direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.OP000008-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Oude IJsselstreek

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Oude IJsselstreek in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Oude IJsselstreek een hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan Oude IJsselstreek. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.4. voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 van Omgevingsplan Oude IJsselstreek zijn, voor zover die regels in strijd zijn met regels in onderhavig plan, niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.4.

1.4 Verwijzing naar geometrie

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Bouwkavel

Een kavel zoals aangegeven op de verkavelingskaart, inclusief eventuele overige gronden.

2.2 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, jn van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.4.

2.3 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.2 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in artikel 2.4 tot en met artikel 2.57 gehanteerd.

2.4 Plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Biezenakker, Ulft met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 van de gemeente Oude IJsselstreek.

2.5 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat in de regels is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.6 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.7 Aan huis verbonden bedrijfsactiviteit

Een beroepsmatig uitgevoerde activiteit die is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten die in (een gedeelte van een woning of bijgebouw worden uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.8 Aan huis verbonden beroepsactiviteit

Een beroepsmatig uitgevoerde activiteit die enkel is gericht op het leveren van diensten (op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied) dat in een (een gedeelte van) een woning of bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.9 Aanbestedingsdocument

Document bestaande uit een aanbestedingsprotocol en een voorgenomen besluit tot gunning van werken, werkzaamheden en maatregelen ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte aan de hand waarvan het bevoegd gezag kan bepalen hoe is voldaan aan de aanbestedingsregels.

2.10 Aanbestedingsprotocol

Document waarin is aangegeven hoe de aanbesteding van werken, werkzaamheden en maatregelen wordt vormgegeven op een dusdanige wijze dat de aanbesteding voldoet aan de Europese aanbestedingsrichtlijn voor overheidsopdrachten 2014/23/EU45 of het gestelde bij of krachtens de Aanbestedingswet 2012.

2.11 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik of het bebouwen van deze gronden.

2.12 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.13 Aaneengebouwde woning

Een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer woningen.

2.14 Archeologische waarde

Waarde van een terrein in verband met de zich (mogelijk) daarin bevindende oudheidkundige zaken.

2.15 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.16 Bed & breakfast

Een kleinschalige verblijfsaccommodatie, zonder kookgelegenheid, voor kortdurend recreatief verblijf waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en waarbij de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de B&B ondergeschikt is aan de woonfunctie waarbij de bewoner degene is die de B&B uitoefent.

2.17 Bedrijf

Een onderneming gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, herstellen, opslaan en/of distribueren van goederen of op het bedrijfsmatig verlenen van diensten.

2.18 Begane grond

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

2.19 Bestaande situatie (bebouwing en gebruik)
  • a. Bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. Het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.

2.20 Betaalbare koopwoning

Dit betreft koopwoningen met een prijsgrens tot maximaal € 382.000 (prijspeil 2026), die jaarlijks wordt geïndexeerd conform de CPI-prijsindex van alle huishoudens.

2.21 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.22 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, kelder, dakopbouw en/of zolder.

2.23 Bouwmassa

Een verzameling bij elkaar horende gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw dan wel twee of meer aaneen gebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen.

2.24 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.25 Bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel.

2.26 Bouwveld

Een clustering van bouwkavels, een en ander zoals aangegeven op de 11 Verkavelingskaart met woningbouwcategorieën.

 

2.27 Bouwrijp maken van gronden

Het geschikt maken van de grond voor bebouwing en voor de inrichting van de openbare ruimte'. De gronden moeten namelijk ook bouwrijp worden gemaakt voor o.a. aanleg wegen, fietspaden.

2.28 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.29 Bijzondere woonvorm

Een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één of meer huishoudens met een hulpbehoevende bewoner op het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, met bijbehorende voorzieningen, zoals een gemeenschappelijke ruimte en kantoor.

2.30 College

Het college van burgemeester en wethouders.

2.31 DAEB-inkomensnorm

Het inkomen dat past bij sociale huurwoningen zoals die vallen onder Diensten van Algemeen en Economisch Belang, zoals bedoeld in de vrijstellingsregelingen van de Europese Unie over staatssteun.

2.32 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.33 Eindafrekening

Afrekening ten opzichte van een op grond van een kostenverhaalsbeschikking betaalde kostenverhaalsbijdrage, als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Omgevingswet.

2.34 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.35 Gestapelde woning

Een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen.

2.36 Goedkope koopwoning

Dit betreft koopwoningen met een prijsgrens tot maximaal € 269.000 (prijspeil 2026), die jaarlijks wordt geïndexeerd conform de CPI-prijsindex van alle huishoudens.

2.37 Inbrengwaarde

De waarde zoals bedoeld in artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit onderscheiden in:

  • a. de waarde van de gronden en de te slopen opstallen in de toestand voorafgaand aan het vaststellen;
  • b. de kosten om de gronden, bedoeld onder a, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten, zoals bedoeld in de onderdelen A3 en B van de kostensoortenlijst;
  • c. de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden bedoeld onder a, zoals bedoeld in de onderdelen A5 en B3 van de kostensoortenlijst;
  • d. de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden bedoeld onder B1 van de kostensoortenlijst, zoals bedoeld in de onderdelen A6 en B4 van de kostensoortenlijst.

2.38 Inrichting van de openbare ruimte

Aanleg of aanpassing van openbaar toegankelijke straten, wegen, fietspaden, trottoirs, verlichtingen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterbergende en -afvoerende voorzieningen, waterpartijen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, het plaatsen van brandkranen, verkeers- en straatnaamborden, artistieke, sierende en overige inrichtingselementen.

2.39 Instandhoudingstermijn

De instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen is minstens 25 jaar en voor middenhuurwoningen minstens 10 jaar.

2.40 Kostensoortenlijst

De kostensoorten, bedoeld in bijlage IV van het Omgevingsbesluit.

2.41 Kostenverhaalsbeschikking

Beschikking als bedoeld in artikel 13.18 van de Omgevingswet.

2.42 Kostenverhaalsbijdrage

Geldsom die verschuldigd is op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 13.18 van de Omgevingswet.

2.43 Kostenverhaalsgebied

Gebied als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

2.44 Kostenverhaalsplichtige activiteiten

Activiteiten als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

2.45 Macro-aftopping

Het principe dat kosten slechts verhaald kunnen worden tot ten hoogste het bedrag van de opbrengsten, zoals vastgelegd in artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet.

2.46 Maximumaantal woningen

Het in artikel 7.5.1 opgenomen maximaal woningen dat is toegestaan.

2.47 Middenhuurwoning

Huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving (geliberaliseerde woning voor middenhuur).

2.48 Openbare ruimte

De ruimte die bedoeld is voor gebruik of beleving door een ieder, zoals wegen en bermen, riolen, voet- en fietspaden, parkeerplekken, groenelementen dan wel plantsoenen of parken, speelplekken, straatverlichting, brandkranen, kunstwerken zoals bruggen en tunnels, duikers, elementen voor de buffering en/of afvoer van water (zowel boven- als ondergronds), waterpartijen.

2.49 Particulier opdrachtgeverschap

Percelen waar de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet, worden verricht door een burger of een groep van burgers - in dat laatste geval georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst - die tenminste een zakelijk recht op het gebruik van de grond verkrijgt waarbij de burger of rechtspersoon volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de woning.

2.50 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

2.51 Seksinrichting

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof deze bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.52 Sociale huurwoning

Huurwoning met een huurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en artikel 5.161c lid 1 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.53 Tussentijdse afrekening

Een afrekening op verzoek van de houder van een kostenverhaalsbeschikking als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet.

2.54 Vloeroppervlakte

De totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond.

2.55 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

2.56 Woonrijp maken van gronden

Het naar de definitieve vorm inrichten van de openbare ruimte, voor zover nodig ook nadat de bebouwing is voltooid.

2.57 Zelf verrichte werkzaamheden

door de initiatiefnemer van een kostenverhaalsplichtige activiteit uitgevoerde werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan de kosten worden verrekend met toepassing van artikel 13.18, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet aan de hand van Bijlage 9 SSK-raming.

Artikel 3 Meten en rekenen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek, gelden de volgende meetbepalingen:

3.1 Peil
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de gemiddelde hoogte van de weg ter plaatse;
  • b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte bouwterrein;
  • c. vanaf het waterpeil tot het hoogste punt van het bouwwerk.

3.2 De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

De kortste afstand tussen de (zijdelingse) perceelsgrens en enig punt van een bouwwerk.

3.3 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij het bepalen van de goothoogte worden ondergeschikte gootonderdelen, zoals bij een verhoogde entree/toegang, buiten beschouwing gelaten.

3.4 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.5 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 Het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

De oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen gebouwen tezamen.

3.8 Oppervlakte van een ondergronds bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, verticaal geprojecteerd op het horizontale vlak.

3.9 Verticale diepte van een bouwwerk

De diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf peil.

3.10 Toepassing van maten

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwperceelgrens niet meer dan 1 m. bedraagt.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Groen

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Groen.

4.2 Functieomschrijving Groen

Een locatie die is aangewezen als Groen heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen en plantsoenen;
  • b. geluidwerende voorzieningen;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. Ontsluitingsweg;
  • e. behoud en versterken van natuurwaarden;
  • f. culturele kunstwerken;
  • g. speelvoorzieningen, civieltechnische kunstwerken en ontmoetingsplekken;
  • h. ondergrondse containers;
  • i. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • j. straatmeubilair en nutsvoorzieningen.

4.3 Gebruiksactiviteiten
4.3.1 Algemeen
  • 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 4.2 genoemde functies van de gronden;
  • 2. Er dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 10.2.

4.3.2 Ontsluiting

Voor het gebruiken van gronden ten behoeve van een Ontsluiting voor (auto)verkeer gelden de volgende voorwaarden:

  • a. een ontsluiting mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding Ontsluiting gerealiseerd worden.

4.3.3 Fruitbomen

Voor het gebruiken van gronden ten behoeve van een fruitboomgaard gelden de volgende voorwaarden:

  • a. het aanleggen van een fruitboomgaard is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie Fruitbomen; en
  • b. er mogen geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden.

4.3.4 Telen van lage gewassen

Voor het gebruiken van gronden ten behoeve van het telen van gewassen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. het telen van gewassen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie Telen van lage gewassen;
  • b. het gewas mag niet hoger worden dan 1 m; en
  • c. er mogen geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden.

4.4 Bouwactiviteiten
4.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in artikel 4.2;
  • b. er zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • c. er dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 10.2.

4.4.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het gebouw is een civieltechnische kunstwerk of een nutsvoorziening;
  • b. de totale oppervlakte van gebouwen is maximaal 50 m2 per locatievlak;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen is maximaal 3 meter.

4.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van (licht)masten is maximaal 4 meter;
  • b. de bouwhoogte van speeltoestellen is maximaal 4 meter;
  • c. de bouwhoogte van culturele kunstwerken is maximaal 5 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 3 meter.

Artikel 5 Tuin

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Tuin.

5.2 Functieomschrijving Tuin

Een locatie die is aangewezen als Tuin heeft de volgende functies:

  • a. tuinen;
  • b. wegen en paden;
  • c. erfafscheidingen;
  • d. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.

5.3 Gebruiksactiviteiten
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 5.2 genoemde functies van de gronden.

5.4 Bouwactiviteiten
5.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in artikel 5.2;
  • b. er zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van erfafscheidingen toegestaan.

5.4.2 Erfafscheidingen

Voor het bouwen van erfafscheidingen gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal:
    • 1. voor (het verlengde van) de voorgevel van de woning 1 meter;
    • 2. achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 meter.

Artikel 6 Verkeer en verblijfsgebied

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Verkeer en verblijfsgebied.

6.2 Functieomschrijving Verkeer

Een locatie die is aangewezen als Verkeer en verblijfsgebied heeft de volgende functies:

  • a. verblijfsgebieden;
  • b. wegen en pleinen;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. parkeer-, speel-, groenvoorzieningen en civieltechnische kunstwerken;
  • e. culturele kunstwerken;
  • f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • g. ontmoetingsplekken en straatmeubilair;
  • h. ondergrondse containers;
  • i. openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen.

6.3 Gebruiksactiviteiten
6.3.1 Algemeen
  • 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 6.2 genoemde functies van de gronden.
  • 2. Er dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 10.2.

6.4 Bouwactiviteiten
6.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in artikel 6.2;
  • b. er zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

6.4.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen is maximaal 50 m2;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen is maximaal 3 meter.

6.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. overkappingen zijn maximaal 50 m2 groot, en zijn maximaal 3 meter hoog;
  • b. de bouwhoogte van kunstwerken en straatlantaarns, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is maximaal 12 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

Artikel 7 Woongebied

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Woongebied 

7.2 Functieomschrijving Woongebied

Een locatie die is aangewezen als Woongebied heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. Aan huis verbonden beroepsactiviteit;
  • c. tuinen en erven;
  • d. parkeer-, speel- en groenvoorzieningen;
  • e. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • f. straatmeubilair en nutsvoorzieningen.

7.3 Gebruiksactiviteiten
7.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 7.2 genoemde functies van de gronden.

7.3.2 Gebruik vrijstaande bijbehorende bouwwerken

Het is verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte te gebruiken.

7.3.3 Aan huis verbonden beroepsactiviteit

Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een Aan huis verbonden beroepsactiviteit gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte die gebruikt wordt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep beslaat maximaal 30% van het vloeroppervlakte met een maximum van 50 m2;
  • b. het aan huis verbonden beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • c. er is geen detailhandel toegestaan, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met de Aan huis verbonden beroepsactiviteit.

7.3.4 Voorwaardelijke verplichting spuiten

In aanvulling op artikel 7.2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting spuiten' dat woningen niet in gebruik genomen mogen worden indien er op basis van artikel 26.2 Overgangsrecht gebruik de gronden binnen 50 m van de betreffende woningen gebruikt mogen worden ten behoeve van het bespuiten van gewassen met gewasbeschermingsmiddelen.

7.4 Omgevingsplanactiviteit gebruik
7.4.1 Aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten
  • 1. het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een Aan huis verbonden bedrijfsactiviteit.
  • 2. de omgevingsvergunning bedoeld in 1 wordt alleen verleend indien:
    • a. degene die de activiteiten uitvoert, tevens de bewoner van de woning is;
    • b. de oppervlakte van de voor het bedrijf uit te oefenen ruimte maximaal 30% is van het vloeroppervlakte, met een maximum van 50 m2;
    • c. er het geen detailhandel betreft, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met de Aan huis verbonden bedrijfsactiviteit;
    • d. er geen milieutechnische belemmeringen zijn.

7.4.2 Bed & Breakfast
  • 1. het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een Bed & breakfast.
  • 2. de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend indien:
    • a. de ruimte voor de Bed & breakfastactiviteit maximaal 3 slaapkamers inneemt;
    • b. de oppervlakte van de Bed & breakfastactiviteit maximaal 30% van de woning beslaat;
    • c. de Bed & breakfastactiviteit plaatsvindt in het hoofdgebouw;
    • d. degene die de Bed & breakfast uitoefent, tevens bewoner van de woning is;
    • e. op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien.

7.4.3 Bijzondere woonvorm
  • 1. het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een Bijzondere woonvorm.
  • 2. de omgevingsvergunning bedoeld in 1 wordt alleen verleend indien:
    • a. het hoofdgebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
    • b. de woonvorm een ruimtelijke werking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

7.5 Bouwactiviteiten
7.5.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in artikel 7.2;
  • b. er zijn hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • c. er mogen maximaal 422 woningen worden gebouwd waarbij:
    • 1. het aantal sociale huurwoningen niet minder mag bedragen dan 41 woningen;
    • 2. het aantal middenhuurwoningen niet minder mag bedragen dan 11 woningen;
    • 3. het aantal goedkope koopwoningen niet minder mag bedragen dan 76 woningen;
    • 4. het aantal betaalbare koopwoningen niet minder mag bedragen dan 131 woningen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'particulier opdrachtgeverschap' dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 23;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'betaalbare koop' mogen uitsluitend betaalbare koopwoningen worden gebouwd;
  • f. voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt dat het bouwperceel voor maximaal 60% bebouwd mag worden.
  • g. voor het bouwen van woningen twee-aaneen, vrijstaande woningen of bijbehorende bouwwerken bij deze woningen geldt dat op eigen terrein per m² verhard oppervlak 20 millimeter waterbergend vermogen wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Hier wordt voor het verhard oppervlak uitgegaan van een rekenfactor van 50% van het bouwperceel, ongeacht het werkelijke (huidige) verhardingspercentage;
  • h. er dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 10.2.

7.5.2 Hoofdgebouwen
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning hoofdgebouwen te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning bedoeld in 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende regels:
    • a. het maximum aantal wooneenheden mag niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
    • b. indien een bouwvlak is aangeven dient het hoofdgebouw binnen het bouwvlak gebouwd te worden;
    • c. ter plaatse van de aanduiding 'hoofdgebouw uitgesloten' mag geen (deel van een) hoofdgebouw gebouwd worden.
    • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding:
      1. 'aaneengebouwd' (aeg) mogen woningen aaneen worden gebouwd;
      2. 'gestapeld' (gs) mogen woningen gestapeld worden gebouwd;
      3. 'twee-aaneen' (tae) mogen woningen twee-aaneen worden gebouwd;
      4. 'vrijstaand' (vrij) mogen woningen vrijstaand worden gebouwd;
      5. 'rug-aan-rug' (rug) mogen woningen rug-aan-rug worden gebouwd;
    • e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is bij woningen ter plaatse van de aanduiding;
      1. 'aaneengebouwd' (aeg) en 'twee-aaneen' (tae) aan de niet aangebouwde zijde van de eindwoning minimaal 1 meter
      2. 'vrijstaand' (vrij) aan beide zijden minimaal 1 meter;
      het bepaalde onder e. 1 geldt niet indien de gevel aan een parkeerhof of een ontsluiting naar een parkeerhof grenst;
    • f. de goot- en bouwhoogte mag niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;
    • g. in aanvulling op het bepaalde onder f. mag ter plaatse van de aanduiding 'afwijkende kap' bij de woning 'aaneengebouwd', 'twee-aaneen', 'vrijstaand' en 'rug-aan-rug' één van de goothoogte maximaal 4,5 meter bedragen. Indien de woning aan het openbare gebied grenst mag de goothoogte grenzend aan het openbare gebied niet meer dan 4,5 meter bedragen.

7.5.3 Geluidsbelasting wegverkeerslawaai
  • 1. In aanvulling op artikel 7.5.2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'Hogere waarde wegverkeerslawaai' dat:
  • 2. Indien naar oordeel van het bevoegd gezag uit nader akoestisch onderzoek blijkt dat de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel lager is dan de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel, zoals vastgelegd onder 1 dan geldt de waarde van het gezamenlijk geluid uit het nader akoestisch onderzoek.
  • 3. Indien het bepaalde onder lid 2 van toepassing is, kan lid 1 onder b vervallen indien op de genoemde gevels aan de standaardwaarde uit Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.78u wordt voldaan.

7.5.4 Voorwaardelijke verplichting geluid

In aanvulling op artikel 7.5.2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting geluid' dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw niet eerder wordt verleend dan dat:

  • a. er maatwerkvoorschriften zijn vastgelegd en kan worden voldaan aan Bijlage 2 Voorwaardelijke verplichting geluid; en
  • b. uit akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan Afdeling 4.3. Gezondheid van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

7.5.5 Bijbehorende bouwwerken
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning bedoeld in 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende regels:
    • a. bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan bij gestapelde woningen en ter plaatse van de aanduiding 'inpandige garage';
    • b. bijbehorende bouwwerken moeten minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
    • c. bijbehorende bouwwerken moeten minimaal 0,3 meter vanuit de achtererfgrens worden gebouwd;
    • d. de gezamenlijke oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken per woning dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 7.5.1 onder f waarbij aanvullend:
      • maximaal 80 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte tot en met 600 m2;
      • maximaal 120 m2 voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 600 m2;
    • e. de goothoogte is maximaal 3 m;
    • f. de bouwhoogte is maximaal 6 m.

7.5.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen waaronder erf- en terreinafscheidingen zijn niet toegestaan:
    • 1. voor (het verlengde van) de voorgevel van de woning;
    • 2. bij gestapelde woningen;
  • b. achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning mogen worden gebouwd:
    • 1. erf en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter;
    • 2. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.
  • c. de bouwhoogte van masten is maximaal 10 meter.

7.5.7 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken onder de grond gelden de volgende regels:

  • a. ondergronds bouwen is alleen toegestaan onder hoofdgebouwen; en
  • b. de verticale diepte is maximaal 3,50 meter.

7.6 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteit
7.6.1 Overschrijding bouwgrenzen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 7.5.2 sub 2 onder b onder de voorwaarden dat:

  • a. de overschrijding maximaal 2,5 meter bedraagt; en
  • b. de noodzakelijkheid is aangetoond in verband met de uitmeting van het terrein of uit oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

  • 1. de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • 2. in aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Parkeerregeling
  • 1. Om de woningen in gebruik te nemen dient binnen het bouwveld voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd te zijn en in stand te worden gehouden. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de Bijlage 3 Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Daarbij worden de maximale parkeernormen in de categorie 'weinig stedelijk' gehanteerd. Als gedurende de planperiode een nieuwe parkeernormering wordt vastgesteld, wordt rekening gehouden met de dan vastgestelde parkeernormering;
  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij maatwerkvoorschrift afwijken van het bepaalde in 1 en toestaan dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid in de directe omgeving van het bouwperceel, hetgeen met een parkeeronderzoek wordt aangetoond.

10.2 Beeldkwaliteit
  • 1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen of het bouwen van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde met de functies “Groen, Verkeer en verblijfsgebied en Woongebied” conform het bepaalde in Artikel 4, Artikel 6 en Artikel 7 is slechts toegestaan indien:
    • a. de inrichting, gebouwen of bouwwerk wordt gerealiseerd overeenkomstig het beeldkwaliteitsplan welke opgenomen is als Bijlage 4 bij de planregels;
    • b. de inrichting van de gronden, gebouwen of bouwwerk bedoeld onder a en b duurzaam in stand wordt gehouden zoals opgenomen in Bijlage 4 Beeldkwaliteitsplan bij de planregels.
  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij maatwerkvoorschrift afwijken van het bepaalde onder 1., waarbij op ondergeschikte punten wordt afgeweken van Bijlage 4 Beeldkwaliteitsplan bij de planregels.

10.3 Spuiten van gewasbeschermingsmiddelen

Het is verboden gewasbeschermingsmiddelen te spuiten.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Bestaande maatvoering

Het in stand houden van bouwwerken waarvan de maatvoering afwijkt van het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan is toegestaan indien de bestaande maatvoering bestond op het moment dat dit artikel in werking is getreden en het bouwwerk is gerealiseerd overeenkomstig een daartoe verleende omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 13 Leiding - Riool

13.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies.

13.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 aangewezen als Leiding - Riool.

13.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Leiding - Riool heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van de rioolleiding.

13.4 Bouwactiviteiten
13.4.1 Vergunningsplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren.

13.4.2 Beoordelingsregels
  • 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 wordt verleend indien door die bouwactiviteiten, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de rioolleiding.
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1 wint het advies in bij de leidingbeheerder.

13.5 Aanlegactiviteiten
13.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeer- voorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • c. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • d. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  • e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
  • f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.

13.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 13.5.1 geldt niet voor de volgende aanlegactiviteiten:

  • a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het van kracht worden van het plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

13.5.3 Beoordelingsregels
  • 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door het uitvoeren van de activiteiten geen direct of indirect te verwachten gevolgen en geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding;
  • 2. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij de leidingbeheerder.

Artikel 14 Waarde - Archeologie

14.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies.

14.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologie.

14.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

14.4 Bouwactiviteiten
14.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren.

14.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen onder artikel 14.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
  • c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

14.4.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek, een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

14.4.4 Aanvullende beoordelingsregels
  • 1. de omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt alleen verleend indien door die bouwactiviteiten, geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en een onevenredige afbreuk door verplichtingen als bedoeld in artikel 14.4.5 onvoldoende kan worden gemitigeerd.
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 14.4.5 dienen te worden gesteld.

14.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek, de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

14.5 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

14.6 Aanlegactiviteiten
14.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

14.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 14.6.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die niet dieper reiken dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  • b. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit artikel.

14.6.3 Aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld.

14.6.4 Beoordelingsregels
  • 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 14.6.5 dienen te worden gesteld.

14.6.5 Vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 15 Waarde - Archeologische verwachting 1

15.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies.

15.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 1.

15.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 1 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

15.4 Bouwactiviteiten
15.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren.

15.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen onder artikel 15.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

15.4.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek, een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

15.4.4 Aanvullende beoordelingsregel
  • 1. de omgevingsvergunning voor bouwen bedoeld in 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt alleen verleend indien door die bouwactiviteiten, geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en een onevenredige afbreuk door verplichtingen als bedoeld in artikel 15.4.5 onvoldoende kan worden gemitigeerd.
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 15.4.5 dienen te worden gesteld.

15.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek, de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

15.5 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

15.6 Aanlegactiviteiten
15.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

15.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 15.6.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die niet dieper reiken dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  • b. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit artikel.

15.6.3 Aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld.

15.6.4 Beoordelingsregels
  • 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 15.6.5 dienen te worden gesteld.

15.6.5 Vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 16 Waarde - Archeologische verwachting 2

16.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

16.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 2.

16.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 2 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

16.4 Bouwactiviteiten
16.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren indien de bouwactiviteit betrekking heeft op een bouwwerk groter dan 1.000 m2 en de bouwactiviteit gepaard gaat met een grondbewerking die dieper is dan 30 cm vanaf het maaiveld.

16.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen in artikel 16.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

16.4.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35 van het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

16.4.4 Aanvullende beoordelingsregel
  • 1. de omgevingsvergunning voor bouwen bedoeld in 22.26 van Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt alleen verleend indien door die bouwactiviteiten, geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en een onevenredige afbreuk door verplichtingen als bedoeld in artikel 16.4.5 onvoldoende kan worden gemitigeerd.
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 16.4.5 dienen te worden gesteld.

16.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

16.5 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

16.6 Aanlegactiviteiten
16.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;
  • b. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

16.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 16.6.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die niet dieper reiken dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  • b. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit artikel.

16.6.3 Aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld.

16.6.4 Beoordelingsregels
  • 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1., wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 16.6.5 dienen te worden gesteld.

16.6.5 Vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

Artikel 17 Waarde - Archeologische verwachting 3

17.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

17.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 3.

17.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologische verwachting 3 heeft mede als functie het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

17.4 Bouwactiviteiten
17.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren indien de bouwactiviteit betrekking heeft op een bouwwerk groter dan 5.000 m2 en de bouwactiviteit gepaard gaat met een grondbewerking die dieper is dan 30 cm vanaf het maaiveld;

17.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod zoals opgenomen in artikel 17.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

17.4.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek , een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

17.4.4 Aanvullende beoordelingsregel
  • 1. de omgevingsvergunning voor bouwen bedoeld in 22.26 van het Omgevingsplan Oude IJsselstreek wordt alleen verleend indien door die bouwactiviteiten, geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en een onevenredige afbreuk door verplichtingen als bedoeld in artikel 17.4.5 onvoldoende kan worden gemitigeerd.
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1, wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 17.4.5 dienen te worden gesteld.

17.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

17.5 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

17.6 Aanlegactiviteiten
17.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;
  • b. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

17.6.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 17.6.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die niet dieper reiken dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  • b. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit artikel.

17.6.3 Aanvraagvereisten
  • 1. bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld.

17.6.4 Beoordelingsregels
  • 1. de omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 2. alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1, wint het advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in artikel 17.6.5 dienen te worden gesteld.

17.6.5 Vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of
  • d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.

 

Hoofdstuk 5 Aanlegactiviteiten

Artikel 18 Algemene regels aanlegactiviteiten

 

18.1 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1509.OP000008-VA01.

18.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

Aanlegactiviteiten zijn in beginsel zonder meer toegestaan, tenzij specifieke regels gelden op grond van Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten. In dat geval moet worden voldaan aan de specifieke regels die gelden voor de desbetreffende aanlegactiviteit.

18.3 Tussentijdse inspecties en eindinspectie
  • a. Met het oog op de naleving van de bepalingen van de artikelen 19.5 en 20.5 vinden inspecties plaats.
  • b. In het bijzonder met het oog op de overdracht van openbare voorzieningen in beheer aan de gemeente vinden zowel tussentijds als direct voorafgaande aan deze overdracht inspecties plaats:
  • c. Inspecteurs van de gemeente hebben te allen tijde vrije toegang tot het kostenverhaalsgebied inclusief de uitgeefbare gronden.

Artikel 19 Bouwrijp maken van gronden

19.1 Bouwrijp maken van gronden - toegestaan

Het is toegestaan gronden bouwrijp te maken als deze werkzaamheden door of in opdracht van de gemeente Oude IJsselstreek worden uitgevoerd.

19.2 Bouwrijp maken van gronden - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden bouwrijp te maken, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 19.1.

19.3 Specifieke aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een plan van aanpak voor zover dat geen betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte;
  • b. een bestek gebaseerd op het plan van aanpak voor zover dat geen betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte.

19.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.2 wordt alleen verleend als:

19.5 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 20 Woonrijp maken van gronden

20.1 Woonrijp maken van gronden - toegestaan

Het is toegestaan gronden woonrijp te maken als deze werkzaamheden door of in opdracht van de gemeente Oude IJsselstreek worden uitgevoerd.

20.2 Woonrijp maken van gronden - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden woonrijp te maken, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 20.1.

20.3 Specifieke aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een plan van aanpak voor zover dat betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte;
  • b. een bestek gebaseerd op het Programma van eisen openbare ruimte Oude IJsselstreek en over dat betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte; en
  • c. een aanbestedingsdocument.

20.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de activiteit in overeenstemming is met de eisen gesteld in
  • b. de voorgestelde wijze van uitvoering van de activiteit niet in strijd is met de Europese aanbestedingsrichtlijn voor overheidsopdrachten 2014/23/EU45 of het gestelde bij of krachtens de Aanbestedingswet 2012.

20.5 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen, kostenverhaalsregels

Artikel 21 Fasering van het kostenverhaalsgebied en koppelingen daarbinnen

21.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel gaan over fasering in deelgebieden en in tijd en zijn voor wat betreft de deelgebieden van toepassing ter plaatse van de locaties Fase 1, Fase 2A, Fase 2B, Fase 2C, Fase 3, Fase 4A en Fase 4B, zoals aangegeven op de Bijlage 6 Faseringkaart. De regels in dit artikel gaan ook over koppelingen tussen bouwrijp maken en het verlenen van omgevingsvergunningen voor het bouwen.

21.2 Fasering in deelgebieden

Voor de ontwikkeling van het kostenverhaalsgebied geldt de indeling in deelgebieden, zoals aangegeven op de Bijlage 6 Faseringkaart.

21.3 Fasering in tijd

Voor de ontwikkeling van de deelgebieden geldt de fasering in tijd volgens onderstaande tabel.

Fase   Bouwrijp maken   Verlenen omgevingsvergunning bouwen   Woonrijp maken  
1   2026-2028   2027-2028   2028-2029  
2a en 2b   2028-2029   2028-2029   2029-2031  
2c   2028-2029   2030-2030   2029-2031  
3   2030-2033   2031-2034   2034-2035  
4a en 4b   2026-2033   2026   2034-2035  

21.4 Koppeling volgens de mate van voortgang
  • 1. Een vergunning voor het bouwen wordt niet eerder verleend dan het beginjaartal dat is aangegeven in de faseringstabel van artikel 21.3 in de kolom 'Verlenen omgevingsvergunning bouwen'.
  • 2. Voor het kostenverhaalsgebied geldt als volgorde van ontwikkeling van de Fasen, zoals aangegeven op de Bijlage 6 Faseringkaart, dat omgevingsvergunningen voor bouwen:
    • a. in Fase 2a, 2b en 2c mogen worden verleend als voor Fase 1 voor 60% van de 91 woningen in Fase 1 een voltooiingsverklaring is afgegeven;
    • b. in Fase 3 mogen worden verleend als voor Fase 2a, 2b en 2c samen voor 60% van de 166 woningen in Fase 2a, 2b en 2c een voltooiingsverklaring is afgegeven;
    • c. in Fase 1 mogen worden verleend als de aanleg van het water, zoals voor Fase 1 is aangegeven op de Grondgebruikskaart Bijlage 7, is gerealiseerd;
    • d. in Fase 2 mogen worden verleend als de aanleg van het water, zoals voor Fase 2 is aangegeven op de Grondgebruikskaart Bijlage 7, is gerealiseerd, met dien verstande dat omgevingsvergunningen voor het bouwen in Fase 2c mogen worden verleend als de realisatie van het water, behorende bij Fase 2a en Fase 2b, zoals voor Fase 2 is aangegeven op de Grondgebruikskaart, Bijlage 7, is gerealiseerd;
    • e. in Fase 3 mogen worden verleend als de aanleg van het water, zoals voor Fase 3 is aangegeven op de Grondgebruikskaart, Bijlage 7, is gerealiseerd;
    • f. in Fase 4b mogen worden verleend als de aanleg van het water, zoals voor Fase 3 is aangegeven op de Grondgebruikskaart, Bijlage 7, is gerealiseerd, één en ander voor zover het de gronden betreft die op de Eigendommenkaart, Bijlage 8 zijn aangeduid als eigenaar 5, .
  • 3. De gronden van Fase 2c mogen niet eerder bouwrijp worden gemaakt dan de gronden van Fase 2a en 2b;

Artikel 22 Algemene kostenverhaalsregels

22.1 Kostenverhaalsgebied

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gebied aangeduid als 'kostenverhaalsgebied'.

22.2 Specifieke aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking

Bij de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een lijst met soort en aantal kostenverhaalsplichtige activiteiten die zullen worden uitgevoerd;
  • b. de locatie waar deze activiteiten worden uitgevoerd;
  • c. een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden, blijkend uit facturen. De opgave wordt ingedeeld volgens Bijlage 9 SSK-raming.

22.3 Aanspraak op vergoeding kosten inrichting openbare ruimte
  • 1. Degene die in het kostenverhaalsgebied werken, werkzaamheden en maatregelen verricht nadat de aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking voor het geheel van zijn eigendommen is ingediend, kan verzoeken om een vergoeding voor de kosten van die inrichting voor zover die kosten niet reeds in mindering zijn gebracht op de kostenverhaalsbijdrage in de kostenverhaalsbeschikking.
  • 2. De vergoeding wordt geweigerd als:
    • a. de gemeente de oplevering van de ingerichte openbare ruimte niet heeft goedgekeurd; en
    • b. tussen gemeente en aanvrager geen overeenkomst tot stand is gekomen over het beheer of de koop en verkoop van de grond van die openbare ruimte.
  • 3. Bij het verzoek om vergoeding wordt een opgave van de kosten van de verrichte werken, werkzaamheden en maatregelen, blijkend uit facturen. De opgave wordt ingedeeld volgens Bijlage 9 SSK-raming
  • 4. De vergoeding is niet hoger dan de bedragen die voor de betreffende werken, werkzaamheden en maatregelen in de kostenverhaalsregels van het betreffende kostenverhaalsgebied zijn opgenomen.

22.4 Behandeltermijn en tijdstip indiening verzoek om eindafrekening

Burgemeester en wethouders stellen eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, eenmaal per jaar vast uiterlijk op 15 december. Verzoeken om een eindafrekening dienen ten minste 8 weken voor die datum te worden ingediend.

22.5 Eindafrekening en aanvraagvereisten verzoek om eindafrekening
22.5.1 Eindafrekening
  • 1. Binnen 12 weken na uitvoering van de in het kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
  • 2. De kostenverhaalsregel blijft van kracht totdat deze is ingetrokken. Wanneer na het moment van eindafrekening nog niet voor alle bouwactiviteiten kostenverhaalsbeschikkingen zijn aangevraagd, maar daarna worden aangevraagd, wordt de verschuldigde geldsom geacht samen te vallen met het bedrag van de sub c bedoelde herberekening op het in sub a bedoelde moment. Het besluit tot eindafrekening houdt in die gevallen in dat er geen sprake is van een terugbetaling.
  • 3. Bij de eindafrekening wordt de kostenverhaalsbijdrage, zoals betaald op basis van de kostenverhaalsbeschikking, herberekend op grond van de totale werkelijk gerealiseerde kosten na uitvoering van de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen. Ingeval van terugbetaling wordt 2,25% rente, prijspeil 1-1-2026, gerekend over het terug te betalen bedrag.
  • 4. Bij de eindafrekening wordt uitgegaan van de eenheden en relatieve gewichten die zijn gehanteerd bij de kostenverhaalsbeschikking.
  • 5. Bij de eindafrekening wordt een vergelijking gemaakt tussen enerzijds het programma aan bouwactiviteiten zoals dat in het omgevingsplan was opgenomen ten tijde van de eindafrekening en anderzijds het programma aan bouwactiviteiten zoals dat gehanteerd is bij het verlenen van de kostenverhaalsbeschikking.

22.5.2 Aanvraagvereisten verzoek om eindafrekening

Bij het verzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
  • b. een opgave van de kosten van zelf verrichte werkzaamheden blijkend uit facturen; de opgave wordt ingedeeld volgens Bijlage 9 SSK-raming
  • c. een bewijs dat verzoeker recht heeft op de terugbetaling, als een ander dan degene namens wie betaald is, het verzoek doet;
  • d. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.

22.6 Tijdvak voor het kostenverhaal

Voor het kostenverhaalsgebied geldt een tijdvak van een periode van 10 jaren, welk tijdvak ingaat op de prijspeildatum van 1 januari 2026.

22.7 Opbrengsten

De opbrengsten worden geraamd op het bedrag conform de hierna opgenomen tabel.

Tabel 1a Grondopbrengsten per eenheid van een uitgiftecategorie in euro's

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0001.png"

Tabel 1b Grondopbrengsten voor het totaalaantal per uitgiftecategorie

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0002.png"

Per eigenaar c.q. eigendom zijn de opbrengsten verdeeld conform de hierna opgenomen tabel.

Tabel 2 Grondopbrengsten per eigenaar/eigendom

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0003.png"

Naast grondopbrengsten uit gronduitgifte ten behoeve van woningbouw zijn er subsidies, te weten een bijdrage van de provincie Geldereland (versnellingsgelden) en een bijdrage in verband met niet gesprongen explosieven (bommenregeling). Betreffende bijdragen zijn reeds ontvangen en bedragen respectievelijk € 17.500 en € 11.723.

22.8 Inbrengwaarde van gronden en te slopen opstallen

De inbrengwaarden van de gronden met de daarop eventueel te slopen opstallen in het kostenverhaalsgebied zijn geraamd op de bedragen zoals opgenomen in de volgende tabel in de onderdelen:

  • a. Waarde van gronden en te slopen opstallen;
  • b. Kosten vrijmaken van rechten, etc.;
  • c. Kosten van sloop en verwijdering/verplaatsing opstallen, obstakels;
  • a. Kosten van bodemsanering.

Tabel 3 Inbrengwaarden gronden

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0004.png"

Andere onderdelen dan bodemsaneringskosten van onderdeel d als bedoeld in de definitie van inbrengwaarden, zijn verdisconteerd in de raming zoals opgenomen in artikel 22.9.

22.9 Overige kosten

Voor de kosten anders dan die van de inbrengwaarde zijn de bedragen geraamd als opgenomen in de volgende tabel.

Tabel 4 Overige kosten

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0005.png"

22.10 Parameters voor rente, discontering en indexering van kosten en opbrengsten

Voor het toerekenen van rente, discontering en indexering van de kosten en opbrengsten zijn de parameters gehanteerd, uitgaande van een prijspeil van 1 januari 2025 en een einde van het in artikel 22.6 Tijdvak voor het kostenverhaal bedoelde tijdvak op 31 december 2035, alles conform de volgende tabel. Het grondprijsadvies als basis voor de grondopbrengsten en de taxatie inbrengwaarde hebben als waarde-peildatum 1 januari 2026.

Tabel 5 Parameters

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0006.png"

22.11 Fasering, parameters en contante kosten en opbrengsten
  • 1. Met toepassing van de kosten- en opbrengstenparameters als bedoeld in artikel 22.10 zijn de kosten en opbrengsten in de tijd uitgezet en contant gemaakt volgens de perioden van de faseringstabel van artikel 21.3.
  • 2. De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend aan de hand van de contant gemaakte kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de volgende tabellen.

Tabel 6 Contante kosten

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0007.png"

Tabel 7a Contante opbrengsten per woningcategorie

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0008.png"

Tabel 7b Contante opbrengsten per eigendom/eigenaar

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0009.png"

22.12 Verhaalbare kosten na toepassing macro-aftoppingstoets

Het bedrag aan totaal te verhalen kosten na toepassing van de macroaftopping bedraagt € 31.491.299, berekend door het totale niveau van de contant gemaakte kosten te nemen na aftrek van het subsidie, als overige opbrengstpost, en het totale niveau van de contant gemaakte kosten, alles conform de volgende tabel.

Tabel 8 Verhaalbare kosten

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000008-VA01_0010.png"

22.13 Verdeling van de verhaalbare kosten over de activiteiten

 

Artikel 23 Aanwijzing kavels voor particulier opdrachtgeverschap

Op de locatie 'particulier opdrachtgeverschap' moeten de woning in Particulier opdrachtgeverschap gerealiseerd worden.

Artikel 24 Aanwijzing minimale aantallen specifieke woningbouwcategorieën

  • 1. Woningen in andere woningcategorieën dan sociale huur, goedkope koop en betaalbare koop mogen pas in gebruik genomen worden als in een bouwveld de minimale aantallen voor sociale huurwoningen, goedkope koop en betaalbare koop gerealiseerd zijn;
  • 2. De aantallen sociale huurwoningen, goedkope koop en betaalbare koop mogen niet minder bedragen per bouwveld dan hieronder aangegeven:
    • a. sociale huur: in bouwveld 3, 12 woningen, in bouwveld 7, 4 woningen, in bouwveld 10, 15 woningen en in bouwveld 11, 10 woningen;
    • b. middenhuur: in bouwveld 3, 3 woningen en in bouwveld 11, 8 woningen;
    • c. goedkope koop: in bouwveld 1, 8 woningen, in bouwveld 2, 6 woningen, in bouwveld 3, 13 woningen, in bouwveld 4, 10 woningen in bouwveld 6, 8 woningen, in bouwveld 7, 12 woningen, in bouwveld 10, 11 woningen en in bouwveld 11, 8 woningen;
    • d. betaalbare koop: in bouwveld 1, 27 woningen, in bouwveld 2, 33 woningen, in bouwveld 3, 12 woningen, in bouwveld 4, 4 woningen, in bouwveld 6, 12 woningen, in bouwveld 7, 19 woningen, in bouwveld 10, 13 woningen en in bouwveld 11, 11 woningen;
  • 3. De bouwvelden genoemd in lid 2 onder a, b, c en d betreft de bouwvelden zoals aangegeven op de verbeelding.

Artikel 25 Doelgroepen en gebruik sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen en betaalbare koopwoningen en kavels voor particulier opdrachtgeverschap

25.1 Doelgroepen sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen en midden huurwoningen

25.1.1 Doelgroep sociale huurwoningen

De doelgroep voor sociale huurwoningen bestaat uit huishoudens met een jaarlijks huishoudinkomen niet hoger dan de DAEB-inkomensnorm.

25.1.2 Doelgroep goedkope koopwoningen

De doelgroepen voor goedkope koopwoningen bestaat uit huishoudens met een huishoudinkomen van maximaal 1,35 keer de DAEB-inkomensnorm.

25.1.3 Doelgroep midden huurwoningen

De doelgroep voor midden huurwoningen bestaat uit huishoudens met een jaarlijks huishoudinkomen niet hoger dan 1,5 keer de DAEB-inkomensnorm. Het college van burgemeester en wethouders kan dit norminkomen jaarlijks aanpassen.

25.2 Gebruik sociale huurwoningen en middenhuurwoningen
  • 1. Sociale huurwoningen en middenhuurwoningen blijven, gerekend vanaf het moment dat de woning voor het eerst in gebruik is genomen, gedurende de instandhoudingstermijn, voor de in artikel 2.31 bedoelde doelgroep beschikbaar.
  • 2. Gedurende de instandhoudingstermijn als bedoeld in het vorige lid wordt binnen vier weken na de ondertekening van een huurovereenkomst, iedere nieuwe huurovereenkomst van verhuur van sociale huurwoningen of middenhuurwoningen door of namens de eigenaar gemeld bij Burgemeester en wethouders.
  • 3. Het bepaalde in artikel 25.2 onder 2 is niet van toepassing indien de woning verhuurd wordt door een toegelaten instelling.

25.3 Gebruik kavels voor particulier opdrachtgeverschap
  • 1. Het is een koper van een kavel voor particulier opdrachtgeverschap, verboden om de verworven kavel in juridische of economische zin in eigendom over te dragen tot het moment dat de bouw van de woning door of namens koper volledig is voltooid overeenkomstig de verstrekte omgevingsvergunning bouwen.
  • 2. Wanneer in strijd met het bepaalde in lid 1 is gehandeld zullen burgemeester en wethouders geen medewerking verlenen aan een verzoek tot overdracht van een reeds verleende omgevingsvergunning bouwen.

Hoofdstuk 7 Overgangsregels

Artikel 26 Overgangsrecht

26.1 Overgangsrecht bouwwerken
26.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

26.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 26.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 26.1.1 met maximaal 10 %.

26.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 26.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan Oude IJsselstreek zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling.

26.2 Overgangsrecht gebruik
26.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

26.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 26.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

26.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 26.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

26.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 26.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan Oude IJsselstreek voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.