direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoofdstuk_22f_Kazernelaan 101
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0988.TAMKazernelaan101-VA01

Regels

Regels TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kazernelaan 101

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op locatie Kazernelaan 101 (voormalig kazernekomplex Horne Kwartier) en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Weert.

Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van gemeente Weert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk_22f_Kazernelaan 101.

2.2 Omgevingsplan Weert

Het omgevingsplan van de gemeente Weert.

2.3 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.5 Afhankelijke woonruimte

Een extra woonruimte inpandig of in een direct aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw bij een woning, waarin een huishouding gevestigd is, dat mantelzorg ontvangt van de bewoner(s) in de zelfstandige woonruimte. Onder mantelzorg wordt verstaan langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

2.6 Archeologie, Programma van Eisen (PvE)

Een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek, bijvoorbeeld met betrekking tot de omgang met het vondstmateriaal. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.

2.7 Archeologisch advies

Een advies, opgesteld door de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag, waarin de kaders voor een uit te voeren archeologisch onderzoek zijn aangegeven en aan de hand waarvan opdrachtverstrekking kan plaatsvinden aan de instantie die het archeologisch onderzoek verricht.

2.8 Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingvergunning en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

2.9 Archeologische verwachting

De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

2.10 Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

2.11 Bebouwing

Één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.12 Bebouwingspercentage

Het percentage dat per bouwperceel bepaalt hoeveel procent van dat bouwperceel - binnen het eventueel aangegeven bouwvlak- ten hoogste mag worden bebouwd.

2.13 Bed & breakfast

Kleinschalige verblijfsrecreatie als kleinschalige toeristisch-recreatieve activiteit in de vorm van het ter beschikking stellen van maximaal 4 slaapplaatsen binnen de bestaande woning ten behoeve van overnachting voor een of enkele nachten waarbij het ontbijt voor de volgende dag inbegrepen is. Onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

2.14 Bedrijf aan huis

Een dienstverlenend ambachtelijk bedrijf, dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Het bedrijf wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning.

2.15 Beeldkwaliteitsplan

De beleidsregel 'beeldkwaliteitsplan Horne Kwartier, Van Hornekazerne en Lichtenberg Weert' d.d. 24 september 2025 zoals vastgesteld op 31 maart 2026 of diens rechtsopvolger.

2.16 Beneden-bovenwoning

Een woning die boven, danwel beneden een andere woning is gesitueerd in een gebouw bestaande uit maximaal twee bouwlagen met een kap of drie bouwlagen die plat afgedekt zijn en waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het straatniveau is gewaarborgd. Een beneden-bovenwoning wordt gelijk geschaard aan een grondgebonden woning. Een appartementengebouw of gestapelde woning is geen beneden-bovenwoning.

2.17 Beroep aan huis

Een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Onder een aan huis gebonden beroep worden hier eveneens begrepen consument verzorgende activiteiten (bijvoorbeeld kapper, schoonheids-specialist(e), nagelstudio, atelier). Het beroep wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning en aan maximaal 2 personen tegelijk mogen diensten worden aangeboden.

2.18 Bestaand

Onder bestaande bebouwing wordt verstaan bebouwing welke op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp deze wijziging van het omgevingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;

Onder bestaand gebruik wordt verstaan het gebruik van grond en bouwwerken dat bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan.

2.19 Betaalbare woning
  • 1. Zelfstandige huurwoning waarvan de aanvangshuurprijs ten minste gelijk is aan het bedrag zoals bedoeld in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste gelijk is aan de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van het woningwaarderingsstelsel (WWS), met dien verstande dat (toekomstige) wettelijke opslagen of opslagen uit landelijke (tijdelijke uitvoerings)besluiten van toepassing zijn, danwel een
  • 2. Betaalbare koopwoning, met een maximale vrij op naam prijs zoals bepaald in artikel 1 sub c onder 3 Besluit Woningbouwimpuls 2020 (voor 2025: €405.000,00), welke prijs bij ministeriele regeling elk kalenderjaar gewijzigd wordt aan de hand van de consumentenprijsindex.
2.20 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.21 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkant van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5 m in hoogte verschillen, zulks met uitzondering van een onderbouw of zolder.

2.22 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens dit hoofdstuk een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.23 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

2.24 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.25 Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

Een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. Deze dient in ieder geval te voldoen aan de in de KNA gestelde kwalificaties van senior archeoloog.

2.26 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die, die goederen kopen resp. huren, voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.27 Digitale verkoop via internet

Verkoop waarbij klanten een online winkel bezoeken, producten selecteren en een aankoop doen door middel van betaling online. De verkoper verzendt vervolgens het product naar de klant of bezorgt het product bij de klant. Het proces werkt door middel van een combinatie van websites, databases en betalingssystemen.

2.28 Functie

Het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

2.29 Gebruik

De wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten.

2.30 Geluidluwe gevel

Gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid.

2.31 Gestapelde woning

Een woning die onderdeel uitmaakt van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat. Beneden-bovenwoningen zijn geen gestapelde woningen.

2.32 Groen

Groenvoorzieningen die een wezenlijk onderdeel vormen van de ruimtelijke structuur met een duidelijke beeldbepalende rol.

2.33 Hoofdstuk

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk_22f_Kazernelaan 101 met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMKazernelaan101-VA01 van de gemeente Weert.

2.34 Lichte horeca

Horecabedrijven die tijdens winkelopeningstijden en in de avonduren (tot 22.00 uur) geopend zijn en die tot hoofddoel het verstrekken van maaltijden (restaurant) hebben.

2.35 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een locatie met een bepaald gebruiksdoel.

2.36 Maaiveld

Bovenkant van het afgewerkte terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft.

2.37 Maatschappelijk

Het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, culturele, medische en educatieve doeleinden.

2.38 Normale onderhoudswerkzaamheden

Werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder wordt tevens verstaan het vervangen van zieke en dode bomen en/of groen en het vervangen van bomen en/of groen die als gevolg van een calamiteit onherstelbaar zijn beschadigd. Hieronder vallen niet incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.

2.39 Ondergronds bouwwerk

Een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil.

2.40 Peil
  • a. Voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. In andere gevallen de gemiddelde kruinhoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, bij voltooiing van de bouw.
2.41 Plangebied

Het gebied zoals weergegeven in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMKazernelaan101-VA01 bestaande uit de locaties waar de regels uit dit hoofdstuk van toepassing zijn.

2.42 Sociale huurwoning

Een huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c Bkl, met een aanvangshuurprijs die in het jaar dat de huurovereenkomst wordt gesloten onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag, welke grenzen van jaar tot jaar zullen kunnen wijzigen.

2.43 Supervisor

Een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen regievoerder of (hoofd)ontwerper om stedenbouwkundige en/of architectonische kwaliteit en samenhang tussen veschillende gebouwen, complexen of deelgebieden in een plangebied te bereiken. Een supervisor stuurt op de inrichting van de openbare ruimte en/of stedenbouw en/of architectuur en is gebonden aan de vastgestelde criteria, zoals vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan en het stedenbouwkundig plan zoals opgenomen in Bijlage 1.

2.44 Terras

Een buiten de besloten ruimte van een hoofdgebouw liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt.

2.45 Verbeelding

De verbeelding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk_22f_Kazernelaan 101.

2.46 Verdieping

Een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag op de begane grond.

2.47 Voorgevel

Gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.

2.48 Voorgevelrooilijn

Een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt ter weerszijden van die voorgevel.

2.49 Water, watergang

Doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang, voorzieningen voor de waterhuishouding e.d.

2.50 Wonen

Het wonen in een woning.

2.51 Woning

Een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding.

2.52 Woningsplitsing

Het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen.

2.53 Woonzorgcomplex

Complex met zorgwoningen binnen een complex waarin ook ondersteunende voorzieningen, zoals behandelkamers, dagbesteding, ontmoetingsruimten en dergelijke aanwezig zijn.

2.54 Zelfstandige woning

De kleinste binnen één of meer gebouwen gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik die in functioneel opzicht zelfstandig is.

2.55 Zorgwoning

Een woning voor de huisvesting van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren, of mensen met een beperking, waarin een of meerdere voorzieningen zijn aangebracht gericht op het kunnen verstrekken van zorg aan huis en omtrent welke woning een 'zorgcontract' is gesloten met een zorg verlenende instantie en die gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en hun geringe ruimtelijke impact wel aanvaardbaar zijn in de woonomgeving.

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Algemeen
  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het vierde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. In aanvulling op het bepaalde in lid 2 zijn artikel 22.27 en 22.36 van overeenkomstige toepassing, tenzij dit expliciet in dit hoofdstuk is uitgesloten.
  • 4. De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Kazernelaan 101 (voormalig kazernekomplex Horne Kwartier), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0988.TAMKazernelaan101-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
3.2 Beleidsregel
  • 1. Het Beeldkwaliteitsplan waarnaar in dit hoofdstuk 22f wordt verwezen kan na vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan door de gemeenteraad worden gewijzigd.
  • 2. Voor zover in deze regels wordt verwezen naar het Beeldkwaliteitsplan, geldt het beeldkwaliteitsplan, zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld, op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.5.

4.1 Bouwhoogte van een bouwwerk

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.2 De inhoud van een bouwwerk

De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.3 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Daar waar een gevellijn staat aangegeven op de verbeelding wordt de goothoogte gemeten in de gevellijn.

4.4 De oppervlakte van een bouwwerk

De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.5 Overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, liftopbouwen, installatieruimten, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,5 meter bedraagt. Voor luifels, erkers en balkons geldt dat de bouw- c.q. functiegrenzen met maximaal 1,2 meter wordt overschreden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

8.2 Functieomschrijving

Een voor 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - buitenspeelplaats kinderdagverblijf' is tevens een buitenspeelplaats bij een kinderdagverblijf toegestaan;
  • c. een parkeerterrein is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' toegestaan;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten' zijn geen parkeerplaatsen of parkeerterreinen toegestaan;
  • e. een ontsluitingsweg voor het gemotoriseerd verkeer is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluitingsweg' toegestaan;
  • f. een ondergrondse parkeergarage is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' toegestaan;
  • g. het behoud en/of herstel van aanwezige landschappelijke waarden;
  • h. sportieve en recreatieve doeleinden;
  • i. dagrecreatieve voorzieningen;

Met daaraan ondergeschikt:

  • j. paden en wegen voor langzaam verkeer;
  • k. objecten voor beeldende kunst en speelvoorzieningen;
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. water, zoals sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen;
  • n. infiltratievoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen
8.3.1 Algemeen
  • 1. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • a. ondergrondse parkeergarages;
    • b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
  • 2. Bouwwerken moeten voldoen aan het stedenbouwkundig plan zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt getoetst door de supervisor.
8.3.2 Ondergrondse parkeergarage

Voor het bouwen van ondergrondse parkeergarages gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse parkeergarages zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage';
  • b. uitsluitend ondergrondse parkeergarages met bergingen zijn toegestaan;
  • c. de bouwdiepte bedraagt maximaal 4,5 m.
8.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag maximaal 2,0 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van bruggen, oeverbeschoeiingen, kademuren, duikers, steigers e.d. mag maximaal 2,0 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van voorzieningen voor verlichting maximaal 8,0 m mag bedragen;
  • d. de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen mag niet meer dan 25 m2 bedragen en de bouwhoogte mag maximaal 3,50 m bedragen;
  • e. de bouwhoogte van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van (mobiele) telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast mag niet meer dan 15,0 m bedragen;
  • f. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer dan 6,0 m bedragen;
  • g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 5,0 m bedragen.
8.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
8.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'overige zone - waardevolle boom' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen van bomen.
8.4.2 Toelaatbaarheid

Het kappen van bomen als bedoeld in artikel 8.4.1 is slechts toelaatbaar indien door de kap, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden van de desbetreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Hierbij gelden de volgende criteria:

Omgevingsvergunningplichtige activiteit   Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning  
10.4.1 sub a. kappen van bomen   het kappen moet noodzakelijk zijn voor onderhoud of bereikbaarheid ten behoeve van de functies zoals omschreven in artikel 8.2 of ten behoeve van andere binnen dit hoofdstuk 22f toegestane functies.  

8.4.3 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbinden inhoudende compenserende maatregelen te treffen waaronder een herplantplicht ten behoeve van het behoud van het groene karakter van het gebied.

8.5 Specifieke functieregels voor gebruik
8.5.1 Ontsluiting

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' mogen de aan deze aanduiding grenzende locaties 'Wonen' en parkeerterreinen op maaiveld voor gemotoriseerd verkeer worden ontsloten op de omliggende wegen.

8.5.2 Parkeerterrein en parkeergarage
  • 1. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn parkeerterreinen op maaiveld toegestaan.
  • 2. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' zijn ondergrondse parkeergarages toegestaan.
  • 3. De begrenzing van de aanduiding 'parkeerterrein' of 'parkeergarage' mag met maximaal 2 m aan elke zijde worden overschreden indien dit noodzakelijk is voor de aanleg van voldoende parkeerplaatsen.

Artikel 9 Maatschappelijk

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Maatschappelijk'.

9.2 Functieomschrijving

Een voor 'Maatschappelijk' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. sociale, maatschappelijke, culturele, medische, educatieve en sportvoorzieningen;
  • b. een kinderdagverblijf is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' toegestaan;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is lichte horeca toegestaan;
  • d. een woonzorgcomplex is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - woonzorgcomplex' toegestaan;
  • e. de instandhouding en/of herstel van de aanwezige rijksmonumenten ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek' gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde;

met daarbij behorende:

  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. verkeersvoorzieningen, waaronder perceelsontsluitingswegen;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. verhardingen;
  • j. speelvoorzieningen en terras bij horeca;
  • k. waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • l. andere voorzieningen zoals energievoorzieningen.
9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen
9.3.1 Algemeen
  • 1. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • a. hoofdgebouwen;
    • b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' dienen de aanwezige (hoofd)gebouwen die zijn aangewezen als rijksmonument in stand te worden gehouden gelet op de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde.
  • 3. Bouwwerken moeten voldoen aan het stedenbouwkundig plan , zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt getoetst door de supervisor.
  • 4. Ter plaatse van de locatie 'Waarde - Kazernecomplex' gelden tevens de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 13.
9.3.2 Verbod, bijbehorende bouwwerken
  • 1. Het is verboden om bij een hoofdgebouw bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  • 2. Artikel 22.27 sub a en artikel 22.36 sub a zijn niet van toepassing.
9.3.3 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. nieuwe (uitbreidingen van) hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het 'bouwvlak';
  • b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven. Is geen aanduiding aanwezig dan geldt dat de bestaande bouwhoogte de maximale bouwhoogte is;
  • c. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' is aangegeven. Is geen aanduiding aanwezig dan geldt dat de bestaande goothoogte de maximale goothoogte is.
9.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag maximaal 6,0 m bedragen, met uitzondering van:
    • 1. lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 10,0 m mag bedragen;
    • 2. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2,0 m mag bedragen.
9.3.5 Vergunningvoorschriften
  • 1. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften verbinden ten aanzien van de hoogtematen, dieptemaat, breedtemaat, gevelindeling en kapvorm van de (ver)nieuwbouwplannen ten behoeve van het behoud van het monumentale en cultuurhistorische karakter van gebouwen die zijn aangeduid met de aanduiding 'karakteristiek'.
  • 2. Een vergunningvoorschrift, zoals bedoeld in lid 1. wordt slechts aan de omgevingsvergunning verbonden indien het voorschrift niet in strijd is met het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan.
9.4 Voorwaardelijke verplichting parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er dient bij de aanvraag te worden aangetoond dat, indien de omvang en het beoogde gebruik van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's en fietsen in voldoende mate ruimte wordt aangebracht en in stand wordt gehouden op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, danwel in het nabij gelegen openbaar gebied.
  • b. aan de onder a. bedoelde voorwaarde wordt voldaan indien de bedoelde aanvraag voor omgevingsvergunning voldoet aan de parkeernormen zoals aangegeven in onderstaande 'tabel parkeren':
Maatschappelijk   aantal parkeerplaatsen inclusief bezoekersparkeren  
gezondheidscentrum per 100 m2 bvo   2,53  
lichte horeca per 100 m2 bvo   4  
kinderdagverblijf per 100 m2 bvo   1,3  
zorgwoningen binnen het woonzorgcomplex - per woning   0,5  
9.5 Specifieke functieregels
9.5.1 Algemene regels lichte horeca

Voor lichte horeca gelden de volgende regels:

  • a. lichte horeca is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • b. de totale omvang van deze functie bedraagt maximaal 450 m2 bvo (exclusief buitenterras);
  • c. aansluitend aan de aanduiding 'horeca' is een buitenterras toegestaan van maximaal 200 m2.
9.5.2 Algemene regels woonzorgcomplex

Voor een woonzorgcomplex ter plaatse van de aanduiding 'woonzorgcomplex' gelden de volgende regels:

  • a. er zijn maximaal 40 zorgwoningen toegestaan.
9.5.3 Omgevingsvergunningplicht zorgwoningen naar reguliere woningen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in lid 9.5.2 genoemde zorgwoningen te wijzigen naar reguliere woningen.

9.5.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit zorgwoningen naar reguliere woningen

De omgevingsvergunning zoals genoemd in lid 9.5.3 wordt slechts verleend indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er dient bij de aanvraag te worden aangetoond dat, indien de omvang en het beoogde gebruik van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte wordt aangebracht en in stand wordt gehouden in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, , danwel in het nabij gelegen openbaar gebied.
  • b. aan de onder a. bedoelde voorwaarde wordt voldaan indien de bedoelde aanvraag voor omgevingsvergunning voldoet aan de parkeernormen zoals aangegeven in onderstaande 'tabel parkeren':
woningtype   aantal parkeerplaatsen per eenheid, inclusief bezoekersparkeren van 0,15 parkeerplaats per eenheid  
huurappartement, betaalbaar/midden   0,65  
huurappartement, sociale huur   0,55  

Artikel 10 Verkeer

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer'.

10.2 Functieomschrijving

Een voor 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wegen;
  • b. fiets- en voetpaden;

met daarbij behorende:

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. kunstwerken;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. objecten voor beeldende kunst en speelvoorzieningen;
  • h. waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. geluidwerende voorzieningen.
10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen
10.3.1 Algemeen
  • 1. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • a. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
  • 2. De bouwwerken geen gebouwen zijnde moeten voldoen aan het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt getoetst door de supervisor.
10.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van objecten voor beeldende kunst mag niet meer dan 8,0 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van (mobiele) telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast mag niet meer dan 15,00 m bedragen;
  • c. de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen mag niet meer dan 25 m² bedragen en de bouwhoogte mag niet meer dan 3,50 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer dan 10,00 m bedragen.
10.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
10.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'overige zone - waardevolle boom' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen van bomen.
10.4.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in artikel 10.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • b. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • c. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn en waarvoor tot het van kracht worden van het plan geen vergunning vereist was dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.
10.4.3 Toelaatbaarheid

Het kappen van bomen als bedoeld in artikel 10.4.1 is slechts toelaatbaar indien door de kap, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden van de desbetreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Hierbij gelden de volgende criteria:

Omgevingsvergunningplichtige activiteit   Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning  
10.4.1 sub a. kappen van bomen   het kappen moet noodzakelijk zijn voor onderhoud of bereikbaarheid ten behoeve van de functies zoals omschreven in artikel 10.2 of ten behoeve van andere binnen dit hoofdstuk 22f toegestane functies.  
10.4.4 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbinden inhoudende compenserende maatregelen te treffen waaronder een herplantplicht ten behoeve van het behoud van het groene karakter van het gebied.

Artikel 11 Waarde - Archeologie hoog

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie hoog'.

11.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde-Archeologie hoog' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 11.3.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 11.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 250 m2:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  • h. het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld.
11.3.2 Uitzondering omgevingsvergunningplicht

Het in sublid 11.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als:

  • a. de activiteiten betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte kleiner dan 250 m2, ongeacht de diepte;
  • c. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  • d. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m;
  • e. de activiteiten betrekking hebben op het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van minder dan 250 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • f. de activiteiten betrekking hebben op heiwerkzaamheden en/of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • g. de activiteiten betrekking hebben op het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • h. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • i. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • j. de activiteiten betrekking hebben op het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • k. de activiteiten betrekking hebben op het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • l. de activiteiten betrekking hebben op het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • m. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • n. de activiteiten betrekking hebben op werken die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • o. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • p. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.
11.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
11.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
  • b. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften;
  • c. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies, waarmee deze functie samenvalt.
11.3.5 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden verbonden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen;
  • c. het voorschrift om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 12 Waarde - Archeologie middelhoog

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde-Archeologie middelhoog'.

12.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde-Archeologie middelhoog' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 12.3.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 12.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  • h. het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld.
12.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in sublid 12.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als:

  • a. de activiteiten betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte kleiner dan 2.500 m², ongeacht de diepte;
  • c. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  • d. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m;
  • e. de activiteiten betrekking hebben op het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • f. de activiteiten betrekking hebben op heiwerkzaamheden en/of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • g. de activiteiten betrekking hebben op het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • h. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • i. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen vandaarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • j. de activiteiten betrekking hebben op het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • k. de activiteiten betrekking hebben op het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • l. de activiteiten betrekking hebben op het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • m. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van minder dan 2.500 m²;
  • n. de activiteiten betrekking hebben op werken die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • o. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • p. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.
12.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
12.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
  • b. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften;
  • c. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies, waarmee deze functie samenvalt.
12.3.5 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden verbonden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen;
  • c. het voorschrift om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 13 Waarde - Kazernecomplex

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde- Kazernecomplex'.

13.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde - Kazernecomplex' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) met bijbehorende (openbare) ruimte, bestemd voor:

  • a. de bescherming en het behoud van het monumentale voormalige Van Horne kazernecomplex met bijbehorende monumentale gebouwen die zijn aangeduid als 'karakteristiek';
  • b. instandhouding en herstel van het bestaande groen;
  • c. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.
13.3 Specifieke zorgplicht
  • 1. Degene die een activiteit verricht binnen deze locatie verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot:
    • a. beschadiging of vernieling van de binnen deze locatie aanwezige gebouwen; of
    • b. afbreuk aan de herkenbaarheid en de cultuurhistorische waarde van het kazernecomplex als geheel;

is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dit te voorkomen.

  • 2. Degene die eigenaar is, danwel degene die verantwoordelijk is voor de inrichting van de openbare ruimte binnen het kazernecomplex draagt er zorg voor dat deze inrichting, conform het stedenbouwkundig plan zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan zal worden uitgevoerd, onderhouden en in stand wordt gehouden.
13.4 Aanvullende beoordelingsregel binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen
13.4.1 Aanvullende beoordelingsregel

In aanvulling op de overige beoordelingsregels voor de binnenplanse omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen die van toepassing zijn binnen deze locatie geldt tevens de volgende beoordelingsregel:

  • a. het bouwen of verbouwen van bouwwerken mag geen afbreuk doen aan de herkenbaarheid en de cultuurhistorische en aangewezen rijksmonumentale waarden van het kazernecomplex als geheel;
  • b. bouwwerken moeten voldoen aan het stedenbouwkundig plan , zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt getoetst door de supervisor.
13.4.2 Advies

Ten behoeve van de beoordeling of voldaan wordt aan lid 13.4 lid 1. vraagt het bevoegd gezag advies aan de Collegeadviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

13.5 Vergunningvoorschriften
  • 1. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften verbinden ten behoeve van het behoud van het monumentale en cultuurhistorische karakter van het kazernecomplex.
  • 2. Een vergunningvoorschrift, zoals bedoeld in lid 1. wordt slechts aan de omgevingsvergunning verbonden indien het voorschrift niet in strijd is met het beeldkwaliteitsplan en stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan.

Artikel 14 Wonen

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

14.2 Functieomschrijving

Een voor 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen in gestapelde, grondgebonden of beneden-bovenwoningen;
  • b. inritten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit';
  • c. de instandhouding en/of herstel van de aanwezige rijksmonumenten ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek' gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. beroep aan huis, uitsluitend ten behoeve van de functie wonen, zoals bedoeld onder a.

met daarbij behorende:

  • e. balkons;
  • f. dakterrassen;
  • g. in- en uitritten;
  • h. ontsluitingswegen;
  • i. paden en verhardingen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. speelvoorzieningen;
  • m. tuinen en erven;
  • n. waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
14.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwen
14.3.1 Algemeen
  • 1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:
    • a. hoofdgebouwen;
    • b. bijbehorende bouwwerken;
    • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • d. ondergrondse bouwwerken;
    • e. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen.
  • 2. Voor het bouwen van bouwwerken gelden de ruimtelijke kwaliteitskaders zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 en het beeldkwaliteitsplan. Dit wordt getoetst door de supervisor.
  • 3. Ter plaatse van de locatie 'Waarde - Kazernecomplex' gelden tevens de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 13.
14.3.2 Hoofdgebouwen, algemene beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw de volgende algemene beoordelingsregels:

  • a. uitsluitend hoofdgebouwen in de vorm van woningen zijn toegestaan;
  • b. binnen het gebied, bestaande uit de bestemmingsvlakken die zijn aangeduid met de omgevingsnorm 'overige zone - wooneenheden max. 251' en waartussen op de kaart een 'relatie' is opgenomen, geldt dat het aantal wooneenheden binnen dat gebied tezamen maximaal 251 mag bedragen;
  • c. binnen het gebied, bestaande uit de bestemmingsvlakken die zijn aangeduid met de omgevingsnorm 'overige zone - wooneenheden max. 240' en waartussen op de kaart een 'relatie' is opgenomen, geldt dat het aantal wooneenheden binnen dat gebied tezamen maximaal 240 mag bedragen;
  • d. binnen het gebied, bestaande uit de bestemmingsvlakken die zijn aangeduid met de omgevingsnorm 'overige zone - wooneenheden max. 198' en waartussen op de kaart een 'relatie' is opgenomen, geldt dat het aantal wooneenheden binnen dat gebied tezamen maximaal 198 mag bedragen;
  • e. tussen twee gebieden, bestaande uit de bestemmingsvlakken waar de omgevingsnorm 'overige zone – maximale wooneenheden 251' en waartussen op de kaart een 'relatie' is opgenomen en de bestemmingsvlakken waar de omgevingsnorm 'overige zone – maximale wooneenheden 240' en waartussen op de kaart een 'relatie' is opgenomen, mag het aantal maximaal toegestane wooneenheden voor maximaal 10% onderling worden uitgewisseld en is een overschrijding van de omgevingsnorm in een van deze twee gebieden toegestaan;
  • f. gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'.
14.3.3 Hoofdgebouwen, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 1'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.2 gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 1' ook de beoordelingsregels:

  • a. een nieuw hoofdgebouw of een nieuwe uitbreiding van een hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximale bouwhoogte';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geldt dat de aanwezige hoofdgebouwen die zijn aangewezen als rijksmonument in stand moeten worden gehouden gelet op de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte.
14.3.4 Hoofdgebouwen, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 2'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.2 gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 2' ook de beoordelingsregels:

  • a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. het gehele bouwvlak mag worden bebouwd;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximale bouwhoogte';
  • d. een woning heeft een oppervlak van minimaal 50 m2 gbo.
14.3.5 Hoofdgebouwen, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 3'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.2 gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 3' ook de beoordelingsregels:

  • a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximale bouwhoogte';
  • c. het bouwvlak mag in zijn geheel worden bebouwd met dien verstande dat:
    • 1. bij een vrijstaande woning het hoofdgebouw op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m moet worden gesitueerd;
    • 2. bij een 2-1 kap, geschakelde of een halfvrijstaande woning het hoofdgebouw aan één zijde op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m moet worden gesitueerd, aan de andere zijde mag het hoofdgebouw op de perceelsgrens worden gesitueerd;
    • 3. bij een tussenwoning of een eindwoning mag het hoofdgebouw aan beide zijden óp de zijdelingse perceelsgrens worden gesitueerd;
    • 4. de voorgevel dient uitsluitend in dan wel evenwijdig, tot maximaal 3 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, te worden opgericht; ondergeschikte bouwdelen, zoals erkers, luifels en balkons met een oppervlakte van maximaal 5 m² mogen de naar de weg gekeerde bouwgrens overschrijden met niet meer dan 1,00 m, mits daarmee de grens van de locatie 'Wonen' of de perceelsgrens die het dichtst aan de zijde van de weg gelegen is, niet wordt overschreden.
  • d. een woning heeft een oppervlak van minimaal 50 m2 gbo.
14.3.6 Hoofdgebouwen, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 4'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.2 gelden voor het bouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 4' ook de beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van een hoofdgebouw met gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' en een grondgebonden woning mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven;
  • b. het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mag volledig worden bebouwd;
  • c. het bebouwingspercentage van een bouwperceel van een grondgebonden woning bedraagt:
    • 1. bij percelen tot 200 m2 maximaal 70%;
    • 2. bij percelen van 200 m2 tot 400 m2 maximaal 60%;
    • 3. bij percelen vanaf 400 m2 maximaal 50%;
  • d. de voorgevel van een grondgebonden woning dient uitsluitend evenwijdig, tot maximaal 3 m, aan het openbaar gebied te worden opgericht;
  • e. bij een vrijstaande woning wordt het hoofdgebouw op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m gesitueerd;
  • f. bij een 2-1 kap, eindwoning, geschakelde of halfvrijstaande woning wordt het hoofdgebouw aan één zijde op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m gesitueerd, aan de andere zijde mag het hoofdgebouw op de perceelsgrens worden gesitueerd;
  • g. bij een tussenwoning mag het hoofdgebouw aan beide zijden op de peceelsgrens worden gesitueerd;
  • h. aan een voorgevel zijn ondergeschikte bouwwerken zoals erkers, luifels en balkons toegestaan:
    • 1. met een oppervlakte van maximaal 5 m2;
    • 2. met een diepte, gemeten vanaf de voorgevel van maximaal 1 m;
  • i. voor wat betreft de grondgebonden woningen die aan de randen van het locatiegebied worden gerealiseerd ter plaatse van de 'gevellijn':
    • 1. dient het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 als kader voor de situering van deze woningen;
    • 2. dienen de voorgevels van de woningen naar deze gevellijn te zijn gericht (naar buiten georiënteerd);
    • 3. mogen er rijen van maximaal 3 aaneengebouwde woningen worden gebouwd;
    • 4. dienen de voorgevels van deze woningen op maximaal 3 m afstand van de grens van het locatiegebied te worden opgericht, tenzij er sprake is van een noodzaak tot behoud van bestaande bomen.
  • j. een woning heeft een oppervlak van minimaal 50 m2 gbo.
14.3.7 Bijbehorende bouwwerken ter plaatse van 'overige zone - bouwregels 1', verbod
  • 1. Het is verboden om bijbehorende bouwwerken te bouwen ter plaats van de 'overige zone - bouwregels 1'.
  • 2. Artikel 22.27 sub a en artikel 22.36 sub a zijn niet van toepassing.
14.3.8 Bijbehorende bouwwerken, algemene beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 gelden voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 2', 'overige zone - bouwregels 3' en 'overige zone - bouwregels 4' de volgende beoordelingsregels:

  • a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6,0 m;
  • c. de gezamenlijke opervlakte aan bijhorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 150 m2 per woning;
  • d. bijbehorende bouwwerken in de vorm van een overkapping met minimaal 2 en maximaal 3 wanden mogen tot maximaal 1,50 m vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens worden geplaatst, mits het gedeelte van de overkapping voor de naar de weg gekeerde bouwgrens aan alle kanten open is en mits op zijerven die grenzen aan de weg of het openbaar groen of openbaar water ook de wand(en) die gelegen is/zijn achter het verlengde van de naar de weg gekeerde bouwgrens open blijft/blijven voor zover dat voor de verkeersveiligheid benodigde uitzichthoek van 45° ten opzichte van de naar de weg gekeerde bouwgrens nodig is. Overkappingen geplaatst op minder dan 0,50 m van een wand van een hoofd- of een ander bijgebouw worden geacht te zijn omsloten door de desbetreffende wand van het hoofd- of een ander bijgebouw.
14.3.9 Bijbehorende bouwwerken, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 2'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.8 gelden voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 2' ook de volgende beoordelingsregel:

  • a. bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht.
14.3.10 Bijbehorende bouwwerken, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 3'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.8 gelden voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 3' ook de volgende beoordelingsregels:

  • a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen bijbehorende bouwwerken bij gestapelde woningen binnen de aanduiding 'gestapeld' uitsluitend binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • c. indien bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak worden opgericht, mogen deze uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' te worden opgericht;
  • d. bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak worden niet meegerekend bij de gezamenlijke oppervlakte van 150 m² per woning, zoals genoemd in artikel 14.3.8 onder c;
  • e. de bouwaanduiding 'bijgebouwen' mag per bouwperceel voor niet meer dan 50% te worden bebouwd.
14.3.11 Bijbehorende bouwwerken, aanvullende beoordelingsregels ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 4'

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.8 gelden voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de 'overige zone - bouwregels 4' ook de volgende beoordelingsregel:

  • a. bijbehorende bouwwerken bij gestapelde woningen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
  • b. het bebouwingspercentage van een bouwperceel van een grondgebonden woning bedraagt:
    • 1. bij percelen tot 200 m2 maximaal 70%;
    • 2. bij percelen van 200 m2 tot 400 m2 maximaal 60%;
    • 3. bij percelen vanaf 400 m2 maximaal 50%.
14.3.12 Verbod erfafscheidingen voor de voorgevel
  • 1. Het is verboden om een erf- of terreinafscheiding te bouwen voor de voorgevel van een hoofdgebouw of het verlengde daarvan, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.29 sub j. van het Bbl.
  • 2. Artikel 22.27 sub f en artikel 22.36 sub b zijn niet van toepassing.
14.3.13 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen de locatie die is toegedeeld aan een functie worden gebouwd;
  • b. de oppervlakte van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 25 m2;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in de onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouw zijnde bij woningen   Maximale bouwhoogte  
erf- of terreinafscheidingen achter de voorgevel van een hoofdgebouw of het verlengde daarvan.   2,0 meter  
overige bouwwerken geen gebouwen zijnde   4,0 meter  
Bouwwerken geen gebouwen zijnde in de openbare ruimte   Maximale bouwhoogte  
bruggen, steigers, duikers e.d.   2,0 meter  
nutsvoorzieningen   3,5 meter  
overige bouwwerken geen gebouwen zijnde   3,0 meter  
14.3.14 Ondergrondse bouwwerken, aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 gelden voor het ondergronds bouwen van bouwwerken, gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mag uitsluitend ondergronds worden gebouwd op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd, en daarnaast mogen direct aansluitend in- en uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd en de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' dat onder de gronden binnen de gehele aanduiding ondergronds gebouwd mag worden ten behoeve van een ondergrondse parkeergarage met eventueel bijbehorende bergingen en de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4,5 m.
14.4 Aanvullende beoordelingsregels binnenplanse aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluidgevoelige gebouwen bouwen
14.4.1 Aanvullende beoordelingsregels geluid

In aanvulling op het bepaalde in lid 14.3.1 en 14.3.2 gelden voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - regels geluidgevoelige gebouwen' de volgende beoordelingsregels:

  • a. het gezamenlijk geluid op een geluidgevoelig gebouw bedraagt maximaal de op de punten in Bijlage 2 van deze regels opgenomen waarde ter plaatse van het geluidgevoelig gebouw. Hierbij is de hoogste waarde van de dichtstbij gelegen punten (buiten het geluidgevoelig gebouw) bepalend;
  • b. een geluidgevoelig gebouw beschikt over ten minste één geluidluwe gevel en aan die geluidluwe gevel is ten minste één te openen deel en één geluidgevoelige ruimte, bij voorkeur de hoofdslaapkamer aanwezig;
  • c. een grondgebonden woning met een of meer buitenruimten heeft minimaal één buitenruimte aan de minst geluidbelaste gevel van de woning;
  • d. een buitenruimte bij een gestapelde woning mag aan de hoogst geluidbelaste gevel worden gesitueerd, mits:
    • 1. aan de gevel aanvullende bouwkundige maatregelen zijn getroffen zoals bijvoorbeeld een (deels) afsluitbare ruimte in de vorm van bijvoorbeeld een loggia of afsluitbaar balkon; en
    • 2. de geluidbelasting op de thermische schil voldoet aan de standaardwaarden.
14.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten geluid

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw worden in aanvulling op artikel 4 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een akoestisch onderzoek waaruit blijkt dat aan artikel 14.4.1 wordt voldaan.
14.4.3 Maatwerkvoorschriften

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.4.1 onder a., indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat het gezamenlijk geluid op een geluidgevoelig gebouw lager is dan opgenomen in Bijlage 2.

14.5 Voorwaardelijke verplichting parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er dient bij de aanvraag te worden aangetoond dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte wordt aangebracht en in stand wordt gehouden in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;
  • b. het aandeel bezoekersparkeerplaatsen dient in de openbare ruimte te worden gerealiseerd;
  • c. aan de onder a. en b. bedoelde voorwaarden wordt voldaan indien de bedoelde aanvraag voor omgevingsvergunning voldoet aan de parkeernormen zoals aangegeven in onderstaande 'tabel parkeren':

woningtype   aantal parkeerplaatsen per eenheid, inclusief bezoekersparkeren van 0,15 parkeerplaats per eenheid  
vrijstaande woning, koop   1,65  
twee-onder-een-kap woning, koop   1,55  
rug-aan-rug woning, geschakelde woning, rijwoning, hoekwoning, levensloopbestendige woning, beneden-bovenwoning, koop   1,45  
grondgebonden woning, sociale huur   0,85  
appartement, sociale huur < 75 m2 bvo   0,55  
appartement, sociale huur > 75 m2 < 100 m2 bvo   0,75  
appartement, koop < 75 m2 bvo   0,65  
appartement, koop > 75 m2 < 100 m2 bvo   1,15  
appartement, koop > 100 m2 bvo   1,45  
14.6 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Het bebouwen van de gronden en de aanleg van verhardingen op de gronden voor 'Wonen' is slechts toegestaan als binnen het plangebied is voorzien in de aanleg en instandhouding van een waterberging van ten minste 100 liter per vierkante meter bebouwd en verhard oppervlak, die binnen 24 uur na een bui weer voor 100% beschikbaar is.

14.7 Specifieke functieregels voor gebruik
14.7.1 Woningcategorie

Voor het realiseren en gebruiken van woningen gelden de volgende regels:

  • a. minimaal 30% van het totale aantal woningen binnen het plangebied dient als sociale huurwoning te worden gerealiseerd;
  • b. minimaal 37% van het totale aantal woningen binnen het plangebied dient als betaalbare woning te worden gerealiseerd.
14.7.2 Beroep aan huis

Het uitoefenen van een beroep aan huis, of hiermee naar aard, uitstraling en omvang gelijk te stellen bedrijfsmatige activiteiten, vanuit de woning is toegestaan mits:

  • a. de activiteit plaats vindt in de woning of in een bijbehorend bouwwerk;
  • b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  • c. de woning met inbegrip van bijbehorende bouwwerken gebruikt mag worden voor de uitoefening van het beroep met dien verstande dat de woning in overwegende mate ten behoeve van het wonen in gebruik blijft;
  • d. de uiterlijke verschijningsvorm van de woning niet verandert;
  • e. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • f. er geen ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking ontstaat;
  • g. voorzien is in de eigen parkeerbehoefte;
  • h. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning/bijbehorende bouwwerken gebruikt wordt voor het beroep aan huis;
  • i. aan maximaal 2 personen tegelijk diensten worden aangeboden.
14.7.3 Inritten

Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit' zijn inritten voor gemotoriseerd en langzaam verkeer toegestaan mits:

  • a. binnen elke functieaanduiding is maximaal één inrit toegestaan;
  • b. de inritten zijn uitsluitend bedoeld ter ontsluiting van binnenterreinen.
14.7.4 Omgevingsvergunningplicht afhankelijke woonruimte

14.7.4.1 Omgevingsvergunningplicht afhankelijke woonruimte

  • 1. Het bepaalde in artikel 22.36 lid c is niet van toepassing.
  • 2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een hoofdgebouw, of een direct aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw te gebruiken als afhankelijke woonruimte.

14.7.4.2 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit afhankelijke woonruimte

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a. er geen sprake is van een zelfstandige woning;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
  • c. er maximaal één afhankelijke woonruimte per woning ontstaat met een oppervlakte van maximaal 75 m².

14.7.4.3. Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een onderbouwing waarom de afhankelijke woonruimte de belangen van omwonenden en bedrijven niet worden geschaad;
  • b. een tekening waarop de ruimte(n) van de afhankelijke woonruimte is aangegeven met een beschrijving van de functies binnen die ruimte(n).
14.7.5 Omgevingsvergunningplicht digitale verkoop via internet

14.7.5.1 Omgevingsvergunningplicht digitale verkoop via internet

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning digitale verkoop via internet uit te oefenen als ondergeschikte activiteit bij een woonfunctie.

14.7.5.2 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit digitale verkoop via internet

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a. de producten door de klant niet ter plaatse worden besteld;
  • b. de bestelde producten door de ondernemer zelf of via de post c.q. een pakketdienst bij de klant thuis bezorgd worden;
  • c. er geen verkoop aan huis plaatsvindt;
  • d. maximaal 30 m2 van het vloeroppervlak van de woning wordt gebruikt voor de digitale verkoop via internet in de vorm van administratie en opslag van goederen.

14.7.5.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de wijze waarop producten ter verkoop worden aangeboden en de wijze waarop verkochte producten bij de koper terechtkomen;
  • b. een beschrijving van de wijze waarop producten worden opgeslagen;
  • c. een beschrijving van het type producten dat wordt verkocht en opgeslagen;
  • d. de wijze waarop kenbaar gemaakt wordt dat ter plaatse sprake is van internetverkoop;
  • e. een opgave van het beoogd oppervlak waar internetverkoop en opslag plaatsvindt;
  • f. een tekening waarop de ruimten van de internetverkoop binnen de woning is aangegeven;
  • g. een beschrijving van wie de internethandel uitoefent;
  • h. een beoordeling van de gevolgen van internethandel op aangrenzende gronden en bouwwerken en de gebruiksmogelijkheden hiervan;
  • i. een beschrijving van de wijze waarop duidelijk wordt gemaakt dat producten worden verkocht.
14.7.6 Omgevingsvergunningplicht bed & breakfast

14.7.6.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bed & breakfast uit te oefenen als ondergeschikte activiteit bij een woonfunctie.

14.7.6.2 Beoordelingsregels anvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bed & breakfast

De omgevingsvergunning wordt verleend als:

  • a. voldoende wordt voorzien in de behoefte aan parkeergelegenheid voor auto's op eigen terrein, tenzij voldoende openbare plaatsen in de directe omgeving aanwezig zijn volgens een beoordeling van het bevoegd gezag;
  • b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan.

14.7.6.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. in welk bouwwerk(en) de bed & breakfast is voorzien;
  • b. het beoogde oppervlak dat als bed & breakfast zal worden gebruikt;
  • c. het aantal bedden;
  • d. het aantal personen waaraan bed & breakfast wordt geboden;
  • e. een toets aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten, waarbij in elk geval ingegaan moet worden op de omgang met parkeren en de verkeersaantrekkende werking van de bed & breakfast.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Algemene bouwregels

15.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:

  • a. de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen te overschrijden.
15.2 Afwijkende/aanvullende beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken
15.2.1 Beoordelingsregel omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken

Een omgevingsvergunning voor het overschrijden van de op de verbeelding aangegeven grenzen wordt ook verleend, indien voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke -, cultuurhistorische -, landschappelijke - en natuurwaarden, en;
  • b. een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij de afwijking of overschrijding niet meer mag bedragen dan 10%.

Artikel 16 Leiding - brandaandachtsgebied leiding brandstof

16.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Leiding - brandaandachtsgebied leiding brandstof'.

16.2 Verbod zeer kwetsbare gebouwen of zeer kwetsbare ruimte(n) in gebouwen

Binnen het gebied 'Leiding - brandaandachtsgebied leiding brandstof' is het verboden om zeer kwetsbare gebouwen of zeer kwetsbare ruimten in een gebouw te realiseren.

16.3 Beperking kwetsbare gebouwen en locaties
16.3.1 Omgevingsvergunningplicht kwetsbare gebouwen, kwetsbare ruimte(n) in gebouwen en/of locaties (gebruik)

In het belang van de veiligheid van personen, is het verboden, zonder een omgevingsvergunning een kwetsbaar gebouw, een kwetsbare ruimte in een gebouw en/of een kwetsbare locatie te realiseren.

16.3.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsvergunning kwetsbare gebouwen en/of locaties

Ten behoeve van de realisatie van een kwetsbaar gebouw, een kwetsbare ruimte in een gebouw en/of locatie gelden de volgende regels:

  • a. een kwetsbaar gebouw, een kwetsbare ruimte in een gebouw en/of locatie is toegestaan op basis van andere aan de betreffende gronden toegekende functie(s);
  • b. er is naar het oordeel van bevoegd gezag sprake van een zeer zwaarwegend belang om binnen dit brandaandachtsgebied een kwetsbaar gebouw, een kwetsbare ruimte in een gebouw en/of locatie te realiseren;
  • c. er wordt advies gevraagd aan de Veiligheidsregio;
  • d. er wordt advies gevraagd aan de betrokken leidingbeheerder of diens opvolger;
  • e. uit onderzoek blijkt dat de veiligheidsrisico's, al dan niet door het treffen van (bouwkundige) voorzieningen aanvaardbaar worden geacht;
  • f. in aanvulling op de elders opgenomen beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen geldt dat het brandaandachtsgebied tevens een voorschriftengebied is en dat artikel 4.90 tot en met artikel 4.96 Bbl van toepassing zijn.
16.3.3 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning kwetsbare gebouwen en/of locaties

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een motivering waarom er sprake is van een zwaarwegend belang om binnen dit brandaandachtsgebied een kwetsbaar gebouw of locatie te realiseren;
  • b. indien er sprake is van het treffen van voorzieningen een overzicht van en eventueel bouwkundige tekeningen van deze voorzieningen;
  • c. een onderzoek waaruit blijkt dat (al dan niet door het treffen van voorzieningen) de veiligheidsrisico's aanvaardbaar worden geacht.
16.3.4 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de veiligheid van personen voorschriften worden verbonden, waaronder in ieder geval de verplichting tot het treffen en in stand houden van de bij de aanvraag aangegeven (noodzakelijke) voorzieningen.

Artikel 17 Voorwaardelijke verplichting sloop en (her)inrichting openbare ruimte

Het slopen van gebouwen en de (her)inrichting van de openbare ruimte binnen het plangebied is enkel toegestaan nadat de uit het 'Aanvullend onderzoek ecologie Kazernzelaan 101 te Weert' (d.d. 28 november 2025), zoals opgenomen in Bijlage 13 van de motivering volgende maatregelen zijn/worden getroffen en de benodigde omgevingsvergunning is verkregen.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  • b. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • c. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  • d. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
18.2 Gebruik
18.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.2.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in artikel 18.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.2.3 Voorwaarde

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 18.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.2.4 Uitzondering

Artikel 18.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.