| Plan: | De Oude Kolk, Leersum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.LSMDeOudeKolk-VA01 |
Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevinden zich verschillende locaties in eigendom van de gemeente die niet meer voor de oorspronkelijke functie in gebruik zijn. Deze locaties worden, afhankelijk van de ligging, aangemerkt als potentiële inbreidingslocaties of ontwikkellocaties. De locaties variëren in omvang en beslaan maximaal 2 tot 3 hectare per gebied. De gemeente Utrechtse Heuvelrug is voornemens de locaties te herontwikkelen naar woningbouw.
Een van de locaties bevindt zich op de hoek Hoflaan, Dreef en Oude Kolk in Leersum. Voor de locatie is op 12 mei 2016 een ontwikkelingskader vastgesteld (raadsvoorstel 2016-281). Op 23 januari 2020 is een nader raadsbesluit genomen met een gewijzigd programma voor de locatie om in te spelen op de almaar toenemende woningbehoefte in de gemeente (raadsvoorstel 2019-192).
De beoogde ontwikkeling is op deze locatie niet mogelijk binnen de vigerende juridisch-planologische regeling. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het juiste kader voor de gewenste ontwikkeling.
Het plangebied betreft een stuk grond in de kern Leersum, gelegen ten westen van het centrum. Het geheel betreft het kadastrale perceel bekend onder gemeente Leersum, Sectie D. nr. 2866 en een aangrenzende zone aan Hoflaan en Dreef. De totale omvang bedraagt circa 3.150 m².
Het plangebied is omsloten door de openbare wegen Hoflaan, Dreef en De Oude Kolk. Aan de oostzijde van het plangebied is het sport- en cultuurhuis De Binder gelegen. Verder is de omgeving aan te merken als woongebied.
Op navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging van het plangebied en de globale planbegrenzing aangegeven.
Globale ligging plangebied (rode cirkel, Bron: Google.nl/maps)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, Bron: Bing.com/maps)
Voor de gronden van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Leersum Zuid 2000'. De gemeenteraad van de voormalige gemeente Leersum heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 2 oktober 2003. Het onderhavige plangebied is eerder niet meegenomen in de beheersverordening Woongebied Leersum 1e herziening (vastgesteld op 12 oktober 2017), omdat ontwikkelingen voorzien waren. De begrenzing van het voorliggende plangebied worden bepaald door het gebied dat niet in de beheersverordening is opgenomen.
Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Leersum Zuid 2000' (globale ligging plangebied: zwarte cirkel)
Daarnaast geldt voor het plangebied ook het Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening, onherroepelijk (vastgesteld 07-06-2018).
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.
Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
In het zuidoosten van de provincie Utrecht ligt de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevat een groot deel van het gelijknamige Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Aan de rand van dit park ligt de kern Leersum.
Het plangebied 'De Oude Kolk' is gelegen in de kern Leersum en wordt omgeven door woningen en een sport- en cultuurcentrum De Binder. De Binder huisvest een sporthal, vergaderzalen, een theaterzaal en horeca en biedt plaats aan o.a. kinderopvang, een bibliotheek en een jongerencentrum.
De woningen direct rondom het plangebied hebben twee lagen met kap, daaromheen komt ook bebouwing in één laag met een kap voor. De woningen zijn uit verschillende perioden, variërend van de vijftiger tot de tachtiger jaren van de vorige eeuw.
Het plangebied wordt ontsloten vanaf De Oude Kolk, welke in verbinding staat met de Dreef en Hoflaan. De Hoflaan kent een directe aansluiting op de doorgaande weg Rijksstraatweg (N225).
In het plangebied was sinds 1971 een Nederlands Hervormde Kerk gesitueerd, waarin in 2004 de laatste kerkdienst is gehouden. De kerk is inmiddels gesloopt. Het plangebied is in de huidige situatie onverhard en bestaat uit een grasveld. De open ruimte wordt gebruikt voor evenementen zoals de jaarlijkse kermis. Aan de rand van het plangebied zijn enkele parkeerplaatsen, deze vallen buiten de plangrenzen. Op de navolgende afbeelding is het plangebied zichtbaar.
Huidige situatie plangebied De Oude Kolk (Bron: Google Streetview)
Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 20 woningen binnen het plangebied mogelijk. Voor het plangebied zijn op 12 mei 2016 stedenbouwkundige randvoorwaarden vastgesteld door de gemeenteraad in een ontwikkelingskader/bouwenvelop. Op 23 januari 2020 is het woningbouwprogramma geactualiseerd om in te spelen op de almaar toenemende woningbehoefte in de gemeente. In het bestemmingsplan worden 20 woningen mogelijk gemaakt in 3 bouwlagen met de volgende onderverdeling:
In voorliggend bestemmingsplan zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden verder doorvertaald in planregels en een verbeelding met een bouwvlak tot waar de woningen zijn toegestaan.
Er gelden de volgende stedenbouwkundige voorwaarden en/of uitgangspunten:
Door een extern adviesbureau is de locatie nader geanalyseerd en zijn stedenbouwkundige uitgangspunten geformuleerd. Dit beeldkwaliteitsplan is bij het bestemmingsplan gevoegd (zie bijlage 1). Uit het plan volgt dat een compacte ontwikkeling, waarbij de afstand van de nieuwe bebouwing tot de bestaande woningen aan de Oude Kolk het beste past op deze locatie. De locatie van de bebouwing wordt verder bepaald door de beperkingen die de rioolleiding die door het plangebied heen loopt met zich meebrengt en door de wens om een aantal bomen binnen het plangebied te behouden. In onderstaande afbeelding uit het beeldkwaliteitsplan zijn die afhankelijkheden en randvoorwaarden duidelijk gemaakt.
afbeelding: stedenbouwkundige uitgangspunten
In het bestemmingsplan zijn de bovenstaande randvoorwaarden doorvertaald in de verbeelding en regels. Daarbij is vanwege de compactheid van de ontwikkeling de vrijheid in woningtype losgelaten en is gekozen voor een appartementencomplex.
Om de locatie zo groen mogelijk te houden is gekozen om parkeren voor de woningen deels te laten plaatsvinden onder het appartementencomplex in een halfverdiepte parkeergarage. Hierdoor wordt het gebouw iets hoger en wordt de eerder gestelde maximum bouwhoogte van 10 meter met 1 meter overschreden. Het aantal bouwlagen wordt 3 uitgezonderd de halfverdiepte parkeergarage. Dit is ook als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan.
Bovendien dient binnen het plangebied in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien, conform de parkeernormen die gehanteerd worden in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In toelichting paragraaf 4.12 wordt dit nader toegelicht
In het beeldkwaliteitsplan zijn ook voorwaarden voor materialisering en kleurgebruik opgenomen. Dergelijke voorwaarden kunnen niet worden doorvertaald worden in een bestemmingsplan. Om toch aan die voorwaarden te kunnen toetsen op het moment dat de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van het appartementencomplex binnenkomt, wordt dit deel van het beeldkwaliteitsplan als aanvullend welstandskader vastgesteld.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 in werking getreden. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het rijkrichting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
In de NOVI heeft het Rijk 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven benoemd. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. Het betreft:
De 21 nationale belangen komen samen in vier prioriteiten die het Rijk in de NOVI heeft gesteld:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen noodzakelijk zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Binnen het plangebied spelen de nationale belangen geen rol.
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 3.1 is een aantal van de nationale belangen benoemd. Binnen het plangebied spelen deze belangen, met uitzondering van het door het rijk geformuleerde belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, geen rol. Het belang van zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming is door het rijk door vertaald in de zogenaamde ladder van duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1.3 wordt hier nader op ingegaan.
Als uitwerking van Nationaal Belang 13 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' uit de Structuurvisie Infrastructuur en Mobiliteit, is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6 Bro het relevante lid 2 als volgt omschreven:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, 12 woningen of meer betreft. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 20 nieuwe woningen. Er is derhalve sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Voor de beschrijving van de behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.2.1. waar de woningbehoefte wordt toegelicht en naar paragraaf 3.3.3. over de gemeentelijke Woonvisie. Omdat de woningbouw plaatsvindt binnen het bestaand stedelijk gebied is geen motivering noodzakelijk over het niet bouwen binnen stedelijk gebied.
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, het Mobiliteitsplan en het Afwegingskader Uitbreidingslocaties voor wonen. De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 1 april 2021 in werking getreden.
De provincie wenst blijkens de visie dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat de Provincie voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave van de Provincie is de vraag hoe zij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren.
Met zeven beleidsthema’s geeft de Provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving om te komen tot een inclusieve en circulaire provincie Utrecht in 2050. Een provincie:
Planspecifiek
Het plangebied betreft een binnenstedelijke locatie. In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Doordat het plangebied binnen het stedelijk gebied ligt sluit de ontwikkeling goed aan bij deze visie van de provincie.
Woningbehoefte
Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het volgens de Provincie noodzakelijk om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. De Provincie constateert dat dit een grote opgave is, die alleen kan worden gerealiseerd door samenwerkende overheden en goede samenwerking met andere partners in de bouwwereld. De Provincie constateer bovendien dat veel plancapaciteit in beeld is, maar veel daarvan nog de status ‘zacht’ en ‘potentieel’ heeft en het zaak is om daarin keuzes te maken en te werken aan ‘harde’, uitvoerbare, plannen. Omdat er nu al spanning is op de woningmarkt, wenst de Provincie de woningbouwproductie te versnellen.
De provincie Utrecht heeft dan ook samen met de regio onderzoek1 laten uitvoeren naar de woningmarkt in het zogenaamde U16-gebied, waarbinnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug valt. In dit onderzoek wordt ook een disbalans gesignaleerd tussen het groeiende aantal huishoudens en de achterblijvende plancapaciteit. Deze disbalans geldt voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de buurgemeenten Zeist en Wijk bij Duurstede. De woningbouwbehoefte tot 2040 in de Utrechtse Heuvelrug bedraagt op basis van huishoudenprognoses 3.725 woningen, terwijl de plannen voor woningbouw voorzien in 1138 woningen. Voor de buurgemeenten wordt verwezen naar onderstaande tabel.
Conclusie
Er is binnen de planperiode dringend behoefte aan nieuwe woningen binnen de regio en ook binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De plannen voorzien in 20 nieuwe woningen, waar dus behoefte aan is. De woningen worden binnenstedelijk ingepast, wat in lijn is met de visie van de Provincie op de woningbouwopgave.
Tegelijk met de Omgevingsvisie is op 10 maart 2021 de Interim Omgevingsverordening (hierna de Omgevingsverordening) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De Omgevingsverordening is op 1 april 2021 in werking getreden en vervangt onder meer de Provinciaal Ruimtelijke Verordening.
In de Omgevingsverordening zijn regels voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingsverordening wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening geeft regels met betrekking tot onder meer de onderwerpen bodem, water, duurzaamheid, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Uit de kaart 'Cultuurhistorie' van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied valt binnen de aanduiding 'CHS - Historische buitenplaatszone'. Op grond van artikel 7.7 van de Verordening bevat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels ter bescherming van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Daarnaast bevat een ruimtelijk plan geen nieuwe bestemmingen en regels die leiden tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Gezien de huidige bestemming van de planlocatie en de bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden, is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden, zie ook paragraaf 4.5.
Landschap Rivierengebied
Uit de kaart 'Landschap' blijkt dat het plangebied valt binnen het landschap 'Rivierengebied'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:
Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Rivierengebied verschillende accenten. Uit de kwaliteitsgids blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het deelgebied 'Flank'. In essentie een bosrijk gebied rond de oude weg van Utrecht naar Keulen, met statige landhuizen, tabaksschuren, een kralensnoer van dorpen en talrijke lanen en zichtrelaties de helling af. Het betreft hier een binnenstedelijke locatie, waarbij geen kernkwaliteiten aanwezig zijn en dus ook niet worden aangetast.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling van woningbouw niet strijdig is met de Omgevingsverordening.
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De gemeente wil met deze visie de 'kwaliteit van de leefomgeving' en de 'groene positie in de regio' van de gemeente behouden en versterken. Deze ambities zijn themagericht en gebiedsbericht uitgewerkt. De 6 uitgewerkte thema's zijn:
In deze thema's is geen beleid specifiek voor het plangebied opgenomen. Uit de structuurvisiekaart blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de 'Bebouwing binnen rode contouren'. Hier streeft de gemeente naar maatwerk om wonen en werken te realiseren binnen het saldo van de 'rode' contouren. Binnen het thema maatwerk voor wonen en werken streeft de gemeente naar een stabiel bevolkingsaantal en naar een redelijk evenwichtige verdeling van bevolkingsgroepen in leeftijd, inkomen en opleiding, waarmee de samenleving sociaal en functioneel duurzaam in stand kan worden gehouden.
De gemeente onderzoekt de mogelijkheden voor herontwikkeling van verspreide gemeentelijke locaties in de bebouwde kommen (binnen de 'rode' contouren). Het doel is om voor het gebied als geheel op alle aspecten kwaliteitswinst te behalen.
Planspecifiek
Met name thema vier (leefbare dorpen) en zes (maatwerk voor wonen en werken) zijn van toepassing. De toevoeging van maximaal 20 woningen aan de kern Leersum zorgt voor het op peil houden van de bevolking(sgroei) en bevolkingssamenstelling. De leefbaarheid van dorpen hangt af van de hoeveelheid inwoners. Het op peil houden van de inwonersaantallen is dan ook belangrijk voor het voorzieningenaanbod. De beoogde realisatie van maximaal 20 woningen past binnen deze gedachte. Het laatste thema, maatwerk voor wonen en werken, spreekt de opgave uit om middels inbreidingslocaties de woningbouwopgave uit te voeren. De planlocatie is op de visiekaart Leersum (kaart 8) aangeduid als mogelijke ontwikkelingslocatie. De beoogde ontwikkeling gaat uit van een herontwikkelingsopgave binnen de rode contour en is daarmee in aansluiting op de structuurvisie.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het beleid uit de structuurvisie 2030.
In 2017 heeft de gemeente de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Deze nota bevat het welstandsbeleid van de gemeente opgesteld in 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (voorheen bouwvergunning). Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.
Planspecifiek
Onderhavig plangebied valt binnen het deelgebied 'Naoorlogs wonen (35)'. In dit gebied bevinden zich woningen uit verschillende perioden, variërend van de vijftiger tot de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Het straatprofiel in dit deel van Leersum is smaller en minder groen in vergelijking met het gebied aan de noordzijde van de Rijksstraatweg. De woningen trekken hierdoor meer aandacht.
Welstandsbeleid
Ontwikkelingen in de buurt zullen voornamelijk bestaan uit kleinschalige woningaanpassingen, er is weinig dynamiek. Toetsing dient in elk geval plaats te vinden aan de basiscriteria die van toepassing zijn op dit deelgebied. Voor het gebied gelden de volgende welstandscriteria:
Aanvullend welstandskader
Als onderdeel van het stedenbouwkundig kader zijn aanvullende welstandscriteria in een beeldkwaliteitsplan geformuleerd. Het is de bedoeling om de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen criteria als aanvullend welstandskader door de gemeenteraad te laten vaststellen naast de criteria die al gelden op grond van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Daarbij geldt wel dat als strijd bestaat tussen de criteria in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en de aanvullende criteria uit het beeldkwaliteitsplan de laatstgenoemde gelden. De criteria in het beeldkwaliteitsplan zijn namelijk specifiek toegesneden op het plangebied. Dat geldt niet voor de welstandscriteria uit de nota, welke een meer algemeen karakter kennen en voor een veel groter gebied gelden. Omdat de aanvullende criteria beleidsregels in de zin van de Awb worden, zijn deze criteria tegelijkertijd ter inzage gelegd met het ontwerpbestemmingsplan, zodat eenieder hierop kon reageren. Er zijn gedurende de periode dat de criteria ter inzage hebben gelegen, geen reacties op de criteria ontvangen. Wel zijn zienswijze ontvangen over het ontwerpbestemmingsplan. Voor meer informatie over die zienswijze wordt verwezen naar paragraaf 6.2.3. Voor de aanvullende criteria wordt kortheidshalve verwezen naar het stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsplan wat als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.
Met de nieuwe Woonvisie 2018-2020 wordt richting gegeven aan het woonbeleid van de gemeente voor de komende vier jaar. Doel is dat de inwoners van de gemeente kunnen wonen in een veilige en prettige omgeving, in een duurzame woning, die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. Om dit te bereiken richt de gemeente zich op de drie thema's.
Planspecifiek
Uit de woonvisie blijkt dat de vraag naar woningen groter is dan het aanbod en dat binnen de gemeente dringend nieuwe woningen noodzakelijk zijn. De realisatie van maximaal 20 woningen binnen het plangebied past dus goed binnen de woonvisie.
De gemeenteraad heeft het programma 'Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal' opgesteld voor 2017 tot 2022. Naast de aanpak en het uitvoeringsprogramma van 2017, bevat dit programma de strategische milieubeleidsdoelen die geldend zijn van 2017 t/m 2022. Het programma richt zich op het versterken en verbinden van initiatieven uit de samenleving op het gebied van duurzaamheid en klimaat, waarbij vijf doelen centraal staan:
Het programma stelt de samenleving, waaronder ondernemers, inwoners en bezoekers, als belangrijk middel om de doelen voor een duurzame en klimaatneutrale gemeente te realiseren. Daarnaast wordt er ook ingezet op regionale partners. Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw.
Planspecifiek
In paragraaf 4.13 van de toelichting wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid.
In het kader van een 'goede' ruimtelijke onderbouwing moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende aspecten: milieueffectrapportage, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, ecologie, water, archeologie en verkeer en parkeren.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Planspecifiek
Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergelijken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. De ontwikkeling betreft de functiewijziging van Bijzondere Doeleinden naar Wonen. De realisatie van maximaal 20 woningen betreft een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe, omdat de gronden reeds bestemd zijn voor bijzondere doeleinden. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de functie wonen is minder intensief dan het gebruik dat in de huidige planologische situatie mogelijk is. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Planspecifiek
Om te beoordelen of de grond geschikt is voor het beoogd gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De conclusies van het onderzoek luiden:
'In geen van de grondmengmonsters MM1 t/m MM3 zijn verontreinigingen aangetoond. De lichte verontreinigingen, welke bij de eerdere onderzoeken in 2003 en 2008 waren aangetoond, zijn middels de uitgevoerde analyses niet reproduceerbaar gebleken. Er zijn geen aanwijzingen dat de sloop van de voormalige bebouwing verslechtering van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem tot gevolg heeft gehad.
In het grondwater uit peilbuis P06 is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De kwaliteit van de bodem op de locatie is voldoende vastgelegd en er is geen vermoeden voor de aanwezigheid van een sterke verontreiniging op de locatie.
De aangetoonde situatie komt overeen met/is van betere kwaliteit dan de te verwachtte milieuhygiënische kwaliteit op basis van de bodemfunctiekaart en de ontgravingskaart van het gebied, alsmede de resultaten van de eerdere bodemonderzoeken. De aangetoond milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geeft geen beperking voor een eventuele herinrichting van de locatie.
Asbest
In verband met het aantreffen van bodemvreemd materiaal dient in beginsel te worden uitgegaan van een asbestverdachte locatie. Op dergelijke locaties dient onderzoek naar asbest in grond conform NEN 5707 te worden uitgevoerd om één en ander uit te sluiten / te bevestigen tenzij voldoende gemotiveerd kan worden dat deze verdenking onterecht is. Als voorbeelden van onverdachte bijmenging (‘puingranulaat’) worden in de NEN 5707 genoemd: asfalt, klinkers, dakpannen, bakstenen, enz. In dit geval is op het maaiveld en in de opgeboorde grond visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen in de bodem bestaan uitsluitend uit stukjes (resten/sporen) baksteen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze eenduidige bijmenging vermengd is met asbesthoudend materiaal. Er zijn geen cementpuin, betonpuin of andersoortige potentieel verdachte bijmengingen waargenomen. In principe bestaat er op basis van de uitkomsten van het onderzoek geen directe aanleiding om voor de locatie een asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 uit te voeren.
Grondverzet
Bij grondverzet van-, of naar de onderzoeklocatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Afvoer van grond vanaf de locatie kan mogelijk plaatsvinden op basis van de ontgravingskaart en de toepassingskaart van het gebied en/of op basis van de uitkomsten van onderhavig bodemonderzoek naar een BRL-SIKB 9335 erkende grondbank.
Bij afvoer van grotere hoeveelheden grond wordt geadviseerd om een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit uit te voeren. De verkregen resultaten van onderhavig onderzoek kunnen dan gebruikt worden ter bepaling van de te verwachtte kwaliteit van de te keuren grond.'
Op basis van bovenstaande conclusies bestaat er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van woningen op de planlocatie.
Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie.
Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.
Planspecifiek
Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. Alle wegen die grenzen aan het plangebied betreffen 30 km/h wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het in sommige gevallen, zoals bij drukke 30 km wegen, toch noodzakelijk zijn om de akoestische situatie in kaart te brengen, om te beoordelen of het een goede locatie is voor een geluidgevoelige functie. Derhalve is voor voorliggend plan toch een akoestisch onderzoek (bijlage 3) uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat in delen van het plangebied de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh van 48 dB wordt overschreden. Van overschrijding van de maximaal te ontheffen waarden uit de Wgh van 63 dB is geen sprake. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt namelijk 53 dB.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug hanteert een hogere waarden beleid. In dit beleid zijn voorwaarden opgenomen die gelden bij het afgeven van een hogere waarden. Dit beleid wordt naar analogie toegepast op onderhavig plan. Gezien de hoogste berekende geluidsbelasting kan voldaan worden aan de voorwaarden die in dit beleid zijn opgenomen. Om te verzekeren dat alle woningen een geluidsluwe zijde krijgen, één zijde waarop maximale 48 dB staat, is dit voorgeschreven in de regels.
Conclusie
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat sprake is van een adequaat akoestisch woon- en leefmilieu binnen het plangebied nu de maximaal te ontheffen waarden uit de Wgh niet wordt overschreden. Omdat de voorkeursgrenswaarde in het plangebied wel wordt overschreden, is wel voorgeschreven dat woningen één geluidsluwe zijde moeten hebben.
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde.
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarden voor verschillende stoffen. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen.
Besluit en regeling 'niet in betekenende mate'
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd.
NIBM-projecten kunnen -juridisch gezien- zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor zeer fijn stof bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor fijn stof niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor zeer fijn stof zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
Conclusie
De ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 20 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Onderhavig plan blijft ruim onder deze norm.
Desondanks is een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Hierbij is uitgegaan van de realisatie van 14 huurappartementen in het sociale en middensegment en 6 dure vrije sector appartementen . Voor de 14 huurappartementen is een verkeersgeneratie van 4,5 auto's per etmaal. Voor de dure appartementen is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,8 auto's per etmaal. De verwachte verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling ligt daarmee rond de 110 motorvoertuigen per etmaal. Onderstaand de conclusie van de berekening
Uit de berekening blijkt dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De bijdrage van het extra verkeer aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is niet in betekenende mate en valt ruimschoots onder de norm van 1,2 µg/m³.
Omdat sprake is van woningen (gevoelige functie) is met behulp van het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht gekeken of de kwaliteit van de lucht voldoende is om woningen toe te staan. Hieruit blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in 2018 ter plaatse van het plangebied circa 14,0 - 16,0 µg/m³, 19 - 20 µg/m³ respectievelijk 12,5 - 13,0 µg/m³ bedragen. Tevens is beoordeeld wat de luchtkwaliteit is in 2030. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet in 2030 ook ruimschoots aan de grenswaarde van 40 ìg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De concentratie PM2,5 blijft met een waarde van circa 9,5 - 10,0 µg/m³ eveneens ruim onder de grenswaarde.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik.
Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. De handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).
Planspecifiek
Navolgende tabel toont de bedrijven en inrichtingen in de nabije omgeving van het plangebied, de daarbij behorende richtafstanden en de werkelijke afstanden tot het plangebied:
Uit bovenstaande tabel volgt dat niet wordt voldaan aan de richtafstand behorende tot het Sport- en Cultuurcentrum De Binder. Navolgend wordt hierop ingegaan.
Hoflaan 29, Sport- en Cultuurcentrum De Binder
Ten oosten van de beoogde woningen is Sport- en Cultuurcentrum De Binder gevestigd. In dit gebouw zitten onder andere een sporthal, een bibliotheek, een theaterzaal, een peuterspeelzaal en diverse vergaderzalen. Een sporthal valt onder milieucategorie 3.1 (afstand 50 meter). Zelfs wanneer wordt uitgegaan van een type gemengd gebied valt de cirkel van de sporthal (gemeten vanaf de grens van het perceel) voor een deel over de beoogde woningbouw heen.
In 2012 is door het sport- en cultuurcentrum een melding in het kader van het Activiteitenbesluit ingediend. Onderdeel van deze melding is een akoestisch rapport en deze is destijds door de ODRU beoordeeld. Uit het onderzoek volgt dat de theaterzaal voldoende goed geïsoleerd is om activiteiten te organiseren met een hoog niveau aan muziekgeluid. De theaterzaal is dubbel geïsoleerd (doos-in-doosconstructie).
Naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling van de woningen is het akoestisch rapport nogmaals bekeken door de ODRU. Het lijkt dat er - richting de voorgenomen woningbouw - sprake is van (grotendeels) afscherming door eigen ruimten van de Binder en dat verklaart ook dat er in 2012 geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting op de bestaande woningen ten noordwesten (= woning Oude Kolk 1) en zuidwesten (woningrij Dreef 124 – 134) van De Binder. Het onderzoek concentreerde zich meer naar noord-, zuid- en oostkant. Vanwege de hoge mate van afscherming van de zaal en de goede geluidsisolatie, zal ter plaatse van het plangebied geen sprake zijn van een te hoge geluidsbelasting.
Voor de sporthal geldt dat de afstand tot de sporthal en de woning op De Oude Kolk 1 geringer is dan de afstand tussen de nieuwbouw woningen in het plangebied. De nieuwbouw van woningen in het plangebied levert daarmee geen extra beperkingen op voor het gebruik van de sporthal.
Conclusie
De aanwezigheid van de Binder levert geen belemmering op voor de ontwikkeling van de woningen.
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg geldt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het daarbij behorende besluit. Voor ondergrondse buisleidingen is het wettelijk kader vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
Op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dient bij bestemmingsplan beoordeeld te worden of de wettelijk grenswaarde met betrekking tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreden en of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Bij een toename van het groepsrisico geldt de wettelijke verplichting voor de gemeente om dit in het bestemmingsplan te verantwoorden.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (zwarte cirkel)
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van een bedrijf ligt waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het plangebied niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Tot slot zijn er ook geen bronnen van elektromagnetische straling gelegen in de omgeving van het plan.
Conclusie
De rijksweg A12, buisleidingen en hoogspanningsmasten zijn op meer dan 200 meter van het plangebied gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting welke onder het Bevi valt is gelegen op ruim 1.100 meter. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn bepaalde activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit dit onderzoek volgt dat het plangebied niet in of direct nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Ook is er door de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van externe invloeden op de NNN.
Het plangebied ligt op 1,4 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Door de geplande ontwikkeling gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren. Voor de meeste effectfactoren van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling kunnen gezien de afstand en de tussenliggende elementen externe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Door de bouw van 20 woningen is er mogelijk wel sprake van een toename aan uitstoot van stikstof.
Soortenbescherming
Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, kleine marterachtigen, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Het plangebied, met name de randen, heeft een beperkte functie als foerageergebied voor vleermuizen. Dit is echter niet van essentieel belang, aangezien er rondom het plangebied veel geschiktere foerageergebieden aanwezig zijn. De bomenrij aan de oostkant van het plangebied (tussen het wandelpad en de Hoflaan) kan een functie hebben als geleidend element voor vleermuizen om het foerageergebied in het ten oosten van het plangebied gelegen parkje te bereiken. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er van de overige (niet- vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde planten- en/of diersoorten geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied. Nader onderzoek naar eventueel binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten is dan ook niet nodig.
Ten slotte zijn ten alle tijden de twee algemene voorwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming van toepassing:
Vleermuisonderzoek
Omdat de bomenrij aan de oostkant van het plangebied mogelijk een functie heeft als vliegroute voor vleermuizen, is een vleermuisonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4 ). Tijdens het onderzoek zijn drie soorten vleermuizen waargenomen in en rondom het plangebied: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Van rosse vleermuis alleen passerende individuen waargenomen: het plangebied is voor deze soort niet van bijzondere betekenis. De bomenrij aan de oostkant van het plangebied heeft een geleidende functie voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Daarnaast zorgt de bomenrij voor een afscherming van de straatverlichting langs de Hoflaan op het grasveld.
Door het kappen van de bomenrij wordt een essentiële vliegroute van laatvlieger (aantal dieren meer dan 10% van een gemiddelde kraamkolonie) en in mindere mate gewone dwergvleermuis (aantal dieren minder dan 10% van een gemiddelde kraamkolonie) aangetast. Dit kan een indirect effect hebben op nabijgelegen verblijfplaatsen van deze soorten. Wanneer de bomen verwijderd worden is dan een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Om geen nadelige effecten op beschermde soorten te laten optreden is daarom besloten de bomenrij aan de oostzijde van het plangebied te handhaven. Deze voorwaarde is in de planregels van het bestemmingsplan vastgelegd.
Er zijn geen andere van belang zijnde waarnemingen gedaan. Ten aanzien van overige soorten zijn geen consequenties van de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied.
Toename stikstofdepositie door verkeer
Ten gevolge van de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied kan er sprake zijn van een toename in stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 1,4 en 2,2 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Kolland & Overlangbroek’ en ‘Rijntakken’. Andere Natura 2000-gebieden, zoals ‘Binnenveld’, liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. Om te beoordelen wat de gevolgen zijn van de extra verkeersbewegingen op de nabijgelegen natuurgebieden is een zogenaamde Arieusberekening uitgevoerd (zie bijlage 6).
Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied is bepaald met behulp van de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW uit december 2018. De Utrechtse Heuvelrug betref een ‘weinig stedelijke gemeente’ en het plangebied kan worden getypeerd als ‘rest bebouwde kom’ aangezien de locatie niet in het centrum of in een schil rond het centrum van het dorp Leersum ligt.
Het aantal verkeersbewegingen is afhankelijk van de stedelijkheid van de gemeente, de ligging van het plangebied ten opzichte van het centrum en het woningtype. Voor het woningtype is uitgegaan van 6 dure vrije sector appartementen en 14 huurappartementen in het sociale en midden segment. Het maximale aantal verkeersbewegingen op grond van de CROW-publicatie voor de huurappartementen bedraag 4,5 per appartement. Voor de koopappartementen bedraagt het maximaal aantal verkeersbewegingen 7,8 per appartement. Het totaal aantal verkeersbewegingen bedraagt daarbij dus totaal 110.
Uit de berekening, uitgevoerd met het softwarepakket Aerius, blijkt dat ten gevolge van de extra verkeersbeweging die de ontwikkeling van het plangebied opleveren geen extra stikstofdepositie in de nabijgelegen natuurgebieden oplevert.
Conclusie
De Wet natuurbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling in de weg, omdat geen vaste nest-, rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten binnen het plangebied zijn aangetroffen. Wel maken de bomen langs de Hoflaan onderdeel uit van een essentiële vluchtroute voor vleermuizen. Om te borgen dat de ontwikkelaar deze bomen beschermd tijdens de bouw, is een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen die borgt dat boombeschermde maatregelen worden getroffen, voordat wordt gestart met de bouw. Verder lever de extra verkeersaantrekkende werking die de ontwikkelingen binnen het plangebied hebben geen extra stikstofdepositie op nabijgelegen natuurgebieden op.
Bouwbesluit
Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet BENG en staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen.
MilieuPrestatie Gebouwen (MPG)
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.
De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde 'schaduwkosten' van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.
Planspecifiek
De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft naar duurzame ontwikkelingen. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau. De woningen zullen in ieder geval niet aangesloten worden op aardgas en zullen moeten voldoen aan de meest recente BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen).
De concrete duurzaamheidsmaatregelen zullen te zijner tijd in een overeenkomst tussen de gemeente en de projectontwikkelaar worden vastgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan het streven (een deel van) de woningen als 'nul op de meter' uit te laten voeren en de ambitie een GPR score van 8 na te streven.
Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021
Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is vastgesteld op 7 december 2015. Met dit plan wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening en de Provinciale Waterverordening.
Voor bodem, water en milieu staan de volgende doelen centraal:
Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden twee hoofdlijnen in het beleid onderscheiden:
Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016 - 2021' Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is neergelegd in het Waterbeheerplan. Het plan bestaat uit 3 delen, te weten: Strategie, Beleids- en uitvoeringsplan en een Achtergronddocument. Het deel Strategie betreft een beschrijving over hoe wordt ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen als klimaatverandering en verstedelijking. Het vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie. In het Beleids- en uitvoeringsplan zijn de ambities uit het strategisch deel vertaald naar vier beleidsthema's (veiligheid, voldoende water, schoon water en recreatie, landschap en cultuurhistorie) en 7 vernieuwende projecten. Het thema 'veiligheid' heeft met name te maken met het beleid ten aanzien van waterkeringen (primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen), het voorkomen van overstromingen en het beperken van eventuele gevolgen. Bij de zorg voor het thema 'voldoende water' worden de volgende onderdelen onderscheiden:
Het thema 'schoon water' staat gelijk aan ecologisch gezond water. Dit gebeurt door aanpassing van de inrichting, het beheer en het onderhoud van watersystemen. Hierdoor verbetert de leefomgeving van mensen, dieren en planten. De veranderingen worden doorgevoerd via integrale gebiedsgerichte planvorming, in samenhang met maatregelen om andere doelen te halen. Dit wordt gedaan via integrale, gebiedsgerichte planvorming middels het opstellen van watergebiedsplannen.
Waterstructuurvisie Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
In de Waterstructuurvisie is de toekomstvisie van het Hoogheemraadschap weergegeven. Belangrijkste doelstelling is dat het water meer ruimte moet krijgen om het hoofd te bieden aan klimaatveranderingen. Het middel dat hiervoor wordt ingezet is het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Dit houdt in dat regenwater niet meteen wordt afgevoerd via het riool, maar wordt vastgehouden. Bijvoorbeeld door het in de grond te laten zakken of te verzamelen in sloten. Het bergen vindt plaats door het opslaan van overtollig water in speciale meren of aangewezen polders. Op die manier is er ook schoon water in voorraad voor droge tijden. Pas in het uiterste geval wordt meer gevraagd van de gemalen (afvoeren).
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
Convenant en Leidraad Afkoppelen en Infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug
Het convenant 'Leidraad afkoppelen en infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug' is op 27 januari 2010 door twaalf overheden en drinkwaterbedrijf Vitens getekend. Het convenant dat gaat over het afkoppelen en infiltreren van afstromend hemelwater op de Utrechtse Heuvelrug, is op 26 november 2015 geactualiseerd. Het streven is om diffuse bronnen terug te dringen, zoals het gebruik van uitlogende materialen. In het convenant is een beslisschema opgenomen waarmee kan worden bepaald of en op welke wijze hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem (geïnfiltreerd).
Lokale adapatiestrategie
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad de Lokale Adaptatie Strategie vastgesteld. Met dit document willen we onze doelen voor een klimaatadaptieve en waterrobuuste gemeente vaststellen en de strategie om dez doelen te realiseren. Aanleiding voor vaststellen van de lokale Adaptatie Strategie zijn de klimaatverandering, waardoor de temperaturen hoger worden, de regenbuien worden heftiger en komen vaker voor en tegelijkertijd zien we langere periodes van extreme droogte. Hiernaast vorm de Nationale Omgevingsvisi de aanleiding, diestelt, dat we onze omgeving in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig moeten hebben ingericht. In de strategie worden de volgende beleidskeuzes gemaakt:
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In deze waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
In de huidige situatie is het terrein, kadastraal bekend onder gemeente Leersum, sectie D, nr. 2866, onbebouwd. In de toekomstige situatie bestaat de verharding uit woonbebouwing en overige verharding voor onder andere parkeergelegenheid, opritten en tuininrichtingen. Binnen het plangebied worden ook delen groen ingericht en tuinen worden veelal slechts halfverhard.
Hoewel het plangebied in het recente geleden deels verhard was, vindt met de voorgenomen ontwikkeling een toename aan verhard oppervlak plaats van meer dan 500 m². Aangezien sprake is van een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m², dient in principe watercompensatie plaats te vinden. Er is echter binnen het plangebied geen open water waarop kan worden aangesloten of dat kan worden verbreed.
In plaats van watercompensatie kiest de gemeente er dan ook voor om de versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen door in het bestemmingsplan te regelen dat de ontwikkelaar voldoende waterbergingscapaciteit in plangebied moet aanleggen. Dit kan zijn door het aanleggen van een wadi of door bijvoorbeeld grindkoffers. Watercompensatie is dan niet meer noodzakelijk. De capaciteit van de aan te leggen waterberging dient te voldoen aan de normen uit onze lokale adapatiestrategie. Dit is geborgd door een voorwaardelijke verplichting in de regels op te nemen.
Waterafvoer
De vuilwaterafvoer van het plan zal aangesloten worden op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Het hemelwater zal afgekoppeld worden en binnen het plangebied worden verwerkt, bijvoorbeeld door infiltratie. Tevens wordt er bij de realisatie van de woningen geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.
Geohydrologisch onderzoek
Tijdens de gehouden bewonersavond over de ontwikkeling op dit perceel, bleken veel omwonenden wateroverlast te ervaren, onder meer in de vorm van vochtige kruipruimtes en plassen in de tuin, schimmelvorming. De vrees van omwonenden is dat realisatie van de woningen in het plangebied deze overlast zal verergeren. Naar aanleiding van voorgaande heeft de gemeente het onderzoeksbureau Tauw verzocht om onderzoek (bijlage 7 ) te doen, om te achterhalen waar de wateroverlast vandaan komt. Uit het onderzoek blijkt dat geen duidelijke oorzaak gevonden kan worden van de wateroverlast.
Het onderzoeksbureau geeft daarbij aan dat het niet aannemelijk is dat de grondwaterstand of kwel de oorzaak is. Ook acht het onderzoekbureau het onwaarschijnlijk dat het ligt aan het oppervlaktewatersysteem. Wat betreft de riolering en de waterafvoer ervan signaleert het bureau geen directe knelpunten ten opzichte van de ontwikkellocatie. Een mogelijk oorzaak zou nog kunnen zijn dat de ooit aanwezige kolk ter plaatse van het plangebied is gedempt met slecht waterdoorlatend materiaal. Omdat de omvang van de kolk vrij gering was, is het effect op de grondwatersituatie volgens het bureau ook (zeer) beperkt.
Omdat geen duidelijke oorzaak van de wateroverlast is gevonden, is nader onderzoek gedaan in de vorm van een enquête , die naar omwonenden is gestuurd. De enquête heeft echter ook niet meer duidelijkheid gegeven. Verwezen wordt naar bijlage 8 met daarin de uitkomsten van de enquête.
Nu geen duidelijk oorzaak is aan te wijzen van de wateroverlast, wenst de gemeente te verzekeren dat de ontwikkeling in het plangebied de al aanwezige overlast niet gaat verergeren. Om dit te borgen zijn extra regels in het plangebied opgenomen die borgen dat voldoende waterbergingscapaciteit in het plangebied wordt aangelegd en is ondergronds bouwen niet toegestaan, uitgezonderd een halfverdiepte parkeergarage.
Conclusie
Wateraspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
Bereikbaarheid
Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld, waarin mobiliteitsbeleid van de gemeente is vastgelegd. Het doel van het GVVP is een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economische gezonde gemeente.
De verwachte verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zal circa 110 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Aangrenzend aan de planlocatie liggen de Hoflaan en Dreef, welke een directe verbinding hebben met respectievelijk de zuidelijk gelegen Nieuwe Steeg en de noordelijk gelegen provinciale weg Rijksstraatweg (N225). Hiermee is de locatie goed bereikbaar. De verwachting is dat er een beperkte toename zal zijn van extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling. Dit verkeer kan via de voornoemde wegen uit het dorp worden geleidt. Additionele verkeersmaatregelen worden dan ook niet nodig geacht. De realisatie van de beoogde woningen op deze locatie zal niet leiden tot onaanvaardbare verkeershinder.
Parkeren
Op 21 februari 2022 heeft de gemeenteraad de parkeerbeleidsnota 2021 vastgesteld. In deze nota zijn de nieuwe parkeerkencijfers voor zowel fiets en auto van het CROW opgenomen. Verder is de mogelijkheid voor de initiatiefnemer opgenomen om tot het afkopen van parkeerplaatsen over te gaan. Om die reden wordt er, anders dan in het GVVP 2010, een geografisch onderscheid gemaakt in parkeernormen per gebied.
In het bestemmingsplan is een parkeerregel die borgt dat binnen plangebied voldoende prkeerplaatsen worden gerealiseerd. Binnen het plangebied is hiervoor voldoende ruimte, deels in de halfverdiepte parkeergarage en deels in de tuin rondom het te realiseren appartementencomplex.
Conclusie
In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is vastgelegd dat voorzien dient te worden in voldoende parkeervoorzieningen conform het vastgestelde parkeerbeleid.
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
In het plangebied was sinds 1971 een Nederlands Hervormde Kerk gesitueerd, waarin in 2004 de laatste kerkdienst is gehouden. De kerk is inmiddels gesloopt. Het plangebied is in de huidige situatie onverhard en bestaat uit een grasveld. Specifieke cultuurhistorische waarden zijn dan ook niet aanwezig in het plangebied.
Bij de verkaveling en inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met een goede inpassing in de omgeving. Als uitgangspunt gelden de door de gemeenteraad op 12 mei 2016 vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden. De gebiedscriteria van de welstandsnota (Nota Ruimtelijke Kwaliteit) zijn eveneens van toepassing. Hiermee blijft de karakteristiek van het dorp, het bebouwingsensemble en de gaafheid van de bebouwing, behouden.
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Uit artikel 9.1 sub a van de Erfgoedwet volgt dat artikel 38 lid a van de Monumentenwet nog steeds van toepassing is en stelt: 'De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten'.
Planspecifiek
Om te beoordelen of bij de sloop van de kerk en de beoogde woningbouw er geen archeologische waarden verstoord raken is in 2008 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (bijlage 9). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig is en dat er geen belemmeringen zijn vanuit archeologie om de grond vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Deze conclusie is ook verwerkt in de beleidskaart Archeologie van 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Navolgende afbeelding toont een uitsnede hiervan.
Uitsnede archeologische beleidskaart Utrechtse Heuvelrug 2013 (plangebied: zwarte cirkel) Bron: Geoloket Omgevingsdienst regio Utrecht.
Uit de beleidskaart Archeologie 2013 volgt dat het plangebied geen, tot lage archeologische waarde heeft. Archeologisch onderzoek is hierbij niet verplicht. Slechts een klein deel van het plangebied bevindt zich binnen een zone met een lage archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek slechts verplicht bij bodemingrepen groter dan 100.000 m².
Geconcludeerd kan worden dat de gronden afdoende archeologisch onderzocht zijn en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conform de wettelijke verplichting zal er bij het aantreffen van archeologische vondsten direct contact worden opgenomen met het bevoegd gezag.
Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.LSMDeOudeKolk-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (de verbeelding) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
Het voorliggende bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Verkeer' en 'Woongebied'. Tevens bevat dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - riool'.
De bestemming 'Verkeer' is opgenomen om de bestaande verkeersstructuur van de Hoflaan in het plangebied te waarborgen. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden en pleinen met een verkeers- en verblijfsfunctie. Ook zijn onder andere voet- en rijwielpaden, verkeersbegeleiders, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen toegestaan binnen deze bestemming.
Deze bestemming is opgenomen voor de beoogde woningen en de daarbij horende erven en tuinen, wegen, paden en parkeervoorzieningen. Alleen gestapelde bouw is toegestaan, tot een maximum van 20 wooneenheden. Voor gestapelde bouw geldt een bouwhoogte van maximaal 11 meter. Aanvullend is het aantal bouwlagen beperkt tot 3 bouwlagen, uitgezonderd een halfverdiepte parkeergarage onder het gebouw. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen, waarbij in de regels is bepaald onder welke voorwaarden het bouwen van hoofd- en bijgebouwen is toegestaan. Ook is op de verbeelding een aanduiding opgenomen voor de hoofdontsluiting. Deze moet uitkomen op de Dreef en kom te liggen ter hoogte van het voetpad dat de Dreef verbindt met de Weidelaan. Verder is een aanduiding tuin aangebracht voor de gronden die groen moeten blijven en als tuin ingericht moeten worden. Binnen deze aanduiding is alleen gebruik als tuin en daaraan ondergeschikt gebruik ten behoeve van parkeerplaatsen toegestaan. Bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen de aanduiding tuin is niet toegestaan.
Verder worden de binnen de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor de uitoefening van een beroep- en/of bedrijf aan huis geboden. Dit mag ten hoogste 40% van de totale bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, beslaan. In de algemene gebruiksregels is ook nog het uitoefenen van bed & breakfast geregeld.
In verband met de zorgen over mogelijk wateroverlast die de ontwikkeling binnen het plangebied gaan opleveren, is ondergronds bouwen binnen de bestemming 'woongebied' verboden, met uitzondering van de halfverdiepte parkeergarage.
Verder is in de regels ook opgenomen dat watercompensatie op een goede wijze geregeld moet worden. Hiertoe zijn twee voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied moet zodanig worden ingericht dat een bui van 70 mm per uur zonder problemen kan verwerken. Dit betekent dat binnen het plangebied waterberging wordt aangelegd. Het is ter vrije keuze van de ontwikkelaar hoe de waterberging wordt vormgegeven. Denkbaar zijn een wadi en/of grindkoffers. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient bewezen te worden dat de waterberging voldoet aan de gestelde norm. De waterberging dient ook in stand gehouden te worden. Die instandhoudingsverplichting is gekoppeld aan het gebruik van de woningen.
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.
Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.
In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij inwerkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.
Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.
Het gebruik van een woning voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen is een verboden gebruik. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om dit gebruik toch toe te staan. Dit mag alleen als het gebruik als woning in de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende bestemming is opgenomen. Deze regeling is echter niet van toepassing op bedrijfswoningen. Het gebruik moet qua uitstraling en ruimtelijke werking overeenstemmen met die van de woonfunctie. Het gebruik voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen mag de belangen niet onevenredig schaden van eigenaren en gebruikers van de gronden waarop dit veranderde gebruik plaatsvindt of die in de nabijheid daarvan liggen. Het gebruik dient binnen het bouwvlak plaats te vinden.
Deze bepaling verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar de op 21 februari 2022 door de gemeenteraad vastgestelde parkeerbeleidsnota 2021. Het parkeernormenbeleid is een dynamisch document en bijstelling van het beleid is met enige regelmaat noodzakelijk. Omdat het niet doelmatig is hiervoor telkens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voorziet de regeling in een dynamische verwijzing naar de parkeernormen. Dit houdt in dat de parkeerbeleidsnota 2021 van toepassing wordt verklaard en tevens rekening wordt gehouden met de opvolger van dit beleid.
In de parkeerbeleidsnota staat het beleid ten aanzien van parkeren. Het betreft bijvoorbeeld hoe om te gaan met parkeren, hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, de manier waarop in deze parkeerplaatsen kan worden voorzien en welke eisen aan de verschillende parkeerplaatsen worden gesteld.
Een aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de parkeernormen wanneer er sprake is van vergunningplichtige nieuwbouw of vergroting. De te realiseren parkeergelegenheid moet voldoende zijn voor het bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht.
Van de verplichting om voldoende parkeergelegenheid te realiseren op grond van de gemeentelijke parkeernormen zoals gesteld in de parkeerbeleidsnota kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Het is echter niet de bedoeling dat deze bevoegdheid lichtvaardig wordt toegepast. Daarom dient de aanvrager van een omgevingsvergunning in dergelijke gevallen door middel van een parkeeronderzoek aan te tonen dat - gelet op de bijzondere omstandigheden - geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
In artikel 11 van de regels is het overgangsrecht opgenomen. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij overgangsrecht dat is voorgeschreven voor bestemmingsplannen in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.
In artikel 12 van de regels is de slotregel opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Voor het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van een anterieure overeenkomst is derhalve geen noodzaak. De economische uitvoerbaarheid is derhalve veiliggesteld.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) pleegt de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op 2 december 2021 is het voorontwerpbestemmingsplan aan de vooroverlegpartners, respectievelijk Hoogheemraadschap en de Provincie, gestuurd. Beide vooroverlegpartners hebben aangegeven geen op- en/of aanmerkingen te hebben op het voorontwerpbestemmingsplan.
De planontwikkeling voor de locatie De oude Kolk speelt al geruime tijd. Op 18 februari 2020 is er een informatieavond gehouden om de stand van zaken over de planvorming toe te lichten aan omwonenden. Op deze avond is ook het meest recente raadsbesluit van 23 januari 2020 ten aanzien van het plangebied toegelicht. Gedurende de vragen zijn diverse vragen gesteld die door de gemeente gebundeld zijn in een schriftelijke reactie, zie bijlage 10.
Toegezegd is dat alle onderzoeken voorafgaand aan de formele procedure gereed gemaakt zullen worden. Daaronder valt ook het geohydrologisch onderzoek. Hierom is gevraagd omdat er zorgen bestaan over extra wateroverlast door de planontwikkeling.
Het ontwerpbestemmingsplan is op basis van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voor een periode van zes weken vanaf 25 februari 2022 ter visie gelegd. Gedurende deze periode zijn meedere zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn van antwoord voorzien in de bijgevoegde nota van beantwoording, die als bijlage Nota van zienswijzen bij dit bestemmingsplan is gevoegd.
Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.
Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.
De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting (1) en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek."
Ad voetnoot 1:
Repressieve toezicht en handhaving ligt wettelijk vast en leidt allereerst tot de te beantwoorden vraag of de afwijking/overtreding kan worden gelegaliseerd. Dat kan meer verruiming van het bestemmingsplan tot gevolg hebben dan dat met het bestemmingsplan oorspronkelijk is bedoeld. Dat zelfde geldt voor de discretionaire bevoegdheid om afwijkingen te gedogen. Als er niet voor legalisering dan wel gedogen wordt gekozen, kan er weliswaar met gebruikmaking van de repressieve handhavingsmiddelen (last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, strafrechtelijke boete dan wel een bestuurlijke boete; de boetes waar van toepassing uiteraard) een aanmerkelijke kans worden gecreëerd op beëindiging van de afwijking/overtreding.