| Plan: | Arnhemsebovenweg 76 in Driebergen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.DBGarnhemsebovweg7-VA01 |
Voorliggend wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel Arnhemsebovenweg 76 te Driebergen-Rijsenburg. Op het perceel is momenteel een vrijstaande woning met bijgebouwen aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en ter plaatse een twee-onder-éénkapwoning te realiseren.
Geconstateerd is dat het geldende bestemmingsplan 'Woongebied Driebergen' op het perceel bij recht slechts één woning toestaat. Het voornemen is hiermee dan ook niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. In de geldende bestemming (Wonen) is echter in artikel 17.5.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Doel van deze bevoegdheid is om de bouwmogelijkheid aan de voorkant van het perceel, die voor de gewenste rooilijn uitsteekt, te verwijderen en in ruil daarvoor een twee-onder-éénkapwoning toe te staan in de gewenste rooilijn. Middels voorliggend wijzigingsplan wordt hier invulling aan gegeven. Voor de toetsing van het voornemen aan de gestelde voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2.
Het doel van voorliggend wijzigingsplan is het toepassing geven aan de wijzigingsbevoegdheid, waarmee het realiseren van een twee-onder-éénkapwoning ter plaatse van het perceel Arnhemsebovenweg 76 te Driebergen planologisch mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast toont voorliggend wijzigingsplan aan dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied omvat het perceel Arnhemsebovenweg 76 te Driebergen-Rijsenburg. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Driebergen-Rijsenburg, sectie B, perceelnummer 6994. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Driebergen) met respectievelijk de rode stip en de rode omlijning aangegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
|
| Afbeelding 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: ArcGIS) |
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Woongebied Driebergen” en het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening”, welke respectievelijk op 10 juli 2008 en 7 juni 2018 door de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug zijn vastgesteld. Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'. Naast de enkelbestemmingen is op het plangebied gedeeltelijk een bouwvlak met maatvoeringsaanduidingen en de gebiedsaanduiding 'Wijzigingsbevoegdheid 5' opgenomen.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan opgenomen waarbij het plangebied met de rode omlijning indicatief is aangegeven.
|
| Afbeelding 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn onder meer bestemd voor het bestaande aantal woningen, aan huis verbonden beroepen, voorzieningen voor de waterhuishouding en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Op basis van de bouwregels mogen woningen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, een en ander met inachtneming van de aangegeven maatvoeringseisen.
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bijbehorende voorzieningen.
Ter plaatse van de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid 5' heeft het college van Burgemeester en wethouders de bevoegdheid de bestemming ‘Wonen’ te wijzigen door het wijzigen van het bouwvlak, met in achtneming van de volgende voorwaarden:
Op basis van het geldende bestemmingsplan is de bouw van een twee-onder-éénkapwoning ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. Op basis van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid (art. 17.5.2) kan het voornemen planologisch mogelijk worden gemaakt. Voorliggend wijzigingsplan geeft toepassing aan de betreffende bevoegdheid en voorziet in het gewenste juridisch planologisch kader.
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.
Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
In dit hoofdstuk volgt een algemene beschrijving van het plan. Het bevat de volgende onderdelen:
Het plangebied ligt aan de Arnhemsebovenweg 76 te Driebergen-Rijsenburg. Het plangebied wordt begrensd door (achtertuinen van) woonpercelen aan de zuidoost- zuidwest- en noordwestzijde. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de Arnhemsebovenweg. Het plangebied maakt ruimtelijk en functioneel gezien onderdeel uit van een overwegend woongebied. Langs de Arnhemsebovenweg komen echter diverse functies voor waaronder een tennisvereniging, maatschappelijke voorzieningen en lichte bedrijvigheid.
Het plangebied betreft een woonperceel met een oppervlakte van circa 1.540 m2. Er bevindt zich één woning met bijgebouwen op het perceel. Voor het overige is het perceel onbebouwd en in gebruik als tuin.
In afbeelding 2.1 is een luchtfoto en een straatbeeld van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied opgenomen.
|
| Afbeelding 2.1 Luchtfoto en straatbeeld huidige situatie plangebied (Bron: ArcGIS/Google Streetview) |
Initiatiefnemer is voornemens de bestaande vrijstaande woning met bijgebouwen te slopen en een twee-onder-éénkapwoning terug te bouwen. Bij het bepalen van het bouwvlak is rekening gehouden met de rooilijn van de bestaande aangrenzende woonpercelen. Ten opzichte van de huidige situatie betekend dit dat de voorgevels van de woningen circa 6 meter naar achteren worden geplaatst. Ook zal de rooilijn parallel lopen met de ligging van de weg, in tegenstelling tot de huidige situatie waar de rooilijn schuin op de weg ligt.
Wat betreft bouwmogelijkheden is aangesloten bij de regels van het geldende bestemmingsplan en de gestelde voorwaarden ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid. Voor de woningen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Ook de overige maatvoeringen, zoals diepte van het bouwvlak en afstanden tot de zijdelingse percelen zijn passend in de omgeving.
De gemeentelijke parkeernorm wordt toegepast. De percelen krijgen een ruime oprit, zodat er ten minste twee parkeerplaatsen op eigen erf kunnen worden gerealiseerd. Dit voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen.
Het wijzigingsplan regelt niet de esthetische aspecten van de woning. Voor de daadwerkelijke realisering van de woningen met betrekking tot architectuur en/of welstand geldt het welstandsbeleid van de gemeente.
Voor de toetsing van het voornemen aan de voorwaarden gesteld aan de wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2.
Het toevoegen van een extra woning binnen het plangebied zorgt voor een verhoging van de bebouwingsdichtheid. Deze verdichting is echter in overeenstemming met de bebouwingskenmerken van de naastgelegen percelen. Daarnaast komt door het voornemen de voorgevels van de woningen verder van de weg af te liggen, in de rooilijn van de aanpalende woningen. Hiermee is sprake van een verbetering van de stedenbouwkundige situatie ter plaatse.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en laat verstedelijkings- en landschapsbeleid over aan de provincies en gemeenten. De gemeente is in dat opzicht de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie.
Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking is het van belang om te bekijken of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.6 lid 2 Bro. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921) van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat de realisatie van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien sprake is van het toevoegen van een enkele woning. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Provinciale Staten hebben in 2013 de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. De PRS en de PRV worden elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast c.q. herijkt. Provinciale Staten hebben de herijking van de PRS en de PRV op 12 december 2016 vastgesteld. Waarna in 2017 een correctie heeft plaatsgevonden ten aanzien van kantoren, wat op 11 december 2017 is vastgesteld. In 2018 heeft er een partiële herziening plaatsgevonden.
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is.
De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) die tegelijk met de PRS is vastgesteld. De PRS is een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRV zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen.
De PRV geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen. Bij de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen.
Navolgend worden alleen de voor het plangebied relevante bepalingen besproken.
Op de kaart 'Stedelijk gebied' ligt het plangebied in een gebied dat is gezoneerd als 'Detailhandel buiten bestaand winkelgebied', 'Stedelijk gebied', 'Kantoren' en 'Geitenhouderijen'. Dit is weergegeven in afbeelding 3.1.
|
| Afbeelding 3.1 Ligging van het plangebied op de kaart 'Stedelijk gebied' (Bron: Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016, correctie 2017 en 2e partiële herziening 2018) |
Gelet op de aard van het voornemen is in voorliggend geval uitsluitend artikel 4.1 'Stedelijk gebied' relevant.
Artikel 4.1 'Stedelijk gebied'
2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'Stedelijk gebied' kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking.
3. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'Stedelijk gebied' bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Het voornemen voorziet in een toename van verstedelijking door het toevoegen van een extra woning. Dit is op basis van artikel 4.1 sub 2 toegestaan. Daarnaast zal bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voldaan moeten worden aan het Bouwbesluit en de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). In het kader van voornoemde wetsartikelen zijn diverse duurzaamheidsmaatregelen verplicht waaraan het bouwplan zal moeten voldoen, waaronder gasloos bouwen. Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De gemeente wil met deze visie de 'kwaliteit van de leefomgeving' en de 'groene positie in de regio' van de gemeente behouden en versterken. Deze ambities zijn themagericht en gebiedsgericht uitgewerkt. De 6 uitgewerkte thema's zijn:
Middels de structuurvisiekaart wordt gestuurd op hoofdaccenten.
De structuurvisiekaart wijst het plangebied aan als 'bebouwing binnen rode contouren' (kaart 1, zone 2.11). Dit is te zien in afbeelding 3.2 (blauwe cirkel).
|
| Afbeelding 3.2 Ligging plangebied op de structuurvisiekaart (Bron: Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal') |
De mogelijk gemaakte kleinschalige wijziging ten behoeve van de realisering van extra één woning vormt geen aantasting van waardevol groen en draagt bij aan het leefbaar houden van de kern. De ontwikkeling verzet zich dus niet tegen de uitgangspunten van de Structuurvisie.
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Woongebied Driebergen”, welke op 10 juli 2008 door de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug is vastgesteld. Op het plangebied is de gebiedsaanduiding 'Wijzigingsbevoegdheid 5' opgenomen. Doel van deze bevoegdheid is om de bouwmogelijkheid aan de voorkant van het perceel, die voor de gewenste rooilijn uitsteekt, te verwijderen en in ruil daarvoor een twee-onder-éénkapwoning toe te staan in de gewenste rooilijn.
Middels voorliggend wijzigingsplan wordt hier invulling aangegeven.
Hierna wordt het voornemen puntsgewijs aan de gestelde voorwaarden getoetst. De onderbouwing is schuin gearceerd:
|
| Afbeelding 3.3 Uitsnede verbeelding met maatvoering |
Het milieubeleidsplan 'Duurzaam en klimaatneutraal', programma 2017-2022 bevat de strategische milieubeleidsdoelen van de gemeente, de aanpak en het uitvoeringsprogramma 2017. Het algemene deel is geldend van 2017 t/m 2022, het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd.
In het plan zet de gemeente uiteen dat het streeft naar een leidende positie in duurzame ontwikkelingen en steeds opzoek gaat naar de meest waardevolle duurzaamheidsambities. De volgende vijf doelen zijn opgesteld om dit te bereiken:
Het milieubeleidsplan stelt onder andere eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Enerzijds op gebouwniveau door het streven naar een verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw(r). GPR Gebouw geeft per thema een 'rapportcijfer' uiteenlopend van 6 (bouwbesluit niveau/minimaal) tot 10 (zeer goed). Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR-score van gemiddeld minimaal 7, met minimaal een 7 voor het thema energie. Bij zogenaamde 'kansrijke' projecten, waarbij bijvoorbeeld meer dan 50 woningen gebouwd worden of waar de gemeente een grondpositie heeft, geldt een GPR-score van minimaal 8. Anderzijds op omgevingsniveau door het toepassen van gebiedsgericht milieubeleid. Hiertoe zijn er voor de gemeente acht gebiedstypen met bijbehorende ambities (milieukwaliteitprofielen) opgesteld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden deze milieukwaliteitprofielen toegepast.
Bij het ontwerpen van de woningen wordt rekening gehouden met de mogelijkheden tot energiebesparing. Daarnaast zullen de woningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit en de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). inclusief de daarin verplichte duurzaamheidsmaatregelen waaronder gasloos bouwen.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan past binnen het Programma Duurzaam en klimaatneutraal 2017 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
Geconcludeerd wordt dat de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende aspecten:
beeldkwaliteit, wonen, verkeer en parkeren, milieu, water, natuur, cultuurhistorie en archeologie.
Het welstandsbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen.
Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken daaraan worden geacht te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen door vertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.
Het plangebied valt in het deelgebied 'Wonen in het bos Driebergen'. Dit deelgebied bestaat uit het villagebied ten noorden en ten zuiden van de Arnhemsebovenweg en westelijk van de Traaij. Het merendeel van de wegen in het gebied dateert van voor de tweede wereldoorlog en is aangelegd vanwege de grote behoefte aan bouwkavels. Het Burgemeesterpark en het Mevrouw van Vollenhovenpark nemen daarbij een bijzondere plaats in, omdat deze als villapark in de landschapsstijl zijn ontworpen. De Arnhemsebovenweg is de oudste route binnen dit deelgebied. Dat komt in Driebergen niet veel voor, in tegenstelling tot andere Heuvelruggemeenten, zoals Baarn en Zeist. De lanen in het noordelijk deel zijn na 1920 aangelegd op gronden van het landgoed Bornia. Ze zijn niet in een parkontwerp aangelegd maar volgen, licht gebogen, de richting van de nabij gelegen hoofdwegen.
Met uitzondering van de beeldbepalende elementen is het gebied in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht door de weinig planmatige aanleg op de hoge (zand)gronden van een basiskwaliteit. Het heeft uiteraard wel een uitzonderlijke woonwaarde, die het waard is beschermd te worden. De basis daarvan kan vooral gevonden worden in de directe woonomgeving met zijn aangename laanprofielen en in de ruimtelijkheid; de huizen scheppen hun eigen omgeving door de ruimte eromheen. Het in stand houden van die kwaliteit vraagt om het toetsen aan de volgende aspecten: de directe omgeving aan de straatzijde en het beeld van afzonderlijke gebouwen door groen van elkaar gescheiden. Aanvullende criteria gelden voor de bebouwing aan de Arnhemsebovenweg en de Traaij.
Op dit moment is nog geen concreet bouwplan bekend. In het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning zal worden getoetst aan de geldende welstandscriteria. Het wijzigingsplan vormt geen belemmering om bij de omgevingsvergunning te voldoen aan de welstandscriteria.
De actuele gemeentelijke woonvisie is op 29 november 2018 vastgesteld door de gemeenteraad en bouwt voort op de daarvoor geldende visie 'Actualisatie Woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2013-2020'.
Met de nieuwe Woonvisie 2018-2020 wordt door de gemeente voor de komende vier jaar richting gegeven. De gemeente zet in op een veilige en prettige omgeving, in een duurzame woning die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. Om dit te bereiken richten de gemeente zich op drie thema's namelijk: Woningmarkt in beweging, Thuis in de wijk en Duurzaam wonen.
Centraal in de visie staat dat de inwoners moeten kunnen wonen in een veilige en prettige omgeving, een duurzame woning die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. Voor het nieuwbouwprogramma wordt uitgegaan van minimaal 35% woningen in de sociale huur en koop, 35 % middel dure huur en koop en maximaal 30 % dure huur en koop. Voor projecten minder dan vier woningen geldt bovenstaande eis tot woningdifferentiatie niet.
Voorliggend plan voorziet in het slopen van de bestaande bebouwing en het terugbouwen van een twee-onder-éénkapwoning. Het realiseren van het plan, waarbij planologisch één woning wordt toegevoegd, wordt mogelijk gemaakt op basis van een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het reeds geldende bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan voorziet daarmee onder voorwaarden (zie paragraaf 3.3.2) reeds in de gewenste ontwikkeling. Zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt is het voornemen passend binnen het gemeentelijk woonbeleid. Gelet op het feit dat het project voorziet in minder dan vier woningen is de eis ten aanzien van woningbouwdifferentiatie in voorliggend geval niet van toepassing. Gesteld wordt het voorliggend wijzigingsplan in overeenstemming is met de Woonvisie 2018-2022.
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. In het kader van het aspect verkeer en parkeren is met name het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan van belang (GVVP). Dit plan is op 2 februari 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het doel van het GVVP is driedelig:
De doelstelling van het GVVP is daarnaast als volgt: 'Het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid moet leiden tot een duurzame verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene bereikbare, economisch gezonde gemeente'.
Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Door het onderhavig plan wordt de realisatie van een twee-onder-éénkapwoning mogelijk gemaakt binnen het plangebied.
In ‘Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381’ van het CROW zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie per woning opgenomen is. Er is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en ligging 'rest bebouwde kom'. De CROW-publicatie geeft een minimum en maximum kengetal.
Voor een twee-onder-éénkapwoning kan een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per woning worden aangehouden. Het aantal verkeersbewegingen zal ten opzichte van de huidige situatie daarom beperkt toenemen (7,8 bewegingen per dag). Dit geeft geen belemmeringen voor verkeersintensiteiten van de huidige wegen rondom het perceel.
Voor een twee-onder-éénkapwoning geldt een minimale parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning, afgerond 2 parkeerplaatsen. Er is sprake van voldoende ruimte en gelegenheid voor parkeren op eigen terrein. Er wordt voor beide woningen een parkeervoorziening op eigen terrein voor minimaal 2 auto’s aangelegd. Tot slot zullen de inritten aangesloten worden op de Arnhemsebovenweg. Op grond van het inrittenbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug mag de breedte van enkele inrit 2,5 meter bedragen en van een dubbele inrit of een inrit ten behoeve van een dubbele garage maximaal 5 meter bedragen. Deze maatvoering als uitgangspunt bij de realisatie van de inrit worden gebruikt.
Gelet hetgeen hiervoor beschreven wordt geconcludeerd dat voor het aspect parkeren en vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van het bestemmings-/wijzigingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een wijzigingsplan een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In de paragraaf 3.3.3 is ingegaan op het Milieubeleidsplan 'Duurzaam en klimaatneutraal' programma 2017-2022. Daaruit blijkt dat het voorliggend plan past binnen het programma van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
Bij de vaststelling van een bestemmings-/wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725/NEN 5740.
Ten behoeve van voorliggend project is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.
Wettelijke geluidszones van wegen:
| Aantal rijstroken | Stedelijk gebied | Buitenstedelijk gebied |
| 1 of 2 rijstroken | 200 m | 250 m |
| 3 of 4 rijstroken | 350 m | 400 m |
| 5 of meer rijstroken | 350 m | 600 m |
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij bovenstaande gevallen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderzocht, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeurswaarde (48 dB).
Wegverkeerslawaai
Ten behoeve van voorliggend project is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting.
In dit onderzoek worden de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Arnhemsebovenweg en de Zonstraat. Tevens zijn in het kader van 'goed ruimtelijk ordenen' de geluidsbelasting van de 30 km/uur weg Welgelegenlaan bepaald. Aanvullend wordt de geluidswering van de gevels bepaald voor de woningen wanneer de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden.
De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Arnhemse Bovenweg bedraagt ten hoogste 59 dB inclusief 5 dB correctie artikel 110g Wgh. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB niet.
Vanwege de Zonstraat en de Welgelegenlaan wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan.
De gecumuleerde geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt bij de woningen ten hoogste 64 dB exclusief correctie artikel 110g Wgh.
Overwogen wordt dat het treffen van verdere maatregelen aan de wegen zelf of in de vorm van een afscherming redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Daarmee resteert het vaststellen van hogere waarden en het zorgen voor voldoende geluidswering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Woongebied Driebergen-Rijsenburg' is voor het plangebied reeds een hogere waarde verleend. De verleende hogere waarde is nog steeds dekkend, waardoor het verlenen van een nieuwe hogere waarde niet aan de orde is.
Uit het uitgevoerde onderzoek van bepaling van de geluidswering van de gevels blijkt dat in de woningen geluidswerende voorzieningen nodig zijn om aan afdeling 3.1 uit het Bouwbesluit te voldoen. Vanwege de geluidsbelasting zijn op de verdieping in slaapkamer 4 voorzieningen aan de kap noodzakelijk. De betreffende voorzieningen en de situering hiervan worden in tabel 3 van het rapport vetgedrukt weergegeven.
Het toepassen van andere constructies en materialen is mogelijk, mits de isolatiewaarde (RA) gelijk of beter is dan de isolatiewaarde genoemd in hoofdstuk 4, tabel 3.
Railverkeers- en industrielawaai
In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang, aangezien het plangebied niet in de nabijheid van een spoorlijn of gezoneerd industrieterrein ligt. Voor wat betreft de invloed van individuele bedrijven op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.4.6.
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Advieswaarden WHO/GGD
De WHO hanteert advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5; lager dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit het perspectief van gezondheid worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat.
Ook de landelijke GGD kent een beoordelingsmethode via de gezondheidseffectscreening (GES), welke ook gebruikt kan worden als criterium voor een goede ruimtelijke ordening, waarmee kan worden vooruitgelopen op de Omgevingswet, waarin gezondheid en milieu meer aan elkaar worden gekoppeld.
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
De gemeente heeft vooralsnog geen eigen luchtkwaliteitsbeleid daarom richt de gemeente zich op de wettelijke normen voor luchtkwaliteit.
In de gemeente is het verkeer de voornaamste bron van luchtverontreiniging. Om dit te verminderen heeft de gemeente een aantal uitgangspunten geformuleerd:
Het doel van de gemeente is om de luchtkwaliteit binnen de gemeente blijvend te verbeteren om de gezondheid van bewoners te beschermen tegen de effecten van luchtverontreiniging. Daarvoor staan de volgende acties op het programma:
In afbeeldingen 4.1, 4.2 en 4.3 zijn kaarten opgenomen met daarin de actuele luchtkwaliteit voor wat betreft stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en superfijnstof (PM2,5).
|
| Afbeelding 4.1 Stikstofconcentratie NO2 jaargemiddelde 2018 (Bron: Omgevingsdienst regio Utrecht) |
|
| Afbeelding 4.2 Fijnstofconcentratie PM10 jaargemiddelde 2018 (Bron: Omgevingsdienst regio Utrecht) |
|
| Afbeelding 4.3 Superfijnstofconcentratie PM2,5 jaargemiddelde 2018 (Bron: Omgevingsdienst regio Utrecht) |
De grenswaarden t.a.v. jaargemiddelden voor NO2 en PM10 bedraagt in beide gevallen 40 ug/m3. Voor PM2,5 geldt voor de jaargemiddelde een grenswaarde van 20 ug/m3. De WHO hanteert advieswaarden voor PM10 van 20 ug/m3 , en 10 ug/m3 voor PM2,5; lager dan de wettelijke grenswaarden.
In dit geval wordt voldaan aan alle grenswaarden en de advieswaarde voor PM10, maar niet aan de advieswaarde voor PM2,5. Hierna is de verwachte luchtkwaliteitswaarden in 2030 opgenomen:
De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied zal de komende jaren fors verbeteren, waarbij in 2030 aan alle grens- en advieswaarden worden voldaan/benadert. Vanuit het perspectief van gezondheid is op dit moment sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat welke zal verbeteren tot een goed woon- en leefklimaat in 2030.
Gelet op de aard en beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) voor luchtemissies stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Nader luchtkwaliteitsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Daarnaast wordt geconcludeerd dat de bestemming in de voorgenomen ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
Voldoende duidelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorliggend plan.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het plangebied is gelegen aan de drukke Arnhemsebovenweg. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving onder meer een tennisbaan en een maatschappelijke voorziening. Gelet op het vorenstaande is dan ook reeds sprake van een verhoogde milieubelasting ter plaatse van het plangebied. In dit geval wordt dan ook uitgegaan van omgevingstype 'gemengd gebied'.
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol:
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Daarom is geen sprake van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een sportvoorziening (tennisbaan) en een maatschappelijke voorziening.
Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ moet tussen een sportvoorziening en een milieugevoelig object rekening worden gehouden met een richtafstand van 30 meter, uitgaande van omgevingstype 'gemengd gebied'. De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Sport’ en het bouwvlak waarbinnen de woningen gebouwd moeten worden bedraagt circa 35 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.
Maatschappelijke voorzieningen worden op basis van de VNG-uitgave aangemerkt als maximaal categorie 2 inrichtingen. Ten opzichte van dergelijke voorzieningen moet een richtafstand van 10 meter (gemengd gebied) worden aangehouden. In voorliggend geval bedraagt de onderlinge afstand meer dan 85 meter, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan.
Overige omliggende bedrijfsmatige functies zijn gelegen op voldoende afstand van het plangebied.
Gelet op het bovenstaande is ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Omgekeerd worden omliggende bedrijven eveneens niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'(Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode omlijning) en de directe omgeving weergegeven.
|
| Afbeelding 4.4 Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl) |
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:
Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
De Gemeente Utrechtse Heuvelrug is een groot voorstander van duurzame ontwikkeling/ bouwen en wil dit graag actief ondersteunen in haar ruimtelijke beleid. Duurzaam bouwen is een manier van bouwen waarbij het milieu zo min mogelijk wordt belast, een optimale woonkwaliteit wordt gerealiseerd en het gebouw een lange levensduur heeft. Dit kan door bijvoorbeeld meer flexibiliteit in gebruik in te bouwen of door een beter op het gebruik afgestemde materiaalkeuze.
In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn en in 2025 wil de gemeentelijke organisatie energieneutraal zijn zoals hiervoor besproken in paragraaf 3.3.3. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.
Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw®. GPR Gebouw geeft per thema een 'rapportcijfer' uiteenlopend van 6 (bouwbesluit niveau/minimaal) tot 10 (zeer goed).
Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR score van gemiddeld 7, met minimaal een 7 voor het thema energie.
De wettelijke eisen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2015 is het bouwbesluit gewijzigd en zijn de eisen ten aanzien van duurzaamheid aangescherpt. Deze zijn als volgt:
Begin mei 2018 is definitief bekendgemaakt dat nieuwbouwwoningen per 1 juli 2018 aardgasvrij moeten zijn. Het gaat om alle nieuwbouwwoningen die op of na 1 juli 2018 worden ingediend voor een omgevingsvergunning. Het vorenstaande is vastgelegd in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET).
Vanaf 2015 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m². De initiatiefnemer kan op twee manieren aantonen te voldoen aan het Bouwbesluit:
De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) geeft op de website www.milieuprestatiebewijs.nl informatie over het aanvragen van een SBK-bewijs. Voor het aanvragen moet een berekening worden aangeleverd, voor maken van een berekening is een gratis licentie beschikbaar bij de Omgevingsdienst voor de software van GPR Gebouw.
De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het bouwbesluit van 2012. Aanvullend op deze eisen heeft de Gemeente Utrechtse Heuvelrug haar duurzaam bouwen beleid verwoord in het milieubeleidsplan "Natuurlijk Duurzaam" (2009).
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangetoond dat aan de gestelde eisen worden voldaan. Omgevingsdienst regio Utrecht heeft een advies uitgebracht op welke wijze hier invulling aan kan worden gegeven.
1. Een uitstekende naad- en kierdichting: Door in de gehele woning verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Bijvoorbeeld een uitstekende naad- en kierdichting (Qv10= 0,3 dm3/s.m2). Bij oplevering wordt geadviseerd een luchtdichtheidstest(blowerdoortest) uit te laten voeren conform NEN 2686, NEN-EN-ISO 9972
2. Extra isolatie: Met extra isolatie kan het energiegebruik van de volledige woning verder naar beneden worden gebracht.
3. Zonnecollector; Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. Ook zal de warmtepomp een langer levensduur hebben door dat deze alleen nodig is als er onvoldoende zonnewarmte beschikbaar is.
4. Vraaggestuurd ventilatiesysteem met warmteterugwinning: Door gebruik te maken van warmteterugwinning in de mechanische luchtafvoer en/of sturing op basis van gebruik van de ruimtes (CO2) wordt energie bespaard
5. Een douchewater warmteterugwinning installatie: Een douche-wtw vermindert de milieubelasting en verlaagd de energie rekening doordat de helft van de warmte uit wegstromend douchewater kan worden teruggewonnen en gebruikt voor het voorverwarmen van koud water.
6. PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop van elektriciteit en de energiebelasting.
7. Zongericht bouwen: Door de woning zongericht te bouwen, kan maximaal gebruik worden gemaakt van de warmte van de zon. Ook zijn er dan meer mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie met zonnepanelen. Zongericht bouwen combineert wooncomfort en duurzaam bouwen. Voor maximaal comfort dient ook gekeken te worden naar het gebruik van zonwering.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmings-/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmings-/wijzigingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmings-/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmings-/wijzigingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmings-/wijzigingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 9 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied en de uitkomsten van de Aerius-berekening (Bijlage 4) wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit wijzigingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit wijzigingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit vergeleken met de omvang van ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Het wijzigingsplan is niet M.E.R.-plichtig, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling is in voorliggend geval wel noodzakelijk. Met bovenstaande onderbouwing is hier invulling aangegeven en is aangetoond dat ten gevolge van het plan geen nadelige milieugevolgen te verwachten zijn.
Dit wijzigingsplan is niet M.E.R.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit wijzigingsplan.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
De provincie stelt kaders en ontwikkelt beleid voor schoon, mooi, veilig en voldoende water in Utrecht. Dit is vastgelegd in het Bodem- Water- en Milieuplan. Voor water heeft de provincie Utrecht drie prioriteiten. Te weten 'waterveiligheid en wateroverlast', 'schoon en voldoende oppervlaktewater' en 'een ondergrond met schoon en voldoende grondwater'.
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft zijn digitale waterbeheerplan 'Waterkoers 2016 - 2021' op 16 maart 2016 vastgesteld. Hierin legt het hoogheemraadschap zijn koers voor de komende zes jaar op hoofdlijnen vast. De Waterkoers 2016 - 2021 is een omslag in denken. Het is niet meer vanzelfsprekend dat het waterschap alles wat met water te maken heeft, zelf oppakt, bepaalt of betaalt. Het motto is van 'zorgen voor' naar 'samen doen'.
De Waterkoers beschrijft de opgaven en de werkwijze van het waterschap. De Water-koers bevat bewust géén maatregelen. Welke maatregelen waar en hoe het beste opgepakt kunnen worden, bepaald het waterschap samen met de gebiedspartners. Met andere woorden: de uitwerking van de Waterkoers gebeurt via gebiedsprocessen, beleids- en uitvoeringsplannen en grote projecten van waterschap en partners.
Convenant afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug
Op 27 januari 2010 is het convenant over afkoppelen van regenwater op de Utrechtse Heuvelrug door dertien partijen (gemeenten, waterschappen, Vitens en de provincie Utrecht) uit het gebied ondertekend. Ook de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft dit convenant ondertekend. Het convenant geeft de partijen een heldere leidraad waar, wanneer en onder welke voorwaarden afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug mogelijk is en beperkt de risico's van afkoppelen voor de grondwaterkwaliteit in de Utrechtse Heuvelrug. Op basis van dit convenant dient er een integrale afweging gemaakt te worden hoe er wordt omgegaan met hemelwater.
Waterplan Heuvelrug
In februari 2007 heeft de gemeente het Waterplan Heuvelrug vastgesteld. Dit plan richt zich op het voorkomen en terugdringen van verontreiniging van oppervlaktewater door inzameling afvoer en zuivering van afvalwater, het terugdringen van ongewenste lozingen en het voorkomen van verontreiniging van regenwater via afkoppeling en het gebruik van niet uitlogende (bouw)materialen.
Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2012-2015
Dit plan bevat de integrale visie van de gemeente op grondwater, regenwater en stedelijk afvalwater. De gemeente kiest hierin voor een integraal en duurzaam watersysteem. De doelen hierbij zijn:
Voor het hemelwater streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk ter plaatse vast houden van water. Dit betekent dan dat het hemelwater niet langer het riool ingaat maar lokaal wordt geborgen in de bodem en/of oppervlaktewater. Dit levert zowel voordelen op voor met milieu als de economie. Het helpt om verdroging van gebied te bestrijden en voorkomt dat schoon oppervlaktewater vies wordt. Verder verbetert de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Deze werkt beter als rioolwater minder vermengd is met regenwater.
Geactualiseerde Leidraad Afkoppelen Utrechtse Heuvelrug (Wareco)
In januari 2010 is het convenant 'Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug' getekend tussen de provincie Utrecht, 10 gemeenten met grondgebied op de Utrechtse Heuvelrug en de waterschappen Vallei & Eem en HDSR. Dit convenant is recentelijk geactualiseerd en in 2016 opnieuw vastgesteld. het bevat afspraken over en onder welke voorwaarden dakoppervlakken en andere verharde oppervlakken wel en niet kunnen worden afgekoppeld. Het bevat een beslisschema voor verontreinigde oppervlakken. Voor uitloogbare daken en gevels geldt daarbij; ja, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in het Bodem-, Water- en milieuplan 2016-2021 van de Provincie.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'Standaard procedure' van de watertoets van toepassing is (zie bijlage 3 bij deze toelichting).
Standaard waterparagraaf
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor het project Arnhemsebovenweg 76, Driebergen is op 10 december 2019 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen.
Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan.
Hemelwater en afvalwater
Binnen het projectgebied (1.540 m2) bevindt zich in de huidige situatie circa 750 m² aan verhard oppervlak, waarvan een groot deel bebouwing betreft. In de toekomstige situatie zal het verhard oppervlak ongeveer gelijk zijn. Het bouwvlak waarbinnen de woningen gebouwd moeten worden heeft een omvang van circa 249 m2. Daarnaast zijn bij beide woningen bijgebouwen toegestaan, waarbij - ingeval van gelijke verdeling van het perceel - per woning circa 135 m2 aan bijgebouwen gerealiseerd kan worden. Voorliggend wijzigingsplan biedt dan ook de mogelijkheid om in totaal 519 m2 aan bebouwing te realiseren. Aanvullend op de bebouwing wordt verwacht dat circa 150 m² zal worden verhard, ten behoeve van in- en uitrit en eventueel terras aan de achterzijde van de woning. In totaal zal dan ook sprake zijn van circa 819 m² aan verhard oppervlak. Hiermee is sprake van een beperkte toename. De percelen zijn echter van voldoende omvang om het hemelwater dat valt op de daken van de gebouwen of op verharding op eigen terrein te kunnen infiltreren. Hierbij kan worden gedacht aan afvloeiing via het gazon, een grindstrook/-koffer of soortgelijke maatregelen. Het afvoeren van hemelwater via de gemeentelijk riolering is dan ook niet aan de orde en niet toegestaan.
Het afvalwater wordt afgevoerd naar het vuilwaterriool-riool.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
De site van de provincie Utrecht is geraadpleegd om te verifiëren of in de nabijheid van het plangebied Natura 2000-gebieden aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt meer dan 9 kilometer van de locatie. Gezien de grote afstand van de locatie tot de Natura 2000-gebieden en de aard van de ingreep wordt geen directe invloed (geluid-/lichthinder etc.) verwacht van de voorgenomen activiteiten op de Natura 2000-gebieden. Naast direct negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden.
In het kader van dit project is door BJZ.nu een Aerius-berekening uitgevoerd, om de gevolgen van de ontwikkeling op het Natura 2000-gebied in beeld te brengen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting.
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.
Situatie plangebied
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming:
Uit de kaart van de provincie Utrecht (zie onderstaande afbeelding 4.5) blijkt dat op een afstand van ongeveer 200 meter ten oosten van de locatie, delen van het Natuurnetwerk Nederland-gebied aanwezig zijn. Op basis van de aard van de beoogde werkzaamheden wordt echter geen significantie negatieve invloed verwacht op de nabij gelegen delen van Natuurnetwerk Nederland.
|
| Afbeelding 4.5 Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebied (bron: Geofoxx) |
Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Ter plaatse van het plangebied is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting.
In onderstaand tabel zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen.
|
Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van broedvogels kunnen grotendeels worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli uit te voeren. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn (en geen jaarrond beschermde nesten), is overtreding van de wet niet aan de orde.
De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor uitvoering van het plan.
Het plangebied zelf kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Zowel de woning als de achterliggende bijgebouwen hebben geen cultuuristorische waarden en zijn niet aangemerkt als monumentaal. Wel bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied langs de Arnhemsebovenweg enkele monumenten. Het plan leidt echter niet tot aantasting van deze monumentale waarden (bijv. ontnemen zichtlijnen). Hiervoor wordt tevens verwezen naar subparagraaf 3.3.2.2 waarin het plan wordt getoetst aan de gestelde voorwaarden aan de wijzigingsgevoegdheid (o.a. geen onevenredige aantasting straat- en bebouwingsbeeld). Gesteld wordt dan ook dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. Tot slot kent het plangebied ook geen bijzondere archeologische waarden. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart (zie afbeelding 4.6) in een gebied met een lage archeologische verwachting.
|
| Afbeelding 4.6 Uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: ODRU) |
Binnen gebieden met een lage archeologische verwachting is archeologisch onderzoek vereist indien er bodemingrepen plaatsvinden met een omvang van meer dan 10 hectare. In voorliggend geval wordt de onderzoeksdrempel niet overschreden en is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
Dit wijzigingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.DBGarnhemsebovweg7-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.
Wanneer het GML-bestand analoog wordt afgedrukt (op papier), valt dit uiteen in 1 verbeeldingen/plankaarten en 1 verbeelding/plankaart waarop de archeologische bestemmingsregeling omwille van de leesbaarheid separaat wordt weergegeven.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).
De regels van het wijzigingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
In voorliggend geval zijn de regels behorende bij:
zijn onverkort van toepassing verklaard.
Dit betekend dat de regels uit de betreffende plannen ook gelden ter plaatse van het plangebied, met dien verstande dat er enkele aanvullingen zijn gedaan. Voor de aanvullingen wordt verwezen naar paragraaf 5.3.
In het plangebied zijn twee bestemmingen opgenomen, te weten 'Tuin' en 'Wonen'.
De bestemmingsregels behorende bij:
zijn onverkort van toepassing verklaard, met dien verstande dat in de bestemming 'Wonen' de volgende aanpassingen zijn doorgevoerd:
In artikel 5 van de regels is het overgangsrecht opgenomen. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij overgangsrecht dat is voorgeschreven voor bestemmings-/wijzigingsplannen in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.
In artikel 6 van de regels is de slotregel opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:
Bij de voorbereiding van een bestemmings- of wijzigingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmings-/wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Bij de voorbereiding van een ontwerp wijzigingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Een ontwerpwijzigingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Initiatiefnemer heeft de plannen in eind december 2019 met diverse buren besproken. Hierna zijn de betreffende adressen opgenomen:
De betreffende buren hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgenomen plannen, met name vanwege het feit dat het terrein achterstallig onderhoudt kent.
Gelet op dat de direct omwonenenden geen bezwaren hebben en de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling zal het plan dan ook niet in het kader van inspraak ter inzage gelegd worden.
Artikel 3.1.1. van het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit wijzigingsplan zijn geïnformeerd. De binnengekomen reacties zijn hierna opgenomen.
Provincie Utrecht
Op 21 april 2020 heeft provincie Utrecht ingestemd met het voorontwerp wijzigingsplan. Het plan is niet strijdig met provinciale ruimtelijke belangen en de provincie heeft geen op- of aanmerkingen.
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Op 20 april 2020 heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestemd met het voorontwerp wijzigingsplan in het kader van de watertoetsprocedure.
Het plan zorgt voor een geringe toename van verhard oppervlak en ligt niet in een gebied waar gebiedspecifieke waterbelangen gelden. Hemelwater dat op het perceel valt wordt zoveel mogelijk ter plaatse op het perceel geïnfiltreerd in de bodem. Daarmee wordt voldoende rekening gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten.
Het wijzigingsplan Arnhemsebovenweg 76 in Driebergen heeft van 8 mei t/m 18 juni 2020 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen bij de gemeente ingediend.
Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmings-/wijzigingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.
De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen wijzigingsplan. Het is om die reden dat in het wijzigingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het wijzigingsplan het middel bij uitstek.