direct naar inhoud van Regels
Plan: Herziening Erfgoed Stein
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0971.HerzBPerfgoed-0003

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan 'Herziening Erfgoed Stein' met identificatienummer NL.IMRO.0971.HerzBPerfgoed-0003 van de gemeente Stein.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen.

1.4 archeologisch onderzoek

onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

1.5 archeologisch rapport

rapportage van een archeologisch onderzoek, uitgevoerd en opgesteld volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

1.6 archeologische verwachtingswaarde

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het vóórkomen van archeologische relicten.

1.7 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

1.8 cultuurhistorie

de beschavingsgeschiedenis: de overblijfselen van de geschiedenis van de door de mens gemaakte en beïnvloede leefomgeving. Het betreft het onroerende deel van het cultureel erfgoed, waarin archeologie (bodemarchief), historische geografie (cultuurlandschap), historische stedenbouw, historische groen, architectuur- en bouwhistorie (gebouwen en complexen) worden betrokken.

1.9 cultuurhistorische waarde

de aan een object of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur, waaronder historische gebouwen, waardevolle gebouwde elementen, waardevolle gezichten, historische groen- of landschapselementen en historische infrastructuur.

1.10 historisch gebouw

gebouw of onderdeel van een gebouw dat kenmerkend is voor het cultuurhistorische beeld en van cultuurhistorische waarde is vanwege de historische verschijningsvorm, de historische ruimtelijke samenhang en/of historische betekenis, zoals die is aangewezen op de verbeelding en wordt beschermd via deze regels.

1.11 historisch waardevol groen- of landschapselement

groen- of landschapselement dat kenmerkend is voor het cultuurhistorische beeld en van cultuurhistorische waarde is vanwege de historische verschijningsvorm, de historische ruimtelijke samenhang en/of historische betekenis, zoals die is aangewezen op de verbeelding en wordt beschermd via deze regels.

1.12 historisch waardevol infrastructureel element

infrastructureel element of restant daarvan dat kenmerkend is voor het cultuurhistorische beeld en van cultuurhistorische waarde is vanwege de historische verschijningsvorm, het historische tracé, de historische ruimtelijke samenhang en/of historische betekenis, zoals die is aangewezen op de verbeelding en wordt beschermd via deze regels.

1.13 historisch waardevolle groenstructuur

een bijzondere beschermwaardige, in de loop der geschiedenis ontstane, (ruimtelijke) opbouw van het groen in een bepaald gebied met een bijzondere samenhang, schoonheid en/of cultuurhistorische waarde.

1.14 kaprichting

de richting waarin het dakvlak of de kap is gebouwd.

1.15 kapvorm

de wijze waarop een gebouw is afgedekt.

1.16 natuurhistorische waarde

een waarde die wordt toegekend aan karakteristieke elementen en patronen in het landschap alsmede sporen die de natuur en de mens in het landschap hebben achtergelaten, met cultuurhistorische waarde, zoals bomen, struiken, hagen, holle wegen, grafheuvels, poelen, grachten en vijvers.

1.17 ruimtelijk historisch beeld

een bepaald in de loop van de geschiedenis ontstaan beeld van verscheidenheid, samenhang en afwisseling in het ruimtegebruik in een gebied als totaliteit.

1.18 ruimtelijk historische belevingswaarde

de mate waarin de gebruiker het verblijf in, of het gebruik van een ruimte een gebied als historisch kwalitatief ervaart.

1.19 waardevol gebouwd element

object of bouwwerk (zoals muren, kapellen, kruisen, straatmeubilair, kunstwerken e.d.) dat kenmerkend is voor het cultuurhistorische beeld en van cultuurhistorische waarde is vanwege de historische verschijningsvorm, de historische ruimtelijke samenhang en/of historische betekenis, zoals die is aangewezen op de verbeelding en wordt beschermd via deze regels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 2 Waarde - Archeologie

2.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor behoud en bescherming van de aanwezige of te verwachten archeologische waarden, meer in het bijzonder voor:

  • a. een archeologisch monument ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologisch monument';
  • b. een hoge archeologische verwachting ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting';
  • c. een middelhoge archeologische verwachting ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting'.
2.2 Bouwregels
2.2.1 Algemeen

Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd conform de onderliggende bestemming, behoudens:

  • a. voor zover het verstoringsoppervlak van de bodemingreep kleiner is dan 250 m² of de diepte van de bodemingreep kleiner is dan 40 cm, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting';
  • b. voor zover het verstoringsoppervlak van de bodemingreep kleiner is dan 2.500 m² of de diepte van de bodemingreep kleiner is dan 40 cm, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting'.
2.3 Afwijken van de bouwregels
2.3.1 Afwijken ten behoeve van het bouwen conform de onderliggende bestemming

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.1 ten behoeve van het bouwen conform de onderliggende bestemming wanneer de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 40 cm beneden maaiveld, en:

  • a. het verstoringsoppervlak van de bodemingreep groter is dan 250 m² ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting';
  • b. het verstoringsoppervlak van de bodemingreep groter is dan 2.500 m² ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting';

met dien verstande dat:

  • 1. de aanvrager een archeologisch rapport overlegt waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. uit het rapport onder 1. blijkt dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad, dan wel nadat door nader archeologisch onderzoek uit te voeren de aanwezige archeologische waarden veilig kunnen worden gesteld;
  • 3. schade aan het archeologisch bodemarchief door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorwaarden.

2.3.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. indien sub c. van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

2.3.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 2.3.1 en 2.3.2 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwplan dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt;
  • c. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen.
2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
2.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven (ook het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van waterlopen en waterpartijen en het aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen van gronden;
  • c. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het vellen of rooien van beplantingen waarbij wortels dieper dan 40 cm worden uitgegraven of gefreesd;
  • f. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • g. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

2.4.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. indien sub c. van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

2.4.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 2.4.1 en 2.4.2 is niet van toepassing:

  • a. indien de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 40 cm onder maaiveld en de oppervlakte van de bodemingreep:
    • 1. kleiner is dan 250 m² ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting';
    • 2. kleiner is dan 2.500 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting';
  • b. indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden in de bodem zijn aangetroffen of dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • c. indien de werken en / of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. indien werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 2. archeologisch onderzoek betreffen;
    • 3. worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende vergunning.

2.4.4 Toelaatbaarheid

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.4.1 wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de archeologische waarden op grond waarbij aanvrager een rapport dient te overleggen waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is zeker gesteld of geen archeologische waarden aanwezig zijn, tenzij naar haar oordeel de archeologische waarde in andere informatie voldoende is zeker gesteld.

2.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' of de binnen deze dubbelbestemming opgenomen aanduidingen geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  • b. aan de gronden alsnog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en een binnen deze dubbelbestemming opgenomen aanduiding toe te kennen indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn;
  • c. de oppervlaktes en/of de dieptes als genoemd in artikel 2.2 en artikel 2.4 te veranderen en/of hier desgewenst een extra aanduiding voor op te nemen indien dat op basis van nader verkregen archeologische kennis noodzakelijk en/of mogelijk is.

Artikel 3 Waarde - Historische bebouwing en gezichten

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Historische bebouwing en gezichten' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en versterken van de aanwezige cultuurhistorische en bouwhistorische waarden, meer in het bijzonder voor:

  • a. het behoud, herstel en versterken van de omgeving van een rijksmonument ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – rijksmonument';
  • b. het behoud, herstel en versterken van een historisch en/of ruimtelijk waardevol gebouw, geen rijksmonument zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – historisch gebouw';
  • c. het behoud, herstel en versterken van een historisch waardevol bouwwerk, geen gebouw of rijksmonument zijnde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gebouwd element';
  • d. het behoud, herstel en versterken van de aanwezige ruimtelijke historische structuur, het ruimtelijk historische beeld en ruimtelijk historische belevingswaarden van het beschermde gezicht en de hierin aanwezige bebouwing, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht';
  • e. het behoud van aangetroffen bouwhistorisch waardevolle elementen en constructies ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - bouwhistorische verwachting'.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Bouwwerken

In afwijking van het bepaalde in de onderliggende bestemmingen gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – historisch gebouw' is bouwen slechts toegestaan, indien geen aantasting plaatsvindt van de aanwezige cultuurhistorische waarden van het betreffende gebouw, zoals beschreven in Bijlage 1 bij deze regels, zulks ter beoordeling van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen commissie van ter zake deskundigen;
  • b. bij het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – bouwhistorische verwachting' dient voorafgaand aan de planvorming en bouw een beoordeling plaats te vinden van de bouwhistorische waarden van het desbetreffende gebouw, uitgevoerd door een door het bevoegd gezag aangewezen ter zake deskundige. Indien blijkt dat bouwhistorische waardevolle bouw- en/of constructiedelen aanwezig zijn, dan moeten deze blijven behouden;
  • c. de gebouwde elementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gebouwd element' mogen niet worden gewijzigd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht' is bouwen slechts toegestaan, indien:
    • 1. het de verbouwing van bestaande bebouwing betreft. Nieuwbouw van hoofdgebouwen is niet toegestaan, tenzij een omgevingsvergunning voor het slopen op basis van dit artikel is afgegeven;
    • 2. de voorgevel van de bebouwing welke is gekeerd naar de openbare weg of openbare ruimte wordt gebouwd in de bestaande voorgevelrooilijn;
    • 3. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen niet afwijken van de goot- en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan;
    • 4. de kapvorm en kaprichting van hoofdgebouwen, waarvan de voorgevel is gekeerd naar de openbare weg, niet afwijken van de kapvorm en kaprichting ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan dan wel de kapvorm en kaprichting zoals die krachtens een vóór het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden gebouwd;
    • 5. de schuine daken (vijfde gevel) in geval van vervanging van de dakbedekking worden voorzien van keramische dakpannen of, indien oorspronkelijk aanwezig, (natuursteen) leien;
    • 6. de breedte en de parcellering van hoofdgebouwen, waarvan de voorgevel is gekeerd naar de openbare weg, niet afwijken van de breedte en de parcellering ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan dan wel zoals die krachtens een vóór het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden gebouwd;
    • 7. het geveltype en de geleding, het materiaal, kleurgebruik en ornamenten van hoofdgebouwen, waarvan de gevel is gekeerd naar de openbare weg, niet afwijken van het geveltype en de geleding, het materiaal, kleurgebruik en ornamenten ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan dan wel zoals die krachtens een vóór het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor het bouwen mogen worden gebouwd.
3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de vormgeving, afmeting en de plaats van bestaande waardevolle panden en/of gebouwde objecten zoals bedoeld in artikel 3.1, in die zin dat aangesloten moet worden bij de uitwendige hoofdvorm bepaald door onder meer de dakvorm, goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakhelling en gevelindeling, materiaal, kleurgebruik en detaillering, in samenhang met het bestaande stedenbouwkundige beeld op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en met het oog op het versterken van de cultuurhistorische waarden en het voorkomen van onevenredige aantasting van het ruimtelijk historisch beeld en de ruimtelijke historische belevingswaarde van het gezicht, pand en/of gebouwd object.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Afwijken ten behoeve van vervangende nieuwbouw

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 sub a en d voor het bouwen van een nieuw hoofdgebouw na sloop van een pand ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch gebouw' en 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht', met dien verstande dat naar evenredigheid rekening moet worden gehouden met de oorspronkelijke stedenbouwkundige karakteristiek, de oorspronkelijke hoofdvorm en de oorspronkelijke nokrichting van het voorheen bestaande pand, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het ruimtelijk historisch beeld en de ruimtelijke historische belevingswaarde van het straat- en/of bebouwingsbeeld.

3.4.2 Afwijken onderzoeksplicht bij bouwhistorische verwachting

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 sub b bepalen dat geen onderzoek behoeft plaats te vinden als bedoeld in voornoemd lid, indien:

  • a. reeds eerder een bouwhistorisch onderzoek heeft plaatsgevonden en op basis hiervan voor de verbouwing voldoende informatie voorhanden is over de bouw- en cultuurhistorische waarden van het desbetreffende gebouw;
  • b. door schouw ter plaatse door een door het college aangewezen deskundige is vastgesteld dat het interieur geen waardevolle historische onderdelen en/of constructies meer aanwezig zijn.

3.4.3 Afwijken ten behoeve van wijziging waardevol gebouwd element

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 sub b voor het veranderen van een als 'specifieke vorm van waarde - waardevol gebouwd element' aangeduid bouwwerk, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk historisch beeld en de ruimtelijke historische belevingswaarde en de cultuurhistorische waarden.

3.4.4 Afwijken ten behoeve van wijzigen bebouwing binnen waardevol gezicht

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 sub d voor het veranderen van een gebouw of bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht', mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige ruimtelijke historische structuur, het ruimtelijk historische beeld en ruimtelijk historische belevingswaarden.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Historische bebouwing en gezichten', de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde - historisch gebouw', 'specifieke vorm van waarde - waardevol gebouwd element' en 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht':
    • 1. het verven, verwijderen en wijzigen van verflagen, gevels, ramen, deuren, luiken en/of sierdelen van hoofdgebouwen;
    • 2. het wijzigen van gevels, ramen, deuren, luiken, sieronderdelen en/of dakbedekking van hoofdgebouwen, voor zover daarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist;
    • 3. het bepleisteren, het verwijderen en wijzigen van pleisterwerk van gevels van hoofdgebouwen;
    • 4. het aanbrengen van afbeeldingen of tekens voor commerciële doeleinden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specfieke vorm van waarde - waardevol gezicht':
    • 1. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden;
    • 2. het wijzigen van weg- of straatprofielen en/of oppervlakteverhardingen;
    • 3. het graven en/of dempen van waterlopen en waterpartijen;
    • 4. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of appartatuur.

3.5.2 Uitzonderingen

De vergunningplicht als bedoeld in lid 3.5.1 is niet van toepassing op:

  • a. het normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de cultuurhistorische en/of bouwhistorische waarden;
  • c. de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

3.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 wordt slechts verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en bouwhistorische waarden, zoals aangegeven in artikel 3.1 en Bijlage 1 bij deze regels en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen commissie van ter zake deskundigen.
3.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
3.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

  • a. de waardevolle gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch gebouw' en de waardevolle gebouwde elementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gebouwd element' geheel of gedeeltelijk te slopen, anders dan ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is;
  • b. gebouwen of bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waardevol gezicht' geheel of gedeeltelijk te slopen, anders dan ter vernieuwing van onderdelen, welke uit oogpunt van onderhoud noodzakelijk is;
  • c. een pand met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – bouwhistorische verwachting' geheel of gedeeltelijk te slopen.

3.6.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 3.6.1 is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan of die konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

3.6.3 Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.6.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen commissie van ter zake deskundigen.

3.6.4 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.6.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. de karakteristieke c.q. waardevolle hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
  • b. de karakteristieke c.q. waardevolle hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
  • c. het delen van een gebouw of bijbehorende bouwwerken betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek c.q. waardevol vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke c.q. waardevolle hoofdvorm plaatsvindt;
  • d. er een omgevingsvergunning voor vervangende nieuwbouw of herinrichting van de vrijkomende gronden kan worden verleend en voldoende is aangetoond dat de vergunde werkzaamheden binnen een termijn van vijf jaar na verlening van de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk gerealiseerd zullen zijn;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – bouwhistorische verwachting' voorafgaande aan de sloop een onderzoek plaatsvindt naar de bouwhistorische waarden van het pand. Indien blijkt dat muren, (vakwerk)wanden, kelders, balklagen en kapconstructies met bouwhistorische waarden aanwezig zijn, dan moeten deze behouden blijven, tenzij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen commissie van terzake deskundigen van oordeel is dat sloop met het oog op herbestemming nodig is en de bouwhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen en de dubbelbestemming 'Waarde - Historische bebouwing en gezichten' of de binnen deze dubbelbestemming opgenomen aanduidingen geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien ter plaatse geen beschermenswaardig ruimtelijk historisch gebouw, bouwwerk, gezicht en/of beschermenswaardige cultuurhistorische waarden meer aanwezig zijn.
  • b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen en de aanduding 'specifieke vorm van waarde - bouwhistorische verwachting' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien uit onderzoek of schouw van het betreffende pand is gebleken dat in het pand geen historische waardevolle onderdelen of constructies meer aanwezig zijn.

Artikel 4 Waarde - Historisch groen en landschap

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Historisch groen en landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en versterken van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, meer in het bijzonder voor:

  • a. een historisch waardevol natuur- of cultuurlandschap ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groengebied';
  • b. historisch waardevolle groenelementen en groenstructuren (o.a. houtwallen, bomenlanen, bos(restanten), (restanten van) boomgaarden en huisweiden, begraafplaatsen, park- en tuinaanleggen) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenelement';
  • c. historisch waardevolle groenobjecten (o.a. bomen, hagen, struiken en andere beplanting) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenobject'.
4.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de onderliggende bestemmingen is bouwen slechts toegestaan, indien hierbij geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in artikel 4.1 bedoelde waarden, zulks ter beoordeling van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen landschapsdeskundige.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag ter plaatse van de besteming 'Waarde - Historisch groen en landschap' de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, en het ophogen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van waterlopen en waterpartijen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het vellen, rooien of beschadigen van bomen, hagen, struiken en andere beplanting ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenelement' en 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenobject';
  • d. het aanbrengen van beplanting, met uitzondering van fruitbomen;
  • e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

4.3.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot nader onderzoek naar de waarden van het desbetreffende groen- of landschapselement;
  • b. bij het vellen en rooien van bomen, struiken, hagen of andere groenelementen:
    • 1. de verplichting tot het opstellen van een herplant-plan en de verplichting tot herplant;
    • 2. verplichting tot het stekken van de desbetreffende boom, struik, haag of ander groenelement, indien het een zeldzame soort betreft, ten behoeve van het behoud van deze soort;
  • c. de verplichting tot het terugbrengen, herstellen en/of zichtbaar maken van (voorheen) aanwezige waardevolle groenelementen.

4.3.3 Uitzonderingen

De vergunningplicht als bedoeld in lid 4.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. het normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. het onderhoud van bestaand houtgewas door snoeien en verwijderen van dood hout;
  • c. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de cultuurhistorische, landschaps- of natuurlijke waarden;
  • d. de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

4.3.4 Toelaatbaarheid
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 wordt slechts verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals aangegeven in artikel 4.1 en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3.1 wordt niet eerder verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige.

Artikel 5 Waarde - Historische infrastructuur

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Historische infrastructuur' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en versterken van de cultuurhistorische waarden, meer in het bijzonder voor:

  • a. het integraal behoud en herstel van nog aanwezige historische waardevolle infrastructurele elementen, zoals (restanten van) kademuren, dijken, etc., ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - te behouden historische infrastructuur';
  • b. herstel van de ruimtelijke karakteristiek van historisch waardevolle gebieden door middel van historische herinrichting van infrastructurele elementen zoals oude wegen, pleinen, waterpartijen, straatmeubilair, etc., ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - te herstellen historische infrastructuur';
  • c. het behoud en/of mogelijk zichtbaar of herkenbaar maken van tracés van historische infrastructurele elementen, zoals oude wegen, waterlopen, kademuren, landweren, etc., ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - te behouden historisch tracé'.
5.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de onderliggende bestemmingen is bouwen slechts toegestaan, indien hierbij geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in artikel 5.1 bedoelde waarden, zulks ter beoordeling van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Historische infrastructuur' de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven en het ophogen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van waterlopen en waterpartijen;
  • b. het wijzigen van weg- of straatprofielen;
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden
  • d. het aanleggen van parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het verleggen van traces van wegen, waterlopen en het wijzigen van profielen van wegen en waterlopen ter plaatse van de aanduiding en het aanleggen van drainage ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – te behouden historische tracé'.

5.3.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot nader onderzoek naar de waarden van het desbetreffende infrastructurele element;
  • b. de verplichting tot het terugbrengen, herstellen en/of zichtbaar maken van (voorheen) aanwezige waardevolle infrastructurele elementen.

5.3.3 Uitzonderingen

De vergunningplicht als bedoeld in lid 5.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. het normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of het herstel van de cultuurhistorische, landschaps- of infrastructurele waarden;
  • c. de voltooiing van werken die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

5.3.4 Toelaatbaarheid
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wordt slechts verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de cultuurhistorische en infrastructurele waarden, zoals aangegeven in artikel 5.1 en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Overige regels

7.1 Van toepassing verklaring

De in dit bestemmingsplan opgenomen regels ten aanzien van archeologie en erfgoed gelden ter vervanging van de regels in de hiernavolgende bestemmingsplannen inzake deze onderwerpen, met uitzondering van het bepaalde in:

  • Artikel 4.2. van de regels voor zover dat betrekking heeft op de locaties van twee zomereiken en een Hollandse linde nabij de transportroute tussen de haven van Stein en het industrieterrein Chemelot in Geleen;
  • Artikel 5.2 van de regels voor zover dat betrekking heeft op de gronden in de haven van Stein en op het tracé van de transportroute tussen de haven van Stein en het industrie-terrein Chemelot in Geleen.

BESTEMMINGSPLAN   VASTGESTELD   IDENTIFICATIENUMMER  
Bedrijventerrein Kerensheide   28 mei 2015   NL.IMRO.0971.BPKerensheide-0003  
Buitengebied 2019   12 december 2019   NL.IMRO.0971.Buitengebied2019-0003  
Business Park Stein 2018   21 maart 2019   NL.IMRO.0971.BPS2018-0003  
Centrum Stein 2018   31 januari 2019   NL.IMRO.0971.BPCentrum2018-0003  
Grensmaas 2016
 
Vastgesteld 11 mei 2017   NL.IMRO.0971.BPGrensmaas2016-0003  
Grensmaas 2016, 1e herziening
 
21 juni 2018.
 
NL.IMR0.0971.BPGrensmaasherz-0002  
Havens Stein   25 april 2013   NL.IMRO.0971.BPHavens-0003  
Havens Stein, herziening 2014
 
22 mei 2014   NL.IMRO.0971.BPHavensHerz2014-0002  
Heerstraat Noord/ Industrieweg     14 november 2013   NL.IMRO.0971.BPHeerstraatnoord-0003
 
Kern Elsloo 11.09.2013
 
11 september 2013   NL.IMRO.0971.BPKernElsloo-0003  
Schuttersstraat 17     24 maart 2016   NL.IMRO.0971.BPSchuttersstr17-0003  
Kern Meers    26 maart 2015   NL.IMRO.0971.BPKernMeers-0003
 
Kern Stein   11 september 2013   NL.IMRO.0971.BPKernStein-0003  
Kern Urmond - Kern Berg 18.02.2016
 
18 februari 2016   NL.IMRO.0971.BPKernUrmondBerg-0003  
Meerdel 29.04.2021
 
29 april 2021   NL.IMRO.0971.BPMeerdel-0003  
Terras Maasoever     26 november 2020   NL.IMRO.0971.BPTerrasMaasoever-0003  
Torenstraat Urmond
 
25 juni 2020   NL.IMRO.0971.BPTorenstrUrmond-0003  
7.2 Voorrangsregels
7.2.1 Voorrang dubbelbestemmingen

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming uit het voorliggende paraplubestemmingsplan, dan gaat het belang van deze dubbelbestemming voor.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
8.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Herziening Erfgoed Stein'.