De (interim) Omgevingsvisie Provincie Utrecht is in maart 2021 vastgesteld. Hierin worden ruimtelijke ambities en opgaves tot 2050 omschreven. Er zijn grote ruimtevragende ontwikkelingen binnen de provincie waarbij enerzijds groei gefaciliteerd moet worden en anderzijds een goede leefomgeving moet worden gewaarborgd. Er moet een goede balans zijn tussen benutten en beschermen van de leefomgeving. Lokale afwegingen zijn hierin te maken als een veilige en gezonde omgeving daarbij gebaat is. Met 7 beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een goede leefomgeving, zijnde:
- Stad en land gezond
- Klimaatbestendig en waterrobuust
- Duurzame energie
- Vitale steden en dorpen;
- Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar
- Levend landschap, erfgoed en cultuur
- Toekomstbestendige natuur en landbouw
De 7 thema’s staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven en ondergrond en dienen te worden bezien uit algemeen belang, een integrale aanpak en de lange termijn voor een vitaal en gezonde provincie. Het is het doel om met toekomstgerichte opgaven en oplossingen de provinciale kwaliteiten te behouden en te versterken. Nieuwe ontwikkelingen worden gecombineerd met zorgvuldig omgaan met schaarse ruimte, duurzame en circulaire ontwerpen en innovatie worden gestimuleerd.
De volgende onderwerpen zijn daarbij direct relevant voor de gewenste ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.
Duurzame energie
De ambitie van de provincie is om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Energiebesparing en nieuwe duurzame energieopwekkingen worden gestimuleerd. Zelfvoorzienend opereren wordt beoogd. Daarbij moet wel sprake zijn van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.
Planspecifiek kan worden aangegeven dat de locatie 248 zonnepanelen op het dak van varkensstal 24 heeft aangebracht. Hiermee was het circa 40% zelfvoorzienend.
In de beoogde situatie zal het bedrijf energieleverend worden voor ongeveer 40.000 kWh per jaar. Hiermee wordt optimaal invulling gegeven aan de energieambitie van de provincie.
Toekomstbestendige natuur en landbouw
Natuur en landbouw leveren, als grootste ‘ruimtegebruikers’ in het landelijk gebied, een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke functies zoals een aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied dat beleefd kan worden. De provincie wil natuur ontwikkelen en transities in de landbouw ondersteunen. De provincie is voorstander van natuurinclusieve vormen van landbouw, die beginnen met een gezonde bodem en optimaal gebruik maken van natuurlijke processen, die biodiversiteit zowel in het agrarisch gebied als in de natuurgebieden, positief zullen beïnvloeden.
Naast de zorg voor gezonde voeding is een bijdrage aan integrale oplossingen voor de opgaven op het gebied van klimaat, biodiversiteit, energie, gezonde leefomgeving, water, bodem(daling), landschap en erfgoed belangrijk. Een sterkere verbinding tussen stad en land, tussen producent en consument ondersteunt dit. Projecten die deze relaties versterken worden door de provincie gewaardeerd. Het provinciaal beleid is ondersteunend aan de beoogde transitie in de landbouw. Grondgebondenheid krijgt daarbij voldoende groeiruimte, binnen voorwaarden.
Dit vormt een basis voor circulaire landbouw. Innovaties die hierin bijdragen, zoals vindingrijke manieren om de kringlopen te sluiten, worden omarmt. Planspecifiek kan worden vermeld dat dit bestemmingsplan juist die transitie uitvoert.
Kernrandzone
Het perceel Nieuwe Steeg 2 is gelegen in het landbouwgebied, in de kernrandzone. In het landbouwgebied is landbouw de hoofdgebruiker, maar vindt ook menging met andere functies plaats. Er wordt ruimte geboden voor verbreding en innovatie. De kernrandzone is het gedeelte van het landschap en het landelijk gebied dat direct aansluit aan het stedelijke gebied. Deze zone is een uitloopgebied van aanwezige stedelijke functies.
Vanwege de kwaliteiten en mogelijkheden van kernrandzones wordt van gemeenten specifiek beleid gevraagd gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit mag samengaan met verstedelijking, mits dit in redelijke verhouding staat tot de gewenste kwaliteit. De aard en omvang van het initiatief moet in verhouding staan tot de kern waaromheen de zone is gelegen. De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft nog geen integrale visie ontwikkelt voor kernrandzones.
Daarom dienen specifieke planinitiatieven te worden afgestemd met de provincie. Dit heeft ambtelijk al uitdrukkelijk plaatsgevonden in het voortraject bij totstandkoming van het bestemmingsplan.
In deze situatie gaat het om gefaseerde beëindiging van de varkenshouderij, waardoor een intensieve bestemming nabij de woonkern komt te vervallen. Dit kan worden getypeerd als wezenlijke ruimtelijk kwaliteit. De fysieke leefomgeving kan hiervan gunstige effecten ondervinden. Daarnaast neemt de bebouwing niet toe, dus van verstedelijking in die zin is geen sprake. De niet-agrarische nevenfuncties mogen in bestaande bebouwing worden vergroot en worden van deels tijdelijk naar permanent toegestaan. Gezien de maximale toegestane milieubelastingscategorie 2 (zie ook volgend hoofdstuk voor nadere toelichting) wordt afdoende rekening gehouden met de leefbaarheid van de omgeving en wordt dit ook als passend gezien voor een kernrandzone met haar menging van functies.
Door het inrichten van een verkooppunt van (eigen) geteelde seizoensgebonden producten worden bewoners van (in hoofdzaak) de Utrechtse Heuvelrug uitgenodigd om te genieten van lokaal geproduceerd voedsel. Deze functie geeft een optimale binding tussen stad en land.
Vrijetijdsbesteding
De mogelijkheid tot vrijetijdsbesteding is een belangrijk onderdeel van de leefbaarheid in steden, dorpen en buitengebied. Het provinciaal recreatie- en toerismebeleid is gericht op het realiseren van een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving waar recreanten en toeristen hun tijd door kunnen brengen. Er wordt gestreefd naar functiecombinaties met natuur, cultuur, landbouw en met aandacht voor klimaatadaptie. De functies dienen goed bereikbaar en toegankelijk te zijn.
Het planinitiatief voorziet mede in omvorming van een voormalige schaapskooi in een recreatiewoning. Het is een relatief kleinschalig plan binnen een (bestaande) oppervlakte van 113 m2. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het wenselijk dergelijke gebouwen te kunnen behouden door het toekennen van een nieuwe economische drager. Er is een duidelijke relatie tussen de verblijfsrecreatie en het regeneratieve landbouwbedrijf. Mensen kunnen ervaren hoe voedsel (dichtbij) verbouwd wordt, de gewassen groeien en de smaak beleven. Op een zeer laagdrempelige manier proberen initiatiefnemers diverse doelgroepen meerwaarde te bieden en naast economische bindingen ook sociale verbindingen te leggen (tussen stad en land).
Landschap
De provincie kent vijf karakteristieke landschappen met specifieke kernkwaliteiten. Het dorp Leersum wordt doorsneden door twee landschapstypen, namelijk Utrechtse Heuvelrug en Rivierengebied. Het perceel Nieuwe Steeg 2 in Leersum is gelegen net over de grens van het Landschap Rivierengebied. Dit is een landschap met een langgerekte opbouw en kent vijf duidelijk verschillende deelgebieden, namelijk: Flank, Langbroek, Kromme Rijn, Neder-Rijn / Lek en Schalkwijk.
Dit gebied kenmerkt zich door:
- schaalcontrast van zeer open naar besloten
- samenhangend stelsel van rivier, uiterwaard, oeverwal en kom
- samenhangend stelsel van hoge stuwwal, flank, kwelzone oeverwal en rivier
- Langbroekerwetering en Kromme Rijn als vesting en vestiging
Deze waarden wil de provincie behouden en versterken. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie de identiteit waarborgen. De kernkwaliteiten zijn verder uitgewerkt in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen en worden hierna kort toegelicht.
Deelgebied de Flank is dankt zijn naam aan de beplante, doorgaande wegen over de lengte van de stuwwalflank, met hoge en lage zijden en een afwisseling van dorpen en bossen.
Het vorm de kern van een lineair landschap. De bossen geven de flank een besloten karakter en de open ruimten zorgen voor afwisseling. Lanen, haakse zijstraten en zichtlijnen de helling af, geven de flank een visuele relatie met de lager gelegen gebieden. Er zijn veel statige landhuizen in de omgeving en enkele tabaksschuren en schaapskooien. De beplanting concentreert zich met name langs wegen en erfafscheidingen en dragen bij aan de karakteristieke verkaveling. Zichtlijnen maken een belangrijk onderdeel uit van het Rivierenlandschap.
Enkele ontwikkelprincipes zijn:
- Alle gebouwen op het erf hebben een schuin dak (evt. met zonnepanelen)
- Bij natuurontwikkeling blijft verkaveling zichtbaar
- Met minimale ingrepen recreatief toegankelijk maken van het landschap
- Het erf bevat meerdere gebouwen van verschillend formaat, met de boederij als de op de straat gerichte kern
Afbeelding: Uitsnede Heuvelrug Flank (bron: Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen)
Hoewel met dit plan geen verdere bebouwing wordt toegestaan, kan worden gesteld dat het huidige erf al rekening houdt met deze kernkwaliteiten. In het landschapsadvies van Stuurgroep Kromme Rijn (zie hoofdstuk 2.3 en bijlage) wordt ook gestuurd op handhaving en ook wel versterking van deze waarden. Door toevoeging van de juiste groenelementen op de juiste posities gaat de bedrijfswijziging een positief effect op het landschap vertonen.
Doordat een (gedeeltelijk) nieuwe economische invulling voor het perceel wordt gegeven met deze herziening, wordt ook verpaupering en verrommeling van het landschap op termijn redelijkerwijs voorkomen.
Grondwaterkwaliteit en -kwantiteit
De provincie wil graag de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit verbeteren. Grondwater moet beschermt worden ten behoeve van menselijke consumptie, toekomstige drinkwaterwinning, en grondwaterafhankelijke natuur en landbouw. Het omvormen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden landbouwbedrijf met regeneratieve principes, geeft dat de landbouwgrond minder afhankelijk wordt van water omdat het in staat is om water vast te houden wanneer nodig.
Waterafvoer blijft ongewijzigd mogelijk op bestaande watergangen. Omdat de bedrijfsbebouwing niet toeneemt en er geen infrastructurele grote ingrepen behoeven te worden gedaan, zal hemelwater niet versneld worden afgevoerd. Het gewenste plan heeft geen negatieve invloed op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.
Cultuurhistorische hoofdstructuur
Het plangebied is gelegen binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur, deelgebied archeologisch waardevolle zones. De provincie wil deze waarde van de leefomgeving beschermen en benutten door deze beter zichtbaar te maken en door deze te gebruiken als drager en aanjager van ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen. Het beleid voor archeologisch waardevolle zones richt zich bij ruimtelijke ingrepen specifiek op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van archeologische resten in de bodem (‘in situ’).
In deze situatie is geen uitbreiding van bebouwd oppervlak voorzien. Daarnaast zijn de gronden binnen het agrarische bouwvlak reeds geroerd door kabels, infrastructuur en onderkeldering. Voor eventuele ingrepen op omliggende landbouwgronden (zoals aanbrengen diepwortelende beplanting etc.) wordt een aanlegvergunningenstelsel aan deze herziening verbonden. Dit betekent dat eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk kan zijn bij bodemingrepen van bepaalde omvang en/of diepte.
Stiltegebied
Het plangebied is voor het meest zuidelijke deel gelegen binnen het stiltegebied Overlangbroek. Het stiltegebied is ruimtelijk opgebouwd uit een stille kern, bufferzone en aandachtsgebied. Het meest zuidelijk deel van het perceel valt binnen de bufferzone, het overige deel in het aandachtsgebied. De recreatiewoning valt binnen de stille kern.
De doelstelling voor het geluidniveau in stiltegebieden is het bereiken en behouden van een 24-uurs gemiddeld geluidniveau van bij voorkeur 40 dB(A) maar ten hoogste 45 dB(A) in de bufferzone. Gebiedseigen geluiden (zoals agrarische activiteiten) vallen hier buiten. De normstellingen en verbodsbepalingen zijn dan ook niet van toepassing op de hoofdfunctie van dit bestemmingsplan.
Ten aanzien van de (vergroting van de) opslagfunctie en de recreatiefunctie geldt dat het daarmee samenhangende geluid niet zodanig zal zijn dat van verstoring sprake is. Er dient evenwel aan de zorgplicht te worden voldaan. Ter bescherming hiervan zijn regels opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening, maar ook in dit bestemmingsplan.
Conclusie
Deze bestemmingplanherziening leidt niet tot meer bouwmogelijkheden, een groter bouwvlak of een nieuwe hoofdfunctie.
De stikstofdepositie neemt af, het energieverbruik wordt opgeheven, er is een positief effect op luchtkwaliteit door vermindering van fijnstofemissie, de bodem- en waterkwaliteit verminderd niet en wordt mogelijk beter en er komt meer erfbeplanting. Dit zijn een aantal positieve elementen voor gezondheid, milieu en daarmee een verbetering van de omgevingskwaliteiten. Het plan past binnen de provinciale Omgevingsvisie.