direct naar inhoud van Regels
Plan: Droompark Maasduinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0983.BP201812DROOMMAAS-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.2 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.3 abiotische waarde

de waarde, die een gebied ontleent aan het voorkomen van bijzondere aardkundige en hydrologische verschijnselen en/of processen.

1.4 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.5 bebouwingsoppervlak

het oppervlak van het bouwperceel, bestemmingsoppervlak dan wel van het bouwvlak, dat ten hoogste met gebouwen (kassen en warenhuizen daaronder niet begrepen) mag worden bebouwd.

1.6 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.7 bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.8 bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de logiesverblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming.

1.10 bestaand

Ten aanzien van de bebouwing

de als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, dan wel op dat tijdstip op basis van een afgegeven bouwvergunning/omgevingsvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

Ten aanzien van het gebruik

het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan.

1.11 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.12 bestemmingsplan

de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.13 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.15 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.16 bouwperceel

een aangesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.17 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel.

1.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.19 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.20 bufferzone verdroging

een zone waar maatregelen worden getroffen om de verdroging tegen te gaan en waarbinnen zonder een vergunning bijvoorbeeld geen ingrepen in het waterhuishoudingssysteem of het aanbrengen van verhardingen zijn toegestaan.

1.21 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.22 caravan

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen.

1.23 centrale voorzieningen

algemene voorzieningen ten behoeve van gasten van het verblijfsrecreatieterrein, zoals een receptie, een kantoorruimte, horeca, detailhandel, binnen- en buitensportsportvoorzieningen en binnen- en buitenspeelvoorzieningen, waaronder een zwembad.

1.24 chalet/stacaravan

een permanent aanwezig kampeermiddel in de vorm van een gebouw, uitsluitend bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben en dat hooguit een niet gebouwde fundering (zoals bijvoorbeeld in de vorm van stelconplaten of kanaalplaatvloerdelen) heeft en binnen 24 uur demontabel is.

1.25 cultuurhistorische waarden

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.

1.26 dagrecreatie

vormen van recreatie, die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet zijn gericht op het verstrekken van nachtverblijf.

1.27 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.28 duurzame energievoorziening recreatieverblijven

een van een recreatief verblijf apart af te sluiten technische ruimte van maximaal 6 m² bedoeld voor het opwekken van duurzame energie en energietransitie, zoals een (lucht)warmtepomp, een elektrische boiler en accu's voor opslag van zonne-energie.

1.29 extensieve recreatie

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

1.30 gebouw

Een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.31 goudgroene natuurzone

een zone binnen het plangebied die het door het Rijk vastgestelde Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische) omvat. Het NNN is een netwerk van grote en kleine natuurgebieden waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd. Daarmee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen en dieren en planten uitsterven en dat de natuurgebieden zo hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur.

Het NNN bestaat uit:

  • bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones hiertussen;
  • landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden);
  • grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

De provincie Limburg is verantwoordelijk voor natuurbeleid en de verdere ontwikkeling en beheer van NNN binnen Limburg. Binnen de provincie Limburg heeft het NNN de naam Goudgroene Natuurzone (GNN).

1.32 groepsaccommodatie

een (deel van een) gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij wordt overnacht in slaapzalen en/of slaapkamers en waarin een dagverblijf beschikbaar is waarin de gasten mede huishoudelijke werkzaamheden kunnen verrichten en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.33 horecabedrijf

een bedrijf dat is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodaties, een en ander gepaard gaande met dienstverlening, niet zijnde coffeeshops.

1.34 horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.

horeca, categorie 1:

een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.

horeca, categorie 2:

een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon/ijswinkel, koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant.

horeca, categorie 3:

een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar.

horeca, categorie 4:

een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek/dancing, nachtcafé en een zalencentrum (met nachtvergunning).

horeca, categorie 5:

een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. Daaronder wordt begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers.

1.35 kampeermiddel
  • a. een tent, een vouwwagen, een camper, een caravan, een wagonette of een huifkar;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde met een oppervlak groter dan 70 m² of met een bouwhoogte groter dan 5,5 m;

een en ander voor zover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen, geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.36 kampeerterrein

een terrein of een deel van een terrein met toeristische slaapplaatsen en met ten minste wasgelegenheid en toiletten, waarop kan worden overnacht in mobiele kampeermiddelen.

1.37 kavel

een afgebakend en aaneengesloten stuk grond dat optisch samenhangt.

1.38 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens).

1.39 mobiele kampeermiddelen

kampeermiddelen die uitsluitend tijdens het zomerseizoen worden gebruikt. Zodra een kampeermiddel langer dan acht maanden op een kampeerterrein is geplaatst of niet langer te verplaatsen is (uitgezonderd stalling), krijgt dit een plaatsgebonden karakter, waardoor het kampeermiddel niet langer binnen de definitie van mobiel kampeermiddel valt.

1.40 nachtverblijf

het bieden van overnachtingsmogelijkheden.

1.41 natuurwaarde

de aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van planten en dieren die zichzelf onder invloed van klimaat, geomorfologie, bodemkundige en waterhuishoudkundige gesteldheid en al dan niet beïnvloed door menselijke aanwezigheid, in stand houden.

1.42 normaal onderhoud en beheer

werken/werkzaamheden die periodiek dienen te worden uitgevoerd ter instandhouding van de binnen een gebied aanwezige functies en waarden.

1.43 ondergeschikt

in aard en omvang of functioneel, ruimtelijk en/of architectonisch opzicht ten dienste van een hoofdfunctie/gebouw.

1.44 onderkomens

voor verblijf geschikte – al dan niet aan de bestemming onttrokken – voer- en vaartuigen, arken, caravans en stacaravans, recreatieobjecten en overige bouwwerken voor zover deze geen fundering hebben, alsook tenten.

1.45 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.46 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.47 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil of de hoogte van het terrein ter plaatse van de meest nabij gelegen locatie waar het water grenst aan het vaste land.
1.48 permanente bewoning
  • a. bewoning van een ruimte als hoofdverblijf door eenzelfde persoon of eenzelfde groep personen die niet elders over een hoofdverblijf beschikt en waardoor die ruimte als woning is aan te merken, en/of;
  • b. verblijf in een recreatiegebouw of kampeermiddel tijdens meer dan de helft van het aantal nachten gedurende een aaneengesloten periode van een half jaar.
1.49 plan

het bestemmingsplan 'Droompark Maasduinen' met identificatienummer NL.IMRO.0983.BP201812DROOMMAAS-VA01 van de gemeente Venlo.

1.50 POL

het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) is een plan op hoofdlijnen. Het biedt een samenhangend overzicht van de provinciale visie op de ontwikkeling van de kwaliteitsregio Limburg, en de ambities, rol en werkwijze op een groot aantal beleidsterreinen.

1.51 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie.

1.52 recreatieverblijf

een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief gebruik, waaronder recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder een recreatieverblijf vallen in elk geval recreatiewoningen, chalets/stacaravans en groepsaccommodaties; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen.

1.53 recreatiewoning

een gebouw, geen kampeermiddel zijnde, uitsluitend bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. Onder een recreatiewoning wordt niet verstaan een groepsaccommodatie, een stacaravan of chalet.

1.54 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.55 steilrand

een landschappelijk kenmerkende steile rand van enkele tientallen meters hoogte die een hoogterras begrenst en in de oudheid is ontstaan door aansnijding van dit hoogterras door een rivier.

1.56 tiny house

een klein type chalet.

1.57 veiligheidszone - leiding

ter plaatse van de aanduiding veiligheidszone - leiding geldt een plaatsgebonden risicocontour van 10-6. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht, behoudens de reeds bestaande kwetsbare objecten.

1.58 verbeelding

de verbeelding van het bestemmingsplan 'Droompark Maasduinen' bestaande uit de verbeelding NL.IMRO.0983.BP201812DROOMMAAS-VA01 en legenda.

1.59 verblijfsrecreatie

elke vorm van recreatie gericht op verblijf buiten de eigen woning, waarbij ten minste één overnachting plaatsvindt in een recreatief nachtverblijf.

1.60 waterhuishoudkundig

met betrekking tot de aanwezigheid van (natuurlijke) bronnen, kwel of natuurlijke stroming.

1.61 weg

een voor het rij- en nader verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.

Artikel 2 Wijze van meten c.q. berekenen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot de bouwperceelsgrens

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 horizontale diepte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.

2.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, schoorstenen, installaties ten behoeve van duurzame energie zoals zonnepanelen en -collectoren en kleine windmolens, gevel- en kroonlijsten, luifels, aan-/uitbouwen zoals erkers/serres, balkons en overstekende daken en dergelijke buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 3 m bedraagt.

2.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.9 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het beschermen en in stand houden van het ter plaatse voorkomende bos en waardevolle landschapselementen, flora en fauna;
  • b. watergangen, waterpartijen, oevers en taluds;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bufferzone verdroging': tevens een bufferzone verdroging;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - steilrand': tevens een steilrand;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Goudgroene natuurzone': tevens natuur van de Goudgroene natuurzone als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. bestaande wegen en paden;
  • g. extensief recreatief medegebruik;
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie, zoals zitbanken, routeborden in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij geldt:

  • a. de maximale hoogte van afrasteringen bedraagt 1,2 m;
  • b. de maximale hoogte van andere beperkte voorzieningen bedraagt 2 m.
3.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in lid 2 wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. kamperen.
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren;
  • b. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, dempen sloten, dempen poelen;
  • c. infrastructuur: verharden oppervlakte;
  • d. het rooien van bomen met een diameter van 25 cm of meer, gemeten op een hoogte van 1,3 m vanaf maaiveld.

3.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van 3.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden:

  • a. die niet dieper gaan dan -0,4 m beneden maaiveld;
  • b. die behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • c. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • d. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

3.4.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

Werken of werkzaamheden als bedoeld in 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  • b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden, met een zo sterk mogelijke ecologisch en ruimtelijk-structurele samenhang;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bufferzone verdroging': tevens een bufferzone verdroging;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan:
    • 1. afrasteringen;
    • 2. beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatie, zoals zitbanken;
    • 3. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. de hoogte van afrasteringen bedraagt niet meer dan 1,2 m;
  • c. de hoogte van beperkte voorzieningen bedraagt niet meer dan 2 m;
  • d. de hoogte van waterhuishoudkundige voorzieningen bedraagt niet meer dan 3 m.
4.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. kamperen.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren;
  • b. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, dempen sloten, dempen poelen;
  • c. infrastructuur: verharden oppervlakte.

4.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 4.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. werken en/of werkzaamheden die niet dieper gaan dan -0,4 m beneden maaiveld;
  • b. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • d. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

4.4.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1  zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  • b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor:
    • 1. ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 4.1 onder a de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden, met een zo sterk mogelijke ecologisch en ruimtelijk-structurele samenhang, en kwaliteiten van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
    • 2. ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 4.1 onder b verdroging van de gronden en aangrenzende gronden waarvoor de bufferstrook is opgenomen, niet toeneemt.

Artikel 5 Recreatie - Gemengd terrein

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Gemengd terrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatig geëxploiteerde verblijfsrecreatieve terreinen met:

  • 1. verblijfsrecreatie;
  • 2. dagrecreatie;
  • 3. parkeervoorzieningen ten behoeve van het recreatieterrein;
  • 4. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • 5. centrale voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen';
  • 6. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bufferzone verdroging': tevens een bufferzone verdroging;
  • 7. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - steilrand': tevens een steilrand;

met daarbij behorende sport- en spelvoorzieningen, dagrecreatieve voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, opslag van boottrailers, een milieustraat en loosplaats voor vuil water, groenvoorzieningen en/of erfbeplanting, fiets- en wandelpaden en ontsluitingswegen, paden en wegen ten behoeve van het verblijfsrecreatieterrein en parkeervoorzieningen.

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels.

5.2.1 Bouwwerken

De volgende bouwwerken zijn toegestaan:

  • 1. recreatiewoningen, inclusief bijbehorende bouwwerken;
  • 2. grote recreatieverblijven, inclusief bijbehorende bouwwerken;
  • 3. groepsaccommodaties, inclusief bijbehorende bouwwerken;
  • 4. chalets/stacaravans, inclusief bijbehorende bouwwerken;
  • 5. tiny houses;
  • 6. een werkplaats;
  • 7. voorzieningengebouwen;
  • 8. een bedrijfswoning, inclusief bijbehorende bouwwerken;
  • 9. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - vergunningplichtig bouwen' is realisatie van bouwwerken alleen bij omgevingsvergunning toegestaan;
  • 10. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitkijktoren' is één uitkijktoren toegestaan; de maximale hoogte bedraagt 25 m;
  • 11. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2.2 Recreatieverblijven
  • a. voor recreatieverblijven gelden de volgende regels:

type
eenheid  
maximum
aantal eenheden  
maximum
oppervlakte in m²  
maximum
goothoogte
indien hellend dak in m  
maximumbouwhoogte indien hellend dak
in m  
maximum
bouwhoogte
indien
plat dak
in m  
tiny house   20   40   3,5   4,0   4,0  
stacaravan   54   60   3,5   4,0   4,0  
chalet   93   75   4,5   5,5   5,5  
recreatiewoning   60   100   4,5   7,5   6,5  
groot recreatieverblijf   20   150   4,5   7,5   6,5  
groepsaccommodatie   3   225   4,5   7,5   6,5  

  • b. voor bijbehorende bouwwerken bij recreatieverblijven gelden de volgende regels:
    • 1. bijbehorende bouwwerken zijn alleen bij recreatieverblijven toegestaan;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 m;
    • 3. de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk bij een groepsaccommodatie bedraagt niet meer dan 18 m²;
    • 4. de oppervlakte van andere bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 9 m²;
    • 5. bijbehorende bouwwerken worden, met uitzondering van overkappingen, aan het hoofdgebouw vast gebouwd;
    • 6. onderbouwen van recreatieverblijven en bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan;
    • 7. het vorenstaande is niet van toepassing op standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen;
  • c. voor aanbouwen bij recreatieverblijven gelden de volgende regels:
    • 1. aanbouwen zijn alleen bij recreatieverblijven toegestaan;
    • 2. de maximale goot- en bouwhoogte zijn gelijk aan de goot- respectievelijk de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
    • 3. de oppervlakte van een technische voorziening in het kader van een duurzame energievoorziening bedraagt niet meer dan 6 m²;
    • 4. de oppervlakte van een een technische voorziening in het kader van een duurzame energievoorziening bij groepsaccommodatie bedraagt niet meer dan 12 m²;
    • 5. aanbouwen ten behoeve van duurzame energievoorzieningen zijn niet vanuit het hoofdgebouw toegankelijk;
  • d. het te bebouwen kaveloppervlak voor alle recreatieverblijven bedraagt maximaal 25%;
  • e. de afstand tussen gevels van recreatieverblijven bedraagt niet minder dan 5 m; deze afstanden gelden niet bij geschakelde bouw voor de zijde waar recreatiewoningen geschakeld zijn gebouwd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten' zijn geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan;
  • g. in afwijking van het bepaalde onder a ten aanzien van de maximale aantallen is het toegestaan om onderling te wisselen met typen verblijfsrecreatie-eenheden, waarbij met de volgende verhoudingsgetallen wordt gerekend; waarbij de genoemde maximum aantallen standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen niet meer dan 30, het aantal tiny houses niet meer dan 20 en het aantal grote recreatieverblijven niet meer dan 20 bedraagt:

    1 stuk 'type eenheid' kan worden ingewisseld voor:  
type eenheid:   verhoudings-getal ten opzichte van ander type:   tiny house:   stacara-
van:  
chalet/
recreatiewoning:  
groot recreatie-
verblijf:  
groepsaccom-modatie:   standplaats mobiel kampeer-
middel:  
1 tiny house:   0,4   1   0,67   0,4   0,2   0,13   1  
1 stacaravan:   0,6   1,5   1   0,6   0,3   0,2   1,5  
1 chalet/receatiewoning:   1   2,5   1,67   1   0,5   0,33   2,5  
1 groot recreatie verblijf:   2   5   3,33   2   1   0,67   5  
1 groepsaccom-
modatie:  
3   7,5   5   3   1,5   1   7,5  
1 standplaats mobiel kampeer-
middel:  
0,4   1   0,67   0,4   0,2   0,13   1  

5.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van een bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per aanduiding 'bedrijfswoning' is 1 bedrijfswoning toegestaan;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 900 m³;
  • c. de goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 6 m;
  • d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 9 m;
  • e. ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gerealiseerd loodrecht onder de bedrijfswoning tot een diepte van niet meer dan 3,5 m;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 70 m² per bedrijfswoning;
  • g. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 3,3 m;
  • h. de dakhelling van bijbehorende bouwwerken met een kap bedraagt minimaal 12° en bedraagt maximaal 45°;

met uitzondering van standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen.

5.2.4 Situering bedrijfswoning op andere locatie

Afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.2 voor het bouwen van de bedrijfswoning op een andere locatie dan de aangeduide is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er sprake is van een akoestische en/of stedenbouwkundige verbetering;
  • b. herbouw buiten de bestaande fundering is stedenbouwkundig aanvaardbaar;
  • c. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving.

5.2.5 Gebouwen voor centrale voorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen voor centrale voorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van sanitaire voorzieningen bedraagt maximaal 3 m respectievelijk 5 m;
  • b. de goot- en bouwhoogte van een gebouw voor andere centrale voorzieningen bedraagt maximaal 6 m respectievelijk 9 m.

5.2.6 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen rondom het recreatieterrein bedraagt niet meer dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 1,2 m;
  • c. gebouwde erfafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan indien deze, ten opzichte van het openbare gebied, groen worden afgeschermd;
  • d. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 10 m.

5.2.7 Parkeren

Ten aanzien van parkeren gelden de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat, gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw, in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort of in ieder geval binnen het bestemmingsplangebied als bedoeld in artikel 1.2 van deze regels;
  • b. de onder a bedoelde ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's;
  • c. aan het bepaalde onder a wordt geacht te zijn voldaan indien de ruimte voor parkeren of stallen voldoet aan de volgende parkeernormen:
    • 1. 1,8 per recreatiewoning, geen groepsaccommodatie zijnde;
    • 2. 1,3 per chalet/stacaravan of standplaats;
    • 3. 3,6 per groepsaccommodatie;
    • 4. 2,0 per bedrijfswoning.
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing en/of oppervlakteverharding;
  • f. ter waarborging van de brandveiligheid.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het aantal standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen, inclusief bijbehorende sanitaire voorzieningen, bedraagt niet meer dan 30;
  • b. in en nabij het gebouw voor centrale voorzieningen is het volgende gebruik toegestaan:
    • 1. ondergeschikte horeca in de horecacategorie 1, 2 en 3 van de Staat van Horeca-activiteiten;
    • 2. het bedrijfsvloeroppervlak van zelfstandige horeca in de horecacategorie 4 in de vorm van feesten en partijen, bedraagt niet meer dan 385 m²;
    • 3. detailhandel is alleen toegestaan ten behoeve van het recreatiebedrijf;
    • 4. \binnen- en buitenspeelvoorzieningen;
    • 5. binnen- en buitensportvoorzieningen;
    • 6. receptie;
  • c. van een kavel mag niet meer dan 25% worden verhard;
  • d. van een kavel is niet minder dan 50% onverhard en groen ingericht.

5.4.2 Voorwaardelijke gebruiksbepaling

Onder strijdig gebruik wordt ook verstaan:

  • a. in gebruik name van nieuwe recreatiewoningen voordat de inrichting van de gronden met de bestemming 'Natuur' als bedoeld in artikel 4 is gerealiseerd conform de bestemmingsomschrijving als opgenomen in artikel 4.1 en conform het inrichtingsplan als is opgenomen in de bijlagen bij deze regels;
  • b. de in gebruik name van nieuwe recreatiewoningen voordat de beplanting is aangebracht op de kavel bij de recreatiewoning conform de bijlage bij deze regels.

5.4.3 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. detailhandel anders dan verband houdende met het horecabedrijf en ten behoeve van het recreatief verblijf;
  • b. zelfstandige horeca in de horecacategorie 1 t/m 5, met uitzondering van het houden van feesten en partijen zoals bepaald in 5.4.1.b onder 2;
  • c. seksinrichtingen;
  • d. permanente bewoning van recreatiewoningen, stacaravans, kampeermiddelen, plaatsgebonden kampeermiddelen en het kampeerterrein.
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden, met uitzondering binnen het bouwvlak, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren;
  • b. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, dempen sloten, dempen poelen;
  • c. infrastructuur: verharden oppervlakte;
  • d. het rooien van bomen met een diameter van 25 cm of meer, gemeten op een hoogte van 1,3 m vanaf maaiveld.

5.5.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van 5.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. werken en/of werkzaamheden die niet dieper gaan dan -0,4 m beneden maaiveld;
  • b. behoren tot normaal onderhoud beheer en ten dienste van de bestemming;
  • c. betrekking hebben op de inrichting van het plangebied ten behoeve van het mogelijk maken van de bouw van de recreatiewoningen en de aanleg van terrassen, wegen/paden en infiltratievoorzieningen;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • e. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

5.5.3 Toelaatbaarheid werken en/of werkzaamheden

Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 5.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  • b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor:
    • 1. ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 4.1 onder e verdroging van de gronden en aangrenzende gronden waarvoor de bufferstrook is opgenomen, niet toeneemt;
    • 2. ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 4.1 onder f de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
5.6 Wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 Uitbreiden centrale voorzieningen

Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' zijn burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen waarbij het bouwvlak voor de centrale voorzieningen wordt vergroot, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de uitbreiding is uitsluitend gericht op en ondergeschikt aan het recreatief (nacht)verblijf ter plaatse;
  • b. de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering;
  • c. er wordt voldaan aan de Beleidsregel Natuurcompensatie, zoals dit geldt ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit bestemmingsplan;
  • d. er zijn geen belemmeringen op de verschillende deelaspecten namelijk stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, natuur en landschap, milieu, verkeer en parkeren en water.

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg en instandhouding van:

  • a. waterberging;
  • b. waterhuishouding en ecologische en natuurwaarden;
  • c. waterlopen en daarbij behorende waterhuishoudkundige- en oevervoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, steigers, dammen en/of duikers.
6.2 Bouwregels

Op de gronden mag niet worden gebouwd behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van het wateroppervlak.

6.3 Afwijking van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor:

6.3.1 Steigers

De bouw van steigers ten behoeve van functies die grenzen aan het water, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. geen steigers mogen worden aangebracht in rietkragen en groene oeverzones met een breedte van meer dan 2 m;
  • b. met de aanleg van de steiger mag geen onevenredige (blijvende) schade worden aangebracht aan ter plekke aanwezige rietkragen of andere met oever- en moerasplanten begroeide oevers;
  • c. de lengte van de steiger mag niet meer bedragen dan 2 m en de breedte niet breder zijn dan 1 m. De steiger mag niet meer dan 0,75 m boven het wateroppervlakte (streefpeil) uitsteken;
  • d. de steiger dient 'onderloops' te zijn, hetgeen betekent, dat het water onder de steiger en het plankier vrije doorloop moet hebben;
  • e. de steiger wordt aangelegd in combinatie met een natuurvriendelijke oever;
  • f. per recreatiewoning is maximaal één steiger toegestaan.

Artikel 7 Waarde - Archeologie

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

7.2 Bouwregels

Voorwaarden bouwvergunning

  • a. Ter plaatse van de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden dient voor bouwwerken bij de aanvraag om bouwvergunning een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld:
    • 1. ingeval van nieuwbouw groter dan 5.000 m2;
    • 2. ingeval van uitbreiding groter dan 5.000 m2 .
  • b. Indien uit het onder a bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • c. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.3.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen;
  • b. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • c. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.

7.3.2 Uitzonderingen op het verbod

Het verbod als bedoeld artikel 7.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. archeologisch onderzoek betreffen.

7.3.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.3.1 zijn slechts toelaatbaar mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in artikel 7.1 genoemde doeleinden;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Venlo.

7.3.4 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde - Archeologie' (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld.
  • b. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Venlo.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Milieuzone - grondwaterbescherming Venlo schol
9.1.1 Ter plaatse van de aanduiding

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbescherming Venlo schol' is het niet toegestaan om dieper dan 5 m onder NAP:

  • a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;
  • b. de grond te roeren;
  • c. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten;
  • d. een bodemenergiesysteem op te richten.

9.1.2 Uitzonderingen

De in artikel 9.1.1 gestelde verboden gelden niet voor:

  • a. werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekking met het oog op openbare drinkwaterproductie;
  • b. andere onttrekkingen, mits bestemd voor uitsluitend menselijke consumptie;
  • c. boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig de Wet bodembescherming en de Waterwet;
  • d. het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet bodembescherming;
  • e. bodemonderzoeken die door de wet zijn voorgeschreven;
  • f. werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning door het daartoe bevoegde gezag.
9.2 Steilrand
9.2.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - steilrand' is het verboden om op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag werkzaamheden te verrichten die de waarden van de steilrand kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:

  • a. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren;
  • b. infrastructuur: verharden oppervlakte;
  • c. beplanting: rooien.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
10.1.1

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woninget of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

10.1.2

In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

10.1.3

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 8.1.1. en 8.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

10.2 Ondergeschikte bouwdelen

In afwijking, dan wel aanvulling van het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat maximale oppervlaktematen en bebouwingspercentages mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, schoorstenen, installaties ten behoeve van duurzame energie, zoals zonnepanelen en -collectoren en kleine windmolens, gevel- en kroonlijsten, luifels, aan-/uitbouwen zoals erkers/serres, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 3 m vanuit de gevel van het gebouw.

10.3 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen
10.3.1 Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

10.3.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder een bedrijfswoning;
  • b. een ondergronds bouwwerk mag uitsluitend uit één bouwlaag van maximaal 4 m bestaan;
  • c. een ondergronds bouwwerk, indien geheel gelegen onder een hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken, telt niet mee voor de maximaal toegestane inhoud van de bedrijfswoning;
  • d. voor de realisatie van een ondergronds bouwwerk, voor het deel dat niet is gelegen onder een hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken, dient te worden voldaan aan de regels ten aanzien van het toegestane maximum aantal m² aan bijbehorende bouwwerken, zoals opgenomen in 5.2.1. dan wel 5.2.2.

10.3.3 Afwijken ondergrondse bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in 5.2.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 4 m onder peil onder de voorwaarde dat:
    • 1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
    • 2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden;
  • b. het bepaalde in 9.3.2 sub d voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil onder de voorwaarden dat:
    • 1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
    • 2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Algemene afwijkingsbepalingen

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige breuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden, het woon- en leefklimaat, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid van de aangrenzende gronden en bouwwerken, afwijken van de bestemmingsbepalingen voor:

  • a. het afwijken van de voorgeschreven maximum maten, afmetingen, percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • d. toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • e. toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    • 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen;
  • f. het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, (glas)containers, monumenten, kapellen, wegkruisen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
    • 1. de oppervlakte niet meer dan 15 m² bedraagt;
    • 2. de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 3. de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 10 m mag bedragen;
    • 4. uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:

  • a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  • b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • c. de overschrijdingen als bedoeld in sub a en b mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij wordt verwezen naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd;
  • e. de gronden met de aanduiding 'Goudgroene Natuurzone' op de verbeelding te wijzigen in de bestemming Natuur of Bos is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de agrarische bedrijvigheid is of zal worden beëindigd;
    • 2. natuurontwikkeling zal plaatsvinden.

Artikel 13 Algemene procedureregels

13.1 Toepassen algemene wijzigingsbevoegdheid

Bij toepassing van de algemene wijzigingsbevoegdheid, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing.

13.2 Toepassen nadere eisen regeling

Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

13.3 Procedure omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • c. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • d. Het bepaalde onder 13.1 onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
14.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken van dat overgangsrecht.

Artikel 15 Slotregel

De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Droompark Maasduinen'.