direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zonnepark Bernhardstraat Tegelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Geo Real Estate BV is voornemens om een zonnepark, ten behoeve van het opwekken van zonne-energie, te realiseren in het gebied tussen de Bernhardstraat, de N271 en de spoorlijn Venlo-Roermond. In de huidige situatie zijn de percelen braakliggend. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie B, nrs. 781, 1740, 1741, 1953, 1954, 3424, 4557, 4560, 4649, 5051, 5201, 5212, 5662 (ged.) en 5664 (ged.).

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0002.png"  
Afbeelding 1. Topgrafische kaart met aanduiding ligging plangebied (rode stippellijn)  

Het initiatief is strijdig met het op 8 april 2013 door de gemeenteraad van Venlo vastgestelde vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein'. De daarin vastgelegde bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Groen' staan het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing ten behoeve van een zonnepark niet toe. De gemeente Venlo heeft echter aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief (zie par. 5.2).

1.2 Doel

De doelstelling van dit bestemmingsplan is om voor het plangebied te komen tot een actueel, uitvoerbaar en handhaafbaar planologisch-juridisch kader dat voldoet aan de wettelijke eisen ingevolge de Wro en het Bro, waarbinnen de realisering van het zonnepark binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt.

1.3 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader komen in hoofdstuk 3 aan bod, gevolgd door een beschrijving van randvoorwaarden / onderzoeksaspecten in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is plaats gemaakt voor de planbeschrijving. De juridische aspecten en uitvoerbaarheid van het plan worden in respectievelijk de hoofdstukken 6 en 7 behandeld. In hoofdstuk 8 ten slotte, wordt ingegaan op het gevoerde wettelijke vooroverleg en op de wettelijke procedure van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Plangebied

Het plangebied bestaat uit de percelen, kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie B, nrs.:

  • a. 781 en 4557, eigendom van M. Warmerdam;
  • b. 1953, 1954, 3424, 4560 en 4649, eigendom van Geo Realestate BV;
  • c. 5051, 5201, 5212, 5662 (ged.) en 5664 (ged.), eigendom van de gemeente Venlo;
  • d. 1740, eigendom van F., W. en A. Fleuren;
  • e. 1741, eigendom van H. Schreurs.

De percelen die eigendom zijn van de gemeente Venlo worden door de initiatiefnemers gehuurd van de gemeente. De onder d, en e genoemde percelen zijn eveneens nog geen eigendom van de inititiefnemers. Deze percelen zijn in dit bestemmingsplan echter wél meegenomen in de plannen om op deze percelen ook zonnepanelen te kunnen plaatsen, echter met een zodanige regeling dat deze ook nog steeds conform de huidige bestemming kunnen worden gebruikt, zodat de bestaande rechten van de huidige eigenaren niet worden aangetast voor het geval de gronden niet verworven kunnen worden.

Het totale plangebied beslaat een oppervlakte van circa 6 ha.

De genoemde percelen zijn gelegen ten noorden van de N271, ten oosten van de Bernhardstraat en ten zuiden van de spoorlijn Venlo - Roermond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0003.png"  
Afbeelding 2. Luchtfoto met globale aanduiding plangebied (gele stippellijn)  

2.2 Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied is gelegen binnen één van de oudste industrieterreinen in Noord-Limburg. Ten gevolge van het Verdrag van Londen werd in 1839 de provincie Limburg in twee stukken verdeeld, waarbij Tegelen bij Nederland kwam en het gebied zuidelijker behoorde aan België. Tegelen ontwikkelde zich rond deze tijd tot een regionaal industriecentrum. Van oudsher waren er al verscheidene pottenbakkerijen en pannen en steenbakkerijen; gedurende de middeleeuwen werden de stenen gebouwen in Venlo grotendeels met in Tegelen geproduceerde stenen gebouwd. Door de steeds groter wordende vraag naar deze producten werden er diverse nieuwe keramische bedrijven gesticht en er kwamen nu ook ijzergieterijen bij. Later kwam hier de dranken- en tabaksindustie bij en na 1900 tuinbouw. Vanaf midden 19e eeuw groeit de Tegelse industrie zeer snel, vooral de metaal- en kleiwarenindustrie.

Het gebied Ulingsheide, gelegen ten oosten van de kern Tegelen en waarvan het plangebied deel uitmaakt, stond in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw in het teken van grootschalige kleiwinning ten behoeve van de plaatselijke dakpannenfabrieken. Het gebied bestond aanvankelijk grotendeels uit heidegrond met lage begroeiing (opslag) van loofhout en kreupelhout. Ulingsheide wordt van oudsher doorsneden door de Kaldenkerkerweg, de middeleeuwse handelsroute vanuit het Duitse Kaldenkirchen richting de Maashaven in Steyl. Vanaf het einde van de negentiende eeuw (1880 en later) verrezen aan de noordzijde van de Kaldenkerkerweg, in de directe nabijheid van de kleiputten, grote steen- en pannenfabrieken met hoge schoorstenen. Met name in het gebied 'Klein Hetgen', ten noorden van het huidige plangebied, werd in deze periode actief klei gewonnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0004.png"  
Afbeelding 3. Topografische kaart 1950  

In en voornamelijk ten oosten van het plangebied waren in het verleden diverse glastuinbouwbedrijven gelegen, zoals duidelijk te zien is op de topografische kaart omstreeks 1995 (afbeelding 4).

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0005.png"  
Afbeelding 4. Topografische kaart omstreeks 1995  

In het gebied ter hoogte van de huidige Nassaustraat verrezen in de nabijheid van de spoorlijn al eerder de eerste kleifabrieken. Aan de Nassaustraat, ter hoogte van de Julianastraat, liggen thans nog oorspronkelijke delen van de negentiende-eeuwse fabriek van de firma Kurtsjens. Ten oosten hiervan, rondom het Emmaplein, werd in de jaren rond 1920 de eerste sociale woningbouw in Tegelen gebouwd door de 'Tegelsche Bouwvereeniging'. Dit volksbuurtje, het zogenaamde 'Rode Dorp' vanwege de specifieke rode pannendaken, werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw gesaneerd en getransformeerd tot industrieterrein.

Een belangrijk deel van de wegen in het plangebied dateert nog van de periode vóór de grote industrialisatie in de negentiende eeuw. Zoals reeds aangegeven is het tracé van de Kaldenkerkerweg van middeleeuwse oorsprong. De Nassaustraat diende van oudsher ter ontsluiting van het vruchtbare Smallenbroek en het drassige Groote Broek richting de oude handelsroutes Kaldenkerkerweg en Gelderse Baan. De lange rechte wegen Broekveldweg, die het huidige plangebied van west naar oost doorsnijdt, en Broekzijweg ontstonden na ontginning van het Groote Broek kort na 1800.

2.3 Bestaande situatie

2.3.1 Ruimtelijke karakteristiek

Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de N271 (Streekweg) en de ten oosten daarvan gelegen rijkswegen A73 en A74. Ongeveer ter hoogte van het plangebied buigt de A73 af naar het zuiden, richting Roermond, en buigt de de A74 af naar het oosten, richting Duitsland, waar deze aansluit op de Bundesautobahn A61.

Het plangebied grenst aan de westzijde aan het bedrijventerrein 'Kaldenkerkerweg West' en aan het woonwagencentrum in de hoek Broekveldweg - Nassaustraat. Aan de noordzijde vormt de spoorlijn Roermond-Venlo de grens tussen het plangebied en het ten noorden van de spoorlijn gelegen woongebied.

Het plangebied wordt ontsloten vanaf de provinciale weg via de Bernhardstraat. Van west naar oost loopt midden door het plangebied de Broekveldweg. Deze weg sluit onder de viaducten voor de provinciale weg en de rijkswegen aan op de Broekweg, die via de weg Egypte en de Voerdijk via de Hagerlei de verbinding vormt met de Hagerhofweg.

Door het plangebied loopt verder nog de watergang 'Grootbroeklossing'. Evenwijdig aan een deel van de spoorlijn is ook de watergang 'Parallelsloot B' gelegen. Dit is een waterhoudende sloot met rietkragen. Door en om het plangebied liggen verder nog een aantal waterhoudende goed onderhouden sloten. De sloten binnen het plangebied monden via een stelsel uit in de Wilderbeek.

Het perceel bestaat verder uit voornamelijk grasland, voor het grootste deel regelmatig begraasd. De luchtfoto laat aan de zuidkant van de Broekveld weg enkele bosschages zien. Deze zijn echter voor een groot deel verdwenen en omgezet in grasland (zie foto's in de quickscan flora en fauna; bijlage 1). De houtwal aan de Bernhardlaan is intact gebleven. Aan de zuidwestkant en het stuk langs de provinciale weg zijn een paar houtwallen. Binnen het plangebied staat een enkele boom.

2.3.2 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein', vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 8 april 2013.

De gronden binnen het plangebied zijn hierin bestemd tot 'Agrarisch met waarden', 'Groen', Water' en 'Verkeer'. Daarnaast is de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' opgenomen om de ter plaatse geldende bestemmingen te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein', mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, waaronder:

  • de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse moet definitief zijn gestaakt;
  • de wegverbinding tussen de Broekveldweg en de Verbindingsweg moet gerealiseerd zijn.

Voor de bescherming van de binnen en direct aansluitend aan het plangebied gelegen watergangen is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' opgenomen. Verder is een deel van het plangebied gelegen binnen de 'gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg'.

De geldende bestemmingen maken de realisering van een zonnepark niet mogelijk. Het bestemmingsplan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsregels die de beoogde ontwikkeling mogelijk zouden kunnen maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0006.png"  
Afbeelding 5. Uitsnede uit verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein'  

Hoofdstuk 3 Planologische hoofdlijnen van beleid

In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante beleidsaspecten voor het onderhavige bestemmingsplan. De verschillende beleidsaspecten worden op hoofdlijnen (meest relevante aspecten) beschreven.

3.1 Ruimtelijk beleid

3.1.1 Rijksbeleid
3.1.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte


Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zet in op een transitie naar een duurzame, hernieuwbare energievoorziening en het geschikt maken van de elektriciteitsinfrastructuur op de langere termijn voor meer decentrale opwekking van elektriciteit.

In de Structuurvisie wordt aangegeven dat het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening omhoog moet. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is. Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals zonne-)energie en biomassa).

Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave. Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig, naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis.

Afweging

Voor het besluitgebied geldt dat er geen nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in het geding zijn.

3.1.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden.

Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (EHS), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

Toets Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Barro is aangegeven dat bij ministeriële regeling (Rarro; zie par. 3.1.1.3) hoofdwegen of delen daarvan worden aangewezen waarvoor een bij die regeling vast te stellen reserveringsgebied geldt aan een of beide zijden van de hoofdweg ten behoeve van een mogelijke uitbreiding daarvan.

Op dit bestemmingsplan werken voor het overige geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks door. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het Barro en de eerste aanvulling hierop.

3.1.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven:

  • a. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Venlo. Aangezien het bestemmingsplan echter geen bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied.
  • b. Blijkens kaart 16, behorende bij de Rarrro, is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een reserveringsgebied ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van hoofdwegen of delen daarvan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0007.png"  
Afbeelding 6. Uitsnede uit Bijlage 16 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening: Overzichtskaart met reserveringsgebieden ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van hoofdwegen of delen daarvan  

3.1.1.4 Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.6 van het Bro bevat een motiveringsplicht voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

De aanleg van een zonnepark wordt beschouwd als een specifieke vorm van bedrijvigheid en daarmee als een stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing.

Afweging ladder duurzame verstedelijking.

Het energievraagstuk is een kwestie van nationaal en Europees belang, waardoor het de regionale vraag overstijgt. Wel is het zo dat het Rijk in de doorwerking van haar plannen de verantwoordelijkheid bij de provincies, gemeenten en de markt legt. Hierdoor wordt het mede een vraag van regionaal niveau.

De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening betekent een forse inspanning. Nederland heeft voor wat betreft de doelstelling op het gebied van duurzame energie aansluiting gezocht bij de taakstelling die in Europees verband is geformuleerd. Deze EU-taakstelling voor duurzame energie bedraagt voor Nederland 14% van het energiegebruik in 2020. De Nederlandse regering heeft met het Nationaal Energieakkoord die Europese taakstelling voor Nederland verhoogd naar 16% in het jaar 2023. In 2023 moet dus 16% van het totale jaarlijkse energieverbruik afkomstig zijn uit duurzame energiebronnen. Voor de overheid is zonne-energie, naast andere vormen van duurzame energie, een van de bronnen van duurzame energie die benut moet worden om aan die doelstelling te kunnen voldoen.

Binnen de provincie Limburg bestaat er een behoefte aan duurzaam opgewekte energie. De provincie Limburg heeft als doel gesteld om het aandeel duurzaam opgewekte energie uit bronnen die hernieuwbaar zijn (wind, water, zon, biomassa) te laten toenemen van 3 tot 4% eind 2014 tot tot 14% in 2020, conform het Nationaal Energieakkoord. De provincie zet daarbij in op een zoveel mogelijk lokale of regionale aanpak, waarbij de uitgaven voor energie zo veel mogelijk ten goede komen aan de Limburgse economie.

Ook de gemeente Venlo wil energiebesparing en de toepassing van nieuwe energieconcepten stimuleren. Vooral de samenleving (bedrijven, inwoners, instellingen) is daarbij aan zet. De rol van de overheid ligt hoofdzakelijk bij faciliteren, verbinden, kennis uitdragen en zelf het goede voorbeeld geven. Om de effectiviteit van zonne-energie te optimaliseren is het van belang om zoveel mogelijk ruimte beschikbaar te houden voor het opwekken van zonne-energie, in eerste instantie via dubbelgebruik. Bij nieuwe ruimtelijke initiatieven (bouwwerken, groenstructuren e.d.) zal er dus op worden gelet dat omliggende gebieden, voor zover die in gebruik zijn of zijn aangewezen voor productie van zonne-energie, niet in de schaduw komen te liggen. De gemeente zal ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen om het opwekpotentieel maximaal te kunnen benutten.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een behoefte aan duurzame energiebronnen in het algemeen en aan voorzieningen voor gebruik van zonne-energie in het bijzonder.

Vervolgens dient gemotiveerd te worden aangegeven waarom de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Het plangebied ligt niet binnen bestaand stedelijk gebied. In het POL 2014 is het gebied aangeduid als 'buitengebied' en in de gemeentelijke structuurvisie als 'cultuurlandschap'.

Het gebied kent als agrarisch productielandschap een zeer beperkte waarde. De druk op het buitengebied zal derhalve niet worden verhoogd.

Uit onderzoek van de gemeente in het kader van de POL-uitwerking Energie blijkt dat momenteel nog onvoldoende wordt voorzien in initiatieven voor de opwekking van duurzame energie om de beoogde doelstelling te realiseren en daarmee is de behoefte ruimschoots aangetoond

Binnen het bestaand stedelijk gebied is er geen aaneengesloten (bedrijven)terrein van 6 beschikbaar voor de realisatie van een zonnepark. Behoudens een tweetal percelen met een oppervlakte van 4.725 m² is het gehele plangebied eigendom van de ontwikkelende partij en van de gemeente Venlo, die bereid is haar eigendom aan de ontwikkelaar over te dragen ten behoeve van de realisering van het project. Deze gronden zijn des te meer geschikt aangezien zij direct aansluiten op bestaand stedelijk gebied.

Voor een dergelijk initiatief zijn binnen de contour stedelijk gebied geen kavels beschikbaar voor een initiatief van dit formaat. Ruimtelijk heeft dit ook niet de voorkeur, aangezien de gemeente deze ruimte wil gebruiken om het stedelijk gebied te intensiveren. In de ruimtelijke structuurvisie is aangegeven dat een voorkeur bestaat voor de realisatie op (bestaande) daken. Dit kan een deel van de vraag faciliteren, maar dit is onvoldoende naar de doelstelling voor de nabije toekomst.

Een zonnepark in de kernrand is een aanvulling op de bestaande aanpak voor de bebouwde omgeving. Het is niet bedoeld als vervanging van de inzet in de bebouwde omgeving. Voor het zonnepark wordt ingezet op betrokkenheid van de lokale bevolking.

Conclusie

Omdat een zonnepark wordt beschouwd als een 'stedelijke ontwikkeling', is de ladder van duurzame verstedelijking van toepassing. Er bestaat een behoefte aan het opwekken van duurzame energie, waaraan dit zonnepark een bijdrage kan leveren. De behoefte aan het opwekken van duurzame energie is echter op dit moment en in deze omvang niet in te vullen binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de ladder van duurzame verstedelijking.

3.1.1.5 Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:

  • a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
  • b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
3.1.1.6 Besluit milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aan-gewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Be-sluit genoemde categorie.

In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.

Toets regels milieueffectrapportage.

De toets of dit bestemmingsplan m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, danwel of hiervoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden gedaan is opgenomen in par. 4.1.6.

3.1.1.7 Energieakkoord voor duurzame groei

Op 6 september 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, maatschappelijke organisaties en financiële instellingen, zich aan het Energieakkoord voor duurzame groei verbonden. De partijen leggen in het Energieakkoord voor duurzame groei de basis voor een breed gedragen, robuust en toekomstbestendig energie- en klimaatbeleid.

Partijen zetten zich in dit verband in om de volgende doelen te realiseren:

  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar.
  • 100 petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020.
  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu ruim 4 procent) naar 14 procent in 2020.
  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16 procent in 2023.
  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.

Afweging

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen uit het Energieakkoord voor duurzame groei, doordat er hernieuwbare energie wordt opgewekt met de zonnepanelen.

3.1.2 Provinciaal beleid
3.1.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014)

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg als onderdeel van een integrale omgevingsvisie het POL 2014 'Voor de kwaliteit van Limburg' vastgesteld. In dit POL is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden:

  • stedelijk centrum,
  • bedrijventerrein,
  • overig bebouwd gebied

In het landelijk gebied gaat het om de zones:

  • goudgroene natuurzone,
  • zilvergroene natuurzone,
  • bronsgroene landschapszone en
  • buitengebied

Volgens de diverse POL kaarten ligt het plangebied binnen landelijk gebied - buitengebied.

Voor de zone Buitengebied gelden de volgende doelstellingen:

  • Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw
  • Faciliteren landschap en cultuurhistorie
  • Ontwikkeling landbouw

Duurzame economische structuur
In POL 2014 is vastgelegd dat de provincie streeft naar een schone, betaalbare en leveringszekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en aanpak van het klimaatprobleem. Daarbij wordt aangesloten bij de nationale doelstellingen voor de energietransitie.

Die ambitie vraagt om een ingrijpende transitie op de energiemarkt. Ingrijpen in de huidige energievoorziening is noodzakelijk. Die transitie bestaat uit:

  • een forse besparing op het gebruik van energie
  • een sterke toename van het aandeel duurzaam opgewekte (=hernieuwbare) energie
  • flexibilisering van het netwerk

Voor zonnecollectoren en zon-PV ziet de provincie een grote groeimarkt. Bij de realisatie van zonneparken zet de provincie bij de locatiekeuze primair in op multifunctioneel ruimtegebruik.


Afweging POL 2014.

Het bestaande grasland binnen het plangebied wordt behouden en daarmee ook de agrarische bestemming. Met de plaatsing van de zonnecollectoren en het gebruik als grasland is sprake van multifunctioneel ruimtegebruik waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de gewenste transitie op de energiemarkt. Het initiatief staat de ontwikkeling van de landbouw niet in de weg, aangezien het bestaande grasland behouden zal blijven. De gronden kunnen weliswaar nog maar beperkt worden begraasd, maar de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een onomkeerbare situatie. Het initiatief past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten van POL 2014.

3.1.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

Op 12 december 2014 is tevens de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld en in werking getreden.

De Omgevingsverordening bevat regels over diverse onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Voor gedragingen in de milieubeschermingsgebieden zijn per soort gebied regels gesteld ter bescherming van het belang dat het desbetreffende gebied dient. Deze regels kunnen een absoluut verbod op bepaalde handelingen inhouden, of een verbod waarvan een ontheffing kan worden gevraagd. Een voorbeeld hiervan is het aanleggen van WKO-installaties in de boringvrije zones. De regels voor de boringsvrije zone hebben rechtstreekse werking. Deze hoeven in het bestemmingsplan niet ook nog opgenomen te worden.

In de Omgevingsverordening is (in par. 2.3) bepaald dat in een ruimtelijk plan de aanduiding 'reserveringszone' moet worden opgenomen, grenzend aan de buitenste kantstreep van de bestaande weg of gerekend vanuit het hart van het bestaande spoor van respectievelijk een provinciale weg of een spoorweg. De breedte van de bedoelde reserveringszone, wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep of vanuit het hart van het bestaande spoor en bedraagt 15 meter aan weerszijden. De reserveringszone moet volgens kaart 3 'Provinciale wegen en reserveringszones' onder andere worden opgenomen langs de spoorlijn Roermond-Nijmegen (Maaslijn). Deze reserveringszone is niet van invloed op dit bestemmingsplan, aangezien de 15 meter-grens van die zone buiten het plangebied is gelegen.

3.1.2.3 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM)

Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregel LKM regelt de 'extra' condities en voorwaarden waaronder bepaalde ontwikkelingen in het landelijk gebied buiten de plattelandskernen dan wel in het stedelijk gebied in de oude perspectieven P2, P3 en P8 mogelijk zijn. Sinds 2012 vormt de gemeente Venlo zelf het bevoegd gezag over de toepassing van het LKM. Voor een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing en de aanvullende kwaliteitsverbetering zie paragraaf 4.7 Landschappelijke inpassing.

3.1.3 Regionaal beleid
3.1.3.1 Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg

Ter uitvoering van het POL 2014 zijn de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middeelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray, in april 2016 met Gedeputeerde Staten van Limburg de 'Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg' overeen gekomen.

Als doelstelling is daarin opgenomen om te komen tot een regionale energievisie en actieprogramma voor het realiseren van een meer energieonafhankelijke regio met een economisch gezonde woon-, werk- en leefomgeving, welke geschikt is voor toekomstige generaties.

De uiteindelijke regionale energievisie zal bestaan uit het benoemen van potentieel per duurzame energiebron, de kansenkaarten en een set van kwalitetsprincipes als input voor het ruimtelijk kwaliteitskader.

3.1.3.2 Energie voor Groene Groei

In 2013 hebben de gemeenten Beesel, Venlo en Venray de notitie 'Energie voor Groene Groei, Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray, vastgesteld.

De blijvende stijging van energieprijzen, de behoefte om voor de energievoorziening minder afhankelijk te zijn van andere landen en de verandering van het klimaat maken een transitie naar een duurzame energievoorziening met een lager energieverbruik noodzakelijk. Behalve dat er een noodzaak is biedt een energietransitie op lokaal niveau kansen doordat de winsten uit de waardeketen van energie in de regio blijven en daarmee de lokale economie versterken.

Het energiebesparingspotentieel voor Beesel, Venlo en Venray in 2030 bedraagt circa 34% ten opzichte van het verbruik in 2011 en het potentieel dat duurzaam kan worden opgewekt in 2030 is circa 35% ten opzichte van het verbruik in 2030. Wanneer dit potentieel ten volle wordt benut (scenario Energieneutraal met compensatiemaatregelen), halveren de energiekosten tot 2030 ten opzichte van de huidige situatie (van 6,1 naar 2,8 miljard). Hier staan weliswaar investeringen in de energievoorziening tegenover van 1,4 miljard euro. Echter het resultaat is nog steeds 1,9 miljard euro die minder uitgegeven wordt aan de energievoorziening (t.o.v. huidige situatie). Het netto effect van actief energiebeleid, na correctie voor autonome ontwikkelingen, bedraagt 1,2 miljard euro tot 2030.

Om dit potentieel maximaal te kunnen benutten dienen alle partijen in de samenleving in actie te komen. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Alleen wanneer inwoners en bedrijven eigen drijfveren ontwikkelen, komen initiatieven van de grond. Daarvoor moet er in de samenleving ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van onderop. De overheid heeft daarin een rol als gelijkwaardige partner die samenwerkt en waar mogelijk faciliteert. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen.

Vanuit dit perspectief kiezen de gemeenten Beesel, Venlo en Venray voor een strategie gericht op:

  • Het zichtbaar maken van economische kansen waardoor deze ten volle benut kunnen worden;
  • Mobiliseren van de samenleving door partijen bij elkaar te brengen en netwerkvorming;
  • Faciliteren van de initiatieven van onderop.

Hierbij ligt het accent op 'grote klappers' maken, pareltjes vinden, synergie zoeken en betrouwbaarheid tonen.

Organisatorisch betekent dit dat vooral ingezet wordt op samenwerking binnen en buiten de gemeentelijke organisaties. De uitdaging is dat zoveel mogelijk partijen in beweging komen die, met vele kleine en wellicht enkele grote maatregelen, substantieel bijdragen aan de lokale energietransitie.

3.1.3.3 Afweging regionaal beleid

Met de realisering van het zonnepark wordt invulling gegeven aan het streven naar een transitie naar een duurzame energievoorziening.

3.1.4 Gemeentelijk beleid
3.1.4.1 Structuurvisie

De gemeenteraad heeft op 25 juni 2014 de nieuwe Ruimtelijke Structuurvisie vastgesteld. In deze structuurvisie wordt rekening gehouden met trends, ontwikkelingen en ingezette (gebieds-)ontwikkelingen met een formele status, voor zover dit op het schaalniveau van de structuurvisie van belang is.

Naast vijf hoofdlijnen (majeure opgaven), zijn drie basisprincipes geformuleerd. Dit zijn aandachtspunten die op elk ruimtelijk initiatief van toepassing zijn. De principes zijn eenvoudig en altijd en overal van toepassing. Ze gelden bovendien voor iedereen, dus ook voor de gemeente zelf.

Een van die basisprincipes is dat elk initiatief dat de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert, als kansrijker wordt beschouwd. Grondstoffen en fossiele brandstoffen worden schaars en duur. Overschakelen op nieuwe duurzame economische modellen is daarom essentieel. Cradle to Cradle is een innovatief economisch concept dat uitgaat van het continu opnieuw gebruiken van materialen, het gebruiken van schone energie, zuiveren van lucht, water en bodem. De gemeente heeft hierbij een voorbeeldfunctie, en daarmee de taak om onze burgers en bedrijfsleven te inspireren en te overtuigen van de sociale, economische en ecologische meerwaarde. De gemeente kiest ervoor om de uitgangspunten zelf praktisch toe te passen en ontwikkelt zelf een stimulerend instrumentarium.

Op de bij de structuurvisie behorende kaart 2 'Drukte in het ommeland' is het plangebied aangeduid als 'cultuurlandschap', waarbinnen ontwikkelingen bijdragen aan een goede balans tussen agrarische productie, natuur, water, recreatie en cultuurhistorie.

De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied beschermen en verbeteren. Verrommeling, verloedering en kwaliteitsverlies van het buitengebied wordt tegengegaan. Er worden geen nieuwe bebouwing of functies toegestaan in het buitengebied die het stedelijk gebied uithollen en de leefbaarheid in dorpen aantasten. Stedelijke functies horen daarom in stad en dorp en in het buitengebied wordt in hoofdzaak benut voor land- en tuinbouw, water, natuur, toerisme en recreatie. De gemeente wil geen medewerking verlenen aan initiatieven die objectief beschouwd niet passend zijn. Ook als er een vorm van financiële of fysieke compensatie tegenover staat, worden geen nieuwe stedelijke functies in het buitengebied toegestaan.

In de ruimtelijke structuurvisie Venlo is het gehele plangebied aangeduid als 'zoekgebied 2e verbinding tussen Venlo en Tegelen'. Binnen het plangebied kan die bestaan uit een verlegging van de Broekveldweg naar een nieuw tracé langs en evenwijdig aan het spoor.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0008.png"  
Afbeelding 7. Uitsnede uit kaart 'Robuuste Structuren' Ruimtelijke structuurvisie Venlo  

Afweging structuurvisie

Omdat de agarische bestemming gehandhaafd blijft en agrarisch grondgebruik (beweiding) mogelijk blijft past de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen voor het 'cultuurlandschap'. Er is weliswaar sprake van een stedelijke functie, maar er is géén sprake van uitholling van het stedelijk gebied en van aantasting van de leefbaarheid in het nabijgelegen woongebied. Wél is sprake van een initiatief dat het uitgangspunt van Cradle to Cradle omarmt, aangezien het is gericht op het gebruik van schone energie.

Met de mogelijk toekomstige realisering van een deel van de tweede verbinding tussen Venlo en Tegelen binnen het plangebied is rekening gehouden middels een wijzigingsbevoegdheid, die het mogelijk maakt voor burgemeester en wethouders om de Broekveldweg te verleggen naar een nieuw tracé langs en evenwijdig aan het spoor.

Het initiatief past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten in de gemeentelijke structuurvisie.

3.2 Cultuurhistorisch beleid

3.2.1 Erfgoedwet

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Vóór 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn de volgende wetten/regels samengegaan in één wet:

  • Monumentenwet 1988;
  • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten;
  • Wet tot behoud van cultuurbezit;
  • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied;
  • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen;
  • Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

In de Erfgoedwet is vastgelegd wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3.2.2 Modernisering Monumentenzorg

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in Werking getreden. Als gevolg van de MoMo is ook het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel be-schermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Door de modernisering van de monumentenzorg is onder andere de verankering van de zorg voor cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening een feit geworden. Op deze manier wordt een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed gewaarborgd bij de veelal snelle ontwikkelingen die zich voordoen bij de inrichting van de stad en het platteland. De verankering krijgt gestalte op een tweetal manieren. Enerzijds is het van belang om cultureel erfgoed volwaardig mee te nemen in de ruimtelijke afwegingsprocessen ten behoeve van het goed functioneren van de ruimte. De verplichting hiertoe is opgenomen in het hiervoor genoemde artikel 3.1.6, lid 2, van het Bro. Anderzijds is het van belang om waardevol erfgoed te benoemen. Op die manier maken overheden namelijk duidelijk welke waarden zij van publiek belang vinden.

3.2.2.1 Beleidsnota Cultuurhistorie Voortbouwen op Venlo's Verleden

Het cultuurhistorisch beleid in relatie tot ruimtelijke ontwikkeling is verwoord in de Beleidsnota Cultuurhistorie. Cultuurhistorie bestaat uit een drietal onderdelen: gebouwde monumenten, historisch landschap en archeologie. Hieronder worden voor de drie onderdelen de relevante beleidsdoelen uit de beleidsnota Cultuurhistorie aangegeven. Gezien de aard van het plangebied, wordt vervolgens verder ingegaan op het onderdeel 'archeologie'. De subdoelen voor de verschillende onderdelen van cultuurhistorie dienen uiteindelijk te leiden tot een betere inpassing van cultuurhistorische waarden in ruimtelijke planvorming.

  • a. Gebouwde monumenten: gebouwde monumenten vinden hun bescherming in de Monumentenwet 1988.
  • b. Historisch cultuurlandschap: doel voor dit segment is het meenemen van cultuurland-schappelijke waarden in gebiedgericht onderzoek en het onderzoek verwerken in een integrale cultuurhistorische waardenkaart.
  • c. Archeologie: in het kader van het Verdrag van Malta en de implementatie ervan in de Nieuwe wet op de archeologische monumentenzorg heeft de gemeente Venlo eigen archeologiebeleid ontwikkeld. Hiertoe zijn archeologische basiskaarten opgesteld, aangevuld met een archeologische advieskaart en een daaruit voortvloeiende archeologische beleidskaart. Deze beleidskaart geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente Venlo aan wat de archeologische verwachtingswaarde is en hoe in dit kader omgegaan dient te worden met nieuwe ontwikkelingen. Het gemeentelijk archeologiebeleid is een gebiedsgericht beleid. Niet in geheel Venlo geldt dezelfde archeologische verwachtingswaarde. Door middel van een selectiebeleid wordt een locationeel onderscheid gemaakt. Primair doel van het selectiebeleid is het streven naar optimaal behoud en beheer van een representatief deel van het archeologisch bodemarchief dat in potentie bijdraagt aan de kennis van het lokale, regionale en landelijke verleden. Daarbij wordt met name gericht op de archeologische ensembles en die gebieden waar ondergrondse en bovengrondse waarden te koppelen zijn. Een tweede doel is om de burger zo min mogelijk te belasten met administratieve, planningstechnische en financiële consequenties van de archeologie.

De Beleidsnota Cultuurhistorie 2007 - 2011 is bij raadsbesluit van 21 december 2011 geldend verklaard voor het gehele grondgebied van de gemeente Venlo (betreft dus een verlenging van het eerder genomen besluit).

Voor een verdere beschrijving van de archeologische en cultuurhistorische waarden en de toets van dit plan daaraan van het gebied wordt hier verwezen naar paragraaf 4.2.

 

3.3 Verkeersbeleid

3.3.1 Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan 2005-2015

Doel van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2005-2015 (GVVP) is het verbeteren van de leefbaarheid en bereikbaarheid van de gemeente Venlo. De nota is in directe samenhang met de 'Visie Venlo 2030 Kompas voor de Toekomst' en de 'Ruimtelijke Structuurvisie' ontwikkeld.

Omdat de realisering van het zonnepark nagenoeg géén verkeersaantrekkende werking heeft zijn de beleidsuitgangspunten in het GVVP niet van invloed op de beoogd eontwikikeling.

3.3.2 Parkeerbeleid
3.3.2.1 Parkeernormen

Bij nieuwbouw en bij herstructurering van bestaande functies dient de geldende parkeernorm 'op eigen erf' toegepast te worden. De gemeente sluit hiertoe aan bij de meest recente landelijke parkeernormen (de geldende CROW -publicatie).

Een zonnepark heeft op een enkele parkeerplaats na geen parkeerbehoefte. Parkeren van auto's is incidenteel slechts nodig bij uitvoering van onderhoudswerkzaamheden. In deze parkeerbehoefte wordt voorzien bij de inrichting van het terrein.

3.4 Waterbeleid

3.4.1 Inleiding

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

Voor de doorwerking van de waterbelangen in het plangebied wordt hier verwezen naar paragraaf 4.6.

3.4.2 Nationaal Waterplan

Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water-plan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

3.4.3 Waterwet en Beleidsregels grote rivieren

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet, waaronder de 'natte' delen van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr). Het op de Wbr gebaseerde Besluit Rijksrivieren is met de wetswijziging opgegaan in het Waterbesluit. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving.

Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen het deel van de Maas waarop het 'Waterstaatkundig beheer' van toepassing is. Ook is het plangebied niet gelegen binnen het (stroomvoerend deel van het) rivierbed van de Maas.

3.4.4 Duurzaam waterbeheer 21e eeuw

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw (WB21) is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Een ander belangrijk onderdeel van het WB21 is de omgang met hemelwater. De prognose is dat onder invloed van klimaatsveranderingen een gewijzigd neerslag patroon in Nederland ontstaat (meer neerslag in kortere tijd). WB21 anticipeert hierop met ruimte voor water zodat bij extreme neerslag gebeurtenissen geen wateroverlast ontstaat. Dit kan bereikt worden door water vast te houden waar het valt, hetgeen dus ruimte vraagt. Daarnaast heeft dit een gunstig effect op de rivierafvoer.

In de waterparagraaf in hoofdstuk 4 wordt nader aandacht besteed aan de uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer bij ruimtelijke initiatieven.

3.4.5 POL 2014

Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in POL2014 en is nader geconcretiseerd in het op 11 december 2015 vastgesteld Provinciaal Waterplan 2016-2021.

In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld:

  • Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen.
  • De Provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen.
  • De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma.
  • Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving.
  • Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.
afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0009.png"  
Afbeelding 8. Uitsnede kaart regionaal watersysteem POL 2014  

Aan de natuurbeken inclusief hun natuurzones (herinrichtings- en meanderzones) is de natuurfunctie toegekend en deze maken deel uit van het natuurnetwerk. Ze zijn mede vanwege de eisen van de Kaderrichtlijn Water grotendeels gelegen binnen de Goudgroene, Zilvergroene en Bronsgroene natuurzones.

De (grond)waterafhankelijke natuurgebieden, zoals vennen, hoogvenen, moerassen, bronnen en kwelgebieden vormen onderdeel van de Goudgroene en Zilvergroene natuur. Hiervoor geldt het beschermingsregime vanuit het natuurbeleid. Voor ondiepe grondwateronttrekkingen met mogelijke invloed op deze natuurgebieden is samen met de waterschappen een vergunningenkader ontwikkeld dat overgedragen wordt aan het waterschap.

In POL 2014 worden 48 natte natuurparels onderscheiden, die vanwege de aanwezige en potentiële natuurwaarden de hoogste prioriteit bij het hydrologisch herstel krijgen. Daarvan zijn er 21 tevens Natura2000-gebied, waarvoor specifieke doelstellingen gelden, die worden uitgewerkt in de beheerplannen Natura2000. Het hydrologisch herstel is erop gericht om een zo natuurlijk mogelijk grondwaterpeil te realiseren met een (grond)waterkwaliteit die voldoet aan de eisen die de natuur stelt. Daarvoor zijn er rond 42 natte natuurparels hydrologische bufferzones aangewezen, waarvoor regelgeving in de waterschapskeur is opgenomen ten aanzien van industriële grondwateronttrekkingen in de provinciale verordening en ten aanzien van beregening in de vorm van een 'stand-still'-beginsel.

Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens POL 2014 belangrijke uitgangspunten.

De Provincie stelt de ambitie en de normen voor de regionale watersystemen vast. Doel is om de wateroverlast en de watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering.

In de toekomst gaan in het regionale watersysteem vaker en langer droogteperiodes ontstaan, met gevolgen voor het ruimtegebruik, als daar niet tijdig op wordt ingespeeld door maatregelen te treffen. Daarbij worden zoveel mogelijk kansen benut om combinaties te maken met doelen op het gebied van economie, ecologie, waterkwaliteit, natuur, landschap en recreatie, teneinde een maximale maatschappelijke winst te behalen.

De huidige ecologische en fysisch-chemische toestand van onze (natuur)beken is over het algemeen matig tot ontoereikend, terwijl de opgave is om tot een goede toestand te komen (zie verder het Provinciaal Waterplan 2010-2015). De kwaliteit van ongeveer 30% van de natte natuurparels voldoet aan de gestelde eisen.

Schoon oppervlakte- en grondwater is van vitaal belang voor de drinkwatervoorziening, volksgezondheid, natuur, landbouw, recreatie, industrie en visserij en een belangrijke randvoorwaarde voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.

In het Bestuursakkoord Water zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van de doelmatigheid in de waterketen in de vormvan taakstellingen voor de partners. Daarbij zullen de sectoren inzetten op cultuurverandering, bundeling van kennis en capaciteit, professionalisering van operationele taken, innovatie, etc.

3.4.6 Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Op 11 december 2015 hebben provinciale staten van Limburg het provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 'Samen werken aan water' vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 2010-2015 en een uitwerking van het strategisch waterbeleid in POL2014, teneinde te voldoen aan de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water en aanvullende nationale kaders, waaronder het Nationaal Waterplan en het Deltaprogramma. Samen met het Nationale Waterplan 2016-2021 van het Rijk en het Waterbeheersplan Limburg 2016-2021 van de Limburgse waterschappen vormt het een onderdeel van het tweede Stroomgebiedbeheersplan Maas 2016-2021.

In het plan wordt ingegaan op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid:

  • Een veilige en aantrekkelijke Maasvallei.

Dit gaat over hoogwaterbescherming langs de Maas, nu en in de toekomst als gevolg van de klimaatverandering, mede in het licht van het Nationaal Deltaprogramma en in relatie tot behoud en ontwikkeling van de woon- en werkomgeving.

  • Een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem.

Hierin staat de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort in landelijk en stedelijk gebied centraal, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationaal Deltaprogramma.

  • Behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit.

Dit onderdeel handelt over de verbetering van het ecologische functioneren van onze beken en plassen (ecologische doelen van oppervlaktewateren, beek(dal)herstel) en natte natuurterreinen (herstel van verdroogde grondwaterafhankelijke natuur), als ook de verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater, deels vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en Natura 2000.

  • Duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer.

Centraal in dit hoofdstuk staat de bescherming van hoeveelheid en kwaliteit van onze grondwatervoorraden ten behoeve van diverse functies, met speciale aandacht voor het gebruik voor menselijke consumptie, waaronder de voorraden en bescherming daarvan voor de openbare drinkwatervoorziening, e.e.a. eveneens mede als opdracht vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.

3.4.7 Integraal Waterplan Venlo

Op 21 december 2005 is het 'Integraal Waterplan Venlo' vastgesteld. Het waterplan is een uitvloeisel van het Nationaal Bestuursakkoord Water, waarin bepaald is dat gemeenten in samenwerking met de waterschappen voor 2006 stedelijke waterplannen opstellen. Het Integraal Waterplan Venlo is een integrale benadering van stedenschoon, toeristisch-recreatieve aantrekkelijkheid, ecologische waarden, waterkwaliteit en het voorkomen en oplossen van wateroverlast. Voor alle beken, hun stroomgebieden en de stadswateren zijn streefbeelden opgesteld die de wenselijke situatie over 30 jaar weergegeven. Om vat te krijgen op het waterbeheer wordt een vijf sporenbenadering gevolgd:

  • lang vasthouden, langzaam afvoeren;
  • schoon maken, schoon houden;
  • zichtbaar en aantrekkelijk, functioneel;
  • hemelwater als duurzame bron;
  • proces en zorg.

Het Integraal Waterplan Venlo is bij raadsbesluit van 21 december 2011 geldend verklaard voor het gehele grondgebied van de gemeente Venlo (en betreft dus een verlenging van het eerder genomen besluit). In het Waterplan wordt echter niet ingegaan op het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied.

3.4.8 Gemeentelijk rioleringsplan + 'Droge voeten in een gezonde leefomgeving'

Op 19 december 2007 heeft de gemeenteraad ingestemd met het Gemeentelijk Rioleringsplan 'Droge voeten in een gezonde leefomgeving', voor de periode 2008-2017.

Het in december 2005 door de gemeenteraad beleidsmatig vastgestelde Integraal Waterplan Venlo (IWPV) geeft richting aan het duurzaam waterbeheer en anticipeert reeds zoveel mogelijk op ontwikkelingen in het (rijks-) waterbeleid. Het IWPV dient als een van de bouwstenen voor het Gemeentelijk rioleringsplan, GRP+.

In het GRP+ geeft de gemeente aan hoe ze invulling denkt te geven aan haar zorgplicht.

De doelen uit het GRP+ zijn:

  • 1. het inzamelen en transporteren van het afvalwater dat op gemeentelijk grondgebied vrijkomt. Dit levert een bijdrage aan de volksgezondheid en de bescherming van het milieu;
  • 2. het inzamelen en transporteren van overtollig hemelwater dat niet op oppervlaktewa-ter kan lozen of in de bodem kan infiltreren, volgens de trits vasthouden bergen af-voeren. (IWPV spoor 1: lang vasthouden, langzaam afvoeren);
  • 3. streven naar een duurzaam milieu. Dit betekent ook het beperken van vuilemissie (vanuit de riolering) naar oppervlaktewater en bodem en op een duurzame wijze met (hemel)water omgaan volgens de trits schoonhouden-scheiden-schoonmaken (on-derdeel spoor 2 IWPV);
  • 4. beperken van de (grond)wateroverlast;
  • 5. minimaliseren van de kans op calamiteiten en overlast (anders dan als gevolg van hevige neerslag);
  • 6. doelmatig beheer en onderhoud ten behoeve van functioneel gebruik van bestaande en nieuwe voorzieningen voor stedelijk water (IWPV spoor 3 zichtbaarheid, aantrek-kelijkheid en functie);
  • 7. bevorderen bewustwording duurzaam waterbeheer bij de gebruikers van het water-systeem (IWPV spoor 5 proces en zorg).

Operationele programma's geven een nadere uitwerking van de in het Gemeentelijk Rioleringsplan beschreven strategie. De uitwerking heeft tot doel concreet aan te geven welke voorzieningen zullen worden aangelegd, welke onderzoeken zullen worden uitgevoerd en welke maatregelen aan de bestaande voorzieningen zullen worden getroffen. Hiertoe wordt jaarlijks een operationeel programma opgesteld.

Omdat geen verharding wordt toegevoegd, er geen sprake is van afvalwater en het hemelwater ter plaatse kan blijven infiltreren, zijn de doelstellingen uit het GRP+ niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan.

3.4.9 Waterbeheerplan Waterschap Limburg


Waterbeheerplan waterschappen

De Algemene Besturen van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas hebben op 14 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 'Water in beweging' vastgesteld.

Dit plan is, vooruitlopend op de fusie van Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen.

Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe de waterschappen invulling willen geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe het watersysteem en waterkeringen op orde wordt gebracht en gehouden. Beschreven wordt voor welke thema's de waterschappen aan de lat staan, de strategie hiervoor, welke maatregelen worden uitgevoerd, wie partners daarin zijn en hoe dit wordt gemonitord om waar nodig bij te sturen. Ook staat hierin welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water.

In een intensief gebruikt land, zoals Limburg dat is, is verweving van waterfuncties onvermijdbaar. In het waterbeheer willen de waterschappen een goede balans vinden voor alle aanwezige belangen, bijvoorbeeld voor de combinatie van landbouw en natuur bij natuurbeken. Er worden, aanvullend aan de provinciale functietoekenning, functies toegekende aan beken, vennen en plassen en vastgelegd wordt wat dit betekent voor het gebruik van het water en aanliggende gronden. Op basis van die functies wordt het waterbeheer verder ingericht. Bij de inrichting van wateren is het voorkomen van wateroverlast ('droge voeten') leidend.

Het waterschap deelt de verantwoordelijkheid voor functietoekenning en taakafbakening met de Provincie Limburg en gemeenten. De provincie is medeverantwoordelijk voor de functietoekenning. Provincie en gemeenten zijn medeverantwoordelijk voor de taakafbakening.

Gezien de beperkte bouwmogelijkheden van onderhavig nieuw bestemmingsplan worden wat betreft het waterschapsbeleid geen belemmeringen verwacht.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden / Onderzoek

Bij de actualisering van een bestemmingsplan en de daaruit mogelijk voortvloeiende ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op het plangebied. Daarnaast kan ook het plangebied invloed uitoefenen op in de omgeving aanwezige waarden. Daarom zijn voor het plangebied onder andere de milieuaspecten bodem, geluid en externe veiligheid onderzocht op eventuele negatieve effecten. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de bestemmingsplanactualisatie voor onder meer de aspecten archeologie en monumenten, leidingen en infra-structuur, waterhuishouding, flora en fauna en natuur en landschap.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van (incidentele) bouwlocaties, aangegeven te worden of de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen.

Bij de daadwerkelijke invulling van nieuwe bouwmogelijkheden dient de kwaliteit van de bodem derhalve door middel van een bodemonderzoek, opgesteld volgens de daarvoor geldende normen, te worden onderzocht.

Conclusie:

Omdat geen sprake is van een milieugevoelige bestemming, de agrarische bestemming gehandhaafd blijft en er nauwelijks sprake is van bodemverstoringen, is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit ter plaatse vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.1.2 Geluid
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Een zonnepark is geen geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk.

4.1.2.2 Industrielawaai

Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Bovendien is geen sprake van de realisering van geluidgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek in dit kader is derhalve verder niet aan de orde.

4.1.3 Luchtkwaliteit
4.1.3.1 Algemeen

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden be-stuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. een plan leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
4.1.3.2 Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.

Toetsing

Uit de tabel blijkt dat een project pas een negatief effect op de luchtkwaliteit heeft, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt.

Het aantal verkeersbewegingen voor het zonnepark is nagenoeg nihil. Uitsluitend voor onderhoudswerkzaamheden zijn verkeersbewegingen te verwachten. Dit aantal ligt daarmee beduidend lager dan het aantal verkeersbewegingen bij 1.500 woningen en dus ruim onder de 3 % grens voor PM10 of NO2. Het project draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. De toevoeging van het zonnepark aan de agrarische gronden zorgt dan ook niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van een nieuwe functie. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op de Atlas voor de Leefomgeving bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse in 2014 circa 14,6 µg/m³ en de concentratie PM10 circa 22 µg/m³. De concentratie NO2 ter plaatse bedraagt in 2014 circa 22,8 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 en PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate. Er is geen nader onderzoek nodig.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie voldoende en bovendien is geen sprake van realisering van voorzieningen die gevoelig zijn voor de luchtkwaliteit.

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.1.4 Externe veiligheid
4.1.4.1 Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) en het 'Besluit transportroutes externe veiligheid' (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

4.1.4.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

4.1.4.3 Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

4.1.4.4 (Beperkt) kwetsbare objecten

Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

4.1.4.5 Conclusie externe veiligheid

Een zonnepark is geen (beperkt) kwetsbaar object en is ook geen risicovolle inrichting als bedoeld in het Bevi. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.1.5 Milieuzonering
4.1.5.1 Achtergrond

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.

Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld (brochure 'Bedrijven en milieuzonering'). Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is (wordt) ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

4.1.5.2 Toetsing

Er dient bekeken te worden of er in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een invloed kunnen hebben op de nieuwe functie. Tevens dient bekeken te worden of de nieuwe functie zelf geen consequenties heeft voor omliggende woningen en / of bedrijven.

Effecten van omgeving

Er is geen sprake van een milieugevoelige functie. De eventuele aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied vormt derhalve geen belemmering voor realisering van het onderhavige bestemmingsplan.

Effecten op omgeving

Een zonnepark vormt volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' geen milieubelastende functie. Wel zal op het terrein een transformatorstation worden gerealiseerd met een vermogen van 4,5 megawatt/MVA. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter.

Het glazen oppervlak van de panelen kan zorgen voor reflectie en daarmee voor hinder voor omwonenden, voor gebruikers van de openbare ruimte of voor weggebruikers. Deze hinder is afhankelijk van de locatie en de stand van de zon. De hinder werkt net als bij een spiegel, waarbij de hoek van de invallende straal de hoek van de uitvallende lichtstraal bepaalt. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder: als de panelen vrij vlak staan opgesteld, gaat de reflectie veelal omhoog. De meest rendabele hellingshoek is in Nederland 35 graden. Het oplichten van zonnepanelen kan worden tegengegaan door gebruik te maken van een coating.

4.1.5.3 Conclusie milieuzonering

Omdat de zonnepanelen worden uitgevoerd in matglas is er geen sprake van reflectie. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan, mits het te realiseren transformatorstation op minimaal 30 meter afstand van nabijgelegen milieugevoelige functies wordt gerealiseerd.

4.1.6 Milieueffectrapportage

Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient dus bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit milieueffectrapportage, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

4.1.6.1 Toets m.e.r.-plicht

In het plangebied wordt aan het bestaande agrarisch grondgebruik toegevoegd dat de gronden tevens kunnen worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Geen van de categorieën in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is hierop van toepassing. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

4.1.6.2 Toets m.e.r.-beoordelingsplicht

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Een zonnepark wordt niet genoemd in onderdeel D. Dit betekent dat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

4.1.6.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009). De omvang van een project mag niet (meer) het enige criterium zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Omdat de realisering van een zonnepark niet voorkomt in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie

Volgens de gemeentelijke Archeologische Basiskaart ligt het plangebied in gebied met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat archeologisch onderzoek nodig is indien er sprake is van bodemverstoringen met een oppervlakte >5.000 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0010.png"  
Afbeelding 9. Uitsnede Archeologische Basiskaart gemeente Venlo  

De oppervlakte van het plangebied bedraagt meer dan de genoemde ondergrens van 5.000 m². De oppervlakte van de bodemverstoring is echter aanzienlijk kleiner, aangezien de zonnepanelen worden geplaatst op palen die in de bodem worden geboord (zie afbeelding 15).

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0011.png"  
Afbeelding 10. Wijze van verankering zonnepanelen in de bodem  

Conclusie:

Door de wijze van funderen/verankeren van de zonnepanelen in de bodem, is geen sprake van een bodemverstoring met een oppervlakte van meer dan 5.000 m². Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.2.2 Cultuurhistorie

Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen, behoudens de Broekveldweg, die is aangeduid als een weg uit de periode 1806 - 1890.

Het ontginningslandschap aan de Broekveldweg is wel een cultuurhistorisch waardevol element. Dit deel van het plangebied heeft weliswaar in het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein' geen dubbelbestemming 'waarde cultuurhistorie' gekregen, maar wel een hogere bescherming middels de bestemming 'agrarisch met waarden'. Het ontginningslandschap kenmerkt zich door een patroon uit de 19e eeuw met rechte wegen (Broekveldweg) en haaks daarop liggende verkavelingssloten tussen kleinschalige percelen in een open en nat landschap.

Afweging.

Op dit moment zijn er geen concrete plannen om het tracé van de Broekveldweg te veranderen. De cultuurhistorische waarde van het ontginningslandschap wordt eveneens niet aangetast door de beoogde ontwikkeling, aangezien de agrarische bestemming gehandhaafd blijft en agrarisch grondgebruik in de vorm van beweiding mogelijk blijft. De haaks op de Broekveldweg gelegen kavelsloten zullen zoveel mogelijk gehandhaafd blijven.

4.3 Leidingen en infrastructuur

In het plangebied zelf zijn geen leidingen gelegen.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Verkeer

Het plangebied is bereikbaar vanaf de Bernhardstraat. De ontwikkeling tot een zonnepark brengt nauwelijks een verkeersaantrekkende werking met zich mee. De weinige verkeersbewegingen naar het zonnepark die wel plaatsvinden zullen worden veroorzaakt door de aanleg en het onderhoud van het zonnepark.

Om een betere verbinding te kunnen realiseren tussen Venlo en Tegelen bestaan er plannen voor het doortrekken van de Guliksebaan. Tevens zijn er plannen voor een verdubbeling van de spoorlijn (Maaslijn). De Guliksebaan dient als secundaire verbinding tussen Venlo en Tegelen en moet zorgen voor het ontlasten van de hoofdverbinding via de Venloseweg/Tegelseweg. Inmiddels is hiervoor een voorkeursvariant gekozen waarin de doorgetrokken weg afbuigt naar de Bernhardstraat en vervolgens aansluit op de Provinciale weg. De verdubbeling van de Maaslijn is nodig om de toename van het teinverkeer te kunnen faciliteren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0012.png"  
Afbeelding 11. Voorkeursvariant westelijk tracégedeelte doortrekking Guliksebaan  

Om de doortrekking van de Gulksebaan binnen het onderhavige plangebied t.z.t. te kunnen realiseren is binnen dit bestemmingsplan (artikel/lid 11.3) een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch met waarden' te wijzigen in de bestemming 'Verkeer'. Tevens is de aanduiding 'Vrijwaringszone - weg-2' (artikel/lid 9.3) opgenomen. Hier mag niet worden gebouwd, behoudens het bouwen van bouwwerken overeenkomstig de aanduiding 'Overige zone - zonnepark'.

4.4.2 Parkeren

In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2007 - 2010, deelnota Bereikbaarheid en Parkeren, is aangegeven dat er geen specifieke normen voor de gemeente Venlo worden ontwikkeld. Verwezen wordt naar de landelijke norm zoals die was opgenomen in de publicatie 182 van het CROW. In de genoemde deelnota is een tabel opgenomen met parkeernormen nieuwe situaties voor de meest voorkomende functies. Een zonnepark is daarbij niet genoemd.

Behalve een enkele parkeerplaats op eigen terrein ten behoeve van onderhoud, zijn er echter geen parkeerplaatsen nodig voor het zonnepark. Het is derhalve niet noodzakelijk een parkeernorm op te nemen in de regels van dit bestemmingsplan.

4.5 Natuur

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

4.5.1 Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Nature 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningsplichtig.

4.5.2 Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid

De provinciale groenstructuur bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones) zijn ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

4.5.3 Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming

Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming (Wnb-andere soorten), de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels vanwege de Vogelrichtlijn(Wnb-hrl).

Op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten ('categorie 1-4 soorten') zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Tenslotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen ('categorie 5-soorten'). Het is momenteel nog niet geheel duidelijk hoe de Wet Natuurbescherming omgaat met deze indeling. Vooralsnog moet ervan uitgegaan worden, dat deze indeling gehandhaafd blijft.

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen.

4.5.4 Natuuronderzoek

Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek1 is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden.

4.5.4.1 Toets gebiedsbescherming

Wettelijke gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied in Nederland, het Natura 2000-gebied Maasduinen, ligt op 10,2 kilometer afstand. Op enkele kilometers afstand ten oosten van het plangebied is het Duitse Natura 2000-gebied Vogelschützgebied 'Schwalm-Nette Platte mit Grenzwald und Meinweg' gelegen. Gezien de aard van de ontwikkeling zijn significante effecten op voorhand uitgesloten. In de planvorming hoeft derhalve verder geen rekening gehouden te worden met de Natuurbeschermingswet, of de nieuwe Wet Natuurbescherming.

Planologische gebiedsbescherming

Het plangebied ligt geheel buiten de Goudgroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone zoals ruimtelijk vastgelegd in het POL 2014. Gezien de ligging buiten de begrensde planologische gebiedsbescherming, en de te verwaarlozen invloed, zijn negatieve effecten op planologisch beschermde gebieden uitgesloten. In de planvorming hoeft om die reden verder geen rekening gehouden te worden met planologische beschermde gebieden.

4.5.4.2 Toets soortenbescherming

In het hiervoor genoemde natuuronderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Diverse algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren zoals huisspitsmuis, veldmuis etc. en zwervende exemplaren van algemene amfibiesoorten kunnen van het plangebied gebruik maken. Voor de genoemde soorten (Wnb-andere soorten, provinciale vrijstelling), geldt een algemene vrijstelling van de Wet Natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt echter wel de algemene zorgplicht.

Binnen het plangebied zijn enkele broedende vogels te verwachten in de aanwezige bomen en overige begroeiing. Door werkzaamheden buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Door voor aanvang van werkzaamheden te inspecteren op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen, wordt de kans op negatieve effecten voor vogels sterk verminderd.

Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) te verwachten. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met inachtneming van de zorgplicht.

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën en ongewervelden zijn er geen specifieke maatregelen nodig.

Conclusie:

Indien voldoende rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht vormt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.6 Waterparagraaf

4.6.1 Inleiding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

4.6.2 Beleidskader

In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemeen besturen van waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei en op 22 december 2015 in werking getreden. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie per 1 januari 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

4.6.3 Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater en hemelwater.

4.6.3.1 Grondwater

Het besluitgebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Het plangebied is wel gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. In dit milieubeschermingsgebied is het volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 verboden om beneden 5 meter boven NAP:

  • a. een boorput te hebben;
  • b. de grond te roeren;
  • c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben;
  • d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.

Het plangebied is gelegen op 14-16 meter boven NAP. Dit betekent dat door de wijze van fundering van de zonnepanelen geen grond wordt geroerd beneden 5 meter boven NAP.

4.6.3.2 Oppervlaktewater

Binnen en ten noorden van het plangebied is blijkens de Legger Noord-Limburg van het Waterschap Limburg de secundaire watergang 'Parallelsloot A' gelegen. Ten zuiden en oosten van het plangebied is de primaire watergang 'Hulsfort' gelegen. De beoogde planontwikkeling is niet van invloed op de ligging van en de waterkwaliteit en -kwantiteit in deze watergangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0013.png"  
Afbeelding 11. Uitsnede uit Legger Noord-Limburg Waterschap Limburg  
4.6.3.3 Hemelwater

Hemelwater wordt -net als in de bestaande situatie- ter plaatse in de bodem geïnfiltreerd. Er is geen sprake van een toename van verharding. Onder de zonnepanelen wordt geen verharding aangebracht, waardoor er geen sprake is van een vermindering van infiltratiemogelijkheden.

4.6.4 Overleg waterbeheerder

Aangezien er geen sprake is van verharding bij de voorgenomen ontwikkeling is overleg met het waterschap formeel niet nodig. Het plan is echter toch voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het waterschap heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de beoogde ontwikkeling, mits:

  • a. het hemelwater bij een bui van t=10 dat op het perceel valt ook op het perceel infiltreert en niet via sloten wordt afgevoerd;
  • b. een bui van t=100 niet voor overlast zorgt voor derden;
  • c. de primaire sloot langs de A73 met de bijbehorende onderhoudspaden bereikbaar blijven;
  • d. de secundaire sloot die in het plangebied ligt via de openbare weg bereikbaar blijft.
4.6.5 Conclusie

Bij de ontwikkeling van onderhavig initiatief bestaan er naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Er zijn daarom geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding.

4.7 Landschappelijke inpassing

In het principebesluit van burgemeester en wethouders tot verlening van medewerking aan het onderhavige initiatief (zie par. 5.2) is aangegeven dat de gemeente medewerking verleent indien het gehele projectgebied optimaal wordt ingericht tot een grootschalig zonnecellenpark op basis van een goede ruimtelijke inpassing. Het gebied krijgt dan in zijn geheel een nieuwe functie als energielandschap, waarmee een substantiële bijdrage kan worden geleverd aan de gemeentelijke energieopgave.

Voorwaarde hierbij is wel dat een ruimtelijke inpassing plaatsvindt waarbij rekening wordt gehouden met de landschappelijke en ecologische waarden en de strategische reserveringen voor de toekomstige infrastructuur.

Binnen de beoogde tracéreservering voor een door de gemeente in de toekomst wenselijk geachte verlegging van de Broekveldweg en/of doortrekking van de Guliksebaan langs de spoorlijn kan overigens eventueel wel tijdelijk een gebruik als zonnepanelenveld worden toegestaan.

Het plan voor een dergelijk grootschalig energiepark in het buitengebied verdient een specifieke uitwerking. Het aanwezige grasland dient als agrarische functie te worden behouden, waarbij de kans voor het verhogen van de biodiversiteit wordt benut. Ook de ecologische potentie in de kwelzone aan de oostzijde van het gebied kan worden versterkt.

Ter voldoening aan het vorenstaande is door BRO een landschapsinpassingsplan opgesteld2. De inpassing en vormgeving van het perceel aan de Bernhardstraat richt zich op de overgang van het zonnepark naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders en kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. Concreet zijn de volgende inrichtingsmaatregelen voorgesteld:

  • a. Behoud en beheer graslanden
  • b. Kruidenrijke bermen Broekveldweg
  • c. Aanleg grondwallen
  • d. Zorgvuldige situering technische voorzieningen
  • e. Aanleg rietkragen
  • f. Aanleg landelijk hekwerk

De voorgestelde maatregelen worden geïllustreerd in afbeelding 12. Het landschapsinpassingsplan en de daarbij behorende tekening zijn tevens als separate bijlage 2 en 3 bij deze toelichting gevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0014.png"  
Afbeelding 12. Tekening landschappelijke inpassing  

De realisering van de landschappelijke inpassing is verzekerd middels een voorwaardelijke gebruiksregel binnen de gebiedsaanduiding 'Overige zone - zonnepark' (artikel/lid 9.1.3), waarin gebruik voor opwekken van energie middels zonnepanelen als strijdig gebruik is aangemerkt, zolang de gronden niet binnen zes maanden zijn ingericht/ingepast conform het landschapsinrichtingsplan, dat om die reden tevens als bijlagen bij de regels is gevoegd.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Doelstellingen en uitgangspunten

Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt een actuele regeling opgesteld voor het plangebied, die enerzijds mogelijk maakt dat het bestaande agrarisch grondgebruik kan worden gecontinueerd en die anderzijds ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor realisering van een zonnepark.

Voor het bestemmingslan zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. De geldende infrastructuur (wegen en waterlopen inclusief beschermingszone) wordt overeenkomstig de feitelijke situatie bestemd middels de bestemming 'Verkeer' en 'Water' en de daarbij behorende beschermings-/vrijwaringszones;
  • 2. Agrarisch grondgebruik volgens de bestemming 'Agrarisch met waarden' dient ook in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk te blijven;
  • 3. In het plan is een reserveringsstrook van 50 meter aangehouden ten behoeve van de toekomstige wijziging van de wegenstructuur (verleggen Broekveldweg / aanleg Guliksebaan. Tevens is in de algemene wijzigingsregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten behoeve van een wijziging van het tracé van de Broekveldweg.

Hoewel de agrarische gebruiksmogelijkheden als gevolg van de plaatsing van de zonnepanelen beperkt zijn, blijft de agrarische bestemming wel gehandhaafd. Het zonnepark is namelijk een tijdelijke voorziening, enerzijds vanwege slijtage, waardoor het rendement na verloop van jaren (momenteel wordt uitgegaan van een periode van ca. 15 jaar) afneemt, anderzijds omdat de subsidie in tijd beperkt is (10 jaar). Nadat de voorziening technisch is afgeschreven en/of nadat de subsidie is vervallen, ligt handhaving van de voorzieningen niet voor de hand en kunnen deze worden verwijderd. De onderliggende gronden kunnen dan weer volledig worden gebruikt voor agrarisch grondgebruik.

5.2 Principebesluit burgemeester en wethouders

Aanvankelijk bestond het voornemen om het bestaande tankstation aan de Kaldenkerkerweg in Tegelen te verplaatsen naar het plangebied en om de resterende grond te gebruiken voor het plaatsen van zonnepanelen. Medio 2016 is aan burgemeester en wethouders verzocht om hieraan in principe medewerking te verlenen.

Bij brief van 8 november 2016 hebben burgemeester en wethouders medegedeeld dat géén medewerking meer wordt verleend aan de verplaatsing van het tankstation. Voor wat betreft het zonnepark wordt in het principebesluit aangegeven dat terughoudendheid is geboden ten aanzien van de plaatsing van zonnepanelen op agrarische gronden. In het stedelijk gebied is namelijk nog veel ruimte op daken van met name grote bedrijven waar deze panelen zeer goed geplaatst kunnen worden.

Echter, indien de initiatiefnemer in staat is om het gehele projectgebied optimaal in te richten tot een grootschalig zonnecellenpark op basis van een goede ruimtelijke inpassing, dan zal er van deze terughoudendheid geen meer sprake zijn.

Het gebied krijgt dan in zijn geheel een nieuwe functie als energielandschap, waarmee een substantiële bijdrage kan worden geleverd aan de gemeentelijke energieopgave.

Voorwaarde hierbij is wel dat een ruimtelijke inpassing plaatsvindt waarbij rekening wordt gehouden met de landschappelijke en ecologische waarden en de strategische reserveringen voor de toekomstige infrastructuur. Binnen de beoogde tracéreservering langs de spoorlijn kan overigens eventueel wel tijdelijk een gebruik als zonnepanelenveld worden toegestaan.

Het plan voor een dergelijk grootschalig energiepark in het buitengebied verdient een specifieke uitwerking. Het aanwezige grasland dient als agrarische functie te worden behouden, waarbij de kans voor het verhogen van de biodiversiteit wordt benut. Ook de ecologische potentie in de kwelzone aan de oostzijde van het gebied kan worden versterkt.

Gestreefd dient te worden naar een voor alle partijen zo optimaal mogelijke (her)inrichting van het gebied. Aan de wens in het principeverzoek van 20 juni 2016 voor een zo maximaal mogelijke benutting van het gehele projectgebied voor zonnecollectoren kan derhalve in beginsel – onder voorwaarden - tegemoet worden gekomen.

5.3 Beschrijving plan

Het initiatief bestaat uit het realiseren van een zonnepark binnen het plangebied met een te leveren vermogen van 4,5 megawatt, waarbij gestreefd wordt naar een zo optimaal mogelijke benutting van de beschikbare gronden. Afbeelding 13 bevat referentiebeelden die een indicatie van de beoogde terreininrichting en -inpassing. Deze is nader uitgewerkt in afbeelding 14.

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0015.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0016.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0017.png"  
Afbeelding 13. Referentiebeelden terreininrichting  

afbeelding "i_NL.IMRO.0983.BP201704BERNHARD-VA01_0018.png"  
Afbeelding 14. Inrichtings- en inpassingstekening (zie ook bijlage 3)  

Bij de inrichting van het terrein is rekening gehouden met de eisen van de zijde van de brandweer ten aanzien van brandveiligheid:

  • a. de systemen en stations worden aan de wegzijde geplaatst zodat ze in geval van een calamiteit bereikbaar zijn voor de brandweer;
  • b. de systemen en stations zijn voorzien van noodschakelaars om de stroomtoevoer vanuit het zonnepaneelveld af te schakelen;
  • c. de ondergrond wordt binnen minimaal 1,5 meter van een systeem of station vrijgehouden van bergoeiing;
  • d. de behuizing van de systemen en stations wordt brandwerend uitgevoerd van binnen naar buiten;
  • e. tussen de houtwal langs de perceelsgrens en het zonnepanelenveld is een strook van minimaal 1 meter vrijgehouden van begroeiing;
  • f. in het grasland is een compartimentering toegepast met 'vakken' van 2.500 m², te creëren door stroken van minimaal 1,5 meter vrij te houden van begroeiing;
  • g. er wordt ene bluswatervoorziening gerealiseerd met een capaciteit van minimaal 60 m³/uur ter hoogte van de inkoopstations.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Planstukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit onderhavige toelichting, regels en een verbeelding. De in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerde nadere onderzoeken maken als onderbouwing onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels bevatten de juridische instrumenten voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

6.2 Toelichting op de analoge verbeelding

De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond (schaal 1:1000). De bestemmingen 'Agrarisch met waarden', 'Verkeer' en 'Water' zijn weergegeven, alsmede (daar waar van toepassing) functieaanduidingen, bouwaanduidingen en gebiedsaanduidingen.

6.3 Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein' de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).

De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkings- en wijzigingsregels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven.

6.3.1 Inleidende regels
6.3.1.1 Begrippen

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP2012.

6.3.1.2 Wijze van meten

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden.

6.3.2 Bestemmingsregels

Ter verkrijging van een logische opbouw is overeenkomstig het bepaalde in de SVBP 2012 de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden:

  • 1. Bestemmingsomschrijving
  • 2. Bouwregels
  • 3. Nadere eisen
  • 4. Afwijken van de bouwregels
  • 5. Specifieke gebruiksregels
  • 6. Afwijken van de gebruiksregels
  • 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hierna zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij is, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden.

6.3.2.1 Bestemming 'Agrarisch met waarden'

Deze bestemming (artikel 3) is opgenomen voor de gronden die volgens het geldende bestemmingsplan oomk reeds als zodanig zijn bestemd. De met deze bestemming zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch gebruik;
  • b. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
  • c. instandhouding van het oppervlaktewater;
  • d. extensief recreatief medegebruik;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;
6.3.2.2 Bestemming 'Verkeer'

Deze bestemming (artikel 4) is opgenomen voor het bestaande tracé van de Broekveldweg.

6.3.2.3 Bestemming 'Water'

De bestemming 'Water' (artikel 5) is opgenomen voor de bestaande watergangen binnen het plangebied.

6.3.2.4 Dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'

Deze dubbelbestemming (artikel 6) is opgenomen ter bescherming van de tot 'Water' bestemde watergangen in en buiten het plangebied.

6.3.3 Algemene regels

In artikel 7, de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In artikel 8 zijn de Algemene bouwregels opgenomen. Hierin is onder andere een regeling opgenomen ten aanzien van het ondergronds bouwen en regels over bestaande afstanden en andere maten .

In artikel 9, de Algemene aanduidingsregels, zijn regels opgenomen ten behoeve van de vrijwaringszone langs de A73. Tevens is de aanduiding 'Overige zone - zonnepark' opgenomen. Binnen deze regels wordt de realisering van het zonnepark mogelijk gemaakt en wordt bepaald welke bouw- en gebruiksmogelijkheden er zijn ten behoeve van deze functie.

In de artikelen 10 en 11 van de algemene regels zijn de Algemene afwijkingsregels en de Algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de Algemene wijzigingsregels is onder andere geregeld dat de bestemming 'Agrarisch met waarden' kan worden gewijzigd in de bestemmingen 'Verkeer' ten behoeve van een wijziging van het tracé van de Broekveldweg, c.q. doortrekking van de Guliksebaan.

6.3.4 Overgangs- en slotbepalingen

In de bepaling Overgangsrecht (artikel 13) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel (artikel 14) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

6.4 Handhaving

Politiek en samenleving onderkennen steeds nadrukkelijker de cruciale rol van handhaving bij het met elkaar verbinden van werkelijkheid en regels. Met dit groeiend besef van het belang van handhaving en de jurisprudentie in het bestuursrecht waarin steeds meer de beginselplicht tot handhaven is uitgesproken, wordt de noodzaak van een handhavingsbeleid benadrukt. De beleidsmatige grondslag voor de handhavingstaak van de gemeente Venlo is neergelegd in de nota Programmatisch Integraal Handhaven, door de raad vastgesteld op april 2005. In deze nota is de visie van de gemeente Venlo op handhaving vastgesteld.

In het laatstelijk in 2002 gehouden onderzoek van de toenmalige Inspectie VROM naar de uitvoering van de ruimtelijke regelgeving is onder meer aandacht gevraagd voor handhaafbare bestemmingsplannen.

Een eerste vereiste voor een goede handhaving is een handhaafbaar bestemmingsplan. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor bestemmingsplannen in de gemeente Venlo is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels dienen zo geredigeerd te zijn, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Ook dienen alleen regels te worden opgesteld, die de gemeente wil handhaven.

Teneinde hieraan te voldoen, wordt er bij het opstellen van nieuwe bestemmingplannen voor gekozen om de regels zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij landelijk ontwikkelde standaardwerken. Dezelfde uitgangspunten zijn van toepassing op de verbeelding.

Verder zijn de regels aangepast aan de laatste stand van de jurisprudentie en wetgeving. Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.

In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van de gemeente Venlo toegespitst op het plangebied vastgelegd. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit.

Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.

In de uitgangspunten van de Programmatisch Integraal Handhaven is bepaald, dat handhaving elke handeling van de gemeente betreft, die erop gericht is de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Handhaving omvat toezicht, controle en sanctionering en is altijd gericht op de naleving van wettelijke regels.

Overtredingen die in het kader van het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen worden geconstateerd, worden conform de bestaande handhavingprotocollen behandeld.

De handhavingprocedures zijn in deze protocollen gestandaardiseerd en geüniformeerd. Door de handhaving standaard in de bestemmingsplancyclus op te nemen, zal de ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied van de gemeente Venlo beter worden gewaarborgd voor de toekomst.


Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid


7.1 Financieel-economische uitvoerbaarheid

7.1.1 Financieel - economische haalbaarheid bestemmingsplan

Op grond van artikel 6.12, lid 1 in samenhang met artikel 6.12, lid 4 van de Wro is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 6.2.1) staan deze aangewezen categorieën van bouwplannen opgesomd.

Dit bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat niet valt onder een bouwplan genoemd in artikel 6.2.1 Bro. De Wro-grondexploitatieregels zijn daarom niet van toepassing. Er bestaat derhalve geen plicht tot vaststelling van een exploitatieplan. Het bouwplan noopt voor het overige niet tot het stellen van locatie-eisen of verhalen van kosten.

De gemeente blijft eigenaar van een deel van de grond binnen het plangebied en verleent voor haar eigendom een tijdelijk recht van opstal voor het bouwplan.

7.1.2 Planschade

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat realisering van het zonnepark voor omwonenden leidt tot planologisch nadeel welke leidt tot planschade als bedoeld in artikel 6.1 Wro. Nu er geen exploitatieplan behoeft te worden vastgesteld en een anterieure overeenkomst eveneens niet noodzakelijk is, zal tussen gemeente en initiatiefnemer een overeenkomst worden gesloten als bedoeld in artikel 6.4a Wro, waarin wordt overeengekomen dat de eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer.

Planschade als gevolg van realisering van het zonnepark is naar verwachting nihil of zeer beperkt. Er is geen sprake van beperking van uitzicht voor omwonenden die niet ook al mogelijk was volgens het geldende bestemmingsplan. Ook aantasting van privacy is niet aan de orde, net zo min als waardedaling als gevolg van overlast van de nieuwe ontwikkeling. Áls al aangetoond wordt dat deze of andere aspecten leiden tot waardevermindering van woningen zal deze waardevermindering naar verwachting lager zijn dan 2% van de waarde van die woningen, waardoor eventuele schade binnen het normale maatschappelijke risico valt.

7.1.3 Financieel - economische haalbaarheid plannen voor initiatiefnemer

Uit onderzoek is gebleken dat de beoogde ontwikkeling financieel uitvoerbaar is voor de initiatiefnemer.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de wettelijke procedure voor het ontwerp bestemmingsplan kunnen belanghebbenden hun zienswijze op de ontwikkeling kenbaar maken.
 

Hoofdstuk 8 Procedure

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en met die diensten van Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of zijn belast met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

In het kader van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan heeft de provincie Limburg in een ambtshalve reactie verzocht om een tekstuele aanpassing van de toelichting, omdat in het ontwerp nog was aangegeven dat de N271 ter hoogte van het plangebied een provinciale weg is. Aangezien dit niet meer het geval is, is de toelichting op dit punt gecorrigeerd.

8.2 Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. De gemeente Venlo volgt voor dit bestemmingsplan geen inspraakprocedure.

8.3 Wettelijke procedure bestemmingsplan

8.3.1 Beschrijving procedure

De wettelijke procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan start met het moment van ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit:

  • a. Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;
  • b. Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • c. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • d. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken na afloop van de ter inzage legging van het ontwerpplan. Dat is geen fatale termijn, maar een termijn van orde;
  • e. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gede-puteerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmings-plan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling;
  • f. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • g. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.3.2 Zienswijzen ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 14 december 2017 tot en met 24 januari 2018. Tijdens deze termijn zijn drie zienswijzen ontvangen. Een weergave van de ingekomen zienswijzen, alsmede de gemeentelijke standpuntbepaling daaromtrent, is opgenomen in de Nota van zienswijzen, die als bijlage 4 bij deze regels is gevoegd.