direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Gedeeltelijke herziening deelgebied 1 Warande (postzegels)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00043-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De Warande is een van de grotere uitbreidingswijken van Lelystad. In totaal wordt hier voorzien in een uitbreiding van ruim 8000 woningen. Ten behoeve daarvan heeft de gemeente de stedenbouwkundige opzet voor de wijk neergelegd in 'Warande, Ontwikkelingsplan voor Lelystad-Zuid' (2003), waarna in 2010 'Warande 2.0 herzien ontwikkelingsplan 2009' is vastgesteld. In deze plannen is de opzet voor de wijk globaal aangegeven, omdat de realisatie over een lange periode voorzien was. In het bestemmingsplan 'Warande fase 1', welke eind 2009 is vastgesteld, is voor een beperkt deel een gedetailleerde regeling opgenomen op grond waarvan een gedeelte van het eerste deelgebied kon worden ontwikkeld. Nu is de rest van het eerste deelgebieden aan bod (zie figuur: de wijk Warande met fasering en deelgebieden). Voor het grootse deel van dit gebied geldt een uit te werken bestemming. Omdat de inzichten ten aanzien van de uitvoering enigszins veranderd zijn, is voor een drietal locaties een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. De gewenste ontwikkeling van deze locaties past niet binnen de uitwerkingsregels of bestemmingen van het bestemmingsplan Warande fase 1. Het programma is overigens ongewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan Warande fase 1.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De wijk Warande ligt aan de zuidzijde van Lelystad. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de Larserdreef, de Landstrekenwijk en de Waterwijk. Aan de noordwestzijde ligt de Buizerdweg. Aan de zuidwestzijde ligt het bosgebied de 'Hollandse Hout' en de Lage Dwarsvaart. Aan de zuidoostkant ligt de Overzegge. Binnen Warande zijn 2 fasen en verschillende deelgebieden aangewezen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0001.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0002.png"

Figuur: Ligging deelgebied 1

Het voorliggende bestemmingsplan betreft drie locaties (zie figuur: 'Plangebieden'). Op de afbeelding 'Plangebieden' is tevens aangeveven voor welke delen een uitwerkingsplan is opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0003.png" Figuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0004.png" Bestemmingsplan Gedeeltelijke herzieining deelgebied 1 Warande (Postzegels)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0005.png" Uitwerkingsplan deelgebied 1 Warande

Plangebieden. Gedeeltelijke herziening deelgebied 1 Warande (postzegels) en Uitwerkingsplan deelgebied 1 Warande

1.3 Geldende regeling

Voor het plangebied is het bestemmingsplan Lelystad Warande fase 1, welke op 24 november 2009 is vastgesteld, van toepassing. Voor een deel geldt de bestemming 'Wonen - Uit te werken' (W-U). Verder gelden binnen de plangebieden de bestemmingen 'Bos' (BO), 'Water' (WA)en 'Gemengd 2' (GD2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0006.png"

Figuur: uitsnedes bestemmingsplan Lelystad Warande fase 1

De voor 'Wonen - Uit te werken' (WU) bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen, maatschappelijke voorzieningen, verkeer en verblijf, groenvoorzieningen en water. In de meest westelijk gelegen plandeel is de aanduiding 'buurtvoorzieningen' opgenomen. Dit betreft maatschappelijke voorzieningen als scholen, sportvoorzieningen, kinderdagverblijven, wijkcentra, culturele en medische voorzieningen. Hier mogen alleen kantoren en woningen komen, indien uit onderzoek naar de bevolkingsopbouw/groei is gebleken dat deze uitwerking geen onomkeerbare inbreuk maakt op het noodzakelijke voorzieningenniveau binnen het plangebied.

De gemengde bestemming (GD) is bestemd voor detailhandel, dienstverlening, medische voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, informatiecentrum, broedplaats voor kunst en creativiteit, horecabedrijven, één uitkijktoren, een entreeportaal en bijbehorende voorzieningen.

1.4 Wijzigingen plan

Als gevolg van gewijzigde inzichten is het wenselijk om een deel van de bestemmingen te verschuiven. Een deel van 'Bos' (BO) en een deel van 'Uit te werken' woonbestemming (W-U) worden tegen elkaar uitgeruild om zo een betere groenstructuur aan te kunnen leggen, dit betreft de aanpassingen in het noord-oostelijke en het zuidelijke plangebied.

In het westelijke plangebied is de wens ontstaan om het gemengde gebied te combineren met een buurtcentrum. Daarbij zal de watergang een andere loop krijgen dan in het bestemmingsplan was opgenomen. Doordat de watergang in het bestemmingsplan was vastgelegd, dienen de bestemmingen 'Water' en de 'Gemengde doeleinden' bestemmingen aangepast te worden.

1.5 Opzet toelichting

In hoofdstuk 2 komen ook de ruimtelijke en functionele aspecten aan bod en hoofdstuk drie gaat over de planuitgangspunten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de diverse onderzoeksaspecten waaronder de milieu-aspecten.

Een omschrijving van het plan en de regels komt in hoofdstuk 5 aan de orde en tot slot is in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid opgenomen.

Dit bestemmingsplan komt direct voort uit het bestemmingsplan Warande fase 1. Voor een groot deel is de toelichting van dat bestemmingsplan relevant. Deze toelichting is, waar nodig, nader uitwerkt en gespecificeerd of geactualiseerd.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ruimtelijke aspecten


De wijk Warande ligt op de overgang van stad naar natuur, en van land naar water.

  • de stad: de Landstrekenwijk, de Campus en het bedrijventerrein Flevopoort;
  • de natuur: het Markermeer, de Oostvaardersplassen en de Hollandse Hout;
  • het land: de landbouwpolder;
  • het water: het Markermeer.

2.2 Functionele aspecten

Na de drooglegging in de jaren '60 is het plangebied gebruikt als landbouwgrond, bos en water. Thans ligt het plangebied braak.

Verkeer

In Warande fase 1 deelgebied 1 wordt het gemotoriseerd verkeer ontsloten door de Larserdreef. De Larserdreef is bovendien de belangrijkste hoofdontsluitingsweg van Lelystad. De Larserdreef heeft een directe aansluiting op de A6 (aansluiting Lelystad). De A6 ontsluit Lelystad richting de Randstad en het noordoosten van het land.

Het profiel van de Larserdreef kent twee rijstroken voor het verkeer in beide rijrichtingen. De wettelijke maximumsnelheid bedraagt 70 km/h. De kruispunten met de Middendreef en de Zuigerplasdreef zijn als turborotondes aangelegd. Dit komt de doorstroming van het verkeer ten goede.

Vanaf de Larserdreef wordt het plangebied thans via de Buizerdweg ontsloten. Deze weg heeft een ontsluitende functie voor het achterliggende buitengebied (de Hollandse Hout, bezoekerscentrum Oostvaardersplassen). In de praktijk wordt de route via de Knardijk en de Buizerdweg ook gebruikt door sluipverkeer tussen de Oostvaardersdijk (N701) en de Larserdreef/Westerdreef.

Langs de Larserdreef is deels en aan de zuidzijde een vrijliggend fietspad aanwezig Langs het Havendiep en gedeeltelijk langs de Buizerdweg zijn ook vrijliggende fietspaden aanwezig. Deze staan in verbinding met de recreatieve langzaam verkeersroute aan de westzijde van de Lage Dwarsvaart.

De spoorverbinding Lelystad-Weesp, de zogenaamde Flevolijn, loopt dwars door de wijk Warande. Binnen de wijk is tevens het station Lelystad zuid gesitueerd. Daarnaast zijn er busverbindingen aanwezig. Het plangebied is dan ook goed te ontsluiten voor het openbaar vervoer.

Hoofdstuk 3 Planuitgangspunten

3.1 De opgave

Dit bestemmingsplan voorziet in het kunnen realiseren van de woningen en een buurt/wijkcentrum. Tevens kunnen de watergangen en de bosgebieden op de gewenste locatie gerealiseerd worden. De hoofdopzet zoals vormgegeven in het bestemmingsplan Warande fase 1 is nog steeds het uitgangspunt.

Bij het ontwerpen van de hoofdstructuur voor Warande is uitgegaan van de volgende principes:

  • Warande is een overgangsgebied tussen de bestaande stad en de Hollandse Hout met als hoofdfuncties wonen, groen, bos en water;
  • de bestaande structuren in het gebied worden zoveel mogelijk intact gelaten, dit geldt zowel voor bestaande groenelementen langs de Buizerdweg en Torenvalkweg en het aangeplante bos, als het bestaande landschappelijke gridpatroon.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0007.png"

Figuur: Stedenbouwkundig ontwerp deelgebied 1

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0008.png"

Figuur: hoofdopzet Warande uit Warande 2.0 herzien ontwikkelingsplan 2009 

Randvoorwaarden
Vanuit deze principes is een aantal randvoorwaarden vastgelegd, die leidend zijn bij de totstandkoming van de voorgenomen plannen. Deze randvoorwaarden hebben betrekking op:

a. flexibiliteit
Er wordt geredeneerd vanuit de huidige marktsituatie, waarbij niet een eenduidig eindbeeld wordt vastgelegd ten aanzien van de precieze verkaveling. Er wordt, gebruik makend van de ruimte die het moederplan biedt, flexibiliteit geboden om in te kunnen spelen op (veranderende) behoeften.

b. concurrentie
Concurrentie met de bestaande stad dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Uitgangspunt is dat een fors deel van de toekomstige bewoners van de wijk Warande van buiten Lelystad zal komen. Warande speelt echter een belangrijke rol voor de lokale woningvraag, zolang dat op andere nieuwbouwlocaties in de bestaande stad onvoldoende plaatsvindt. Daarmee wordt er eveneens gebouwd voor de doorstroming op de lokale woningmarkt.

c. fasering
De wijk Warande zal gefaseerd worden gerealiseerd. Elke fase moet een afgerond geheel vormen, zodat bij stagnatie of vertraging geen onafgemaakte wijk overblijft. De indeling is zodanig dat afgeronde eenheden (buurten) ontstaan. De grenzen vallen doorgaans samen met de hoofdwaterstructuur. Tevens is de spoorlijn een bepalende grens. Mocht de ontwikkeling tijdelijk stagneren, dan vormt het water een 'natuurlijke' begrenzing die borg staat voor de waterbeheersing binnen het gebied en kan zelfstandig functioneren als woongebied. De fasering van de deelgebieden is zo gekozen dat voor de ontsluiting zo lang mogelijk de bestaande hoofdinfrastructuur wordt benut.

d. duurzaamheid
Het beoordelingskader voor de duurzaamheidsaspecten refereert enerzijds aan het overheidsbeleid en anderzijds aan de wensen en eisen vanuit de omgeving. De duurzaamheidsaspecten zijn onder meer verwerkt in het MER Woningbouwlocatie Warande van Witteveen+ Bos d.d. 14 januari 2008 . In het Ontwikkelingsplan voor Warande wordt de duurzaamheid benaderd vanuit vier structuurbepalende thema's: water en bodem; ecologie, landschap en groen; verkeer en vervoer; energie.

Beeldregieplan Warande

Dit beeldregieplan vervangt het 'Beeldkwaliteitplan Warande Deelgebied 1' uit februari 2010 en zal, gelijktijdig met het bestemmingsplan, door de raad worden vastgesteld. Tevens is een deel B van het Beeldregieplan beschikbaar ('Wensbeeld'). Dit deel wordt als belangrijk communicatiemiddel beschouwd en helpt initiatiefnemers om de bouwplannen zo goed mogelijk aan te sluiten op de beoogde sfeer door middel van een beschrijving met inspiratiebeelden.

Het doel van het beeldregieplan is om in de wijk Warande veel keuzemogelijkheden te bieden. Niet alleen het woningtype, maar ook de woonomgeving biedt een scala van mogelijkheden, bijvoorbeeld de keuze om te wonen aan het water, bij het water of bij een park. Om de keuzemogelijkheden nog meer te benutten zijn de kaders van het beeldregieplan, vergeleken met eerder vastgestelde kaders, veel ruimer. Hoofduitgangspunt van zowel het bestemmingsplan als het beeldregieplan is: globale en flexibele regels en criteria.

In het beeldregieplan is een globale stedenbouwkundige hoofdopzet weergegeven op basis van het stedenbouwkundig plan. De exacte locatie van deze routes of plekken ligt niet vast. Deze zijn dan ook niet in het bestemmingsplan juridisch vertaald. In de hoofdopzet is meegegeven dat er een plein moet komen, dat er een hoofdroute is in de vorm van een laan en dat er verbindingen komen tussen het plein en de omgeving. Op basis van deze hoofdopzet is de gewenste beeldregie tot stand gekomen.

Gemiddeld is het detailniveau van de welstandscriteria gelijk aan het niveau 1 'stedenbouwkundige welstand' uit de Welstandsnota Lelystad . Dat betekent dat de stedenbouwkundige samenhang van complexen en straatbeelden van essentieel belang is. Het beleid is alleen op hoofdzaken vastgelegd. In Deelgebied 1 is ervoor gekozen om per sfeer de mate van vrijheid te variëren. Daarnaast zijn een tweetal locaties aangewezen als welstandsvrij gebied. Vanwege de continuïteit en rechtszekerheid voor bewoners is ervoor gekozen om de toetsingscriteria binnen deelplan 1 ( Rondom het scheepswrak en Tussen de bossen) niet aan te passen.

Hoofdstuk 4 Kader

In het bestemmingsplan Warande fase 1 is aangegeven welk kader er gold ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan. Met het vaststellen van het bestemmingsplan Warande fase 1 is de uitvoerbaarheid van het plan en de voorgenomen ontwikkeling aangetoond op basis van verschillende onderzoeken en beleid. Aangezien de hoofdopzet gelijk blijft hoeft dat niet opnieuw gedaan te worden. Alleen indien planaanpassingen leiden tot mogelijke andere uitkomsten van de onderzoeken of indien de eerder uitgevoerde onderzoeken of beleidsdocumenten niet meer actueel zijn, zijn er nieuwe onderzoeken uitgevoerd. In dit hoofdstuk is het beleid en zijn deze uitkomsten van de eerder uitgevoerde onderzoeken weergegeven en waar nodig aangevuld danwel geactualiseerd.

4.1 Beleid

Het Rijks- en provinciaal beleid zijn erop gericht om Lelystad te laten groeien mede ten behoeve van de overloop uit west Nederland. Daarbij dient aandacht te zijn voor de gelijktijdige realisatie van maatschappelijke voorzieningen en openbaar vervoer. Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen hebben de hogere overheden zich steeds meer teruggetrokken en wordt het gezien als een verantwoordelijkheid van de lagere overheden.

Wel worden er eisen gesteld, onder ander via wet en regelgeving, om minimale kwaliteitseisen ten aanzien van een goed woonmilieu af te dwingen.

De provincie heeft essentiële elementen van het ruimtelijke beleid vastgesteld. De relevant elementen zijn:

  • 1. Bij stedelijke uitbreiding moet worden aangesloten bij bestaande ruimtelijke structuren, zodat de vitaliteit van de steden en dorpen wordt ondersteund.
  • 2. Nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de in figuur 11 aangegeven stedelijke gebieden worden in principe uitgesloten. Warande is op de genoemde figuur 11 aangegeven als stedelijk gebied.
  • 3. De omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de stedelijke en groen-blauwe hoofdstructuur.
  • 4. Infrastructuur wordt zo gebundeld dat versnippering van ruimtelijke eenheden wordt voorkomen en geen omvangrijke barrières in stedelijke en ecologisch waardevolle gebieden ontstaan.
  • 5. Doel van de EHS is de realisatie van een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende (leef-)ruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Flevolandse natuur. Voor de EHS geldt in beginsel een 'nee, tenzij'-regime, maar wanneer door toepassing van de saldobenadering de maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen zodanig worden vormgegeven dat zij elkaar niet belemmeren maar versterken en daarmee bijdragen aan het totale netwerk van de EHS, kan dit regime worden omgebogen in een 'ja, want'.
  • 6. De ontsluiting en integrale instandhouding van de archeologische waarden in Provinciaal Archeologische Kerngebieden (PArK'en) in samenhang met aardkundige en landschappelijke waarden is een essentieel element.
  • 7. De top-10 archeologische locaties vormen essentiële elementen.
  • 8. De provincie wil de cultuurhistorische kernkwaliteiten en het landschappelijke casco behouden en inzetten als ruimtelijke kwaliteit ter versterking van nieuwe ontwikkelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0009.png"

Warande (groene cirkel) is aangegeven op figuur 11 die genoemd wordt.

Gemeentelijk beleid

De ontwikkeling van Warande komt voort uit het 'Warande, Ontwikkelingsplan voor Lelystad-Zuid' (2003), wat in 2010 vervangen is door 'Warande 2.0 herzien ontwikkelingsplan 2009'. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Warande fase 1' (eind 2009) is invulling gegeven aan dit beleid.

4.2 Milieu

Hierna wordt eerst kort ingegaan op het algemene milieubeleid van de hogere overheden. Vervolgens worden de diverse milieu-aspecten apart beschreven.

Milieubeleid

Het beleid op de verschillende niveaus heeft als hoofddoelstelling het bereiken van duurzame ontwikkeling. De hoofdlijnen van dit rijks- en provinciaal beleid zijn:

  • ketenbeheer;
  • energie-extensivering;
  • kwaliteitsbevordering.

Bij de inrichting en het beheer van nieuwe woningbouwlocaties moet volgens de provincie rekening worden gehouden met een aantal elementen:

  • infrastructuur, ov-ontsluiting en overige verkeerskundige aspecten;
  • afvalverwijderingsstructuur;
  • energievoorziening en -verbruik;
  • watervoorziening en waterverbruik, waterhuishoudkundige aspecten (watertoets);
  • verstoring door stank, geluid, risico;
  • compact bouwen;
  • materiaalgebruik (kwaliteit en kwantiteit);
  • keuze voor een rioleringssysteem;
  • natuur in de stedelijke omgeving.

4.2.1 Geluid

De volgende geluidstypen komen in beeld als het gaat om geluidshinder en wettelijke bepalingen:

  • geluid van wegverkeer;
  • geluid van railverkeer;
  • geluid van bedrijven.

In het bestemmingsplan Warande fase 1 zijn op basis van het op dat moment bestaande beeld, gebieden inclusief ambities omschreven. Hieronder zijn deze weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0010.png"

Figuur: 53 dB contour van Verlengde Westerdreef (rode contour)

Voor het plangebied Warande is na uitgebreide afwegingen een serie maatregelen gekozen welke op akoestisch ruimtebeslag is doorgerekend. Op veel wegvakken is stil asfalt toegepast met een geluidswal ernaast. Hiermee komt de 48 dB contour op een afstand te liggen van minimaal 35 m vanuit de wegas en verder, afhankelijk van de verkeersintensiteit en het dwarsprofiel. De 53 dB contour ligt op afstanden van minimaal 17 m ten opzichte van de wegas. Om te kunnen bouwen in het gebied tussen de 48 en 53 dB contour is een hogere waarde procedure noodzakelijk. Hiertoe zijn in 2009 hogere grenswaarden geluid vastgesteld (besluit B09-07201).

Ten aanzien van de huidige situatie is per geluidstype nader ingegaan in hoeverre de gegevens voldoende actueel zijn voor het bestemmingsplan.

Wegverkeer

In het kader van het bestemmingsplan Lelystad Warande fase 1 is akoestisch onderzoek verricht. In het akoestisch onderzoek (Akoestisch onderzoek wegverkeer plangebied Lelystad Warande, gemeente Lelystad, 12 maart 2007) wordt echter vermeld dat in de periode 2015 tot 2025 de verkeersintensiteiten op de betreffende wegen fors zullen stijgen. De Verlengde Westerdreef en de Warandedreef kennen in deze periode een toename van het verkeer met 10.000 mvt/etmaal. Gelet op de verkeersintensiteit in 2015 van respectievelijk 14.200 en 12.100 mvt/etmaal is de toename fors. Gelet op de looptijd van het bestemmingsplan is 2022 een meer reëel jaartal dan 2015. Om die reden zijn nieuwe berekening gemaakt: 'Onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van bestemmingsplan Warande in Lelystad' (Noordelijk Akoestisch Buro BV, december 2012).

Op alle onderzochte wegen wordt voor het beoordelingsjaar 2023 uitgegaan van geluidsneutraal Dicht Asfalt Beton (DAB). In de toekomstige situatie bestaat de wens om de Larserdreef te voorzien van Steen Mastiek Asfalt (SMA) welke akoestisch gezien dezelfde eigenschappen heeft als het geluidsneutraal DAB wegdek. Ten behoeve van het bestemmingsplan dienen de relevante geluidbelastingscontouren ten gevolge van zoneringsplichtige wegen te worden bepaald.


afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0013.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0014.png"

Het blijkt dat voor de gebieden die onder dit bestemmingsplan vallen, de voorkeursgrenswaarde vrijwel niet wordt overschreden. Voor de enkele locatie waar dat wel het geval blijkt, blijft de eerder vastgestelde hogere grenswaarde van toepassing.

In het oostelijk deel van de wijk Warande zijn de verkeersgeluiden van Larserdreef (hoge verkeersintensiteit) en de snelweg A6 van belang. Vanwege de aanwezige bronnen dient een hoger geluidsniveau geaccepteerd te worden en is geen of weinig woningbouw gewenst. Indien er woningen gebouwd worden dient afstand tot de geluidsbronnen gehouden de worden. Het ambitieniveau ten aanzien van geluid is in dit gebied laag;

In het midden van de wijk Warande is geluid van railverkeer. Mogelijke maatregelen moeten bekeken worden, doch in het centrumgebied is een iets hoger geluidsniveau toelaatbaar vanwege de functies van het centrum. Voor dit gebied geldt een gemiddeld ambitieniveau.

In het zuiden en zuidwesten van Warande markeert de Warandedreef de overgang naar bosgebied en in het noorden ligt de Larserdreef. Hier is een stiller gebied en een overgang (Warandedreef) naar een stil gebied, de Hollandse Hout. Er geldt voor dit gebied een hoog ambitieniveau ten aanzien van geluid.

Op meso- of wijkniveau zijn er stille binnengebieden. Deze binnengebieden zijn een gevolg van het ontwerp met hoofdwegen rondom het gebied en zogeheten 'inprikkers' (lokale invalswegen) die na enkele honderden meters vertakken en een lage verkeersintensiteit kennen, gekoppeld aan een 30 km/h-rijsnelheid.

Op microniveau tenslotte kan per verkaveling gekeken worden naar de geluidsbelaste zijde en geluidsluwe zijde. Uitgangspunt hierbij is dat de geluidsbelaste zijde minimaal volgens het As Low As Reasonable Achievable (ALARA)-principe is, wat wil zeggen zo laag als redelijkerwijs mogelijk.

Voor het plangebied Warande is na uitgebreide afwegingen een serie maatregelen gekozen welke op akoestisch ruimtebeslag is doorgerekend. Op veel wegvakken is stil asfalt toegepast met een geluidswal ernaast. Hiermee komt de 48 dB contour op een afstand te liggen van minimaal 35 m vanuit de wegas en verder, afhankelijk van de verkeersintensiteit en dwarsprofiel. De 53 dB contour ligt op afstanden van minimaal 17 m ten opzichte van de wegas. Om te kunnen bouwen in het gebied tussen de 48 en 53 dB contour is een hogere waardeprocedure noodzakelijk. Hiertoe zijn in 2009 hogere grenswaarden geluid vastgesteld (besluit B09-07201).

Vervolgens heeft er nog een akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar de geluidsbelastig op de woningen welke gerealiseerd kunnen worden in het gemengde gebied waar een mutifunctioneel centrum is gepland. In dit onderzoek ervan uitgegaan dat er geen geluidreducerend asfalt wordt toegepast maar dat de snelheid op de Buizerdweg te hoogte van het Multifunctionele eiland wordt teruggebracht naar 30km per uur.Aan de hand van de rekenresultaten is het volgende geconcludeerd:

  • Indien er tussen de Verlengde Westerdreef en de geprojecteerde woningen boven het multifunctioneeel centrum en de Supermarkt voorzieningen worden gerealiseerd met een hoogte van zes meter, dan wordt voldaan aan de vastgestelde hogere grenswaarde van 53 dB(Lden) en zijn aanvullende geluidbeperkende akoestische maatregelen niet noodzakelijk;
  • Indien er geen voorzieningen of voorzieningen met een hoogte van 3 meter worden gerealiseerd tussen de Verlengde Westerdreef en de geprojecteerde woningen dan wordt niet voldaan aan de vastgestelde hogere grenswaarde met toepassing van SMA;
  • Met toepassing van DESA (duurzaam asfalttype met geluidreducerende eigenschappen) op de Verlengde Westerdreef met geen voorzieningen tussen de Verlengde Westerdreef en de geprojecteerde woningen kan wel voldaan worden aan de vastgestelde hogere grenswaarde van 53 dB(Lden).

Railverkeer

Het plangebied ligt buiten de geluidszone van de spoorbaan (500 m), zodat er geen akoestisch onderzoek nodig is.

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van industrielawaai.

4.2.2 Luchtkwaliteit

In het MER (Milieueffectrapport Warande, Witteveen+Bos, 14 januari 2008) is aangegeven dat de luchtkwaliteit verslechterd maar dat wel wordt voldaan aan de grenswaarden. Aangezien de omvang van de diverse functies niet verandert en er alleen een uitwisseling van de functies plaatsvindt, is er verder geen onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk .

4.2.3 Bodem

In 2007 heeft er bodemonderzoek plaatsgevonden inclusief een aanvullend onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd voor het totale plangebied Warande fase 1 deelgebied 1. Hierbij is geen onderscheid gemaakt in de gebieden die in het bestemmingsplan Warande fase 1 voor wonen, bos danwel water zijn bestemd. De gewenste uitwisseling van functies die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, leidt dan ook niet tot een ander bodemonderzoek. Op grond van de eerder uitgevoerde onderzoeken is de uitvoerbaarheid met betrekking tot bodemverontreiniging aangetoond. Aangezien er zich in of rond het plangebied geen ontwikkelingen of activiteiten hebben voorgedaan die een negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit, wordt ervan uitgegaan dat er ten aanzien van de uitvoerbaarheid geen belemmeringen zijn ten aanzien van de bodemkwaliteit. Wel zal bij de aanvragen voor de omgevingsvergunningen, voor de daadwerkelijke realisatie van de woningen, bodemonderzoek ingediend dienen te worden.

4.2.4 Hinder van bedrijven

Er zijn, na planrealisatie, geen bedrijven meer in de omgeving aanwezig die belemmerend kunnen werken of worden ingeperkt door de realisatie van de woonwijk.

4.2.5 Externe veiligheid

Binnen of direct aansluitend aan het plangebied liggen geen Bevi inrichtingen. Wel ligt er een bovengrondse tank binnen het plangebied met een risicocontour van 50 m. Deze tank zal worden vervangen. De risicocontour ligt op het bijbehorende perceel en vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan. Er is dan ook geen risicocontour opgenomen. Verder zal een nieuw ketelhuis worden gerealiseerd op een dusdanige afstand dat deze voorziening geen belemmering oplevert voor het plangebied.

In het MER (Milieueffectrapport Warande, Witteveen+Bos, 14 januari 2008), voor de gehele Warande fase 1, komen enkele LPG stations aan bod. Deze liggen niet in de nabijheid van het plangebied van dit bestemmingsplan. Tevens wordt een bedrijf met vuurwerkopslag genoemd. Volgens de risicokaart heeft het bedrijf een veiligheidszone van 20 m. Ook deze ligt ver van het plangebied.

4.2.6 Kabels en leidingen

Planologisch relevante kabels en leidingen (hoofdleidingen, straalpaden et cetera) dienen met de van toepassing zijnde belemmeringenstroken in een bestemmingsplan te worden verankerd. In het onderhavige deel van het geldende bestemmingsplan komen deze niet voor, waardoor er geen belemmeringenstroken voor kabels en leidingen aan de orde zijn.

4.3 Water

In het toekomstig te ontwikkelen stedelijk gebied Warande wordt gestreefd naar een duurzaam waterbeheer. Omdat de inrichting van het watersysteem en de waterketen grote gevolgen hebben voor zowel de stad zelf als voor het omliggende gebied, is door invulling te geven aan het proces van de watertoets de waterbeheerder vroegtijdig betrokken in bij het stedenbouwkundig ontwerp.

De waterbestemming zoals die in het moederplan is opgenomen, is in het oostelijke en zuidelijke deelgebied 1-op-1 overgenomen. In het westelijke deelgebied is de watergang verlegd, maar wel in een zodanig wijze dat de waterhuishoudkundige betekenis ten gelijk blijft. Verder worden de in het moederplan geboden mogelijkheden voor waterwoningen overgenomen.

Waterplan

Voor de gehele gemeente Lelystad is een waterplan (Haskoning, april 2002) opgesteld. Dit plan bevat de vertaling van het gewenste waterbeheer ('watervisie') naar inrichtingsmaatregelen op hoofdlijnen. Bij het opstellen van het waterplan is rekening gehouden met het beleid in de Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van V&W), de startovereenkomst 'Waterbeleid 21e eeuw', de 'Handreiking watertoets' (Ministerie van VROM), het Provinciaal Omgevingsplan (Provincie Flevoland) en het Waterbeheersplan 2002-2005 'Water in beweging' (Waterschap Zuiderzeeland). De basisprincipes van dit beleid zijn: meer ruimte voor water en het voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd. Dit is in Waterbeleid 21e eeuw geconcludeerd in de twee drietrapsstrategieën voor:

  • 1. waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren);
  • 2. waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

4.3.1 Overleg met Waterschap

Overeenkomstig de doelstelling en het proces van de 'Watertoets', is in het kader van het bestemmingsplan Warande fase 1 overleg gevoerd met het Waterschap Zuiderzeeland, die voor het plangebied verantwoordelijk is voor zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit en voor de waterkeringen binnen het plangebied. Tijdens de overleggen zijn de algemene normen en eisen van het Waterschap besproken en zijn de (gebieds)specifieke uitgangspunten ten aanzien van de inrichting van het watersysteem vastgesteld. Over het nieuw aan te leggen watersysteem is met het Waterschap overeenstemming bereikt.

Ten behoeve van zowel het uitwerkingsplan als het bestemmingsplan heeft op 14 januari 2013 overleg plaatsgevonden met het waterschap. Het verslag van deze bijeenkomst is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Het waterschap heeft daarin meegegeven dat de waterwoningen niet in het doorstroomprofiel mogen komen te liggen. De woningen mogen geen water weghalen bijvoorbeeld door stukjes land te maken. Daarbij zal het Waterschap op de percelen van de woningen (onder de waterwoningen) geen beheer en onderhoud plegen; dit komt voor rekening en uitvoer van de bewoners.

Bij de nadere inrichting zal overleg met het Waterschap Zuiderzeeland worden gevoerd.

4.3.2 Watersysteem

Water in Warande is een structuurelement voor een leefbaar milieu, een hoge belevingswaarde en ruime recreatiemogelijkheden. In het inrichtingsplan is een zelfstandig gesloten watersysteem aangegeven welke bestaat uit een aantal vaarten en plassen. De uitwisseling van water met het omringende watersysteem wordt zoveel mogelijk beperkt.

4.3.3 Peilbeheer

Vrijwel in het gehele plangebied Warande wordt een (hoger) natuurlijk peilbeheer toegepast. Het toekomstig peil kan variëren tussen NAP -5,5 m en NAP -5,2 m (gekoppeld aan beweegbare overlaten). Door het vaststellen van het laagste peil, middels een peilbesluit, wordt de negatieve beïnvloeding van de oppervlaktewaterkwaliteit door kwel voorkomen.

Bij een hogere peil dan NAP - 5,20 wordt er water afgevoerd uit het gebied. Wanneer het peil lager dreigt te raken dan NAP - 5,50, dan wordt er water aangevoerd. Het enige peilregulerende kunstwerk binnen het plangebied is de stuw tussen de Larserdreefsloot en de Torenvalktocht. Deze stuw vormt de peilscheiding tussen het de stedelijk gebied Lelystad (LS6) en de Lage Vaart (LVA.01).

Door het voeren van een natuurlijk peilbeheer wordt de benodigde inlaathoeveelheid van gebiedsvreemd water beperkt en wordt de ecologie van het watersysteem versterkt.

4.3.4 Watergangen en oevers

De bodem van de watergangen komt te liggen op maximaal NAP -6,80 m. Daarmee wordt op het diepste punt een minimum waterdiepte gegarandeerd van 1,25 m. Daarmee wordt gevaar voor opbressen zoveel mogelijk voorkomen.

Het watersysteem van de nog aanwezige landbouwgebieden aan de zuidkant van het plan tussen de spoorbaan en de Torenvalktocht is/wordt aangepast om aan de afwateringseisen van het waterschap te voldoen.

De vaarten hebben een breedte op de waterlijn bij de laagste waterstand van 12 tot 22 m met een bodembreedte variërend van 2 tot 12 m. De vaarten en plassen zijn allen bevaarbaar voor kleine bootjes, zoals roeiboten, kano's en lokaal (op de vijvers) als ook voor surfplanken en kleine zeilbootjes. De oevers worden natuurvriendelijk ingericht met taluds variërend van 1:4 tot 1:8. Bij taluds die steiler zijn dan 1:5 is een 5 m brede strook noodzakelijk om het onderhoud te kunnen uitvoeren. Bij watergangen smaller dan 15 m is een strook aan één zijde voldoende. Bij een grotere breedte op de waterlijn is een dergelijke strook aan twee zijden gewenst.

Bij de inrichting van oevers gelden de onderstaande uitgangspunten:

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0015.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0016.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0018.png"

4.3.5 Waterkwaliteit en ecologie

De inrichting van het watersysteem is erop gericht een goede ecologische waterkwaliteit te verkrijgen. Het vasthouden van goed (regen)water en de aanleg van natuurvriendelijke oevers zijn, in combinatie met het natuurlijk peilbeheer, een voorwaarde voor de ontwikkeling en in stand houden van een waardevol ecologisch watersysteem. De aanwezigheid van ondergedoken waterplanten is voor dit systeem van groot belang omdat de waterplanten zorgen voor de benodigde waterkwaliteit en levensomstandigheden voor diverse andere waterorganismen. Het watersysteem zal dan ook zo worden ingericht dat voldoende vestigingsmogelijkheden voor ondergedoken waterplanten aanwezig zijn. Met de aanleg van duurzame oevers kan de oevervegetatie beter tot ontwikkeling komen. Vooral de macrofauna en de vissen profiteren daarvan.

4.3.6 Waterafvoer, wateraanvoer en circulatie

Tijdens droge situaties mag het peil in het gebied uitzakken tot NAP -5,50 m. Als dit peil (bijna) wordt bereikt, wordt er water aangevoerd vanuit peilgebied LS2. Hiervoor wordt de stuw bij Oostemoer verwijderd, waardoor een directe verbinding ontstaat tussen peilgebied LS2 en de zuidelijke Larserdreefsloot. Deze sloot komt dus op hetzelfde peil als LS2 (NAP -5,40 m), een peilverhoging van 20 cm. Dit betekent een aanpassing van de peilgebiedsgrenzen. Door, in combinatie met het verwijderen van de stuw bij Oostemoer, de stuw aan de Langstraat (ter hoogte van huisnummer 46) te verhogen met 20 cm, wordt peilgebied LS2 vergroot en komt peilgebied LS6 voor een groot deel te vervallen. Een nieuw te plaatsen stuw in de zuidelijke Larserdreefsloot ter hoogte van de Torenvalkweg zal de begrenzing vormen voor het LS2 peilvak (NAP -5,40 m).

Om te voldoen aan de uitgangspunten voor het watersysteem wordt het watersysteem op de volgende hoofdpunten aangepast:

  • het watersysteem heeft een ringvorm gekregen, om stilstaand water te voorkomen, door de tocht aan de westzijde van de Larsendreef ook bij het peilgebied van de Warande te betrekken;
  • de aanvoer van water komt uit het stedelijke gebied van Lelystad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0019.png"

Figuur: Toekomstige watersysteem

4.3.7 Kunstwerken

Ter plaatse van kruisingen met infrastructuur kunnen bruggen worden aangelegd danwel duikers.

4.3.8 Riolering en afkoppelen

Het plangebied wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel. De droogweerafvoer wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie ten noordwesten van het plangebied. Het regenwater wordt afgevoerd naar open water, waarbij het minder schone regenwater (onder andere van wegen met een intensiteit van meer dan 1.000 voertuigen per dag) separaat wordt behandeld (lokale zuivering/infiltratie) en afgevoerd naar het oppervlaktewater.

4.3.9 Veiligheid

In relatie tot de veiligheidsnormen (inundatie) voor regionale watersystemen is de benodigde berging van het oppervlaktewater bepaald in de startfase van de ontwikkeling van Warande.

De bergingscapaciteit van het watersysteem is berekend volgens de in de startfase (circa 2000) geldende uitgangspunten. De afvoernorm die voor het watersysteem van Warande geldt is 1,5 l/sec/ha. Er worden binnen de totale wijk Warande fase 1 extra waterpartij gegraven zodat een totaal wateroppervlak van 15,4 ha ontstaat.

Om te controleren of het systeem voldoet aan de huidige uitgangspunten van de klimaatsontwikkeling, zijn extra bergingsberekeningen gemaakt.

Warande fase I heeft relatief groot gehalte aan open water (15,6%) ten opzichte van het totale plangebied.

Tabel . Verhard, onverhard en wateroppervlak binnen plangebied.

Soort oppervlak   Oppervlak (ha)   Deel van totaal (%)  
Verhard   37,8   38,3%  
Onverhard   45,5   46,1%  
Water   15,4   15,6%  
Totaal   98,9   100,0%  

Bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar is een berging benodigd van ca. 85.000 m3. Gezien de grootte van het plangebied en het waterpercentage betekent dit een peilstijging ca. 0,55 m. Hierbij is rekening gehouden met een maximale afvoer uit het gebied van 1,5 l/s/ha en een aangenomen kwel-intensiteit van 1 mm/dag.

Tabel . Bergingsberekening bij T=100 bui van 24 uur.

  Hoeveelheid (mm)   Hoeveelheid (m3)  
Neerslag   97,8   96720  
Kwel   1   989  
Afvoer over stuw   12,96   12817  
Totaal   85,84   84892  

Uitgaande van een initieel peil dat gelijk is aan het maximale nieuwe streefpeil (NAP -5,20) komt de peilstijging tot NAP -4,65 m. Dit is 0,65 m beneden de insteek van de watergangen (NAP -4,00 m) en 0,85 m beneden het wegpeil (NAP –3,80 m). Daarmee voldoet het ruim aan de gestelde norm (bij een T=100 bui vindt géén inundatie plaats). Berging voldoet tevens bij de voorspelde bodemdaling tot 2050.

Aandachtspunt bij deze toetsing op inundatie is dat deze alleen geldig is voor Warande fase I. Hoewel de voor fase I geplande berging ruim voldoende is, dient voor elke nieuwe fase van Warande opnieuw getoetst te worden.

Het maakt het waterschap niet zoveel uit waar de woningen exact komen te liggen, zolang het aantal woningen en verharding in totaal niet worden gewijzigd ten opzichte van de het moederplan en de daarin opgenomen uitgangspunten.

Om te voldoen aan de normen voor het oppervlaktewater zal de onderstaande watergang aangelegd worden. Deze valt buiten dit uitwerkingsplan maar draagt wel bij aan de toe te voegen watercapaciteit ten behoeve van de woningbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0020.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00043-VG01_0021.png"

4.3.10 Grondwater

Het toekomstig maaiveld wordt opgehoogd naar circa NAP -3,8 m (na zetting), waarmee de drooglegging in het plangebied minimaal 1,4 m bedraagt bij streefpeil. Door het opzetten van het oppervlaktewaterpeil van NAP -6,2 m naar een streefpeil van NAP -5,2 m tot NAP - 5,5 m treedt vrijwel overal rond het plangebied een verhoging van de stijghoogte op van maximaal 0,2 m. Omdat de verhogingen van de grondwaterpeilen beperkt zijn en omdat in de omliggende woon- en landbouwgebieden overal drainage is aangelegd, worden geen (grond)wateroverlastproblemen verwacht.

4.3.11 Waterkwaliteit

Maatregelen in de wijk zullen moeten voorkomen dat verontreinigingen in het open water geraken. Deze maatregelen zullen zowel materiaalvoorschriften in de bouw betreffen als het voorkomen dat verontreinigingen via de verharding in het water belanden. Hierbij kan worden gedacht aan infiltratiebermen, wadi's en waar niet anders mogelijk afvoeren naar het vuilwaterriool.

Middels een uitgebreide voorlichting worden de toekomstige gebruikers op de hoogte gebracht van de werking van het watersysteem in het gebied en de mogelijke beperkingen die daar uit voortvloeien.

4.3.12 Proces

De nadere invulling zal geschieden in overleg met het Waterschap Zuiderzeeland, waarbij onder meer het beheer en onderhoud van het watersysteem nader zal worden uitgewerkt.

4.3.13 Bestemmingsplan

De waterbestemming zoals die in het eerdere bestemmingsplan was opgenomen, is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. In het zuidwestelijke deel wordt de watergang verlegd. De capaciteit blijft echter wel overeenkomstig de eerdere plannen, waarmee feitelijk voldaan wordt aan de eerder gestelde wateropgave voor dit gebied.

4.4 Natuur en landschap

4.4.1 Landschap en cultuurhistorie

Het polderlandschap

Oostelijk Flevoland is de vierde in de reeks van polders in het IJsselmeer, de voormalige Zuiderzee. Met de voorgaande drie (polder Andijk, Wieringermeer en Noordoostpolder) is ervaring met indeling en inrichting opgedaan, die in het ontwerp van Oostelijk Flevoland herijkt en gemoderniseerd tot uitdrukking is gebracht. In die zin heeft Oostelijk Flevoland een grote cultuurhistorische betekenis als representant van aan een bepaalde periode gerelateerde, in zeer zuivere vorm tot uitdrukking gebrachte stedenbouw, landschapsarchitectuur en cultuurtechniek.


De polder Oostelijk Flevoland viel in 1957 droog; het landschap van het plangebied is dan
ook voor alles een jong landschap. Het landschap van Oostelijk Flevoland is niet, zoals vele
cultuurlandschappen, "ontstaan" in een lange reeks van transformaties, maar is het directe
resultaat van een reeks ontwerpprocessen. Daarin zijn drie stappen te onderscheiden.


De eerste is de droogmaking zelf, die de buitenvorm van de polder heeft opgeleverd, alsmede de positionering van de toekomstige stad aan het Oostvaardersdiep. De tweede is de ontginning; deze heeft de landbouwkundige indeling tot gevolg gehad. In deze stap zijn oriëntatie en belijning van de poldersloten en -wegen bepaald. De derde stap is die van de verstedelijking. Van aanvang af was het uitgangspunt, dat het plangebied deel zou gaan uitmaken van het stedelijk gebied van Lelystad.


Van het landschap binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn de oriëntatie en maatvoering van de polderverkaveling van betekenis. De polderverkaveling heeft een orthogonale structuur. Deze structuur wordt gehandhaafd door hier in het stedenbouwkundig ontwerp rekening mee te houden. Dit vind zijn vertaling in de ligging van bestemmingsvlakken in het bestemmingsplan. Een raster van lanen vormt het hoofdstramien van de ruimtelijke structuur van Warande. Dit lanenraster is een onderverdeling van de bestaande polderverkaveling. Hiermee blijft de positie van de Buizerdweg intact en het oorspronkelijk polderlandschap leesbaar.


Daarnaast vormt de huidige Torenvalktocht en een nieuw gerealiseerde vaart onderdeel van bovengenoemde ruimtelijke structuur. Zij creëren zicht over de gehele lengte van het gebied, en maken daarmee de schaal van Warande beleefbaar. Tevens bieden de vaarten condities voor het woonprogramma, variërend van wonen op het water tot wonen op de oever en wonen aan de vaart. Door genoemde watergangen te voorzien van de bestemming water zijn deze watergangen gewaarborgd in het plan.


Het plangebied is in het provinciaal beleid aangeduid als te ontwikkelen integratiegebied voor stedelijke ecologie. De provincie streeft bij nieuwe stedelijke uitbreidingen naar inpassing van bestaande landschappelijke en ecologische structuren en elementen. Hierbij wordt door de provincie het cascoconcept gehanteerd, waarin een scheiding is gemaakt in functies met een verschillende ontwikkelingstijd. Voor de inrichting betekent het cascoconcept:

  • scheiding van functies met een lange en korte ontwikkelingsduur;
  • bundeling van functies met een lange ontwikkelingstijd met het oog op ruimtelijke stabiliteit;
  • afstemming op systeemkenmerken van het landschap, zoals bodem, reliëf en waterhuishouding.

Er wordt gestreefd naar integratie van groenstructuren met een aquatisch netwerk. De Lage Vaart is als hoofdstructuurlijn aangegeven. Voor de stedelijke ontwikkeling streeft de provincie naar inpassing in het stedelijk raamwerk en aansluiting op de huidige massa's. Zowel vanuit het oogpunt van vormgeving als uit het oogpunt van stadsecologie en recreatie streeft de provincie bij nieuwe stedelijke uitbreidingen naar inpassing van bestaande landschappelijke en ecologische structuren en elementen. Het landschapsbeleid van de provincie is erop gericht dat de ontwikkeling van grootschalige groenstructuren, zoals nieuwe bos- en natuurgebieden:

  • bij voorkeur een aanvulling is op de landschappelijke hoofdstructuur;
  • een versterking/aanvulling vormt op de huidige bos- en natuurgebieden;
  • gebeurt in aansluiting op bestaande en nieuw te ontwikkelen stedelijke gebieden.

Bebouwing

Opmerkelijk is dat in het plangebied uitsluitend aan de Buizerdweg enige agrarische bebouwing was gesitueerd. Dit hangt samen met het feit dat het agrarische gebruik als een voorlopige functie wordt uitgeoefend. Inmiddels is er geen historische bebouwing in het plangebied meer aanwezig.

4.4.2 Natuur

In het kader van het aantonen van de uitvoerbaarheid is het noodzakelijk aandacht te besteden aan de natuurwet- en regelgeving. Voor het gehele bestemmingsplan Warande zijn verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd (Natuurwaarden Lelystad-Zuid, Oranjewoud, 6 september 2004 en Beoordeling van de Warande als foerageergebied voor in de Oostvaardersplassen broedende kiekendief, Altenburg & Wymenga, 20 november 2007). Daarna is een ontheffing verleend in het kader van de Flora- en faunawet voor de rugstreeppad (2009) en is een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd. Verder is een Passende beoordeling uitgevoerd (Passende beoordeling Warande, Oranjewoud, maart 2013).

Toetsing natuurwetgeving

De Nederlandse Natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming.

De Natuurbeschermingswet 1998 bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. In de Natuurbeschermingswet 1998 zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Onder de Natuurbeschermingswet 1998 zijn drie typen gebieden aangewezen en beschermd: Natura 2000-gebieden (voorheen Vogel- en Habitatirichtlijngebieden) , beschermde natuurmonumenten en Wetlands.

Relevante wet- en regelgeving op het gebied van de soortenbescherming betreft de Flora- en faunawet en het Besluit Rode lijsten flora en fauna. Op basis van de AMvB 2004 betreffende artikel 75 van de Flora- en faunawet worden de in Nederland beschermde soorten in drie beschermingsregimes ingedeeld. Het gaat hierbij om algemene soorten (soorten uit tabel 1), overige soorten (soorten uit tabel 2) en strikt beschermde soorten (soorten uit tabel 3). Om verwarring te voorkomen, wordt in dit rapport respectievelijk de benaming licht, middelzwaar en streng beschermd gehanteerd (zie bijlage). De inheemse vogelsoorten hebben een eigen afwijkend beschermingsregime; ze vallen zowel onder het middelzware als strenge beschermingsregime.

Beschermde gebieden

Het toestingskader van de Natuurbeschermingswet 1998 kent vier onderdelen:

  • 1. oriëntatie of vooroverleg;
  • 2. verstoringstoets/verslechteringstoets;
  • 3. Passende beoordeling;
  • 4. toets op ADC-criteria (Alternatieventoets, dwingende reden van groot openbaar belang en compensatie).

In het vooroverleg staat de volgende vraag centraal: 'is er kans op significant negatief effect?' Eén van de conclusies uit de MER (Witteveen & Bos, 2008) was dat er significante effecten zijn op de instandhoudingsdoelen van de Oostvaardersplassen voor de bruine en blauwe kiekendieven. Vanwege dit significante effect is de toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 opgesteld in de vorm van een Passende beoordeling. In een Passende beoordeling dient te worden beoordeeld of het project (afzonderlijk of in combinatie met andere projecten en handelingen) significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelen.

Passende beoordeling

De beoordeling gaat uit van permanent oppervlakteverlies na aanleg van de hele oppervlakte van Warande. Het oppervlakteverlies en de verstoring tijdens de aanleg van Warande, zullen aanmerkelijk minder zijn, omdat over een groot aantal jaren nog een flinke oppervlakte foerageergebied voor ganzen en kiekendieven behouden blijft. De effectbeoordeling gaat dus uit van de 'worst-case-benadering' met permanent oppervlakteverlies na de ontwikkeling van de hele Warande.

Het realiseren van Warande alleen heeft op zich naar verwachting geen significant negatief effect. Met de toekomstige bouwplannen en projecten in de totale omgeving van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen, verdwijnt er in de toekomst echter veel van het geschikte foerageergebied van de broedende kiekendieven. De gevolgen van de ontwikkeling van Warande in combinatie met andere plannen en projecten in de omgeving, zijn van een zodanige omvang, dat het een mogelijk significant negatief effect heeft op het voorkomen van de kwalificerende bruine en blauwe Kiekendief in de Oostvaardersplassen. Conform de eisen van de Vogelrichtlijn kan het bevoegd gezag slechts toestemming geven voor het plan, als er geen alternatieven zijn en er een dwingende reden van groot openbaar belang is, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, voor het realiseren van Warande. Ook dient vóór de realisatie compensatie van verloren gegane natuurlijke waarden gerealiseerd te worden. Mogelijke negatieve effecten dienen te worden genivelleerd door het inrichten van geschikt foerageergebied binnen een straal van 8 km van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Hierdoor kunnen significant negatieve effecten op voorhand worden voorkomen.


Er is een passende beoordeling opgesteld om de kiekendiefmitigatieopgave te berekenen voor het vigerende bestemmingsplan voor Warande in verband met het aanvragen van een NB-wet vergunning voor dit plangebied. Met de passende beoordeling is op basis van de laatste gegevens gekeken naar de huidige mate van negatief effect. De conclusie is dat de staat van instandhouding van de bruine kiekendief zeer goed is en dat een significant negatief effect op de blauwe kiekendief uit te sluiten is.

De provincie is akkoord met de conclusie dat er geen significant effect is voor de bruine kiekendief, maar is niet akkoord met dezelfde conclusie voor de blauwe kiekendief. Omdat er maar 1 paar blauwe kiekendief is, wordt door de provincie gesteld dat voor elke vermindering van potentieel (suboptimaal) foerageergebied, een significant negatief effect niet uitgesloten kan worden tot het moment dat er een nieuw beheerplan ligt met een rijksaanpak voor verbetering van de blauwe kiekendief. Voorlopig moet dus uit worden gegaan van een mitigatieopgave op basis van het rapport 'Uitwerking kiekendiefmitigatie Warande' d.d. 17-11-2011.

Vanwege de mogelijke significant negatieve effecten op kiekendieven, zullen de ADC criteria: alternatieventoets, dwingende redenen van groot openbaar belang en compensatie doorlopen moeten worden òf zullen de effecten tot nul moeten worden teruggebracht.

Op basis van het rapport is de kiekendiefmitigatieopgave berekend voor het huidige deelgebied 1. Door alleen de gronden te mitigeren die daadwerkelijk in ontwikkeling zijn (geheel Deelgebied 1), is het voldoende om nu 7,3 ha optimaal foerageergebied te realiseren. Deze mitigatiegronden zijn inmiddels gerealiseerd in de zogenaamde bufferzone A6 (de zone tussen het bos Hollandse Hout en de Rijksweg A6. Met deze mitigatie zijn met zekerheid mogelijke significant negatieve effecten op de kiekendieven uit de Oostvaardersplassen uitgesloten. Hiermee voldoet de gemeente aan zijn formele mitigatieplicht in het kader van het bestemmingsplan Warande.


Beschermde soorten

Uit onderzoek komt naar voren dat het plangebied een beperkte natuurwaarde kent. Voor de rugstreeppad is een ontheffing verleend. Wanneer bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels worden geen verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet overtreden.


Uitvoerbaarheid

De conclusie is dat op basis van voorgestelde inrichting van 69 ha foerageergebied als onderdeel van de ontwikkeling Warande, met zekerheid kan worden gesteld dat er geen (significante) negatieve invloed op het instandhoudingsdoelstelling van de Oostvaardersplassen is. Het is aan het bevoegd gezag om te bevestigen dat er geen sprake zal zijn van negatieve effecten op beschermde gebieden. Bevoegd gezag in dezen is de provincie Flevoland.

Indien verder met de werkzaamheden rekening wordt gebouden met het broedseizoen vormt ook de Flora- en faunawet geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.5 Archeologie

Het rijksbeleid ten aanzien van archeologie is gericht op het behoud van het archeologisch bodemarchief. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Er heeft een karterend bodemonderzoek plaatsgevonden (Karterend booronderzoek Lelystad Zuid, Vestigia, 22 mei 2007). De conclusie uit dit onderzoek is dat er geen nader onderzoek hoeft te worden verricht. Bij dit onderzoek is het gehele plangebied Warande fase 1 betrokken. Waarbij geen onderscheid is gemaakt in de ligging van de toekomstige woongebieden danwel bosgebieden of water.

In het gebied Warande zijn twee scheepswrakken aangetroffen. Het ene is ontgraven en vormt dus geen belemmering meer voor de ontwikkeling van het plangebied. Het andere is ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp (Het Waterschip).


De aanwezigheid van archeologische sporen kan nooit volledig worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden in de bodem dient men dan ook alert te zijn op de aanwezigheid van archeologische resten. Schreepswrakken kunnen in principe overal op de voormalige Zuiderzeebodem worden aangetroffen. De meeste scheepswrakken liggen relatief dicht aan het oppervlak van de voormalige Zuiderzeeafzetting. Indien tijdens de werkzaamheden in de bodem archeologische resten of (delen van) een scheepswrak worden aangetroffen, dient het werk onmiddellijk stilgelegd te worden. Op grond van art. 53 van de Monumentenwet 1988 dient melding gemaakt te worden van de vondst bij de Minister voor Cultureel Erfgoed (RCE), ARCHIS-meldpunt. Binnen Flevoland fungeert in de praktijk het archeologisch depot in het Nieuwland Erfgoedcentrum als centraal meldpunt van archeologische vondsten.

4.6 Conclusie


De invulling past binnen het beleid van de diverse overheden. Voorts zijn geen milieutechnische belemmeringen aangetroffen.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Planvorm

Dit bestemmingsplan betreft een herziening van het bestemmingsplan Warande fase 1. In het bestemmingsplan Warande fase 1 zijn diverse uit te werken bestemmingen opgenomen, in deze bestemmingsplanherziening is dat niet het geval. Op basis van het voorliggende bestemmingsplan kunnen dan ook de gewenste functies gerealiseerd worden. Hierbij zijn de bestemmingsregels zoals die in het geldende plan staan zoveel mogelijk overgenomen. Vervolgens zijn de regels aangevuld met de regels uit de standaardsystematiek welke is gebaseerd is op globaal en flexibel bestemmen.

5.2 Bestemmingen

De bestemmingen in dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de bestemmingen uit het bestemmingsplan Warande fase 1. Voor de woongebieden zijn de regels opgenomen zoals die in de uit te werken bestemming opgenomen waren. Voor de bos- en waterbestemming wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande regelingen.

Water

Binnen deze waterbestemming zijn via een wijzigingsbevoegdheid mogelijkheden voor waterwoningen opgenomen. Het wijzigingsgebied wordt met dit bestemmingsplan enigszins uitgebreid. Dezelfde ruimtelijke randvoorwaarden blijven van toepassing, maar wel is de inhoudsmaat opgetrokken naar 750 m3, waarmee beter wordt aangesloten bij de huidige behoeften en inzichten.

Bos

De begrenzing van de bestemming Bos is opnieuw bepaald, zodanig dat het robuuste parkboskarakter overeind blijft. De bestemmingsregeling is onverkort overgenomen uit het bestemmingsplan Warande fase 1. Daarbij is geregeld dat binnen elk bestemmingsvlak één jongeren ontmoetingsplek kan wiorden gerealiseerd.

Gemengd

Voor het voorzieningengebied is de bestemming Gemengd opgenomen, waarbij de mogelijkheden, zoals die opgenomen waren in de gemengde bestemming en in de uit te werken bestemming wonen met aanduiding 'buurtvoorziening', gecombineerd worden. Er ontstaat daarmee een mogelijkheid om het voorzieningengebied integraler vorm te geven.

In dit gebied zijn bouwhoogtes weergegeven, afgestemd op de ruimtelijke mogelijkheden die het eerdere bestemmingsplan bood. De mogelijkheden voor één uitkijktoren en een entreeportaal zijn gehandhaafd.

Wonen

De vlakken met de bestemming Wonen zijn opnieuw bepaald, in samenhang met de bestemming Bos. Daarbij zijn de maximale aantallen woningen per bestemmingsvlak aangeduid, waarmee de totale woningaantallen binnen de voor het gehele gebied Warande vastgelegde doelstellingen blijven.

De in het bestemmingsplan Warande fase 1 opgenomen bouwmogelijkheden zijn onverkort overgenomen. Dat houdt in dat het aantal bouwlagen niet meer mag bedragen dan 4. Voor ten hoogste 10% van het bestemmingsvlak, mag worden gebouwd tot een hoogte van ten hoogste 8 bouwlagen. Verder is een verbijzondering aangebracht, om een gevarieerd bebouwingsbeeld aan de rand van de parkbossen te bereiken.

Er is een minimale afstand (2.5 m) van de voorgevel tot het openbare gebied opgenomen, met een afwijkingsmogelijkheid om die afstand te verkleinen tot 1 m. De afstand van de bebouwing tot de voorste perceelgrens is essentieel voor de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden. Tevens is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken op het achtererf en voor de voorgevel. Daarbij is een wat globaler kader gehanteerd, wat aansluit bij de aard van de regeling voor de hoofdgebouwen. Voorts is de in gemeente gebruikelijke regeling voor bouwwerken, geen gebouwen zijn opgenomen.

Voor wat de gebruiksmogelijkheden worden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden geboden voor de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bed and breakfast. Er zijn bijzondere regels van toepassing in het meest westelijke deel, waar een ruimere mate van functiemenging beoogd wordt. Het gaat daarbij om atelierruimte, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen. De gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte daarvan mag niet meer zijn dan 350 m2.

Verder zijn er mogelijkheden voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder sport en recreatieve voorzieningen met ondergeschikte horeca.

Wijzigingsbevoegdheid wonen-bos

Er is een WRO-zone-wijzigingsgebied op de verbeelding aangegeven. Binnen dit wijzigingsgebied kan er een uitwisseling tussen de bestemming bos en wonen plaatsvinden. Hiermee ontstaat meer flexibiliteit ten aanzien van de bestemmingsplan. Expliciet is vastgelegd dat die bevoegdheid niet kan leiden tot meer woningen of tot een minder betekenisvol bos.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In het kader van het bestemmingsplan Warande fase 1 is de financieel-economische haalbaarheid al aangetoond voor het gehele gebied Warande fase 1. Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro heeft de gemeenteraad op 24 november 2009 bij de vaststelling van het bestemmingsplan Warande fase 1 tevens besloten geen exploitatieplan vast te stellen, omdat het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plangebied Warande fase 1 begrepen gronden anderszins is verzekerd, namelijk via gronduitgifte door de gemeente. Deze wijze van verhaal van kosten is ook van toepassing op het uitwerkingsplan Warande Deelgebied 1.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerpbestemmingsplan Gedeeltelijke herziening deelgebied 1 Warande (postzegels) heeft de procedure van Inspraak (conform de gemeentelijke Inspraakverordening) en Overleg (artikel 3.8 lid 1 sub b Wro) doorlopen. Er zijn geen Inspraakreacties ontvangen. De provincie heeft in haar reactie aangegeven vanuit provinciaal belang geen opmerkingen te hebben. Ambtshalve heeft de provincie verzocht de toelichting aan te vullen met het aspect cultuurhistorie. De toelichting is op dit punt aangevuld (zie paragraaf 4.4.1 van het ontwerpbestemmingsplan). Van het Waterschap Zuiderzeeland is geen reactie ontvangen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 9 april 2014 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er is 1 zienswijze ingediend. De zienswijze richt zich tegen bebouwingsmogelijkheden in het Sallandpark. Bij vaststelling van het bestemmingsplan is besloten het gebied Sallandpark uit het bestemmingsplan te halen, en de bestemming van dit gebied (Sallandpark) dus ongewijzigd te laten. Hiermee is tegemoetgekomen aan de ingediende zienswijze.Het bestemmingsplan is ten gevolge hiervan gewijzigd vastgesteld door de plangrens aan te passen en daarmee één van de drie "postzegels" te schrappen. Voor dit gebied blijft het bestemmingsplan Lelystad Warande fase 1 van toepassing.