direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lange Dreef 1e herziening
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.DBGlangedreef1eher-BV01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan Lange Dreef is op 27 oktober 2005 vastgesteld. Dit plan had voor het merendeel van de gronden een globale bestemming met uitwerkingsplicht. In 2009 is voor de gronden met de bestemming Uit te werken woongebied 1 het Uitwerkingsplan Lange Dreef vastgesteld.

In 2015 moest gelet op de actualiseringsplicht uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die toen gold vóór 27 oktober 2015 een nieuwe planologische regeling worden vastgesteld. De planologische regeling moest gelden voor die delen van het plangebied waarvoor in de periode tussen 2005 en 2015 geen actueel bestemmingsplan was opgesteld. Er is toen gekozen voor het opstellen van een beheersverordening waarin de bestaande situatie wordt vastgelegd (zie voor een motivering van deze keuze paragraaf 2.2).

Op 17 september 2015 heeft de gemeenteraad de beheersverordening 'Lange Dreef' vastgesteld.

Begin 2020 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling) een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2020:217) gedaan die mogelijk serieuze gevolgen kan hebben voor de beheersverordeningen die gelden binnen onze gemeente. In de uitspraak ging het om een beroep tegen een paraplubestemmingsplan. Het paraplubestemmingsplan wordt door de Afdeling vernietigd voor zover dit betrekking had op een onderliggende beheersverordening. In de overweging stelt de Afdeling dat de beheersverordening zou zijn vervallen met het vaststellen van het paraplubestemmingsplan. Dat is echter niet de bedoeling geweest van de raad. Om die reden vernietigd Afdeling dit deel van het paraplubestemmingsplan. De onderliggende beheersverordening blijft vervolgens gelden.

Het is (nog) niet helemaal duidelijk wat de gevolgen zijn van deze uitspraak voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In onze gemeente geldt een onherroepelijk paraplubestemmingsplan, namelijk 'Paraplubestemmingsplan stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' uit 2018. Dit plan overlapt op dit moment nog een drietal beheersverordeningen, respectievelijk:

  • De beheersverordening Lange Dreef;
  • De beheersverordening Woongebied Doorn West 1e herziening;
  • De beheersverordening Woongebied Leersum 1e herziening.

De voorlopige conclusie is dat de hierboven genoemde beheersverordeningen niet tegelijkertijd met het een paraplubestemmingsplan van kracht kunnen zijn. Het staat echter niet vast of dit betekent dat deze beheersverordeningen zijn komen te vervallen of dat het paraplubestemmingsplan voor die plangebieden onverbindend is geworden. De gemeente gaat uit van het laatste, maar er wordt nog verdere jurisprudentie verwacht. Duidelijk is dat er hoe dan ook sprake is van een gebrek dat hersteld moet worden. Deze herziening heeft daarom als doel deze beheersverordening opnieuw vast te stellen, enkel aangevuld met de onderdelen die in het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' zijn opgenomen. Door het opnieuw vaststellen komen de voorgaande beheersverordeningen en het paraplubestemmingsplan voor zover het de betreffende plangebieden betreft te vervallen. Daarmee is alles juridisch weer geregeld zoals het bedoeld was, ongeacht wat er uit de verdere jurisprudentie volgt over de combinatie van een beheersverordening met een paraplubestemmingsplan.

1.2 Plangebied en vigerende plannen

De onderhavige beheersverordening heeft betrekking op het plangebied van bestemmingsplan Lange Dreef uit 2005 inclusief het in 2009 vastgestelde Uitwerkingsplan Lange Dreef. Hiervan zijn uitgezonderd de plangebieden Lange Dreef 2012 en Reepad 1, 3 en 5 Driebergen-Rijsenburg en het meest oostelijk gelegen deel van het plangebied van bestemmingsplan Lange Dreef uit 2005.

Het meest oostelijk gelegen deel van het plangebied van bestemmingsplan Lange Dreef uit 2005 was in 2009 niet meegenomen in het Uitwerkingsplan Lange Dreef, omdat de ter plaatse gevestigde school en kinderopvang bleven gehandhaafd. De regeling uit het bestemmingsplan Lange Dreef uit 2005 blijft hier zodoende voorlopig van kracht.

Het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGlangedreef1eher-BV01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (blauwe contour)

1.3 Leeswijzer

De toelichting bij de verordening is als volgt opgebouwd:

  • in hoofdstuk 2 zijn de uitgangspunten van de beheersverordening beschreven en wordt uitleg gegeven aan de regeling die bij deze beheersverordening hoort;
  • in hoofdstuk 3 is een toelichting gegeven op de herziene planonderdelen;
  • in hoofdstuk 4 wordt uiteengezet wat er in de regels is gewijzigd;
  • in hoofdstuk 5 wordt tot slot stilgestaan bij de uitvoerbaarheid van de verordening.

Hoofdstuk 2 Uitgangspunten en uitleg regeling

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de keuze voor het instrument beheersverordening uiteengezet en een uitleg gegeven van de planologische regeling.

2.2 Keuze voor de beheersverordening

De Wro biedt gemeenten de mogelijkheid om in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening voor een gebied vast te stellen. Een beheersverordening vormt, net als het bestemmingsplan, het kader waaraan onder andere bouwaanvragen worden getoetst en op basis waarvan de gemeente handhavend kan optreden op het moment dat in strijd met bepalingen uit de verordening wordt gehandeld (bijvoorbeeld illegale gebruiksvormen of illegale bebouwing).

De Wro heeft een bovengrens gesteld voor gebieden waarvoor de verordening kan worden toegepast. Een beheersverordening vormt namelijk een beheerregeling voor het bestaand gebruik voor een gebied waarin geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien binnen de horizon van de verordening. Onder beheerregeling wordt zowel een regeling voor de daadwerkelijk aanwezige situatie verstaan, als een regeling voor planologische ruimte. Het voorgaande betekent dat de beheersverordening kan worden ingezet voor gebieden waar geen ontwikkelingen worden voorzien. Naast de bestaande situatie kan de beheersverordening ook voorzien in planologische ruimte, zolang hiermee geen ruimtelijke ontwikkeling ontstaat.

Van wezenlijk belang hierbij is wat onder 'ruimtelijke ontwikkeling' moet worden verstaan. De Wro geeft hiervan geen definitie. In de wetsgeschiedenis is hierover onder meer te vinden 'dat van een ruimtelijke ontwikkeling sprake is als het gaat om ruimtelijk relevante veranderingen in het planologisch toegestane gebruik van gronden en opstallen alsmede om bouwkundige wijzigingen van bouwwerken, waarvoor een bouwvergunning nodig is'. Ten aanzien van het gebied Lange Dreef is er geen aanleiding om de bestaande (bouw)plannen te wijzigingen en worden de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden overgenomen uit het geldende bestemmingsplan (inclusief het uitwerkingsplan). Er is zodoende geen sprake van een ruimtelijke verandering in het planologisch toegestane gebruik van gronden en opstallen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De beheersverordening is om die reden een geschikt instrument voor het gebied waarvoor de planologische regeling aan actualisering toe is.

De gemeenteraad heeft de vrijheid de beheersverordening naar eigen inzicht in te richten. Voor het gebied Lange Dreef wordt het geldende bestemmingsplan vastgesteld tot beheersverordening. Dit betekent dat voor het gebied waarvoor in 2009 het Uitwerkingsplan Lange Dreef is vastgesteld, de regeling uit dit uitwerkingsplan van toepassing wordt verklaard. Voor de overige gebieden uit het in 2005 vastgestelde 'moederplan' Lange Dreef wordt de regeling uit het moederplan van toepassing verklaard. Het betreft een beperkt aantal gebieden waar de bestemming 'Groen' van toepassing is. In figuur 1.2 is te zien om welke gebieden dit gaat.

Voor een toelichting op de regelingen wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de toelichting op het Uitwerkingsplan Lange Dreef (zie bijlage) en hoofdstuk 5 van de toelichting op het Bestemmingsplan Lange Dreef uit 2005 (zie bijlage).

2.3 Ontwikkelingen

Indien in de toekomst toch een ontwikkeling wenselijk blijkt die niet past binnen de regels van de beheersverordening, dan kan deze ontwikkeling mogelijk worden gemaakt door middel van een aparte ruimtelijke procedure.

2.4 Bestaande situatie

Voor invulling van het begrip 'bestaande situatie' is in de onderhavige beheersverordening gekozen voor invulling conform de planologische situatie. De regeling uit het vigerende bestemmingsplan is overgenomen en vormt het toetsingskader. Daarnaast is bepaald dat legale c.q. vergunde afwijkingen daarvan (zowel ten aanzien van bouwen als gebruik) gehandhaafd mogen blijven.

 

Hoofdstuk 3 Toelichting op de herziene planonderdelen

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is een toelichting gegeven op de herziene planonderdelen. Deze bestaan uit parkeerregels en laad- en losregels die waren opgenomen in het Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening.

3.2 Begrippen

In de regels voor parkeergelegenheid worden de begrippen bebouwing, gebouw en herbouw gebruikt. Om te verduidelijken wat daar onder wordt verstaan is hiervoor een begrip opgenomen. Verder ontbrak het begrip beheersverordening. Dit is eveneens toegevoegd.

3.3 Parkeergelegenheid

In de voorgaande herziening was hiervoor nog niets geregeld. In het Paraplubestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' is wel een bepaling omtrent parkeergelegenheid opgenomen. De bepaling is nu daarmee in overeenstemming gebracht.

De bepaling verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), vastgesteld door de raad op 2 februari 2010. Het parkeernormenbeleid is een dynamisch document en bijstelling van het beleid is met enige regelmaat noodzakelijk. Omdat het niet doelmatig is hiervoor telkens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voorziet de regeling in een dynamische verwijzing naar de parkeernormen. Dit houdt in dat het GVVP van toepassing wordt verklaard en tevens rekening wordt gehouden met de opvolger van dit beleid. In het GVVP staat het beleid ten aanzien van parkeren. Het betreft bijvoorbeeld hoe om te gaan met parkeren, hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, de manier waarop in deze parkeerplaatsen kan worden voorzien en welke eisen aan de verschillende parkeerplaatsen worden gesteld. Een aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de parkeernormen wanneer er sprake is van vergunningplichtige nieuwbouw of vergroting en/of wanneer er sprake is van een functiewijziging. Bij een functiewijziging kan het daarbij ook gaan om een bestemming waarbinnen meerdere functies zijn toegestaan, bijvoorbeeld binnen een bestemming 'Gemengd'. De regeling werkt aanvullend voor functiewijzingen binnen een dergelijke bestemming, indien een omgevingsvergunning is vereist en sprake is van een behoefte aan parkeergelegenheid. Bij het realiseren van voldoende parkeergelegenheid hoeven geen bestaande tekorten te worden opgelost. De te realiseren parkeergelegenheid moet voldoende zijn voor het bouwwerk en/of gewijzigde gebruik waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht. De regeling bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Bouwplannen (nieuwbouw of vergroting) worden getoetst aan artikel 4.1.1;
  • Functiewijzigingen worden getoetst aan artikel 4.1.2;
  • Artikel 4.1.3 bevat een afwijkingsmogelijkheid.

Van de verplichting om voldoende parkeergelegenheid te realiseren op grond van de gemeentelijke parkeernormen zoals gesteld in het GVVP kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Ook in de gemeentelijke bouwverordening is een dergelijke bepaling opgenomen. Het is echter niet de bedoeling dat deze bevoegdheid lichtvaardig wordt toegepast. Daarom dient de aanvrager van een omgevingsvergunning in dergelijke gevallen door middel van een verkeersonderzoek aan te tonen dat - gelet op de bijzondere omstandigheden - geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

3.4 Laad- en losruimte

In de voorgaande herziening was hiervoor nog niets geregeld. In het Paraplubestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' is wel een bepaling omtrent laad- en losruimte opgenomen. De bepaling is nu daarmee in overeenstemming gebracht.

De bepaling voorziet in het borgen van voldoende laad- en losruimte. Ook in de bouwverordening was een dergelijke bepaling opgenomen. Net als bij de parkeerbepaling is een onderscheid gemaakt tussen bouwplannen en functiewijzigingen. Voor wat betreft functiewijzigingen bij bestemmingen waarbinnen meerdere functies zijn toegestaan werkt de regeling ook aanvullend zoals hierboven is beschreven.

Bij een aanvraag omgevingsvergunning waarbij een behoefte aan ruimte voor laden of lossen van goederen wordt verwacht dient te worden voorzien in deze ruimte. Dit kan aan of in het bouwwerk zijn, maar bijvoorbeeld ook op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk. De regeling geldt uitdrukkelijk niet voor bestaand gebruik en voor herbouw van gebouwen zonder functiewijziging.

Van de verplichting om te voorzien in voldoende laad- en losruimte kan worden afgeweken indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft. In dat geval dient de aanvrager van een omgevingsvergunning door middel van een verkeersonderzoek aan te tonen dat - gelet op de bijzondere omstandigheden - geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

 

Hoofdstuk 4 Staat van wijzigingen

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven wat de voorgestelde wijzigingen zijn ten opzichte van de oorspronkelijke beheersverordening.

4.2 Begrippen

In de regels invoegen:

'1.2 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. '

'1.3 beheersverordening

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.'

'1.8 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.'

'1.9 herbouw

het opnieuw bouwen van een bouwwerk, waarbij oppervlakte, locatie, goot- en bouwhoogte, dakhelling, dakvorm en aantal bouwlagen gelijk blijft. '

4.3 Parkeergelegenheid en laad- en losruimte

In de regels artikel 4 invoegen:

'Artikel 4 Aanvullende regels parkeergelegenheid en laad- en losruimte bij of in gebouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 geldt in het verordeningsgebied ten aanzien van parkeergelegenheid en laad- en losruimte bij of in gebouwen het volgende:

4.1 Parkeergelegenheid

4.1.1 Parkeergelegenheid bij bouwen

  • a. Een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd of vergroot wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Deze bepaling geldt niet voor herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging;
  • b. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP, d.d. 2 februari 2010), met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt, met deze nieuwe versie rekening wordt gehouden. Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.

4.1.2 Parkeergelegenheid bij functiewijziging

  • a. Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend een functiewijziging waarvoor een omgevingsvergunning is vereist van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere parkeerbehoefte, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's. Deze bepaling geldt niet voor bestaand gebruik;
  • b. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP, d.d. 2 februari 2010), met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt, met deze nieuwe versie rekening wordt gehouden. Hierbij wordt alleen gelet op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de functiewijziging. Hierbij kunnen nadere eisen worden gesteld aan de situering en omvang van de parkeergelegenheid ten behoeve van het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein

4.1.3 Afwijken van de parkeernormen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.1.1 en 4.1.2 worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft. De aanvrager dient in dat geval door middel van een verkeersonderzoek naar oordeel van het bevoegd gezag aan te tonen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.'

4.2 Laad- en losruimte

4.2.1 Laad- en losruimte bij bouwen

Een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en waarvan een behoefte aan ruimte voor laden of lossen van goederen wordt verwacht, mag niet worden gebouwd of vergroot wanneer aan, in of onder dat bouwwerk dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, niet wordt voorzien in die behoefte. Deze bepaling geldt niet voor herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging.

4.2.2 Laad- en losruimte bij functiewijziging

Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend een functiewijziging waarvoor een omgevingsvergunning is vereist van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk. Deze bepaling geldt niet voor bestaand gebruik.

4.2.3 Afwijken van de regels voor laad- en losruimte

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.2.1 en 4.2.2 worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft. De aanvrager dient in dat geval door middel van een verkeersonderzoek naar oordeel van het bevoegd gezag aan te tonen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.'

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Onderzoek omgevingsaspecten en maatschappelijke uitvoerbaarheid

De herziening van de beheersverordening heeft uitsluitend betrekking op het vastleggen van de bestaande situatie, in dit geval de reparatie van de bepalingen ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte bepaling, de parkeergelegenheid en laad- en losruimte. Ten opzichte van het Paraplubestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' is er niets gewijzigd. Onderzoek en afwegingen ten aanzien van de uitvoering is in deze verordening dan ook niet aan de orde. Hetzelfde geldt ten aanzien van de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

De gemeenteraad neemt in de besluitvormende vergadering een beslissing over deze herziening. Na deze besluitvorming wordt deze herziening bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat geen beroep open.