| Plan: | Kom Silvolde, plan van wijziging locatie Lichtenbergseweg 8 Silvolde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.WP000139-VA01 |
Op het adres Lichtenbergseweg naast nummer 8 bestaat een initiatief om hier een nieuwe woning op te richten. In een vroeger bestemmingsplan bestond op dit deel van het perceel reeds een mogelijkheid om een woning te bouwen. Bij het opstellen van het bestemmingsplan Kom Silvolde bleek dat de tot dan toe nog ongebruikte bouwmogelijkheden niet één op één over genomen konden worden, onder andere vanwege de onderzoeksplicht. Daarom is er voor gekozen om op onderhavig perceel een wijzigingsbevoegdheid te leggen. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk om één woning te bouwen.
De gemeente is voornemens mee te werken aan een wijzigingsplan voor het plangebied, aangezien woningbouw op deze locatie een bijdrage zal leveren aan de ruimtelijke kwaliteit aan Lichtenbergseweg in Silvolde.
Het plangebied is gelegen aan de Lichtenbergseweg in Silvolde. Aan weerszijden van het perceel liggen woningen. Aan de zuidwestkant grenst het plangebied aan een school en aan andere zijde van de straat zijn woningen.
Ligging plangebied
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kom Silvolde" van de gemeente Oude IJsselstreek, vastgesteld bij besluit van de raad d.d. 24 april 2008, en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 19 september 2008.
In het geldend bestemmingsplan "Kom Silvolde" heeft het plangebied de bestemming Wonen zonder bouwvlak. De voorzijde van het perceel heeft de bestemming "Tuin".
Verder is voor het perceel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een bouwvlak toe voegen waarbinnen de bouw van één woning mogelijk is.
Vigerend bestemmingsplan Kom Silvolde
De wijzigingsbevoegdheid (artikel 16.4) is als volgt geformuleerd:
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het toestaan van de bouw van woningen door het opnemen van een bouwvlak, uitsluitend binnen een op de plankaart met “wijzigingsbevoegdheid” aangeduid gebied en met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Het bestemmingsplan "Kom Silvolde" wordt door middel van dit wijzigingsplan gedeeltelijk gewijzigd voor het plangebied Lichtenbergseweg 8.
De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Hierin is de huidige situatie van het plangebied beschreven, door middel van de ontstaansgeschiedenis van het gebied en een ruimtelijke en functionele beschrijving. Ook de wijzigingen en ontwikkelingen worden hierin toegelicht.
Hierin wordt ingegaan op het belangrijkste rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
Hierin worden de milieu- en omgevingsaspecten behandeld: de milieu-aspecten, cultuurhistorie en archeologie, flora en fauna, verkeer en parkeren en de waterhuishouding.
Hierin wordt ingegaan op de juridisch bestuurlijke aspecten; de opzet van de plankaart en de opzet van de voorschriften.
Hierin wordt tenslotte ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en de procedure van het wijzigingsplan.
Silvolde is ontstaan op de reeks hoger gelegen rivierduinen langs de Oude IJssel. Het karakteristieke landschap van deze rivier raakt aan de zuidzijde het hart van de kern. Het historische centrum is als zodang herkenbaar. De Markt, met de R.K. kerk "St. Mauritius" en de N.H. Kerk, vormt een markante plek en levert een bijdrage aan de oriëntatie in de kern.
De eerste bebouwing van Silvolde is ontstaan in de omgeving van de Markt. Van daaruit heeft de bebouwing zich ontwikkelt langs de Marktstraat, de Terborgseweg/Ulftseweg en de Prins Bernardstraat. Ook op de Molenberg, waar molen "Gerritsen" het middelpunt vormt, is een cluster van bebouwing ontstaan.
Tussen deze linten in zijn planmatig opgezette woongebieden ontstaan. De woongebieden bestaan hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in de vorm van vrijstaande, half- vrijstaande of aaneengebouwde woningen. Sommige woningen zijn gebouwd in de structuur van een hofje of een woonerf. Daarnaast is in het centrum enkele gestapelde woningbouw aanwezig.
Het dorp Silvolde is opgebouwd vanuit de bebouwingslinten Terborgseweg/Ulftseweg en Prins Bernhardstraat. Tussen deze linten in zijn planmatig opgezette woongebieden ontstaan. De woongebieden bestaan hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in de vorm van vrijstaande, half-vrijstaande of aaneengebouwde woningen. Sommige woningen zijn gebouwd in de structuur van een hofje of een woonerf. Er is in het centrum enkele gestapelde woningbouw aanwezig. Het gaat hier echter om gestapelde woningbouw in maximaal 3 lagen, waardoor het aansluit op het dorpsbeeld.
De architectuur en oriëntatie van de woningen in Silvolde is zeer divers. Veel woningen hebben hun eigen karakteristiek, waardoor sprake is van een gevarieerd straatbeeld. Silvolde heeft een langgerekte vorm, waardoor de relatie met het buitengebied vrijwel overal in de kern voelbaar is. In het dorp zijn op veel plaatsen kleine groenelementen aanwezig, die de relatie met het buitengebied versterken.
Dit wijzigingsplan betreft het mogelijk maken van de bouw van één woning. Er ligt nog geen ontwerp voor de woning maar duidelijk is wel dat de woning een breedte heeft van 6 meter en een diepte van 10 meter. Qua rooilijn bouwhoogte zal worden aangesloten de naastliggende woningen.
Voorlopig bouwplan
In dit wijzigingsplan zal het perceel een woonbestemming behouden. De enige wijziging bestaat uit het toevoegen van een bouwvlak.
Na vaststelling van het wijzigingsplan zal het ontwerp van de woning verder worden uitgewerkt.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Toetsing
Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het rijksbeleid
Omgevingsvisie
Op 24 september 2014 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In het najaar van 2014 worden ook de bijbehorende regels vastgelegd als Provinciale Staten de Omgevingsverordening vaststellen.
De Omgevingsvisie geeft de visie voor vier grote opgaven in Gelderland:
De Omgevingsvisie is opgebouwd uit verschillende thema’s waarbij de provinciale doelstellingen zijn benoemd. In onderstaande wordt ingegaan op de thema’s die van
toepassing zijn op het plangebied in Silvolde.
Regio Achterhoek
Het plangebied valt, net als de gehele gemeente Oude IJsselstreek in de regio Achterhoek. De Achterhoek is een regio met veel kwaliteiten en waarden: een mooi landschap, veel natuurschoon, mooie steden en dorpen, een grote onderlinge betrokkenheid (naoberschap), een hoge arbeidsmoraal en bescheidenheid.
Voor de regio richten de gezamenlijke inspanningen zich op vier speerpunten:
Kansrijk platteland
Duurzame en innovatieve economie
Vitale leefomgeving
Slim en snel verbinden
Voor woningbouw in Silvolde is het van belang om te voldoen aan het speerpunt ‘vitale woonomgeving’. Door de nieuwe woning is het mogelijk om voorzieningen in de kern/ directe omgeving in stand te kunnen houden en om personen in de omgeving goede huisvesting te kunnen bieden.
Steden en omgeving
De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking. Daarvoor biedt deze Omgevingsvisie de volgende handvatten:
Ten aanzien van het bouwen van onder andere nieuwe woningen verschuift het accent van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Dit vereist een denk- en cultuuromslag. Als leidend principe hanteren de provincie en partners de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik.
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Een goede afweging volgens de ladder vraagt om kennis van de bestaande voorraad.
Gekoppeld daaraan zijn er vragen over de opgaven en kwaliteiten in een gebied:
Ladder voor duurzame verstedelijking
De rijksladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op elk ruimtelijk besluit dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling. De provincie zal in samenwerking met haar partners aangeven over welke plannen zij in overleg wil. De systematiek van de ladder is het meest waardevol als deze op regionaal en structuurvisieniveau wordt toegepast. Alleen op die niveaus kan de samenhang tussen (de herstructureringsopgave van) de bestaande voorraad in de diverse kernen en de nieuwe ontwikkelingen op de diverse in- en uitbreidingslocaties beschouwd worden.
Om in de toekomstige woningbehoefte te voorzien kan de woningvoorraad de komende 10 jaar nog met 685 woningen worden uitgebreid. Aangezien de plancapaciteit in de gemeente vele malen hoger is, is besloten de plancapaciteit terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. Voor Silvolde houdt dit in, dat de geringe toevoeging van nieuwbouw alleen mogelijk is indien aangesloten wordt bij de lokale woningbehoefte.
Hiermee kan de vraag van trede 1 met ‘ja’ worden beantwoord. De vraag van trede 2 kan eveneens bevestigend worden beantwoord aangezien er binnen de bebouwde kom van Silvolde wordt gebouwd.
Verordening
In de Ruimtelijke Verordening Gelderland staan de regels die de provincie Gelderland stelt aan de bestemmingsplannen van gemeenten. De verordening is in december 2010 vastgesteld door Provinciale Staten. Sindsdien is de verordening drie keer herzien. Het betrof hier met name reparaties en aanpassing naar aanleiding van lokale initiatieven. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld.
Voor de woningbouwlocatie in Silvolde zijn vanuit de omgevingsverordening geen specifieke regels gegeven die verwerkt moeten worden in dit bestemmingsplan.
Steeds meer gemeenten en regio's krijgen de komende jaren te maken met een afname van het aantal inwoners, huishoudens en potentiële beroepsbevolking. Deze demografische krimp heeft gevolgen voor de woningmarkt, arbeidsmarkt en bedrijvigheid. De provincie Gelderland heeft daarom in samenspraak met gemeenten en woningcorporaties een woonvisie opgesteld waarin voor een regionale aanpak is gekozen. Mensen zijn immers steeds minder gebonden aan een bepaalde gemeente. De provincie zorgt ervoor dat het regionale aanbod van woningen zo goed mogelijk aansluit op de vraag.
Het motto van de woonvisie is "woonbeleid met kwaliteit". In deze woonvisie wordt ingegaan op de thema's "keuzevrijheid en zeggenschap", "passend aanbod aan woonmilieus", "wonen, zorg en welzijn", "identiteit en ruimtelijke kwaliteit"en "duurzaamheid". Aan de hand van deze thema's worden in de woonvisie drie centrale doelen van beleid geformuleerd:
Om hieraan handen en voeten te geven is in de woonvisie een actieprogramma opgenomen, waarover jaarlijks aan Provinciale Staten de stand van zaken wordt gerapporteerd. Zo nodig worden daarbij voorstellen gedaan het actieprogramma te actualiseren.
Kwalitatief Woonprogramma 2010 - 2019
Op basis van de Woonvisie Gelderland is per regio een prognose gemaakt van de kwalitatieve woningbehoefte. Op basis daarvan zijn met gemeenten en woningcorporaties afspraken gemaakt over de uitbreiding en aanpassing van de woningvoorraad en over de regionale kwalitatieve woonprogramma's. Het regionale woonprogramma en het afsprakenkader wordt aangeduid als het Kwalitatief Woonprogramma. Op dit moment geldt het Kwalitatief Woonprogramma 2010 t/m 2019 (KWP3). Het KWP3 is als uitwerking van het Gelderse streekplan vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010. Doordat het streekplan inmiddels de status van provinciale ruimtelijke structuurvisie heeft gekregen, maakt het KWP daar onderdeel van uit. Het KWP heeft als doel het woningaanbod op regionaal niveau, zowel kwantitatief als kwalitatief, zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte (de vraag) aan woningen. Het KWP3 beschrijft per regio de programmatische opgave op basis van de geconstateerde regionale woningbehoefte en is daarmee richtpunt voor woningbouwbeleid van gemeenten in de regio. Voor de regio Achterhoek houdt de afspraak in het KWP3 in, dat in de periode 2010 tot en met 2019 aan de woningvoorraad 5.900 woningen kunnen worden toegevoegd. De uitgangspunten van het KWP zijn verwerkt in een regionale en gemeentelijke woonvisie. In de volgende paragrafen wordt hier verder op ingegaan.
Toetsing
De toekomstige woningbouw in het plangebied is passend binnen het KWP.
De Achterhoekse gemeenten hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals: energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen; bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening; de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied; positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief. Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren. De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie: samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingbeleid bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend. Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.
Toetsing
Onderhavig plan is niet in strijd met het beleid, zoals beschreven is in de regionale structuurvisie.
De 7 Achterhoekse gemeenten hebben samen met de woningcorporaties en de Provincie, onder het motto "Alleen ga je sneller, samen kom je verder", een gezamenlijke visie op het wonen in de Achterhoek neergelegd voor de periode 2010-2020. De ambitie van de regio Achterhoek luidt daarbij als volgt:
De grootste opgave daarbij is het realiseren van een omslag in denken: van decennia van groei van de bevolking naar stabilisatie en uiteindelijk krimp. De woningvoorraad wordt maximaal afgestemd op de veranderende lokale vraag van woningzoekenden. De locatie en woonomgeving zijn essentiële kwaliteitskenmerken waarop de Achterhoek zich kan onderscheiden. Centrumplannen voor de grotere kernen dragen bij aan vitale kernen en voegen hiermee kwaliteit toe aan de regio. Deze plannen krijgen prioriteit. Grootschalige uitlegplannen passen niet bij een situatie van krimp. Om de kwalitatieve uitgangspunten in de regionale woonvisie waar te maken zijn de gemeenten met elkaar een binnenregionale verdeling overeengekomen. Voor de gemeente Oude IJsselstreek betekent deze verdeling dat de lokale woningvoorraad tot 2020 met 685 woningen mag toenemen.
Toetsing
Onderhavig plan binnen de bebouwde kom draagt bij aan de woonkwaliteit in Silvolde en sluit in die zin aan bij de uitgangspunten van de regionale woonvisie.
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de 'Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025' vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente Oude IJsselstreek tot 2025. Vraagstukken op deze beleidsterreinen zijn de basis voor deze visie. De structuurvisie is het vertrekpunt voor het uitwerken van het verdere beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor de toekomst.
Visie op wonen
De gemeente wil de Oude IJsselstreek graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het "Kwalitatief Woonprogramma (KWP3)", de regionale woonvisie en de "Woonvisie Oude IJsselstreek 2008-2015" kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Ulft, Silvolde en Terborg zijn de aangewezen woonclusters. Hier zal de meeste nieuwbouw plaatsvinden.
Toetsing
De beoogde woningbouw in het plangebied sluit aan bij de toewijzing van Silvolde als wooncluster in de structuurvisie.
De Woonvisie Oude IJsselstreek dateert uit 2008 en speelt onder meer in op de Woonvisie Gelderland uit die tijd en de ambitie van de gemeente om door te groeien naar een voldoende aantal inwoners, dat nodig is voor een voldoende draagvlak voor voorzieningen. De woonvisie biedt een integrale visie op het gebied van wonen. De visie biedt ook een goed kader voor de uitwerking van concrete projecten die meer omvatten dan uitsluitend woningbouw.
In de woonvisie worden doelstellingen geformuleerd op het gebied van wonen én aangrenzende beleidsterreinen zoals leefbaarheid, zorg en welzijn. De hoofdlijnen uit de woonvisie zijn:
Toetsing
Deze hoofdlijnen gelden nog steeds voor het gemeentelijk beleid, doch zijn door het Kwalitatief Woonprogramma (zie par. 3.2.2) en de regionale woonvisie (zie par. 3.3.2) in een ander daglicht komen te staan. Om in de toekomstige woningbehoefte te voorzien kan de woningvoorraad de komende 10 jaar nog met 685 woningen worden uitgebreid. Aangezien de plancapaciteit in de gemeente vele malen hoger is, is besloten de plancapaciteit terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. Voor Silvolde houdt dit in, dat de geringe toevoeging van nieuwbouw alleen mogelijk is indien aangesloten wordt bij de lokale woningbehoefte.
In onderliggend wijzigingsplan wordt ingespeeld op het uitgangspunt van de Woonvisie, dat de gemeente aantrekkelijke en vitale kernen voor ogen heeft. Dit kan onder andere worden bereikt met een gevarieerd woningaanbod.
In 2011 heeft de gemeente Oude IJsselstreek het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan 2012 - 2020 (GVVP) vastgesteld. In het GVVP wordt, op basis van een analyse van de huidige en toekomstige verkeerssituatie, een visie ontwikkeld op het functioneren van het verkeers- en vervoerssysteem in de gemeente. Een eigen gemeentelijke mobiliteitsaanpak maakt duidelijk wat de gemeentelijke ambities zijn en op welke wijze deze worden gerealiseerd. De visie en mobiliteitsaanpak zijn vertaald in beleid, dat in hoofdlijnen is gericht op
De rode draad binnen de verkeersnetwerken is de wegencategorisering. Deze bestaat uit een functietypering van de wegen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, en de bijbehorende voorkeurs- netwerken. De wegencategorisering is aangevuld voor vrachtverkeer (hoofdroutes), hulpdiensten (uitruk- routes) en landbouwverkeer (voorkeursroutes). Voor de kern Silvolde ziet de wegencategorisering er als volgt uit:
Wegencategorisering Silvolde, bron: GVVP Oude IJsselstreek 2010-2020
Met deze wegencategorisering worden de randvoorwaarden gecreëerd voor:
Om deze uitgangspunten te bereiken zijn diverse maatregelen nodig. Het beleidskader wordt dan ook verder uitgewerkt in een jaarlijks uitvoeringsprogramma. De keuze, welke projecten in welk jaar worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma, is afhankelijk van:
Het gaat zowel om fysieke- als gedragsmaatregelen. In het eerste geval gaat het om projecten die daad- werkelijk zichtbaar zijn in de openbare ruimte, zoals herinrichting van kruispunten. Deze maatregelen richten zich vooral op het realiseren van verkeersnetwerken en de uitvoering van het parkeerbeleid. Uitgangspunt van het parkeerbeleid is, dat er voldoende parkeergelegenheid is, zodat de hinder als gevolg van zoekgedrag en/of foutief geparkeerde auto's wordt voorkomen. Toetsing
Dit wijzigingsplan is in overeenstemming gebracht met het GVVP doordat aansluiting is gezocht bij de wegencategorisering en de parkeernormen in dit beleidsplan. De Lichtenbergseweg, waar het plangebied van dit wijzigingsplan is gelegen, geldt als een verblijfsgebied binnen de bebouwde kom van Silvolde. Hier geldt een maximumsnelheid van 30 km/ uur.
In deze nota is vastgelegd hoe het welstandstoezicht in de gemeente Oude IJsselstreek is geregeld. Tevens geeft deze nota uitgangspunten en criteria voor het welstandsoordeel. Via deze nota voldoet de gemeente Oude IJsselstreek tevens aan de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo), het Besluit Omgevingsrecht (Bor) en de bepalingen in de Woningwet omtrent het welstandstoezicht.
Het historische dorpsgebied (a) vormt de hoofdstructuur van Silvolde. Hier is welstandsniveau 1 van toepassing: zwaar. Dit welstandsniveau wordt door de gemeente toegekend aan structuren, gebieden en objecten, die van grote betekenis zijn voor het totaalbeeld van de kern en het landschap. Ook gebieden met bijzondere cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige karakteristieken kunnen niveau 1 krijgen.
Volgens de welstandsnota stralen de kern van Silvolde en linten een hoge ruimtelijke kwaliteit uit met relatief veel historische gebouwen.
Het plangebied valt onder het deelgebied 'Silvolde individuele woningbouw'. In deze deelgebieden wordt het ruimtelijke beeld bepaald door de openbare ruimte, de tuin en de individuele bouwmassa. De woningen zijn op de straat gericht. Het gaat zowel om vrijstaande als dubbele woningen. De onderlinge afstand van de bouwmassa's en de afstand tot de straat varieert enigszins. De tuinen zorgen voor het groene beeld, waarbij de erfafscheidingen vaak groen en laag zijn. Parkeren vindt grotendeels op eigen terrein plaats.
Bebouwing uit verschillende perioden en een diversiteit aan typen komen in deze woongebieden voor. Variëteit is het resultaat. Elk pand kent zijn eigen architectuur en het kleur en materiaalgebruik is divers. Het merendeel van de woningen bestaat uit een tot twee bouwlagen met een kap. De kaprichting en vorm zijn enigszins variabel. Zadeldaken met de nok evenwijdig en haaks op de weg, mansardedaken en wolfdaken wisselen elkaar af. Aanbouwen in de vorm van garages zijn aan de achterzijde van de zijgevel gelegen, vaak passend bij de stijl en het materiaal- en kleurgebruik van de woning.
De architectuur van de woningen is ingetogen. Het kleur- en materiaalgebruik is enigszins samenhangend. De gevels zijn opgetrokken uit baksteen met een kleur in aardetint. Hier en daar komt een wit geschilderd/ gepleisterd woning voor. Het dak is meestal belegd met dakpannen in een antracietgrijze tint. Kozijnen, goten etc. zijn bij historische bebouwing licht van kleur. Bij meer recente bebouwing zijn meer donkere kleuren toegepast.
Beleid voor Silvolde individuele woningbouw
Het beleid is gericht op de instandhouding van de kwaliteit van de woongebieden en op behoud van de oorspronkelijke vormgeving en kwaliteit van de panden. In situaties waar individuele bebouwing gemeenschappelijke kenmerken vertonen, is het beleid gericht op instandhouding van deze kenmerken. De ruime opzet van het parkachtige woongebied, Terborgseveld e.o., verdraagt een grote variatie in architectuur. Bij nieuwbouw kan een grote mate van vrijheid worden toegestaan in architectonische opvatting. Situering, massa, hoofd materiaalkeuze en kleurstelling moeten afgestemd zijn op het algemene beeld van de omgeving. Voor de gebieden met individuele woningbouw geldt over het algemeen welstandsniveau 3
Toetsing
Het bouwplan voor de woning is op 15 januari 2015 in principe akkoord bevonden door de Commissie ruimtelijke kwaliteit.
De klimaatveranderingen, de eindigheid van de fossiele brandstof en het daarop anticiperende beleid van het Rijk, provincies en gemeenten vragen er om dat actief gekeken naar duurzaamheid in nieuwbouwplannen. Het betreft thema's zoals CO2- en energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen. De gemeente Oude IJsselstreek (Klimaatbeleid, energiekansenkaart 2006), de provincie Gelderland en het ministerie Infrastructuur en Milieu hechten allen belang aan Duurzaam Bouwen. Bouwende partijen worden gestimuleerd hier aandacht aan te geven en nu al te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen op dit gebied. De gemeente Oude IJsselstreek streeft naar een verscherpte EPC van mini-maal 10%. In de energiekansenkaart worden de economisch meest gunstige opties uitgewerkt. Daar waar mogelijk heeft het toepassen van zongerichte verkaveling de voorkeur. Duurzaamheid is onder te verdelen in o.a. energieverbruik, materiaal verbruik, waterverbruik, maar ook het binnenmilieu en toekomstgericht bouwen. Voor woning-bouw (nieuwbouw) is in de Regio Achterhoek een puntenlijst ontwikkeld om particulieren die duurzaam willen bouwen een handvat te bieden. De vier bovengenoemde elementen zijn hierin verwerkt. Deze puntenlijst is zeer geschikt om richting en invulling te geven aan het duurzaam bouwen en het dubo gehalte van de woning te meten.
Toetsing
Het onderhavig wijzigingsplan maakt woningbouw aan de Lichtenbergseweg planologisch mogelijk. Bij de uitvoering van het woningbouwplan zal rekening gehouden worden met de uitgangspunten van het hierboven beschreven klimaatbeleid.
Geconcludeerd kan worden dat het wijzigingsplan past binnen het rijks-, provinciale-, regionale en gemeentelijk beleid.
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Ook is geluid van invloed op het welbevinden van mensen. Hierdoor komt het aspect geluid in veel verschillende wetten (met elk hun eigen reikwijdte) voor. Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat voor een bestemmingsplan inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai.
Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:
Ten behoeve van de nieuwe woning is vanwege de ligging langs de Lichtenbergseweg en de binnen de zone van de Ulftseweg een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 1.
De te onderzoeken weg is de Ulftseweg. De weg is binnenstedelijk gebied gelegen en heeft maximaal twee rijstroken. De onderzoekszone bedraagt 200 meter. Binnen de zone dient de hoogst toelaatbare geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg in acht te worden genomen (art. 76 Wgh). De bestemming is binnenstedelijk gelegen. Voor een woning bedraagt de wettelijke voorkeursgrenswaarde (de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting) van 48 dB (art. 82 lid 1 Wgh). Indien de geluidsbelasting op de gevel van de geprojecteerde woning uitkomt boven de 48 dB, kan er op bepaalde gronden ontheffing van de wettelijke voorkeursgrenswaarde verkregen worden (door burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek) tot 63 dB (art. 83 lid 2 Wgh).
Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur kennen geen geluidszone (art. 74 lid 2 onder b, Wgh). Echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Lichtenbergsweg ook onderzocht.
De berekeningen zijn verricht aan de hand van de Standaard reken- en meetvoorschrift, geluid, 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2.60. Uit de berekeningen ten behoeve van de Ulftseweg blijkt, dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de Lichtenbergseweg onderzocht. Uit de berekeningen blijkt, dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Tot slot is de gecumuleerde geluidsbelasting berekend en de benodigde geluidwering van de gevels bepaald. Uit de berekeningen blijkt, dat de minimale karakteristieke gevelreductie van 20 dB, niet hoeft te worden aangepast om aan een maximale binnenwaarde van 33 dB, te kunnen voldoen.
Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect wegverkeerslawaai.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbeleid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. In de bovengenoemde wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide begrippen worden hier onder uitgelegd.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per risicobron vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) per jaar bedraagt. Deze contour is wettelijk vastgesteld als grens- of richtwaarde. Kwetsbare objecten zoals bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote (kantoor)gebouwen en grotere recreatieterreinen zijn niet toegestaan binnen deze 10-6 contour.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatie waarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Voor stationaire bronnen geldt dat de oriëntatiewaarde een factor 10 lager ligt.
De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om bij risicovolle situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen beheersbaarheid en bestijdbaarheid van een incident, de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt in principe een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor de toename van het groepsrisico ten gevolge van een verhoogde personendichtheid.
Gemeente Oude IJsselstreek heeft op 18 februari 2010 een beleidsnotitie externe veiligheid vastgesteld. Hierin is een aanvullend toetsingskader opgenomen. Daarbij is gekozen voor een benadering van drie gebiedstypen. Dit vanwege de afweging tussen twee belangrijke uitgangspunten:
Er is geprobeerd een optimale mix te vinden in normen, maatregelen en hulpmiddelen, die passen bij het betreffende gebiedstype. Dit heeft geleid tot de keus voor de volgende gebiedstypen:
De beleidskeuzes laten zich als volgt samenvatten:
| Overschrijding grenswaarde plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten | Overschrijding richtwaarde plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten | Overschrijding oriënterende waarde groepsrisico | Toename groepsrisico | |
| Wonen en Landelijk gebied | Niet acceptabel | Niet acceptabel (m.u.v.bestaande situaties) | Niet acceptabel (m.u.v.bestaande situaties) | Acceptabel onder voorwaarden |
| Ruimte voor industrie | Niet acceptabel | Acceptabel onder voorwaarden | Acceptabel onder voorwaarden | Acceptabel onder voorwaarden |
| Ruimte wonen én werken | Niet acceptabel | Acceptabel onder voorwaarden | Niet acceptabel (m.u.v.bestaande situaties) | Acceptabel onder voorwaarden |
Deze beleidskeuzes zijn alleen van toepassing voor nieuwe situaties. Voor bestaande situaties zijn overschrijdingen van de richtwaarde en de oriënterende waarde acceptabel. In het gebiedstype "wonen en landelijk gebied", waartoe ook het wonen binnen de bebouwde kom worden gerekend, moet bij overschrijding van de richtwaarde worden nagegaan of maatregelen nodig zijn.
Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan stationaire bronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een uitsnede daarvan is op de navolgende afbeelding weergegeven.
Uitsnede van risicokaart van de provincie Gelderland voor de kern Silvolde
In het plangebied zelf zijn, volgens de Risicokaart van de provincie Gelderland, geen stationaire bronnen aanwezig.
In de omgeving van Silvolde en het bouwplan liggen twee BEVI-bedrijven (LPG stations) en ten zuiden van de kern loopt een gasleiding. Deze bedrijven en de gasleiding liggen echter buiten de geldende veiligheidszone.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Op 15 november 2007 is de 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de 'Wet milieubeheer' op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De Wet milieubeheer bevat de wettelijke grens- en richtwaarden voor de luchtkwaliteit in Nederland. In de wet wordt rekening gehouden met de mate van luchtverontreiniging. Hierbij wordt gekeken of de ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor woningbouw geldt een grens van niet in betekenende mate bij 500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg.
De 'Wet luchtkwaliteit' vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in betekenende mate' (besluit NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als:
In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën:
Vanwege de beperkte omvang van het project kan een luchtkwaliteitsonderzoek achterwege blijven.
Het plan voldoet aan de NIMB grens. Het bouwplan leidt tot een zeer beperkte verandering van de omgeving en heeft beperkte gevolgen voor de woningdichtheid en verkeersintensiteit. Het bouwplan zal dus niet in betekende mate bijdragen en geen grenswaarden overschrijden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
In het kader van een wijzigingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor beoogd gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling.
Ten behoeve van de nieuwe woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2.
Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bodem is bovendien tot een diepte van circa 1,6 m -mv zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend.
In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
De bovengrond is licht verontreinigd met zink. In de ondergrond is een lichte verontreinigingen met minerale olie aangetoond. Opgemerkt wordt dat de verontreiniging met minerale olie een zeer geringe overschrijding van de achtergrondwaarde betreft waarvoor Econsultancy geen verklaring heeft. Met betrekking tot alle overige geanalyseerde parameters is de grond niet verontreinigd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, niet geheel bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingsplanwijziging.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
Cultuurhistorisch erfgoed geeft weer hoe de gemeente zich door de tijd heen heeft ontwikkeld. Het geeft een plek in de geschiedenis en is mede bepalend voor de identiteit van een gemeente en haar bewoners.
Tegenwoordig dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Voor enkele specifieke belangen, zoals archeologie, was reeds voorgeschreven dat in de toelichting bij het bestemmingsplan dient te worden aangegeven op welke wijze met deze belangen is omgegaan. Deze wijze van borging via het systeem van de ruimtelijke ordening bestond eerder nog niet voor cultuurhistorische waarden in het algemeen. Het systeem van borging via de Wro dat al gold voor archeologie is nu als het ware uitgebreid tot alle cultuurhistorische waarden.
In de toelichting dient daarom een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. (vooruitlopend op wijziging van het Bro). Archeologie is hiervan een onderdeel.
De erfgoedzorg zal zich de komende jaren, meer nog dan voorheen, richten op het opnemen van cultuurhistorische belangen in processen van ruimtelijke ordening en planvorming. De monumentenzorg heeft hierin een moderniseringsslag gemaakt, waarbij het aspect erfgoed in de meest brede zin van het woord uitgelegd wordt. Het gaat niet langer om alleen gebouwen en andere objecten (zoals eerst het geval was), maar nu wordt er ook aandacht besteed aan de grotere lijnen, structuren en gebieden. Ook het cultuurlandschap is daarmee een pijler van de erfgoedzorg geworden, naast gebouwen en archeologische monumenten. Het gaat echter niet om het op slot zetten (behoud) van ons landschap, want het landschap is per definitie veranderlijk en ook in gebruik door de landbouw. Maar het vraagt wel aandacht voor zichtlijnen, landgoederen, beplanting, hoogte-elementen, kavelstructuren, bebouwingsstructuren, openheid, etc. Bij cultuurhistorische waarden gaat het dus over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken.
Toetsing
In paragraaf 2.1 is nader ingegaan op de (cultuurhistorische) ontstaansgeschiedenis van de kern Silvolde, waar het plangebied van dit wijzigingsplan gesitueerd is. Het perceel ligt aan één van de van oudsher aanwezige bebouwingslinten van Silvolde. Er is echter geen sprake van een ligging van monumenten of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de directe nabijheid.
Algemeen
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologisch monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Hierdoor is het Verdrag van Malta (Verdrag van Valletta) inzake de bescherming van archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Malta gaat uit van het in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf (in situ). Opgravingen moeten zoveel mogelijk worden vermeden, omdat het risico bestaat dat historische informatie voor altijd verloren gaat. De achterliggende gedachte is dat de bodem zich nog steeds als de beste bewaarplaats bewezen heeft. Een andere gedachte, die hierbij speelt, is het gegeven dat latere generaties mogelijk over betere technieken van opgraven kunnen beschikken. Het verdrag wil verder bevorderen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Tenslotte gaat het verdrag uit van het beginsel 'de veroorzaker betaalt'. Dat wil zeggen dat degene die de bodem wil verstoren het archeologisch (voor)onderzoek en de eventuele opgraving zelf moet betalen.
Toetsing
Het is van groot belang om de archeologische kwaliteiten van locaties in kaart te brengen. Dit is in kaart gebracht in de Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart (opgesteld 27 april 2010), die als basis dient voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. Op basis van deze Archeologische Inventarisatie en waarderingskaart (IKAW) kan worden vastgesteld of er een reële trefkans is voor eventuele archeologische waarden. Uit de IKAW- kaart voor Silvolde blijkt voor het plangebied geldt dat deze ligt in de "historische kern 1850". Binnen het als historische kern 1850 opgenomen gebiedsdeel dient ingeval van een verstoring van een oppervlak van 100 m2 en meer in een rapport de archeologische waarde te worden vastgesteld.
Onderzoek
Voor onderliggend wijzigingsplan is geen specifiek archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit omdat de toekomstige woning een oppervlakte zal hebben van maximaal 60 m2. Hiermee blijft deze oppervlaktemaat onder de maat die geldt vaan de onderzoeksplicht.
De aspecten cultuurhistorie en archeologie leveren geen belemmeringen op voor dit wijzigingsplan.
Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Op grond van de Natuurbeschermingswet wordt de gebiedsbescherming geregeld. Hierbij worden speciaal aangewezen gebieden beschermd. Het plangebied bevindt zich niet in of in de directe omgeving van een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of in de directe omgeving van de ecologische hoofdstructuur. Gebiedsbescherming is daarmee niet aan de orde.
In de Flora- en faunawet is de soortenbescherming vastgesteld. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze plannen kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet worden onderzocht of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.
Het plangebied is gelegen te midden van bestaande bebouwing. Van een ligging nabij waardevolle natuurgebied is geen sprake.
Toekomstig woonperceel
Het perceel betreft een goed onderhouden tuin met enkele bosjes en voor de rest grasveld. De woning zal gerealiseerd worden op het grasveld. Dit veld wordt intensief gemaaid waardoor er van uit gegaan kan worden dat hier zich geen verblijf- en/of vindplaatsen kunnen bevinden van beschermde soorten.
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Het bouwplan is gelegen binnen de kern van Silvolde en aan de Lichtenbergseweg, die geldt als woonstraat binnen de kern. Er zal één woning wordne gebouwd. Qua verkeersdrukte is er geen aanleiding om te veronderstellen dat door de bestemmingswijziging zich verkeerskundige belemmeringen zullen voordoen.
Het parkeren van de vrijstaande woning zal op eigen terrein plaatsvinden. Hiervoor geldt de landelijke CROW norm van maximaal 2,0 parkeerplaats per woning. Deze zijn voor deze woning voorzien op eigen terrein. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van het parkeren.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan voor dit wijzigingsplan.
De hoofddoelstelling voor de regionale waterhuishouding in de Achterhoek en Liemers is het realiseren van duurzame, veerkrachtige watersystemen in zowel stedelijk gebied als landelijk gebied, zodat inzicht verkregen wordt in de aard en omvang van de wateropgaven in dit stroomgebied. De visie is opgesteld naar het nu en in de toekomst voorkomen van wateroverlast, het bereiken van de natte natuurdoelen, het veiligstellen van de drinkwatervoorziening en het voorkomen van watertekorten, het verbeteren van de waterkwaliteit en het verbeteren van de aansluiting van het regionale watersysteem op het landelijke hoofdsysteem. Ter voorkoming van huidige en toekomstige waterproblematiek is naar oplossingen gezocht, zoals het verbreden, verondiepen, hermeanderen van bestaande waterlopen. Dit biedt binnen de bestaande watergangen niet voldoende ruimte, zodat extra bergingsmogelijkheden gevonden moeten worden in daarvoor aangewezen gebieden. Ter bescherming van ecologisch watervolle wateren en natte landnatuur is het in grote delen van de Achterhoek en Liemers nodig om grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeilen minstens even hoog te houden, zogenaamd conserveren in buffergebieden.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt “stand still - step forward”. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem.
In het ”Waterbeheerplan 2010-2015” heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.
Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven hebben op 23 mei 2011 het 'Bestuursakkoord Water' ondertekend. Het Nationaal Bestuursakkoord Water, afgesloten in 2003, geactualiseerd in 2008 en met een looptijd tot 2015, en het Bestuursakkoord Waterketen, dat in 2007 is afgesloten met een looptijd tot 2011, hebben de basis gelegd voor het Bestuursakkoord Water. De doelstellingen van het Nationaal Bestuursakkoord Water blijven onverkort leidend voor de komende jaren om het watersysteem op orde te krijgen en te houden. In het akkoord zijn afspraken gemaakt over het nemen van maatregelen die gericht zijn op:
Vanuit het principe dat het waterbeheer een gezamenlijk domein is van rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn de verantwoordelijkheden helder beschreven en zijn de taken verdeeld onder het motto "decentraal wat kan, centraal wat moet". Zo draagt de gemeente, als de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, zorg voor een veilige en prettige leefomgeving. De gemeente heeft derhalve taken in het ruimtelijke en sociale domein. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de afweging tussen milieu, natuur, water, economie en huisvesting een rol speelt. Dit beleid wordt vastgelegd in structuurvisies en bestemmingsplannen. Indien deze plannen van belang zijn voor het waterbeheer dient de gemeente een watertoets uit te voeren. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben de zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen worden als uitgangspunt 'vasthouden, bergen en afvoeren' van water gehanteerd. Op deze manier wordt aan het beleid uit het Bestuursakkoord Water uitvoering gegeven.
Nationaal Waterplan
In december 2009 is het 'Nationaal Waterplan' vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.
Silvolde ligt in het gebied "Hoog Nederland". Dit gebied omvat grofweg de zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. "Hoog Nederland" is grotendeels vrij afwaterend, dat wil zeggen dat het water onder vrij verval naar de rivieren en de zee stroomt. Het gebied bevat enkele scheepvaartkanalen, die door de rijksoverheid worden beheerd, en daarnaast vooral regionale wateren, in beheer bij de waterschappen. Kenmerkend voor dit deelgebied is de directe samenhang tussen het grond- en oppervlaktewatersysteem en de van nature meanderende beken met aangrenzende beekdalgronden die incidenteel in tijden van extreem natte perioden op natuurlijke wijze kunnen overstromen. De belangrijkste wateropgaven voor Hoog Nederland zijn watertekort, grondwater, wateroverlast en waterkwaliteit.
Provinciaal Waterplan
Het 'Waterplan Gelderland 2010-2015' bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het 'Waterplan Gelderland 2010-2015' is op 1 januari 2010 in werking getreden.
In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.
Het plangebied heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie "stedelijk gebied". Zowel in nieuw als in bestaand stedelijk streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel voorkomen worden. Hierbij wordt het water in de stad met het omringende watersysteem als één geheel beschouwd. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn in stedelijk gebied gericht op:
Waterbeheerplan - Waterschap Rijn en IJssel
De gemeente Oude IJsselstreek ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in 2009 een waterbeheerplan vastgesteld voor de periode 2010-2015. Met de voornemens uit het Waterbeheerplan wil het waterschap actief inspelen op alle lopende en komende veranderingen zoals de wijzigingen in de waterwetgeving in de Kaderrichtlijn Water. Er zijn mogelijkheden om de waterkwaliteit nog verder te verbeteren en om meer ruimte te bieden voor het vasthouden van water. Het gewenste peilbeheer wordt in het hele gebied in de komende periode planmatig opgepakt voor de landbouw en de natuur. Het beheer van water en afvalwater in stedelijk gebied krijgt steeds meer aandacht. In het landelijk gebied wil het waterschap kansen bieden voor recreatie op of bij het water. Het Waterbeheerplan 2010-2015 bevat het beleid op hoofdlijnen voor alle taakgebieden van het Waterschap Rijn en IJssel. Dit plan is opgesteld samen met vier andere waterschappen, die deel uitmaken van het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het plan geeft aan welke doelen het Waterschap nastreeft en welke maatregelen en projecten daarvoor in de planperiode worden ingezet. De maatregelen die uitgevoerd worden en de bijbehorende financiële middelen zijn op hoofdlijnen aangegeven. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoonwater en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van de ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.
Situatie plangebied
In het plangebied is geen oppervlakte water aanwezig.
Gemeentelijk Waterplan 2010-2020
De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. De toekomstvisie is gericht op vier aspecten:
De volgende maatschappelijke streefeffecten verwoorden de waterambitie van de gemeente:
De hierboven beschreven waterambities zullen, daar waar mogelijk, meegenomen worden bij de toekomstige woning in het plangebied. Overigens zijn weinig waterthema's relevant bij de ontwikkeling van één woning.
Riool
Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie. Het overgrote deel van Silvolde kent een gemengd stelsel (voor afvalwater en regenwater samen). Bij vervangingswerkzaamheden van het gemengde riool, zal worden bezien in hoeverre afkoppeling van verhard oppervlak mogelijk is. Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie. Het plangebied kent een gescheiden stelsel (voor afvalwater en regenwater).
Binnen de gemeente Oude IJsselstreek zijn alle percelen aangesloten op de riolering of op IBA-systemen. Het rioleringstelsel van de gemeente Oude IJsselstreek bestaat uit ruim 193 km vrijverval leiding, 178 km drukriolering en 22 km persleiding. In dit rioleringsstelsel zijn 61 overstorten en inmiddels 17 berbezinkvoorzieningen opgenomen. Het afvalwater vanuit het plangebied wordt verwerkt door RWZI.
Oppervlaktewater, bodemgesteldheid en hoogteligging
Het bouwplan ligt binnen de bebouwde kom van het dorp Silvolde van de gemeente Oude IJsselstreek op de zandige hogere delen (14,5 m. + NAP) op het zogenaamde “Oost-Nederlandse Plateau” en de oeverwal van de Oude IJssel. In de directe omgeving van het plangebied is geen waterloop van het waterschap aanwezig. De afwatering en grondwaterstroming van het plangebied is richting Oude IJssel in noordelijke richting. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op meer dan 2 m.
Hieronder is de watertoetstabel opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van een wijziging in die zin dat een bouwvlak wordt toegevoegd van maximaal 60 m2.
| Thema | Toetsvraag | Relevant | Intensiteit |
| Veiligheid | 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? | Nee Nee |
2 2 |
| Riolering en afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
2 1 1 |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 ? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
2 1 1 1 |
| Oppervlaktewaterkwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Nee | 1 |
| Grondwateroverlast | 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
1 1 1 |
| Grondwaterkwaliteit | 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee | 1 |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
1 2 |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
1 1 |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
2 2 1 1 |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee | 1 |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee | 2 |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee | 1 |
Riolering
Voor het huishoudelijk afvalwater zal een DWA-stelsel worden ontworpen. Het DWA-water zal worden afgevoerd naar een RWZI waar het gezuiverd wordt.
Verhard oppervlak
Het terrein is nu nog onbebouwd en bestaat uit grasveld. In de toekomstige situatie zal er een woning staan van maximaal 60 m2. Het verhard oppervlak neemt in beperkte mate toe waardoor geen extra waterberging noodzakelijk is.
Wateroverlast
Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen, zal het regenwater niet afgevoerd worden naar het rioolstelsel, maar volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren worden behandeld.
Er zal een gescheiden stelsel worden aangelegd. Het hemelwater dat op de verharde oppervlakte neervalt, wordt afgekoppeld en via het gescheiden rioleringsstelsel afgevoerd. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
Overleg met de waterbeheerder
Het ontwerp wijzigingsplan zal voor advies worden voorgelegd aan het waterschap. Eventuele reacties op het ontwerp zullen worden verwerkt in het wijzigingsplan.
Het wijzigingsplan 'Kom Silvolde, plan van wijziging locatie Lichtenbergseweg 8 Silvolde' maakt woningbouw op de locatie Lichtenbergseweg naast 8 in Silvolde mogelijk. Bij het opstellen van het wijzigingsplan is qua regels en verbeelding aansluiting gezocht met het bestemmingsplan "Kom Silvolde". Toen gold nog niet de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening, die van kracht zijn per 1 juli 2008. In plaats van regels werd toen gesproken over voorschriften. De verbeelding werd toen plankaart genoemd. Deze termen zullen als gevolg van deze keuze, ook gehanteerd worden in dit wijzigingsplan. Voor de duidelijkheid zijn de voorschriften van het bestemmingsplan Kom Silvolde als Bijlage 1 opgenomen.
Bij de totale herziening van de kern Silvolde zal te zijner tijd aansluiting gezocht worden bij de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de dan geldende uniforme standaarden met betrekking tot bestemmingen en regels.
In dit hoofdstuk wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
Bestemmingsplan
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen.
Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing en regels voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Een bestemmingsplan regelt derhalve:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
Wijzigingsplan
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingplan te geven voorschriften, het college van burgemeester en wethouders binnen bij het bestemmingsplan te bepalen grenzen (zie het wro-zone-wijzigingsgebied) het plan kan wijzigen.
Op de plankaart wordt aangegeven welke bestemming de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:
De voorschriften zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Dit wijzigingsplan bestaat uit een plankaart, voorschriften en een toelichting. De plankaart en de voorschriften vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de plankaart zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.
De regels in dit wijzigingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. In het bestemmingsplan "Kom Silvolde" is het volgende aangegeven over de "Wijzigingsbevoegdheid naar Wonen', die betrekking heeft op het plangebied van dit wijzigingsplan:
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het toestaan van de bouw van woningen door het opnemen van een bouwvlak, uitsluitend binnen een op de plankaart met “wijzigingsbevoegdheid” aangeduid gebied en met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Op dit wijzigingsplan zijn de voorschriften van het bestemmingsplan Kom Silvolde van overeenkomstige toepassing. Op de plankaart is de nieuwe woning van een bouwvlak voorzien waarbinnen is aangegeven dat hier één vrijstaande woning is toegestaan. Tevens zijn de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven.
Inleiding
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Dit geldt ook voor dit wijzigingsplan.
Geen exploitatieplan
Aan de ontwikkeling van woningbouw op de locatie ligt een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer ten grondslag. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd, waardoor een exploitatieplan niet vereist is.
Het ontwerp wijzigingsplan heeft vanaf 16 april 2015 voor de duur van 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het wijzigingsplan is op 9 juni 2015 ongewijzigd vastgesteld door Burgemeester en Wethouders.