direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lelystad - Hondsdraf 51
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00085-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Hondsdraf 51 te Lelystad is een zorginstelling gevestigd. Het bedrijf biedt zorg en dagbesteding aan. Op het perceel staat bebouwing ten behoeve van de zorgactiviteiten alsmede een bedrijfswoning.

Het voornemen is om de bedrijfswoning volledig te gaan benutten ten behoeve van een retraite ruimte en vergaderruimte. De werknemers van deze verblijven zullen bestaan uit zorgbehoevenden van de zorgboerderij.

Hiervoor wordt de bedrijfswoning inpandig verbouwd. Vervolgens is het plan opgevat om op de gronden ten westen van de huidige inrichting een nieuwe bedrijfswoning inclusief een kasloods te realiseren. De kasloods zal gebruikt worden voor werkzaamheden voor dagbesteding.

Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regelingen. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Om deze reden wordt voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader waarbinnen de gewenste situatie mogelijk is.

De gemeente Lelystad heeft reeds aangegeven aan de ontwikkeling te willen meewerken.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Hondsdraf 51 even ten oosten van Lelystad. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de toekomstige inrichting van het bedrijf. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0001.jpeg"

Figuur 1. Ligging plangebied. (Bron: Kadastrale kaart en OpenTopo achtergrondkaart)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Stadsrandgebied', vastgesteld op 19 maart 2014.

Op basis van dit plan zijn de gronden van de huidige zorginstelling voorzien van de bestemming 'Gemengd' inclusief de aanduiding 'zorgboerderij'. Ter plaatse van deze aanduiding is een zorgboerderij en zorgwoningen en de daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Onder zorgboerderij wordt verstaan: 'een agrarisch bedrijf waar de ondernemer de activiteiten van het bedrijf combineert met zorgtaken'. De bestaande zorginstelling is daarom al toegestaan.

De bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. De gronden ter hoogte van de uitbreiding van de zorginstelling zijn ook voorzien van de bestemming 'Gemengd', echter zonder bouwmogelijkheden ten behoeve van de zorgboerderij. De bouw van de beoogde bedrijfswoning en kasloods is op basis van het geldende bestemmingsplan daarom niet toegestaan. Een uitsnede van het geldende bestemmingplan is weergeven in figuur 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0002.jpeg"

Figuur 2. Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke plannen)

1.4 Leeswijzer

De toelichting bij het bestemmingsplan is opgebouwd in zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 vat de relevante beleidsstukken samen en geeft zo nodig aan welke consequenties dit heeft voor het plangebied. Hoofdstuk 4 staat stil bij de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de gehanteerde bestemmingen met de uitgangspunten hiervoor. Hoofdstuk 6 bevat tenslotte een korte beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in een groenrijk gebied ten oosten van de stad Lelystad en maakt deel uit van het deelgebied Oostrandhout. Oostrandhout grenst in het noorden aan het bedrijventerrein Oostervaart-Oost, in het oosten vormt de Rijksweg A6 de grens, in het zuiden wordt Oostrandhout begrensd door het Gelderse Diep en de Lage Vaart en in het westen door de Oostranddreef.

De directe omgeving van het plangebied heeft een zeer groen (bos) karakter. Alle percelen zijn middels hoogopgaande beplanting van elkaar afgeschermd. In de omgeving van het plangebied komen verschillende bedrijfsfuncties voor. Ten eerste bevindt zich aan de Hondsdraf 21 een agrarisch bedrijf. Ten zuiden van dit bedrijf bevindt zich een kleine cluster van zorgboerderijen. De zorgboerderij in het plangebied maakt hier ook deel vanuit. De gronden waren voorheen in gebruik als volkstuin en zijn in de loop der tijd ontwikkeld tot zorgboerderijen. Daarnaast bevinden zich ten westen van het plangebied enkele volkstuinen.

Het plangebied is in de huidige situatie ingericht ten behoeve van een maatschappelijke zorgfunctie. Het bedrijf biedt zorg en dagbesteding aan voor mensen (vanaf 18 plus) met psychiatrische aandoeningen, stoornissen in het autistisch spectrum en mensen met een combinatie van aandoeningen.

Op het perceel staat de bebouwing inclusief bedrijfswoning van de zorginstelling. De bebouwing is voornamelijk geconcentreerd op de noordoostzijde van de inrichting. Verspreid staat nog enkele kassen, schuilstallen en veldschuren. De rest van de gronden zijn hoofdzakelijk in gebruik ten behoeve van dagbesteding.

De figuren 3, 4 en 5 geven een goed beeld van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0003.jpeg"

Figuur 3. Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0004.png"

Figuur 4. Aanzicht vanaf de Hondsdraf (noordwestkant plangebied)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0005.png"

Figuur 5. Aanzicht vanaf de Hondsdraf (zuidoostkant plangebied)

2.2 Toekomstige situatie

Het plan omvat kort gezegd het voortzetten van een kleinschalige zorgvoorziening in de vorm van een zorgboerderij met dagbesteding. De zorgboerderij wil zijn bedrijfsvoering gaan uitbreiden door middel van de volgende plannen:

  • De bestaande bedrijfswoning ombouwen tot retraite ruimte – geen hotelfunctie – en deze runnen met mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt;
  • Nieuwe werkruimte op de gronden aan de westkant van het voor andere inzet van werkzaamheden. Hiervoor wordt een nieuwe kasloods gerealiseerd;
  • Nieuwe bedrijfswoning op kavel 4.

Het bestaande perceel wordt ingericht tot retraite/vergaderlocatie waarbij de werknemers van de locatie zorgbehoevenden zijn. Het betreft de doelgroep jongeren die voorbereid worden op doorstroom naar regulier onderwijs of een baan. Door deze doelgroep op het perceel te laten werken worden hun kansen in de participatiesamenleving vergroot. De retraite/vergaderlocatie is niet commercieel en is alleen ten gunste van de maatschappelijke activiteiten van de zorgboerderij.

Op het perceel nummer '4' wordt een kasloods gerealiseerd waarin activiteiten voor dagbesteding gaat plaats vinden.

De bedrijfswoning inclusief berging krijgt een maximale oppervlakte van 400 m2 en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Het gewenste bouwvlak van het plangebied is weergeven in figuur 6. Binnen de bouwvlak wordt de benodigde bebouwing gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0006.png"

Figuur 6. Toekomstige inrichting plangebied

2.3 Ruimtelijke kwaliteit

Cultuurhistorische en landschappelijke basiskwaliteiten zijn de overige kwaliteiten van de polder. Het gaat dan om openheid, de verkavelingsstructuur, het bijzondere stedenbouwkundige concept van Nagele en het werkeiland Lelystad-Haven, de gemalen, hoge bruggen en de voormalige Zuiderzeekustlijn en de erfbeplanting. De provincie draagt voor de basiskwaliteiten geen verantwoordelijkheid, maar wil wel met de gebiedspartners vroegtijdig in dialoog blijven. De provincie verwacht van de gemeenten dat zij bij de besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen expliciet rekening houden met zowel de cultuurhistorische en landschappelijke kern- als basiskwaliteiten.

Het plangebied ligt volgens gemeentelijk beleidsdocument 'Het Kwaliteitsstructuurplan' in een groot groengebied buiten de stad en maakt deel uit van het deelgebied Oostrandhout. De groengebieden buiten de stad dragen bij aan het groene imago van Lelystad. De groengebieden buiten de stad zijn zeer belangrijke onderdelen van de ecologische structuur van de stad en het buitengebied.

Het is van belang dat deze ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. De bestaande inrichting is al geheel landschappelijk ingepast. De beplanting aldaar blijft gehandhaafd. Aanvullende erfbeplanting wordt niet noodzakelijk geacht. Er is sprake van een verantwoorde inpassing. Hierna vindt een nadere motivering plaats.

Ruimtelijk analyse omgeving

Het is een gebied dat een zeer sterke seizoensbeleving heeft en waarbij de ruimtelijk opbouw per seizoen verschilt. In de zomer (beplanting in blad) is het een sterk besloten gebied, met losse ruimtelijke eenheden die je zeer beperkt tot niet ziet vanaf buiten. In de winter (blad van de bomen) is de bebouwing, ook de clusters in het noordelijke deel te zien vanaf de Runderweg. De ruimtelijke opbouw is transparant en er ontstaan veel en grote doorzichten. Dat maakt dat het gebied niet volledig als 'besloten' aangemerkt kan worden.

Als je kijkt naar het gebied bestaat het uit 4 delen. Zie hiervoor ook figuur 7. Gebied I is een redelijk open gebied, dat ook werkt als entreegebied. Zowel in gebruik als in beleving. Gebieden II en III zijn volkstuinen met een geheel eigen sfeer. Het gebied van onderhavig plangebied ligt in gebied IV. Dit is het gebied waar de clusters te vinden zijn. De clusters zijn echter in 3 van de 4 kwadranten binnen IV te vinden. Het lege kwadrant ('linksonder') betreft het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Dit kwadrant is voornamelijk in de winter goed te zien. Zeker als men via I naar II en III rijdt. Daarbij is tevens de bebouwing in gebied IV in de wintermaanden te zien vanaf de Runderweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0007.png"

Figuur 7

Landschappelijke inpassing

De directe omgeving van het plangebied heeft een zeer groen (bos) karakter. Alle percelen zijn middels hoogopgaande beplanting van elkaar afgeschermd. In het geldende bestemmingsplan zijn de gebieden waar bos c.q. bebossing voorkomt, als zodanig bestemd. Naast de bosbouw zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de natuur- en landschapswaarden. Derhalve is de erfbeplanting aan de oost- en zuidzijde van het plangebied ook als zodanig bestemd.

Met de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden geen ingrepen aan deze landschappelijke waarden voorgesteld. Er vindt dan ook geen onevenredige afbreuk plaats aan de bosstructuur van het deelgebied Oostrandhout, welke door de gemeente als waardevol wordt gezien. Met de ontwikkelingen worden de landschappelijke kwaliteiten niet aangetast. In een ecologische beoordeling is daarnaast geconcludeerd dat er met de ontwikkelingen geen strijdigheid met de Wet natuurbescherming ontstaat (zie ook paragraaf 4.8 en bijlage 3).

Zoals te zien op de luchtfoto, figuur 3 (paragraaf 2.1), ligt het plangebied van de voorgestelde ontwikkeling precies binnen de groene omlijsting. In figuur 4 en 5 (paragraaf 2.1) is het aanzicht te zien van de huidige bosschage die het plangebied omringd en ook in de nieuwe situatie als zodanig behouden zal blijven.

Plaatsing gebouwen

Het gebied aan de oostzijde van Lelystad is een groene zone die als groene zone tussen de stedelijke bebouwde omgeving en het open polderlandschap welk kenmerkend is voor Oostelijke Flevoland. Het gebied kenmerkt zich door bosvakken, bosachtige zomen en open terreinen. ‘s Winters zijn er wat doorzichten door de houtwallen, welke ‘s zomers aan het zicht onttrokken zijn. Per erf tekent zich een bouwvlak af met verschillende gebouwvolumes met verschillende nokrichtingen.


Met het samenvoegen van de vierde zorgboerderijlocatie aan de derde is er bewust gekozen niet het bouwvlak van de derde te vergroten, maar de extra bebouwing toe te kennen aan de vierde kavel. Daarmee behouden we de openheid tussen de bebouwingsclusters op de verschillende erven.


Om te voorkomen dat vanaf de Runderweg het doorzicht geblokkeerd wordt zijn bedrijfsruimte en woonhuis min of meer achter elkaar geprojecteerd. Middels bouwvlakken in dit bestemmingsplan worden de verschillende gebouwen van elkaar gehouden. Daarmee blijft ook het dwarse doorzicht behouden vanaf de ontsluitingsweg ten westen van de kavel.

Voor wat betreft de plaatsing van de gebouwen wordt aangesloten bij de bouwmogelijkheden die gelden voor de reeds aanwezige zorginstellingen van de Hondsdraf 51, 52 en 56. Op deze percelen is sprake van een cluster van gebouwen.

Om dit cluster te waarborgen is in het geldende bestemmingsplan een bouwvlak aangebracht waarbinnen de gebouwen gepositioneerd moeten worden. In figuur 2 zijn de verschillende bouwvlakken van de Hondsdraf 51, 52 en 56 weergeven.

Ten aanzien van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is het wenselijk dat er aangesloten wordt bij het bestaande stedenbouwkundige beeld van de drie clusters. Dit betekent dat de plaatsing van de nieuw te realiseren gebouwen, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, ook geclusterd wordt. Om dit te waarborgen wordt in dit bestemmingsplan bouwvlakken opgenomen waarbinnen de gebouwen gebouwd moeten worden. Ook hier geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter hoog. Op deze wijze is sprake van een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. Daartoe komen het provinciaal en het gemeentelijk beleid aan bod.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zet het Rijk in op het beschermen van 14 nationale belangen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden regels opgenomen om het beleid uit de Structuurvisie te verwezenlijken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

In het plangebied spelen geen Nationale Belangen die zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte of in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren is in het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). Voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en moet worden aangetoond of er behoefte is.

Omdat dit bestemmingsplan geen stedelijke ontwikkeling behelst hoeft er niet te worden getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking. Er is namelijk slechts sprake van een functiewijziging in de bestaande bebouwing alsmede de bouw van een vrijstaande bedrijfswoning plus nieuwe kasloods. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.

Conclusie

Het voornemen is passend binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsprogramma Provincie Flevoland

In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld (zie volgende paragraaf). Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven. Deze eerste versie van het Omgevingsprogramma Flevoland is vastgesteld door Provinciale Staten van Flevoland op 27 februari 2019. In deze versie is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd.

Het plangebied ligt volgens het omgevingsprogramma in stedelijk gebied. Het verstedelijkingsbeleid is gericht op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Het beleid maakt behoud en versterking van de kwaliteit van de fysieke omgeving mogelijk. Het gaat hierbij om efficiënt ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en herstructurering van het stedelijk gebied en versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied.

Met dit bestemmingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Daarnaast geldt het algemene beleid ten aanzien van stedelijke ontwikkeling (concentratie in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied) voor dit project. Aan dit uitgangspunt wordt voldaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Lelystad 2023

De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Het Structuurplan heeft een looptijd van 25 jaar, waarbij gedurende de periode tot 2015 hoofdzakelijk uitvoering zal worden gegeven aan het vastgestelde beleid. De onderhavige ontwikkeling past in de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie.

Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020

Visie: Lelystad is een groene, vitale gemeente waar het aantrekkelijk wonen, werken en verblijven is. Er is een sterk sociaal netwerk waarin de mensen elkaar inspireren en verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en hun omgeving. Waarbij de overheid bestaande netwerken en nieuwe initiatieven ondersteunt waar nodig en zelf het goede voorbeeld geeft. Lelystad is een sociaal en financieel gezonde gemeente in een prettige, groene leefomgeving met vitale woonwijken, goed onderwijs en perspectief op voldoende banen. Lelystad profileert zich als een ondernemende stad met een duurzaam en innovatief profiel. Veel innovatieve oplossingen worden bedacht in Lelystad. De omgeving wordt ingezet om lokaal voedsel te verbouwen en grondstoffen te ontwikkelen. Steeds meer afval kan als grondstof dienen. Lelystad is een gemeente die haar eigen energiebehoefte volledig duurzaam opwekt.

De ambitie is om de stad zodanig inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is. In een gezonde stad is ruimte voor duurzame energie-, water-, voedsel-, grondstoffen- en afvalkringlopen.

Lelystad werkt hard aan de transitie naar een aardgasloze gebouwde omgeving. Ook de gebouwen in het plangebied zullen niet op het aardgasnet worden aangesloten. Het plan voorziet in voldoende ruimte om alternatieve energiesystemen te kunnen faciliteren. Bij de verdere uitwerking van het plan zal gekeken worden hoe het aspect duurzaamheid een plaats krijgt in de ontwikkeling. De ontwikkelingen zullen voldoen aan de wettelijke vereisten. Bij verdere uitwerking wordt gekeken hoe het aspect duurzaamheid nog meer kan worden toegepast. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de in en rond het plangebied voorkomende relevante milieu- en omgevingsaspecten.

4.1 Milieueffectrapportage

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer of een oppervlakte van 100 hectare of meer.

Het betreft een perceelsgebonden ontwikkeling, binnen het bestaand stedelijk gebied van Lelystad, waarbij geen extra (bedrijfs)woningen worden toegevoegd. Hierbij vinden geen grote infrastructurele ingrepen plaats. Er is daarom in het kader van de mer-procedure geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast blijkt uit de volgende milieuparagrafen dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure.

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden/rustige buitengebieden en gemengde gebieden.

In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Een gemengd gebied is een gebied met een sterke tot matige functiemening. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Ter plaatse van de locatie mag de omgeving worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Dit vanwege het feit dat in directe omgeving meerder bedrijfs- en (zorg) woonfuncties naast elkaar bestaan. In dergelijke gevallen mag 'een stapje terug' worden gedaan, door de VNG richtstanden met één afstandsstap te verlagen.

De zorgboerderij inclusief bedrijfswoning is een milieugevoelige functie. Van belang is dat deze functie niet leidt tot onevenredige afbreuk van de bestaande bedrijvigheid in de nabijheid, in die zin dat naburige (agrarische) bedrijven er door in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Hierbij wordt rekening gehouden met de planologische mogelijkheden. De dichtstbijzijnde bedrijfsactiviteit bevindt zich direct ten noorden van het plangebied aan de Hondsdraf 21. Hier is een grondgebonden agrarische bedrijf toegestaan.

De inrichting van het bedrijf ligt op circa 130 meter afstand tot grens van het plangebied, alsmede tot de bestaande zorgboerderij. De toekomstige bedrijfswoning komt op een afstand van circa 144 meter tot de inrichting van het bedrijf te staan. Met de bouw van de bedrijfswoning wordt het bedrijf niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt, omdat in de bestaande situatie de zorgboerderij op een kortere afstand tot het bedrijf is gelegen. Het bedrijf wordt dan ook niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

Ter plaatse van de toekomstige bedrijfswoning dient daarnaast sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Voor het agrarische bedrijf geldt een aan te houden afstand van 100 meter. De grens van het bedrijf tot de grens van het bouwvlak in het plangebied gebied bedraagt meer dan 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan.

Een zorgboerderij is ook aangemerkt als bedrijfsmatige activiteit. De bedrijvigheid moet daarom ook getoetst worden aan zijn effecten op de omgeving. Een zorgboerderij valt onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde woning van derden ligt op circa 30 meter. De zorgboerderij bevindt zich dus op gepaste afstand ten opzichte van gevoelige objecten in de omgeving.

Vanuit de milieuzonering bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

4.3 Verkeer

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Hondsdraf. Dit is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. Hier geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. In zuidelijke richting rijdt men door richting de A6. Vanaf het plangebied is de A6 makkelijk te bereiken.

De ontwikkeling heeft een beperkte toename van de verkeersgeneratie ten gevolge. De Hondsdraf beschikt over voldoende capaciteit om de toename van het verkeer te kunnen opvangen. De toename aan verkeer zal dan ook opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. De afwikkeling van het verkeer zal daardoor niet voor problemen zorgen.

Parkeren

De herontwikkeling van het plangebied zorgt voor een beperkte toename van de parkeervraag. In het plangebied is voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen.

Conclusie

Op het terrein is voldoende ruimte om in de toename aan parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. De verkeersgeneratie kan voldoende worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Het aantal is dermate gering dat het opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Geluid

Toetsingskader

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidbelasting van geluidsgevoelige gebouwen en terreinen door drie verschillende geluidbronnen: wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. Indien er binnen een geluidzone een geluidgevoelige functie gerealiseerd wordt, dient getoetst te worden aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

Wegverkeer en railverkeer

Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

Onderzoek (spoor)wegen

In het onderhavig plan wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De woning is een nieuwe geluidgevoelige functie en ligt binnen de geluidszones van de A6. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en als bijlage 2 bij de toelichting toegevoegd. Uit de modelresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het verkeer op de A6 wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 53 dB.

Ten aanzien van de gezoneerde weg waarbij de voorkeursgrenswaarde overschreden wordt is een hogere waarde nodig. Hiervoor dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad dient een hogere waarde vast te stellen conform onderstaande tabel.

Tabel 5.1 Ontheffingswaarde wegverkeerslawaai

Omschrijving locatie   Ontheffingswaarde   Bron  
Woningbouw   53 dB   A6  

De hogere waarde wordt in het kadaster vastgelegd.

4.5 Water

Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden.

Proces van de watertoets

Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Zuiderzeeland (kenmerk: 20190926-37-21488). Op basis van deze toets heeft het waterschap aangegeven dat de normale watertoetsprocedure gevolgd wordt. De watertoets is als bijlage 1 opgenomen. Vervolgens heeft het waterschap een wateradvies/vooroverlegreactie afgegeven. Deze is als bijlage 4 opgenomen. Uit inhoudelijke beoordeling blijkt dat de korte procedure in het kader van de watertoets van toepassing is. Nader overleg met het waterschap is niet noodzakelijk.

Thema veiligheid

Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering en ligt ook niet buitendijks. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Thema Voldoende Water

Voor projecten geldt het principe 'waterneutraal bouwen' als uitgangspunt. Dit wil zeggen dat, wanneer het verhard oppervlak toeneemt, compenserende maatregelen worden genomen om piekafvoeren op te vangen. In dit geval neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de vergunde situatie toe. In het kader van dit project zijn daarom compenserende maatregelen noodzakelijk.

De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

Het plangebied is gelegen in het landelijk, groen gebied. Het verhard oppervlak, inclusief wegverharding, neemt als gevolg van deze ontwikkeling netto met circa 2.000 m2 toe. Dit is minder dan 2.500 m2, waardoor compensatie niet noodzakelijk is. Het plangebied ligt in een peilgebied waar een bergingsnorm van 5% geldt. Indien in de toekomst sprake is van een toename van meer dan 2.500 m2, dan zal watercompensatie moeten plaatsvinden.

Goed functionerend watersysteem (WF)

Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) verslechtert door het plan niet. Ook het streefpeil blijft ongewijzigd. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor (grond)water in de omgeving.

Schoon water

Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar de realisatie van een ecologisch gezond watersysteem. Binnen het plangebied komen geen watergangen voor. Van het natuurvriendelijk inrichting van oevers is geen sprake. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt.

Het hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten wordt afgewaterd op bestaand oppervlaktewater of de bestaande riolering.

Afvalwater

Voor de afvoer van afvalwater in de bestaande situatie wordt gebruik gemaakt van de bestaande voorziening. De afvoer neemt als gevolg van dit project niet significant toe. In de nieuw te realiseren gebouwen komen sanitaire voorzieningen en bij de interne verbouwing van de bestaande bedrijfswoning blijven de sanitaire voorzieningen behouden. Voor wijzigingen van lozing van huishoudelijk afvalwater in niet kwetsbaar oppervlaktewater of het aanbrengen van geldt een meldplicht op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Proces

Vanwege de mogelijke invloed van het plan op de waterhuishouding wordt de korte procedure voor de watertoets doorlopen. Nader overleg met het waterschap is niet noodzakelijk. Bij de uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die het waterschap stelt.

4.6 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

Onderzoek Bodemkwaliteit

Het plangebied is momenteel in gebruik ten behoeve van de maatschappelijke functie en daarvoor in gebruik geweest als een volkstuingebied. Het is niet aannemelijk dat de gronden door het huidige gebruik verontreinigd zijn. Er is dus geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan is daarom niet nodig. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt een verkennend bodemonderzoek voorgelegd.

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet nodig geacht en worden geen belemmeringen met betrekking tot het bodemaspect verwacht. Het planvoornemen is daarmee uitvoerbaar.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht van de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.


De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

De gemeente Lelystad heeft zijn archeologisch beleid vastgelegd in de ‘Archeologische Monumentenzorg in Lelystad’. Op basis van de Archeologiekaart waarden en verwachtingen van de gemeente Lelystad kan gesteld worden dat het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. De kans op het aantreffen van Prehistorische vindplaatsen is hier laag. Dit beleid is vertaald naar een beschermende regeling in het bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt geen bescherming. Het is daarom niet noodzakelijk om archeologisch onderzoek uit te voeren.

Conclusie

Archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. Indien bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dient hiervan direct melding gedaan te worden conform de Erfgoedwet.

4.7.2 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

De omgeving en de zorgboerderij in het plangebied zijn niet van cultuurhistorische waarde. De nieuwe inrichting van het plangebied voegt zich in de bestaande structuren en kenmerken van zijn omgeving.

4.8 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is geen sprake van Natura 2000-gebieden. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied, treden geen nadelige effecten op voor NNN- en Natura 2000-gebieden. Het plangebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogelleefgebied. Verstoring van weidevogels is daarom niet aan de orde.

stikstof

Woningbouwplannen of vergelijkbare projecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen.

Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouwplannen, gemengde stedelijke functies of solitaire bedrijven met een beperkte milieubelasting geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie te verwachten, aangezien er vanaf nu gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik. Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat. Onder de PAS werd een effectafstand voor hoofdwegen of hoofdvaarwegen van respectievelijk 3 of 5 kilometer ten opzichte van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat gerekend. De potentiële effecten van kleine woningbouwlocaties zijn uitsluitend het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) en op basis van honderden uitgevoerde AERIUSberekeningen wordt ingeschat dat een toename van de

stikstofdepositie niet zal optreden op een afstand meer dan 5 kilometer. Het gaat dan om stedelijke (gasloze) ontwikkelingen met een beperkte omvang, tot maximaal 100 woningen. Er hoeft in die gevallen geen vergunning op grond van de Wnb aangevraagd te worden. De emissie van stikstof vanuit het materieel dat wordt gebruikt in de realisatiefase is vergelijkbaar met dat van wegverkeer, dat tot op afstand van maximaal 5 kilometer relevant kan zijn. Ook deze emissie vindt vlak aan de grond plaats en wordt niet mechanisch hoog de lucht in geblazen.

Het plangebied ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig gebied ligt op minimaal 17 kilometer van het plangebied. Stedelijke (gasloze) ontwikkelingen met een beperkte omvang, tot maximaal 100 woningen, zorgen niet voor een toename van de stikstofdepositie op een afstand meer dan 5 kilometer van het Natura-2000 gebied. Gelet op de beperkte omvang en de aard van het project en de afstand tot de relevante gebieden kan geconcludeerd worden dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom op voorhand duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Ofwel: het is op voorhand voldoende duidelijk dat de toename van stikstofdepositie op gebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden ten hoogste 0,00 mol/hectare/jaar is.

De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.

Soortenbescherming

Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. Het onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt hier rekening mee gehouden.

Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Flevoland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.


Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ruimtelijke ontwikkeling zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals bijvoorbeeld vuurwerk, aardgas of lpg. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen(bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn alsmede op het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen.

Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart. In figuur 7 zijn de risicobronnen ten opzichte van het plangebied weergegeven. In het plangebied worden (beperkt) kwetsbare objecten voorgesteld en in de omgeving van het plangebied zijn twee mogelijk relevante risicobronnen aanwezig, te weten:

    • a. Rijksweg A6 met transport van gevaarlijke stoffen;
    • b. Een buisleiding met een diameter van 6 inch en een werkdruk van 66 bar;
    • c. Spoortraject Zwolle- Lelystad, vervoer van gevaarlijke stoffen;

(Beperkt) kwetsbare objecten:

Uit oogpunt van externe veiligheid is de zorgboerderij in het plan gebied een kwetsbaar object en geniet bescherming tegen de risico's van gevaarlijke stoffen. Er zijn geen beperkt kwetsbare in het plangebied aanwezig.

Het transport van gevaarlijke stoffen is een relevant risico in verband met de externe veiligheid. Met de risico's die aan de aanwezigheid van deze transportroute zijn verbonden moet in het bestemmingsplan rekening worden gehouden. Dat geschiedt met behulp van een veiligheidszone waarbinnen beperkingen gelden ten aanzien van werkzaamheden, bebouwing en de aanwezigheid van personen.

  • a. Rijksweg A6 met transport van gevaarlijke stoffen.

Plaatsgebonden risico (PR) vervoer over de weg

Voor de beoordeling van de gevolgen van het transport over de A6 is gebruik gemaakt van het rapport "Onderzoek externe veiligheid Lelystad bestemmingsplan Stadsrandgebied' van 25 april 2012 dat is opgesteld in kader van het huidige bestemmingsplan. Uit dit rapport blijkt, dat voor het traject van de A6 ter plaatse van het plangebied, de risicocontour van het PR 10-6/jaar op 0 meter ligt. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan

Groepsrisico (GR) vervoer over de weg

Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van de transportroute dient het groepsrisico te worden bepaald. Het bestemmingsplan ligt buiten de 200 meter van de A6 gelegen. Een berekening van het groepsrisico is daarom niet nodig. De weg heeft een invloedsgebied van 355 meter vanaf het midden van de weg. Het plangebied ligt op een afstand van 210 meter en ligt dan ook binnen het invloedsgebied. Voor het realiseren van kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied, geldt een verantwoordingsplicht.

  • b. Buisleiding met een diameter van 6 inch en een werkdruk van 66 ba.

Ten noorden van het plangebied is een aardgasleiding A-570-02 gelegen. Deze leiding heeft een diameter van 6 inch en een werkdruk van 66 bar. De transportleiding ligt op een afstand van ca 1.300 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van de buisleiding bedraagt 60 meter. Het plangebied bevindt zich buiten het invloedsgebied van de leiding en heeft geen effect op de externe veiligheidssituatie ter plaatse.

Ten noorden en westen van het plangebied vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen per spoor, traject Zwolle- Lelystad. Op dit traject worden de stofcategorieën A, B2, C3 en D4 vervoerd. Het invloedsgebied van dit traject bedraagt 4.000 meter. de stofcategorie D 4 is hiervoor maatgevend. Het plangebied is met een afstand van 3.000 meter binnen het invloedsgebied gelegen. Binnen het invloedsgebied geldt een verantwoordingsplicht waarbij een verantwoording van het groepsrisico dient te worden opgesteld.

Conclusie

Nader te beschrijven op het moment dat een verantwoording van het groepsrisico is afgegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00085-VG01_0008.png"

Figuur 8. Uitsnede risicokaart

4.10 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden de volgende twee situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal een gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. De ontwikkelingen in het plangebied hebben een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking. Deze aantrekkende werking is in ieder geval substantieel lager dan de genoemde bijdrage van 1.500 nieuwe woningen. Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is het plan daarom vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.


Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan geen overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen tot gevolg heeft.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Toetsingskader

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

Onderzoek
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Wel ligt het plangebied binnen een zone waarvoor hoogtebeperkingen gelden in het verband met de vliegveiligheid van vliegveld Lelystad. Voor het vliegveld ligt op dit moment een ontwerp bestemmingsplan ter inzage waarin onder andere de hoogtebeperkingen zijn geregeld. Ook in het plangebied is de beperking van toepassing in de vorm van de aanduiding 'vrijwaringszone - Luchtvaart 3'. Binnen de aanduiding zijn geen bouwwerken toegestaan hoger dan 146,3 meter. Omdat dit bestemmingsplan uitgaat van een maximale hoogte van 10 meter komt de vliegveiligheid niet in het geding.

Hoofdstuk 5 Bestemmingen en planuitgangspunten

In dit hoofdstuk wordt een motivatie gegeven van de gehanteerde bestemmingen en de daarbij behorende uitgangspunten van het bestemmingsplan.

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij de bestaande regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Stadsrandgebied en het in ontwerp zijnde bestemmingsplan Lelystad- luchthavencontouren.


Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt de bestemming, zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen, beschreven.

Gemengd

Het gehele plangebied blijft de bestemming 'Gemengd' inclusief functieaanduiding 'zorgboerderij'. behouden. Binnen deze bestemming en de aanduiding zijn de maatschappelijke voorzieningen/activiteiten van de zorgboerderij toegestaan. De bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. Dit betekent dat rondom de toekomstige bebouwing op het perceel nummer '4' een bouwvlak wordt gelegd. Het bouwvlak wordt tevens voorzien van de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Deze komt op het perceel nummer '3' te vervallen. Binnen het gehele plangebied is daarmee één bedrijfswoning toegestaan. Tot slot bedraagt de bouwhoogte maximaal 10 meter.

Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - Luchtvaart 3'

Daarnaast wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - Luchtvaart 3' uit het ontwerp bestemmingsplan Lelystad - Luchthavencontouren overgenomen. Hiermee wordt de bereikbaarheid van het vliegveld gewaarborgd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een bestemmingsplan en de grondexploitatie. Bij de uitvoerbaarheid wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.

Overleg

Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Vanuit het waterschap is een reactie ontvangen. De reactie is opgenomen in bijlage 1. De reactie van het waterschap is verwerkt in paragraaf 4.5.

De ingekomen reacties worden voorzien van een gemeentelijke reactie en kunnen leiden tot wijzigingen in het bestemmingsplan. Deze worden verwoord in de beantwoording op de ingekomen reacties en weergegeven in deze toelichting. Het voorontwerp bestemmingsplan wordt niet voor inspraak ter inzage gelegd. Wel zijn de omwonenden op de hoogte van de plannen. De initiatiefnemer heeft ze vroegtijdig geïnformeerd en betrokken bij de totstandkoming van de ontwikkeling. De omwonenden hebben aangegeven aan de ontwikkeling te willen mee werken.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruikt gemaakt. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Vaststellingsfase
Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Grondexploitatie en economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor het realiseren van de ontwikkelingen op het perceel worden gedragen door de initiatiefnemer.

Grondexploitatie

Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn.

In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen dient een grondexploitatieplan opgesteld te worden tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit plan wordt het kostenverhaal geregeld in een exploitatieovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hierin wordt onder andere het planschadeverhaal geregeld. Verder worden de plankosten via leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en wordt van het vaststellen van een exploitatieplan afgezien.