| Plan: | Kom Ulft, locatie Eksterstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.BP000195-VA01 |
Op de locatie aan de Eksterstraat zijn in de huidige situatie braakliggende gronden aanwezig. Op de gronden hebben voorheen sociale huurwoningen gestaan. Deze zijn rond 2013 gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Als gevolg van de toenmalige regionale woningbouwafspraken in de Achterhoek, die vaststelden dat er minder woningen nodig waren, is echter besloten om de gronden een tijdelijke alternatieve invulling te geven. Gezien de huidige woningmarkt en de vraag naar nieuwe woningen is het beleid echter veranderd en wordt er ingezet op het bouwen van nieuwe woningen. De initiatiefnemer is voornemens om op locatie 22 woningen te realiseren nu de vraag naar woningen weer toegenomen is.
De bij het plangebied betrokken gronden hebben op basis van de geldende juridisch-planologische regeling 'Plan van wijziging Vogelbuurt 2016' de bestemming 'Gemengd'. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van de geldende regeling. Om die reden moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld.
Het plangebied is gelegen in de Vogelbuurt aan de noordwestzijde van de kern Ulft. Het plangebied wordt volledig omsloten door woonpercelen en bevindt zich grofweg tussen de Eksterstraat, Sperwerstraat, Hogeweg en de Vogelenzangweg. Het plangebied wordt doorkruist door de Kwartellaan.
Op de navolgende afbeeldingen zijn globaal de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Globale ligging plangebied
Globale begrenzing plangebied
Zoals reeds is gesteld, valt het plangebied onder de werking van het wijzigingsplan 'Plan van wijziging Vogelbuurt 2016', vastgesteld op 20 december 2016. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het geldende wijzigingsplan weergegeven. Het plangebied is daarop met een rood kader weergegeven.
Uitsnede geldend wijzigingsplan 'Plan van wijziging Vogelbuurt 2016'
Op grond van het geldende wijzigingsplan 'Plan van wijziging Vogelbuurt 2016' is aan het plangebied grotendeels de bestemming 'Gemengd' toegekend. Volgens de regels, behorende bij deze bestemming, zijn ter plaatse groenvoorzieningen, plantsoenen en parken, cultuur en ontspanning (onder voorwaarden), dagrecreatie, verblijfsgebieden, wegen en pleinen, voet- en fietspaden, parkeer-, speelvoorzieningen, kunstwerken en ontmoetingsplekken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair, ondergrondse containers en nutsvoorzieningen.
Daarnaast is wonen in maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal woningen toegestaan. Deze woningen moeten ook binnen het bouwvlak worden gebouwd. Omdat een bouwvlak en een aanduiding voor het maximum aantal wooneenheden niet is opgenomen, is wonen niet toegestaan in het plangebied. Om de beoogde woningbouw mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Naast de bestemming 'Gemengd' is een klein deel van de gronden aan de noordwestzijde van het plangebied bestemd als 'Wonen' en 'Groen'. Deze gronden worden in de toekomstige situatie in gebruik genomen als parkeervoorziening. Ter hoogte van de Kwartellaan en ter hoogte van de Eksterstraat zijn er gronden bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze gronden worden in de toekomstige situatie gebruikt voor ten behoeve van een parkeervoorziening, een rijbaan (Kwartellaan) en groenvoorzieningen (ter hoogte van de Eksterstraat. Op basis van de geldende planologische regeling zijn voorgenoemde toekomstige functies (grotendeels) toegestaan. De gronden zijn echter meegenomen om de eenheid en de leesbaarheid van het bestemmingsplan te vergroten.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen en bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 4) en de uitkomsten van de gevolgde procedure (Hoofdstuk 5).
In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling omschreven. Hierbij wordt als eerste ingegaan op de bestaande situatie in het plangebied, waarna de beoogde ontwikkeling nader toegelicht wordt.
Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit braakliggende gronden. In het plangebied zijn twee Spaanse aken aanwezig (veldesdoorn). Aan de zuidoostzijde zijn een aantal parkeerplaatsen aanwezig. Op de navolgende afbeeldingen wordt een impressie van de huidige situatie in het plangebied weergegeven.
Huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Eksterstraat in zuidoostelijke richting
Huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Eksterstraat in noordwestelijke richting
Voorheen hebben op de locatie sociale huurwoningen gestaan. Deze zijn rond 2013 gesloopt. De navolgende afbeeldingen geven een beeld van de situatie zoals deze tot 2013 bestond.
Luchtfoto situatie plangebied omstreeks 2013
Aanzicht bestaande woningen omstreeks 2010, gezien vanaf de Kwartellaan
De ontwikkeling voorziet in de bouw van 22 grondgebonden woningen. De 22 grondgebonden woningen bestaan uit zeventien rijwoningen, vier twee-aaneengebouwde woningen en één vrijstaande woning.
Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundige opzet gemaakt, deze is weergegeven in navolgende afbeelding. Opgemerkt wordt dat het stedenbouwkundige ontwerp nog geen definitieve status heeft, mogelijk wordt de opzet nog (beperkt) aangepast.
Stedenbouwkundige opzet
In het plan zijn meerdere parkeerkoffers voorzien. Deze bevinden zich aan de Kwartellaan, aan de noordwestzijde en tussen twee woonblokken aan de zuidoostzijde. Naast deze openbare parkeerplaatsen worden bij de twee-aaneengebouwde woningen, de vrijstaande woning en de hoekwoningen van de drie-aaneengebouwde woningen parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd. Op het perceel van elk van deze woningen wordt voorzien in twee parkeerplaatsen.
De bestaande Spaanse aken (veldesdoorn) in het plangebied blijven behouden. Deze zijn op voorgaande afbeelding in het geel weergegeven. Daarnaast worden aan de Eksterstraat en ter plaatse van de parkeerkoffers nieuwe bomen ingeplant. Deze bomen zijn met een donkergroene kleur weergegeven.
In het stedenbouwkundige plan zijn twee blokken van vijf-aaneengebouwde woningen opgenomen. Deze woningen bevinden zich in de categorie betaalbaar (huur en/of koop). De overige woningen betreffen vrije sectorwoningen (huur en/of koop).
Negen van deze vrije sectorwoningen zullen worden uitgevoerd als levensloopbestendig. Op voorgaande afbeelding betreffen dit rijwoningen in rijen van drie en vier en de twee-aaneengebouwde woningen op de hoek van de Eksterstraat met de Kwartellaan.
De levensloopbestendige woningen bestaan uit twee bouwlagen, waarbij de bovenste bouwlaag zich onder een kap bevindt. Deze woningen hebben een goot- en bouwhoogte van respectievelijk circa 4,5 m en 7,5 m. De overige woningen (categorie eengezinswoning) hebben drie bouwlagen, waarbij de bovenste laag zich eveneens onder een kap bevindt. De goot- en bouwhoogte van deze overige woningen bedraagt respectievelijk circa 7,5 m en 11 m.
In de regels van het bestemmingsplan en de verbeelding zijn de juridisch-planologische kaders van de (her)ontwikkeling van het plangebied opgenomen. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.3 van deze toelichting.
Met de realisatie van 22 woningen in de kern Ulft wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen op lokaal en regionaal niveau. Onderhavig plan versterkt daarnaast de vitaliteit van de kern Ulft door te zorgen voor een vergroting van het draagvlak van de bestaande voorzieningen.
Ten behoeve van de bestemmingsplanherziening moet de uitvoerbaarheid van het plan worden aangetoond. Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, water, externe veiligheid, archeologie en economische haalbaarheid. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. In dit hoofdstuk is aangegeven wat hiervan de resultaten zijn.
In deze paragraaf wordt een analyse gegeven van het relevante beleidskader. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend bestemmingsplan, worden in deze paragraaf behandeld. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is het relevante beleid op Europees niveau buiten beschouwing gelaten en op Rijksniveau beperkt gehouden. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende plan.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving:
In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes:
De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening.
Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toetsing rijksbeleid
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. De ontwikkelingen in het plangebied zouden kunnen worden aangemerkt als een woningbouwlocatie. Deze term is echter niet gedefinieerd in het Bro.
Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met elf woningen niet hoeven te worden aangemerkt als woningbouwlocatie, maar grotere woningbouwplannen wel. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 22 woningen. Om die reden is de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing. Voor het initiatief is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd.
De ladder voor duurzame verstedelijking is als Bijlage 1 bijgevoegd. Op basis van recente gegevens blijkt dat er een actuele vraag is naar meer woningen. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in de realisatie van verschillende type woningen voor verschillende doelgroepen. Hiermee wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen binnen de gemeente Oude IJsselstreek. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Met de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn geen overige nationale belangen gemoeid.
Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'
Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.
Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:
Voor dit bestemmingsplan zijn de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing.
Woon- en leefklimaat
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.
Klimaatadaptatie
Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hierbij goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken.
De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelen wil de provincie Gelderland benutten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst.
Omgevingsverordening
De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' relevant.
Wonen, instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda (art. 2.2)
In de verordening wordt aangegeven dat dat nieuwe woningen alleen mogelijk zijn als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:
Instructieregel klimaatadaptie (art. 2.65b)
De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Voor de beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas.
Toetsing provinciaal beleid
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 grondgebonden woningen. Voorheen hebben er op de locatie ook woningen gestaan. Met het plan is sprake van inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied. Met de bouw van verschillende type woningen (rijwoningen, twee-aaneengebouwde woningen en een vrijstaande woning) wordt er voldaan aan de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen binnen de gemeente, zoals starters en senioren. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan een duurzaam en divers woon-en leefklimaat in de gemeente Oude IJsselstreek. Tot slot draagt de realisatie van de woningen bij aan de behoefte en ondersteuning van het voorzieningenniveau in Ulft en omgeving. Verdere toetsing vindt plaats op basis van het regionaal beleid (zie paragraaf 3.2.4). Hierin is voldoende onderbouwing gegeven dat het plan past binnen de afspraken zoals die gemaakt zijn in de regionale woonagenda.
Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de provinciale Omgevingsvisie en de regels op het gebied van 'wonen' en 'klimaatadaptatie'. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Regionale woonagenda Achterhoek 2015-2025
Op 19 mei 2015 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de Regionale woonagenda Achterhoek 2015-2025 vastgesteld als opvolger van de Regionale Woonvisie 2010-2020. De Regionale woonagenda schetst de kaders en geeft ruimte om de inhoud mede door andere partijen te laten invullen. Daarmee verschuift de rol van de overheid van inhoudelijk bepalend naar procesbegeleidend. Kernbegrippen zijn kaders stellen, faciliteren en ruimte geven. De kernboodschap voor de komende jaren luidt dan ook:
De zeven gemeenten uit de regio zijn na vaststelling van de Regionale woonagenda begonnen om deze lokaal uit te werken. Deze lokale uitwerking is een update van de Regionale woonagenda, welke nog uitging van een krimpscenario. In de lokale uitwerking is er niet langer sprake van een krimpscenario. In de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek' wordt tevens niet langer uitgegaan van een krimpscenario (zie navolgende paragraaf).
De gemeente Oude IJsselstreek heeft daartoe de 'Beleidsnotitie Woningbouwplannen Oude IJsselstreek' op 24 november 2016 vastgesteld. De opgaven uit de Regionale woonagenda die betrekking hebben op de kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad zijn op lokaal niveau verder uitgewerkt. De 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' en de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' zijn vervolgens vastgesteld en in april 2021 vernieuwd (zie paragraaf 3.2.5).
Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek
De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt langer aan dan eerder voorzien. Dit betekent dat er extra woningen moeten komen bovenop het aantal dat in het verleden in afspraken was vastgelegd. Er moet meer ruimte gegeven worden aan de bouw van extra woningen. De prioriteit moet daarbij liggen op woningen waar nu behoefte en een duidelijk tekort aan is. Het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO) geeft een helder advies over de bouwopgave: blijf bouwen voor starters en creëer geschikt aanbod waar (actieve) senioren naar kunnen doorstromen. Dit is vertaald naar het geven van extra ruimte door scherpe voorwaarden te stellen aan nieuwe initiatieven voor woningbouw. Met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek' zijn regionaal kwalitatieve criteria afgesproken waaraan de gemeenten nieuwe plannen moeten toetsen. Dit betreft de volgende drie kwaliteitscriteria:
In september 2019 stemden de zeven gemeenteraden in de Regio Achterhoek in met de kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek. In oktober 2019 is deze door de provincie Gelderland vastgesteld. De kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw zijn doorvertaald in de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' en 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' van de gemeente Oude IJsselstreek (zie paragraaf 3.2.5).
Toetsing regionaal beleid
In de Regionale Woonagenda en Woonvisie wordt aangegeven dat er (bijna) voldoende woningen zijn om te voorzien in de vraag en dat het aantal woningbouwplannen wordt teruggebracht. Op basis van meer recente gegevens uit het AWLO naar de leefbaarheid in de regio blijkt echter dat er juist wel een actuele vraag is naar meer woningen.
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 woningen in verschillende type woningen (rijwoningen, twee-aaneengebouwde woningen en een vrijstaande woning) binnen bestaand stedelijk gebied. Voorheen hebben er op de locatie ook woningen gestaan. Deze woningen zijn destijds gesloopt ten behoeve nieuwbouw. Doordat er, zoals in de regionale woonagenda is aangegeven, sprake was van krimp in de gemeente is er voor gekozen om na de sloop een tijdelijke alternatieve invulling te geven aan het gebied. De verschillende type woningen worden gebouwd voor verschillende doelgroepen, waaronder starters, senioren en doorstromers binnen de gemeente Oude IJsselstreek. Negen woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd en tien bevinden zich in de categorie betaalbaar. Er wordt daarmee voldaan aan de vraag naar woningen voor zowel starters, senioren als doorstromers binnen de gemeente Oude IJsselstreek. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek'.
Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto 'de juiste woning op de juiste plaats', spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.
De gemeente Oude IJsselstreek kiest waar mogelijk voor inbreiding. Met wijkverbeteringsplannen en geplande nieuwbouwplannen, ziet de gemeente kansen voor het realiseren van meer variatie en onderscheid in het woonaanbod. Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning.
Beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek
De beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek is op 24 november 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Belangrijkste opgave voor de toekomst is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van deze bestaande voorraad. Dit kan door middel van het stimuleren van verduurzaming en levensloopbestendigheid. Daarnaast moeten plannen ontwikkeld worden voor vervangende nieuwbouw. De nieuwbouw is slechts een onderdeel van de totale opgave binnen de volkshuisvesting. Deze notitie gaat in op de beperkte woningbouwopgave in de gemeente en waar deze nieuwbouw de meeste toegevoegde waarde heeft.
Ook voor de 'Beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek' geldt dat deze uitgaat van een krimpscenario, terwijl dit niet langer het geval is. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' is hierbij een relevanter beleidsstuk.
Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek
In de Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt.
Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoefte voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzetten. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid. Daarbij gaat het om huurwoningen tussen €500,- en €850,- per maand en/of koopwoningen van maximaal €225.000,- v.o.n. (prijspeil januari 2021). De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Het bouwen van woningen op locaties met leegstaand vastgoed heeft de voorkeur. Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik gaat woningbouw op inbreidingslocaties voor op uitbreiding aan de randen van onze kernen.
Toetsing gemeentelijk beleid
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal 22 grondgebonden woningen. De grondgebonden woningen worden uitgesplitst in vier twee-aaneengebouwde woningen, zeventien rijwoningen en één vrijstaande woning. Negen woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Daarnaast zullen er tien rijwoningen ontwikkeld worden in de categorie betaalbaar.
Het overgrote deel van de woningen, namelijke de levensloopbestendige woningen en de rijwoningen in de categorie betaalbaar, voldoet aan de Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek. Deze woningen worden gerealiseerd ten behoeve van senioren en starters. De overige woningen drie zullen voornamelijk doorstromers als doelgroep aantrekken.
De ontwikkeling voldoet tevens aan de Beleidsnotitie Woningbouwplanning Oude IJsselstreek, waarin gesteld wordt dat bij voorkeur plannen worden ontwikkeld voor vervangende nieuwbouw. Met de ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van woningen voor verschillende doelgroepen. Met de bouw van de woningen wordt voorzien in de actuele behoefte aan kwalitatief hoogwaardige woningen in de gemeente Oude IJsselstreek. De nieuw te bouwen woningen creëren inbreiding binnen het bestaand stedelijk gebied.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende aspecten milieu- en omgevingsaspecten waar rekening mee moet worden gehouden. Om de haalbaarheid van de ontwikkeling aan te tonen, is voor een deel van deze aspecten onderzoek verricht. In de betreffende paragrafen worden de bevindingen uit de onderzoeken nader toegelicht.
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen.
Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).
De voornoemde drempelwaarden hebben een indicatief karakter, hetgeen inhoudt dat ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden een (vormvrije) beoordeling dient plaats te vinden of het planvoornemen kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Hierin worden drie hoofdthema's genoemd 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten':
Toetsing
Voor de activiteiten en functies die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt geldt geen directe MER-plicht. Wel geldt er een m.e.r.-beoordelingsplicht, maar omdat de activiteit onder de relevante drempelwaarde blijft, is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat er een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Om die reden is een Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. Op basis van deze aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen, risico's of negatieve effecten voor gevoelige gebieden te verwachten zijn. Er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage.
Conclusie
Het bestemmingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Toetsing
Door Buro Ontwerp en Omgeving is in juni 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld.
In de bovengrond (en sporadisch tot 1 m -mv) is plaatselijk een bijmenging met sporen baksteen aangetroffen. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal zijn op indicatieve wijze geen asbestverdachte materialen waargenomen.
In zowel de bovengrond met bijmenging van sporen baksteen als de zintuiglijk schone bovengrond liggen de gemeten gehaltes PCB en/of PAK boven de achtergrondwaarde. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters in gehaltes boven de achtergrondwaarde gemeten. In het grondwater liggen de gemeten concentraties onder de streefwaarde.
De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op basis van het onderzoek geen belemmering voor de herziening van het bestemmingsplan en de voorgenomen woningbouw.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.
Toetsing
Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van 22 nieuwe woningen. Woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen. Het plangebied bevindt zich in een rustige woonwijk en ligt niet in de buurt van de hoofdontsluitingen van Ulft. Voor de omliggende wegen geldt een 30 km/u regime. Voor wegen met een 30 km/u regime is geen onderzoekszone van toepassing en is het ook niet mogelijk om eventuele hogere grenswaarde te verlenen. Gezien de verkeersintensiteiten van de nabijgelegen wegen is er dan ook geen geluidhinder te verwachten op de woningen.
Desalniettemin is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2022 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Hieronder worden de conclusies va het onderzoek kort behandeld.
Selectie van geluidsbronnen
In de omgeving van de nieuwe woningen bevinden zich wegen. Gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen is dan ook niet nodig.
De wegen rond de ontwikkeling hebben een 30 km-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op doorgaande rijroute (Eksterstraat, Sperwerstraat en Hogeweg) zijn dusdanig hoog dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten.
De overige straten zijn woonstraten met een lage verkeersintensiteit. Gezien de lage verkeersintensiteiten is het te verwachten dat de er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB is. Voor de omliggende woonstraten is dan ook geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.
Resultaten
De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de omliggende 30 km/u wegen bedraagt 51 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt voldaan. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel.
Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of wenselijk om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het initiatief.
Algemeen
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
Toetsing
Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (c.q. het Activiteitenbesluit) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
Voor de beoordeling van geurhinder van industriële bedrijven gelden de volgende kaders:
Bij ruimtelijke besluitvorming gaat het erom dat er voor geurhinder voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Gezien bovenstaande is het nodig om voldoende afstand aan te houden tussen bedrijven en geurgevoelige objecten. De richtafstanden uit de VNG brochure 'bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn hierbij leidend.
Toetsing
Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van 22 woningen. In de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling bevinden zich geen dierenverblijven van veehouderijen, en daarmee ook geen voor geurhinder van belang zijnde agrarische bedrijven.
In de omgeving van het plangebied bevindt zich een industrieterrein. Op dit industrieterrein kunnen zich bedrijven met geur vestigen. Voor het bedrijventerrein wordt voldaan aan de richtafstanden (zie paragraaf 3.3.8). Voor de bedrijven op het bedrijventerrein is meestal het Activiteitenbesluit van toepassing waar ook voorschriften voor geur zijn vastgelegd. Bestaande bedrijven moeten voldoen aan deze voorschriften. In de huidige situatie voldoen de bedrijven aan de voorschriften. Voor bestaande woningen, die dichterbij het bedrijventerrein zijn gelegen dan de te ontwikkelen woningen, is voldaan aan deze regels en deze woningen werken al belemmerend voor mogelijke geurhinderlijke bedrijven. De nieuw te realiseren woningen zijn daarom niet meer belemmerend voor omliggende bedrijven dan de bestaande woningen. Nieuw te vestigen bedrijven op het bedrijventerrein moeten daarnaast ook voldoen aan de voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Gezien bovenstaande is er geen sprake van onaanvaardbare geurhinder binnen het plangebied. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Ook is er geen sprake van belemmering van omliggende bedrijven.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Het onderwerp geur vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling.
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Circulaire effectafstanden LPG-tankstations
In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik
Op grond van het beleid dat in de circulaire is vastgelegd, dient rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen een veiligheidsafstand te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels. Deze veiligheidsafstand moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd. In de circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten.
Activiteitenbesluit milieubeheer
In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico (PR) als risiconorm.
Vuurwerkbesluit
Het Vuurwerkbesluit geeft veiligheidsafstanden voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk.
Toetsing
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 woningen in de bebouwde kom van Ulft. Er is hiermee sprake van de realisatie van kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een groen kader.
Uitsnede risicokaart Nederland
Stationaire bronnen
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen stationaire bronnen die een risico vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied.
Mobiele risico bronnen
Binnen circa 650 meter van het plangebied liggen twee buisleidingen. De leidingen hebben de volgende kenmerken:
| Naam leiding | Uitwendige diameter | Werkdruk | Invloedsgebied Groepsrisico | Afstand tot plangebied |
| N-566-01 | 12,67 inch | 40,00 bar | 140 meter | 595 meter |
| N-569-80 | 8,62 inch | 40,00 bar | 95 meter | 630 meter |
Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het groepsrisico voor de genoemde buisleidingen. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Vervoer gevaarlijke stoffen
In en rondom Ulft en Gendringen bevinden zich diverse LPG-tankstations. Deze dienen bevoorraad te worden en het is daarbij aannemelijk dat hiervoor de omliggende provinciale wegen (N817 Oude IJsselweg en de N317 Ulftseweg) voor worden gebruikt. Het transport van LPG valt onder de categorie GF3 (brandbare gassen). Conform de Handleiding risicoanalyse transportroutes, tabel 4-2, heeft GF3 een invloedsgebied (1% letaliteitszone) van 355 meter. De N317 ligt het dichtst bij het plangebied en ligt op circa 500 meter. Daarmee reikt het invloedsgebied niet over het plangebied en is daarmee niet relevant vanuit het oogpunt externe veiligheid.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Algemeen
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.
Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen.
Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en het buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype 'rustig woongebied'. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap worden verkleind. Een richtafstand van 50 meter is op die manier bijvoorbeeld te verlagen naar 30 meter. In gevallen waarbij het onderdeel gevaar de richtafstand bepaalt, mag dit niet zomaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de voorgenomen woning.
Toetsing
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 grondgebonden woningen in de bebouwde kom van Ulft. Gezien de omliggende functies (voornamelijk wonen) is er sprake van een 'rustige woonwijk'. Het plangebied ligt op enige afstand van een industrieterrein.
Bedrijvigheid in het plangebied
Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De woningen zijn wel gevoelig voor eventuele milieuhinder van bedrijvigheid in de omgeving.
Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied
Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Er zijn zes functies in de omgeving van het plangebied die eventuele hinder kunnen veroorzaken:
| Functie | Geur | Stof | Geluid | Gevaar | Grootste afstand | Werkelijke afstand |
| 1. Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven | 0 | 0 | 10 | 0 | 10 | circa 15 m |
| 2. Bedrijven t/m categorie 2, (minimale afstand 30 meter) | - | - | - | - | - | circa 115 m |
| 3. Bedrijven t/m categorie 3.2 (minimale afstand 100 meter) | - | - | - | - | - | circa 190 m |
| 4. Bedrijven t/m categorie 4.1 (minimale afstand 200 meter) | - | - | - | - | - | circa 294 m |
| 5. Kinderboerderij | 30 | 10 | 20 | 0 | 30 | circa 75 m |
| 6. Detailhandel | 0 | 0 | 10 | 0 | 10 | circa 149 m |
Het plangebied valt buiten de bovengenoemde richtafstanden. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de woningen goed ingepast kunnen worden in een gebied met overwegend woningen. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling aan het noordelijke deel van de Eksterstraat zorgt daarnaast niet voor belemmering van omliggende bedrijven
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
Beleid
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel.
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda.
Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied
De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Situatie plangebied
Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit braakliggende gronden. De gronden zijn ingezaaid met gras. Voorheen hebben op de locatie sociale huurwoningen gestaan. Deze zijn rond 2013 gesloopt. In paragraaf 2.2 is een luchtfoto van de voormalige situatie weergegeven.
In de toekomstige situatie worden in het plangebied 22 grondgebonden woningen gerealiseerd. Ten opzichte van de voormalige situatie (voor 2013) zal het verhard oppervlakte niet of nauwelijks toenemen. Het plangebied dient echter wel afgekoppeld te worden, iets wat in de vorige situatie niet aan de orde was. Om deze reden dient het hemelwater afkomstig van de nieuw te bouwen woningen en bijbehorende verhardingen worden in het plangebied geïnfiltreerd. Daarnaast dienen er nieuwe parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden waar tevens waterhuishoudkundige voorzieningen voor dienen te worden getroffen.
Het waterschap hanteert voor deze ontwikkeling een bergingseis van 20 mm per m2 verharding wat op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2023 een memo opgesteld. Deze memo is bijgevoegd als Bijlage 5 bijgevoegd. Hieronder worden de conclusies hiervan kort besproken.
Voor de berging van het hemelwater zal dan ook gekozen worden voor het aanbrengen van infiltratiekratten. Deze infiltratiekratten zullen bij voorkeur worden aangebracht in de voortuinen. Hierdoor kan bij extreme neerslag, als het systeem geheel gevuld is, het hemelwater op natuurlijke wijze afstromen richting de Eksterstraat (infiltratieriolering) of in de groenstrook aan de zuidwestzijde van het plangebied.
De hoeveelheden te bergen hemelwater wordt bepaald op basis van de voorgenomen ontwikkeling. Voor de percelen is hierbij gekeken naar het dakoppervlak van de verschillende woningen en het oppervlak van de verhardingen in de tuinen. Hierbij is als uitgangspunt gehanteerd dat 50% van de tuinen voorzien zullen worden van een verharding. Uitzondering vormen de vrijstaande woning (bouwnummer 22) en de twee-onder-een kap woningen (bouwnummers 20 en 21), hier is op basis van de grootte van de tuin uitgegaan van een verharding van 30%. De netto inhoud van een infiltratiekrat bedraagt 195 liter (0,195 m3). Voor de oppervlakte die nodig is voor de infiltratiekratten wordt uitgegaan dat er twee infiltratiekratten gestapeld worden, zodat het aantal benodigde m2 overeenkomt met het aantal infiltratiekratten. In onderstaande zijn de oppervlaktes met de bijbehorende bergingseis en het hiervoor benodigde aantal infiltratiekratten weergegeven.
Naast de verhardingen ter plaatse van de woningen zullen er diverse parkeerplaatsen en een trottoir gerealiseerd worden. Deze delen zullen in eigendom en beheer van de gemeente Oude IJsselstreek komen. Voor de berging en afvoer van het hemelwater zullen deze delen aangesloten worden op het infiltratieriool, wat aanwezig is onder de Eksterstraat.
Op basis van de voorgenomen maatregelen wordt voldaan aan de bergingseis van het waterschap. Geadviseerd wordt om het bouwvlak (minimaal) 20 cm hoger te houden als het niveau van de straat, om bij extreme neerslag wateroverlast in de woningen te voorkomen. Om de waterkwaliteit op peil te houden, zal bij de bouw van de woningen uitsluitend duurzame (niet-uitlogende) materialen worden toegepast.
Watertoets
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.
Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hiervoor wordt de normale procedure in gang gezet. De watertoets is toegevoegd als Bijlage 6.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Algemeen
Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Ergoedwet artikel 5.10, Archeologische toevalsvondst, houdt in dat als men toevallig een vondst doet waarvan vermoed kan worden dat het een archeologische vondst betreft, deze zo spoedig mogelijk gemeld moet worden. Degene die de vondst heeft gedaan is verplicht om de vondst gedurende 6 maanden ter beschikking te stellen voor wetenschappelijk onderzoek
Toetsing
Archeologie
Het plangebied ligt, volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente van de Oude IJsselstreek, grotendeels in het gebied 'Hoge archeologische verwachting'. Een archeologisch onderzoek in dergelijk gebied is nodig op het moment dat de bodemingrepen groter zijn dan 250 m2. De omvang van de bodemingrepen als gevolg van voorliggende ontwikkeling zullen circa 2.300 m2 beslaan. Om die reden is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In 2014 is door Econsultancy onderzoek gedaan naar de Vogelbuurt in de vorm van het uitvoeren van proefsleuven. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Voordat het veldwerk plaats zou vinden is in overleg met het bevoegd gezag en de opdrachtgever overeen gekomen om na de sloop van de bovengrondse delen aan de buitenzijde van de funderingen kijkgaten aan te leggen. Deze kijkgaten waren bedoeld om te kunnen vast leggen in hoeverre de funderingen eventueel aanwezige archeologische resten reeds zouden hebben verstoord. Deze kijkgaten kunnen gezien worden als proefsleuven. Indien er een gerede kans bestond op het aantreffen van archeologische resten onder de funderingen, is geadviseerd om het verwijderen van de fundering van het betreffende bouwblok archeologisch te begeleiden. Er zijn tijdens het onderzoek in totaal 66 kijkgaten en 9 complete werkputten (bouwblokken) aangelegd.
Ter plaatse van onderhavig plangebied zijn tijdens het onderzoek geen vondsten gedaan. De regioarcheoloog heeft daarom aangegeven dat het plangebied voldoende is onderzocht en er geen nieuw onderzoek nodig is.
Cultuurhistorie
De gemeente Oude IJsselstreek heeft een 'Cultuurhistorische waardenkaart' vastgesteld. Op navolgende afbeelding is het plangebied met een zwarte stippellijn aangegeven.
Cultuurhistorische waardenkaart
Het plangebied ligt binnen de zone 'Historische kern (1939-1945). Op deze kaart worden verder geen melding gemaakt van cultuurhistorische objecten, elementen, structuren of andere cultuurhistorisch relevante zaken in het plangebied.
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Algemeen
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten.
Toetsing
Door Buro Ontwerp en Omgeving is in april 2021 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Het rapport van het onderzoek is als Bijlage 8 toegevoegd. De conclusies die gelden voor de ontwikkeling worden hierna behandeld.
Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de Natura 2000-gebieden omdat deze zich allen op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied bevinden. Storingsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten zijn niet aan de orde. Er wordt wel geadviseerd om een AERIUS-berekening uit te voeren voor de ontwikkeling op deze locatie. Op deze manier kunnen negatieve effecten als vermesting en verzuring door stikstofdepositie worden berekend en eventueel worden uitgesloten.
Daarnaast ligt het projectgebied op circa 450 meter afstand van gebieden behoren tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) en 850 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van de GO en het GNN bij de werkzaamheden niet aangetast.
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Huismus
De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en voornamelijk voorkomt in dorpen en steden. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere huismussen waargenomen in het onderzoeksgebied. Deze waren voornamelijk aanwezig in de tuinen van omliggende woningen. Enkele individuen maakten gebruik van de bosschages aan de zijkant van het gebied. Het is mogelijk dat de bosschages behoren tot de essentiële functionele leefomgeving van de huismus. Als deze worden verwijderd kunnen negatieve effecten op de huismus niet worden uitgesloten.
Het is nog niet zeker of de bosschages worden verwijderd. Hierom is op voorhand de aanwezigheid van de huismus nader onderzocht. Het nader onderzoek is samengevoegd met de quickscan natuurtoets en is eveneens te vinden in Bijlage 8.
Nader onderzoek huismus
Uit het nader onderzoek is gebleken dat er twee bomen aanwezig zijn in de bosschages die behoren tot de functionele leefomgeving van de huismus. Bij het eventueel verwijderen van deze Spaanse aken (veldesdoorn) worden de nestlocaties van de huismus (indirect) aangetast. Hierdoor zijn er mitigerende maatregelen en een vergunning van de Wet natuurbescherming benodigd als deze bomen worden verwijderd. Daarnaast wordt geadviseerd zoveel mogelijk van de aanwezige bomen en bosschages te behouden omdat dit bevorderlijk is voor de biodiversiteit.
De Spaanse aken (veldesdoorn) in het plangebied blijven behouden en deze zijn opgenomen in het stedenbouwkundige plan (zie paragraaf 2.3).
Effectbeoordeling stikstofdepositie
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2023 een 'Memo Effectbeoordeling Stikstofdepositie' uitgevoerd, die is bijgevoegd als Bijlage 9.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van voorliggend project. Er is ook voor de aanlegfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de aanlegfase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt.
Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden en dat er geen passende beoordeling nodig is.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Algemeen
Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.
Toetsing
Verkeer
De realisatie van de 22 woningen in het plangebied zorgt voor een verkeersaantrekkende werking.
Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen per woning is uitgegaan van de CROW-publicatie uit 2018 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij wordt uitgegaan van koopwoningen in de verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Navolgende tabel vat de te verwachten verkeersgeneratie samen:
| Aantal woningen | Type woning | Verkeersgeneratie per woning per dag (gemiddeld) | Verkeersgeneratie per woning per dag |
| 1 | Koop, huis, vrijstaand | 8,2 | 8,2 |
| 4 | Koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 | 31,2 |
| 17 | Koop, huis, tussen/hoek | 7,4 | 125,8 |
Dit betekent dat met de realisatie van de ontwikkeling in totaal gemiddeld (8,2+31,2+125,8=) 165,2 verkeersbewegingen per dag tot stand komen. De woningen worden ontsloten via de Eksterstraat, op de Kwartellaan en de Buizerdweg. In het verleden waren op de locatie ook woningen aanwezig. Daardoor hebben deze wegen voldoende capaciteit om het toekomstige verkeer van en naar het plangebied op te vangen.
Parkeren
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet.
Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan 2012 - 2020 (GVVP) van de gemeente Oude IJsselstreek. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van vijf woningen in de categorie 'Woning duur', zeven woningen in de categorie 'Woning middensegment' (de levensloopbestendige rijwoningen) en tien woningen in de categorie 'Woning goedkoop' in 'Rest bebouwde kom'.
| Aantal woningen | Type woning | Parkeerbehoefte per woning | Totale parkeerbehoefte per type woning |
| 5 | Woning duur | 2,2 | 11,0 |
| 7 | Woning middensegment | 1,9 | 13,3 |
| 10 | Woning goedkoop | 1,7 | 17 |
In totaal is er een behoefte aan, afgerond, 42 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Bij zeven woningen worden twee parkeerplaatsen op eigen erf gerealiseerd. Op basis van de kencijfers van CROW tellen deze parkeerplaatsen mee voor 1,8 parkeerplaatsen ('garage met dubbele oprit'). Rekenkundig bedraagt het totaal aantal parkeerplaatsen op eigen erf daarmee 12,6. Daarnaast worden er nog minimaal 29 parkeerplaatsen in openbaar gebied gerealiseerd. Dit zal in de vorm van parkeerkoffers plaatsvinden. Hiermee komt het totale aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied rekenkundig op 41,6 en wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van kosten anderszins is verzekerd, en tevens locatie-eisen niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd.
De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van het plan. De gemeente verzorgt de planologische kaders na toetsing van de planontwikkeling. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd via de legesverordening en een anterieure overeenkomst. In deze anterieure overeenkomst wordt tevens vastgelegd dat mogelijke planschade voor rekening van de initiatiefnemer is. Het vaststellen van een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk.
De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
De inleidende regels vormen Hoofdstuk 1 en bevatten de begrippen en de wijze van meten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin zijn de regels bij de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder algemene regels, Hoofdstuk 3, zijn regels opgenomen die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in Hoofdstuk 4 de overgangsregels en de slotregel opgenomen.
In deze paragraaf worden de op de verbeelding voorkomende bestemmingen benoemd en wordt kort toegelicht wat hiervoor in de regels vastgelegd is.
De gronden tussen de Eksterstraat en de te realiseren woningen zijn bestemd als 'Groen'. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en plantsoenen, voet- en fietspaden, bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair, en nutsvoorzieningen.
Gebouwen zijn niet toegestaan binnen deze bestemming. Onder voorwaarden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
De gronden tussen de woningen en de groenstrook aan de Eksterstraat zijn bestemd als 'Tuin'. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen, wegen en paden, erkers en erfafscheidingen. Binnen deze bestemming zijn onder voorwaarden erkers en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 5)
De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor verblijfsgebieden, wegen en pleinen, voet- en fietspaden, ondergrondse containers, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeer-, speel-, groenvoorzieningen en kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, ontmoetingsplekken en straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
Binnen deze bestemming is beperkt bebouwing toegestaan in de vorm van gebouwen en overkappingen met een maximum oppervlakte van 50 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m. Daarnaast bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels.
De gronden waar de nieuwe woningen gesitueerd zullen worden, worden bestemd als 'Wonen'. Dit geldt tevens voor de gronden achter de voorgevelrooilijn van de woningen.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan huis verbonden beroepsactiviteiten, tuinen en erven, paden, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen. Van de gebouwen binnen deze bestemming mag 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 50 m2 gebruikt worden voor een aan huis gebonden beroep.
Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Binnen de bestemming zijn zeven bouwvlakken opgenomen. Binnen de bestemming mogen ter plaatste van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd. Tot slot, ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd. Op de verbeelding is de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen opgenomen.
Bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld bijgebouwen) en overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouw zijnde) zijn, onder voorwaarden, ook toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels.
In de regels van de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een bedrijf aan huis. Voor de afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat deze kan worden verleend.
De dubbelbestemming 'Waarde - Boom' geldt ter plaatse van de waardevolle bomen.
Overige regels
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
De omwonenden zijn geïnformeerd over bovenstaande ontwikkeling. Bij verdere uitwerking van de plannen zullen de omwonenden wederom worden geïnformeerd.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Kom Ulft, locatie Eksterstraatt' is op 23 november 2022 gepubliceerd in de Gelderse Post Oude IJsselstreek, de gemeentelijke website en het digitale gemeenteblad. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl. In de periode 24 november 2022 tot en met 4 januari 2022 heeft het ontwerpbestemmingsplan 'Kom Ulft, locatie Eksterstraat' ter voldoening aan artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar maken aan burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek. In deze periode is er één zienswijze ontvangen, die ontvankelijk is.
De zienswijzen is beantwoord door de gemeente en de nota hiervan is als bijlage bij dit plan opgenomen (Bijlage 10). Voor elke reactie afzonderlijk is aangegeven in hoeverre de zienswijze gegrond of ongegrond is verklaard en, indien gegrond, welke aanpassing dit voor het bestemmingsplan tot gevolg heeft. Daarnaast zijn enkele ondergeschikte ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De ambtshalve wijzigingen zijn eveneens in de nota van zienswijzen opgenomen.