| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Engbergseweg 1a Voorst |
|---|---|
| Status: | concept |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.OP000013-VA01 |
In het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek in Voorst ligt de Engbergseweg 1A. Het perceel bestaat uit een erf waar een woonhuis aanwezig is, een grote schuur die ingericht is voor groepsaccommodatie en een kapschuur.
De initiatiefnemer is voornemens om de grote schuur en kapschuur beide te verbouwen en om te vormen tot vrijstaande woningen. Hierdoor komen er drie woningen op het erf. De locatie is gelegen binnen het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek (vastgesteld op 23 mei 2024). Voor de planlocatie geldt de functie 'Wonen' met functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie – groepsaccommodatie'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor maximaal één vrijstaande woning per bouwvlak en, een groepsaccommodatie uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – groepsaccommodatie'.
Het planinitiatief op het betreffende terrein past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het Omgevingsplan, daarmee is er sprake van strijdigheid met het Omgevingsplan. Het project kan daarom alleen worden gerealiseerd als medewerking wordt verleend aan het afwijken van het Omgevingsplan. Om af te wijken van het planologisch regime dient een wijziging van het omgevingsplan te worden toegepast middels een TAM-omgevingsplan.
Het plangebied is gelegen aan de Engbergseweg in Voorst, gelegen in de gemeente Oude IJsselstreek. Het gebied bevindt zich in een landelijk en groen gebied langs de Engbergseweg. De omgeving kenmerkt zich door een afwisseling van open, groene weilanden en stukken bos. Het landschap bestaat hoofdzakelijk uit open landbouwgrond. In de directe omgeving is geen stedelijke bebouwing aanwezig. Op circa 600 meter ten westen zijn de dorpen Gendringen en Ulft gelegen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het natuur- en recreatiegebied Engbergen. Ten noorden en oosten is landbouwgrond gelegen.
Het plangebied heeft de volgende kadastrale ligging. Kadastraal bekend gemeente Gendringen, sectie O, perceelnummers 872, 873 (gedeeltelijk), 874 en 875, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 1: kadastrale ligging plangebied (plangebied binnen rode omlijning) (bron: Pdok)
Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de directe omgeving van het plangebied en wijdere omgeving van het plangebied weer.
Figuur 2: ligging van het plangebied (plangebied binnen rode omlijning) (bron: Pdok)
Het plangebied is gelegen binnen het 'Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek' (hierna: omgevingsplan). Het omgevingsplan bestaat uit een nieuw en tijdelijk deel. Het nieuwe deel van het omgevingsplan is momenteel nog leeg. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de bruidsschatregels en de regels uit de bestaande ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen.
Van rechtswege opgenomen in het tijdelijk deel is de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het rijk naar de gemeente door middel van de bruidsschat. De regels uit de bruidsschat zijn automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan geland. Hierdoor worden de bruidsschatregels niet meer op rijksniveau geregeld, maar lokaal. De gemeenten dienen vervolgens zelf een afweging te maken hoe zij de onderwerpen uit de bruidsschat willen regelen en wat zij wel en niet over willen nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Van belang is dat regels moeten voldoen aan artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet: de regels moeten nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien moeten de regels voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit de bruidsschat zijn beleidsneutraal overgenomen, hierdoor voldoen niet alle bruidsschat regels aan het Bkl. Dat betekent dat de gemeenten in ieder geval die artikelen moeten gaan omzetten of schrappen. Dit geldt onder meer voor de instructieregels voor trillingen van geluid (paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl).
Doorwerking planinitiatief
Indien noodzakelijk wordt in hoofdstuk 4 per omgevingsaspect getoetst aan de bruidsschatregels. Voorts worden de instructieregels van het Bkl aangehouden.
Op grond van artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet gelden de regels uit voormalige ruimtelijke plannen van rechtswege voor het tijdelijke omgevingsplan na het in werking treden van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de terminologie veranderd. Onder de Omgevingswet spreekt men niet meer van 'bestemmingen' maar 'functies'. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige wetgeving wordt in voorliggende goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving waar mogelijk niet meer gesproken over 'bestemmingen' maar 'functies'. Voor een goede leesbaarheid worden de geldende bestemmingen nog wel 'bestemming' genoemd.
Bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017
Bestemming 'Wonen' (artikel 24).
Voor de aangewezen grond geldt de bestemming 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor maximaal één vrijstaande woning. Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2', een bouwvlak en een functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie'.
Ook gelden er een aantal bouwregels ten behoeve van herbouw. Herbouw mag uitsluitend plaatsvinden op de locatie van de bestaande woning. Voor het bouwen van woningen is vastgesteld dat de inhoud maximaal 750 m³ mag bedragen. Daarnaast dient de goothoogte maximaal 3,5 meter te bedragen en is de bouwhoogte vastgesteld op maximaal 8 meter.
Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 1 en 2'
De voor 'Waarde – Archeologische verwachting 1 en 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de ander daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. De bestemming archeologie wordt verder toegelicht in paragraaf 4.3.
Figuur 3: uitsnede van het bestemmingsplan "Buitengebied Oude IJsselstreek 2017" (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)
Doorwerking plangebied
De gewenste ontwikkeling is in strijd met bestemming 'Wonen' (artikel 24). Op basis van de bestemmingsomschrijving is het ontwikkelen van twee extra woningen in strijd met de gebruiksmogelijkheden van artikel 24. Het is immers niet toegestaan om meer dan één woning per bouwvlak te realiseren. Daarnaast is het planinitiatief eveneens in strijd met het bestemmingsplan, doordat het bestaande bouwvlak wordt overschreden. Dit resulteert in een overschrijding van de vastgestelde bouwmogelijkheden binnen het huidige planologische kaders. Het planinitiatief is daarmee in strijd met de gebruiks- en bouwactiviteiten behorende bij de bestemming 'Wonen'.
Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Dit is voor aanvragen van een omgevingsvergunning zelfs wettelijk vastgelegd in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. In dit artikel staat dat een initiatiefnemer bij een aanvraag omgevingsvergunning dient aan te geven of inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. In de voorbereidingsfase van een wijziging van het omgevingsplan wordt deze lijn doorgetrokken. De formele wettelijke procedures (zienswijze en beroep) worden niet vervangen door participatie. Deze formele wettelijke procedures worden in hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
Op 16 december 2021 heeft de raad ingestemd met het Participatiebeleid waarin de visie wordt beschreven van de gemeente Oude IJsselstreek op participatie. Dit heeft tot gevolg dat in de voorbereidingsfase (in veel gevallen al bij het indienen van een principeverzoek) bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen een participatieplan wordt opgesteld. Op https://www.oude-ijsselstreek.nl/participatiebeleid kan meer informatie worden gevonden over het participatiebeleid en wordt in een video (https://youtu.be/ehkVujGnxyo) uitleg gegeven over het participatiebeleid.
Als participatie in de voorbereidingsfase wordt toegepast dan dient daar een participatieplan aan ten grondslag te liggen. Bij het opstellen van een participatieplan kan de participatiecoach van de gemeente meedenken. In het participatieplan wordt in ieder geval op de volgende onderwerpen ingegaan:
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en nieuwe situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst of het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het planinitiatief wordt getoetst aan de beleidskaders en gestelde instructieregels van het Rijk, de provincie en het gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse milieu- en omgevingsaspecten en onderbouwd op welke manier de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet uiteengezet. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het planinitiatief.
Het plangebied omvat drie gebouwen. In het oosten van het plangebied is het reeds bestaande woonhuis gesitueerd (zie figuur 5), in het zuiden een verbouwde schuur die als groepsaccommodatie dient (figuur 6) en in het westen staat een kapschuur (zie figuur 7). Het erf rondom het woonhuis is groen ingericht, terwijl de grond rondom de verbouwde schuur verhard is. Het perceel wordt verder aan alle zijden, met uitzondering van de oostzijde, begrensd door bomen.
Figuur 4: plattegrond bestaande situatie (bron: Pdok)
Figuur 5: het bestaande woonhuis
Figuur 6: zicht op het erf met in het midden de reeds verbouwde schuur
Figuur 7: de bestaande kapschuur aan de noordzijde
In de toekomstige situatie wordt het perceel zodanig heringericht dat de bestaande groepsaccommodatie in het zuiden wordt omgevormd tot een woning, en ook de kapschuur in het westen wordt verbouwd tot woning (zie figuur 8 & 9). Hiermee ontstaan uiteindelijk drie woningen, waarbij het perceel kadastraal wordt opgesplitst in drie afzonderlijke percelen. De inrichting van de nieuwe woningen volgt de huidige bebouwingscontouren, zodat de historisch gegroeide situatie en de ruimtelijke structuur vrijwel ongewijzigd blijven. Voor de meest zuidelijke woning is geen extra berging nodig, aangezien een inpandige berging reeds aanwezig is. In de huidige kapschuur wordt een woning gerealiseerd in de categorie 750 m3 met mogelijkheid van 150 m2 aan bijgebouwen ten behoeve van berging. Ook de bestaande woning wordt uitgebreid met een nieuwe berging.
De drie woningen worden ontsloten via de bestaande in- en uitrit van de bestaande woning. De andere in- en uitrit wordt opgeheven. Hierdoor is er sprake van een één-erf-gedachte. De uitstraling en materialisatie van de nieuwe woning sluiten naadloos aan bij de definitieve vormgeving van de zuidelijke schuur, met als uitgangspunt het karakter van een schuurwoning.
Voor de landschappelijke inpassing blijft de bestaande groenvoorziening behouden en wordt deze zelfs verder uitgebreid. Er wordt een aanzienlijk deel van de verhardingen verwijderd, zodat er extra ruimte ontstaat voor groen. In dit kader worden onder andere knip- en scheerhagen, struweelranden en een landschappelijke beplanting in de vorm van een houtsingel langs de erfgrens geïntegreerd. Tevens worden solitaire erfbomen toegevoegd om het kleinschalige karakter van het landschap te versterken. Zie Bijlage 1 voor het volledige inpassingsplan en figuur 8 voor een schets van het landschappelijke inpassingsplan ter illustratie van deze integrale aanpak.
Figuur 8: doorsnede inpassingsplan
Figuur 9: woning in huidige kapschuur
Figuur 10: omgevormde woning in huidige schuur en woning in bestaande kapschuur
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.
De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij de provincies, gemeenten en waterschappen. Inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter te kunnen maken.
Ingrepen in de leefomgeving kunnen niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn:
1. ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
2. duurzaam economisch groeipotentieel;
3. sterke en gezonde steden en regio's;
4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Doorwerking plangebied
De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau. De ontwikkeling valt derhalve buiten de werking en doelstelling van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Gelijktijdig zal de ontwikkeling ook geen rijksbelangen in de weg staan.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die invulling geven aan de Omgevingswet en bieden het juridisch kader voor maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Besluiten die geheel over zijn gegaan naar het Besluit kwaliteit leefomgeving is bijvoorbeeld het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat ook de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. Waar voorheen dergelijke regels in een groot aantal wetten, AMvB's en ministeriële regelingen verspreid stonden, zijn ze samengebracht in één hoofdstuk.
Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Er mag alleen een vergunning worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Daarnaast gelden de beoordelingsregels uit artikel 8.0b en 8.0e van het Bkl.
In afdeling 5.1 van het Bkl zijn instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties opgenomen zoals:
In afdeling 5.2 van het Bkl zijn de instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving opgenomen zoals:
Doorwerking plangebied
In hoofdstuk 4 van voorliggende motivering wordt getoetst aan de instructieregels die in afdeling van 5.1 van het Bkl worden genoemd. Hier wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling van het beoogde planinitiatief bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er behoefte aan stedelijke ontwikkeling is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Hiervoor is de instructieregel Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld (paragraaf 5.1.5.4 van Bkl). Artikel 5.129g bevat regels over zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor de volledigheid is artikel 5.129g hieronder opgenomen.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
In artikel 5.129g is niet aangegeven bij hoeveel woningen er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Bij de realisatie van 11 woningen of minder is er geen sprake van stedelijke ontwikkeling (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Indien de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is dient er wel aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden getoetst.
Alhoewel deze jurisprudentie tot stand is gekomen onder de voorgaande wetgeving is er geen reden om aan te nemen dat deze niet toepasbaar is onder de Omgevingswet.
Doorwerking planinitiatief
Het planinitiatief om twee schuren om te vormen tot woningen betreft geen stedelijke ontwikkeling omdat er minder dan 11 woningen worden gerealiseerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daardoor niet doorlopen te worden. Artikel 5.129g van het Bkl heeft verder geen doorwerking op het initiatief.
In het Besluit activiteiten leefomgeving staan regels van het rijk voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Tevens staat vermeld voor welke activiteiten een meld- of vergunningplicht geldt. Met het inwerking treden van de Omgevingswet wordt het begrip 'inrichting' vervangen door milieubelastende activiteit. Ingevolge de Begripsbepalingen (artikel 1.1 van de Omgevingswet) wordt met een milieubelastende activiteit het volgende bedoeld:
“activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.”
In hoofdstuk 3 van de Bal is per bedrijfstak aangegeven welke activiteiten als milieubelastend moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 5.1 lid 2 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij AMvB aangewezen geval. In hoofdstuk 4 en 5 van het Bal staan de inhoudelijke regels die gelden voor de milieubelastende activiteit. Naast de rijksregels kunnen er ook decentrale regels gelden voor milieubelastende activiteiten. Deze kunnen in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapverordening zijn opgenomen.
In de Bal worden verder nog regels opgesteld voor de volgende activiteiten:
Doorwerking plangebied
Het planinitiatief betreft geen activiteit zoals genoemd in hoofdstuk 3 van de Bal, derhalve is geen omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist en geldt er ook geen informatie- of meldingsplicht op grond van het Bal.
Het omgevingsbeleid van Gelderland is vorm gegeven in de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (vastgesteld 19-12-2018). In dit document zijn de opgaven en kansen waar de provincie Gelderland voor staat vertaald in centrale beleidsambities voor zeven beleidsthema's. Hierbij gaat het om de volgende ambities:
Doorwerking plangebied
De ontwikkeling draagt bij aan de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland door bestaande landschappelijke kwaliteiten te behouden en duurzaam in te spelen op woonbehoeften. Zowel de groepsaccommodatie als de kapschuur worden omgevormd tot woning, waardoor er drie woningen ontstaan die de huidige bebouwingscontouren respecteren. Tegelijkertijd wordt de verharding beperkt ten gunste van extra groen, wat de kwaliteit van de leefomgeving versterkt.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het planinitiatief aansluit op de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
De omgevingsverordening Gelderland is in werking sinds 22 november 2024 en daarmee een actueel document. In de provinciale Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgesteld waarmee invulling, wordt gegeven aan het omgevingsbeleid en de omgevingsvisie. Dit kunnen regels betreffen voor overheden, initiatiefnemers, bedrijven en inwoners. Deze regels geven de kaders waarbinnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving plaats kunnen vinden. De verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd.
Op basis van 'regels op de kaart' van het Omgevingsloket worden drie gebiedsaanwijzingen aangeduid:
Naast de gebiedsaanwijzingen gelden er voor de volgende onderwerpen provinciale instructieregels:
Bij de instructieregels met betrekking tot de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking zijn de woonlocaties en specifiek de doorwerking van de Regionale woonagenda (artikel 5.64) van belang, zodat een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad in Gelderland wordt gewaarborgd. Het legaliseren van de woning binnen de planlocatie is passend binnen de Regionale woonagenda, zoals in de volgende paragraaf (Regionaal beleid) van deze ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd.
Tot slot moet op basis van de instructieregel klimaatadaptie (paragraaf 5.7.6) een omgevingsplan wat een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving van deze aspecten voor de planlocatie aan de Engbergseweg 1a te Voorst is te vinden in paragraaf 4.9 Water en klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de klimaatatlas.
Doorwerking plangebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek 'Achterhoek'. De Achterhoek is een regio met een rijke, authentieke identiteit waarin historische landgoederen een prominente rol spelen. Deze landgoederen, vaak gekenmerkt door statige woningen, oprijlanen en oude tuinen, vormen samen met omliggende open agrarische landschappen een integraal onderdeel van het culturele erfgoed. Daarnaast kenmerken pittoreske dorpen, monumentale Hanzesteden en een netwerk van beken en rivieren het beeld van de streek. Het planinitiatief sluit aan bij het ontwikkeldoel om historische landgoederen en hun karakteristieke structuren te behouden en te versterken. Door de oorspronkelijke bebouwingscontouren te respecteren en bestaande elementen functioneel te integreren, blijft de authentieke uitstraling van deze ruimtelijke eenheden behouden.
Conclusie
De Omgevingsverordening Gelderland zal geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.
De woningmarkt in de Achterhoek is de afgelopen jaren fors aangetrokken. Momenteel staat de woningmarkt in de regio onder een groeiende druk en zijn de woningtekorten hoog. Met name voor jonge huishoudens, starters, ouderen, arbeidskrachten en aandachtsgroepen geldt dat er een grote behoefte is aan meer betaalbare woningen op de Achterhoekse woningmarkt.
De regio heeft de ambitie om 11.500 extra woningen te realiseren in de Achterhoek. Hiermee wordt de woningvoorraad flink en versneld uitgebreid. De regionale productie lag de afgelopen jaren gemiddeld op circa 600 woningen netto per jaar. De regio streeft ernaar dit aantal te verdubbelen naar ruim 1.200 woningen per jaar.
De gemeente Oude IJsselstreek wil tot en met het jaar 2030 1.500 woningen realiseren. Van deze woningen zullen 450 vallen binnen de sociale huursector en daarnaast is het doel om 75 huurwoningen met een sociale huurgrens tot € 1.000 per maand te realiseren. Verder moeten 484 van de koopwoningen vallen binnen de betaalbaarheidsgrens van € 355.000. Dit leidt tot een woningaanbod met 1009 betaalbare woningen en derhalve 491 koopwoningen in de vrije sector.
Doorwerking plangebied
Het planinitiatief sluit aan bij de doelstellingen van de regionale woonagenda voor de Achterhoek. Hoewel de drie woningen in de vrije sector vallen, dragen zij bij aan de uitbreiding van de woningvoorraad. Met de realisatie van deze extra woningen wordt de ambitie om 11.500 extra woningen in de regio te realiseren verder ondersteund, wat bijdraagt aan de verhoging van de jaarlijkse nieuwbouwproductie tot ruim 1.200 eenheden in onze regio.
De zeven Achterhoekse gemeenten hebben samen met de woningcorporaties en de provincie onder het motto 'Alleen ga je sneller, samen kom je verder', een gezamenlijke visie op het wonen in de Achterhoek neergelegd voor de periode 2010-2020. De ambitie van de regio Achterhoek luidt daarbij als volgt:
De grootste opgave is het realiseren van een omslag in denken: van decennia van groei van de bevolking naar stabilisatie en uiteindelijk krimp. De woningvoorraad wordt maximaal afgestemd op de veranderende lokale vraag van woningzoekenden. De locatie en woonomgeving zijn essentiële kwaliteitskenmerken waarop de Achterhoek zich kan onderscheiden. Centrumplannen voor de grotere kernen dragen bij aan vitale kernen en voegen hiermee kwaliteit toe aan de regio. Deze plannen krijgen prioriteit. Grootschalige uitlegplannen passen niet bij een situatie van krimp.
Doorwerking plangebied
De Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 gaat uit van krimp in de regio. Recenter onderzoek toont echter aan dat er wel een actuele vraag is naar meer woningen en dat er van krimp geen sprake meer is. Desalniettemin is dit beleidsstuk opgenomen, omdat deze onderdeel is van het geldende beleid.
Met onderhavig initiatief is sprake van een plan dat bijdraagt aan een toevoeging van twee wooneenheden welk kwalitatief onderscheidend zijn door hun unieke locatie op een beschut erf tussen de agrarische landschappen. De ontwikkeling vindt daarmee aansluiting bij de regionale structuurvisie.
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.
Doorwerking plangebied
Het initiatief draagt bij aan de doelstellingen van de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 door achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving tegen te gaan. Door de bestaande schuren opnieuw te ontwikkelen en een functiewijziging door te voeren, wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd en blijft het erf op een duurzame manier in gebruik. Hiermee sluit het plan aan op het uitgangspunt 'de juiste woning op de juiste plek' en draagt het bij aan een toekomstbestendige invulling van het gebied, in lijn met het gemeentelijke beleid.
De toekomstvisie is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien.
De gemeente zet de komende jaren in op het benutten van alle kansen die de Oude IJssel als zone biedt. Het gebied op en rondom de rivier kan een vliegwiel zijn voor toerisme en recreatie, bedrijvigheid, klimaatvraagstukken en wonen.
Een bloeiende en concurrerende lokale economie heeft een aanzuigende werking op mensen en kapitaal waarmee demografische ontwikkelingen kunnen worden gekeerd en wonen een boost krijgt. Drie duidelijke clusters dragen bij aan een robuust economisch systeem. Werken op De Rieze, innoveren op het DRU Industriepark en innovatieve en hightech maakindustrie rond Varsseveld. Gemeente Oude IJsselstreek zet zich daarmee de komende jaren nog beter op de kaart en zet in op het ontwikkelen van het nieuwe Varsseveld Industriepark (het VIP).
Het agrarisch buitengebied is een belangrijke en karakteristieke pijler in de gemeente. De landbouwsector is voor de gemeente als plattelandsgemeente een cruciale sector, zowel qua economische omvang als qua ruimtebeslag in het buitengebied. Het platteland zal zich het komende decennium ontwikkelen tot een multifunctioneel buitengebied.
In de gemeente vinden ontwikkeling plaats op vele fronten, van woningbouw tot het ontwikkelen van industrie en bereikbaarheid. Bij al die ontwikkelingen wordt er optimaal gebruik gemaakt van de meest duurzame en nieuwste vormen van energie. De gemeente wil energieneutraal zijn in 2030.
Van de Slangenburg tot de Vennebulten en van het Zwarte Veen tot de Anholtse bossen vormen landgoederen, oude bossen en natuurgebieden een groene parelketting door Oude IJsselstreek. De opgave 'Groene Parels' zet in op het verder versterken van dit karakteristieke landschap.
Oude IJsselstreek is de plek waar mensen zich kunnen ontplooien, gezond kunnen leven en regie op hun eigen leven hebben. In de basis benutten de gemeente vooral de kracht van de maatschappij om een plek te maken waar mensen hun leven lang fijn en gezond kunnen wonen. Om de kracht uit de samenleving optimaal te benutten worden er voldoende aanleidingen voor ontmoeting, duurzaam gedrag, leren, spel en bewegen geboden.
Vanaf de eerste gesprekken is duidelijk geweest dat de Toekomstvisie een levend document moet zijn. Er zullen zich tal van zaken voordoen die de gemeente dwingen deze Toekomstvisie bij te stellen. Hobbels en beren op de weg, maar juist ook kansen, versnellingen en innovaties. Om in de Toekomstvisie ook letterlijk de ruimte te geven om in te springen op nieuwe ontwikkelingen heeft de gemeente 'Het Witte Vel' vanaf het begin eraan toegevoegd. Een nog blanco hoofdstuk dat symbool staat voor de prachtige onzekerheid van de toekomst en al het moois dat daaruit voort gaat komen.
Doorwerking plangebied
Dit initiatief sluit aan bij de Toekomstvisie van de gemeente Oude IJsselstreek door bij te dragen aan een vitaal platteland en het versterken van het karakteristieke landschap. Door herontwikkeling van bestaande schuren tot woningen wordt leegstand en verval tegengegaan, wat bijdraagt aan een kwalitatief hoogwaardig en multifunctioneel buitengebied. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing, met extra groen en behoud van bestaande structuren, bij aan de ambitie om de 'Groene Parels' in de gemeente te versterken. Hiermee ondersteunt het plan een toekomstbestendige en duurzame ontwikkeling van het buitengebied, in lijn met de bredere ambities van de gemeente.
De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn:
Doorwerking plangebied
Dit initiatief sluit aan bij de Woonvisie 2018 van de gemeente Oude IJsselstreek door bij te dragen aan de versterking en kwaliteit van de woningvoorraad. De transformatie van bestaande bebouwing naar hoogwaardige woonruimte draagt bij aan waardebehoud en een toekomstbestendige woonomgeving.
De (regionale) 'Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek' zijn in september 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. De lokale kwaliteitscriteria zijn een aanvulling en zijn vastgesteld door de gemeenteraad in februari 2020. Deze Kwalitatieve toetsingscriteria zijn ook door de overige Achterhoekse gemeenteraden vastgesteld en zijn aanvullend op de eerder in de Regionale Woonagenda 2015-2025 gemaakte afspraken.
De Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw zijn mede gebaseerd op de aanbevelingen uit het meest recente Achterhoekse Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek (AWLO) van 2017. Binnen de Kwalitatieve toetsingscriteria zijn drie (hoofd)criteria benoemd waaraan woningbouwplannen in ieder geval moeten voldoen:
Doorwerking plangebied
Dit initiatief sluit aan bij de lokale kwaliteitscriteria voor woningbouw in Oude IJsselstreek door bij te dragen aan de aangetoonde woningbehoefte binnen de regio. De herontwikkeling blijft binnen de bestaande bebouwingscontouren, waardoor geen onnodige uitbreiding plaatsvindt en het plan aansluit bij het principe dat inbreiding voor uitbreiding gaat.
De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving.
Doorwerking planinitiatief
Met het planinitiatief wordt de landschappelijke inpassing van de planlocatie verder versterkt, wat aansluit bij het gewenste toekomstbeeld van de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen.
Op 18 januari 2022 is de klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken.
De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema's:
Doorwerking planinitiatief
Dit initiatief sluit aan bij de Klimaatagenda 2022-2026 van de gemeente Oude IJsselstreek door bij te dragen aan een klimaatbestendige ruimtelijke ontwikkeling. De herinrichting van het perceel omvat de vermindering van verharding en de toevoeging van groen, wat helpt bij het verbeteren van de waterinfiltratie en het tegengaan van wateroverlast en droogte. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing, waaronder de aanplant van houtsingels en solitaire bomen, bij aan het verminderen van hittestress en het versterken van de ecologische structuur. Hiermee wordt het plangebied toekomstbestendig ingericht, in lijn met de ambities van de gemeente op het gebied van klimaatadaptatie.
Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld.
Doorwerking plangebied
Voor de aanpassingen aan de woning is een omgevingsvergunning bouwen benodigd, waarbij tevens toetsing aan de Welstandsnota plaatsvindt. Het plangebied is gelegen binnen welstandsniveau 2. Thema 4 (overige woningen) en thema 2 (overige erven) zijn van toepassing. Het landschap overheerst het beeld van het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek. Bebouwing in het buitengebied heeft een historische en/of actuele relatie met de functie van het landschap. Bebouwing in het buitengebied is geclusterd op kleinere en grotere bouwpercelen, die verspreid in het landschap voorkomen. Per bouwperceel zijn meerdere gebouwen gegroepeerd op een erf. Bebouwing en erfinrichting vormen met elkaar een samenhangend beeld. Voorliggend initiatief sluit aan bij het beeld van het buitengebied in de gemeente.
Het uitnodigingskader schetst de kaders waarbinnen stoppende agrariërs worden gesitumuleerd om vrijgekomen gebouwen te slopen en daarvoor gecompenseerd te worden door een extra woning te mogen bouwen. Het doel van het uitnodigingskader is te voorkomen dat buiten gebruik geraakte gebouwen vervallen en/of op een ongewenste manier gebruikt worden en daarmee de kwaliteit van het buitengebied achteruit gaat. Ook kan hiermee invulling worden gegeven aan de woonwensen van mensen die zich verbonden voelen met het buitengebied.
Het creëren van ontwikkelruimte werkt via een puntensystem. De punten kunnen worden toegekend door:
Doorwerking plangebied
In voorliggende ontwikkeling vindt geen sloop plaats: de bestaande gebouwen worden omgebouwd tot woningen. Wel wordt geïnvesteerd in het toevoegen / terugbrengen van landschapselementen. In totaal betreft dit 200 m2 aan bomen, 525 m2 aan houtwal of houtsingel, 35 m2 aan struweelrand en 80 m2 aan knip- of scheerheg. In totaal wordt er 840 m2 aan landschapselementen aangebracht. Dit levert 8 punten aan ontwikkelruimte op. Op grond van het Omgevingsplan zijn bij de woningen al bijbehorende bouwwerken toegestaan. De punten zijn niet nodig om in te zetten ten behoeve van ontwikkelruimte. In het plan wordt wel rekening gehouden met het terugbrengen van de landschapselementen, hetgeen in lijn is met het doel van het uitnodigingskader.
De overige ontwikkelpunten zijn afkomstig van een drietal andere locaties:
Het gemeentelijk beleid staat de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet in de weg.
Wet- en regelgeving
Paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl bevat instructieregels over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tevens is een woonschip of een woonwagen ook aangemerkt als een bodemgevoelig gebouw. Een uitzondering is een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 dit wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw.
Artikel 5.89i van het Bkl bepaalt de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Artikel 5.89ka bepaalt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een toelaatbare waarde. Tevens bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Doorwerking plangebied
Met de toevoeging van wonen is er sprake van uitbreiding van een bodemgevoelige functie. Zodoende is het van belang om aan te tonen dat er een toelaatbare bodemkwaliteit ter plaatse is. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit in overeenstemming is met de beoogde (bodemgevoelige) functie is door Montferland Milieu B.V. op 3 september 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige bodemonderzoek is te vinden als Bijlage 2 van voorliggende motivering.
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse toelaatbaar is voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het veldonderzoek zijn geen visuele of geurindicaties waargenomen die duiden op bodemverontreiniging. In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PCB en lood vastgesteld, terwijl in de ondergrond een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is aangetroffen. Dit verhoogde gehalte vormt echter geen risico voor het beoogde gebruik als wonen met tuin, mits bij eventuele grondverzetwerkzaamheden de verschillende kwaliteiten grond gescheiden worden ontgraven volgens het Besluit bodemkwaliteit.
Het grondwater bevat een lichte verontreiniging met koper, maar in geen van de geanalyseerde parameters zijn waarden vastgesteld die aanleiding geven tot nader onderzoek of interventie. De aangetroffen verontreinigingen blijven binnen de achtergrond- en streefwaarden, wat duidt op enkel lichte, natuurlijke verontreinigingen zonder significante milieu hygiënische risico's. De eerder opgestelde hypothese dat een voormalige bovengrondse dieseltank als verdacht moest worden beschouwd, is verworpen. Formeel wordt de locatie nog steeds als verdacht aangemerkt, maar de geringe verhogingen in grond en grondwater zijn niet significant.
Daarnaast is bij het verkennend asbestonderzoek geen asbest aangetroffen, zowel niet in de bodem als in de grove of fijne fractie. Het mengmonster blijft onder de grenswaarde voor nader onderzoek, waardoor aanvullende asbestonderzoeken niet noodzakelijk zijn. De hypothese dat een druppelzone als verdacht op asbest moest worden beschouwd, is eveneens verworpen.
Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van ernstige bodem- of grondwaterverontreiniging. Vanuit milieukundig oogpunt zijn er dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, en wordt de bodem geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de vervallen Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De huidige juridische basis in de Nederlandse wetgeving wordt gevormd door de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) en de Omgevingswet. De Omgevingswet en de Erfgoedwet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed. De Erfgoedwet en Omgevingswet worden daarmee complementair aan elkaar.
De onderdelen van de vervallen Monumentenwet 1988 die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving zijn naar de Omgevingswet overgeheveld. De Omgevingswet is van groot belang voor het cultureel erfgoed, omdat daarin een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed en de fysieke leefomgeving is geborgd. De grondslag van de Omgevingswet is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. Voorts heeft de bescherming van (archeologische) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen een belangrijke plek gekregen in de Omgevingswet. De aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten is naar de Omgevingswet overgeheveld (artikel 2.34, lid 4 van de Ow). Het belang van de bescherming van stads- en dorpsgezichten is en blijft hiermee geborgd.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 Bkl ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Doorwerking plangebied
Archeologie
Volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 1 en 2'. Lid 36.2.1 luidt dat de aanvrager van een omgevingsvergunning dient een inventariserend veldonderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, in de aanvraag betrekking leidt tot grondroerende werkzaamheden van 1.000 m2 of meer en dieper dan 0,3 meter onder peil. Echter is het bepaalde in voorgaand lid niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is.
Om aan te tonen dat er geen tot lage archeologische verwachtingen zijn is er door Econsultancy op 11 maart 2022 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 3
Op basis van het onderzoek blijkt dat het plangebied buiten het rivierduinenlandschap ligt en bestaat uit kalkloze poldervaaggrond met een pakket overstromingsklei tot gemiddeld 120 cm -mv. Deze bodemopbouw wijst op natte tot zeer natte condities in het verleden, wat ongunstig was voor bewoning en menselijke activiteiten. In het opgeboorde materiaal zijn geen archeologische indicatoren of door de mens gevormde cultuurlagen aangetroffen. De eerder gestelde hoge en middelhoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek wordt daarom bijgesteld naar geen verwachting. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen en daarmee geen belemmeringen voor de voorgenomen bodemingrepen.
Als er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen, dan wordt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 zo spoedig mogelijk melden te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Cultuurhistorie
De bestaande bebouwing in het plangebied zijn niet aangemerkt als rijks-, dan wel gemeentelijk monument, derhalve vormt het omvormen van de schuren tot woning geen belemmering. Daarnaast bevinden zich in het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische elementen.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Gebiedsbescherming
Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit. In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator.
Soortenbescherming
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Doorwerking plangebied
Onderhavige ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling die de mogelijke aanwezige flora en fauna kan aantasten. Het planinitiatief betreft de realisatie van twee woningen in bestaande schuren en de bouw van enkele bijgebouwen. Het projectgebied maakt echter geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er is door Foreest Groen Consult B.V. op 17 juni 2025 een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd, onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 4.
Gebiedsbescherming
Natuur Netwerk Nederland(NNN)
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Delen van het Gelders natuurnetwerk liggen op circa 20 meter afstand van het plangebied. Het Gelders natuurnetwerk kent geen externe werking, waardoor dit geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.
Natura 2000-gebied
Het plangebied bevindt zich op circa 16,4 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gezien de geruime ligging tot Natura 2000-gebieden en de zeer beperkte bouwwerkzaamheden en de zeer beperkte toename aan verkeersbewegingen in de nieuwe situatie, kan op voorhand gesteld worden dat de toename aan stikstofemissies als gevolg van dit initiatief verwaarloosbaar klein zal zijn, zodat nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten zijn.
Het plangebied ligt op circa 4 kilometer afstand van Duitse stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het Duitse stikstofbeleid verschilt echter van het Nederlandse: volgens de Duitse overheid is geen sprake van een negatief effect van stikstof op Natura 2000 indien de toename in depositie lager is dan 7 mol/N/jaar. Gezien de kleine omvang van het planinitiatief en de afstand tot de Duitse Natura 2000-gebieden kan op voorhand al gesteld worden dat nadelige effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten zijn.
Houtopstanden
Bij de ontwikkeling gaan geen houtopstanden verloren.
Soortenbescherming
Op basis van het uitgevoerde ecologisch onderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot soortenbescherming. Binnen het plangebied zijn geen beschermde planten aangetroffen en de aanwezige vegetatie biedt geen geschikt leefgebied voor beschermde flora. Voor zoogdieren geldt dat de steenmarter en wezel mogelijk gebruikmaken van de omliggende beplanting, maar aangezien deze behouden blijft, ontstaan er geen negatieve effecten op deze soorten. Ook voor amfibieën, reptielen, vlinders en andere ongewervelden is het plangebied niet van ecologisch belang.
Daarnaast zijn er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de gebouwen of bomen binnen het plangebied, en blijven de bestaande foerageergebieden en vliegroutes behouden. Voor broedvogels geldt dat de aanwezige beplanting buiten het plangebied niet wordt aangetast en dat de transfomatie van de schuren tot woning geen effect heeft op gebouw bewonende vogelsoorten.
Gezien deze bevindingen wordt geconcludeerd dat de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overtreden en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Geluid door activiteiten
Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan.
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw is een:
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Met het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied dient er altijd rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarden en grenswaarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl).
De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl).
Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl).
Ten slotte voor andere gebouwen – dan geluidgevoelig gebouw – of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Doorwerking plangebied
Geluid van activiteiten
Er is geen onderzoek naar geluid door activiteiten uitgevoerd. In de directe omgeving vinden geen bedrijfsmatige activiteiten of andere relevante activiteiten plaats die kunnen leiden tot een overschrijding van de geluidsnormen, waardoor de kans hierop gering is.
Geluid van industrieterreinen
De planlocatie is niet gelegen binnen een zone of geluidaandachtsgebied voor industrielawaai. Zodoende zal het aspect geluid van industrieterreinen geen belemmering vormen.
Geluid van wegen en spoorwegen
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het wegverkeerslawaai van de Engbergseweg op de gevels van de geplande woningen grotendeels binnen de vastgestelde normen blijft (zie Bijlage 5). Bij de zuidelijke woning wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden aan de zuidoost- en zuidwestgevels, met een maximale gevelbelasting van 58 dB. Voor de nieuwe woning in de bestaande kapschuur (westelijke woning) worden de grenswaarden niet overschreden.
Omdat maatregelen om de geluidbelasting te verlagen naar 53 dB verkeerskundig, financieel en stedenbouwkundig niet haalbaar zijn, is het realistisch om voor de zuidelijke woning een hogere waarde van 58 dB toe te staan. Wel moet aanvullend onderzoek aantonen dat het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt gewaarborgd. Hiervoor zijn extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk, die nader worden onderzocht in een gevelweringsonderzoek. Het gevelweringsonderzoek wordt bij de aanvraag 'omgevingsvergunning onderdeel bouwen' aangeleverd.
Op basis van deze conclusies vormt het wegverkeerslawaai geen belemmering voor de ontwikkeling, mits de benodigde geluidwerende maatregelen worden getroffen.
De planlocatie is niet gelegen binnen een zone of geluidaandachtsgebied voor spoorwegen. Zodoende zal het aspect geluid van spoorwegen geen belemmering vormen.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden.
Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies.
Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl). In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ìg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl).
Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
Doorwerking plangebied
Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Desondanks is voor onderhavig plangebied de luchtkwaliteit ter plaatse getoetst aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Er is daarbij uitgegaan van de volgende grenswaarden voor stikstofoxide en fijnstof:
Tabel 1: grenswaarde luchtkwaliteit
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| Stikstofoxide (NO2) | Jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
| Uurgemiddelde concentratie | Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3 | |
| Fijnstof (PM10) | Jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m3 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 | |
| Fijnstof (PM2,5) | Jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m3 |
Gekeken naar het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen aan de N317 ten noorden van het plangebied zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 gelegen onder de grenswaarden. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is daarbij ook minder dan de grens van 35 dagen. Gekeken naar de jaargemiddelde concentratie PM2,5 op dezelfde punten wordt duidelijk dat ook deze onder de grenswaarde van 25 µg/m3 ligt. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Daarnaast behoort de realisatie van de beoogde ontwikkeling tot de categorie gevallen dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Om de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 te berekenen, heeft de overheid een tool ontwikkeld. Deze is hieronder ingevuld op basis van de te verwachten verkeersgeneratie. De verwachtte verkeersgeneratie bedraagt 17 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 4.10 Mobiliteit en parkeren voor de berekening). Bij het invullen van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de ontwikkeling niet in betekenende mate is.
Figuur 11: worst-case berekening luchtkwaliteit
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Doorwerking plangebied
Ten noordwesten van het plangebied is een boerderij gelegen op 125 meter afstand. Het plangebied heeft reeds de functie 'wonen', hierdoor zal de bedrijfsvoering van de boerderij niet ingeperkt worden door de toevoeging van twee woningen. Andersom geldt dat het plangebied al aangemerkt is als geurgevoelige functie, er zal hierdoor geen nieuwe geurgevoelige worden ontwikkeld. De beoogde ontwikkeling maakt eveneens geen ontwikkeling mogelijk die geurhinder veroorzaakt. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Milieubelastende activiteiten zijn activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactivitieit. Beoordeeld moet worden of een nieuwe milieubelastende activiteit mogelijk wordt gemaakt en, zo ja, op welke manier de omgevingskwaliteit geborgd kan worden.
Doorwerking plangebied
Binnen het plangebied wordt enkel een woonfunctie toegestaan. Er is geen spake van een milieubelastende activiteit. Hinder op de omgeving kan worden uitgesloten.
Conclusie
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus:
De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen.
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek.
verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Groepsrisico en aandachtsgebieden
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden:
Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Doorwerking plangebied
Zoals hierboven is aangeven zijn er drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen. Hiervoor is gekeken onder meer naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is; de aanwezigheidsduur van personen; en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Gebouwen die als woonfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie 'kwetsbare gebouwen en locaties'.
In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig (zie ook figuur 12):
Figuur 12: uitsnede risicokaart, plangebied ter hoogte van blauwe bol met 'i' (bron: Atlasleefomgeving)
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Waterwet
De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet.
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:
De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De 'weging van het waterbelang', voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan.
Waterschap Rijn en IJssel
Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap is daarmee verantwoordelijk voor het opstellen van regels en leggers die betrekking hebben tot het water. Hierin wordt geregeld op welke wijze men schade aan dijken en oevers dient te voorkomen hoe watertekorten, wateroverlast en watervervuiling voorkomen worden, maar stelt ook regels over waar wel en niet gebouwd mag worden langs of nabij wateren en waterstaatswerken.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's:
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Water- en Rioleringsprogramma Oude IJsselstreek 2024-2028
De gemeente Oude IJsselstreek beschikt over een goed onderhouden rioolstelsel dat zorgt voor de afvoer van afval- en hemelwater. Waar mogelijk heeft een gescheiden rioleringsstelsel de voorkeur, zodat schoon regenwater direct in het oppervlaktewater of de bodem kan infiltreren. Dit vermindert de belasting op het rioolsysteem en helpt wateroverlast te voorkomen. Daarnaast zet de gemeente in op klimaatadaptieve maatregelen, zoals het beter verwerken van regenwater, om de riolering toekomstbestendig te maken.
Doorwerking plangebied
Riolering
Het onderhavig planinitiatief maakt gebruik van de reeds aanwezige riolering in het plangebied. De benodigde rioleringsinfrastructuur is al aanwezig en zal in het verdere ontwikkelingsproces integraal worden benut. Tegelijkertijd zal het hemelwater echter losgekoppeld worden van het bestaande stelsel, om te voorkomen dat het regenwater het rioolstelsel verder belast. Door het hemelwater afzonderlijk af te voeren, kan de rioleringsdruk verminderd worden en wordt een duurzamer waterbeheer gerealiseerd.
Watercompensatie
Vanwege de afname van het totale verhard oppervlak in het plangebied, is er geen watercompensatie nodig. Namelijk, op dit moment is het gehele voorste deel van het perceel verhard; in de toekomst zal dit groen worden ingericht. Het planinitiatief resulteert in een vermindering van het aantal vierkante meters verharding, waardoor de belasting op het waterbeheer wordt verlaagd.
Klimaatadaptatie
Hemelwateroverlast
Figuur 13 en 14 geven een indicatie van maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag: buien waarbij 70mm neerslag valt in 2 uur en 140 mm neerslag in 2 uur. Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 100 jaar respectievelijk eens per 1.000 jaar voor. Door klimaatverandering kunnen die kansen aan het einde van de eeuw twee keer zo groot zijn.
Figuur 13 toont de waterdiepte die optreedt bij een hevige bui van 70 mm in 2 uur. Rond de huidige kapschuur en ten zuiden van de woning treed een waterophoping op van maximaal 30 centimeter.
Figuur 13: uitsnede plangebied, waterdiepte bij 70 mm/2 uur (bron: Klimaateffectatlas)
Figuur 14 laat de waterdiepte zien bij een hevige regenbui van 140mm per 2 uur. In een groot gedeelte van het plangebied treedt waterophoping op. De waterophoping varieert voornamelijk tussen de 5 en 30 cm. Op sommige plekken treedt echter een waterophoping van meer dan 30 centimeter op.
Figuur 14: uitsnede plangebied, waterdiepte bij hevige bui 140 mm/2 uur (bron: Klimaateffectatlas)
Voor het gehele plangebied geldt dat er ruimte voor water in de grond is tussen de 250mm en 500mm (Zie figuur 15). Zodoende kan er geconcludeerd worden dat in de huidige situatie ruimte in de grond is voor de grootste hoeveelheid water bij hevige regenbuien. Doordat het totaal m2 aan verhard oppervlak afneemt zal de situatie in het plangebied verbeteren.
Figuur 15: uitsnede plangebied, ruimte voor water in de grond (bron: Klimaateffectatlas)
Overstromingsrisico
Overstromingsdiepte geeft waardevolle informatie zoals de overstromingskenmerken voor een gebied. De overstromingsdieptekaarten geven aan hoe diep een gebied kan overstromen. De overstromingsdiepte is van grote invloed op de omvang van de schade en het aantal slachtoffers. De maximale overstromingsdiepte geeft inzicht in de overstromingskenmerken van een gebied. Op een locatie zijn vaak verschillende overstromingen mogelijk:
Voor het plangebied geldt dat er een kleine kans dat het plangebied overstroomd. Figuur 16 laat de kaart zien voor een kleine kans op overstroming. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent wateroverlast regionale wateren Waterschap Rijn en IJssel. Artikel 3.11 regelt dat 1 maal per 100 jaar overstromingen mogen plaatsvinden voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn. Onderhavig planinitiatief valt binnen deze regel.
Figuur 16: uitsnede plangebied, overstromingsdiepte kleine kans (bron: Klimaateffectatlas)
Conclusie
Het aspect water en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
Het meest recente parkeerbeleid is opgenomen in de 'Nota parkeernormen Oude IJsselstreek' Vastgesteld door het College van B&W op 5 maart 2024. Het vigerend beleid met betrekking tot de te hanteren parkeernormen is opgenomen in het 'Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2012-2020. De gemeente Oude IJsselstreek heeft een parkeerbeleid opgesteld om ervoor te zorgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeerruimte beschikbaar is. Hierbij dient de parkeerbehoefte van auto en fiets gebiedsgericht gefaciliteerd te worden. Dit beleid vormt de basis voor het beoordelen van nieuwe bouwplannen en vergunningen, zodat parkeerproblemen zoveel mogelijk worden beperkt.
Doorwerking plangebied
De parkeernormen zijn gebaseerd op de kencijfers van het CROW, zoals vastgelegd in de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381). Deze cijfers, die rekening houden met de stedelijkheid, functie en ligging, vormen de basis voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen. Bij toekomstige actualisaties van de parkeerkencijfers door het CROW zal de Nota Parkeernormen worden herzien en, indien nodig, worden aangepast om de juiste afstemming op de actuele situatie te waarborgen
Inmiddels heeft CROW de publicatie 381 vervangen door publicatie 744. Voorts zal gerekend worden met de meest recente parkeernormen.
Autoparkeren
Met onderhavig planinitiatief wordt op eigen terrein ruimte gerealiseerd om parkeren op te lossen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied en behoort tot niet stedelijk. Voor de volledigheid is in tabel 2 de parkeerbehoefte berekend. Uit het berekenen van de parkeerbehoefte blijken er 4.8, afgerond 5, parkeerplaatsen benodigd te zijn. Met voorliggend initiatief wordt dit op eigen terrein gerealiseerd. Zodoende kan er geconcludeerd worden dat het planinitiatief voldoet aan de meest recente uitgave van het CROW en daarmee het parkeernormenbeleid van de gemeente Oude IJsselstreek. De reeds bestaande woning wordt ook voorzien van parkeerplaatsen op eigen terrein.
Tabel 2: berekening parkeerbehoefte autoparkeren
| Soort woning | Aantal woningen | Parkeernorm (bewoners) | Parkeernorm (bezoekers) | Totaal bewoners | Totaal bezoekers | Totaal |
| Koop, huis, vrijstaand | 2 | 2.1 | 0.3 | 4.2 | 0.6 | 4.8 |
Op figuur 17 is te zien hoe de parkeervraag wordt opgelost op eigen terrein.
Figuur 17: parkeervoorzieningen op eigen terrein (bron: initiatiefnemer)
Verkeersgeneratie
De gemeente Oude IJsselstreek beschikt niet over cijfers voor de verkeersgeneratie, derhalve is aansluiting gezocht bij de verkeersgeneratie van de CROW op basis van de kerncijfers uit 'CROW-publicatie 744'. In deze kerncijfers wordt gebruik gemaakt van een bandbreedte (minimum-maximum), de Nota Parkeernormen hanteert als uitgangspunt dat in alle zones het gemiddelde van de bandbreedte wordt gehanteerd. Het plangebied wordt gekenmerkt als 'Buitengebied ' en 'niet stedelijk'. Hierdoor is een gemiddelde bandbreedte van 8.2 van toepassing. In de toekomstige situatie is er een toename van 16.4 verkeersbewegingen. Dit is inclusief het aandeel van bezoekersverkeer bij de woningen.
Het plangebied wordt ontsloten door de straat 'Engbergseweg'. Voor deze straat zijn geen verkeersgegevens bekent. Wel categoriseert deze weg zich als gebiedsontsluitingsweg. Hiervoor geldt een maximale verkeersintensiteit van 8.000 voertuigen per etmaal. Een toevoeging van 17 verkeersbeweging is geen significante toename en zal geen belemmering vormen voor de omliggende wegen.
Conclusie
Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.
Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl).
In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.
Doorwerking plangebied
Het thema trillingen zal geen belemmering vormen voor de onderhavige ontwikkeling, aangezien het plangebied niet nabij een spoorweg bevindt. Volgens de geldende richtlijnen, zoals de SBR-richtlijn 'hinder voor personen in gebouwen 2006' en de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen, is een beoordeling van het risico op trillinghinder voornamelijk noodzakelijk binnen een afstand van 100 meter van het spoor. In sommige gevallen wordt het onderzoeksgebied uitgebreid tot 250 meter, afhankelijk van specifieke omstandigheden zoals de bodemopbouw en het treintype. Aangezien het plangebied buiten de 250 meter ligt, is het risico op hinder door op voorhand uit te sluiten.
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de aanleg, uitbreiding en of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Het wettelijk kader ten aanzien van plaatsing van antennes en zendmasten ten behoeve van mobiele telecommunicatie wordt in de kern gevormd door de Omgevingswet. Antenne-installaties tot vijf meter hoogte zijn in principe bouwvergunningvrij. Antennes voor C2000, het communicatienetwerk voor hulpverleningsdiensten zijn bouwvergunningvrij, ongeacht hun hoogte.
Doorwerking plangebied
Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch belangrijke kabels en leidingen. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen aanwezig zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen en/of drainageleidingen. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Voor uitvoering van de graafwerkzaamheden zal daarom een Klic-melding gedaan worden.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wet- en regelgeving
In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een project op het milieu beschreven.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit kan worden afgeleid of een project mer-plichtig is.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER beoordelingsprocedure.
Doorwerking plangebied
Door het bevoegd gezag zal moeten worden bepaald of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Ter volledigheid is in het kort ingegaan op de relevante aspecten:
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten, mits er bouwtechnisch rekening wordt gehouden met de geluidsbelasting op de gevels. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.
Wet- en regelgeving
De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap.
Doorwerking plangebied
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
Het initiatief draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving door te voldoen aan de relevante normen voor milieubelasting en fysieke veiligheid. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt de ruimtelijke inrichting geoptimaliseerd door het verminderen van verharding en het toevoegen van groen, wat bijdraagt aan een klimaatbestendige omgeving. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstellingen van de Omgevingswet om een leefomgeving te creëren die veilig, gezond en toekomstbestendig is.
Goede omgevingskwaliteit
De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande ruimtelijke structuur en draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit door zorgvuldig in te passen binnen het landschap. De transformatie van de bestaande groepsaccommodatie en kapschuur tot woning en de toevoeging van landschappelijke beplanting versterken de samenhang in het gebied. De nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting en het behoud van karakteristieke groene structuren. Hierdoor blijft het kleinschalige en groene karakter van het gebied behouden, in lijn met de ambities van de Omgevingswet op het gebied van stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met het Omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, waardoor dit Omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het Omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het Omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het Omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het Omgevingsplan.
De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch gedeelte van het TAM-omgevingsplan. De motivering is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels.
Op de bij het TAM-omgevingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. Er wordt onderscheid gemaakt in functies en aanduidingen. De functies zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen functies zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Door deze standaarden wordt de kleur en codering van de functies bepaald. De functies zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volgorde. Elke op de verbeelding weergegeven functie is gekoppeld aan een functieregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke functie zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende functie gebruikt en bebouwd mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding. Aanduidingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een functievlak al dan niet is toegestaan.
De regels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaan uit:
In Hoofdstuk 2 zijn regels opgenomen voor de functie 'Agrarisch met waarden' (Artikel 4) en 'Wonen' (Artikel 5).
Agrarisch met waarden
Voor de gronden grenzend aan de woonfunctie is de functie Agrarisch met waarden opgenomen. Hier zijn hobbymatige agrarische activiteiten toegestaan en zijn de gronden bedoeld voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden. Verder zijn paardenbakken, extensief (dag)recreatief medegerbuik en water(huishoudkundige) voorzieningen toegestaan. Onder voorwaarden mogen bouwwerken en paardenbakken worden gebouwd.
Wonen
Voor in het plangebied gelegen woningen is de functie Wonen opgenomen. In of bij woningen is ook het uitoefenen van aan huis verbonden beroepen toegestaan, even als tuinen en erven, parkeer- speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Naast de woningen zijn tevens, onder voorwaarden, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf.
In Hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen die als doel hebben specifieke waarden in het plangebied te beschermen. In voorliggend TAM-omgevingsplan gaat het om de volgende waarden:
Waarde – Archeologische verwachting 1 (Artikel 11)
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 1 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Archeologisch onderzoek is benodigd bij bodemingrepen groter dan 250 m2 of grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm vanaf maaiveld.
Waarde - Archeologische verwachting 2 (Artikel 12)
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 2 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Archeologisch onderzoek is benodigd bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 of grondroerende werkzaamheden dieper dan 30 cm vanaf maaiveld.
In Hoofdstuk 5 staan de overgangsregels. In Artikel 13 wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.
Het TAM-omgevingsplan is het juridisch instrument om te bepalen welke ruimte voor welke bouw- en gerbuiksactiviteiten aangewend mag worden. In dit TAM-omgevingsplan zijn voorschriften opgesteld waarbij het bestaande gebruik van gebouwen en bouwwerken in principe het uitgangspunt vormt. Dit betekent dat de huidige situatie in regels is vastgelegd. Het handhavingsbeleid is erop gericht dat deze regels ook worden nageleefd. Het TAM-omgevingsplan bindt zowel burgers als de gemeente en is dan ook de basis voor handhaving en handhavingsbeleid.
Handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen 'vasthouden'. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle grondeigenaren en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde manier aan het plan gehouden te worden.
Met deze oogmerken is in het TAM-omgevingsplan allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter de mogelijkheden om in de praktijk toe te zien op de naleving van het TAM-omgevingsplan. Onder handhaving wordt niet alleen het repressief optreden verstaan, maar ook preventie en voorlichting. Repressief optreden bestaat uit toezicht en opsporing en in het verlengde daarvan – na afweging van belangen waaronder de effectiviteit van optreden – correctie, bestaande uit sancties en maatregelen. De sancties en maatregelen kunnen bestaan uit het stilleggen van activiteiten, aanschrijvingen, bestuursdwang, strafrechtelijk optreden en de dwangsom. Preventief handelen bestaat uit voorlichting en vooroverleg voor het indienen van een aanvraag om een vergunning en voorts het weigeren van de vergunning en eventuele afwijkingen.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Doorwerking plangebied
Volgens artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit, dat betrekking heeft op de activiteiten waarbij een afdwingbare financiële bijdrage kan worden opgesteld, valt dit planinitiatief onder de plicht tot kostenverhaal. De hiermee samenhangende kosten worden gedekt via legesheffing. Dit houdt in dat de kosten die de gemeente maakt voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, worden verhaald door middel van leges. Op deze manier worden de gemeentelijke uitgaven die samenhangen met de uitvoering van het plan op een efficiënte en transparante wijze gecompenseerd, zonder aanvullende financiële verplichtingen.
Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
Doorwerking plangebied
Met onderhavig planinitiatief wordt geen nadelig effect verwacht.
In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven:
'Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te
worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en
bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.' (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit).
'Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan.
Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en
bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke
decentrale participatiebeleid.' (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit).
In 2021 is een plan ingediend voor een camping. Daartegen zijn door omwonenden bezwaren ingediend in verband met de verkeersaantrekkende werking van de camping. Het plan voor de camping is om deze reden ingetrokken. In plaats daarvan is huidig voornemen om twee extra woningen te realiseren ingediend, waarmee wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van de omwonenden. Ten behoeve van dit plan zijn opnieuw de omwonenden benaderd. Een beknopt verslag van het participatietraject is bijgevoegd als Bijlage 6.