwoord in de Omgevingsvisie.

De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en geeft mee dat lokale afwegingen mogelijk zijn als een veilige en gezonde omgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor die gezonde en veilige leefomgeving is in de Omgevingsvisie opgedeeld in zeven beleidsthema's. De sociale en veilige leefomgeving loopt als een rode draad door de beleidsthema's heen. Het betreft de volgende beleidsthema's:

  • 1. Stad en land gezond;
  • 2. Klimaatbestendig en waterrobuust;
  • 3. Duurzame energie;
  • 4. Vitale steden en dorpen;
  • 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;
  • 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

De volgende onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn direct relevant voor onderhavige ontwikkeling.

Planspecifiek

Beschermingszone drinkwaterwinning

Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de ‘zorgplicht drinkwater’ genoemd. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in onze provincie hebben wij een beschermingszone drinkwaterwinning. Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid hebben we tot 2050 extra drinkwater nodig, waarvoor oppervlakte- en grondwater wordt onttrokken. Hiervoor ontwikkelen we samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe grondwaterwinningen en breiden we bestaande grondwaterwinningen uit.

Het is van belang om daarnaast een deel van het grondwater te beschermen, om ook de groei van de drinkwatervraag op te kunnen vangen op de langere termijn en in extreme situaties (zoals nu nog niet voorziene extra sterke bevolkingsgroei of een veel hoger verbruik per persoon). Daartoe beschermen we het gebied dat we de strategische grondwatervoorraad noemen (in onder andere de landelijke Structuurvisie Ondergrond (STRONG) wordt dit de Aanvullende Strategische Voorraden genoemd). Bij onttrekkingen uit deze grondwatervoorraden geldt als uitgangspunt dat deze voorraden niet worden uitgeput. Het beoogde plan is relatief kleinschalig en zal geen invloed hebben op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater voor drinkwaterwinning.

Grondwaterlichaam Zand Rijn-Midden

Het plangebied valt binnen de aanduiding 'grondwaterlichaam Zand Rijn-Midden'. We verbeteren de kwaliteit en kwantiteit van de grondwaterlichamen (voldoende en schoon grondwater) om te voldoen aan de KRW-doelen. We beschermen het grondwater ten behoeve van de volgende functies: menselijke consumptie, toekomstige drinkwaterwinning (strategische grondwatervoorraden) en grondwaterafhankelijke natuur en landbouw.

We willen controle blijven houden op de grondwaterkwaliteit en de (historische) verontreinigingen. De opgaven waar we voor staan en de situatie van het bodem- en grondwatersysteem verschillen per gebied. Daarom willen we zo veel mogelijk per gebied gezamenlijk met waterbeheerders, gemeenten, drinkwaterbedrijven en andere partners het beleid en de aanpak van het (bodem-) en grondwatersysteem bepalen.

Landschap Gelderse Vallei

Het plangebied valt binnen de aanduiding 'Landschap Gelderse Vallei'. De Omgevingsvisie geeft aan dat een landschap geen statisch plaatje is: landschap is altijd in ontwikkeling en dynamiek hoort daarin. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties). Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten.

Voor het landschap Gelderse Vallei wil de provincie Utrecht de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken:

  • rijk gevarieerde kleinschaligheid;
  • stelsel van beken, griften en kanalen;
  • Grebbelinie;
  • overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten.

Landbouwgebied

Ons beleid is in principe gericht op het duurzaam toekomstperspectief geven aan de agrarische bedrijven.

Daar waar de bouwpercelen gunstig liggen ten opzichte van de goede landbouwgrond is in het geval een agrarisch bedrijf stopt, het behoud van een agrarisch bouwperceel voor de landbouw wenselijk. Door het grote aantal bedrijven dat stopt, en de soms ongunstige ligging van bouwperceel ten opzichte van veldpercelen is dit echter vaak niet haalbaar.

Als een agrarisch bouwperceel geheel vrijkomt is ons beleid gericht op sloop van overbodig geworden bedrijfsbebouwing. Wij bieden via onze Omgevingsverordening in het landelijk gebied ruimte voor de bouw van één tot drie woningen (ruimte-voor-ruimte). Daarbij is het uitgangspunt dat alle bedrijfsmatige bebouwing moet worden gesloopt. Naar mate er meer wordt gesloopt, is er meer ontwikkelruimte. We hanteren standaard normen. Hiervan kan door gemeenten worden afgeweken, indien een evenredige kwaliteitswinst anders dan sloop van gebouwen wordt bereikt. Zo ontstaat ruimte voor maatwerk: bijvoorbeeld meer dan 1 tot 3 woningen, woningen op een andere plek dan het agrarisch bouwvlak, combineren van sloop van meerdere bouwvlakken of vestiging van een groter niet-agrarisch bedrijf. We monitoren het gebruik van de regels en het daarin geboden maatwerk en passen dit zo nodig aan voor een groter doelbereik.

Bij de beoordeling van evenredige kwaliteitswinst, anders dan door sloop, kunnen onder andere de volgende aspecten een rol spelen: herstel van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap), oplossingen voor de wateropgave, realisering van wandel- en recreatievoorzieningen, de verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern en extra, compact gebouwde woningen die aantoonbaar in een plaatselijke woningbehoefte voorzien. De beoordeling of sprake is van meer ruimtelijke kwaliteit is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente. Gemeenten kunnen een eigen afweging maken om een andere, evenredige vorm van ruimtelijke kwaliteitswinst mogelijk te maken. Wij faciliteren gemeenten graag bij de invulling van het kwaliteitsbegrip. Wij stimuleren daarbij de samenwerking tussen gemeenten, bijvoorbeeld om tot uitwisseling van sloopmeters te komen. Daarmee voorkomen we verrommeling en dragen we bij aan ontstening.

3.2.2 Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten hebben eveneens op 10 maart 2021 de interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht vastgesteld. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers.

Planspecifiek

Voor onderhavig plan heeft de provinciale Interim omgevingsverordening relevantie met betrekking tot de regeling voor functiewijziging van (voormalig) agrarische bedrijfspercelen naar woonfunctie, de beschermingszone drinkwaterwinning en het landschap Gelderse Vallei. Deze aspecten zijn reeds behandeld in paragraaf 3.2.1.

Functiewijzing (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie

De locatie Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen behoort in de Interim omgevingsverordening tot het landelijk gebied. Ten eerste bepaalt artikel 9.2 van de Verordening dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het landelijk gebied geen verstelijking toelaat. Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te behouden, moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies voorkomen worden. Binnen deze context zijn nieuwe vormen van verstedelijking niet toelaatbaar. Op dit verbod zijn in de Interim omgevingsverordening uitzonderingen mogelijk. Voor onderhavig initiatief is in hoofdzaak de uitzondering in artikel 9.10 en artikel 9.11 van de Interim omgevingsverordening van belang.

Artikel 9.10 van de Interim omgevingsverordening maakt het mogelijk om een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel een woonbestemming te geven. Bedrijfsruimte die tot het hoofdgebouw behoort en onder hetzelfde dak als de bedrijfswoning is aangebouwd (de voormalige deel), mag aan de burgerwoonbestemming worden toegevoegd. In deze situatie is ook splitsing van het gebouw in meerdere wooneenheden toegestaan. Voorwaarde is wel dat de eenheid in de bebouwing behouden blijft. Daarbij moet voorkomen worden dat de woningen op termijn vervangen worden door bijvoorbeeld vrijstaande woningen.

Voor het toevoegen van een tweede woning in de monumentale stenen schuur en een derde woning in de schaapskooi/veldschuur kan artikel 9.11 van de Interim omgevingsverordening worden toegepast. Dit artikel maakt functiewijziging van een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie mogelijk met extra woningen. Op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd kunnen, onder voorwaarden, één of meer nieuwe woningen worden toegestaan.

Artikel 9.10

Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie

  • 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locatie binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat een agrarisch bedrijfsperceel waar het agrarisch gebruik is beëindigd een woonbestemming wordt gegeven aan de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw, of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw;
    • b. de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden of versterkt;
    • c. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; en
    • d. een kantoor of bedrijf aan huis is mogelijk indien de omvang van die activiteiten ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.
  • 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Sub a)

Het agrarische bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen ligt in de reconstructiewetzone-verwevingsgebied. Het bouwvlak van de intensieve veehouderij ligt op minder dan 200 meter afstand van de woonkern Maarsbergen. Het belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonkern Maarsbergen schuurt met de belangen van de bedrijfslocatie Woudenbergseweg 92a. Gelet op het voorgaande is het bouwperceel Woudenbergseweg 92a niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de landbouw. Met het voorgenomen initiatief is er sprake van een nieuwe duurzame functie die bovendien leidt tot behoud van monumentale bebouwing en herstel van een monumentaal erf.

Sub b)

Onderhavig initiatief leidt tot behoud en versterking van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Ten eerste is van belang dat de herontwikkeling leidt tot behoud van monumentale bebouwing en herstel van een monumentaal erf. De nieuwe wooneenheden vormen een kostendrager voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het monumentale erf met bijbehorende bebouwing.

Ten tweede is bij de nieuwe erfopzet nadrukkelijk rekening gehouden met de bestaande landschappelijke waarden. Er is in de beoogde nieuwe situatie sprake van een compact erf passend bij de boerderij en het omliggende landschap. Het erf blijft een herkenbaar ensemble als één boerenerf. Daarnaast wordt het nieuwe erf landschappelijk ingepast.

Tot slot wordt door het verwijderen van het agrarisch bouwvlak een verdere aantasting van de landschappelijke waarden voorkomen.

Sub c)

Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt aan de Rottegatsteeg 1a in Maarsbergen. Het betreft een grondgebonden veehouderijbedrijf. Het agrarisch bouwvlak ligt op ruime afstand, circa 400 meter, van de beoogde woningen ter plaatse van het plangebied. Daarmee worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

Sub d)

Voor de woonboerderij gaat de bestemming 'Wonen - B1' gelden. Binnen deze bestemming is het wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis toegestaan. In de specifieke gebruiksregels zijn de regels omtrent de uitoefening van een beroep- en/of bedrijf aan huis nader gespecificeerd. Met deze regels is geborgd dat de uitoefening van een beroep- en/of bedrijf aan huis ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.

Artikel 9.11

Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen ('ruimte voor ruimte')

  • 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meer nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
    • a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw;
    • b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit;
    • c. de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en
    • d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
  • 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Sub a)

Verwezen wordt naar bovenstaande toetsing aan arikel 9.10 van de Interim omgevingsverordening.

Sub b)

Op het perceel Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen is, met uitzondering van een kapschuur, enkel historisch waardevolle bebouwing aanwezig. Zowel de dwarshuisboerderij als de stenen schuur zijn aangemerkt als gemeentelijk monument. De voormalige schaapskooi/veldschuur geldt als een cultuurhistorisch waardevol gebouw. Conform artikel 9.11 van de Interim omgevingsverordening krijgt deze bebouwing met onderhavig initiatief een passende functie die bijdraagt aan het behoud. De nieuwe wooneenheden vormen een kostendrager voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het monumentale erf met bijbehorende bebouwing.

De overige bebouwing bestaat enkel uit een (niet-monumentale) kapschuur met een oppervlakte van circa 70 m2. Deze kapschuur wordt gesloopt en ter plaatse wordt een nieuwe carport gerealiseerd. Voor de extra woning in de monumentale stenen schuur en in de voormalige schaapskooi/veldschuur wordt niet voldaan aan de sloop van minimaal 750 m2. Afwijking van de sloopvoorwaarden is mogelijk wanneer dat leidt tot meer ruimtelijke kwaliteit. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan:

  • 1. herstel van landschapselementen;
  • 2. versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap) of lokale cultuurhistorische waarden;
  • 3. realisering van extra natuur binnen de Groene contour;
  • 4. oplossingen voor de wateropgave;
  • 5. realisering van wandel- en recreatiemogelijkheden;
  • 6. verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern;
  • 7. sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van een natuurgebied (NNN). Bijvoorbeeld agrarische bedrijven die in een extensiveringsgebied zijn gelegen.

Onderhavige ontwikkeling voorziet in het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij aan de Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen. Daarmee wordt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering bereikt waarmee bij diverse voorbeeldmaatregelen, zoals hierboven benoemd wordt aangesloten. Daarmee is de genoemde afwijking van de sloopvoorwaarden aanvaardbaar.

Ten eerste leidt de voorgenomen landschappelijke inpassing tot herstel van landschapselementen. De landschappelijke inpassing versterkt de karakteristieken van het erf en draagt bij aan een hogere natuurwaarde.

Ten tweede leidt de herontwikkeling tot een duidelijke versterking van de lokale cultuurhistorische waarden. Bij bovenstaande toetsing aan artikel 9.10 van de Interim omgevingsverordening is al aangegeven dat het initiatief leidt tot behoud van monumentale bebouwing en herstel van een monumentaal erf. In de huidige situatie is het erf ernstig in verval. De nieuwe wooneenheden vormen een kostendrager voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het monumentale erf met bijbehorende bebouwing. Door een passende erfopzet met bijbehorende landschappelijke inpassing wordt de cultuurhistorische waarde van de locatie als monumentaal erf in het buitengebied versterkt. Daarnaast leidt de herontwikkeling tot behoud van een cultuurhistorisch waardevolle voormalige schaapskooi, waarbij door herbestemming de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde behouden blijft,

Ten derde wordt een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bereikt door het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij op korte afstand van de woonkern Maarsbergen. Gelet op het feit dat het bouwvlak van de intensieve veehouderij op minder dan 200 meter afstand van de woonkern Maarsbergen ligt, leidt onderhavige herontwikkeling tot een verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern. In ieder geval wordt een potentiële verslechtering van het woonmilieu in Maarsbergen voorkomen door het verwijderen van het bouwvlak.

Sub c)

De nieuwe wooneenheden worden binnen de bestaande bebouwing gecreëerd. Daarmee zijn de woningen binnen het voormalige bouwperceel gesitueerd. Door een passende erfopzet en compact erf is er sprake van samenhang met de te handhaven dwarshuisboerderij. De woonpercelen zijn beperkt tot het noodzakelijke. Er wordt geen relevante extra bebouwing toegestaan. Voor de nieuwe noordelijke schuurwoning wordt, conform gemeentelijk beleid, een inpandige berging gerealiseerd. De agrarische bouwvlakken verdwijnen volledig en daarvoor in de plaats komen drie bouwvlakken ten behoeve van de boerderijwoning, de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf en de noordelijke schuurwoning. Het bouwperceel Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen wordt daarmee fors verkleind. Uit het landschappelijk inpassingsplan blijkt dat de woningen/het erf goed landschappelijk worden ingepast.

Sub d)

Verwezen wordt naar bovenstaande toetsing aan arikel 9.10 van de Interim omgevingsverordening.

Beschermingszone drinkwaterwinning

Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen in een beschermingszone drinkwaterwinning met een kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 3.7 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan geen activiteiten toelaat en geen bestemmingen en regels bevat die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. Onderhavig plan betreft een woonfunctie wat geen verontreinigingsrisico met zich mee brengt. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0014.png" Uitsnede kaart 'Ondergrond en bodem kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening)

Landschap Gelderse Vallei

Het plangebied is gelegen in het Landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.

Zoals eerder aangegeven leidt onderhavig initiatief tot een versterking van de cultuurhistorische waarden. Daarnaast is bij de erfopzet nadrukkelijk rekening gehouden met de boerderij en het omliggende landschap. Het landschap van de Gelderse Vallei kenmerkt zich onder meer door een rijk gevarieerde kleinschaligheid. Door verkleining van het bouwvlak wordt bijgedragen aan het tegengaan van het verlies van de oorspronkelijke kleinschaligheid van de Gelderse Vallei. In de nieuwe situatie is er sprake van een compact erf, waarbij deze een herkenbaar ensemble blijft als één boerenerf. Met de beoogde landschappelijke inpassing worden de contrasten tussen openheid en geslotenheid vergroot, waarmee de herkenbaarheid verbeterd.

Tot slot is er door het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij geen risico meer dat meststoffen naar het oppervlaktewater afspoelen en daarmee het water vervuilen.

Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief leidt tot een versterking van de kernkwaliteiten. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Interim omgevingsverordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0015.png" Uitsnede kaart 'Cultuurhistorie en landschap kaart 2' (Bron: Interim Omgevingsverordening)

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal'

De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld. Daarin zijn onder meer afspraken op hoofdlijnen opgenomen over de ontwikkeling van gebieden en kwaliteiten tot 2030. Voor de periode 2010-2016 zijn concretere afspraken opgenomen.

Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogd voor iedereen de waarde van de leefomgeving voor iedereen.

Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving. Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met zes thema's, die een breed terrein bestrijken:

  • 1. Natuur over de heuvels;
  • 2. Op de schouders van ons erfgoed;
  • 3. Duurzaam bereikbaar;
  • 4. Leefbare dorpen;
  • 5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • 6. Maatwerk voor wonen en werken.

De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'. Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.

Planspecifiek

Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de structuurvisiekaart behorende bij de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0016.png" Uitsnede structuurvisiekaart Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' met aanduiding plangebied

Onderhavig plangebied ligt in het gebied 'gemengde zone met landbouw'. In dit hoofdaccent is ruimte voor een breed scala aan functies en waarden, die wel moeten passen in een agrarisch landschapsbeeld en eraan bijdragen.

Voorts wordt aangegeven dat het een tamelijk afwisselend gebied is dat weliswaar grotendeels voor de landbouw in gebruik is, maar ook cultuurhistorische en natuurwaarden kent.

Conclusie

De herontwikkeling van het plangebied is geheel in lijn met de ambities uit de Structuurvisie. Een inmiddels gestaakt agrarisch bedrijf wordt omgezet naar een plek om te wonen, waarbij er herstel plaatsvindt van een ernstig in verval geraakt monumentaal erf en een cultuurhistorisch waardevolle schaapskooi behouden blijft. Onder meer door het creëren van een compact erf welke landschappelijk wordt ingepast, is de herontwikkeling passend in het bestaande agrarisch landschapsbeeld. Het initiatief draagt verder bij aan de rijk gevarieerde kleinschaligheid van het landschap en zorgt mede voor de gewenste vergroting van de contrasten tussen openheid en geslotenheid.

3.3.2 Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug (concept)

De Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug heeft in maart-april 2022 als concept ter inzage gelegen. De Omgevingsvisie omvat de visie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op de fysieke leefomgeving voor 2040.

Kernprincipes en ambities

In de Omgevingsvisie wordt uitgegaan van drie kernprincipes. Binnen elk kernprincipe zijn diverse ambities geformuleerd. De drie kernprincipes luiden als volgt:

  • 1. Kwalitatief hoogwaardige leefomgeving;
  • 2. Vitale dorpen;
  • 3. Toekomstgericht.

Binnen het kernprincipe 'kwalitatief hoogwaardige leefomgeving' is in verband met voorliggend initiatief met name het thema 'waardevolle cultuurhistorie en archeologie' van toepassing met de ambitie: 'instandhouding van beschermde waarden'. De gemeente Utrechtse Heuvelrug toetst bij bouwaanvragen en andere ontwikkelingen niet alleen op behoud van monumentaal beschermd erfgoed, maar ook op gebouwen en groene structuren die geen beschermde status, maar wel cultuurhistorische waarde hebben.

Uitwerking per gebied

De meer algemene ambities en keuzes zijn ook vertaald naar de verschillende gebieden binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In de Omgevingsvisie wordt per gebied beschreven welke keuzes gemaakt worden.

Het plangebied valt binnen het gebied 'Gelderse Vallei'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het gebied 'Gelderse Vallei' met bijbehorende keuzes. Hieruit blijkt dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug zich voor dit gebied inzet voor behoud en versterking van de cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt specifiek aangegeven dat locaties met vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden getransformeerd naar kleinschalige woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0017.png" Uitsnede kaart Gelderse Vallei' met bijbehorende keuzes

Conclusie

De herontwikkeling van het plangebied is in lijn met de concept-Omgevingsvisie Utrechtse Heuvelrug. Het herstel van een monumentaal erf en behoud van een cultuurhistorisch waardevolle schaapskooi, draagt bij aan de ambitie tot behoud van waardevolle cultuurhistorie. Daarnaast wordt met de herontwikkeling van een locatie met voormalige agrarische bebouwing, aangesloten bij één van de keuzes voor het gebied 'Gelderse Vallei'. Tot slot wordt met de beoogde landschappelijke inpassing voorzien in de gewenste kleine landschapselementen.

3.3.3 Woonvisie 2018 - 2022

In augustus 2018 heeft de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug de woonvisie 'Woonvisie 2018-2022' vastgesteld. Met deze woonvisie wordt richting gegeven aan demografische ontwikkelingen, veranderingen in de samenleving en wetgeving op het gebied van wonen. Voor deze woonvisie zijn prognoses tot 2040 gebruikt, maar de focus ligt op de komende 4 jaar (t/m 2022).

De woonvisie behandeld de drie hoofdthema's 'woningmarkt in beweging', 'thuis in de wijk' en 'duurzaam wonen'.

Woningmarkt in beweging

De inwoners van de gemeente Utrechtse Heuvelrug moeten goed kunnen wonen in een veilig een prettige omgeving waar genoeg woningen zijn. Om dit te bereiken moeten er voldoende geschikte woningen zijn en moeten er genoeg nieuwbouwwoningen opgeleverd worden. Hierbij wordt voortgebouwd op de afspraken uit het raadsprogramma, zijnde:

  • 1. Creatieve en slimme oplossingen om ruimte en mogelijkheden te creëren voor verschillende doelgroepen op de woningmarkt;
  • 2. Niet alleen kijken naar segmenten, maar ook naar verschillende typen woningen, vernieuwende woonvormen en verduurzaming;
  • 3. Meer verdichten, bijvoorbeeld het mogelijk maken en/of faciliteren door transitie van kantoorgebouwen, verplaatsen van bedrijven uit wijken, opdelen van kavels, woningsplitsing en meer de hoogte in bouwen, zoals nader uitgewerkt zal worden in de Nota inbreidingslocaties;
  • 4. Versnelde uitgifte van bouwenveloppen op gemeentelijk
  • 5. Inzetten op het bevorderen van doorstroming;
  • 6. Inzetten op maximale benutting van de plancapaciteit binnen de rode contour, en daarnaast de ster van Overberg.

Thuis in de wijk

De kwetsbare inwoners van de gemeente moeten zoveel mogelijk in staat zijn de regie over hun eigen leven te voeren. Ze moeten in een geschikte woning wonen waar ondersteuning dicht bij huis te krijgen is. Ze moeten volwaardig deel kunnen nemen aan de lokale samenleving.

Duurzaam wonen

De gemeente Utrechtse Heuvelrug wil een klimaatneutrale gemeente worden. De uitstoot binnen de gemeentegrenzen moet in de toekomst nul zijn. Het verduurzamen van de particuliere en sociale woningvoorraad zal een essentiële bijdrage leveren aan dit doel.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in overeensteming met de Woonvisie 2018 - 2022. Met de realisatie van drie woningen (waarvan twee extra woningen) wordt de doorsroming bevorderd. Het initiatief betreft een functiewijziging van een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel waarmee de ruimtelijke kwaliteit aanzienlijk verbeterd. Tot slot is het de ambitie om de nieuwe woningen zoveel mogelijk energieneutraal te bouwen, conform huidige wet- en regelgeving. Materiaalkeuzes zullen zo veel mogelijk duurzaam zijn. Het beoogde plan voldoet aan de ambities van de Woonvisie.

3.3.4 Nota Schaapskooien - Beleidsnota ten behoeve van het behoud van schaapskooien in de gemeente Utrechtse Heuvelrug

De gemeente Utrechtse Heuvelrug telt 31 schaapskooien. Dat zijn gebouwen die herinneren aan de geschiedenis van het schapenhouden op de Utrechtse Heuvelrug. Met hun typerende vorm, houten gevels en rieten daken zijn het karakteristieke gebouwen die van grote cultuurhistorische waarde zijn. De meeste schaapskooien hebben inmiddels een nieuwe functie gekregen en worden zo bewaard voor de toekomst. Voor andere kooien geldt dat er nog wordt gezocht naar een passende bestemming. De gemeente heeft een cultuurhistorische beleidsnota opgesteld over de instandhouding en herbestemming van de voormalige schaapskooien. Deze nota “Schaapskooien” is op 12 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld.

De nota Schaapskooien stelt voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat de cultuurhistorische waarde van de schaapskooien behouden blijft, terwijl er door middel van nieuwe functies toch ontwikkeling mogelijk is. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen schaapskooien die vrij in het veld liggen en schaapskooien die op een erf van een bijbehorende boerderij liggen. Voor deze laatste categorie zijn meer nieuwe functies mogelijk dan voor de schaapskooien die een vrije ligging in het veld hebben.

Om ervoor te zorgen dat als gevolg van herbestemming de cultuurhistorische waarden van de schaapskooien niet verloren gaan, gelden vanuit de nota de volgende voorwaarden ten aanzien van herbestemming:

  • 1. De functieverandering moet in dienst staan van het behoud van de cultuurhistorische waarden van de schaapskooi.
  • 2. Voor de vrij in het veld gelegen schaapskooien geldt dat de nieuwe bestemming samenvalt met de voetprint van de schaapskooi. Het omliggende terrein dient een bestemming te krijgen, die geen bouwmogelijkheden biedt.
  • 3. Voor de vrij in het veld gelegen schaapskooien geldt dat de functies woning en kantoor niet mogelijk zijn. Voor de kooien die op een erf met andere gebouwen liggen, geldt deze restrictie niet.
  • 4. Bij eventuele aanpassing van de schaapskooi worden de in de nota genoemde bouwkundige uitgangspunten in acht genomen.

In de Nota schaapskooien is onderhavige locatie als 'Woudenbergseweg 0' opgenomen (nummer 31), waarbij is aangegeven de schaapskooi 'vrij in het veld' is gelegen. Desondanks wordt uitgegaan van een schaapskooi op een erf van een bijbehorende boerderij. Daarbij is van belang dat de schaapskooi altijd bij het boerenerf Woudenbergseweg 92a heeft gehoord. De verbinding tussen het boerenerf en de schaapskooi is nog altijd zichtbaar door de laanachtige structuur tussen het erf en de schaapskooi. De schaapskooi ligt bovendien tegen het agrarisch bouwvlak Woudenbergseweg 92a aan.

Bij de schaapskooi 'Woudenbergseweg 0' staat de functieverandering ten dienste van de cultuurhistorische waarde van de schaapskooi. De nieuwe schuurwoning wordt binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd, waarbij het uitgangspunt is dat de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde behouden blijft. Het nieuwe bouwvlak valt samen met de voetprint van de schaapskooi. Er worden daarbuiten geen mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken opgenomen. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zullen de in de nota genoemde bouwkundige uitgangspunten in acht worden genomen.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Beeldkwaliteit

Nota Ruimtelijke kwaliteit, herziening 2017

De gemeentelijk nota ruimtelijke kwaliteit beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit "bouwen". In de nota is de gemeente opgedeeld in verschillende deelgebieden. Voor elk deelgebied gelden specifieke welstandscriteria.

Het doel van het beleid is het leveren van een bijdrage aan de schoonheid en aantrekkelijkheid van de (bebouwde) omgeving. De nota ruimtelijke kwaliteit legt vast op welke wijze toezicht plaatsvindt, op grond van welke uitgangspunten en criteria.

Het plangebied ligt in het overgangsgebied Gelderse Vallei, gebied 3 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.

Welstandsbeleid

Het welstandsbeleid in dit deelgebied is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke kenmerken van de overgangsgebieden. Aanvullende welstandscriteria gelden voor bebouwing in en nabij cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen en aan de routes Woudenbergseweg, Griftdijk, Heuvelsesteeg, Rottegatsteeg en de van Beuningenlaan. Extra aandacht zal uitgaan naar de uiterlijke verschijningsvorm. Ook is het behoud en de versterking van het cultuurhistorische karakter van de buitenplaatsenzone Maarsbergse Flank uitgangspunt.

Algemeen:

  • De bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek, wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.
  • Bij verbouw dienen de oorspronkelijke kenmerken als uitgangspunt.

Situering:

  • Daar waar sprake is van een slagenverkaveling dient de richting van gebouwen op het erf de verkavelingsrichting te volgen.
  • Aanvullende bebouwing dient aan te sluiten bij de bestaande kavelindeling per landschapstype en parcellering.

Massa en vorm:

  • De bebouwing heeft één bouwlaag en is voorzien van een kap.
  • Er is sprake van een duidelijke en eenvoudige hoofdvorm.
  • Er is sprake van een evenwichtig samenhangende gevelopbouw.
  • Bij grote gebouwen dient een geleding te worden toegepast.
  • Aan- en uitbouwen zijn in dezelfde stijl uitgevoerd als het hoofdgebouw.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik:

  • Per perceel is er samenhang in het materiaalgebruik en de kleurkeuze van hoofd- en bijgebouwen.
  • Bedrijfsgebouwen zijn voorzien van een gemetselde plint en hebben een traditioneel kleur- en materiaalgebruik.
  • Er wordt gebruik gemaakt van traditionele kleuren zoals baksteen in donkere/ aardekleuren, roodgrijze of rode dakpannen en rieten daken, licht, groen en donkerbruin houtwerk.
  • Glas, spiegelend materiaal en kunststof zijn als gevelbekleding niet toegestaan.

Aanvullende criteria voor bebouwing in en nabij cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen en aan de routes Woudenbergseweg, Griftdijk, Heuvelsesteeg, Rottegatsteeg en de van Beuningenlaan:

Situering, massa en vorm

  • De hoofdgevel is, indien zichtbaar, op de publieke ruimte georiënteerd.
  • Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
  • De massaopbouw bij grote bouwelementen is in samenhang met elkaar.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik:

  • Extra aandacht moet besteed worden aan de representativiteit van de bebouwing.
  • Binnen de buitenplaatsenzone Maarsbergse Flank is de detaillering zorgvuldig en passend enmoet de architectuur bijdragen aan het continue beeld en sfeer van de buitenplaatsenzone. Gebruik kleuren die passend zijn voor deze zone.

Conclusie

Onderhavig initiatief ziet in hoofdzaak op de omvorming van bestaande monumentale bebouwing. Dit vindt dan ook plaats in afstemming met de monumentencommissie. Daarnaast is er sprake van omvorming van bestaande cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Verder hebben onder meer bovenstaande welstandscriteria als uitgangspunt gefungeerd bij het ontwikkelen van het project. Waar mogelijk is in de juridische regeling van het voorliggende bestemmingsplan rekening gehouden met de van toepassing zijnde welstandscriteria. Zo wordt de situering van de nieuwe woningen vastgelegd door middel van een bouwvlak.

De overige aspecten uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit spelen een rol bij de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwplan door de welstandscommissie. Bij verdere uitwerking van de plannen zal aangesloten worden op de genoemde welstandscriteria.

4.2 Wonen

Woonvisie 2018 - 2022

De woonvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is in paragraaf 3.3.3 uitgebreid behandeld. Daarom zal de woonvisie op deze plek in het kort behandeld worden. De gemeente heeft als doel dat de inwoners een wooncarrière kunnen maken waarbij huishoudens door verhuizen naar een woning die aansluit bij hun situatie, waarin kan worden voorzien in de zorgvraag die zij nodig hebben en die past bij het inkomen. Bij dit centrale vraagstuk hanteert de gemeente drie hoofdthema's:

  • 1. Woningmarkt in beweging;
  • 2. Levensloopbestendig wonen;
  • 3. Duurzaam wonen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in overeensteming met de Woonvisie 2018 - 2022. Met de realisatie van drie woningen (waarvan twee extra woningen) wordt de doorstroming bevorderd. Het initiatief betreft een functiewijziging van een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel waarmee de ruimtelijke kwaliteit aanzienlijk verbeterd. Tot slot is het de ambitie om de nieuwe woningen zoveel mogelijk energieneutraal te bouwen, conform huidige wet- en regelgeving. Materiaalkeuzes zullen zo veel mogelijk duurzaam zijn. Daarnaast zal de beoogde nieuwe carport en de beoogde nieuwe gezamenlijke tuinschuur worden voorzien van zonnepanelen. Het beoogde plan voldoet aan de ambities van de Woonvisie.

4.3 Verkeer en parkeren

Provincie

Interim omgevingsverordening (Mobiliteitstoets)

De provincie vindt het van belang dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) voor alle verkeersvormen sprake is van een goede en tijdige ontsluiting. De provincie wijst er daarbij op dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een verstorend effect kunnen hebben op het functioneren van het verkeersnetwerk in de directe nabijheid. In dat geval zullen er extra maatregelen nodig om deze verstoring niet op te laten treden. Om het bovenstaande te bewerkstelligen stelt de provincie bij elke ruimtelijke ontwikkeling een mobiliteitsscan verplicht. Dit betekent dat in een vroegtijdig stadium (bij voorkeur al in de planvormingsfase) wordt nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk. Indien dit het geval is, is op grond van artikel 4.1 Interim omgevingsverordening het verplicht de zogenaamde mobiliteitstoets te doen.

Gemeente

Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (GVVP)

Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld (GVVP). In het GVVP is het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid opgenomen. Doelstelling van het GVVP is te zorgen voor een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en verkeersveilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente. Blijkens het GVVP kunnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang in principe alleen plaatsvinden op goed bereikbare plaatsen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dan ook getoetst te worden aan het GVVP. De gemeente gebruikt het GVVP bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Ten aanzien van parkeren worden bij nieuwbouw de CROW-normen gehanteerd. Hierbij geldt de minimale parkeernorm voor een weinig stedelijk gebied. Aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018 (voorheen: 'CROW 317 kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') kan inzicht worden verkregen in de parkeersituatie. De verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen, is eveneens te bepalen aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018.

Parkeren

Conform de CROW-normen geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied van een weinig stedelijk een gebied een minimale parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning. Het aandeel bezoekers maakt onderdeel uit van deze normen. Onderhavig plan voorziet op het gezamenlijke erf in 4 parkeerplaatsen. Voor de nieuwe noordelijke schuurwoning wordt voorzien in 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Verder is er in zijn algemeenheid op eigen terrein voldoende ruimte om te parkeren.

Verkeer

Zowel de boerderijwoning, de nieuwe schuurwoning op het oostelijk deel van het erf als de noordelijke nieuwe schuurwoning, worden ontsloten via de bestaande toegangsweg richting de Woudenbergseweg. De noordelijke schuurwoning ontsluit derhalve via het monumentale erf Woudenbergseweg 92a. Rekening houdend met de potentiële (zware) verkeersbewegingen in verband met de exploitatie van een intensieve veehouderij, zal het aantal verkeersbewegingen op de toegangsweg niet in relevante mate toenemen. Door het verdwijnen van potentiële zware verkeersbewegingen, heeft de voorgenomen functiewijziging een positief effect op de verkeerssituatie ter plaatse van de toegangsweg en de Woudenbergseweg.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Milieu

4.4.1 Milieu algemeen

Rijk

Milieu Effect Rapportage (M.E.R.)

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure doorlopen moet worden

De bouw van woningen is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder ook de bouw van woningen wordt verstaan. Het beoogde plan gaat uit van twee nieuwe woningen, waardoor de zogenaamde drempelwaarde van 2000 woningen niet wordt overschreden. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De vraag of een ontwikkeling een stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van het Besluit m.e.r. hangt volgens de jurisprudentie af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder andere de aard en omvang van de ontwikkeling een rol spelen.

Conclusie

In het beoogde plan zullen er drie woningen worden gerealiseerd (waarvan twee extra woningen) Er kan worden gesteld dat een dergelijke ontwikkeling naar aard en omvang niet is te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit M.e.r. Het besluit is op deze ontwikkeling niet van toepassing en er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht. Een vormvrije m.e.r. beoordeling is hierbij van toepassing en voorliggend hoofdstuk voorziet in deze beoordeling.

Provincie

Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021

Op 7 december 2015 is het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 vastgesteld. Dit is het beleidsplan wat de wettelijke provinciale taken zijn omtrent bodem, water en milieu voor de periode van 2016 - 2021. Hierin stelt de provincie vier prioriteiten:

  • Waterveiligheid en wateroverlast
  • Schoon en voldoende oppervlaktewater
  • Ondergrond
  • Leefkwaliteit stedelijk gebied

Deze prioriteiten hebben een beleidsinsteek opgeleverd die veel meer dan voorheen gericht is op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. Hierbij neemt de provincie Utrecht de rol op zich om te verbinden, te stimuleren of te regisseren. Gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. Hierbij streeft de provincie naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. Daarnaast streeft de provincie naar bodem-, water-, en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. Ook streeft de provincie naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. Als laatste streeft de provincie Utrecht naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

Conclusie

Voorliggend plan leidt tot een verbetering van de leefkwaliteit. Er wordt een agrarische bedrijfsbestemming ten behoeve van een intensieve veehouderij gesaneerd. De bestaande (bedrijfs)bebouwing krijgt een nieuwe duurzame functie en de verharding neemt per saldo niet toe. Tot slot is er door het saneren van een locatie voor een intensieve veehouderij geen risico meer dat meststoffen naar het oppervlaktewater afspoelen en daarmee het water vervuilen.

Gemeente

Programma "Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal" (2017)

In deze vernieuwde milieubeleidsplanning neemt duurzaamheid en kwaliteit van de leefomgeving een belangrijke plaats in. Ruimtelijke ontwikkelingen worden tevens gerelateerd aan milieukwaliteitsprofielen die voor verschillende typen omgevingen zijn geformuleerd.

Gebiedsgericht milieubeleid

De gemeente Utrechtse Heuvelrug werkt met gebiedsgericht milieubeleid. De gemeente is opgedeeld in gebiedstypen. Bij iedere gebiedstype hoort een milieukwaliteitsprofiel met bijbehorende kenmerkende kwaliteiten die bij ruimtelijk ontwikkelingen worden getoetst. Voor dit bestemmingsplan is profiel 'Landelijk gebied, verweving van functies' van toepassing:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0018.png"

In onderstaande milieuparagrafen worden bovenvermelde milieuaspecten getoetst aan dit profiel.

4.4.2 Bodem

Rijk en provincie

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Bodemkwaliteit plangebied

Het deel van het plangebied waar de functiewijzing naar wonen is voorzien, heeft op dit moment een agrarische bedrijfsbestemming. Er hebben mogelijk bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Ten behoeve van voorliggend plan zijn twee verkennende bodem- en asbestonderzoeken uitgevoerd.

Het eerste verkennend bodem- en astbestonderzoek is in 2019 uitgevoerd (en aangevuld in 2022) en heeft, onder meer, betrekking op het beoogde woonperceel voor de noordelijke schuurwoning (Bijlage 3).

Het betreffende verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Het aanvullend onderzoek in 2022 is uitgevoerd naar aanleiding van opmerkingen van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) op het in 2019 op de locatie uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek.

Het aanvullend bodemonderzoek heeft tot doel het vaststellen van de mate en omvang van het matig verhoogd aangetoonde gehalte aan PAK in de bovengrond uit boring 94 tijdens het verkennend onderzoek en het herbemonsteren van het grondwater uit peilbuis 81 op de parameter zink.

Het tweede verkennend bodem- en asbestonderzoek is in 2021 uitgevoerd en heeft betrekking op de beoogde woonpercelen voor de boerderijwoning en schuurwoning op het monumentale erf (Bijlage 4). In 2022 is er ten aanzien van dit deel van het plangebied een aanvullende monstername uitgevoerd (Bijlage 5). De aanvullende monstername is uitgevoerd naar aanleiding van opmerkingen van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) op het in 2021 op de locatie uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek.

De aanvullende monstername heeft tot doel het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond, ter plaatse van de voormalige bovengrondse brandstoftanks (boring 19 en 20).

Resultaten verkennend bodem- en asbestonderzoek (2019 met aanvulling in 2022)

In het pad naar de schaapskooi zijn zwakke tot sterke bijmengingen aan puin, grind, beton en hout aanwezig. In de vaste bodem rondom het pad en de schaapskooi zijn puinresten waargenomen. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem op het overige terrein geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen.

Ter plaatse van het weiland zijn in de vaste bodem, met uitzondering van lokaal licht verhoogde gehalten aan OCB’s in de toplaag, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.

Analytisch zijn in de bovengrond met bijmengingen ter plaatse en rondom het pad naar de schaapskooi licht verhoogde gehalten aan koper, lood, zink en minerale olie en matig verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten aan PAK overschrijden de tussenwaarde. Aangezien er geen gehalten zijn aangetoond boven de interventiewaarde is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve bestaat geen directe saneringsnoodzaak. Bij indicatieve toetsing betreft de puinhoudende bodemlaag klasse “Industrie”.

Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd. Indien de locatie wordt ontwikkeld en het puinpad wordt verwijderd, dient rekening te worden gehouden dat de puinhoudende grond ter verwerking dient te worden afgevoerd. Wij adviseren om voorafgaand aan de verwijdering van het puinpad een plan van aanpak op te stellen en ter goedkeuring in te dienen bij het bevoegd gezag.

Wij adviseren om bij eventuele ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) van toepassing. De aangetoonde verhogingen in de bovengrond kunnen bij toetsing aan het Bbk beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.

Resultaten verkennend bodem- en asbestonderzoek (2021)

In de vaste bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem, ter plaatse van de voormalige bovengrondse tanks, geen oliecomponenten waargenomen.

In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw op de locatie.

Geadviseerd wordt om bij eventuele ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). De aangetoonde verhogingen in de vaste bodem kunnen, bij toetsing aan het Bbk, beperkingen opleveren ten aanzien van het (her) gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.

Resultaten aanvullende monstername (2022)

Zintuiglijk zijn in de vaste bodem, ter plaatse van de voormalige bovengrondse tanks, geen oliecomponenten waargenomen.

Analytisch zijn in de bovengrond, ter plaatse van de voormalige bovengrondse HBO-tank (boring 19a) en dieseltank (boring 20a), geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond.

Analytisch zijn in de ondergrond, ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank (boring 20a), geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond.

Conclusie

Op basis van de resultaten van de bodemonderzoeken uit 2019 en 2021 en de aanvullingen uit 2022, blijkt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief. Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten ter plaatse van het plangebied.

4.4.3 Geluid

Rijk en provincie

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone.

Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde).

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief wordt nieuwe geluidsgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt in de vorm van nieuwe woningen. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van industrielawaai. Daarnaast ligt de nieuwe geluidsgevoelige bebouwing buiten de onderzoekszone van de spoorlijn Utrecht-Arnhem en buiten de onderzoekszone van de rijksweg A12. Het plangebied ligt wel binnen onderzoekszone van de N226 en de Ventweg/Woudenbergseweg. Uit het Geoportaal van de ODRU blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied 48 - 53 dB bedraagt (december 2016).

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0019.png" Uitsnede Geoportaal ODRU. Geluidscontouren wegverkeer 2030 incl. aftrek 110g Wgh

Resultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Gelet op het voorgaande is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 6). Hierbij is de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe geluidsvoelige objecten onderzocht ten gevolge van het verkeer op de volgende wegen:

  • 1. N226 (zowel 80 als 50 km/uur deel)
  • 2. Parallelweg Woudenbergseweg (zowel 60 als 30 km/uur deel).

Gezoneerde wegen: N226 (Woudenbergseweg)

Uit de resultaten blijkt dat de beoogde woningen een geluidbelasting (Lden) zullen ondervinden van maximaal 47 dB. Dit is lager dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen.

Niet-gezoneerde wegen: 30 km/uur wegen

Uit de resultaten blijkt dat bij de woningen geluidbelastingen als gevolg van het verkeer op de Parallelweg Woudenbergseweg optreden van maximaal 20 dB. Dit is ruim lager dan de voorkeurswaarde zoals deze geldt op basis van de Wet geluidhinder voor gezoneerde wegen.

In verband met een goede ruimtelijke ordening en een goed woonklimaat is het aan te bevelen om bij de bepaling van de geluidwering van de gevels rekening te houden met de bijdrage van deze 30 km/uur wegen. Dit kan door bij het ontwerp van de nieuwe woningen rekening te houden met de geluidbelasting.

Cumulatie geluid en Bouwbesluit

De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 49 dB. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 20 dB moet bedragen. Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a > 0 dB) voldaan aan de minimale geluidwering van de gevels.

In het kader van de beoordeling van het bestemmingsplan heeft de ODRU aanvullend een verificatieberekening uitgevoerd, waarbij tevens de rijksweg A12 is meegenomen. Uit deze verificatieberekening is gebleken dat de bijdrage van de rijksweg in cumulatie met de rekenresultaten uit het eerder genoemde akoestisch onderzoek niet leidt tot meer dan 53 dB.

Conclusie

Het aspect geluid levert geen beperkingen op voor dit plan. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen.

4.4.4 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

Daarnaast worden er bestemmingen benoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling, de zogenaamde gevoelige bestemmingen. Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen, maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit dit oogpunt moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM), d.w.z. hoogstens 3%, bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Deze grens wordt concreet gelijk gesteld aan een woonwijk van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Dit plan valt onder deze grens.

Luchtkwaliteit plangebied

De herontwikkeling van een locatie voor een intensieve veehouderij, waarbij de agrarische bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een reguliere woonfunctie met twee extra woningen in het buitengebied van Utrechtse Heuvelrug kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

Omdat sprake is van woningen (gevoelige functie) is met behulp van het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht gekeken of de kwaliteit van de lucht voldoende is om woningen toe te staan. Hieruit blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in 2018 ter plaatse van het plangebied 16-18 µg/m³, 19-20 µg/m³ respectievelijk 12-12,5 µg/m³ bedragen.

Ook in 2030 voldoet de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof (17-18 µg/m³) als stikstofdioxide (10-12 µg/m³). De concentratie PM2,5 blijft met een waarde van 10,0-10,5 µg/m³ eveneens ruim onder de grenswaarde.

Recentelijk is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 als PM2,5 drastisch verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3. Geen van deze WHO-advieswaarden wordt in de nabije toekomst gehaald. De concentratie stikstofdioxide voldoet in 2030 wel (nagenoeg) aan de advieswaarde van de WHO en ook de concentratie fijnstof komt hier in 2030 dicht bij in de buurt. Met inachtneming van de verwachting dat de lucht de komende jaren een stuk schoner wordt, zijn de huidige waarden acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Daarnaast is de kwaliteit van de lucht ter plaatse van het plangebied voldoende om woningen toe te staan. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

4.4.5 Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere milieubelastende functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is en dient beoordeeld te worden of ter plaatse van in de nabijheid gelegen gevoelige functies, zoals woningen sprake blijft van een adequaat woon- en leefmilieu. Bij het bepalen hiervan kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 worden gehanteerd. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform:

• VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'(editie 2009).

• Wet milieubeheer.

VNG handreiking

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk /buitengebied zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0020.png"

Om te voorkomen dat hinder ontstaat moet tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige bestemmingen (zoals woningen) voldoende afstand in acht genomen worden. Voor het bepalen van deze afstanden wordt getoetst conform de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) en de Wet milieubeheer. De richtafstanden gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Bij functiemenging kan worden afgeweken van deze afstanden.

Het plan

Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied dat zich laat karakteriseren als rustig buitengebied. In de directe omgeving bevinden zich immers hoofdzakelijk onbebouwde agrarische gronden met enkele verspreid liggende reguliere burgerwoningen.

In de directe omgeving van het plangebied liggen slechts enkele milieubelastende functies. Het gaat om het volgende:

Woudenbergseweg 13A

Ten eerste ligt ten noordwesten van het plangebied een sportbestemming ten behoeve van een golfbaan aan de Woudenbergseweg 13A in Maarsbergen. Dit betreft een functie behorende tot milieucategorie 1. In een rustig buitengebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. De bestemming 'Sport' staat tevens sportactiviteiten in bredere zin toe. Dit betreft (potentiële) functies in maximaal milieucategorie 3.1. In een rustig buitengebied gelden hiervoor richtafstanden van 50 meter. De afstand van de grens van de bestemming 'Sport' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de beoogde nieuwe woningen bedraagt circa 190 meter. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand en mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van deze milieubelastende functie.

Agrarische bedrijvigheid

Ten tweede ligt ten zuidoosten van het plangebied een agrarisch bouwvlak ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij stelt dat de afstand tussen een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en een grondgebonden bedrijf minimaal 50 meter moet bedragen. Het agrarisch bouwvlak bevindt zich op circa 400 meter van de beoogde woningen. Daarmee wordt voldaan aan de vaste afstand uit de Wet geurhinder en veehouderij en mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van deze milieubelastende functie.

Desondanks kan de gecumuleerde geurbelasting, ook wel bekend als de 'achtergrondbelasting', leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit dient beoordeeld te worden.

De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In onderhavig geval is sprake van gelijksoortige geuren die op enige afstand van elkaar liggen. Het aantal uren dat deze bronnen een geurgevoelig object belasten is groter dan bij een geurbelasting van een individueel bedrijf. Dit terwijl de pieken in de geurbelasting gelijk blijven. Doordat de betreffende veehouderijen in verschillende windrichtingen liggen, is geen sprake van een piekbelasting die hoger ligt dan bij situaties dat er slechts één geurbron aanwezig is. Doordat de veehouderijen daarnaast op een significante afstand liggen, circa 400 meter en verder, kan er geconcludeerd worden dat ook de cumulatieve geurhinder geen extra belemmeringen voor het woon- en leefklimaat oplevert.

Ambachtsweg 2 Maarsbergen

Ten derde ligt ten zuiden van het plangebied aan de Ambachtsweg 2 in Maarsbergen een bedrijfsbestemming met als maximale invulling een straatreinigingsbedrijf. Dit betreft een functie behorende tot milieucategorie 3.1. In een rustig buitengebied geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter. De afstand van de grens van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de beoogde nieuwe woningen bedraagt ruim 500 meter. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand en mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van deze milieubelastende functie.

Kern Maarsbergen

Tot slot ligt ten zuiden van het plangebied de kern Maarsbergen waarvoor de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening' vigeert. Binnen een straal van 350 meter van het plangebied bevinden zich in hoofdzaak woningen waarbij een beroep- en of bedrijf aan huis is toegestaan. Dergelijke bedrijvigheid is, gezien de ondergeschiktheid, niet relevant in het kader van bedrijven en milieuzonering. Voor het overige bevinden zich binnen een straal van 350 meter uitsluitend gronden die bestemd zijn voor maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2. Gezien de ruime afstand tot het plangebied wordt voldaan aan de richtafstanden en mag ter plaatse van het plangebied worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de milieubelastende functies in de kern Maarsbergen.

Gezien de afstand tot het plangebied en de ligging van bovengenoemde milieubelastende functies ten opzichte van reeds bestaande woningen worden omliggende bedrijven niet (verder) belemmerd door voorliggend plan.

Conclusie

Het aspect bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet van kracht. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is het risico uitgedrukt als de kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico zijn de cumulatieve kansen dat per jaar dat een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of een transport-as en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Plaatsgebonden risico 

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. De kans per jaar, dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, verblijft overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transport-as, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is, mag dus niet groter zijn dan 1 op een miljoen. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. In de verantwoording van het groepsrisico worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding.

Het plan

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0021.png" Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: risicokaart.nl)

Bedrijven – Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In een omtrek van 1,5 kilometer rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen.

Bedrijven – Overige veiligheidswetgeving

Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven gevestigd met een overig veiligheidsrisico. Propaantanks zijn in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst in dit gedeelte van de gemeente Utrechtse Heuvelrug niet bekend.

Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water

Er moet rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en water. Vaarwegen met structureel en grootschalig vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de buurt van het plan. De A12 ligt op een afstand van circa 730 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van de A12 is door het vervoer van LT2 (stofcategorie) 880 meter. Daarmee valt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A12.

De spoorlijn Amersfoort-Utrecht is niet aangewezen als basisnetroute. Er vindt dus geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Om deze reden is de spoorlijn niet relevant in het kader van externe veiligheid.

Op circa 180 meter van de beoogde noordelijke nieuwe schuurwoningen ligt de N226 die is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. De afstand tot de overige nieuwe woningen bedraagt circa 250 meter. Het verantwoordingsgebied van 200 meter reikt derhalve wel tot het beoogde nieuwe woonperceel van de noordelijke nieuwe schuurwoning.

Op de N226 kan een ongeval plaatsvinden waarbij vloeistoffen vrijkomen die een BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion) kunnen veroorzaken. Op de A12 kan een ongeval plaatsvinden waarbij een toxische wolk kan optreden. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een beperkte toename van het aantal personen binnen het plangebied. Het is daardoor niet aannemelijk dat 10% van de oriënterende waarde wordt overschreden of het groepsrisico met 10% toeneemt. Daarom volstaat een beknopte verantwoording van het groepsrisico, op basis van artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierop wordt in het navolgende nader ingegaan.

Gemeentelijke routering

Voor de gemeentelijke en provinciale wegen is in de gemeente Utrechtse Heuvelrug een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. De N226 is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Zoals hiervoor aangegeven volstaat hiervoor een beknopte verantwoording van het groepsrisico.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Er moet rekening worden gehouden met transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Het gasnet voor huishoudens en bedrijven valt niet binnen het kader van externe veiligheid. Ten zuiden van het plangebied ligt een DPO-leiding (P20_2) van defensie. Door deze leiding vind transport van brandbare vloeistoffen plaats. De afstand van de leiding tot aan de beoogde nieuwe woningen bedraagt circa 400 meter, daar waar het invloedsgebied 31 meter bedraagt. De leiding leidt niet tot een belemmering in de haalbaarheid.

Elektromagnetische straling

Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. De hoogspanningsverbinding ten noordoosten van het plangebied ligt op ruim 350 meter van de beoogde nieuwe woningen. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.

Risicotoetsing

Zoals aangegeven volstaat in dit geval een beknopte verantwoording van het groepsrisico, op basis van artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Er dient onder meer aandacht te worden besteedt aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Effecten

Op de N226 (Woudenbergseweg) kan een ongeval plaatsvinden waarbij vloeistoffen vrijkomen die een BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion) kunnen veroorzaken. Op de A12 kan een ongeval plaatsvinden waarbij een toxische wolk kan optreden. Vaak is dit een kleurloze, reukloze, giftige vloeistof. De giftige stof is zeer giftig bij huidcontact en inademing.

Bestrijdbaarheid

De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” en het bouwbesluit 2012.

Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang. Gelet op de bestaande ontsluiting en de nieuw aan te leggen ontsluiting, wordt de bereikbaarheid voldoende geacht. Ten aanzien van de verbindingsweg naar de noordelijke schuurwoning wordt bij de verdere uitwerking van het plan, en in het kader van de toekomstige aanvraag omgevingsvergunning, nagegaan of deze voldoet aan het Bouwbesluit 2012 (inzake hulpverleningsvoertuigen). Indien dit niet het geval is wordt de verbindingsweg in overeenstemming gebracht met de wettelijke eisen. De voorwaardelijke verplichting ten aanzien van landschappelijke inpassing blijft daarbij onverkort van toepassing.

Vanwege het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is het wenselijk dat het plangebied en de risicobron tenminste tweezijdig kan worden benaderd om niet afhankelijk te zijn van meteorologische invloeden. In onderhavig plan wordt hieraan voldaan. Het plangebied is zowel vanuit noordelijke als vanuit zuidelijke richtint bereikbaar via de Woudenbergseweg (N226). Dit geeft hulpdiensten genoeg mogelijkheden qua bereikbaarheid indien zij moeten optreden in geval van calamiteiten. Ook zijn de risicobronnen goed bereikbaar.

Voorts dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. In de huidige situatie zijn er geen bluswatervoorzieningen aanwezig in de nabijheid van het plangebied. De Veiligheidsregio adviseert daarom een geboorde put te realiseren met een minimale capaciteit van 90 m³/h. De beschikbaarheid van voldoende bluswatervoorzieningen wordt meegenomen bij het uitwerken van de verdere inrichting van het plangebied.

Zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt.

In het geval zich een BLEVE voordoet naar aanleiding van een ongeval op de provinciale weg (N226), is het advies aan de personen in het plangebied om te vluchten van de bron af. Wanneer de hittestraling hier te groot voor is, is het belangrijk dat personen dekking zoeken of schuilen in een aangewezen gebouw. Bij onderhavig plan kan men van de bron af in noordelijke dan wel oostelijke richting over de weilanden vluchten. Bij een te grote hittestraling kan men schuilen in één van de nieuwe woningen.

Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in een aangewezen gebouw te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste in combinatie met het sluiten van deuren en ramen. In het geval in onderhavig plan gebruik wordt gemaakt van mechanische ventilatie zal de nieuwbouw worden voorzien van uitschakelbare ventilatie, zodat men in de woning kan schuilen en toxisch gas niet naar binnen wordt gezogen. De mechanische ventilatie is met één druk op de knop uit te schakelen. Voor de woningen wordt dit bereikt door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te installeren. In het geval gebruik wordt gemaakt van natuurlijke ventilatie worden, in het kader van risicocommunicatie, de toekomstige bewoners geïnformeerd over de mogelijke scenario's en handelingsperspectieven daarbij.

Om te zorgen dat de personen in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen, is een goede risicocommunicatie van groot belang. De bewoners van de toekomstige nieuwe woningen zullen worden geïnformeerd over de mogelijke scenario's en handelingsperspectieven daarbij.

In zijn algemeenheid geldt dat de aanwezige personen in het plangebied zelfredzame personen zijn.

Conclusie

Voor zowel plaatsgebonden risico als groepsrisico wordt voldaan aan de ambitiekwaliteit van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van zowel de A12 als de N226 voor wat betreft transport van gevaarlijke stoffen. Hiervoor is in het voorgaande een beperkte verantwoording gegeven. De nabijgelegen spoorweg is niet aangemerkt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Daarnaast ligt het plangebied buiten het het invloedsgebied van een leiding waar transport van brandbare vloeistoffen door plaatsvindt.

Er is geen risicorelevante bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied aanwezig.

Conclusie

Het veiligheidsaspect levert geen belemmeringen op voor de verdere planontwikkeling.

4.4.7 Duurzaamheid

De Gemeente Utrechtse Heuvelrug is een groot voorstander van duurzame ontwikkeling / bouwen en wil dit graag actief ondersteunen in haar ruimtelijke beleid. Duurzaam bouwen is een manier van bouwen waarbij het milieu zo min mogelijk wordt belast, een optimale woonkwaliteit wordt gerealiseerd en het gebouw een lange levensduur heeft. Dit kan door bijvoorbeeld meer flexibiliteit in gebruik in te bouwen of door een beter op het gebruik afgestemde materiaalkeuze.

Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.

Wetgevend kader

De wettelijke eisen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2021 is het bouwbesluit gewijzigd en zijn de eisen ten aanzien van duurzaamheid veranderd en aangescherpt. Deze zijn als volgt:

  • Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil - 4,7 voor gevel, 6,3 voor het dak en 3,7 voor de vloer;
  • Een gemiddelde U-waarde van 1,65 voor ramen (glas en kozijn) en deuren, maximaal 2,2;
  • Per 1 januari 2021 zijn de BENG eisen van kracht voor nieuwbouw. De minimale BENG-waarden zijn afhankelijk van het soort gebouw, de afmetingen van het gebouw en de bouwwijze zijn. De BENG eisen bestaan uit eisen voor: BENG 1 = maximale energiebehoefte, BENG 2: maximaal gebruik fossiele energie en BENG 3 = aandeel duurzame energie.
  • Ook is voor woningen een nieuwe norm om de oververhitting te voorkomen, de 'TO-juli'. Deze mag voor woningen maximaal 1,2 bedragen. Voor de vergunningsaanvraag is een geregistreerde BENG berekening nodig.
  • Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Vanaf 2015 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m². De MPG eisen voor woningbouw zijn per 1 juli 2021 aangescherpt naar een maximale MPG waarde van 0,8.

Conclusie

De initiatiefnemer is zich bewust van de visie van zowel de gemeente Utrechtse Heuvelrug alsmede de provincie Utrecht. De initiatiefnemer zal bij de verdere uitwerking rekening houden met de bovenstaande regelgeving en ambities.

Milieuprestatie Gebouw (MPG)

Vanaf 2015 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m². De initiatiefnemer kan op twee manieren aantonen te voldoen aan het Bouwbesluit:

• Zelf documenten aanleveren waarmee aangetoond wordt dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

• Het aanleveren van een SBK-bewijs MPG, hetgeen voldoende bewijs is dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) geeft op de website www.milieuprestatiebewijs.nl informatie over het aanvragen van een SBK-bewijs. Voor het aanvragen moet een berekening worden aangeleverd, voor maken van een berekening is een gratis licentie beschikbaar bij de Omgevingsdienst voor de software van GPR Gebouw.

De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het bouwbesluit van 2012. Aanvullend op deze eisen heeft de Gemeente Utrechtse Heuvelrug haar duurzaam bouwen beleid verwoord in het milieubeleidsplan "Natuurlijk Duurzaam" (2009).

Het plan

De planontwikkeling levert een bijdrage in het streven naar efficiënt ruimtegebruik en is gericht op een duurzame versterking van het landelijk gebied en de cultuurhistorische waarde van de locatie Woudenbergseweg 92a in het bijzonder.

Conclusie

Bij de realisatie van de woningen zal voldaan worden aan de wettelijke eisen met betrekking tot energie en duurzaam bouwen. Daarnaast zal de beoogde nieuwe carport en de beoogde nieuwe gezamenlijke tuinschuur worden voorzien van zonnepanelen.

4.5 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit de toelichting en verbeelding van het geldende bestemmingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.6 Water

Rijk

Het Nationaal Waterbeleid is gericht op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het nationale beleid heeft geen directe implicaties voor dit bestemmingsplan.

Provincie

Het waterbeleid van de provincie Utrecht omvat het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie.

Het plangebied heeft in het provinciale waterbeleid de functie 'landelijk gebied' waarvoor specifieke doelstellingen gelden. Deze vinden hun neerslag in waterbeheerplannen.

Waterschap Vallei en Veluwe

Blauwe Omgevingsvisie 2050

Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma.

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 22 november 2021 het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) vastgesteld.

Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050). Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Het plangebied valt binnen het gebiedsprogramma Gelderse Vallei. Rondom het plangebied is het volgende doel gesteld:

  • Landgoederen (onder andere Groot Bylaer) langs de beken en de Utrechtse Heuvelrug bieden kansen om het watersysteem te verbeteren en natuurwaarden te versterken

Regionaal

Convenant afkoppelen

In november 2015 is de jongste versie van het convenant "Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug" getekend tussen de provincie Utrecht, 10 gemeenten met grondgebied op de Utrechtse Heuvelrug en de waterschappen Vallei & Veluwe en HDSR. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over welke verharde oppervlakken wel en niet kunnen worden afgekoppeld, afhankelijk van het risico van vervuiling van het grondwater. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen afkoppelen binnen en buiten het grondwaterbeschermings-gebied van de drinkwaterwinningen op de Utrechtse Heuvelrug. Voor dakoppervlakken geldt in dit convenant, dat zowel binnen als buiten het grondwaterbeschermingsgebied deze zonder aanvullende voorzieningen kunnen worden afgekoppeld. Voor andere oppervlakken kunnen aanvullende eisen worden gesteld waarvoor het convenant als richtlijn geldt.

Gemeente

Waterbeleid Gemeente Utrechtse Heuvelrug

Het waterbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is gericht op het voorkomen en terugdringen van verontreiniging van oppervlaktewater door inzameling afvoer en zuivering van afvalwater, het terugdringen van ongewenste lozingen en het voorkomen van verontreiniging van regenwater via afkoppeling en het gebruik van niet uitlogende (bouw)materialen.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan

Het gemeentelijke rioleringsplan bevat de integrale visie van de gemeente op grondwater, regenwater en stedelijk afvalwater. Het beleid is gericht op het versterken en /of intensiveren van het voorgaande beleid. Hierin staan de volgende basisprincipes centraal:

  • Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit)
  • Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit)
  • Waarborg tegen overstroming - overstromingsrobuust bouwen (veiligheid)

Beleid hemel- en afvalwater.

Voor het hemelwater streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk ter plaatse vast houden van water. Dit betekent dan dat het hemelwater niet langer het riool ingaat maar lokaal wordt geborgen in de bodem en/of oppervlaktewater.

Dit levert zowel voordelen op voor het milieu als de economie. Het helpt om verdroging van gebied te bestrijden en voorkomt dat schoon oppervlaktewater vies wordt. Verder verbetert de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Deze werkt beter als rioolwater minder vermengd is met regenwater.

Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

Watertoets

Onderhavig initiatief voorziet niet in een relevante toename van bebouwing. In de woonboerderij met bijbehorende stenen schuur wordt elk één woning gerealiseerd. De nieuwe boerderijwoning en de schuurwoning op het oostelijk deel van het erf, krijgen de beschikking over een carport en een (gezamenlijke) tuinschuur. De beoogde nieuwe carport bevindt zich ter plaatse van de bestaande kapschuur.

Het nieuwe bouwvlak voor de noordelijke schuurwoning valt samen met de voetprint van de schaapskooi. Ter plaatse worden geen bijbehorende bouwwerken toegestaan.

Verder is een groot deel van het erf in de huidige situatie al verhard. Een toename van verharding (gebouwen en erfverharding) heeft gevolgen voor de snelheid waarmee het regenwater afstroomt. Hierdoor kunnen de omliggende sloten te vol raken en kan er wateroverlast ontstaan. Gezien de ligging van het plangebied op de Utrechtse Heuvelrug zijn er op dit moment naar verwachting geen problemen met de waterhuishouding.

Het Waterschap Vallei en Veluwe hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 4.000 m² in landelijk gebied gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden bij de bouw van de woningen geen uitlogende materialen toegepast.

Gelet op het voorgaande zal er per saldo geen (relevante) toename van verhard oppervlak optreden. De norm van 4.000 m² wordt niet overschreden en watercompensatie is niet noodzakelijk als gevolg van het initiatief.

Waterafvoer

Het hemelwater zal worden afgekoppeld op het eigen perceel en kan bij de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de bodem infiltreren. Dit is mogelijk omdat de bodem bestaat uit zandgrond en het grondwater op grote diepte is gelegen. De vuilwaterafvoer van het plan zal wel aangesloten worden op het openbaar riool reeds aanwezig in het plangebied. Hierbij geldt dat initiatiefnemer een bergingsvoorziening voor vuilwater voor minstens 24 uur zal realiseren, zodat het vuilwater in daluren verpompt kan worden. Tevens wordt er bij de realisatie van de woningen geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.

Functionele eisen

Het voorgaande resulteert in de volgende functionele eisen die voor de herontwikkeling van toepassing zijn:

  • Geen gebruik uitlogende materialen;
  • Hemelwater woning dient op eigen terrein te worden geborgen en/of geïnfiltreerd met bergingseis 45 mm/m2. Verplichtingen conform convenant afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug;
  • Onderzoeken van de k-waarde en waterdoorlatendheid van de bodem;
  • GHG 0.70m onder de as van de weg en vloerpeil 0.3m boven de as van de weg;
  • Rioolaansluiting volgens de rioolaansluitverordening.

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Wellicht ten overvloede is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Initiatiefnemer houdt rekening met de aangegeven uitgangspunten en adviezen. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Het waterschap adviseert positief over het voornemen.

De aangegeven functionele eisen worden meegenomen bij de nadere uitwerking in een inrichtingsplan, waterhuishoudkundig plan en rioleringsplan.

4.7 Groen, natuur en landschap

Rijk

Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Samen met andere vormt deze wet het beschermingsrecht voor zowel soorten als gebieden. De wet richt zich op gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Daarmee wordt op nationaal niveau invulling gegeven aan de Europese richtlijnen. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. De wet bepaalt dat projecten en plannen, die de kwaliteit van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Als er geen schade optreedt, kan vergunning worden verleend. Is dit wel het geval, kan vergunning alleen worden verleend als aan verschillende eisen wordt voldaan. Bij ruimtelijke ingrepen dient altijd te worden nagegaan of een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet.

Voorts regelt de wet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

De natuurbeschermingswet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. Bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.

Nationaal netwerk

Het nationale netwerk van natuur (NNN) is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Natura 2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, maakt onderdeel uit van deze structuur. Zowel het Rijk als de Provincie wensen het NNN netwerk te behouden en verder te ontwikkelen. In de Provinciaal Ruimtelijke Verordening (PRV) is dan ook een beschermingsregime opgenomen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen significant nadeel opleveren voor de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN netwerk.

Beschrijving natuur en landschap

Plantoetsing

Voor het bepalen van eventuele effecten op de natuurlijke waarden is in 2021 een Quickscan Wet natuurbescherming en Interim Omgevingsverordening 2020 uitgevoerd door Ecoresult De conclusies van het onderzoek zijn hieronder samengevat. De quickscan is als Bijlage 8 toegevoegd. Hieronder worden de uitkomsten van de quickscan samengevat.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt buiten (op een afstand van circa 140 meter) van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde deel van het NNN betreft enkele stroken bos net ten zuiden van het plangebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Interim omgevingsverordening 2020 wordt niet overtreden. Voorgaande conclusie geldt eveneens voor wat betreft de Groene contour en het Weidevogelkerngebied.

Wet natuurbescherming - onderdeel gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op ruim zeven kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kolland en Overlangbroek'. Gezien de aard van de herontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, wordt een toetsing van de voorgenomen herontwikkeling aan de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied niet noodzakelijk geacht.

Verder is van belang dat op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) op 1 juli 2021 in werking is getreden. In de Wsn is een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht opgenomen voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Daarmee hoeft de stikstofdepositie voor de bouw-, aanleg- en sloopfase niet meer te worden berekend en verschuift de nadruk naar de structurele uitstoot die een project in de gebruiksfase veroorzaakt.

Uit de 'Handreiking woningbouw en AERIUS' van de Rijksoverheid (januari 2020) blijkt dat de stikstofemissie door de aantrekkende werking van het verkeer van bijvoorbeeld 500 woningen enkel relevant is als de afstand tot een Natura 2000-gebied minder dan 5 kilometer bedraagt.

Gelet op het aantal wooneenheden van onderhavig initiatief en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, kan zonder nadere AERIUS-berekening worden gesteld dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

Wet natuurbescherming - onderdeel houtopstanden

Het plangebied bevindt zich grotendeels binnen de bebouwde kom, zoals vastgesteld onder de (voormalige) Boswet. De bebouwde kom zoals vastgesteld voor houtopstanden, sluit niet aan bij de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. De bosschage aan de oostzijde van de monumentale schuur valt buiten de bebouwde kom. Er zijn geen werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij of een deel ervan verwijderd worden. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Wet natuurbescherming - onderdeel soortenbescherming

In de Quick scan is onder meer ingezoomd op de (mogelijke) schadelijke effect door de activiteiten op beschermde soorten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden.

Uit de Quick scan blijkt dat:

  • De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van huismus, kerkuil en steenuil. Hierdoor kan verbodsbepaling Art 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Nader veldonderzoek naar deze soorten is nodig. Indien huismus, kerkuil en/of steenuil aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht.
  • De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van boerenzwaluw. Nader veldonderzoek is nodig. Op basis van het aantal nesten kan worden bepaald of een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen. Indien overtreding niet kan worden voorkomen dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden.
  • Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus).
  • De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en/of ruige dwergvleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.
  • Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig is én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen.
  • Verder is het plangebied geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Utrecht een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, vos, bunzing, wezel, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.
  • Er is ook gekeken naar groeiplaatsen (voor zover waarneembaar) van exoten als Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw. Er werden geen groeiplaatsen van deze soorten aangetroffen.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van voorgaande conclusies heeft Ecoresult in 2021/2022 aanvullend onderzoek uitgevoerd naar huismus, kerkuil, steenuil, boerenzwaluw, vleermuis, steenmarter, spreeuw en zwarte roodstaart. De rapportage is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.

In het aanvullend onderzoek is geconcludeerd dat er ten aanzien van huismus, steenuil en vleermuis geen negatieve effecten optreden. Ten aanzien van kerkuil, boerenzwaluw, spreeuw, zwarte roodstaart en steenmarter leidt de ontwikkeling wel tot negatieve effecten. Dit in verband met de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en (in het geval van de steenmarter) essentieel leefgebied. Derhalve is voor de betreffende soorten een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming noodzakelijk.

De ontheffing Wet natuurbescherming is reeds in 2022 aangevraagd. In dat kader zijn de tijdelijke en permanente mitigerende maatregelen nader uitgewerkt. Dat het uitvoeren van bouwwerkzaamheden pas plaatsvindt nadat een ontheffing Wet natuurbescherming is verkregen en de in de ontheffing opgenomen voorschriften worden uitgevoerd, is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.

Provincie

Interim omgevingsverordening, hoofdstuk 6 'Natuur'

Natuur vormt een belangrijke basis voor een aantrekkelijk, kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied. De provincie Utrecht heeft, onder meer door de variatie in ondergrond, een diverse natuur met hoge biodiversiteit. Door verschillende oorzaken, zoals verstedelijking, verdroging en vermesting, maar ook klimaatverandering, staat deze biodiversiteit onder druk. De provincie Utrecht spant zich in voor het in stand houden en waar mogelijk vergroten van de biodiversiteit, in de Natuurvisie geeft de provincie aan hoe zij dit willen aanpakken. Deze visie heeft tot doel om het Nationale Netwerk van Natuur (NNN) te beschermen. Deze bescherming richt zowel op actuele als potentiële waarden. De potentiële waarden worden vooral bepaald door abiotische factoren zoals waterhuishouding en bodemopbouw. De bescherming van de potentiële waarden kan alleen aan de orde zijn wanneer de gronden daadwerkelijk (mede) voor natuurdoeleinden zijn bestemd. Als er echter in het vigerende bestemmingsplan sprake is van mede- of dubbelbestemming voor natuur of bos dan moet de ontwikkeling voor de bestaande functie getoetst worden aan zowel actuele als potentiële waarden.

De provincie en gemeente toetsen deze waardes aan de hand van een 'nee, tenzij'-regeling. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in het NNN met een negatief effect op de kwaliteit van de natuur of het functioneren van het NNN in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hier van worden afgeweken. Een 'nee, tenzij'-onderzoek kan achterwege blijven, indien het een ontwikkeling van geringe omvang betreft bij een bestaande functie. Daarnaast kunnen binnen de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen positieve ingrepen voor natuur meegewogen worden. Het effect van de ontwikkeling leidt dan niet tot significante gevolgen. Positieve ingrepen dienen wel gegarandeerd te worden.

Conclusie

Het plangebied kent geen provinciaal beschermde natuurwaarden. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.2. De ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van het NNN. Er is een sprake van strijdigheid met het provinciaal beleid op het gebied van natuur.

Gemeente

Groenstructuurplan

In het groenstructuurplan staat omschreven hoe men het belangrijkste groen in de dorpen duurzaam in stand wil houden en zo de hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving te behouden en te versterken. Daarbij is het behoud van de eigen identiteit van de kernen een belangrijk uitgangspunt. Bij nieuwe ontwikkelingen in de dorpen is met dit Groenstructuurplan het belangrijkste openbare groen binnen de dorpen in beeld en kan daar dus rekening mee worden gehouden. Daarnaast geeft het Groenstructuurplan belangrijke richtlijnen voor specifieke beleidsvraagstukken. Het Groenstructuurplan beschrijft het groenbeleid in hoofdlijnen.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug onderscheid drie verschillende waardes binnen de groenstructuur. Dit zijn 'Stedenbouwkundige waarde', 'Cultuurhistorische waarde' en 'Ecologische waarde'. Als een groene structuur bijdraagt aan de stedenbouwkundige structuur van een dorp, wijk of buurt, heeft het stedenbouwkundige waarde. Denk bijvoorbeeld aan laanbomen langs een belangrijke uitvalsweg. De cultuurhistorische waarde wordt bepaald door de relatie die het element heeft met de ontstaans- of ontwikkelingsgeschiedenis van de omgeving. Een groenelement heeft ecologische waarde als het een bijdrage levert aan de natuurwaarden in de omgeving.

Het Groenstructuurplan gaat over het groen binnen de bebouwde kom van de dorpen en is dan ook niet direct van toepassing op het plangebied. Overigens leidt onderhavige ontwikkeling niet tot een verlies aan groen.

4.8 Cultuurhistorie

Rijk

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed:

  • 1. Monumentenwet 1988
  • 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten
  • 3. Wet tot behoud van cultuurbezit
  • 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied
  • 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970
  • 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen

De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de huidige regelingen gelden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet.

Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

De projectlocatie heeft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'. Het aspect 'archeologie' wordt behandeld in paragraaf 4.9.

Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

Provincie

Cultuur- en erfgoednota 2016 - 2019

In de cultuur- en erfgoednota van de provincie Utrecht is onderscheid gemaakt in een aantal trends. Deze trends zijn in hoge mate bepalend voor het beleid van de provincie. Het beleid is erop gericht om erfgoed en cultuur beleefbaar te maken, zorg te dragen voor cultuur en erfgoed en bewoners te onderwijzen aan de hand van erfgoed en cultuur. Dit wordt gedaan om onder meer cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische zones te verankeren in het ruimtelijk beleid en monumenten in stand te houden en te beheren.

Gemeente

Nota Erfgoed in het Groen

Deze beleidsnota heeft als doelstelling het behoud, de versterking en de ontwikkeling van het cultuurhistorische erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed wordt onderverdeeld in 'monumenten', 'archeologie' en cultuurlandschap. Deze beleidsnota is voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug extra belangrijk door de aanwezigheid van de vele historische buitenplaatsen met monumentaal groen en sporen, het groot aantal grafheuvels en de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. De gemeente heeft een aantal beleidsinstrumenten om zo het cultuurhistorisch erfgoed te behouden en te beschermen. Aan de hand van deze beleidsinstrumenten zal bij elke ruimtelijke ontwikkeling worden getoetst of er sprake is van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de directe nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument, of het plangebied in de omgeving van een molen ligt. Daarnaast kijk de gemeente of er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object en/of er sprake is van een beschermd dorpsgezicht en of er sprake is van een cultuurhistorische waardevolle buitenplaats.

Het plan

Op de planlocatie Woudenbergseweg 92a in Maarsbergen staat onder meer een dwarshuisboerderij en een stenen schuur. Beide gebouwen zijn aangemerkt als gemeentelijk monument. De dwarshuisboerderij is opgetrokken op de plek van de voormalige boerderij De Meente en ligt aan het eind van een smalle toegangsweg op enige honderden meters afstand van de Woudenbergseweg. Boerderij De Meente hoorde oorspronkelijk bij Kasteel Maarsbergen. In 1832 was er op het perceel al bebouwing aanwezig in eigendom van de wed. Rijk Grootveld. Waarschijnlijk is het perceel in de tweede helft van de negentiende eeuw in eigendom gekomen van de familie Hoof van Geerestein. Deze zou de huidige woonboerderij rond 1880 hebben gebouwd. De monumentale stenen schuur bevindt zich schuin achter de woonboerderij. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied een cultuurhistorisch waardevolle schaapskooi.

Met onderhavig initiatief vindt er een functiewijziging naar wonen plaats waarbij de monumentale/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing een nieuwe functie krijgt. Het plan voorziet in één woning in de woonboerderij, één woning in de stenen schuur en de schaapskooi/veldschuur wordt eveneens omgebouwd tot één schuurwoning.

Bij de realisatie van de woningen zal oog zijn voor het zoveel mogelijk behouden van de cultuurhistorische waarden. De betreft tevens de bescherming van de monumentale waarde van het interieur. In dit kader heeft initiatiefnemer een waardestelling laten uitvoeren van de monumentale bebouwing (Bijlage 1). Bij de noordelijke schuurwoning is het uitgangpunt dat de uiterlijke verschijningsvorm en de oorspronkelijke uitstraling van de schaapskooi als cultuurhistorische waarde behouden blijft. Daarnaast is er een passende erfopzet gemaakt die voorziet in herstel van een monumentaal erf dat ernstig in verval is geraakt.

Gelet op het voorgaande leidt het initiatief dan ook tot behoud van monumentale bebouwing, behoud van een monumentaal erf en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Daarnaast wordt de cultuurhistorische waarde van de locatie als monumentaal erf in het buitengebied versterkt door middel van een passende erfopzet en bijbehorende landschappelijke inpassing. Met de kwaliteitsverbetering van het gehele erfensemble wordt een positieve bijdrage geleverd aan de cultuurhistorische waarde van het gebied. Er kan daarom worden gesteld dat de Erfgoedwet, de Cultuur- en erfgoednota 2016 - 2019 en de Nota Erfgoed in het Groen geen belemmeringen geeft voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Archeologie

Wettelijk kader

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed:

  • 1. Monumentenwet 1988
  • 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten
  • 3. Wet tot behoud van cultuurbezit
  • 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied
  • 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970
  • 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen

De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de huidige regelingen gelden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet.

Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Gemeente

Volgens de Archeologische beleidskaart Utrechtse Heuvelrug (2019) gelden er, afhankelijk van de archeologische waardering, vijf verschillende oppervlakte-ondergrenzen ten aanzien van eventuele bodemingrepen. Conform de beleidskaart gelden er ter plaatse van het plangebied drie verschillende archeologische waarden welke vertaald worden in (verschillende) dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Het betreft:

  • 'Waarde - Archeologie 1': gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting;
  • 'Waarde - Archeologie 3': gebieden met een hoge archeologische verwachting;
  • 'Waarde - Archeologie 5': gebieden met een lage archeologische verwachting;

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01_0022.png" Uitsnede Archeologische beleidskaart Utrechtse Heuvelrug (2019)

Een dubbelbestemming omvat dus zowel de aanwezige als de naar verwachting aanwezige archeologische waarden. In de regels is gekoppeld aan de dubbelbestemmingen een regeling opgenomen, betreffende de wijze van omgaan met de aanwezige dan wel de naar verwachting aanwezige archeologische waarden bij bodemingrepen. Deze regeling houdt het onderstaande in.

Voor bepaalde soorten werken en werkzaamheden (geen bouwen) over een zekere oppervlakte of meer, geldt de vereiste van een omgevingsvergunning. Het betreft vooral het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 30 cm. Afhankelijk van de dubbelbestemming die het betreft, bedraagt de oppervlakte-ondergrens respectievelijk 50 m2, 100 m2, 150 m2, 1.000 m2 dan wel 10 ha. Voor werken en werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als 'normaal beheer en onderhoud', zoals onder meer het periodiek omploegen van akkerland tot een maximale diepte van 40 cm, is geen omgevingsvergunning nodig. Werkzaamheden zoals diepploegen vallen echter niet onder normaal beheer en onderhoud. Hier is wel een omgevingsvergunning voor nodig.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verkregen, indien de archeologische waarden van de betreffende gronden worden veiliggesteld. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient een rapport (archeologisch vooronderzoek) te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein waar de werken zullen plaatsvinden, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

In de regels is een dergelijke rapportageplicht ook opgenomen voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor bouwen. Evenals de regeling voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zijn de eisen, die gesteld kunnen worden bij een omgevingsvergunning voor bouwen gebaseerd op de bepalingen betreffende archeologische monumentenzorg in de Monumentenwet 1988.

Een wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk de ligging van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te wijzigen. Het is immers niet ondenkbaar dat bij een bodemingreep in een gebied met een lage verwachtingswaarde toch archeologische waarden worden vastgesteld. Daarnaast kan uit nader onderzoek volgen dat in een zeker gebied juist wel of toch geen sprake is van een middelhoge dan wel hoge verwachtingswaarde. Beide gevallen kunnen aanleiding geven om de dubbelbestemming alsnog aan bepaalde gronden op te leggen, dan wel ze te verwijderen.

Overigens dient te worden bedacht dat een omgevingsvergunnings- en rapportagevereiste in dit kader overwegend tot doel heeft nadruk te leggen op het vroegtijdig en volwaardig meewegen van deze waarden bij ruimtelijke ingrepen, om zodoende de mogelijkheid tot planaanpassing nog open te houden.

Benadrukt wordt tot slot dat het in één dubbelbestemming vervatten van zowel vastgestelde als verwachte archeologische waarden ten goede komt aan de overzichtelijkheid van het plan als geheel, zonder dat de bescherming van deze waarden onvoldoende gewaarborgd is.

Het plan

De fysieke ingrepen vinden plaats op gronden waar de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing zijn. Een archeologisch rapport is noodzakelijk bij ingrepen die dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld met een oppervlakte groter dan respectievelijk 50 m2 en 150 m2.

In onderhavig geval vinden er slechts beperkt aanvullende bodemingrepen plaats. De realisatie van de in totaal drie wooneenheden in de dwarshuisboerderij, stenen schuur en schaapskooi/veldschuur, leidt niet tot extra bodemingrepen. De beoogde nieuwe carport wordt ter plaatse van de bestaande kapschuur opgericht waar de bodem al geroerd is. Met de beoogde nieuwe gezamenlijke tuinschuur centraal op het erf, worden de van toepassing zijnde onderzoeksgrenzen niet overschreden.

Daarnaast wordt aan de oostzijde van het monumentale erf een nieuwe greppel gegraven. Het betreft een ondiepe greppel welke tevens de kavelscheiding gaat vormen. De graafwerkzaamheden ten behoeve van de greppel zullen niet dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld. Daarmee is archeologisch onderzoek niet benodigd.

Voor het overige vinden er geen aanvullende bodemingrepen plaats die dieper gaan dan 30 cm of die de onderzoeksgrenzen van 50 m2 en 150 m2 zullen overstijgen.

Om de mogelijk aanwezige waarden in het gebied te beschermen zijn in het bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5 opgenomen. Deze dubbelbestemmingen borgen dat bij eventuele toekomstige (gewijzigde) ingrepen die de vastgestelde grenzen in het bestemmingsplan overschrijden, er alsnog onderzoek plaatsvindt.

Gelet op het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de onderhavige planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 6) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • Hoofdstuk III (artikelen 7 tot en met 11) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 12 en 13) bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de goot- en bouwhoogten en de inhoud van een gebouw.

Nadere eisen

Het is mogelijk om in bepaalde gevallen (wanneer dit nodig is in het kader van een goede ruimtelijke ordening) aan de mogelijkheden die in de bouwregels zijn beschreven nadere eisen te stellen. De omstandigheden waaronder deze eisen worden gesteld moeten dan wel duidelijk zijn geformuleerd. Een voorbeeld van een nadere eis is het moeten overleggen van een beplantingsplan.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

Specifieke gebruiksregels

Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is.

Afwijken van de gebruiksregels

Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met een omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten. Concreet kan je denken aan bijvoorbeeld het moeten aanvragen van een vergunning voor het afgraven of egaliseren van gronden of het vellen van bos in de bestemming 'Natuur'.

Voorwaardelijke verplichting

Het kan voorkomen dat een bepaald gebruik van gronden kan worden toegestaan, mits er maatregelen worden genomen om hinder naar de omgeving te voorkomen. Bijvoorbeeld het realiseren van opslag op een perceel, maar om dit te mogen doen moet eerst een groene haag om het perceel gerealiseerd worden. De voorwaarde dat eerst een haag moet worden gerealiseerd, voordat het perceel als opslag mag worden gebruikt, noemt men 'voorwaardelijke verplichting'. Dergelijke voorwaarden worden met name toegepast bij landschappelijke inpassing in het buitengebied, maar ze kunnen ook in andere gevallen worden gebruikt.

In dit plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de landschappelijke inpassing en inrichting van de woonpercelen en ten aanzien van de soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied zijn drie enkelbestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied drie dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.3.1 Agrarisch met waarden

In het gehele buitengebied wordt de bestemming Agrarisch met waarden toegepast. Dit zijn gebieden die hoge landschappelijke en/of natuurwaarden herbergen. Hier wordt agrarische bedrijvigheid wel toegestaan, maar de landschapswaarden worden daarbij zoveel mogelijk beschermd. Dit geldt met name voor landbouwstabiliseringsgebied. Door deze bescherming is het een uitgebreider artikel, met diverse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Op deze wijze wordt ook ander gebruik en met name minder belastend gebruik voor de omgeving, meer gestimuleerd zoals van agrarisch naar wonen.

5.3.2 Tuin

De gronden direct om de schaapskooi/veldschuur heen kennen binnen dit bestemmingsplan de bestemming 'Tuin'. De gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor tuinen met bijbehorende paden, toegangswegen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeren op eigen terrein. Als gevolg van de functieaanduiding 'landschapswaarden' zijn de gronden tevens bestemd voor de instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan verbonden landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Het bouwen van gebouwen, overkappingen en overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) is niet toegestaan. Door de aanduiding 'landschapswaarden' op te nemen is omgevingsvergunningvrij bouwen niet toegestaan ter plaatse van deze aanduiding. Het voorgaande dient het doel om de landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse te beschermen. Verwezen wordt naar paragraaf 2.3.

5.3.3 Wonen - B1

Algemeen

Voor het buitengebied worden twee woonbestemmingen gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt in:

  • Wonen - B 1 voor vrijstaande woningen, en
  • Wonen - B 2 voor aaneengebouwde woningen.

Dit onderscheid in woonbestemmingen zorgt ervoor dat woningtypen niet kunnen worden uitgewisseld en dat de gewenste stedenbouwkundige structuur wordt gehandhaafd. Hieronder wordt de van toepassing zijnde woonbestemming 'Wonen - B1' uitgelegd.

Wonen - B1

Functies

Binnen de bestemming 'Wonen B1' is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.

Bouwmogelijkheden

De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:

  • 1. hoofdgebouwen (Bouwen van hoofdgebouwen);
  • 2. bijbehorende bouwwerken (Bouwen van bijbehorende bouwwerken);
  • 3. overige bouwwerken (Bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen)).

Hoofdgebouwen

Binnen de bestemming 'Wonen - B1'mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Er mag niet meer dan één woning binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij er op het bouwvlak een maximaal bebouwingspercentage staat aangegeven. Met dit percentage wordt de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw begrensd.

Voor de woningen geldt de bestaande inhoud en de bestaande goot- en bouwhoogte als maximum. Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling.

Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen. Hierbij is grotendeels aangesloten bij de criteria uit de Welstandsnota.

Bijbehorende bouwwerken

Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geldt dat dit uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.

Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.

Specifieke gebruiksregels

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40% van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten Bedrijf aan huis. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag alleen worden uitgeoefend door de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.

5.4 Dubbelbestemmingen

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook twee dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.

5.4.1 Waarde - Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:


Dubbelbestemming  
Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 1   Zones met een zeer hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 50 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 150 m2 en dieper dan 30 cm - onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 5   Zones met een lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 10 hectare en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

  • normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;
  • graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;
  • het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.

5.5 Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.5.2 Algemene bouwregels
5.5.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.5.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

5.5.2.3 Maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken

Dit artikel is opgenomen indien op de verbeelding of in de regels abusievelijk een maximum toegestane bouwhoogte ontbreekt, waardoor onbeperkt in de hoogte gebouwd zou mogen worden.

Dit kan naast stedenbouwkundige bezwaren ook bezwaren ten aanzien van licht- en luchttoetreding voor de omgeving opleveren.

Om dit te voorkomen was voorheen hier een bepaling voor opgenomen in de bouwverordening, maar die is geschrapt. Om deze reden wordt voor bovengenoemde gevallen met dit artikel een maximum bouwhoogte bepaald. De regeling is van toepassing voor die gevallen waar het wel toegestaan is om te bouwen, maar waar helemaal geen hoogtebeperkingen zijn opgenomen of indien bijvoorbeeld alleen een maximum goothoogte is aangegeven. De bepalingen gelden dan als aanvulling op de bouwregels.

De hoogte van bouwwerken wordt in dit artikel bepaald op basis van de afstand tussen twee tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg, vermeerderd met 1 meter. De hoogte mag echter nooit meer dan 15 m bedragen. Deze hoogte komt overeen met de hoogte uit de voormalige bouwverordening. Bij bouwwerken die op basis van overgangsrecht of een geldende vergunning een hogere bouwhoogte dan 15 meter hebben, wordt de bestaande hoogte als ten hoogste toelaatbaar aangehouden. Het artikel volgt hiermee in hoofdzaak de regeling uit de bouwverordening.

5.5.2.4 Kleinschalige grondgebonden zonnepaneelinstallaties

Hierin is bepaald dat het bouwen van grondgebonden zonnepanelen voor eigen gebruik bij een (bedrijfs)woning is toegestaan indien wordt voldaan aan een aantal regels. De oppervlakte mag bijvoorbeeld maximaal 50 m2 bedragen en er gelden verschillende bouwhoogtes voor het voorerf en het achtererf.

5.5.3 Algemene gebruiksregels
5.5.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

5.5.3.2 Parkeren

Deze bepaling verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), vastgesteld door de raad op 2 februari 2010. Het parkeernormenbeleid is een dynamisch document en bijstelling van het beleid is met enige regelmaat noodzakelijk. Omdat het niet doelmatig is hiervoor telkens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voorziet de regeling in een dynamische verwijzing naar de parkeernormen. Dit houdt in dat het GVVP van toepassing wordt verklaard en tevens rekening wordt gehouden met de opvolger van dit beleid.

In het GVVP staat het beleid ten aanzien van parkeren. Het betreft bijvoorbeeld hoe om te gaan met parkeren, hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, de manier waarop in deze parkeerplaatsen kan worden voorzien en welke eisen aan de verschillende parkeerplaatsen worden gesteld.

5.5.3.3 Uitoefening Bed & Breakfast

Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

5.5.4 Algemene afwijkingsregels
5.5.4.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.5.4.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.5.4.3 Afwijking bijzondere woonvormen en kamerbewoning

Het gebruik van een woning voor kamerbewoning of een bijzondere woonvorm is een verboden gebruik. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om dit gebruik toch toe te staan. Dit mag alleen als het gebruik als woning in de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende bestemming is opgenomen. Deze regeling is echter niet van toepassing op bedrijfswoningen. Het gebruik moet qua uitstraling en ruimtelijke werking overeenstemmen met die van de woonfunctie. Het gebruik voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen mag de belangen niet onevenredig schaden van eigenaren en gebruikers van de gronden waarop dit veranderde gebruik plaatsvindt of die in de nabijheid daarvan liggen. Het gebruik dient binnen het bouwvlak plaats te vinden.

5.5.4.4 Afwijking extra grondgebonden zonnepanelen voor wko

Op grond van de algemene bouwregels worden grondgebonden zonnepanelen reeds toegestaan tot een maximum oppervlak van 50 m2. De 'Afwijking extra grondgebonden zonnepaneelinstallatie voor wko' maakt het mogelijk om nogmaals maximaal 50 m2 te realiseren indien aangetoond kan worden dat deze nodig zijn in verband met de energiebehoefte van een warmte koude opslaginstallatie (wko) of warmtepompinstallatie.

5.5.4.5 Afwijking isoleren van een gebouw

Op grond van de algemene afwijkingsregels wordt het toegestaan dat bouwgrenzen, goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen mag worden overschreden indien is aangetoond dat dit noodzakelijk is voor het isoleren van een gebouw (bijvoorbeeld in het kader van “nul op de meter”).

5.5.5 Overgangs- en slotregels

Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld en de slotregel geregeld.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. In de gesloten anterieure overeenkomst zijn afspraken gemaakt over kostenverhaal. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.

6.2.1 Omgevingsdialoog

Het plangebied kent meerdere grondeigenaren. Tussen de verschillende grondeigenaren is overleg geweest en zij hebben overeenstemming over het plan waar onderhavig bestemmingsplan het ruimtelijk juridisch kader van vormt.

Verder heeft initiatiefnemer in het kader van onderhavige planontwikkeling de omwonenden geïnformeerd. Met de direct aanwonenden is door initiatiefnemer zelf een gesprek gearrangeerd. De omwonenden in de tweede lijn zijn door middel van een brief geïnformeerd en uitgenodigd om kenbaar te maken of zij in gesprek willen over de ontwikkeling.

De resultaten van de omgevingsdialoog zijn opgenomen in Bijlage 10. De verstuurde brief is hierin eveneens opgenomen.

6.2.2 Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren.

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op het (concept)ontwerpbestemmingsplan 'Woudenbergseweg 92a, Maarsbergen' een reactie binnengekomen van de volgende instanties: Provincie Utrecht, Waterschap Vallei en Veluwe en Veiligheidsregio Utrecht.

Onderstaand zijn de reacties per instantie samengevat en van een reactie voorzien.

1. Provincie Utrecht, 18 mei 2022

Het (concept)ontwerpbestemmingsplan "Woudenbergseweg 92a Maarsbergen" geeft de Provincie geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht.

Alhoewel er geen opmerkingen in het kader van provinciaal belang zijn, kan er wel een suggestie worden meegegeven om het plan nog verder te versterken. Op het achtererf wordt een moestuin voorzien. Als aanbeveling wil ik meegeven dat een moestuin én (kleine) boomgaard passend zijn en dat realisatie van beide elementen kunnen zorgen voor een nog betere landschappelijke inpassing.

Reactie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het (concept)ontwerpbestemmingsplan.

2. Waterschap Vallei en Veluwe, 12 mei 2022

Waterschap Vallei en Veluwe heeft geen bezwaren of opmerkingen bij het (concept)ontwerpbestemmingsplan.

Reactie

De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassing van het (concept)ontwerpbestemmingsplan.

3. Veiligheidsregio Utrecht, 11 mei 2022

De Veiligheidsregio Utrecht heeft op 11 mei 2022 een reactie gegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect externe veiligheid. Samengevat adviseert de Veiligheidsregio het volgende:

  • Beschouwing risico's: in de beknopte groepsrisicoverantwoording wordt ten onrechte gesteld dat het maatgevende scenario in beide gevallen (A12 en N226) een BLEVE is. In het geval van de A12 is het maatgevende scenario namelijk een gifwolk. Geadviseerd wordt de tekst hierop aan te passen.
  • Bereikbaarheid: In geval van de veldschuur ontbreekt een verbindingsweg. Daarnaast is onduidelijk of de verbindingsweg tussen de Woudenbergseweg en het plangebied geschikt is voor hulpverleningsvoertuigen. Geadviseerd wordt om de toegangsweg te verlengen tot de veldschuur en na te gaan of de huidige verbindingsweg voldoet aan de randvoorwaarden voor hulpverleningsvoertuigen (conform artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012).
  • Bluswatervoorzieningen: In de huidige situatie zijn er geen bluswatervoorzieningen aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Ik adviseer u daarom een geboorde put te realiseren met een minimale capaciteit van 90 m³/h.

Reactie

Naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen is paragraaf 4.4.6 hier inhoudelijk op aangepast. De beknopte verantwoording van het groepsrisico is uitgebreid met het maatgevende scenario van een gifwolk voor wat betreft de A12.

Ten aanzien van de verbindingsweg naar de noordelijke schuurwoning wordt bij de verdere uitwerking van het plan, en in het kader van de toekomstige aanvraag omgevingsvergunning, nagegaan of deze voldoet aan het Bouwbesluit 2012 (inzake hulpverleningsvoertuigen). Indien dit niet het geval is wordt de verbindingsweg in overeenstemming gebracht met de wettelijke eisen. De voorwaardelijke verplichting ten aanzien van landschappelijke inpassing blijft daarbij onverkort van toepassing.

Voor de exacte plaats en uitvoering van de bluswatervoorziening vindt bij de verdere uitwerking van het plan nadere afstemming plaats met de Veiligheidsregio.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Woudenbergseweg 92a, Maarsbergen', heeft met ingang van 16 september 2022 gedurende zes weken (tot en met 28 oktober 2022) ter inzage gelegen. Digitaal was het plan in te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl (NL.IMRO.1581.MAAwoudbergsewg92a-ON01). Een analoog exemplaar lag in dezelfde periode ter visie in het Publiekscentrum in Doorn. Het plan is gepubliceerd in de Staatscourant en op de gemeentelijke website.

Er zijn gedurende de terinzagelegging geen zienswijzen ingediend.