| Plan: | Hoek Ir. Sassenstraat 48 - Roggestraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1509.BP000132-VA01 |
In de bebouwde kom van Ulft, op het adres Ir. Sassenstraat 48, is een winkelruimte gesitueerd, dat al enige tijd leeg staat. In de aan de achterzijde aangebouwde bedrijfsruimte is tot voor kort een outletzaak gevestigd geweest. Voor die tijd was in deze ruimte een videotheek gevestigd en ooit was het in gebruik als bioscoop. Via een met klinkers verhard parkeerterrein is deze bedrijfsruimte ontsloten aan de Roggestraat. Omdat deze bedrijfsruimte ook leeg is komen te staan, zijn er plannen om het totale perceel her in te richten.
Het herinrichtingsplan voorziet in
Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische regeling om aan dit herinrichtingsplan mee te kunnen werken.
Het plangebied is gelegen nabij de hoek van de Ingenieur Sassenstraat en de Roggestraat in Ulft, kadastraal bekend gemeente Gendringen, sectie S, nrs. 546 en 121. Het plangebied wordt globaal omgrensd door:
Op de volgende afbeelding is de ligging van het plangebied aangegeven.
Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan "Ulft Noord-West". Dit bestemmingsplan is op 23 juni 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en in werking getreden op 19 augustus 2011.
Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan overwegend de bestemming "Detailhandel". Verder is de bestemming "Groen" deels van toepassing op het plangebied.
Afbeelding 3: uitsnede van bestemmingsplan "Ulft Noord-West"
Het beoogde bouwplan met de realisatie van twee woningen aan de Roggestraat, het veranderende gebruik van het bestaande winkelpand en de bouw van garageboxen wijkt af van het geldende bestemmingsplan. Voor de woningen aan de Roggestraat zal de bestemming gewijzigd moeten worden van gedeeltelijk "Detailhandel" en "Groen" naar "Wonen" (met specifieke bouwaanduiding 'vrijstaand' en 'tweeaaneen').
Om de garageboxen planologisch mogelijk te maken, zal de huidige bestemming "Detailhandel" conform het vigerend bestemmingsplan gewijzigd moeten worden in de bestemming "Verkeer en verblijfsgebied" met de specifieke aanduiding 'garageboxen'.
De toelichting van dit bestemmingsplan is na dit inleidende hoofdstuk als volgt opgebouwd.
Het plangebied ligt direct ten noordwesten van het centrumgebied van Ulft. De Ir. Sassenstraat is van oudsher een belangrijke aanloopstraat naar het centrum. Hieronder is een kaart van de bestaande situatie van het plangebied aangegeven.
.
Afbeelding 4: kaart met bestaande kadastrale situatie van het plangebied
De ontwikkelingsgeschiedenis van Ulft is voor een belangrijk deel bepaald door de ligging aan de rivier de Oude IJssel en de aanwezigheid van ijzeroer. De zone langs de westelijke oever van de Oude IJssel had van oudsher smeltovens, die de basis vormen van de huidige metaalindustrieën. De ijzerindustrie lag langs de rivier vanwege de transportmogelijkheden en de waterkracht. Nabij en in het centrum van Ulft bevonden zich tot recentelijk nog enkele grote metaalbedrijven.
Ulft is met name na 1945 snel gegroeid en heeft zich daarbij vooral in westelijke richting uitgebreid, met de rug naar de rivier. De metaalbedrijven zijn daarbij door hun omvang en ruimtebeslag een ruimtelijke barrière gaan vormen tussen de rivier en het dorp. De Oude IJssel is daardoor nauwelijks zicht- en bereikbaar. De vrijkomende locaties bij het vertrek van de metaalbedrijven bieden de mogelijkheid weer samenhang te creëren tussen de Oude IJssel en Ulft.
Afbeelding 5: historische kaart Ulft 1930-1936
Centrum Ulft en omgeving
De basis van het centrum van Ulft bestaat uit het historische lint van de F.B. Deurvorststraat , Ingenieur Sassenstraat (waar het plangebied aan gelegen is) en de Veldstraat. Kenmerkend van de historische bebouwingslint is dat ze een hoge belevingswaarde heeft door geknikte en gebogen stratenpatronen met een gevarieerde bebouwing.
Vandaar uit zijn langs oude percelen nieuwe straten ontstaan zoals de Diergaarde, de Deken Nijkampstraat en de Van Nispenstraat. Na de Tweede Wereldoorlog is aan de F.B. Deurvorststraat de H.H. Petrus en Pauluskerk gebouwd waarvoor het J.F. Kennedyplein is gerealiseerd. Tussen de Debbeshoek en F.B. Deurvorststraat is de Kerkstraat, waar de detailhandel geconcentreerd is. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw is het winkelcentrum De Blenk gebouwd.
In de periode dat aan de Ir. Sassenstraat de Luxor-bioscoop was gevestigd werd het ontsloten aan de zijde van de Ir. Sassenstraat (zie afb. 6). Na sluiting van de bioscoop en de ingebruikname als videotheek werd aan de achterzijde een nieuwe ingang gecreëerd, dat ontsloten werd vanaf de Roggestraat (zie afb. 7). Aan de voorzijde van de Ir. Sassenstraat is een winkelpand gevestigd, dat momenteel leeg staat. Achter dit pand is de voormalige bioscoop Luxor gesitueerd. Nadien is in dit pand een videotheek/muziekwinkel gevestigd geweest. Momenteel heeft het pand geen functie. De ingang van deze voormalige winkel/bioscoop is vanaf de Roggestraat via een parkeerterrein bereikbaar.
Afbeelding 6: voorzijde Ir. Sassenstraat 48
Afbeelding 7: parkeerterrein, voorheen in gebruik door videotheek/ muziekwinkel/ bioscoop
Afbeelding 8: Roggestraat
Het bouwplan op de locatie Ir. Sassenstraat 48 bestaat uit:
Afbeelding 9: situatietekening bouwplan Ir. Sassenstraat 48
In dit hoofdstuk komt het beleidskader aan de orde. Er wordt ingegaan op het relevante ruimtelijke beleid van rijk, provincie, regio en gemeente. Aan het eind van elke paragraaf wordt het onderhavig plan getoetst aan het geldende beleid.
Het nationale beleid is in maart 2012 neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze visie vervangt verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld de Nota Ruimte. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt geschetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien, doch het gaat te ver om voor een kleinschalig bestemmingsplan als het onderhavige daar verder op in te gaan. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, hetgeen van een andere schaal en aard is dan de schaal die noodzakelijk is voor een (kleinschalig) bestemmingsplan. Gemeenten en provincies zijn, volgens de Rijksoverheid, beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren en hebben daarom in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte meer bevoegdheden gekregen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid. Om deze reden wordt, in het kader van de opstelling van voorliggend bestemmingsplan, niet nader ingegaan op het nationaal ruimtelijk beleid.
Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het rijksbeleid.
Het ruimtelijk beleid van de provincie is vastgelegd in het Streekplan Gelderland 2005, dat op 29 juni 2005 door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het streekplan de status van structuurvisie gekregen. Dat betekent dat de inhoud van het streekplan voor de provincie de basis blijft voor haar eigen optreden in de ruimtelijke ordening. Zo ziet de provincie er op toe dat bestemmingsplannen ook inderdaad worden vastgesteld conform hun beleid, waarbij zij een reactieve rol vervult. Het streekplanbeleid is hiertoe vertaald in de Wro-agenda waarin wordt beschreven welke instrumenten toegepast (kunnen) worden voor het verwezenlijken van provinciale doelen. Voor het plangebied heeft de Wro-agenda geen consequenties bovenop het streekplanbeleid.
Streekplan Gelderland
De provincie beschrijft in haar streekplan de ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten van Gelderland in nationaal perspectief en van de samenstellende regio's. De provincie onderkent in haar plan de landschappelijke diversiteit en de regionale verscheidenheid, die hebben geleid tot een structureel verschillende, ruimtelijke opbouw. Het streekplan geeft op hoofdlijnen aan waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. De ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten spelen daarbij een bepalende rol.
De provincie hanteert voor het ruimtelijk beleid de volgende uitgangspunten:
In de structuurvisie is het beleid in de provincie Gelderland uitgewerkt per regio. In de Achterhoek is het ontwikkelingsperspectief er een van groeien op eigen kracht, regionaal maatwerk en het benutten van de historische en karakteristieke verweving van functies en de economische diversiteit (symbiose landbouw en nijverheid: verbrede plattelandsontwikkeling).
Het bundelingsbeleid is een centraal uitgangspunt voor de wijze waarop in het Gelders ruimtelijk beleid wordt omgegaan met verstedelijking. Behoud en versterking van het draagvlak voor stedelijke voorzieningen is hierbij een belangrijk doel.
Een groot deel van de werkgelegenheid is te vinden binnen woonkernen, met name in de sectoren detailhandel, horeca, dienstverlening. Van belang is voldoende ruimte te houden in met name stads- en dorpscentra om deze werkgelegenheid ook in de toekomst te kunnen accommoderen.
Op 15 december 2010 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke Verordening Gelderland (RVG) vastgesteld. Deze verordening is op 2 maart 2011 in werking getreden. Op onderdelen is de Ruimtelijke Verordening tweemaal herzien; de eerste herziening is door Provinciale Staten vastgesteld op 27 juni 2012 en de tweede herziening op 19 december 2012. Met de ruimtelijke verordening worden regels gesteld voor onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, wonen, detailhandel en natuur. De invoering van de verordening is een direct gevolg van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) uit 2008, die is ingevoerd om de rolverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten te vereenvoudigen. De verordening betekent geen verandering in het ruimtelijk beleid van de provincie, maar is de "juridische vertaling" van de eerder vastgestelde Structuurvisie, de opvolger van het Streekplan.
Steeds meer gemeenten en regio's krijgen de komende jaren te maken met een afname van het aantal inwoners, huishoudens en potentiële beroepsbevolking. Deze demografische krimp heeft gevolgen voor de woningmarkt, arbeidsmarkt en bedrijvigheid. De provincie Gelderland heeft daarom in samenspraak met gemeenten en woningcorporaties een woonvisie opgesteld waarin voor een regionale aanpak is gekozen. Mensen zijn immers steeds minder gebonden aan een bepaalde gemeente. De provincie zorgt ervoor dat het regionale aanbod van woningen zo goed mogelijk aansluit op de vraag.
Het motto van de woonvisie is "woonbeleid met kwaliteit". In deze woonvisie wordt ingegaan op de thema's "keuzevrijheid en zeggenschap", "passend aanbod aan woonmilieus", "wonen, zorg en welzijn", "identiteit en ruimtelijke kwaliteit"en "duurzaamheid". Aan de hand van deze thema's worden in de woonvisie drie centrale doelen van beleid geformuleerd:
Om hieraan handen en voeten te geven is in de woonvisie een actieprogramma opgenomen, waarover jaarlijks aan Provinciale Staten de stand van zaken wordt gerapporteerd. Zo nodig worden daarbij voorstellen gedaan het actieprogramma te actualiseren.
Kwalitatief Woonprogramma 2010 - 2019
Op basis van de Woonvisie Gelderland is per regio een prognose gemaakt van de kwalitatieve woningbehoefte. Op basis daarvan zijn met gemeenten en woningcorporaties afspraken gemaakt over de uitbreiding en aanpassing van de woningvoorraad en over de regionale kwalitatieve woonprogramma's. Het regionale woonprogramma en het afsprakenkader wordt aangeduid als het Kwalitatief Woonprogramma. Op dit moment geldt het Kwalitatief Woonprogramma 2010 t/m 2019 (KWP3).
Het KWP3 is als uitwerking van het Gelderse streekplan vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 12 januari 2010. Doordat het streekplan inmiddels de status van provinciale ruimtelijke structuurvisie heeft gekregen, maakt het KWP daar onderdeel van uit.
Het KWP heeft als doel het woningaanbod op regionaal niveau, zowel kwantitatief als kwalitatief, zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte (de vraag) aan woningen. Het KWP3 beschrijft per regio de programmatische opgave op basis van de geconstateerde regionale woningbehoefte en is daarmee richtpunt voor woningbouwbeleid van gemeenten in de regio.
Voor de regio Achterhoek houdt de afspraak in het KWP3 in, dat in de periode 2010 tot en met 2019 aan de woningvoorraad 5.900 woningen kunnen worden toegevoegd.
De uitgangspunten van het KWP zijn verwerkt in een regionale en gemeentelijke woonvisie. In de volgende paragrafen wordt hier verder op ingegaan.
Met de nieuwe Omgevingswet in aantocht wordt het in de toekomst makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Met de Omgevingswet wordt het omgevingsrecht vereenvoudigd en gemoderniseerd. Regels op het gebied van omgevingsrecht worden gebundeld en vereenvoudigd. Hierdoor is er bijvoorbeeld meer ruimte voor maatwerk en zijn er minder regels. Op 12 juli 2013 heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel Omgevingswet. De nieuwe wet treedt echter niet vóór 1 januari 2018 in werking.
Vooruitlopend daarop hebben Provinciale Staten van Gelderland d.d. 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De titel “Gelderland anders”, die hier aan meegegeven is, duidt op de wijze van totstandkoming van de visie: in cocreatie met partners. Daarnaast betekent “Gelderland anders” een andere manier van sturen door de provincie. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie de komende tien jaar wil omgaan met ontwikkelingen en initiatieven rond economische structuurversterking, duurzaamheid, innovatie en bereikbaarheid. Maar ook met natuur, landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is er sprake van regionale diversiteit en een andere wijze van werken door de provincie: minder vooraf vastleggen wat wel of niet mag. Wel vanuit heldere doelen over economische structuur en kwaliteit van de leefomgeving ruimte bieden voor initiatieven in een veranderende omgeving. De visie kent drie hoofdthema's. Dynamisch duidt op economische structuurversterking, duurzaamheid, innovatie en bereikbaarheid. Mooi verwijst onder meer naar de opgaven op terrein van natuur, landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Divers duidt op de regionale diversiteit en de andere wijze van werken. De Omgevingsvisie integreert en vervangt vijf plannen die voorheen separaat waren: de Structuurvisie, het Waterplan, Milieubeleidsplan, de Reconstructie- plannen en het Verkeer- en vervoersplan.
Naast de Omgevingsvisie is ook de Omgevingsverordening van belang. Na de zomer van 2014 zal Provinciale Staten deze verordening vaststellen. In de Omgevingsverordening zijn vrijwel alle regels vervat die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en betreffen ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De Omgevingsverordening heeft daarmee de status van èn Ruimtelijke verordening èn Milieuverordening èn Waterverordening èn Verkeersverordening. Ze wordt ingezet ter waarborging van de doorwerking van het provinciaal beleid en geeft daarmee richting aan wat er op de verschillende beleidsvelden al dan niet tot de mogelijkheden behoort.
De Omgevingsvisie en –verordening hebben inhoudelijk geen consequenties voor de realisering van woningbouw en garageboxen in het plangebied.
Het provinciaal beleid heeft geen directe gevolgen voor de realisatie van dit plan.
De Achterhoekse gemeenten hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijke ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.
De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:
Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.
De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie:
Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.
De 7 Achterhoekse gemeenten hebben samen met de woningcorporaties en de Provincie, onder het motto "Alleen ga je sneller, samen kom je verder", een gezamenlijke visie op het wonen in de Achterhoek neergelegd voor de periode 2010-2020.
De ambitie van de regio Achterhoek luidt daarbij als volgt:
De grootste opgave daarbij is het realiseren van een omslag in denken: van decennia van groei van de bevolking naar stabilisatie en uiteindelijk krimp. De woningvoorraad wordt maximaal afgestemd op de veranderende lokale vraag van woningzoekenden. De locatie en woonomgeving zijn essentiële kwaliteitskenmerken waarop de Achterhoek zich kan onderscheiden. Centrumplannen voor de grotere kernen dragen bij aan vitale kernen en voegen hiermee kwaliteit toe aan de regio. Deze plannen krijgen prioriteit. Grootschalige uitlegplannen passen niet bij een situatie van krimp.
Om de kwalitatieve uitgangspunten in de regionale woonvisie waar te maken zijn de gemeenten met elkaar een binnenregionale verdeling overeengekomen. Voor de gemeente Oude IJsselstreek betekent deze verdeling dat de lokale woningvoorraad tot 2020 met 685 woningen mag toenemen.
Met de vaststelling van de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 (zie 3.5.1) is uitvoering gegeven aan het in dit hoofdstuk verwoorde regionale beleid.
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente Oude IJsselstreek tot 2025. Vraagstukken op deze beleidsterreinen zijn de basis voor deze visie. De structuurvisie is het vertrekpunt voor het uitwerken van het verdere beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor de toekomst.
Visie op wonen
De gemeente wil de Oude IJsselstreek graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het "Kwalitatief Woonprogramma (KWP3)", de regionale woonvisie en de "Woonvisie Oude IJsselstreek 2008-2015" kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto “de juiste woning op de juiste plaats”, spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Ulft, Silvolde en Terborg zijn de aangewezen woonclusters. Hier zal de meeste nieuwbouw plaatsvinden.
De Woonvisie Oude IJsselstreek dateert uit 2008 en speelt onder meer in op de Woonvisie Gelderland uit die tijd en de ambitie van de gemeente om door te groeien naar een voldoende aantal inwoners, dat nodig is voor een voldoende draagvlak voor voorzieningen. De woonvisie biedt een integrale visie op het gebied van wonen. De visie biedt ook een goed kader voor de uitwerking van concrete projecten die meer omvatten dan uitsluitend woningbouw.
In de woonvisie worden doelstellingen geformuleerd op het gebied van wonen én aangrenzende beleidsterreinen zoals leefbaarheid, zorg en welzijn. De hoofdlijnen uit de woonvisie zijn:
Om in de toekomstige woningbehoefte te voorzien kan de woningvoorraad in de periode 2010 tot 2020 nog met 685 woningen worden uitgebreid. De grotere kernen, waaronder Ulft, zijn aangewezen als wooncluster. Hier zal de meeste nieuwbouw plaatsvinden.
In 2011 heeft de gemeente Oude IJsselstreek het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan 2012 - 2020 (GVVP) vastgesteld. In het GVVP wordt, op basis van een analyse van de huidige en toekomstige verkeerssituatie, een visie ontwikkeld op het functioneren van het verkeers- en vervoerssysteem in de gemeente. Een eigen gemeentelijke mobiliteitsaanpak maakt duidelijk wat de gemeentelijke ambities zijn en op welke wijze deze worden gerealiseerd. De visie en mobiliteitsaanpak zijn vertaald in beleid, dat in hoofdlijnen is gericht op
De rode draad binnen de verkeersnetwerken is de wegencategorisering. Deze bestaat uit een func- tietypering van de wegen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, en de bijbehorende voorkeurs- netwerken. De wegencategorisering is aangevuld voor vrachtverkeer (hoofdroutes), hulpdiensten (uitruk- routes) en landbouwverkeer (voorkeursroutes).
Voor de kern Ulft ziet de wegencategorisering er als volgt uit:
Afbeelding 10: wegencategorisering Ulft (bron: GVVP Oude IJsselstreek 2010-2020)
Met deze wegencategorisering worden de randvoorwaarden gecreëerd voor:
Om deze uitgangspunten te bereiken zijn diverse maatregelen nodig. Het beleidskader wordt dan ook verder uitgewerkt in een jaarlijks uitvoeringsprogramma. De keuze, welke projecten in welk jaar worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma, is afhankelijk van:
Het gaat zowel om fysieke- als gedragsmaatregelen. In het eerste geval gaat het om projecten die daad- werkelijk zichtbaar zijn in de openbare ruimte, zoals herinrichting van kruispunten. Deze maatregelen richten zich vooral op het realiseren van verkeersnetwerken en de uitvoering van het parkeerbeleid. Uitgangspunt van het parkeerbeleid is, dat er voldoende parkeergelegenheid is, zodat de hinder als gevolg van zoekgedrag en/of foutief geparkeerde auto's wordt voorkomen.
De Welstandsnota van de gemeente Oude IJsselstreek dateert van 15 september 2011. In de welstandsnota is het projectgebied naar welstandsgebieden met een specifiek welstandsniveau ingedeeld.
Het plangebied aan de Ir. Sassenstraat 48 maakt deel uit van de historische bebouwingslinten, waarvoor een welstandsniveau 1 geldt. De linten stralen namelijk een hoge ruimtelijke kwaliteit uit, er komen relatief veel monumenten voor en er wordt een hoog ambitieniveau nagestreefd.
Beleid voor dit gebied
Het welstandstoezicht is gericht op behoud en versterking van het karakter van de historische bebouwingslinten. Die karakteristiek komt vooral tot uitdrukking in de variatie en de zelfstandige plaatsing van de bebouwing, in het individuele, kleinschalige karakter van de panden en in de open ruimtes met doorzichten. Verdichting en schaalvergroting zijn slechts in beperkte mate mogelijk en zullen met aandacht voor de specifieke ruimtelijke kenmerken van de omgeving benaderd worden.
Een grote mate van terughoudendheid wordt betracht bij de toelating van bouwwerken als reclame, luifels, puien, rolluiken en dergelijke. Deze zullen altijd ondergeschikt dienen te blijven aan het totale ruimtelijke en architectonische beeld van de omgeving.
Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen het rijks-, provinciale-, regionale en gemeentelijk beleid.
Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en overige aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied dient daarom onderzoek te worden ingesteld dat betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van het plan.
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.
Aangezien dit plan voorziet in de woningbouw, dient de vraag te worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen de nieuw te bouwen woningen en bestaande bedrijven in de directe nabijheid van het plangebied.
Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies, zoals wonen, is de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geraadpleegd. Daarbij is gebruik gemaakt van de meest recente versie van die brochure (editie 2009). Hierin zijn richtafstanden aangegeven voor milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties ten opzichte van het omgevingstype "rustige woonwijk", die van toepassing is op dit plangebied.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
De dichtsbijzijnde bedrijfsmatige activiteit ten opzichte van de nieuw te bouwen woningen aan de Roggestraat, is gelegen aan de Frank Daamenstraat 21. Op dit adres is een aannemingsbedrijf gevestigd. Het betreft een maximaal categorie 2 bedrijf, een lichte categorie die over het algemeen goed inpasbaar is binnen een woonwijk. Voor een dergelijk bedrijf geldt een richtafstand van 30 meter, terwijl het bedrijf op meer dan 100 meter van het plangebied is gelegen. Er hoeven daarom geen hinderlijke en conflictueuze situaties verwacht te worden.
De nieuwe woningen bevinden zich op voldoende afstand van omliggende bedrijven. De ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, werkt derhalve niet belemmerend voor het dichtsbijzijnde bedrijf. Ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen is hierbij niet in het geding. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Algemeen
Op basis van artikel 3.1.6, vierde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet een beschrijving opgenomen in het bestemmingsplan worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Toetsing
De bestaande gebouwen in het plangebied hebben geen monumentenstatus. Bij nieuwbouw zal aan de zijde van de Ir. Sassenstraat (en de Roggestraat) rekening gehouden moeten worden met het geldende welstandsniveau 1 voor de historische bebouwingslinten.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen bestaan voor het nieuwbouwplan aan de Ir. Sassenstraat 48 (en de Roggestraat).
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken.
Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge of middelhoge trefkans, of indien het plangebied niet is gekarteerd.
Greenhouse Advies B.V. heeft in februari 2014 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijl. 1). in deze paragraaf volgt een samenvatting van dit onderzoek.
Het plangebied en directe omgeving zijn niet gekarteerd maar liggen in een zone van een terrasrestrug waarop plaatselijk dekzand is afgezet. Het gebied is bodemkundig evenmin gekarteerd, waarschijnlijk is sprake van vorstvaaggronden.
Op de gemeentelijke verwachtingskaart geldt voor het plangebied Ingenieur Sassenstraat 48 een hoge verwachting voor de periode mesolithicum – nieuwe tijd vanwege bovengenoemde bodemopbouw.
Binnen het plangebied bevinden zich geen terreinen van archeologische waarde. Ook zijn er geen vondsten bekend van het terrein. Op basis van historisch kaartmateriaal zijn het plangebied en directe omgeving in gebruik geweest als agrarisch bouw-/akkerland. Hierbij is de toplaag van het dekzand en/of de terrasrug mogelijk verploegd. Op topografische kaarten vanaf 1936 is het zuiddeel van het plangebied bebouwd.
Booronderzoek in de nabijgelegen woonwijk Vogelbuurt wees uit dat naast een intacte bodemopbouw verspreid door dat plangebied de bodem tot maximaal 1 m –mv vergraven was.
De tijdsdiepte van mogelijk gebruik van de locatie van het plangebied en directe omgeving is groot; in theorie kunnen binnen het plangebied sporen en/of vondsten vanaf het mesolithicum tot en met de nieuwe tijd worden aangetroffen. Dat betekent dat er geen afbakenende uitspraken te doen zijn over een lage, matige of hoge vondstdichtheid, noch over een lage, matige of hoge spoordichtheid.
In geval van een intacte bodemopbouw kunnen in theorie resten uit de periode mesolithicum – nieuwe tijd worden aangetroffen in het plangebied, waarbij gedacht moet worden aan:
De situatie in het plangebied is als volgt. Er is sprake van verstoorde bovengrond/recente bouwvoor door de bebouwing en mogelijk door vergraving in het verleden. Onduidelijk is of sprake is van een (niet-recente) cultuurlaag/vondstlaag. Wel kunnen door grondbewerking in het verleden mobilia en/of sporen in de recente bouwvoor zijn opgenomen.
Binnen het plangebied bevinden zich kabels en leidingen, tevens is bebouwing in de vorm van een woonhuis en een bioscoop aanwezig. Er dient rekening mee te worden gehouden dat bebouwing en infrastructurele ingrepen de bodem ter plaatse in meer of mindere mate heeft aangetast. Binnen het plangebied kan sprake zijn van een verontreinigde bodem.
Op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid en de onderzoeksresultaten in relatie tot de door de opdrachtgever voorgenomen bodemingrepen adviseert Greenhouse Advies een vervolgonderzoek, in de vorm van archeologisch begeleiding van de grondwerkzaamheden, te weten uitgraven van de bouwputten voor de twee woningen en de garageboxen en aanleg van funderingen.
Dit advies is voorgelegd aan de regioarcheoloog die instemt met het selectieadvies voor vervolgonder- zoek, omdat de huidige situatie een aanvullend booronderzoek niet toelaat en mogelijk een vertekend beeld zal opleveren. De sloop van bestaande opstallen zal vanaf maaiveld eveneens archeologisch moeten worden begeleid om de gespecificeerde verwachting te toetsen, de mate van verstoring vast te stellen en eventuele vondsten te documenteren. Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden op basis van een vooraf door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
Op basis van het door Greenhouse Advies B.V. uitgevoerde onderzoek en de beoordeling van de regionaal archeoloog is in dit plan een archeologische verwachtingswaarde aangegeven, zodat de archeologie planologisch is geborgd. Dit betekent dat bij sloop-, aanleg- en bouwwerkzaamheden onder maaiveld een archeologische begeleiding is vereist op basis van een vooraf door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. Deze voorwaarde zal ook in de omgevingsvergunning worden opgenomen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het daarom van belang om middels een verkennend bodemonderzoek te kijken of de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek zorgt er voor dat voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning onderzoek is uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem.
Op 20 december 2013 heeft het Veldwerkbureau b.v. ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijl. 2). Door middel van dit onderzoek is inzicht verkregen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van de onderzoekslocatie.
Afbeelding 11: situatietekening met de locaties van de verrichte boringen
Uit de analyseresultaten blijkt, dat in mengmonster 1 een lichte overschrijding wordt aangetroffen van cadmium en PAK-totaal en mengmonster 2 alleen een lichte overschrijding van PAK-totaal. In mengmonster 3 worden geen verhogingen gemeten. Omdat het hier in alle gevallen een zeer lichte overschrijding betreft is er geen noodzaak tot uitvoeren van nader bodemonderzoek. De locatie voldoet deels aan de klasse wonen (MMI) en deels aan de klasse industrie (MM2). Er kan gesteld worden dat in de bovengrond een lichte verontreiniging van PAK-totaal is aangetroffen. Het cadmium gehalte in mengmonster 1 overschrijdt net de achtergrondwaarde.
In het grondwater is een zeer lichte verontreiniging van barium aangetroffen. Aangezien het een minimale overschrijding van de streefwaarde is, hoeft voor het grondwater ook geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Verder kan gesteld worden dat deze verontreiniging vaker aangetroffen wordt in de gemeente Oude IJsselstreek, waardoor het dus ook van nature aanwezig kan zijn.
Ligging van de gesaneerde ondergrondse tank:
In het digitale systeem van de gemeente is geregistreerd, dat voor/naast woning Ir. Sassenstraat 48 een ondergrondse tank aanwezig moet zijn. Deze locatie is buiten het onderzochte gebied gesitueerd. Voor de ontwikkeling op het onderzochte perceel is dit dan ook geen belemmering
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kan worden gesteld, dat er een lichte verontreiniging van PAK-totaal in de bovengrond aanwezig is. De locatie voldoet deels aan wonen en deels aan industrie. Omdat het plangebied deels een woonbestemming krijgt, kan er mee worden ingestemd om MM2 te splitsen en de afzonderlijke bodemmonsters te analyseren op PAK om zo te achterhalen op welke locatie het verhoogde PAK-gehalte aanwezig is. Op deze wijze kan bij herontwikkeling van de locatie de grond met lichte verontreiniging worden ontgraven en worden afgevoerd.
De resultaten van dit bodemonderzoek geven verder geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. Aangezien de aanwezigheid van een ondergrondse tank op een plek is gelegen, dat buiten de herontwikkeling is gelegen, zijn geen verdere maatregelen nodig.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbe- leid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. In de bovengenoemde wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide begrippen worden hier onder uitgelegd.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per risicobron vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) per jaar bedraagt. Deze contour is wettelijk vastgesteld als grens- of richtwaarde. Kwetsbare objecten zoals bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, grote (kantoor)gebouwen en grotere recreatieterreinen zijn niet toegestaan binnen deze 10-6 contour.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico’s geldt dat de oriëntatie waarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Voor stationaire bronnen geldt dat de oriëntatiewaarde een factor 10 lager ligt.
De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om bij risicovolle situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico).
Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt in principe een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor de toename van het groepsrisico ten gevolge van een verhoogde personendichtheid.
Andere wet- en regelgeving
Externe veiligheid kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. De hiervoor genoemde regelgeving (Bevi, Bevb en Bevt) biedt echter geen uitputtende regeling voor het aspect externe veiligheid. Daarnaast zijn ook diverse andere regelgeving voor de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zo kennen wij ook het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit en Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Gezien de situering van het plangebied midden in de bebouwde kom gaat het te ver om iedere regeling hier afzonderlijk te bespreken. Daarnaast is er sprake van gemeentelijk beleid op het gebied van externe veiligheid, dat hierna wordt besproken.
Beleidsvisie externe veiligheid
Gemeente Oude IJsselstreek heeft op 18 februari 2010 een beleidsnotitie externe veiligheid vastgesteld. Hierin is een aanvullend toetsingskader opgenomen. Daarbij is gekozen voor een benadering van drie gebiedstypen. Dit vanwege de afweging tussen twee belangrijke uitgangspunten:
Er is geprobeerd een optimale mix te vinden in normen, maatregelen en hulpmiddelen, die passen bij het betreffende gebiedstype. Dit heeft geleid tot de keus voor de volgende gebiedstypen:
De beleidskeuzes laten zich als volgt samenvatten:
| Overschrijding grenswaarde plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten | Overschrijding richtwaarde plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten | Overschrijding oriënterende waarde groepsrisico | Toename groepsrisico |
|
| Wonen en Landelijk gebied | Niet acceptabel | Niet acceptabel (m.u.v.bestaande situaties) | Niet acceptabel (m.u.v. bestaande situaties) | Acceptabel onder voorwaarden |
| Ruimte voor industrie | Niet acceptabel | Acceptabel onder voorwaarden | Acceptabel onder voorwaarden | Acceptabel onder voorwaarden |
| Ruimte wonen én werken | Niet acceptabel | Acceptabel onder voorwaarden | Niet acceptabel (m.u.v. bestaande situaties) |
Acceptabel onder voorwaarden |
Deze beleidskeuzes zijn alleen van toepassing voor nieuwe situaties. Voor bestaande situaties zijn overschrijdingen van de richtwaarde en de oriënterende waarde acceptabel. In het gebiedstype "wonen en landelijk gebied", waartoe ook centrumgebieden worden gerekend, moet bij overschrijding van de richtwaarde worden nagegaan of maatregelen nodig zijn.
Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan stationaire bronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een uitsnede daarvan is op de navolgende afbeelding weergegeven.
Afbeelding 12: risicokaart met het plangebied (aangeduid als ster)
Op dit kaartbeeld zijn verscheidene objectaanduidingen opgenomen. De groene aanduidingen betreffen zogenaamde kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een kantoor en een onderwijsinstelling) en de rode objecten zijn inrichtingen ( zoals opslag van lpg). De rode stippellijn betreft een buisleiding(gas).
In het plangebied zelf zijn, volgens de Risicokaart van de provincie Gelderland, geen stationaire bronnen aanwezig. Ook bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen of transportroutes over weg, water of spoor.
De ontwikkeling van het plangebied vindt plaats buiten de plaatsgebonden risicocontouren en invloeds- gebieden van het groepsrisico van omliggende risicobronnen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er daarom geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.
De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998.
Gebiedsbescherming
Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.
Soortenbescherming
Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.
Omdat in de directe omgeving van het plangebied geen elementen van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aanwezig zijn, is door Forest Green Consult een quickscan uitgevoerd, dat zich beperkt heeft tot de Flora en faunawet. Dit rapport is als bijl. 3 in dit plan opgenome en heeft zicht gericht op het in kaart brengen van mogelijke beschermde dier- en plantensoorten in relatie tot de plannen. Uit het onderzoek is het volgende gebleken:
Flora
In het bos is gewone vogelmelk aangetroffen. Deze soort, een bolgewas, staat op lijst van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt bij een ruimtelijke ontwikkeling een algemene vrijstelling. Naast gewone vogelmelk zou een soort als de brede wespenorchis aanwezig kunnen zijn. Deze soort komt veelvuldig in dit type beplantingen voor. Ook deze soort staat op lijst 1 van de Flora- en faunawet.
Beschermde soorten en strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet worden niet verwacht. Nader onderzoek naar de soortgroep flora is niet noodzakelijk. De Flora- en faunawet wordt niet overtreden bij de herbestemming van dit perceel.
Zoogdieren
Sporen van zoogdieren zijn niet aangetroffen. De beplanting zal wel regelmatig gebruikt worden door algemeen voorkomende soorten van lijst 1 van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt bij een ruimtelijke ontwikkeling een algemene vrijstelling. Niet uitgesloten is dat ook de steenmarter het gebied regelmatig bezoekt. In het plangebied zijn geen plaatsen aangetroffen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen. Beschermde soorten en strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet worden niet verwacht. Nader onderzoek naar de soortgroep zoogdieren is niet noodzakelijk. De Flora- en faunawet wordt niet overtreden bij de herbestemming van dit perceel.
Amfibieën/ reptielen/ ongewervelde
Op basis van de aangetroffen situatie kan worden geconcludeerd dat het terrein niet geschikt is voor deze soortgroepen. Een dicht begroeid bosje naast een volledig verharde parkeerplaats en gebouwen in combinatie met het ontbreken van een geschikte voortplantingsplaats biedt geen geschikt biotoop. Beschermde soorten en strikt beschermde soorten uit de Flora- en Faunawet worden niet verwacht. Nader onderzoek naar de soortgroepen: amfibieën/ reptielen/ ongewervelde is niet noodzakelijk. De Flora- en faunawet wordt niet overtreden bij de herbestemming van dit perceel.
Broedvogels
Op het terrein is een dicht gemengd loof naaldbosje aanwezig. In dit bosje kunnen veel vogelsoorten het nest bouwen. Werkzaamheden die tot verstoring van deze nesten leiden veroorzaken een overtreding van de Flora- en Faunawet.
Tijdens het veldbezoek zijn drie soorten met een categorie 5 nest waargenomen. Dit zijn de pimpelmees en de koolmees. De nesten van deze soorten kunnen beschermd zijn. In het bosje zijn echter geen holten aangetroffen waarin deze soorten kunnen broeden. Van een vaste rust- en verblijfplaats is hier geen sprake. De soorten gebruiken het bosje wel om te foerageren.
De roek
In het bosje zijn zeven oude waarschijnlijk verlaten roekennesten aangetroffen. Vrij vooraan bij de ingang van de parkeerplaats zijn deze nesten aanwezig in een berk en enkele fijnsparren. Bij de gemeente zijn geen telgegevens aanwezig. Ook zijn onder de nesten geen uitwerpselen van de roek aangetroffen. Alles wijst erop dat dit een oude verlaten locatie betreft. Ook zijn tijdens het veldbezoek geen roeken in de omgeving gesignaleerd.
De soortenstandaard van de roek geeft aan dat: “De afwezigheid van broedende roeken is aangetoond als er tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met half juli geen aanwezigheid in de bestaande broedkolonie kan worden aangetoond” (bron: soortenstandaard roek, pagina 24).
Deze drie veldbezoeken hebben plaatsgevonden in de periode eind mei - eind juni 2014 (bijl. 4). Tijdens twee bezoeken waren geen roeken aanwezig. Wel vlogen tijdens het eerste bezoek (30 mei) twee roeken over naar een locatie 100 meter verderop. Bij het laatste bezoek op 26 juni waren geen roeken aanwezig, maar is wel geconstateerd, dat roeken op de locatie een tijd hebben doorgebracht. De nesten zijn daardoor nog steeds beschermd. Voordat de bomen met deze nesten worden geveld, moeten de nesten nogmaals worden gecontroleerd Ook vogels zoals ransuil of boomvalk maken veelvuldig gebruik van oude roekennesten in verlaten kolonies. De kans hierop is in deze situatie klein omdat er geen braakballen of andere sporen zijn aangetroffen onder de oude nesten.
Vleermuizen
In het gebied zijn geen dikke bomen aanwezig die holten of spleten bevatten waarin vleermuizen aanwezig kunnen zijn. De beplanting maakt deel uit van een groot gebied met beplantingen in achtertuinen van woningen. Het verdwijnen van deze beplanting zal geen invloed hebben op een eventuele vliegroute; hiervoor staat deze beplanting te geïsoleerd en blijft in de omringende percelen nog teveel opgaande beplanting staan.
De beplanting en parkeerplaats zullen door soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger zeker worden gebruikt om er te jagen. Deze soorten zijn zeer flexibel in het terreingebruik. Het plangebied maakt slechts een zeer bescheiden deel uit van een eventueel aanwezig territorium. Het verlies van een klein gedeelte van het foerageergebied leidt niet tot een significant effect. Bovendien komt na de realisatie van de woningen in het plangebied opnieuw groen terug en is de mogelijke invloed tijdelijk van aard.
De aanwezige gebouwen zijn vrijwel ongeschikt voor vleermuizen om in te verblijven. De dieren hebben geen toegangsmogelijkheden tot bijvoorbeeld een balklaag onder de bitumen daken. Openstootvoegen of andere toegangsplaatsen ontbreken. De enig mogelijke in- en uitvliegopening bevindt zich direct achter de brandmuur. Deze scheur in de muur wordt door een heldere lamp beschenen. Hierdoor wordt deze toegang door vleermuizen vermeden. Nader onderzoek naar de soortgroep vleermuizen is niet noodzakelijk. De Flora- en Faunawet wordt niet overtreden bij de herbestemming van dit perceel.
De drie veldbezoeken hebben nog aangetoond, dat nog twee van de zeven nesten dit seizoen zijn opgeknapt. Ten opzichte van het voorjaar is het aantal nesten niet toegenomen. Omdat tijdens de veldbezoeken een koppel met jonge roeken is waargenomen zal eerst nader onderzoek moeten worden verricht voordat de bomen worden geveld. Verder vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan, waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting moet worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen.
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. Deze wet bepaalt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien geluidgevoelige functies worden toege- staan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluids- belasting ten gevolge van wegen.
Bij de ontwikkeling van bijgaand plangebied worden nieuwe geluidgevoelige functies toegestaan. De omliggende wegen zijn echter aangewezen als 30 km/uur gebied. In het kader van de Wet geluidhinder is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk. Om aan te tonen dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening kan een akoestisch onderzoek echter wel noodzakelijk zijn. In dit geval kan echter worden gesteld dat de verkeersintensiteiten van de belangrijkste omliggende wegen dusdanig laag zijn, dat zonder onderzoek, gemotiveerd kan worden dat wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Wel moet worden voldaan aan het akoestisch binnenniveau uit het Bouwbesluit.
Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelin- gen in het plangebied.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.
Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
In het kader van dit bestemmingsplan is geen afzonderlijk geuronderzoek nodig. Door de ligging in de bebouwde kom is er in de omgeving van het plangebied geen geurveroorzakende bedrijvigheid waarmee rekening moet worden gehouden. Het in 2009 uitgevoerde onderzoek in het kader van het bestemmingsplan Vogelbuurt - Biezenakker is voldoende om aan te nemen dat de met dit bestem- mingsplan voorgestane ontwikkeling plaatsvindt op grote afstand van omliggende veehouderijen.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
De belangrijkste wet- en regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. In deze paragraaf, ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit, is de basis gelegd voor een programmasystematiek voor maatregelen en projecten, hetgeen geconcretiseerd is in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit: het NSL.
In het NSL is geborgd, dat vanaf 11 juni 2011 aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) wordt voldaan, en vanaf 1 januari 2015 aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2). Tot deze momenten heeft Nederland uitstel (derogratie) gekregen van de Europese unie om aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof te voldoen. Voor de toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen zijn, conform de Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit, in de praktijk drie normen van toepassing:
Rekening houdende met de verkregen derogatie dient iedere plek in Nederland op 1 januari 2015 aan de grenswaarden van stikstofdioxide te voldoen. De derogratietermijn voor fijn stof (PM10) is inmiddels verlopen. Overal in Nederland moet voldaan worden aan de norm van 40 µg/m3 voor fijn stof.
Het plan in relatie tot het wettelijk kader.
In navolging van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan worden gesteld dat een ruimtelijke ont- wikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit doorgang kan vinden indien wordt voldaan aan één van de volgende punten:
1 Een plan draagt in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit indien de planbijdrage groter dan 1,2 µg/m3 is. Projecten met een bijdrage van 1,2 µg/m3 of lager zijn niet in betekende mate (NIBM).
De beoogde ontwikkeling, die met deze planwijziging mogelijk wordt gemaakt, is niet opgenomen in het NSL. Onderzocht is wat het effect van dit plan is op de luchtkwaliteit en of voldaan wordt aan de vigerende normen uit de Wet milieubeheer.
In het kader van het bestemmingsplan Vogelbuurt is het aspect luchtkwaliteit bekeken voor het consoli- derende deel en de ontwikkelgerichte deel van het plangebied van dit bestemmingsplan. In dat bestem- mingsplan viel de locatie Ir. Sassenstraat 48 in het consoliderende deel, omdat er geen nieuwe bouwini- tiatieven waren voorzien ten tijde van de vastststelling van het bestemmingsplan.
Voor dit consoliderende deel, waar de regeling is gericht op behoud en beheer van de huidige situatie, geldt het volgende:
Nu dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee woningen en de bouw van een aantal garageboxen kan worden gesteld, dat t.o.v. de bestaande situatie, waarbij sprake was van een winkel en een videotheek, geen wezenlijke verandering optreedt in de huidige verkeersbewegingen.
In het kader van het beheergerichte deel van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt, die leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast leidt het beheergerichte deel van het plangebied niet tot een wijziging in de verkeersaan- trekkende werking. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
In de nieuwe situatie aan de Ir. Sassenstraat 48 gelden de bovenbeschreven conclusies ten aanzien van luchtkwaliteit nog steeds, omdat de verkeersaantrekkende werking van het gebied zal afnemen na de sloop van de oude videotheek/ bioscoop en het verdwijnen van de winkelfunctie uit het pand aan de Ir. Sassenstraat 48. De te realiseren stallingsruimten en de nieuwe woningen in het plangebied zullen minder verkeer aantrekken dan de vroegere functies in het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt in het gedeelte van de Ir. Sassenstraat, dat buiten het centrumgebied ligt waarvoor de gemeenteraad op 29 januari 2009 een verkeerscirculatieplan heeft vastgesteld. De Ir. Sassenstraat wordt onderbroken door de gebiedsontsluitingsweg Debbeshoek.
Voor de Ir. Sassenstraat (met primair een woonfunctie) geldt een 30 km/h- zone. Een ontsluiting van de toekomstige stallingsruimten via de Ir. Sassenstraat is goed mogelijk, vanwege de lage verkeersintensiteit van de Ir. Sassenstraat en de beperkte verkeersaantrekkende werking van stallingsruimten.
De Roggestraat is ook een woonstraat met overwegend vrijstaande woningen. De nieuwe vrijstaande woningen met opritten vanaf de straat, passen goed in het beeld en zullen ten opzichte van de voormalige bioscoop/ videotheek tot minder verkeersdrukte leiden.
Gemeentelijke verantwoordelijkheid
In het gemeentelijk verkeer- en vervoerplan (GVVP) 2012-2020 is weergegeven dat het opstellen van parkeerbeleid een autonome taak is van gemeenten. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid in woonwijken, bedrijventerreinen en (winkel)centra. Het gemeentelijke beleidskader parkeren is in november 2008 vastgesteld door de Raad. Uitgangspunt van dit parkeerbeleid is dat er voldoende parkeergelegenheid is, zodat de hinder als gevolg van zoekgedrag en/of foutief geparkeerde auto's wordt voorkomen. Bij de toepassing van de landelijke parkeerkencijfers van het CROW (ASVV 2012) wordt uitgegaan van de bovengrens: dat is de gemeentelijke parkeernorm.
Parkeernormen Gemeente Oude IJsselstreek
De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is 'weinig stedelijk' (kernen Ulft, Gendringen, Terborg, Silvolde en Varsseveld) en 'niet stedelijk' voor de overige kernen in de gemeente. De parkeernormen worden gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte en kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). In principe geldt de maximale parkeernorm. Alleen wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn, kan de gemeente toestaan dat van dit maximum wordt afgeweken.
Het plan biedt voldoende ruimte om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen voor:
- het bestaande pand aan de Ir. Sassenstraat 48, dat een volledige woonbestemming krijgt.
- de twee nieuwe (half)vrijstaande woningen met een ruime oprit.
- de stallingsruimten.
Vanuit het principe dat het waterbeheer een gezamenlijk domein is van rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn de verantwoordelijkheden helder beschreven en zijn de taken verdeeld onder het motto "decentraal wat kan, centraal wat moet". Zo draagt de gemeente, als de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, zorg voor een veilige en prettige leefomgeving. De gemeente heeft derhalve taken in het ruimtelijke en sociale domein. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de afweging tussen milieu, natuur, water, economie en huisvesting een rol speelt. Dit beleid wordt vastgelegd in structuurvisies en bestemmingsplannen. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben de zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving.
Bij nieuwe ontwikkelingen dient te worden aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishoudkundige situatie. Dit vindt zijn weerslag in de zogenaamde watertoets. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water.
Het Waterplan Gelderland 2010-2015 bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden.
In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.
Voor de realisatie van bepaalde waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan op basis van de Waterwet de status van structuurvisie en is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie daarvoor wil inzetten.
Het plangebied heeft in het Waterplan geen bijzondere status verkregen en heeft als onderdeel van Ulft de basisfunctie "stedelijk gebied". Voor dit bestemmingsplan zijn er derhalve geen belemmeringen.
De gemeente Oude IJsselstreek ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in 2009 een waterbeheerplan vastgesteld voor de periode 2010-2015. Het Waterbeheerplan bevat het beleid op hoofdlijnen voor alle taakgebieden van het Waterschap Rijn en IJssel. Dit plan is opgesteld samen met vier andere waterschappen, die deel uitmaken van het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het plan geeft aan welke doelen het Waterschap nastreeft en welke maatregelen en projecten daarvoor in de planperiode worden ingezet. De maatregelen die uitgevoerd worden en de bijbehorende financiële middelen zijn op hoofdlijnen aangegeven. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoonwater en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van de ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.
Voor dit bestemmingsplan heeft het waterbeheerplan geen gevolgen.
De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar). Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente.
Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. De toekomstvisie is gericht op een viertal aspecten waarbij water als drager fungeert voor:
Deze visie heeft geleid tot een tiental effecten, die de waterambitie van de gemeente verwoorden:
Bij besluit van 22 december 2011 heeft de gemeenteraad het "Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012 - 2016" vastgesteld. In dit plan geeft de gemeente aan hoe zij invulling denkt te geven aan de zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Uitgangspunt daarbij is, dat als het gaat om de zorg voor hemel- en grondwater, de particulier ook een duidelijke eigen rol heeft.
Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie. Bij vervangingswerkzaamheden van het gemengde riool, zal worden bezien in hoeverre afkoppeling van verhard oppervlak mogelijk is, eventueel door het aanleggen van een apart regenwaterriool. Daar waar afkoppeling van, in meer of mindere mate verontreinigd, regenwater leidt tot onacceptabele belasting van het oppervlaktewater zullen in eerste instantie maatregelen met een lokaal karakter worden genomen. Het aanleggen van verbeterd gescheiden stelsels zorgt voor onnodig transport van relatief schoon afvalwater naar de zuivering en heeft een negatief effect op het zuiveringsrendement.
De tabel met waterthema's wordt hieronder weergegeven.
Watertoetstabel
| Thema | Toetsvraag | Relevant | Intensiteit |
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
2 2 |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
2 1 1 |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
2 1 1 1 |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlakte- water geloosd? |
Nee |
1 |
| Grondwateroverlast | 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
1 1 1 |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee | 1 |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
1 2 |
| Volksgezondheid |
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
1 1 |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
2 2 1 1 |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee | 1 |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee | 2 |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee | 1 |
Toelichting per relevant waterhuishoudkundig aspect
Riolering
Voor het huishoudelijk afvalwater van de voorgenomen woningen in het plangebied zal een DWA- stelstel worden ontworpen. Het DWA-water zal worden afgevoerd naar een RWZI waar het gezuiverd wordt.
Verhard oppervlak
Het huidige plangebied kent, afgezien van een bosschage, veel verharding. In de nieuwe situatie komt het parkeerterrein te vervallen voor twee (half) vrijstaande woningen met diepe tuinen. In die zin zal er zeker geen sprake zijn van een toename van verharding in het plangebied.
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Dit plan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen, stallingsruimten en de wijziging van het gebruik van een bestaand pand van detailhandel naar wonen.
Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen, zal het regenwater vanaf de daken van de woningen niet afgevoerd worden naar het rioolstelsel, maar volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren worden behandeld.
Er zal een gescheiden stelsel worden aangelegd. Het hemelwater dat op de verharde oppervlakte neervalt, wordt afgekoppeld en via het gescheiden rioleringsstelsel afgevoerd.
De afwatering van het hemelwater zal voor ieder afzonderlijke nieuwbouwwoning plaats vinden via infiltratie in de achtertuin.
Voor het terrein van de stallingsruimten wil de initiatiefnemer afwateren op het bestaande rioolstelsel.
Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
Overleg met de waterbeheerder
De watertoets is in gezamenlijk overleg met de waterbeheerder opgesteld.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:
de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren,
en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang).
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevings- vergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Een bestemmingsplan regelt daarom:
het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:
het bebouwen van de gronden;
het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:
De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Dit bestemmingsplan kent de volgende hoofdbestemmingen:
Wonen
Deze bestemming is opgenomen voor het bestaande woon-winkelpand aan de Ir. Sassenstraat en de nieuw te bouwen woningen aan de Roggestraat. Voor deze nieuwe woningen is als uitgangspunt genomen, dat er geschoven kan worden in de kavelgrootte, het type woning en de plek van de woning.
Tuin
Deze bestemming is van toepassing op de voortuinen bij de woningen. De regeling is gericht op het open houden van deze voortuinen en het onmogelijk maken van gebouwen. Deze zijn dan ook uitgesloten. Er zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van erfafscheidingen tot een bouwhoogte van 1 m mogelijk.
Verkeer - Verblijfsgebied
Deze bestemming richt zich op ontsluiting van het terrein achter het pand Ir. Sassenstraat 48, waar na de sloop van de voormalige videotheek garageboxen kunnen worden gebouwd. Hiervoor is binnen deze bestemming een bebouwingsvlak opgenomen.
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, antidubbeltelregeling, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overgangsrecht. Het laatste onderdeel van de regels wordt gevormd door de slotregel, waarin de naam van het bestemmingsplan en de vaststellingsdatum worden vermeld. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
Artikel 6.12, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening stelt, dat een exploitatieplan moet worden opgesteld bij het realiseren van één of meer woningen, tenzij de kosten anderszins verzekerd zijn door het sluiten van een zogenaamde anterieure overeenkomst. Artikel 6.12, tweede lid nuanceert het verhalen van kosten. Als het totaal der exploitatiebijdragen, dat met toepassing van artikel 6.19 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,- en/of de gemeente geen verhaalbare kosten heeft als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f, van het Besluit ruimtelijke ordening, dan is kostenverhaal (en hiermee het opstellen van een exploitatieplan of anterieure overeenkomst) niet verplicht.
In onderhavig geval zijn er voor de gemeente geen kosten gemoeid met de uitvoerbaarheid van het plan. De aanvrager is namelijk 100% eigenaar van de grond en zal hier geheel voor eigen kosten het bouwplan gaan realiseren. Omdat het perceel gelegen is aan de openbare weg, is de benodigde infrastructuur reeds voorhanden. De gemeente behoeft geen infrastructuur aan te leggen of andere werken uit te voeren. Er zijn voor de gemeente dan ook geen kosten gemoeid, anders dan de kosten waarvoor de aanvrager – conform de geldende legesverordening - leges zal betalen. Zo betaalt de aanvrager leges voor de benodigde omgevingsvergunningsaanvraag. Voor de gemeente geldt dan ook geen wettelijke plicht om een exploitatieplan of een anterieure overeenkomst op te stellen.
In het kader van het wettelijk verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voorgelegd aan
In haar reactie van 16 juni 2014, nr. 14.06913, heeft het Waterschap laten weten dat het voorontwerpbestemmingsplan geen aanleiding geeft voor het maken van op- en/of aanmerkingen.
De Omgevingsdienst heeft in haar rapport van 23 juni 2014, nr. S2014-0330, enkele tekstuele wijzigingen in de toelichting voorgesteld. In algemene zin concludeert de Omgevingsdienst, dat de verschillende bekeken milieuaspecten de realisatie van dit bestemmingsplan niet in de weg staan.
Het ontwerpbestemmingsplan “Hoek Ir. Sassenstraat 48 - Roggestraat, Ulft" heeft vanaf 11 september 2014 tot en met 23 oktober 2014 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.