| Plan: | Buitengebied, locatie Egginkstraat 3, Silvolde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.BP000233-VA01 |
Aan de Egginkstraat 3 in het buitengebied ten noorden van Silvolde is een woonboerderij met diverse schuren gelegen. Dit agrarische erf is in het verleden in gebruik geweest als zorgboerderij en heeft daarom een maatschappelijke bestemming. De initiatiefnemer heeft de locatie gekocht om hier te gaan wonen, waarbij tevens (ver)nieuwbouw van de bestaande woonboerderij wordt voorzien. Om dit mogelijk te maken is een bestemmingswijziging van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen' voor de planlocatie Egginkstraat 3 in Silvolde noodzakelijk.
De woonboerderij aan de Egginkstraat 3 te Silvolde is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek. De planlocatie ligt minder dan een halve kilometer ten noorden van het dorp Silvolde.
Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen, bekend als gemeente Wisch, sectie B, nummers 2154 (ged) en 2881 (ged) en heeft een oppervlakte van ca. 3.350 m2. Dit plangebied is rood omlijnd weergegeven in figuur 1. Initiatiefnemer heeft deze kadastrale percelen als geheel in eigendom verkregen, evenals een strook ten noorden van deze gronden met het kadastrale nummer 3555. De totale oppervlakte van de percelen in eigendom bij initiatiefnemer bedraagt daarmee 10.883 m2. Omdat voor deze omliggende gronden met een agrarische bestemming de bestemming niet gewijzigd hoeft te worden, zijn deze buiten het plangebied gelaten.
Het plangebied Egginkstraat 3 te Silvolde is rood omlijnd weergegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied is gelegen in het agrarisch buitengebied met verschillende functies, zoals agrarische bedrijven, woonfuncties en enkele niet-agrarische bedrijven, zoals een loonbedrijf. Op onderstaande uitsnede is het plangebied in z'n omgeving te zien.
Het plangebied ter plaatse van de rode druppel in zijn omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Oude IJsselstreek op 28 juni 2018.
Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' met het plangebied ter plaatse van de rode druppel (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De Egginkstraat 3 is in een gebied gelegen met de bestemming 'Agrarisch' zonder nadere aanduidingen. In figuur 3 is te zien dat de planlocatie de bestemming 'Maatschappelijk' met een functieaanduiding 'zorgboerderij' heeft, waarbij dit gehele bestemmingsvlak tevens bouwvlak is. Er is een bedrijfswoning toegestaan met een maximum bouw- en goothoogte van 9 m respectievelijk 4 m. Een bedrijfswoning mag volgens de bouwregels een maximale inhoud van 750 m3 hebben, maar de bestaande inhoud van de woonboerderij bedraagt 1.265 m3. De grotere inhoudsmaat is in het verleden vergund, zodat dit onder de overgangsbepalingen valt. Het totale bebouwde oppervlak mag niet meer bedragen dan 915 m2.
Het voorgenomen gebruik van de planlocatie als (burger)woning is niet passend binnen deze maatschappelijke bestemming als zorgboerderij met bijbehorende bedrijfswoning. Wel is in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' in artikel 12.6 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' gewijzigd kunnen worden ten behoeve van 'Wonen', onder een aantal voorwaarden.
Bij toetsing aan deze voorwaarden blijkt het volgende:
Nu de raad van de gemeente Oude IJsselstreek reeds heeft ingestemd met dit planologisch juridische kader en voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden, is de vaststelling van een wijzigingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van een wijzigings- c.q. bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het wijzigingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 Beleid wordt getoetst aan de relevante beleidskaders op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten wordt het initiatief getoetst aan diverse milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit planinitiatief.
De woonboerderij met bijbehorende bebouwing is in het verleden gebruikt als zorgboerderij. Naar verluidt werd op de kleinschalige boerderij dagbesteding aangeboden voor maximaal 10 personen. Het afgelopen decennium heeft de voormalige boer er alleen nog maar gewoond en zijn er wat hobbydieren gehouden.
De bouwvergunning voor de woonboerderij is afgegeven in 1896, waarna het pand rond 1900 is gebouwd. De boerderij meet 19,20 m bij 11,30 m en heeft een bestaande inhoud van 1.265 m3. Het pand heeft vele karakteristieke kenmerken, maar voldoet niet aan de huidige wooneisen. Zo zijn er geen spouwmuren en dakisolatie aanwezig en is (vrijwel) alle beglazing nog enkel glas.
Met de foto's in figuren 4 en 5 wordt een indruk gegeven van de huidige woonboerderij en het erf. Opgemerkt wordt dat initiatiefnemer de overkapping bij het bijgebouw naast de woonboerderij heeft gesloopt. Hetzelfde geldt voor de daarnaast gelegen lage kapschuur/carport, die in zeer slechte staat verkeerde. Het bijgebouw naast de woning meet ca. 122 m2. Bij de beide grote schuren met elk een oppervlakte van ca. 263 m2 op het achtererf zijn inmiddels de (asbest-)daken vervangen door nieuwe dakplaten. De donkergroene pipowagen/werkkeet die nog op de vogelvluchtfoto zichtbaar is, is eveneens verwijderd.
Figuur 4: Aanzicht van de woonboerderij aan de Egginkstraat 3 te Silvolde (bron: verkopend makelaar)
Figuur 5: Luchtfoto met vogelvluchtperspectief van de situatie, zoals aangekocht door de initiatiefnemer (bron: verkopend makelaar)
De initiatiefnemer wenst de karakteristieke boerderij te renoveren, waarbij de voorgevel volledig intact blijft. Een impressie van de voorgevel is in figuur 6 opgenomen. De inhoud van een woning mag normaal gesproken maximaal 750 m3 bedragen met de mogelijkheid tot uitbreiding naar 1.000 m3. De gemeente Oude IJsselstreek is echter akkoord met de inhoud van de woning van 1.265 m3, zoals die nu is. Dit omdat de (ver)nieuwbouw als behoud van de zorgboerderij wordt gezien, waarbij aandacht besteed dient te worden aan het laten terugkomen en/of behouden van karakteristieke elementen. Met het behoud van de voorgevel wordt al een goede aanzet hiertoe gegeven. Ook de bestaande goot- en nokhoogte van 3,10 m respectievelijk 9 m worden gehandhaafd om de bouwstijl zoveel mogelijk te behouden. Omdat bij een burgerwoning een maximale goot- en bouwhoogte zijn toegestaan van 3,5 m respectievelijk 8 m, wordt de afwijkende nok- c.q. bouwhoogte in de regels en op de verbeelding opgenomen. Ook de afwijkende inhoud is in het juridische deel van dit wijzigingsplan opgenomen.
Figuur 6: Impressie voorgevel van de (ver)nieuwbouw van de woonboerderij (bron: Architektengroep Gelderland)
In het geldende bestemmingsplan was 915 m2 aan bebouwing toegestaan binnen het bouwvlak. De woning zelf heeft een oppervlak van ca. 220 m2. Bij een woonbestemming wordt bij rechte maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Het bijgebouw naast de woning van ca. 122 m2 blijft behouden en zal in gebruik genomen worden voor hobbymatige activiteiten. Dit bijgebouw wordt binnen het bouwvlak gesitueerd, zodat dit bouwwerk onder de toegestane bouwwerken valt.
Door de maatschappelijke bestemming op deze locatie om te zetten naar een woonbestemming en het bouwvlak te verkleinen, zullen de beide schuren met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 526 m2 als bijgebouwen onder het overgangsrecht komen te vallen. De twee schuren zullen buiten het bouwvlak worden gesitueerd. Initiatiefnemer heeft reeds onderhoud aan deze beide schuren gepleegd, zodat de instandhouding is gewaarborgd. De ene schuur zal gebruikt worden voor het overdekt stallen van de eigen auto's, terwijl in de andere schuur het hobbymatig houden van enig vee wordt voorzien. De ontsluiting blijft ongewijzigd en komt op de Egginkstraat uit. In figuur 7 is de situering van de bebouwing ten opzichte van de Egginkstraat weergegeven.
Figuur 7: Plattegrondtekening met de situering van de te behouden bijgebouwen en de (ver)nieuwbouw van de woonboerderij (bron: Architektengroep Gelderland)
De Vereniging Agrarisch Landschapsbeheer (VAL) Oude IJssel heeft een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de gronden in eigendom bij initiatiefnemer. Dit rapport d.d. oktober 2023 is bijgevoegd als Bijlage 1.
Bij de landschappelijke inpassing is gekeken naar het historische en het huidige landschap, de bodem en de waterhuishouding in het plangebied. In de lokale kwaliteitscriteria Oude IJsselstreek is opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied er een bijdrage wordt verlangd in het behoud en versterking van het landschap. In het plangebied en de omgeving staan op dit moment al een flink aantal landschapselementen, waardoor het kleinschalige karakter van het kampenlandschap wordt gewaarborgd. Het omvormen van de bestemming maatschappelijk naar wonen heeft niet direct impact op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het aantal gebouwen blijft nagenoeg gelijk.
De conditie van de bestaande landschapselementen zijn in redelijke staat. Vanuit de kwaliteitscriteria is het wenselijk deze elementen zodanig te herstellen dat biodiversiteit en natuur hier een meerwaarde krijgen.
Als uitgangspunt voor natuur en biodiversiteit zijn kenmerkende doelsoorten gekozen die zich thuis kunnen voelen in dit landschap. Dit zijn de Geelgors, Steenuil en Torenvalk. Uiteraard hebben andere soorten ook belang bij herstel en behoud van het Kampenlandschap. Het is geen doel op zich deze soorten te behouden of direct terug te krijgen, maar ze vormen een goed uitgangspunt.
De VAL heeft dit uitgewerkt in een inrichtingsplan, waarbij de bestaande en de aanleg van de nieuwe landschapselementen een totale puntenwaarde van 22.620 hebben. Voor het volledige plan wordt verwezen naar Bijlage 1. Op het kaartbeeld van de landschappelijke inpassing in figuur 8 zijn naast de bestaande elementen ook de nieuwe elementen benoemd. Deze nieuwe landschapselementen zijn een knip- en scheerhaag met een lengte van circa 45 m op de grens van het semi-verharde erf en het groene gedeelte, het aanvullen van de fruitbomen met 11 extra fruitbomen, de aanleg van een wadi, het inzaaien met kruidenrijk grasland en de aanplant van 2 solitaire eikenbomen. Deze nieuwe landschapselementen hebben een puntentotaal van 1.100.
Het plangebied bevat in de huidige situatie beduidend veel landschapselementen. Het gaat dan om een puntenwaarde van 21.520. Na toevoeging van de nieuwe landschapselementen op de locatie, bevat het plan een landschappelijk inrichtingsplan die ruim voldoet.
Figuur 8: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan, waarbij de nieuwe landschapselementen specifiek zijn benoemd (bron: VAL Oude IJssel)
Door het behoud en het herstellen van de huidige houtopstand ontstaat in combinatie met de nieuwe landschapselementen een grotere variatie in biodiversiteit en natuur in het plangebied. Hierdoor ontstaat een combinatie van jonge en oude landschapselementen met verschillende inheemse planten. Dit biedt voldoende nest- en schuilgelegenheid voor o.a. de geelgors, steenuil en torenvalk. Door de kruidenrijke vegetatie en de wadi zal het kleinschalige karakter van het plangebied en de omgeving versterkt worden.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt.
Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen.
De voorgestane ontwikkeling is niet in strijd met het Barro.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening.
Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Nationale woon- en bouwagenda
Nederland heeft behoefte aan een toegankelijk, betaalbaar woonlandschap van goede kwaliteit. De opgave is complex: ze vraagt om een gerichte inspanning van alle betrokkenen. Samen met belangrijke partners in het woonveld, zoals medeoverheden, woningcorporaties en marktpartijen, bundelt het Rijk de krachten om de geconstateerde problemen en oorzaken aan te pakken en de doelstellingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda te realiseren.
Meer dan voorheen neemt het Rijk hierbij de rol op zich van normsteller en bewaker van nationale doelen die gerealiseerd moeten worden. De Nationale Woon- en Bouwagenda stelt het Rijk in staat om de diverse bouw- en woonopgaven samen en in samenhang met andere belangen aan te pakken, te financieren en te monitoren. Zo wordt gebouwd aan een samenleving waarin het rechtvaardig en prettig wonen is.
De agenda kent drie kerndoelen:
Dit initiatief is niet in strijd met de Nationale woon- en bouwagenda.
Toetsing rijksbeleid
Het voorliggende plan betreft een functieverandering in het buitengebied, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Omdat er geen woning wordt toegevoegd, wordt dit initiatief niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
Met het planinitiatief zijn geen nationale belangen gemoeid.
Omgevingsvisie Gelderland
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruitgelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving.
De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:
Voor dit initiatief is de ambitie voor het woon- en leefklimaat van belang. Over deze ambitie wordt het volgende gesteld: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. Dit plan benut de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaat adaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.
Omgevingsverordening Gelderland
De omgevingsverordening bevat regels die nodig zijn om de provinciale ambities uit Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' waar te maken of wettelijke plichten na te komen. De verordening is een dynamisch instrument die wordt aangepast als ontwikkelingen daarom vragen. Provinciale Staten van Gelderland hebben in hun vergadering van 15 december 2021 de achtste wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland (actualisatieplan 8) vastgesteld. De wijzigingen zijn in werking getreden op 1 februari 2022. Tevens is op 5 juli 2022 de negende wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld
Met actualisatieplan 8 voldoet de omgevingsverordening helemaal aan de eisen, de taal en de bedoelingen van de Omgevingswet. En zijn een aantal beleidsinhoudelijke wijzigingen doorgevoerd op het gebied van natuur, zonnevelden, wegen, glastuinbouw, grondwaterbescherming en zwemwater. In actualisatieplan 9 zijn drinkwaterreserveringsgebieden aangewezen en zijn beleidsregels gesteld om grondwaterbedreigende activiteiten te verbieden dan wel te reguleren.
De omgevingsverordening richt zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimte, milieu, natuur, water, verkeer en vervoer in deze verordening opgenomen. De omgevingsverordening heeft daarom de status van:
Om de leesbaarheid te vergroten is tevens een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland gepubliceerd, waarin alle in de loop van de tijd aangebrachte wijzigingen in de tekst van de verordening zijn doorgevoerd. Deze geconsolideerde versie van 21 december 2022 is de actueel geldende situatie en wordt voor de toetsing van voorliggend initiatief gehanteerd.
De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.
Toetsing provinciaal beleid
Voorliggend initiatief voorziet in de functieverandering van een zorgboerderij naar een woonfunctie. Er worden geen woningen toegevoegd. Wel wordt grootschalige renovatie van de woonboerderij voorzien, waarbij voor initiatiefnemer een duurzame, passende woning wordt gerealiseerd. Deze zal uiteraard aardgasloos worden gebouwd.
Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan de instructieregel klimaatadaptatie. Hiervoor is de klimaatatlas geraadpleegd, die is opgesteld voor de gemeente Oude IJsselstreek.
Uit de kaartbeelden die horen bij het aspect wateroverlast blijkt dat ter plaatse van het beoogde bouwvlak geen plasvorming wordt verwacht bij een korte extreme bui van 70 mm in één uur) of lange extreme bui (160 mm in twee uur). Ter plaatse van de schuren, die buiten het bouwvlak maar wel binnen het bestemmingsvlak staan, zal bij een lange bui wel plasvorming van 20 tot meer dan 30 cm optreden. In de groene delen van het erf kan eveneens plasvorming optreden, maar dit is geen bezwaar.
Het plangebied is geen specifiek aandachtsgebied voor hitte, want op warme dagen zal de hitte niet warmer aanvoelen. Dit komt doordat het plangebied in agrarisch gebied is gelegen en relatief veel verkoelende beplanting aanwezig is. Met de planvorming worden nog meer bomen aangebracht, wat verkoeling oplevert bij warme dagen.
De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied. Door de iets hogere ligging van het bouwvlak is en blijft aldaar sprake van lagere grondwaterstanden en van enige droogtegevoeligheid, terwijl het omliggende terrein minder droogtegevoelig is. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater in het gebied zelf aanwezig.
Tot slot is het overstromingsriscio bij een dijkdoorbraak binnen het plangebied beperkt tot een waterhoogte van 0 tot 20 cm. Omdat het bouwvlak met de woonboerderij iets hoger is gelegen, levert dit geen risico op.
Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden genomen in het kader van klimaatadaptatie.
Het initiatief is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012
De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijk ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.
De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:
Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.
Regionale Woonagenda 2023-2030
De woningmarkt in de Achterhoek is de afgelopen jaren fors aangetrokken. Momenteel staat de woningmarkt in de regio onder een groeiende druk en zijn de woningtekorten hoog. Met name voor jonge huishoudens, starters, ouderen, arbeidskrachten en aandachtsgroepen geldt dat er een grote behoefte is aan meer betaalbare woningen op de Achterhoekse woningmarkt.
De regio heeft de ambitie om 11.500 extra woningen te realiseren in de Achterhoek. Hiermee wordt de woningvoorraad flink en versneld uitgebreid. De regionale productie lag de afgelopen jaren gemiddeld op circa 600 woningen netto per jaar. De regio streeft ernaar dit aantal te verdubbelen naar ruim 1.200 woningen per jaar.
De regio investeert de komende jaren fors in een toename van betaalbare woningen. Daarbij wordt zoveel mogelijk bij de ambities van het Rijk aangesloten om tot en met 2030 twee derde van de nieuwbouw in het betaalbare segment toe te voegen.
De gemeente Oude IJsselstreek wil tot en met het jaar 2030 1500 woningen realiseren. Van deze woningen zullen 450 vallen binnen de sociale huursector en daarnaast is het doel om 75 huurwoningen met een sociale huurgrens tot € 1.000 per maand te realiseren. Verder moeten 484 van koopwoningen vallen binnen de betaalbaarheids- grens van € 355.000. Dit leidt tot een woningaanbod met 1009 betaalbare woningen.
Toetsing regionaal beleid
De Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 is deels achterhaald door de tijd en de ontwikkelingen. Van bevolkingskrimp is geen sprake meer, maar er dient gebouwd te worden naar behoefte. Die aanpassing in het beleid is verwerkt in de Regionale Woonagenda 2023-2030. Omdat voorliggend plan geen extra woningen realiseert, draagt dit initiatief niet bij aan de doelstellingen van deze Woonagenda. Het initiatief voor deze functieverandering is echter niet strijdig met deze Woonagenda. Tevens is het plan niet strijdig met de Regionale Structuurvisie Achterhoek.
Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.
Toekomstvisie Oude IJsselstreek
De toekomstvisie is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien.
Woonvisie Gemeente Oude IJsselstreek
De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn:
Lokale Kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek
De (regionale) 'Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek' zijn in september 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. De lokale kwaliteitscriteria zijn een aanvulling en zijn vastgesteld door de gemeenteraad in februari 2020. Deze Kwalitatieve toetsingscriteria zijn ook door de overige Achterhoekse gemeenteraden vastgesteld en zijn aanvullend op de eerder in de Regionale Woonagenda 2015-2025 gemaakte afspraken.
De Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw zijn mede gebaseerd op de aanbevelingen uit het meest recente Achterhoekse Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek (AWLO) van 2017. Binnen de Kwalitatieve toetsingscriteria zijn drie (hoofd)criteria benoemd waaraan woningbouwplannen in ieder geval moeten voldoen:
Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen
De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving.
Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022-2026
Op 18 januari 2022 is de klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken
De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema's:
Welstandsnota
Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld.
Toetsing gemeentelijk beleid
Voorliggend initiatief voorziet in de functieverandering van een zorgboerderij naar een woonfunctie, zodat dit kan worden gezien als een transformatie van leegstaand vastgoed. Door de renovatie van de woonboerderij en de landschappelijke inpassing wordt de kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid verbeterd. De woning wordt levensloopbestendig en op een duurzame manier verbouwd, zodat een zeer laag energieverbruik is gegarandeerd dan wel dat de woning energieneutraal zal zijn. Hiermee wordt de woonboerderij toekomstbestendig en is de ontwikkeling in overeenstemming met de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025, de Toekomstvisie Oude IJsselstreek en de Woonvisie Gemeente Oude IJsselstreek.
Met deze ontwikkeling worden geen woningen toegevoegd of afgenomen. Met deze functieverandering wordt aan leegstaand vastgoed een nieuwe functie gegeven, zodat dit aansluit bij het beleid van de Lokale Kwaliteitscriteria Woningbouw.
De landschappelijke inpassing van de planlocatie en de directe omgeving sluit aan bij het gewenste toekomstbeeld van de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen.
Bij de toetsing van het provinciaal beleid is de klimaatatlas geraadpleegd om de aspecten wateroverlast, hitte, droogte en overstroming voor de planlocatie en dit initiatief tegen het licht te houden. Uit deze toetsing blijkt dat er geen maatregelen benodigd zijn, zodat dit initiatief klimaatbestendig is en voldoet aan het gemeentelijke Klimaatagenda.
Voor de grootschalige renovatie van de woonboerderij is een omgevingsvergunning bouwen benodigd, waarbij tevens toetsing aan de Welstandsnota plaatsvindt.
Het gemeentelijk beleid staat de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet in de weg.
Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
In verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd aan de Egginkstraat 3 te Silvolde. Het rapport d.d. 23 mei 2023 is als Bijlage 2 bijgevoegd.
In dit rapport wordt op basis van het uitvoerde bodemonderzoek het volgende geconcludeerd:
De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft op 1 september 2023 dit rapport beoordeeld en het volgende advies gegeven:
Het bodemonderzoek voldoet grotendeels aan de gestelde kwaliteitseisen. Lokaal is een sterke verontreiniging vastgesteld met minerale olie in grond en grondwater ter plaatse van de voormalige olieopslagtank. De ODA vindt het van belang dat de aangetroffen verontreiniging wordt verwijderd tot aan de functieklasse wonen in het kader van de bestemmingswijziging (dit in afwijking van de conclusie van het adviesbureau).
De omvang van de aangetroffen verontreiniging is nog niet helemaal in beeld, maar het uitvoeren van aanvullend onderzoek wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht. Bij de saneringswerkzaamheden kunnen dan de saneringsgrenzen worden vastgesteld op basis van de put- en wandmonsters. De afperking van de verontreiniging vindt dan in feite plaats tijdens de sanering. Met uitzondering van deze bodemverontreiniging is de gehele locatie geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling (wonen).
Met betrekking tot de locatie waar de verontreiniging met minerale olie is vastgesteld gelden de volgende bodemspecifieke voorschriften om de locatie geschikt te maken voor de functie wonen:
Geconcludeerd kan worden dat binnen het bouwvlak waar de grootschalige renovatie van de woonboerderij wordt voorzien, geen belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem zijn voor de beoogde woonfunctie. De verontreinigde zone aan de noordzijde van de middelste grote schuur betreft een locatie buiten het op te nemen bouwvlak. Ter plaatse van en nabij deze zone worden geen andere ontwikkelingen voorzien dan stalling van auto's in de schuur. Niettemin wordt het advies van de ODA door initiatiefnemer opgevolgd, zodat een Plan van Aanpak voor deze bodemsanering zal worden opgesteld. Met een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit wijzigingsplan wordt geborgd dat de bodemsanering uitgevoerd dient te zijn binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit plan.
Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor dit initiatief.
Archeologie
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
Op grond van het onderliggende bestemmingsplan is aan het plangebied geen archeologische dubbelbestemming toegekend. Dit betekent dat het gebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. Er is dan ook geen archeologisch onderzoek benodigd. Bovendien vindt de (ver)nieuwbouw van de woonboerderij plaats op dezelfde plek als de huidige bebouwing, zodat er in de bodem hier al verstoringen hebben plaatsgevonden.
Wel geldt de verplichting tot het melden van archeologische toevalsvondsten, zoals in artikel 5.10 van de Erfgoedwet is opgenomen. Dit artikel luidt als volgt: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.”
Het gaat dan bijvoorbeeld om archeologische vondsten, oud muurwerk, een beerput of een waterput. Ook wordt geadviseerd om de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oude IJsselstreek in voorkomend geval hierover direct te informeren.
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Figuur 9: Uitsnede van de topografische kaart uit 1850 met het plangebied in het midden van de kaart weergegeven met een open rondje (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 10: Uitsnede van de topografische kaart uit 1900 met het plangebied in het midden van de kaart weergegeven met een open rondje (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 11: Uitsnede van de topografische kaart uit 1950 met het plangebied in het midden van de kaart weergegeven met een open rondje (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 12: Uitsnede van de topografische kaart uit 2020 met het plangebied in het midden van de kaart weergegeven met een open rondje (bron: topotijdreis.nl)
Op de topografische kaarten in figuren 9 tot en met 12 is de ontwikkeling rondom het plangebied goed zichtbaar. In 1850 bestond de Egginkstraat al als één van de wegen naar het hooggelegen Silvolde. Hoewel de woonboerderij in huidige vorm eind 19e eeuw vergund en gebouwd is, stond er in 1850 al iets van bebouwing op/bij het plangebied. De huidige Seesinkbeek nog juist ten noorden van Silvolde is cultuurhistorisch waardevol, maar heette destijds de Lovinksche beek.
De woonboerderij is geruime tijd in gebruik geweest als zorgboerderij. De boerderij heeft karakteristieke kenmerken, maar heeft geen monumentale status. De geplande (ver)nieuwbouw met behoud van de huidige bebouwingscontour, inhoud en karakteristieke voorgevel refereert aan deze karakteristieke kenmerken. De cultuurhistorische waarden van deze woonboerderij worden hiermee gerespecteerd.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Daarnaast worden gebieden beschermd via het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), dat in Gelderland is vertaald in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). Beide gebiedsaanduidingen zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland. Om te beoordelen of het plan aan de Wet natuurbescherming voldoet, is een 'Quickscan Natuurwaardenonderzoek Egginkstraat 3 - Silvolde' door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. Het onderzoeksgebied is op 28 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Het rapport d.d. 10 oktober 2023 is als Bijlage 3 bijgevoegd, de samenvattende conclusies worden onderstaand weergegeven.
Soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Er nestelen geen vogels in het plangebied en amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten er geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats. Het plangebied is tevens geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wet natuurbescherming.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
In deze quickscan is overigens niet betrokken dat er ten behoeve van dit initiatief een landschappelijk inpassingsplan wordt uitgevoerd, waardoor de biodiversiteit wordt vergroot.
Gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand worden uitgesloten, er is geen nader onderzoek vereist. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden eveneens uitgesloten.
Stikstofdepositie
Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie- en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend.
De planlocatie aan de Egginkstraat 3 te Silvolde is globaal op een vergelijkbare afstand van 16 en 17 km tot de dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen en Rijntakken nabij Lobith) gelegen als de planontwikkeling van het bestemmingsplan 'Woongebied Rivierduinen, vml. Buizenfabriek Silvolde' (NL.IMRO.1509.BP000166-VA01) gelegen. Deze herontwikkeling van een buizenfabriek naar 68 woningen en bijbehorende inrichting is een aanzienlijk grotere ontwikkeling dan voorliggend planinitiatief met de (ver)nieuwbouw van één grote woning. Beide planlocaties zijn slechts op een halve kilometer afstand van elkaar gelegen. Bij de voor die grootschalige planvorming uitgevoerde Aerius-berekeningen in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar berekend. Daarmee wordt geconcludeerd dat in dat geval geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de zowel de aanleg- als gebruiksfase van het plan. Gezien de veel kleinere omvang van de planontwikkeling aan de Egginkstraat 3 kunnen significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
Tevens wordt opgemerkt dat effecten op Natura 2000-gebieden in Duitsland zijn uit te sluiten. In Duitsland geldt een ander toetsingskader waardoor een hogere stikstofdepositie is toegestaan (7,14 mol/ha/jaar). Grenzend aan de Nederlands - Duitse grens nabij Netterden ligt op circa 7,5 kilometer vanaf het plangebied het Natura 2000 gebied Hetter-Millingerbrug. Gezien de berekende stikstofdepositie op de natuurgebieden in Nederland, in combinatie met de afstand tot het natuurgebied, is het niet aannemelijk dat dergelijke hoge deposities worden verwacht op de natuurgebieden in Duitsland. Ook directe effecten zijn, gezien de afstand tot de planlocatie, uitgesloten.
Het aspect flora en fauna inclusief stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
Geluid kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen en voorkeursgrenswaarden langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen opgenomen waarop bepaalde inrichtingen (grote lawaaimakers) zijn gevestigd of zich kunnen vestigen. Om die reden zijn er langs (spoor)wegen en deze industrieterreinen geluidszones opgenomen.
Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen de zone van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein, hoeft alleen aandacht besteed te worden aan het aspect wegverkeerslawaai.
Met voorliggend plan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd. Met de (ver)nieuwbouw en functieverandering van de bedrijfswoning van de zorgboerderij naar burgerwoning wordt geen extra of nieuwe woning toegevoegd. Een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai van de Egginkstraat is om die reden niet noodzakelijk. Met de grootschalige (ver)nieuwbouw wordt overigens wel voldaan aan extra isolatie-eisen, waardoor een akoestische binnenwaarde van 33 dB overeenkomstig het Bouwbesluit 2012 zonder meer gerealiseerd zal worden.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend initiatief.
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.
Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
Voorliggend plan betreft slechts de functieverandering van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen' zonder de toevoeging van extra woningen. Er worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.
Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen:
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve afstand hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve afstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald.
De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied.
In onderhavig geval is sprake van een rustig buitengebied, vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Er is geen reden om de richtafstanden met één afstandsstap te verlagen. Een woning wordt in de VNG-handreiking niet aangemerkt als een milieubelastende functie. De functieverandering van de maatschappelijke functie als zorgboerderij naar een woning levert daarom geen beperkingen op voor nabijgelegen burgerwoningen.
In de omgeving van de planlocatie komen de volgende bedrijven voor:
Geconcludeerd kan worden dat omliggende bedrijven niet gehinderd worden door de functieverandering op de planlocatie. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in:
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Figuur 13: Uitsnede Risicokaart met de planlocatie ter plaatse van het open blauwe cirkeltje (bron: risicokaart.nl/atlasleefomgeving.nl)
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In figuur 13 is een uitsnede van de risicokaart met de omgeving van de planlocatie weergegeven. De dichtstbijzijnde risicobron op de kaart betreft het LPG-tankstation aan de Berkenlaan in Silvolde. Deze is op ca. 900 meter afstand gelegen van de planlocatie. De plaatsgebonden risicocontour (blauwe cirkel) evenals het brandaandachtsgebied (rode gearceerde cirkel) en het explosieaandachtsgebied (okerkleurige gearceerde cirkel) van de installatie zijn op grote afstand van de planlocatie gelegen.
Ter plaatse van en in de nabijheid van de Egginkstraat 3 bevinden zich geen stationaire of mobiele risicobronnen.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is om waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale water- beleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om over- stromingen te voorkomen.
In het Nationaal Water Programma 2022-2027 worden allereerst de nationale belangen opgesomd:
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities:
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening.
Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's:
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert.
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Beleid Waterschap Rijn en IJssel en gemeente Oude IJsselstreek
De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een Gemeentelijk Waterplan 2010-2020 opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen.
Naast het Gemeentelijk Waterplan 2010-2020 geldt ook het Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2020. In het rioleringsplan wordt aangegeven dat een particulier een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het hemelwater dat op eigen terrein valt. Bij nieuwbouw verwerkt de particulier het hemelwater op eigen perceel.
Watertoets
Het Waterschap Rijn en IJssel geeft in de 'Handreiking Watertoets' de inhoudelijke thema's voor de watertoets. Deze vormen de basis voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor dit initiatief van belang zijnde waterhuishoudkundige thema's opgenomen.
zijnde waterhuishoudkundige thema's opgenomen.
| Thema | Toetsvraag | Relevantie | Intensiteit# |
| Veiligheid | 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
2 2 |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
2 1 1 |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
2 1 1 1 |
| Oppervlaktewaterkwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Nee | 1 |
| Grondwateroverlast | 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? |
Nee Nee Nee Nee |
1 1 1 1 |
| Grondwaterkwaliteit | 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee | 1 |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
1 2 |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
1 1 |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
2 2 1 1 |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee | 1 |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee | 2 |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee | 1 |
Figuur 14: Watertoetstabel ingevuld voor het planinitiatief
De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. In dit geval geldt op grond van de tabel de verkorte watertoets.
Alle vragen zijn ontkennend beantwoord, zodat er geen wateradvies bij het waterschap hoeft te worden gevraagd. Voor zover het vrijkomende hemelwater in het plangebied door de voorgaande eigenaar nog niet in de bodem werd geïnfiltreerd, zal dit door de initiatiefnemer en huidige eigenaar wel worden gedaan. Het erf is en blijft grotendeels onverhard, zodat afstromend hemelwater van de bebouwing alhier kan infiltreren. Daarnaast wordt met de landschappelijke inpassing een wadi gerealiseerd, zodat bij overvloedige regenval het hemelwater hier naartoe kan stromen en vervolgens geleidelijk in de bodem kan zakken.
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.
Verkeer
Het voorgenomen plan voorziet in een functieverandering van een maatschappelijke bestemming, zijnde een zorgboerderij naar een woonfunctie. De bedrijfswoning wordt daarbij omgezet naar een burgerwoning, zodat de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de woning op zichzelf ongewijzigd blijft. Hoewel de zorgboerderij al geruime tijd beëindigd was, waren planologisch de verkeersbewegingen behorend bij het agrarisch bedrijf en het komen en gaan van de zorgcliënten c.q. hulpboeren toegestaan. Met de nieuwe woonbestemming vervalt deze extra verkeersgeneratie. Voor de verkeersgeneratie kan o.b.v. de kengetallen van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') uitgaande van één woning binnen de categorie 'koop, huis, vrijstaand', een niet-stedelijke verstedelijkingsgraad en het gebiedstype 'buitengebied' uitgegaan worden van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. De bestaande ontsluiting van de planlocatie op de Egginkstraat wordt gehandhaafd. Deze weg heeft voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen op te vangen.
Parkeren
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan 2012 - 2020 (GVVP) van de gemeente Oude IJsselstreek. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van één woning in de categorie 'Woning duur' in de 'Rest bebouwde kom'. Hiervoor wordt een parkeernorm van gemiddeld 2,1 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Afgerond naar boven betekent dit dat er minimaal 3 parkeerplaatsen binnen de planlocatie gerealiseerd moeten worden en in stand worden gehouden. Binnen het toekomstige woonperceel is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
Binnen en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen gelegen die een belemmering zouden kunnen vormen voor voorliggend plan.
Om de functieverandering mogelijk te maken dient een wijzigingsplan dan wel een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld. Het bevoegd gezag dient ten behoeve van deze bestemmingsplanwijziging een apart besluit te nemen over de vormvrije m.e.r. beoordeling. De vormvrije m.e.r-beoordeling is erop gericht om vast te kunnen stellen of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, en alsdan een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Daartoe is deze aanmeldnotitie opgesteld (zie het vervolg van deze paragraaf).
De functieverandering en het Besluit m.e.r.
In artikel 7.2 van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat in het Besluit milieueffectrapportage, "activiteiten", "categorieën van gevallen" en "categorieën van plannen" zijn opgenomen waarvoor bij het opstellen het plan ook een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Daarnaast is in het Besluit m.e.r. opgenomen dat voor plannen waarbij geen sprake is van een overschrijding van de in het Besluit m.e.r. opgenomen richtinggevende drempelwaarden (de "categorieën van gevallen"), maar die mogelijk toch een belangrijk negatief milieueffect kunnen hebben een zogenoemde "vormvrije m.e.r.-beoordeling" moet worden opgesteld.
In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is onderhavige ontwikkeling aangemerkt als nr. D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in lijst D van het besluit m.e.r. zijn gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Onderhavig plan heeft betrekking op de functieverandering van de bestemming 'Maatschappelijk' naar 'Wonen', waarbij geen extra woning wordt toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van de genoemde categorieën van gevallen. De drempelwaarden worden niet overschreden.
Een wijzigingsplan of een bestemmingsplan is een plan als bedoeld in "categorieën van plannen" bij deze activiteit. Dit betekent dat voor het bestemmingsplan, voor zover deze planontwikkeling gezien wordt als m.e.r.-activiteit “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”, alsnog het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
Vormvrije m.e.r. beoordeling
De vorm van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is weliswaar vrij, maar aan de inhoud van de beoordeling worden wel voorwaarden gesteld. In de beoordeling moeten de in "Bijlage III" van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' opgenomen zogenoemde selectiecriteria worden overwogen. Deze selectiecriteria zijn:
Dit project voorziet in de functieverandering van de planlocatie van een maatschappelijke bestemming naar een woonbestemming, waarbij geen woningen worden toegevoegd. De kenmerken van dit planinitiatief zijn nader omschreven in hoofdstuk 2, waarin zowel de huidige als de toekomstige situatie wordt beschreven.
Gelet op de soort activiteit, een functiewijziging met (ver)nieuwbouw van bedrijfswoning naar burgerwoning en de grote afstand tot aan de Natura 2000-gebieden, is in paragraaf 4.3 onder het kopje Stikstofdepositie geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden. Uit de overige (milieu)onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van dit wijzigingsplan, blijkt dat er ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en dat er geen sprake is van negatieve gevolgen voor het milieu is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapportage op te stellen.
Het aspect m.e.r. beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Een bestemmingsplan regelt derhalve
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.
Juridische status
Dit bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Eventuele bijlagen bij de regels zijn eveneens juridisch bindend.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmings- c.q. wijzigingsplan tezamen met eventuele bijlagen geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012).
Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:
Hoofdstukindeling van de regels
De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:
Bijzonderheden in dit plan
De regels in dit wijzigingsplan zijn op dezelfde wijze opgesteld als bij een bestemmingsplan, zoals hiervoor is beschreven. Voor een wijzigingsplan gelden immers dezelfde voorwaarden als bij een bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' op 28 juni 2018 in artikel 12.6 een wijzigingsbevoegdheid vastgesteld, waarbij zij burgemeester en wethouders de bevoegdheid geven om de bestemming 'Maatschappelijk' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' onder een aantal voorwaarden. In paragraaf 1.3 is getoetst aan deze voorwaarden en gebleken dat hieraan voldaan wordt.
Nu de raad van de gemeente Oude IJsselstreek reeds heeft ingestemd met dit planologisch juridische kader en voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden, is de vaststelling van een wijzigingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.
In dit wijzigingsplan is alleen de bestemming 'Wonen' opgenomen. Er zijn geen dubbelbestemmingen van toepassing binnen het plangebied.
Wonen
De planlocatie wordt met dit plan voorzien van de bestemming 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-gebonden beroepen en een bed en breakfast. De woning dient binnen het bouwvlak te worden opgericht. Normaal gesproken geldt er een maximale inhoud per woning van 750 m3 en een maximale bouwhoogte van 8 m en een maximale goothoogte van 3,5 m. Teneinde de (ver)nieuwbouw van de woonboerderij met de bestaande maatvoeringen mogelijk te maken, wordt met aanduidingen een afwijkende inhoud en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 1.265 m3 en 9 m.
Bijbehorende bouwwerken mogen een maximale oppervlakte hebben van 150 m2 met een maximale bouwhoogte van 6 m en een maximale goothoogte van 3 m. De beide schuren die buiten het bouwvlak zijn gelegen, zijn in het verleden met bouwvergunning gerealiseerd. Deze vallen derhalve onder het overgangsrecht en mogen slechts gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd. Deze beide bijgebouwen zijn buiten het bouwvlak gelegen en overschrijden de maximale oppervlaktemaat voor bijbehorende bouwwerken, zodat deze bebouwing niet kan worden teruggebouwd als deze eenmaal is verdwenen. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 2 meter (erf- en terreinafscheidingen), dan wel 1 meter (erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn) of 3 meter (overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde).
Voorwaardelijke verplichtingen
In het wijzigingsplan zijn twee voorwaardelijke verplichtingen in de algemene gebruiksregels opgenomen.
De eerste voorwaardelijke verplichting borgt dat het landschappelijk inrichtingsplan wordt uitgevoerd. De regel regelt dat de woning uitsluitend mag worden bewoond, indien binnen twee jaar na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan het landschappelijk inrichtingsplan is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.
De tweede voorwaardelijke verplichting borgt dat de bodemsanering ter plaatse van de vervuiling met minerale olie aan de noordzijde van de middelste grote schuur wordt uitgevoerd. De regel regelt dat de woning uitsluitend mag worden bewoond, indien binnen één jaar na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan de bodemsanering is uitgevoerd.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten beperken zich tot de ambtelijke kosten welke verbonden zijn aan het voeren van de planologisch procedure en worden verhaald middels de legesverordening. Tevens zal er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst en anterieure overeenkomst worden afgesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a geen exploitatieplan nodig.
Vooroverleg
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept-ontwerp van het wijzigingsplan aan de instanties toegezonden en/of besproken, voor zover er mogelijk belangen van die instanties in het geding kunnen zijn bij de uitvoering van dit planinitiatief.
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft na aankoop van de locatie buurt gemaakt. De omwonenden zijn inmiddels op de hoogte van de plannen voor de (ver)nieuwbouw van de woonboerderij en hebben geen bezwaren.
Procedure wijzigingsplan
Het ontwerp wijzigingsplan 'Buitengebied, locatie Egginkstraat 3, Silvolde' en de bijbehorende stukken heeft conform afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn van 6 weken zijn geen zienswijzen ingediend.
Na de (ongewijzigde) vaststelling van het wijzigingsplan door burgemeester en wethouders wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en ligt het wijzigingsplan wederom gedurende zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden om beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het wijzigingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.