| Plan: | Zaam Wonen Nieuwdorp |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0971.BPZaamWonen-0003 |
In het noordelijke gedeelte van de (woon)wijk Nieuwdorp in Stein zijn enkele gedateerde woningen gelegen, welke niet meer voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Gezien de vergrijzing waar de gemeente Stein momenteel mee te maken heeft bestaat een toenemende behoefte aan duurzame en kwalitatief goede levensloopbestendige woningen. Hierom is voorliggend herstructureringsplan ontwikkeld, waarbij rekening is gehouden met aspecten als groen en het creëren van een gezonde en levendige woonomgeving.
Concreet bestaat het planvoornemen uit het slopen van de bestaande (sterk verouderde) woningen (en bijbehorende garageboxen) en het daarvoor in de plaats bouwen van 32 levensloopbestendige grondgebonden woningen. Het betreft 16 rijtjeswoningen en 16 patiowoningen. De woningen worden verdeeld over 8 blokken van ieder 4 woningen. Hierdoor is de helft van de woningen tevens een hoekwoning. Het plangebied krijgt een groene uitstraling met een ruime opzet, de aanwezige bomen blijven zoveel als mogelijk behouden en waar nodig wordt het groen versterkt. De bestaande speelplaats wordt verplaatst.
Met dit planvoornemen wordt derhalve stevig ingezet op het realiseren van passende woonvormen (onder andere voor senioren) en het stimuleren tot bewegen, recreëren en elkaar ontmoeten.
Het geldende bestemmingsplan 'Kern Stein' (vastgesteld d.d. 11 september 2013) maakt onderhavig planvoornemen niet mogelijk. Volgens het bestemmingsplan 'Kern Stein' beschikt onderhavige locatie onder andere over de bestemmingen 'Wonen' (en 'Groen') met daarbinnen gelegen enkele bouwvlakken en bouw- en maatvoeringsaanduidingen ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte, woningtypologie en bijgebouwen. De bouw- en gebruiksregels zijn onvoldoende toereikend om te kunnen voorzien in onderhavig planvoornemen. Om het planvoornemen toch juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken, is daarom een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
Voorliggende toelichting maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp dat juridisch-planologisch in het planvoornemen voorziet.
Het plangebied is gelegen in het noordelijke gedeelte van de (parochie)wijk Nieuwdorp te Stein. De wijk Nieuwdorp, een voormalig buurtschap dat is ontstaan na de tweede wereldoorlog, is gelegen in het zuidelijke gedeelte van Stein, en wordt door de Rijksweg A76 gescheiden van de rest van Stein.
Op onderstaande luchtfoto is de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Luchtfoto met daarop aangeduid globale ligging plangebied (zie rode cirkel)
Binnen het plangebied zijn uitsluitend woongebouwen aanwezig. Het zijn zowel grondgebonden als gestapelde woningen. De grondgebonden woningen (aan de Peldenstraat) bestaan uit twee bouwlagen met een kap en daarachter enkele garageboxen. De overige woningen zijn allen gestapelde woningen bestaande uit drie respectievelijk vier bouwlagen. In totaal zijn 62 woningen aanwezig binnen het plangebied. Verder beschikt het plangebied over enkele bijbehorende voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
Het plangebied omvat meerdere kadastrale percelen en ligt 'ingeklemd' tussen de bestaande bebouwing aan de Peldenstraat, Kamperstraat en Van Cloudtstraat. De omliggende bebouwing bestaat uit (aaneengebouwde) grondgebonden woningen. Het noordelijke gedeelte van het plangebied wordt begrensd door de Diepenbeekstraat met een brede groenstrook en geluidwerende voorziening ten behoeve van de daarachter gelegen Rijksweg A76. Op een afstand van circa 160 meter is het centrum van de wijk Nieuwdorp gelegen.
Het plangebied betreft de percelen kadastraal bekend als: gemeente Stein, sectie G, nummers: 627, 628, 631 (ged.), 632, 633, 790, 791, 792 en 1323 (ged.). Op onderstaande kaartuitsnede zijn de kadastrale perceelsnummers weergegeven en is het plangebied aangeduid.
Kaartuitsnede met kadastrale perceelsnummers en aanduiding plangebied (rode contouren)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kern Stein', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Stein op 11 september 2013. Ingevolge dit bestemmingsplan zijn binnen het plangebied de bestemmingen 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer' van toepassing. Binnen het plangebied zijn enkele bouwvlakken opgenomen, met verschillende bijbehorende bouw- en maatvoeringsaanduidingen ten behoeve van de toegestane woningtypologie, de maximum toegestane bouwhoogte en bijgebouwen. Voorts geldt dat, in relatie tot het oostelijk gelegen Chemelotterrein, de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' aan het plangebied is toegekend. Tot slot is in verband met de nabij gelegen Rijksweg A76 de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg 1' respectievelijk 'vrijwaringszone - weg 2' opgenomen.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Kern Stein' met aanduiding plangebied (rode contouren)
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in Hoofdstuk 2 het planvoornemen besproken. In Hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In Hoofdstuk 4 komen de milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de toelichting op de juridische planopzet en de planregels. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Ten slotte komt in Hoofdstuk 7 de bestemmingsplanprocedure aan bod.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bestaande situatie (de omgeving en de locatie zelf) en het planvoornemen (de nieuwe situatie).
Het plangebied is gelegen in het noordelijke gedeelte van de woonwijk Nieuwdorp. Aan drie zijden van het plangebied bevindt zich bestaande bebouwing. Langs de noordelijke zijde van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A76, die Nieuwdorp afsplitst van de rest van de kern Stein.
De bestaande bebouwing in de nabije omgeving van het plangebied bestaat uitsluitend uit grondgebonden woningen. De woningen aan de Peldenstraat, Kamperstraat en Van Cloudtstraat zijn aaneen gebouwd (twee aaneen of rijtjeswoningen) en in de meeste gevallen afgedekt met een kap. Zie ook onderstaande impressies.
Impressies van de Peldenstraat, Kamperstraat en Van Cloudtstraat (bron: Google Streetview, augustus 2022)
De woningen beschikken over voortuinen en parkeren vindt veelal aan de voorzijde van de woningen plaats, waardoor het straatprofiel redelijk 'versteend' is. De woningen zijn allemaal tussen 1945 en 1975 gebouwd. Ten opzichte van de Peldenstraat zijn de Kamperstraat en Van Cloudstraat wat ruimer opgezet, waardoor ruimte is voor een bomenstructuur. De woonstraten beschikken over lange zichtlijnen en een eenduidige architectuur. Verder kan de woonwijk worden gekenmerkt als een rustige woonomgeving, omdat deze enkel bestemd is voor wonen en het verkeer enkel bestemmingsverkeer betreft.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op loopafstand (ca. 160 meter) het centrum van Nieuwdorp, waar enkele kleinschalige centrumfuncties (waaronder horeca, detailhandel en dienstverlening) aanwezig zijn.
Binnen het plangebied zijn, voor wat betreft bebouwing, uitsluitend woongebouwen aanwezig. Het zijn 8 grondgebonden woningen (aan de Peldenstraat) bestaande uit twee bouwlagen met kap en 54 gestapelde woningen bestaande uit drie respectievelijk vier bouwlagen. De woningen dateren allen uit de jaren 60 en 70 en zijn inmiddels sterk verouderd. Achter de woningen aan de Peldenstraat zijn enkele garageboxen aanwezig.
Te midden van het plangebied is een speelveldje gelegen met enkele speeltoestellen, waaronder een kabelbaan, schommels en een klimtoestel. In het noordoostelijke gedeelte van het plangebied is tevens groen aanwezig. Het plangebied heeft hierdoor een enigszins groene uitstraling. Binnen het plangebied zijn ook de nodige parkeervoorzieningen aanwezig.
Obliek foto van onderhavig plangebied (bron: Slagboom en Peeters)
Het plangebied grenst aan de Peldenstraat, Diepenbeekstraat, Kamperstraat en Van Cloudtstraat. Deze wegen verschaffen rechtstreeks toegang tot het plangebied. Hierdoor is het plangebied goed bereikbaar.
Impressies van het plangebied vanaf de Kamperstraat/Diepenbeekstraat, Kuringenstraat en Diepenbeekstraat
(garageboxen) (bron: Google Streetview, augustus 2022)
Het planvoornemen betreft een herstructurering c.q. transformatie van het gehele plangebied. De sterk verouderde bestaande woningen met bijbehorende voorzieningen (zoals de garageboxen) worden gesloopt. In totaal worden 62 woningen gesloopt. Het betreffen gestapelde woningen, met uitzondering van de 8 grondgebonden woningen aan de Peldenstraat.
Daarvoor in de plaats worden binnen het plangebied in totaal 32 woningen gerealiseerd, die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Het betreffen 16 rijtjeswoningen en 16 patiowoningen, die allemaal duurzaam en levensloopbestendig worden uitgevoerd. De woningen worden in blokken van vier gerealiseerd, waardoor de helft van de woningen tevens hoekwoningen betreffen. De woningen bestaan uit twee bouwlagen en zijn voorzien van een plat dak. De (besloten) achtertuinen van de woningen zijn gericht op het zuidoosten.
De woningen voldoen aan de zogenaamde BENG-normen (Bijna Energie Neutraal Gebouw) en worden 'gasloos' gebouwd. Ook worden de woningen voorzien van zonnepanelen.
Bouwvolume van het planvoornemen
Het plangebied krijgt een groene uitstraling met een ruime opzet. De beoogde voetpaden nodigen uit tot bewegen en recreëren. De aanwezige bomen blijven zoveel als mogelijk behouden en waar nodig wordt het groen versterkt. De bestaande speelplaats wordt verplaatst.
In het noordoostelijke (groene) gedeelte van het plangebied wordt een flora- en fauna-toren gerealiseerd, onder andere vanwege de aanwezige vleermuizen en gierzwaluwen binnen het plangebied. Daarnaast wordt in het plangebied de nodige ruimte gereserveerd voor de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen (zoals wadi's) ten behoeve van de opvang en infiltratie van het hemelwater afkomstig van de verhardingen.
Tot slot wordt (conform het gemeentelijk parkeerbeleid) voorzien in de nodige parkeervoorzieningen, afgestemd op de lokale parkeerbehoefte.
Stedenbouwkundig ontwerp van het planvoornemen
Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking en het gemeentelijk beleid in dit hoofdstuk aan bod.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft straks de status van omgevingsvisie onder de Omgevingswet.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn:
Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.
In de NOVI wordt een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavig planvoornemen relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Duurzaam economisch groeipotentieel
Sterke en gezonde steden en regio's
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Conclusie
Met onderhavig planvoornemen wordt ter plaatse voorzien in een transformatie van de bestaande lokale woningvoorraad, waarbij kwalitatief goede en levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd waaraan binnen de gemeente Stein behoefte bestaat. De beoogde woningen worden gerealiseerd op een inbreidingslocatie, waarbij het aantal woningen per saldo (met 30 woningen) afneemt. Het plangebied wordt ruim en groen ingericht. Ook gaat in het plan de nodige aandacht naar duurzaamheid en waterbestendigheid, onder andere door het gebruik van zonnepanelen en het aanleggen van waterhuishoudkundige voorzieningen (zoals wadi's). Hierdoor kan worden gesproken van een 'klimaatbestendig' plan. Gelet op het voorgaande wordt met onderhavig planvoornemen voorzien in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving.
Het planvoornemen sluit dus goed aan bij de uitgangspunten en keuzes die in de NOVI worden beschreven. De NOVI levert derhalve geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevat regels ter bescherming van de nationale (ruimtelijke) belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro (en het Bro) juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Hoewel de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte inmiddels is vervangen door de Nationale Omgevingsvisie, blijven de relevante instructieregels van het Rijk uit het Barro tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog relevant.
Conclusie
Uit het Barro (en Rarro) volgen geen nationale (ruimtelijke) belangen die een juridisch-planologische doorwerking hebben in onderhavig plangebied. Dit betekent dat er voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit het Barro (en Rarro) gelden.
Volgens artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf.
Het voorliggende bestemmingsplan betreft de ontwikkeling van maximaal 32 woningen, wat gelet op het voorgaande als 'stedelijke ontwikkeling' wordt aangemerkt.
Daarmee staat echter nog niet vast dat ook aan de Ladder moet worden getoetst. Er dient ook te worden bezien in hoeverre de ontwikkeling ook kan worden aangemerkt als een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling en of sprake is van nieuw ruimtebeslag, zo blijkt uit jurisprudentie.
De Afdeling hanteert bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6, tweede lid en artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro) de beoordelingslijn, dat hiervan sprake is als het bestemmingsplan bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en ten opzichte van het voorgaande planologische regime voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en een functiewijziging (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 7). Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, namelijk de bouw van maximaal 32 (grondgebonden) woningen met bijbehorende voorzieningen, terwijl het voorgaande bestemmingsplan (het bestemmingsplan 'Kern Stein') bij recht voorzag in 62 woningen, grotendeels in gestapelde vorm, met bijbehorende bebouwing (zoals garageboxen). Het aantal woningen neemt derhalve per saldo met 30 woningen af. Ook de bouwmassa neemt met onderhavig planvoornemen af.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is in onderhavig geval niet sprake van een groter (planologisch) ruimtebeslag en/of functiewijziging, waardoor geen sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Hierom hoeft niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie geeft de provincie Limburg haar lange termijn visie (2030-2050). Die heeft betrekking op het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net al waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders en de samenleving als geheel. De visie bestaat uit een thematisch deel, met thema's als Wonen & Leefomgeving, Economie, Mobiliteit, Land- en tuinbouw en Veiligheid en gezondheid, maar ook uit een gebiedsgericht deel, met een eigen visie voor Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
De provincie onderscheidt in haar visie drie hoofdopgaven:
De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden en door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie zelf aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht.
Concreet ten aanzien van wonen wordt een passend aanbod van woningen nagestreefd in zowel steden als dorpen. De overgangen tussen bebouwde gebieden en het landelijk gebied zijn optimaal ingericht voor stads(kringloop)landbouw, recreatie, natuur- en landschapsbeleving en klimaatadaptieve voorzieningen.
Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Voor zover relevant voor onderhavig planvoornemen gaat het over:
Wonen en leefomgeving
Een woningaanbod waarbij vraag en aanbod goed in evenwicht zijn is benoemd als provinciaal belang. Dat evenwicht is nodig op zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. Kortgezegd: voldoende (betaalbare) woningen, op het juiste moment beschikbaar, op de juiste locatie en van de juiste kwaliteit.
De provincie wil het voorgaande graag samen met haar partners invullen. Het streven is een leefomgeving te (blijven) bieden waar mensen zich prettig voelen en waarin mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving, die past bij zowel hun mogelijkheden als hun levensfase. Daarbij gaat het niet alleen om de spreekwoordelijke stenen, maar door in samenhang naar woonopgaven te kijken, leggen we op wijk-/buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee willen we verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/herbestemming), conform de principes van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Veiligheid en gezondheid
Een ander provinciaal belang is: een gezonde en veilige leefomgeving voor iedereen in Limburg, gestimuleerd door de inrichting van de fysieke leefomgeving.
De ambitie en het streven van de provincie is om in de fysieke leefomgeving minimaal een voldoende fysieke en sociale basiskwaliteit te realiseren, waarbij bij iedere ontwikkeling wordt gestreefd naar een hoger kwaliteitsniveau (uiteraard afhankelijk van de omgeving van de desbetreffende locatie). Bijvoorbeeld door te voldoen aan de wettelijke grenswaarden, zoals die zijn gesteld op het gebied van luchtkwaliteit en geluid (zie hiervoor ook Hoofdstuk 4 van deze toelichting), en door met de inrichting van de leefomgeving een bijdrage te leveren aan een gezonde en veilige omgeving die bewegen, ontmoeten, zelfredzaamheid, educatie en een gezonde levensstijl stimuleert.
Zuid-Limburg
Voor Zuid-Limburg schetst de provincie als perspectief voor 2050 een regio die haar potentie als 'Europese schakelregio' optimaal heeft weten te ontwikkelen. Met een hoge ruimtelijke kwaliteit en een eigen economische kracht, gebruik makend van de gunstige positie tussen de nabijgelegen West-Europese metropolen. Naast snelle verbindingen met de rest van Nederland zijn gelijkwaardige verbindingen gerealiseerd over de grens richting België en Duitsland. Ook is een duurzame, betrouwbare en veilige energievoorziening gerealiseerd, met bijbehorende (grensoverschrijdende) energie- hoofdstructuur. De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart. Zuid-Limburg heeft zich verder in 2050 ontwikkeld tot een circulaire samenleving, waarin onder andere de Chemelot-site en campus als motor en proeftuin functioneert. De omschakeling naar een niet-fossiele samenleving is ook in de mobiliteitssystemen doorgevoerd.
Zuid-Limburg beschikt voor wat betreft wonen en leven over een uniek en prettig leefklimaat waar twee omgevingen op te zoeken zijn: zowel een snelle stedelijke omgeving als een rustige, ontspannen, natuurlijke en natuurrijke omgeving. Daarnaast zijn er suburbane gebieden die een groen en aantrekkelijk woonmilieu bieden. Bij de ontwikkeling geeft het principe 'meer stad, meer land' richting. In het unieke buitengebied zijn de bijzondere landschappelijke kwaliteiten in combinatie met een hoge dichtheid aan cultuurhistorische elementen en een omgeving van onthaasting in stand gehouden, waardoor het gebied van grote waarde is voor de regio. Het (ruimtelijk) raamwerk, waarbij de focus ligt op het borgen van de kwaliteit van het landelijk gebied, de relatie stad-land, duurzame mobiliteit en een klimaatbestendig landschap, is goed op orde. De transformatieopgaven waar Zuid-Limburg voor staat, zijn gerealiseerd en sociale achterstanden ten opzichte van het gemiddelde in Nederland zijn ingelopen.
Uitdagingen en opgaven voor Zuid-Limburg zijn, voor zover relevant voor dit bestemmingsplan, de kwalitatieve als kwantitatieve opgaven op de woningmarkt en de trage doorstroming. Deze opgaven verschillen binnen Zuid-Limburg echter per (sub)regio. In de dichtbevolkte suburbane woonwijken en kernen in de stedelijke omgeving van onder andere de Westelijke Mijnstreek kan door transformatie en verdunning een kwaliteitsslag worden gemaakt, gericht op het welzijn van de bewoners. Denk bijvoorbeeld aan het versterken van de groenblauwe structuren en het realiseren van de verduurzamingsopgave, waaronder de warmtetransitie. Ook het voorkomen van wateroverlast in dit stedelijke gebied vraagt nadrukkelijk de aandacht. Wandelen en fietsen vormen de voornaamste manier van transport in de woonomgeving. De meeste woningen zijn toekomstgeschikt en in de wijken wonen jong en oud door elkaar. Een deel van de oude woningen wordt gesloopt voor klimaat-neutrale nieuwbouw. Een ander deel van de woningen is aangepast aan de nieuwe tijd. Dit wordt met een gecoördineerde aanpak in alle wijken doorgevoerd, zodat alle inwoners in een gezonde omgeving leven en worden aangezet tot een gezonde levensstijl. Het grote aandeel particulier bezit is een extra uitdaging bij het verduurzamen en omvormen van de woningvoorraad.
Conclusie
Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in (maximaal) 32 woningen. Het betreft een herstructurering op een inbreidingslocatie, waarbij het aantal woningen (per saldo) aanzienlijk afneemt. Hierdoor vindt een verdunning plaats. De beoogde woningen sluiten (beter) aan op de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte binnen de gemeente. Het betreffen immers kwalitatief hoogwaardige levensloopbestendige woningen, geschikt voor zowel starters als senioren. Door de woningen op een inbreidingslocatie te realiseren wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte binnen de gemeente Stein en wordt voldaan aan het principe 'meer stad, meer land'. Daarnaast wordt met onderhavig plan een bijdrage geleverd aan het realiseren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving door het plangebied dusdanig in te richten dat het uitnodigt tot ontmoeten, bewegen en recreëren. Ook worden de nodige maatregelen genomen ten aanzien van klimaatadaptatie, onder andere door een groene inrichting van het plangebied, de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen (zoals wadi's) en het plaatsen van zonnepanelen.
Geconcludeerd wordt dat onderhavig bestemmingsplan goed past binnen de beleidskaders van de Omgevingsvisie Limburg.
Limburg moet mee kunnen bewegen met alle veranderingen in onze samenleving. Op cultureel, economisch en sociaal gebied. De Provincie Limburg heeft daarom het initiatief genomen om met de Limburgse samenleving in gesprek te gaan over de uitdagingen van de toekomst. Met de Limburg Agenda is daarmee een begin gemaakt, door samen te kijken naar de vraag: Hoe kan Limburg in 2030 eruit zien? In de Limburg Agenda worden keuzes voor het Limburg van morgen. Die keuzes zijn richtinggevend, maar niet allesbepalend. De agenda is bedoeld om Limburg te laten inspelen op de uitdagingen van de toekomst, door mensen en organisaties samen te brengen, elkaar te inspireren en uiteindelijk elkaars krachten te bundelen. Niet alleen nu, voor de totstandkoming van deze agenda, maar vooral ook voor straks.
De Limburg Agenda gaat uit van een centraal thema 'Vernieuwing' en is uitgewerkt in vier inhoudelijke thema's:
Conclusie
Met name het derde thema 'Ontbinding en nieuwe verbinding' van de Limburg Agenda 2030 is relevant voor onderhavig planvoornemen. Door kwalitatief hoogwaardige levensloopbestendige woningen te realiseren, krijgt het noordelijke gedeelte van de wijk Nieuwdorp een positieve kwaliteitsimpuls. Er is meer ruimte voor jong en oud om elkaar te ontmoeten en te recreëren, hetgeen de levendigheid en sociale cohesie in de wijk bevorderd. Voorliggend bestemmingsplan sluit derhalve aan op de Limburg Agenda 2030, en daarmee op het perspectief voor het Limburg van 2030.
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de provincie juridische binding te geven. Die verordening is nog gebaseerd op het Provinciale Omgevingsplan 2014 (POL2014), maar de opgenomen instructieregels sluiten ook aan op de huidige Omgevingsvisie Limburg, of zijn daar ondertussen op aangepast. Een nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is reeds vastgesteld, maar zal pas worden gepubliceerd en in werking treden gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (vooralsnog 1 januari 2024). Aangezien de invoering van de Omgevingswet ondertussen meermaals is uitgesteld, zijn de daarin voorziene nieuwe instructieregels middels wijzigingsverordeningen ook toegevoegd aan de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014.
De huidige verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL2014 en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Recent is de verordening aangevuld met nieuwe regels over huisvesting van internationale werknemers, na-ijlende gevolgen van steenkolenwinning, zonne-energie, intensieve veehouderij, het voorkomen van eventuele verstoringen binnen het zoekgebied voor de Einstein-telescoop en klimaatadaptatie.
Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014 een hoofdstuk Ruimte (hoofdstuk 2) opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het provinciale omgevingsbeleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale omgevingsverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. Voor onderhavig bestemmingsplan en het plangebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.
Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ook nogmaals geborgd dat in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, lid 2 Bro (zie ook paragraaf 3.2.3). Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen.
Artikel 2.4.2 Wonen
In de verordening is bepaald dat indien een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, voorziet in de toevoeging van woningen, uit de toelichting dient te blijken dat:
Artikel 2.16.1 Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning
Deze instructieregel vraagt gemeenten om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning.
Artikel 2.18.2 Beschermingsgebied Einstein Telescope
In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interferende activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Het grondgebied van de gemeente Stein is echter niet gelegen binnen het beschermingsgebied.
Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie
Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
Toepassing
Op voornoemde bepalingen uit de Omgevingsverordening Limburg wordt hierna afzonderlijk ingegaan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Aangezien met onderhavig bestemmingsplan niet wordt voorzien in een zogenaamde 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' wordt een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk geacht. Zie voor een uitgebreide toelichting hierop paragraaf 3.2.3. Verder zijn binnen het plangebied geen leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen aanwezig, waardoor een eventuele herbenutting daarvan ook niet aan de orde is.
Wonen
Dat onderhavig plan past binnen de gestelde kaders van de Omgevingsvisie Limburg is in paragraaf 3.3.1 van voorliggende toelichting reeds uitgebreid toegelicht. Voorts blijkt dat, volgens het woningbehoefteonderzoek van Stec Groep (2023), met het plan wordt voorzien in woningen waaraan kwantitatief en kwalitatief behoefte bestaat binnen de gemeente Stein, en dat reeds op 5 juli 2023 (sub)regionale afstemming plaatsgevonden. Het plan is tevens opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg. De realisatie van het plan zal gefaseerd plaatsvinden en is beoogd tussen 2023 en 2028, derhalve binnen 5 jaar na vaststelling van dit bestemmingsplan.
Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning
De invloed van de (mogelijke) na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning op onderhavig plan zijn beoordeeld aan de hand van de rapporten die door het Ministerie van Economische Zaken in 2016 zijn uitgebracht omtrent 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' en de Nederlandse samenvatting daarvan 'het 'Uittreksel uit het samenvattende rapport met een overzicht van de voorgestelde maatregelen' d.d. 14 december 2016. Hieruit volgt dat het plangebied is gelegen binnen de concessiegrenzen van de mijn 'Maurits'. Echter, het plangebied is niet gelegen binnen een risicogebied (EK 1 (hoog), EK 2 (gemiddeld), of EK 3 (laag)). Ook is binnen het plangebied geen vrijkomend mijngas of ongelijkmatige bodemstijging, als gevolg van stijgend mijnwater, te verwachten. Binnen het plangebied liggen geen historische of industriële mijnschachten. Tot slot zijn binnen het plangebied, zo volgt uit de rapporten van het Ministerie van Economische zaken, geen neerwaartse en opwaartse boringen en oude verzakkingen en drempels aanwezig. Hierdoor hoeft met onderhavig planvoornemen geen rekening te worden gehouden met eventuele na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning.
Klimaatadaptatie
Het plangebied krijgt een groene inrichting. De aanwezige bomen blijven zo veel als mogelijk gehandhaafd. Dit brengt verkoeling en zorgt ervoor dat het hemelwater kan worden vastgehouden en infiltreren in de bodem. Daarnaast worden binnen het plangebied de noodzakelijke hemelwatervoorzieningen aangelegd, waarbij rekening wordt gehouden met een bergingscapaciteit van 80 mm hemelwater per m2 aan verharding (conform de eisen van het waterschap). Tot slot worden de te realiseren woningen 'gasloos' gebouwd en wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen.
Beschermingsgebied Einstein Telescope
Tot slot geldt voor het beschermingsgebied ten behoeve van de Einstein Telescope dat de gemeente Stein (dus ook onderhavig plangebeid) daar volledig buiten is gelegen.
Conclusie
Gezien het voorgaande past onderhavig bestemmingsplan binnen de instructieregels als opgenomen in de provinciale verordening c.q. is het bestemmingsplan daarmee niet in strijd, waardoor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt niet in het geding is.
In deze regionale structuurvisie, die op 22 september 2016 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Stein, maken de Zuid-Limburgse gemeenten onderlinge afspraken over de wijze waarop de transformatie van de woningvoorraad in Zuid-Limburg gestalte dient te krijgen. De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch: er zijn te veel woningen en tevens sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden er afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak.
In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen thans optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden.
In de Structuurvisie Wonen Zuid-limburg staat de transformatieopgave per gemeente centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. De transformatieopgave die per gemeente tweejaarlijks wordt vastgesteld, is een koersbepalende opgave voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en is beleidsneutraal. Het betreft daarmee geen afdwingbare bouw- of sloopopgave.
Aan de structuurvisie liggen drie onderzoeken ten grondslag. Het zijn de onderzoeken 'Woonmilieus in Zuid-Limburg' (Companen), 'Woonmilieu Zuid-Limburg fase 2' (Atrivé) en het 'Regionaal afwegingskader wonen Maastricht-Heuvelland' (Stec-groep). De onderzoeken hebben geleid tot de volgende algemene inzichten:
Woonmilieus:
Er zijn drie milieus in deze woonregio: stedelijk, suburbaan en landelijk:
Kansen:
Afspraken:
In de regio zijn de volgende afspraken gemaakt:
Conclusie
Met onderhavig plan worden maximaal 32 (levensloopbestendige) woningen gerealiseerd. Echter, er worden ook 62 (sterk verouderde) woningen gesloopt. Hierdoor neemt het aantal woningen per saldo af met 30 woningen. Met het planvoornemen wordt beoogd woningen te realiseren die beter aansluiten op de kwalitatieve en kwantitatieve lokale woningbehoefte en wordt een flinke kwaliteitsslag gemaakt.
Dat aan de te realiseren woningen zowel kwantitatief als kwalitatief gezien behoefte bestaat binnen de gemeente Stein volgt uit paragraaf 3.4.1 van deze toelichting.
Het plangebied is gelegen in een suburbaan milieu, wat inhoudt dat de doelstelling 'verdunning' (van de woningaantallen) is en waarbij dient te worden ingezet op kwaliteit en transformatie. Zoals gezegd neemt - als gevolg van onderhavig plan - het aantal woningen af, waardoor sprake is van een verdunning van de woningvoorraad. Daarnaast vindt binnen het plangebied een sterke kwaliteitsverbetering van de woningen plaats, door de huidige (verouderde) woningen te slopen en daarvoor in de plaats kwalitatief hoogwaardige woningen te bouwen geschikt voor zowel starters als senioren.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat onderhavig bestemmingsplan past binnen de Structuurvisie Wonen Zuid-limburg.
Samen met de andere gemeenten van de Westelijke Mijnstreek (gemeente Beek, voormalige gemeente Schinnen en de gemeente Sittard-Geleen) heeft de gemeente Stein de 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' opgesteld, welke in 2020 is vastgesteld.
De gemeenten van de Westelijke Mijnstreek (waaronder dus de gemeente Stein) zien zich geconfronteerd met de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio en de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt op schaal van de Westelijke Mijnstreek.
Met de transformatievisie willen de gemeenten inzetten op levendige kernen en aantrekkelijke woonmilieus, waarin de leefkwaliteit voorop staat. Het wordt belangrijk geacht om de eigenheid van de verschillende woonmilieus te (her)ontdekken en te versterken. In de visie vindt hierom een differentiatie plaats naar verschillende types van woonmilieus in de regio. Hiermee sluit de transformatievisie goed aan op de 'Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg' (zie hiervoor paragraaf 3.4.1).
Aan ieder type woonmilieu wordt vervolgens een concrete transformatieopgave gekoppeld, waarbij de volgende vier pijlers worden toegepast:
De ambitie is om niet alleen de uitdagingen op het gebied van demografie en woningvoorraad aan te gaan, maar ook om te bouwen aan een toekomstbestendige, veerkrachtige ruimte, met oog voor identiteit en leefkwaliteit van de verschillende woonomgevingen en aangepast aan de veranderende woonwensen/-eisen.
Toepassing en conclusie
Het plangebied is volgens de synthesekaart van de transformatievisie gelegen binnen het woonmilieu 'verstedelijkte kern' (zie onderstaande kaartuitsnede).
Kaartuitsnede synthesekaart 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' (deel II - Ruimtelijke Visie)
Volgens de 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' worden de verstedelijkte kernen gekenmerkt door haar historische centra met commerciële en maatschappelijke voorzieningen enerzijds en monotone suburbane woonwijken anderzijds. De monotone woonwijken dienen te veranderen naar groene woonomgevingen met meer landschap voor iedereen. Het centrum dient te worden uitgebouwd tot een nog sterkere voorzieningenknoop en maatschappelijke voorzieningen dienen te worden versterkt. De publieke ruimte dient daarbij als belangrijke ontmoetingsplek.
In een verstedelijkte kern is het aangenaam wonen voor jong en oud, met voorzieningen (en ontmoetingsplekken) op korte afstand. Kwetsbare woningen dienen te worden gesloopt of getransformeerd ten voordele van nieuwe of grondig gerenoveerde duurzame en levensloopbestendige woningen. Daarnaast dient voor wat betreft de woningvoorraad rekening te worden gehouden met maatschappelijke tendenzen en demografische ontwikkelingen (zoals de voorziene vergrijzing). Als voorbeeld wordt genoemd dat men kan voorzien in collectieve ouderenwoningen in markante gebouwen die een nieuwe invulling zoeken. Een ander voorbeeld is dat men kan slopen of verdunnen ten voordele van nieuwe levensloopbestendige schakelwoningen. Naast de grotere projecten kunnen op kleinere schaal ook woningen samengevoegd en gerenoveerd worden om aan de toekomstige woonwensen te voldoen. Tot slot kunnen beeldbepalende gebouwen ook met gemeenschapsfuncties worden ingevuld, zoals een buurt- of jeugdhuis.
Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in de realisatie van 32 duurzame levensloopbestendige woningen die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. De woningen zijn onder andere geschikt voor senioren. Hierdoor wordt goed rekening gehouden met de voorziene vergrijzing in Stein. De huidige (sterk verouderde) woningen binnen het plangebied, in totaal 62 woningen, worden gesloopt, waardoor een verdunning van de woningvoorraad plaatsvindt. Daarnaast wordt voorzien in een groene woonomgeving binnen het plangebied, waar het aangenaam wonen is en de bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Ook zijn op loopafstand (op een afstand van ca. 160 meter) de centrumvoorzieningen gelegen.
Onderhavig planvoornemen past naar aard en omvang derhalve goed binnen het woonmilieu 'verstedelijkte kern'. De 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen, waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding is.
De gemeenteraad van de gemeente Stein heeft op 26 februari 2015 de 'Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025' vastgesteld. In deze structuurvisie heeft de gemeente de hoofdlijnen voor voorgenomen ontwikkelingen en het door de gemeente te voeren (ruimtelijke) beleid vastgelegd. De structuurvisie geeft ook aan op welke wijze de gemeente van plan is de voorngenomen ontwikkelingen daadwerkelijk te realiseren.
De structuurvisie geeft invulling aan de strategische toekomstvisie 'Het Stein van morgen' dat het strategische beleid voor de periode 2011-2021 vormde. In deze visie verlegt de gemeente de ambitie van groei naar de borging van ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie is tot stand gekomen door de inbreng van vele mensen. Het samenspel tussen overheden, inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden wordt als belangrijk punt voor de ruimtelijke ontwikkelingen van Stein aangemerkt.
De volgende kernpunten zijn in de ruimtelijke structuurvisie geformuleerd:
Als kernopgave voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Stein wordt de vergrijzing en ontgroening genoemd. Geïnvesteerd moet worden in de kwaliteit en leefbaarheid van de dorpen binnen de gemeente.
Als één van de belangrijkste speerpunten wordt in de structuurvisie genoemd: het (her)invullen van lege plekken die ontstaan in het bebouwd gebied en het herinvullen van gebouwen die als gevolg van demografische veranderingen dan wel maatschappelijke ontwikkelingen leeg komen te staan. Andere speerpunten zijn het participeren van bewoners in ruimtelijke ontwikkelingsprocessen en het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk.
Conclusie
Met onderhavig plan wordt voorzien in een herstructurering binnen het bestaand stedelijk gebied. De reeds aanwezige woningen (in totaal 62 woningen) binnen het plangebied zijn inmiddels sterk verouderd. Hierom worden deze woningen gesloopt en worden ten voordele daarvan 32 levensloopbestendige (grondgebonden) woningen gerealiseerd. Het betreffen kwalitatief hoogwaardige woningen, onder andere geschikt voor ouderen. Daarnaast krijgt het plangebied een ruime en groene uitstraling, waar men kan recreëren en elkaar ontmoeten. De aanwezige bomen blijven zo veel als mogelijk behouden.
Met onderhavig planvoornemen wordt derhalve nadrukkelijk rekening gehouden met de kernopgave: vergrijzing en ontgroening.
Kortom, het plan past binnen de beleidskaders die worden gesteld in de 'Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025'. De structuurvisie levert derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
De gemeenteraad van de gemeente Stein heeft op 17 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' vastgesteld. Deze omgevingsvisie betreft een strategische integrale visie voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Stein voor de komende jaren. De fysieke leefomgeving is breder dan alleen de ruimtelijke aspecten. Ook ontwikkelingen op het gebied van onder andere cultureel erfgoed, economie, veiligheid en gezondheid, duurzaamheid en landschap krijgen een plek in deze visie. De omgevingsvisie is een uitwerking van de 'Strategische toekomstvisie 2018-2022' en geeft verder richting aan welke gemeente de gemeente Stein wil zijn op het gebied van de fysieke leefomgeving.
De vijf thema's die in de omgevingsvisie van de gemeente Stein centraal staan, zijn:
Specifiek voor de woonkernen, waarvan onderhavig plangebied onderdeel uitmaakt, geldt dat met name de thema's 'sociale en vitale wijken en kernen' en 'veilige, gezonde en groene leefomgeving' (thema's 1 en 2) van belang zijn. Uitgangspunten daarbij zijn onder andere dat de identiteit en unieke kenmerken van de wijk of kern centraal komen te staan en dat primair de focus komt te liggen op de versterking van vitale stedelijke en landelijke centrumkernen. In het kader van het versterken van de leefkwaliteit dient een balans te bestaan tussen enerzijds bedrijvigheid in de woonkernen en anderzijds een veilige, gezonde en groene leefomgeving. In de centrumkernen moeten de functies zoveel als mogelijk worden gecentraliseerd, behouden en versterkt. Daarnaast wordt een veilige, gezonde en groene leefomgeving geacht een belangrijke voorwaarde te zijn voor de versterking van de leefkwaliteit in de gemeente Stein. De energietransitie (thema 5) loopt als een rode draad door voornoemde thema's en uitgangspunten heen.
Conclusie
Het planvoornemen draagt nadrukkelijk bij aan de eerste twee thema's, namelijk de thema's 'sociale en vitale wijken en kernen' en 'veilige, gezonde en groene leefomgeving'. Zo wordt met de beoogde sloop en nieuwbouw voorzien in duurzame en kwalitatief goede levensloopbestendige woningen, waaraan binnen de kern Stein behoefte bestaat. Ook krijgt het plangebied een groene uitstraling met voldoende ruimte voor voet- en fietspaden en speelvoorzieningen. De aanwezige bomen worden zoveel als mogelijk gehandhaafd. Het noordelijke gedeelte van de wijk Nieuwdorp krijgt derhalve een positieve kwaliteitsimpuls, waar men wordt gestimuleerd te bewegen, te recreëren en elkaar te ontmoeten. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan het creëren van een sociale en vitale wijk (en kern) en een veilige, gezonde en groene leefomgeving. Op welke wijze in onderhavig plan rekening wordt gehouden met de energietransitie staat beschreven in paragraaf 3.5.5 van deze toelichting.
Gelet op het voorgaande wordt concludeerd dat de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De 'Woonzorgvisie Stein 2023-2028' is op 28 september 2023 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze visie staat beschreven wat de gemeente Stein voor ogen heeft op het gebied van wonen én de zorg- en ondersteungingsbehoefte in relatie tot wonen. Het betreft een uitwerking van het thema wonen van de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' (zie paragraaf 3.5.2) en hangt nauw samen met het regionaal (en provinciaal) woonbeleid, waaronder de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) zie paragraaf 3.4.1.
In de Woonzorgvisie staan de navolgende ambities beschreven.
In de Woondeal wordt voor de Westelijke Mijnstreek (gemeenten Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein) uitgegaan van de realisatie van in totaal 2.875 woningen (bruto) voor de periode 2022 tot en met 2030 (waarvan 655 woningen in de periode 2022-2024 en 2.220 woningen in de periode 2025-2030). Daarnaast is de ambitie uitgesproken om additioneel 1.650 woningen te realiseren vóór eind 2030.
Dit betreft weliswaar een stevige ambitie, maar daarbij geldt dat de gemeente Stein zich niet laat leiden door woningaantallen. Kwaliteit voor de nieuwe woningen en verbetering van de leefomgeving staat voorop. Oftewel: "eerst de kwaliteit en dan pas de kwantiteit". Ingezet wordt op een zorgvuldige verdichting van het bestaand bebouwd gebied, waardoor de woningvoorraad beter aansluit op de lokale behoefte.
Hierna is beschreven hoe onderhavig plan zich verhoudt tot de Woonzorgvisie Stein 2023-2028 en de Woondeal.
Conclusie
Het planvoornemen gaat uit van de realisatie van kwalitatieve woningen en draagt nadrukkelijk bij aan een verbetering van de leefomgeving. De realisatie van de beoogde 32 levensloopbestendige woningen geeft immers een positieve (kwaliteits)impuls aan de omgeving. De wijk Nieuwdorp krijgt, in plaats van sterk verouderde woningen (en garageboxen), woningen die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd en waaraan daadwerkelijk behoefte bestaat. Ook nodigt de nieuwe inrichting van het plangebied uit tot bewegen, recreëren en elkaar ontmoeten. De beoogde nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving en de aanwezige bomen blijven zoveel als mogelijk behouden. Het planvoornemen past derhalve binnen de 'Woonzorgvisie Stein 2023-2028'.
Tot slot wordt onderhavig plan in de Woondeal specifiek aangeduid als zijnde 'sleutelproject', waardoor het planvoornemen ook past binnen de Woondeal.
In het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein' van 5 oktober 2016 is het groenbeleid van de gemeente Stein nader uitgewerkt. Dit is voor zowel het buitengebied als de kernen afzonderlijk gedaan.
Volgens het groenbeleidsplan kennen de groen- en bomenstructuren van de kernen in de huidige situatie bijzondere groene (landschappelijke) elementen. De samenhang en herkenbaarheid van de kernen komt echter onvoldoende tot uiting in het groen. De visie voor de kernen is dan ook:
Concreet voor de wijk Nieuwdorp komt, voor zover relevant voor onderhavig plan, het volgende uit het groenbeleidsplan naar voren:
Daarnaast volgt uit onderstaande beleidskaart dat het aanwezige groen binnen het plangebied duurzaam moet worden behouden, versterkt en geoptimaliseerd. Voor de bomenrijen geldt ook dat deze duurzaam moeten worden behouden.
Uitsnede beleidskaart afkomstig uit het Groenbeleidsplan gemeente Stein (pagina 110).
Conclusie
Met onderhavig planvoornemen blijven de aanwezige bomen in het plangebied zoveel als mogelijk behouden en wordt de groene inrichting van het plangebied waar mogelijk versterkt (zie ook paragraaf 2.3 van de toelichting). In het noordoostelijke (groene) gedeelte van het plangebied wordt een flora- en fauna-toren gerealiseerd, onder andere vanwege de aanwezige vleermuizen en gierzwaluwen binnen het plangebied. De beoogde nieuwbouwwoningen worden zorgvuldig ingepast in de omgeving. Gelet op de groene inrichting van het plangebied past onderhavig plan goed binnen de visie van het groenbeleidsplan.
Onderhavig plan past dus goed binnen de visie van het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein', waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding komt.
Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Stein de 'Energievisie Gemeente Stein 2018-2021' vastgesteld. Met deze visie wordt gewerkt aan een energieneutrale gemeente Stein. Als uitdaging wordt genoemd dat alle woningen en gebouwen vóór 2030 van het aardgas af moeten. Derhalve vormt 'gasloos bouwen' binnen de visie een belangrijk aandachtspunt. Verder wordt als duurzame energie de energie afkomstig van de restwarmte van Het Groene Net (afkomstig van Chemelot) en zonnepanelen genoemd.
Volgens de energievisie moet de gemeente Stein op 'proactieve wijze, in de voorhoede' fors inzetten op nieuwe initiatieven en projecten (energiebesparing, duurzame energieopwekking en inkoop van duurzame energie). De opgave voor de gemeente Stein is om met minimale impact op middelen, capaciteit en ruimte maximaal effect te sorteren.
Conclusie
Bij voorliggend planvoornemen is 'gasloos bouwen' het uitgangspunt. Daarnaast dient, als gevolg van Europese wetgeving, te worden gebouwd conform de BENG-normen. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG), zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving). Ook zal gebruik worden gemaakt van zonnepanelen (op de daken van de woningen).
Gelet op het voorgaande is het planvoornemen passend binnen de Energievisie van de gemeente Stein.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen de diverse milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden steeds dichter naar elkaar toe. De milieu- en omgevingskwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden welke milieu- en omgevingsaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende milieu- en omgevingsaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Een belangrijke wijziging die in het Besluit mer is aangebracht, is dat voor de vraag of een mer-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet mer-(beoordelings)plichtig. De criteria als bedoeld betreffen:
Het planvoornemen voorziet, binnen het bestaand stedelijk gebied, in de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Momenteel zijn binnen het plangebied nog 62 (voornamelijk gestapelde) woningen met bijbehorende voorzieningen aanwezig. Hierdoor is sprake van een herstructurering c.q. transformatie van de bestaande bebouwing in het noordelijke gedeelte van de wijk Nieuwdorp.
Het aantal woningen neemt per saldo af met 30 woningen, en ook de bouwmassa binnen het plangebied neemt af. Van extra (planologisch) ruimtebeslag en/of een functiewijziging is derhalve geen sprake.
Het plangebied is gesitueerd in het noordelijke gedeelte van de (woon)wijk Nieuwdorp te Stein en ligt aan drie zijden 'ingeklemd' tussen bestaande bebouwing. De noordelijke zijde van het plangebied wordt begrensd door de Diepenbeekstraat (met groenstrook) en een geluidswerende voorziening met daarachter de Rijksweg A76. De bestaande bebouwing in de nabije omgeving van het plangebied bestaat uitsluitend uit grondgebonden woningen. Ten zuiden van het plangebied zijn, op een afstand van circa 160 meter, enkele kleinschalige centrumvoorzieningen gelegen. Een uitgebreidere omschrijving van de omgeving, en de inpassing van onderhavig plan daarin, is opgenomen in de paragrafen 2.2 en 2.3 van deze toelichting.
In de Wet natuurbescherming is de bescherming van de Natura 2000-gebieden vastgelegd. Natura 2000 betreft de natuurparels die vanwege hun natuurwaarden Europese bescherming genieten, hetgeen in Nederland inhoudt, dat werkzaamheden of ontwikkelingen in (de nabijheid van) deze gebieden getoetst dienen te worden aan de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt niet in, noch in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Grensmaas (op een afstand van ca. 1,1 kilometer) en het Bunder- en Elslooërbos (op een afstand van ca. 2,0 kilometer).
Gezien deze afstanden zijn er geen significante effecten op dit gebied te verwachten ten aanzien van geluid, licht en trillingen. Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van stikstofdepositie op dit gebied (zie in dit verband paragraaf 4.11.3). De instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten blijven gewaarborgd. Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig onderzocht en hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen en de omgeving. In onderhavig hoofdstuk (hoofdstuk 4) zijn de betreffende milieuaspecten, alsmede de uitgevoerde onderzoeken nader beschreven.
Als gevolg van de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen, binnen het bestaand stedelijk gebied, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zullen optreden op de in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en (te verwachten) beschermde soorten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige significante effecten zijn te verwachten. Een verdere (vormvrije) mer-beoordeling wordt derhalve niet noodzakelijk geacht, gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en dat er geen nadelige significante effecten te verwachten zijn.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.
In dat kader is een historisch bodemonderzoek conform NEN-5725 (d.d. 29 september 2023, met kenmerk: E231679.001/HWO) uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting bijgevoegd.
Uit dit historisch bodemonderzoek is gebleken dat uit de voorhanden zijnde historische informatie geen specifieke aanwijzingen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen gevonden, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging.
Wel is geconstateerd dat er binnen onderhavig plangebied in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden, zoals de aanleg van parkeergarages en de aanleg van de met klinkers verharde straten: Tripsstraat en Loonstraat, waarbij ten gevolge van deze activiteiten mogelijk (ongewenste) fundatiematerialen in de bodem terecht zijn gekomen dan wel bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden, althans dit kan op voorhand niet worden uitgesloten. De overige straten binnen onderhavig plangebied (waaronder de Baesweilerstraat en Kuringenstraat) zullen niet worden gewijzigd (voor wat betreft functie en/of ligging), waardoor deze straten verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
Aangezien ten aanzien van onderhavig plangebied geen eerdere specifieke (bodem)onderzoeken voorhanden zijn, dient een verkennend bodem- en asbestonderzoek (conform NEN-5740 en NEN-5707) te worden uitgevoerd. Dit verkennend bodem- en asbestonderzoek kan gelijktijdig met het doorlopen van deze bestemmingsplanprocedure worden opgestart en uitgevoerd.
Uit het uitgevoerde historisch bodemonderzoek blijkt dat nader onderzoek in de vorm van een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN-5740 en NEN-5707 noodzakelijk is om de bodemkwaliteit beter inzichtelijk te maken. Op basis van dit verkennend onderzoek zal dan blijken of de bodemkwaliteit voldoende is om het planvoornemen te realiseren. Mocht uit dit verkennend onderzoek eventueel blijken dat sprake is van een verontreiniging dan zal de noodzakelijke sanering van de bodem aan de hand van een plan van aanpak plaatsvinden zodat de bodem geschikt is voor het planvoornemen. Dit zal dan plaatsvinden vooraf of gelijktijdig met het bouwrijp maken van het plangebied. Aangezien ten aanzien van bodem nog niet volledig is aangetoond dat het aspect bodem geen belemmering vormt en nog verkennend en eventueel nader onderzoek noodzakelijk is, is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen binnen de verschillende bestemmingen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaald dat er pas gesloopt en gebouwd mag worden als uit verkennend en eventueel nader onderzoek is gebleken dat het aspect bodem geen belemmering meer is voor het beoogde planvoornemen.
Het aspect bodem is nog niet volledig onderzocht. Er is nog nader onderzoek nodig in de vorm van een verkennend bodem- en asbest onderzoek. Om te waarborgen dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen is ten aanzien van bodem een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Deze wet voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (bijvoorbeeld de aanpassing van een weg) mogelijk maakt, dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Onderhavig plan voorziet niet in een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron. Daarentegen voorziet dit plan wel in de realisatie van 32 woningen, hetgeen in het kader van de Wet geluidhinder wordt aangemerkt als geluidsgevoelig object.
De Wet geluidhinder (artikel 76, lid 1 Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt.
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A76 (voor het overige is het plangebied omgeven met 30 km/uur-wegen). Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
Het rapport van het uitgevoerde akoestisch onderzoek d.d. 15 december 2023 (met kenmerk: M230069.001.001.R1/JME) is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting.
De geluidsbelasting afkomstig van de Rijksweg A76 op de gevels van de woningen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 5 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt echter nergens overschreden, waardoor het mogelijk is om gebruik te maken van een hogere grenswaarde. Aangezien het aanleggen van overdrachts- en/of bronmaatregelen (zoals een geluidwal- of scherm of geluidreducerend wegdek) tegen overwegende bezwaren van financiële aard aanloopt, wordt ervoor gekozen om parallel aan onderhavige bestemmingsplanprocedure een procedure hogere grenswaarde te doorlopen.
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een spoorweg. Het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Verder geldt dat de woningen, zijnde geluidsgevoelige objecten, worden gerealiseerd binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein (industrieterrein Chemelot). In het vigerend bestemmingsplan 'Kern Stein' is daarom ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie' opgenomen (zie ook paragraaf 1.3 van deze toelichting). Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige objecten (in dit geval woningen) binnen een dergelijke geluidszone dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 50 dB(A) niet overschreden wordt.
Vanwege de ligging van onderhavig plangebied (en de te realiseren woningen) binnen de geluidszone van het industrieterrein Chemelot dient (ingevolge artikel 48, lid 1 Wgh) middels een akoestisch onderzoek naar industrielawaai de geluidbelasting op de gevels inzichtelijk te worden gemaakt.
Uit het voornoemde (akoestisch) onderzoeksrapport d.d. 15 december 2023 (zie Bijlage 2) volgt dat de geluidsbelasting op het plangebied afkomstig van het industrieterrein Chemelot ten hoogste 54 dB(A) bedraagt. Aangezien dit hoger is dan de wettelijke grenswaarde van 50 dB(A) (maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde) zal parallel aan onderhavige bestemmingsplanprocedure een procedure hogere grenswaarde worden doorlopen. Omdat onderhavig plan vervangende nieuwbouw betreft binnen de geluidzone van Chemelot. Bij de bestaande woningen die worden vervangen is bij zonevaststelling van het industrieterrein een hogere grenswaarde van 55 dB(A) vastgesteld. Voor deze woningen dienen hogere waarden vastgesteld te worden die gelijk zijn aan de grenswaarde die gelden voor de bestaande (te vervangen) woningen te weten: 55 dB(A).
Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief correctie artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In onderhavig geval betreft dit de Rijksweg A76 en het industrieterrein Chemelot.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met het akoestisch onderzoek d.d. 31 oktober 2023 (zie Bijlage 2) de cumulatieve geluidsbelasting op onderhavig plangebied bepaald. Hierbij zijn niet alleen de Rijksweg A76 en het industrieterrein Chemelot betrokken, maar ook de nabij gelegen 30 km/uur-wegen. De gecumuleerde waarde is getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 59 dB (kwalificatie 'matig'). Hierom is bezien of maatregelen mogelijk zijn. In paragraaf 4.4.2 van deze toelichting is reeds aangegeven dat overdrachts- en/of bronmaatregelen (zoals een geluidwal- of scherm of geluidreducerend wegdek) op overwegende bezwaren van financiële aard stuiten. Dit betekent dat de oplossing gezocht dient te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel.
Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Hieraan kan bij nieuwbouw goed worden voldaan. Het plan is derhalve uitvoerbaar en daarmee is sprake van een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat.
Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zal afnemen.
Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Indien een warmtepomp een instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (silent-/nachtmodus) mag ingevolge de Regeling Bouwbesluit 2012 voor de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00 uur) een correctie van -5 dB worden toegepast. Uit het Bouwbesluit 2012 (en bijbehorende regeling) volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van een warmtepomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels.
Om die reden is in beeld gebracht wat de cumulatieve akoestische gevolgen zijn van de toepassing van warmtepompen voor het planvoornemen. Daarbij wordt ingegaan op de gevolgen daarvan voor de omliggende bestaande woningen en de nieuw te realiseren woningen, waarbij wordt uitgegaan van een (theoretische) situatie waarin alle nieuw te realiseren woningen een eigen warmtepomp krijgen.
Uit de als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 16 augustus 2023, met kenmerk: M230069.001.002/JME) blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting afkomstig van de warmtepompen de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (45 dB(A) voor de dagperiode en 40 dB(A) voor de avond- en nachtperiode) niet zullen overschrijden.
Gelet op het voorgaande en de eisen die in het Bouwbesluit 2012 worden gesteld aan afzonderlijke warmtepompen, wordt geconcludeerd dat bij de toepassing van warmtepompen ten behoeve van onderhavig planvoornemen geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee geen strijdigheid ontstaat met een goede ruimtelijke ordening.
Het aspect geluid vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Stein beschikt niet over dergelijk geurhinderbeleid of een geurverordening.
Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 32 (levensloopbestendige) woningen. Woningen geven geen geuroverlast voor de nabije omgeving, maar worden gekwalificeerd als zijnde geurgevoelig object. Om deze reden dient aandacht te worden besteed aan het aspect geurhinder.
Het plangebied is gelegen in het noordelijke gedeelte van de (woon)wijk Nieuwdorp te Stein. In de nabije omgeving van het plangebied (binnen een straal van 300 meter vanaf de nieuw te realiseren woningen) bevinden zich geen inrichtingen die stank- of geuroverlast (kunnen) veroorzaken. Ter plaatse van het plangebied is ten aanzien van het aspect geur dan ook geen overlast te verwachten.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 (lid 1) van de Wet Milieubeheer geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijnstof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogt, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving. Met onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 32 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt, waardoor het plan als NIBM is aan te merken.
Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Ingevolge de kencijfers van CROW voorziet het planvoornemen in een gemiddelde verkeersgeneratie tussen de 166,4 en 192 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (zie ook paragraaf 4.13 van deze toelichting). Daarbij wordt overigens opgemerkt dat als gevolg van onderhavig planvoornemen 62 bestaande woningen worden gesloopt, waardoor het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van onderhavig planvoornemen per saldo juist afneemt.
NIBM-tool
Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM, uitgaande van de realisatie van maximaal 32 woningen, zonder daarbij rekening te houden met de sloop van 62 woningen. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
Uitsnede NSL-monitor
Op bovenstaande kaartuitsnede is de globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de twee meest nabij gelegen rekenpunten (op de Rijksweg A76 en Heerstraat Zuid) voor de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zwarte pijlen) inzichtelijk gemaakt.
De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2021 zijn als volgt:
Voor het peiljaar 2030 is de volgende prognose aan jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gesteld:
De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m³) en PM2,5 (20 µg/m³) wordt zowel in 2021 als in 2030 niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie (PM10) is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:
Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Bevi geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.
Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.
Op grond van artikel 13 Bevi dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 32 woningen. Volgens artikel 1 Bevi worden woningen als kwetsbare objecten aangewezen. Opgemerkt wordt dat als onderdeel van onderhavig planvoornemen ook 62 woningen worden gesloopt, waardoor het aantal woningen per saldo afneemt met 30 woningen.
In de nabije omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig (met de bijbehorende afstanden tot het plangebied):
| Risicobron | Afstand tot het plangebied | |
| 1. | Rijksweg A76 | ca. 35 meter |
| 2. | Rijksweg A2 | ca. 1 kilometer |
| 3. | Maascorridor | ca. 980 meter |
| 4. | Hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding | ca. 480 meter |
| 5. | ARG-leiding en MVC-leiding | ca. 810 meter |
| 6. | Gasdrukregel- en meetstation van Gasunie | ca. 455 meter |
| 7. | Schietsportcentrum Stein | ca. 460 meter |
| 8. | Chemelot industrieterrein | ca. 1,1 kilometer |
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (lichtblauwe contouren)
Transportroutes
De Rijksweg A76 is op een afstand van circa 35 meter tot het plangebied gelegen. Volgens de Regeling Basisnet bedraagt de plaatsgebonden risicocontour (10-6) voor de Rijksweg A76 (Grens België - Knooppunt Kerensheide) 13 meter en het plasbrandaandachtsgebied 30 meter aan weerzijden van het betreffende wegvak (gemeten vanaf de buitenste kantstrepen).
Gelet op de afstand van het plangebied tot de transportroutes (Rijksweg A76, Rijksweg A2 en Maascorridor) zijn voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot het plasbrandaandachtsgebied en de plaatsgebonden risicocontour (10-6).
Het plangebied bevindt zich daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A76 (stofcategorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF1, GF2, GF3 en GT3) en de Maascorridor (stofcategorie GT3). Ten aanzien hiervan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig.
Buisleidingen
De buisleidingen (hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding, en ARG-leiding en MVC-leiding) liggen op een dusdanige afstand tot het plangebied, dat de buisleidingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen.
Inrichtingen
Voor de inrichtingen gasdrukregel- en meetstation van Gasunie en schietsportcentrum Stein geldt dat deze inrichtingen op een zodanige afstand tot het plangebied zijn gelegen, dat de inrichtingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen.
Voor wat betreft het industrieterrein Chemelot geldt dat het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 (en 10-7 en 10-8) ligt. Daarentegen ligt het plangebied wel binnen het invloedsgebied (maatgevende scenario 'toxische wolk'), waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig is.
Beperkte verantwoording groepsrisico
Doordat als gevolg van onderhavig planvoornemen het aantal woningen binnen het plangebied per saldo afneemt (van 62 woningen naar 32 woningen) en de nieuwe woningen op een grotere afstand tot de Rijksweg A76 komen te liggen, neemt logischerwijs ook het groepsrisico ter plaatse af. Desondanks is er een beperkte verantwoording van het groepsriscio noodzakelijk. Voor de volgende scenario's wordt dan ook ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid:
Zelfredzaamheid en handelingsperspectief
A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. In geval van een calamiteit met een toxische stof dienen personen binnen te blijven. De mate waarin de bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. In nieuwe bouwwerken wordt geadviseerd een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd (e.e.a. conform Bouwbesluit 2012).
Rijksweg A76
Bij een BLEVE-scenario op de rijksweg A76 is het handelingsperspectief voor de personen binnen het plangebied binnen blijven. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het landelijke alarmsysteem (NL-Alert) toe te passen. Bestrijding vindt plaats bij de bron. De Veiligheidsregio han-teert protocollen die toegespitst zijn op het bestrijden van rampen met gevaarlijke stoffen.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
In het geval van een calamiteit op de rijkswegen A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot is het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar onder andere via de Suttnerstraat. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen of secundaire brandhaarden blussen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om:
Daarnaast is de Veiligheidsregio Zuid-Limburg ten aanzien van het groepsrisico om advies gevraagd. Op 6 december heeft de veiligheidsregio haar advies (Bijlage 4) uitgebracht, waarin de volgende adviezen worden gegeven:
Hittestralingsscenario's
Om te voorkomen dat de gebouwen gaan branden kunnen maatregelen worden genomen:
Toxische scenario's
Bluswatervoorziening en bereikbaarheid
Bovenstaande adviezen hebben met name betrekking op de uitwerking van de (bouw)plannen in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Bij de verdere uitwerking van deze (bouw)plannen zal dan ook (waar mogelijk) rekening worden gehouden met deze adviezen en invulling aan worden gegeven.
In de planregels is een regeling opgenomen ten behoeve van de bereikbaarheid van voor mensen toegankelijke bouwwerken en de aanwezigheid van (voldoende) bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor brandweerauto's (zie artikel 7.2 en 7.3).
In het kader van externe veiligheid hebben de provincie Limburg, de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek, Stichting Chemelot, Chemelot Site Permit (CSP) en DSM nadere afspraken gemaakt over het versterken van de veiligheid rondom Chemelot. Met deze afspraken creëren de partijen een nog veiligere leefomgeving rondom de site Chemelot.
De afspraken passen in de ambitie om de kwaliteit van de leefomgeving van Chemelot te verhogen. Deze ambitie ligt vast in de Strategische Gebiedsvisie Omgeving Chemelot. De gemeenten worden beschermd tegen ongewone voorvallen en er worden afspraken gemaakt over nieuwe ontwikkelingen binnen en buiten Chemelot. De afspraken gaan verder dan de huidige wet- en regelgeving.
Het convenant is van toepassing op nieuwe initiatieven binnen en buiten Chemelot. Maar ook op ingrijpende veranderingen aan bestaande installaties die een veranderend risicoprofiel met zich meebrengen. Er wordt een pilot gestart om nieuwe initiatieven te beoordelen op integrale veiligheid. Het gaat hierbij om externe veiligheid, maar ook om andere veiligheidsaspecten en economische meerwaarde. Ook worden keuzes gemaakt op basis van best beschikbare technieken op het gebied van veiligheid.
De omliggende gemeentes (Sittard-Geleen, Stein en Beek) op hun beurt stemmen de ruimtelijk-planologische ontwikkeling van het gebied rondom Chemelot af op de aanwezige risico’s.
De partijen hebben afgesproken dat de in het convenant genoemde verplichtingen tegen eind 2025 zijn gerealiseerd. De partijen monitoren de afspraken de komende jaren en sturen deze daar waar nodig bij.
De afspraken hebben betrekking op bijvoorbeeld bestemmingsplannen, omgevingsplannen, vergunningsvoorschriften en contractuele afspraken. Voor iedere partij zijn in het convenant maatregelen opgenomen om de veiligheid op en rondom Chemelot te versterken. Het convenant is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg en de colleges van Burgemeester en Wethouders van Sittard-Geleen, Stein en Beek en de directies van de Stichting Chemelot, CSP en DSM.
De betreffende partijen hebben zich tot het volgende verplicht::
Partijen nemen de in het veiligheidskader gehanteerde uitgangspunten inhoudende:
vooralsnog over en
Bij de verdere uitwerking van de (bouw)plannen zal bezien worden hoe hieraan nader invulling kan worden gegeven.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1.
1 = 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
2 = Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
Uit voorgaande paragraaf is reeds gebleken dat de gesignaleerde buisleidingen op dusdanige afstond tot het plangebied zijn gelegen, dat ze geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen.
In of nabij het plangebied zijn verder geen kabels en/of leidingen aanwezig die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid daarvan planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor onderhavig planvoornemen betekenen. In het straatprofiel van de omliggende wegen (onder andere Diepenbeekstraat, Peldenstraat, Baesweilerstraat, Tripsstraat en Kuringenstraat) zijn wel de reguliere leidingen voor gas, water, elektra en telefonie/internet gelegen. Deze leidingen worden doorgetrokken in de nieuwe ontsluitingswegen om de nieuwe woningen hierop aan te sluiten.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels en leidingen' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.
Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.
Richtafstanden per bedrijfscategorie
Werking handreiking op hoofdlijnen
In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
Samengevat dient men als volgt te werk te gaan:
Gemotiveerd toepassen
Soms is niet geheel duidelijk in welke categorie een bepaalde situatie valt. Ook kan een feitelijke situatie significant verschillen als gevolg van specifieke bedrijfsprocessen, hinderbeperkende maatregelen, de concrete inrichting van het bedrijf en/of de geldende milieuvergunning. De daadwerkelijke milieubelasting kan in dat geval aanzienlijk afwijken van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het bepalen van de standaard richtafstanden.
Dit is de reden dat de Afdeling heeft bepaald dat de richtafstanden niet zondermeer overgenomen mogen worden: er dient te worden gemotiveerd waarom welke afstanden gelden (ofwel waarom een situatie in een bepaalde categorie valt) en waarom hier (eventueel) van kan worden afgeweken. Voor een onderzoek naar de milieuzonering kan daarom concreet en gedetailleerd onderzoek naar de feitelijke milieubelasting zinvol of noodzakelijk zijn. De handreiking bevat hiervoor een aantal stappenplannen.
'Rustige woonwijk/rustig buitengebied' of 'gemengd gebied'
In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes:
Bij het bepalen van het van toepassing zijnde omgevingstype moet niet gekeken worden naar de locatie zelf maar naar het (soort) gebied waarin de locatie ligt.
Wijze van meten van de richtafstanden
De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een milieubelastende bestemming c.q. functie rust tot de grens van het perceel waarop een woning (milieugevoelige bestemming) volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Wanneer deze afstand niet toereikend is, wordt gekeken naar de maximale bouwmogelijkheden.
Met onderhavig plan worden (maximaal) 32 woningen gerealiseerd, hetgeen een (nieuwe) milieugevoelige functie betreft. Hierom moet worden gekeken naar de invloed van en invloed op omliggende milieubelastende functies. Dit gebeurt, zoals gezegd, op basis van de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (hierna: VNG-uitgave). Hieruit blijkt dat bij woningen geen sprake is van een milieuzone ten opzichte van derden. De woningen zelf kunnen echter wel beïnvloed worden door milieuhinder van omliggende functies.
In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende functies. De meest nabij gelegen milieubelastende functies zijn de centrumvoorzieningen aan de Peldenstraat (bedrijven tot en met categorie 2) met een grootste richtafstand van 30 meter. Aangezien de centrumvoorzieningen op een afstand van circa 160 meter tot het plangebied zijn gelegen, zijn ze niet van invloed op de te realiseren woningen.
Geconcludeerd wordt dat de te realiseren woningen geen belemmerende werking hebben op de nabijgelegen milieubelastende functies c.q. bedrijven en andersom de bedrijven geen belemmering vormen voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen. Het aspect bedrijven- en milieuzonering levert derhalve geen belemmering op voor het bestemmingsplan.
Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden.
Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie.
Om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men in beginsel verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.
De gemeente Stein beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart waarin voor het hele gemeentelijke grondgebied de archeologische verwachtingswaarden (indicatief) in beeld zijn gebracht. Deze beleidskaart is in 2019, als onderdeel van het Erfgoedbeleid 2019 van de gemeente Stein, nog geactualiseerd.
Op de archeologische beleidsadvieskaart is het grondgebied van de gemeente Stein ingedeeld in verschillende categorieën. Per categorie wordt over het algemeen een drempel gehanteerd in de vorm van een minimale diepte (beneden maaiveld) en minimale oppervlakte van bodemingrepen.
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met globale aanduiding plangebied (zie rode cirkel)
Tabel ondergrenzen voor archeologisch onderzoek per categorie
Uit de archeologische beleidsadvieskaart volgt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachtingwaarde (categorie 4) geldt. Volgens bovenstaande tabel geldt hiervoor een algehele vrijstelling van archeologisch onderzoek. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de beoogde bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van een locatie waar reeds bestaande bebouwing aanwezig is (woongebouwen en garageboxen) en dus reeds in de grond is geroerd. Hierdoor is in het verleden de bodem binnen het plangebied op dusdanige wijze verstoord dat geen archeologische waarden (meer) zijn te verwachten of kunnen worden geschaad. Wanneer bij het uitvoeren van de (bouw)werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen (en derhalve sprake is van een toevalsvondst), wordt hiervan uiteraard (conform de Erfgoedwet) melding gedaan.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen, waaronder de Natura 2000-gebieden.
Om in te schatten of er binnen het plangebied planten- en/of diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door het planvoornemen, is door Idverde Advies een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De Quickscan flora en fauna d.d. 24 maart 2021 (met kenmerk: 724210036) is bijgevoegd als Bijlage 5.
Quickscan flora en fauna
Als onderdeel van een grote(re) transformatieopgave (verduurzaming, renovatie, sloop en nieuwbouw van 466 woningen in de wijk Nieuwdorp te Stein) zijn ook de aanwezige woningen (en bijbehorende bebouwing) binnen het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten.
De relevante onderzochte bebouwing wordt in de Quickscan flora en fauna aangeduid als:
Ten aanzien van deze bebouwing is een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets uitgevoerd. De biotooptoets (het veldonderzoek) is op 1 maart 2021 uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn hieronder beknopt beschreven.
Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de huismus en vleermuis noodzakelijk.
Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de huismus voor de appartementencomplexen aan de Kamperstraat en Tripsstraat noodzakelijk, evenals vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de gierzwaluw en vleermuis.
Geen vervolgonderzoek noodzakelijk.
Vervolgonderzoek
Naar aanleiding van bovenstaande onderzoeksresultaten uit de Quickscan flora en fauna heeft Idverde Advies een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit aanvullend ecologisch onderzoek d.d. 27 oktober 2021 (met kenmerk: 724210088 & 724210101) is bijgevoegd als Bijlage 6.
In het aanvullend ecologisch onderzoek is o.a. bij de complexen 022 en 221 onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van verschillende soorten vleermuizen, huismus en gierzwaluw.
Huismus
De veldbezoeken in het kader van de huismus hebben op 22 april 2021 en 11 mei 2021 plaatsgevonden. Tijdens deze twee uitgevoerde onderzoeken zijn bij de complexen 022 en 221 geen huismussen, nesten of verblijfplaatsen daarvan aangetroffen. De complexen 022 en 221 maken derhalve geen onderdeel uit van het (essentiële) leefgebied van de huismus.
Gierzwaluw
De veldbezoeken in het kader van de gierzwaluw hebben voor complex 221 op 18 mei 2021, 10 juni 2021 en 8 juli 2021 plaatsgevonden. Voor complex 022 werd in de Quickscan flora en fauna geen vervolgonderzoek naar de gierzwaluw noodzakelijk geacht. Binnen complex 221 zijn in totaal 12 nestplaatsen van de gierzwaluw aangetroffen (zie onderstaande figuur). Alle gierzwaluwnesten bevonden zich aan de voorzijde van het pand, direct onder het dak.
Totaaloverzicht waarnemingen gierzwaluwnesten complex 221
Vleermuis
De veldbezoeken in het kader van de vleermuis hebben bij de complexen 022 en 221 op vijf verschillende momenten plaatsgevonden.
Bij complex 022 zijn waarnemingen gedaan van zowel de kleine dwergvleermuis als de ingekorven vleermuis. De foeragerende vleermuizen zijn aangetroffen ter plaatse van de groenstrook tussen de Diepenbeekstraat en de Rijksweg A76. Het wordt aannemelijk geacht dat deze groenstrook fungeert als (incidentele) vliegroute voor deze vleermuissoorten. Daarnaast is ter plaatse van de woning op de Peldenstraat 63 (tussen de rolluikkast en de muur) een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen.
Bij complex 221 is ter plaatse van het appartementencomplex aan de Tripsstraat (op de kopse kant) een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Daarnaast is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis gevonden ter plaatse van de kopse kant van het appartementencomplex aan de Kuringenstraat.
Aanvraag ontheffing
Vanwege de aanwezigheid van de gierzwaluw en vleermuizen dient voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (artikel 3.1, lid 2 en artikel 3.5, lid 4) te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg. In dit verband dient een activiteitenplan te worden opgesteld. Dit activiteitenplan d.d. 3 oktober 2023 is opgesteld en bijgevoegd als Bijlage 7.
Een mitigatieplan maakt onderdeel uit van het activiteitenplan. Volgens het mitigatieplan dient, naast enkele tijdelijke alternatieve voorzieningen (zoals het plaatsen van gierzwaluwkasten en paarkasten voor vleermuizen), als permanente voorziening een flora- en faunatoren te worden gerealiseerd. De realisatie en instandhouding van deze flora- en faunatoren is in de regels van onderhavig bestemmingsplan geborgd door middel van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting (zie artikel 7.7).
De aanvraag van de ontheffing van de Wet natuurbescherming kan parallel lopen aan onderhavige bestemmingsplanprocedure.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening.
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Grensmaas (op een afstand van ca. 1,1 kilometer) en het Bunder- en Elslooërbos (op een afstand van ca. 2,0 kilometer). De meest nabij gelegen gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen ten westen van de planlocatie (op een afstand van ca. 220 meter).
Kaartuitsnede met afstanden plangebied tot meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden
Kaartuitsnede met afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland
Gelet op genoemde (ruime) afstanden zijn externe effecten, zoals licht, trilling en geluid, als gevolg van onderhavig planvoornemen redelijkerwijs niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voor stikfstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt daarom noodzakelijk geacht.
Door middel van een berekening met de AERIUS-calculator is inzichtelijk gemaakt of het plan bijdraagt in een toename van stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de berekening volgt dat de voorgenomen ontwikkeling in de zogenoemde gebruiksfase én realisatiefase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet is vereist.
De Notitie beoordeling stikstof (9 november 2023, kenmerk J230069) is bijgevoegd als Bijlage 8. Daaruit volgt - gezien het voorgaande - dat er op dit punt geen belemmeringen zijn voor de planontwikkeling.
Het aspect 'ecologie' vormt op basis van de uitgevoerde onderzoeken geen belemmering voor het planvoornemen.
Het doel van de waterparagraaf is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De waterparagraaf vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de waterparagraaf gebruikt om het planvoornemen en de waterbelangen op elkaar af te stemmen.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld d.d. 18 maart 2022), de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021, betreft voor de ruimtelijke aspecten daarvan een structuurvisie conform de Waterwet. Bij het opstellen van dit programma is ook een doorkijk gemaakt naar de aanstaande Omgevingswet. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is voor het waterbeleid een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (zie hiervoor paragraaf 3.2.1).
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De hoofdambities volgens dit programma betreffen:
Hierbij is een integrale aanpak noodzakelijk met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, woningbouw en natuurherstel.
Op provinciaal niveau dient rekening te worden gehouden met het 'Provinciaal Waterprogramma 2022-2027' (vastgesteld d.d. 17 december 2021). Het provinciale programma betreft een uitwerking van de in de Omgevingsvisie Limburg (zie hiervoor paragraaf 3.3.1) opgenomen provinciale belangen op het gebied van water.
De ambitie is om in 2050 een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem te hebben gerealiseerd, waarbij de focus ligt op "kwaliteit". Hiermee wordt bedoeld dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt bevorderd door onder andere:
De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld d.d. 8 december 2021). Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur (en Legger) van het waterschap. Het waterschap beschrijft in het programma onder andere hoe:
Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen met bijbehorende (groen)voorzieningen. Het hemelwater dat valt op de nieuw te realiseren (dak)verhardingen, dient binnen het plangebied te worden opgevangen en te infiltreren in de bodem. De beoogde bebouwing zal volledig worden afgekoppeld van het riool.
Binnen het plangebied is volgens de Legger van het waterschap geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een beschermingszone.
Uitsnede kaart Legger Waterschap Limburg
In de huidige situatie zijn binnen het plangebied aan bestaande bebouwing 62 woningen (en enkele garageboxen) aanwezig. Deze bebouwing wordt als gevolg van onderhavig plan gesloopt. Daarvoor in de plaats worden (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen gebouwd.
Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig (bijvoorbeeld ter plaatse van het noordoostelijke (groene) gedeelte van het plangebied) voor het realiseren van waterhuishoudkundige voorzieningen met voldoende capaciteit ten behoeve van de opvang en infiltratie van het hemelwater afkomstig van verhardingen. Volgens de Keur van het Waterschap Limburg moeten deze voorzieningen een bergingscapaciteit hebben van ten minste 80 millimeter per m2 aan verharding, bij een buiduur van twee uur (neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050), waarbij de waterhuishoudkundige voorzieningen binnen 24 uur weer geheel beschikbaar dienen te zijn. De uitvoering van deze voorzieningen is in de regels van onderhavig bestemmingsplan geborgd door middel van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting (zie artikel 7.6).
Gelet op de 'Voorkeurstabel afkoppelen' wordt geadviseerd een bodemfilter toe te passen, zodat de kwaliteit van de bodem maximaal wordt beschermd tegen verontreiniging. Het bovengronds of ondergronds infiltreren van hemelwater met toepassing van een bodemfilter betreft een acceptabele wijze van afkoppelen. Zie onderstaande tabel.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voldoende ruimte binnen het plangebied beschikbaar is voor de realisatie van waterhuishoudkundige voorzieningen conform de eisen van het waterschap. Dit is ook voldoende geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. De verdere uitwerking daarvan komt aan bod bij het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunning.
Vanuit het oogpunt van waterhuishouding treden geen belemmeringen op voor de beoogde planontwikkeling.
Om te kunnen voorzien in een 'goede ruimtelijke ordening' dient het planvoornemen geen belemmeringen op te leveren voor de omgeving ten aanzien van het aspect 'verkeer en parkeren'.
In dit verband zijn de kencijfers van het CROW en het gemeentelijk parkeerbeleid van belang. De gemeente Stein beschikt over de 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Stein d.d. 25 juni 2013.
Onderhavig planvoornemen maakt de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen mogelijk. Het plangebied wordt via vier zijden ontsloten, namelijk via de Peldenstraat, Kamperstraat, Van Cloudtstraat en Diepenbeekstraat (zie ook het stedenbouwkundig ontwerp in paragraaf 2.3 van deze toelichting). Op deze wegen is een maximale snelheid van 30 km per uur toegestaan. Door het plangebied te voorzien van vier verkeersontsluitingen wordt de verkeersdruk evenwichtig verdeeld over de omgeving.
De kencijfers van het CROW (publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' van december 2018) worden toegepast bij het bepalen van de verkeersproductie als gevolg van onderhavig planvoornemen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de stedelijkheidsgraad is aan te merken als 'weinig stedelijk' en het plangebied is gelegen in het gebied 'rest bebouwde kom'. Dit resulteert voor 32 woningen (huur, huis, sociale huur) in een verkeersproductie van minimaal 166,4 en maximaal 192 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Hierbij wordt opgemerkt dat als gevolg van onderhavig planvoornemen de bestaande (voornamelijk gestapelde) woningen worden gesloopt, in totaal 62 te slopen woningen, waardoor het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van onderhavig planvoornemen per saldo afneemt.
Gezien de ligging van het plangebied in de woonwijk Nieuwdorp is het plangebied overigens ook goed bereikbaar met de fiets of lopend.
Gelet op het voorgaande wordt met onderhavig planvoornemen voorzien in een goede verkeersontsluiting en is geen toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten.
Voor wat betreft het parkeeraspect beschikt de gemeente Stein over een eigen 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein', waarbij de parkeerkencijfers van het CROW als basis zijn genomen. Voor enkele specifieke situaties waarin het gemeentelijk parkeerbeleid niets heeft geregeld, dient hierom te worden teruggevallen op de parkeerkencijfer van het CROW.
Volgens de 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein' (vastgesteld d.d. 25 juni 2013) valt de gehele gemeente Stein voor wat betreft de stedelijkheidsgraad aan te merken als 'weinig stedelijk' (tussen de 500 en 1.000 adressen per km2), waarbij nog wel een onderscheid dient te worden gemaakt tussen centrum, schil/overloopgebieden en rest bebouwde kom. Zoals in de voorgaande paragraaf reeds is aangegeven is het plangebied gelegen binnen het gebied 'rest bebouwde kom'.
Ten aanzien van het realiseren van nieuwe woningen heeft de gemeente Stein in haar parkeerbeleid de volgende parkeernormen opgenomen.
Tabel met parkeernormen voor nieuwe woningen uit de Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein
In de raadsvergadering van mei 2023 is het parkeerbeleidsplan voor de gemeente Stein vastgesteld. In dit parkeerbeleidsplan is onder beleidmatige acties aangegeven dat op korte termijn 1-3 jaar een nota parkeernormen zal worden opgesteld. In deze (korte) nota worden de parkeernomren voor bepaalde functies herzien. Hierin worden met name de uitzonderingen opgenomen zoals terrassen bij restaurants, cafés, ijssalons, die dan in het bruto oppervlak worden meegenomen. Tevens wordt in dezelfde periode een parkeerfonds gevormd voor parkeerplaatsen in de openbare ruimte als niet kan worden voldaan aan de parkeernorm. Er dient dan een vast bedrag betaald te worden om een parkeerplaats op straat te realiseren. Dit bedrag dinet ten goede te komen aan het realiseren van parkeervoorzieningen in de gemeente.
Voorals nog is door de verkeerskundige van de gemeente Stein aangegeven om de volgende parkeernormen te hanteren voor onderhavig planvoornemen:
Voor 32 woningen (patio woning levensloop bestendig, sociale huur) levert dit een parkeerbehoefte op van 51,2 parkeerplaatsen. Onderhavig planvoornemen gaat uit van 59 parkeerplaatsen, waarvan 3 parkeerplaatsen op eigen terrein (zie ook het stedenbouwkundig ontwerp in paragraaf 2.3 van deze toelichting).
Overigens wordt opgemerkt dat als gevolg van onderhavig planvoornemen in totaal 62 bestaande woningen worden gesloopt, waardoor de parkeerbehoefte als gevolg van onderhavig planvoornemen per saldo afneemt.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen.
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.
Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.
De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding.
De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd:
Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'.
Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'.
Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.
Ter plaatse van de bestemming 'Groen' zijn gronden bestemd voor het handhaven en versterken van groenzones/-elementen om daarmee de woon- en omgevingskwaliteit te waarborgen. Binnen de bestemming 'Groen' is de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen (zoals een plantsoen), voet- en fietspaden, voorzieningen van openbaar nut, alsmede waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot gebouwen ten dienste van openbaar nut, erfafscheidingen en de noodzakelijke bouwwerken ten behoeve van het functioneren van de openbare ruimte.
Daarnaast is binnen de bestemming specifiek voorzien in de realisatie van een zogenaamde 'flora- en faunatoren', onder andere vanwege de aanwezige vleermuizen en gierzwaluwen binnen het plangebied.
Deze bestemming is gericht op de afwikkeling van het verkeer. Naast wegverkeer zijn onder meer ook parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. De (ontsluitings)wegen en parkeervoorzieningen binnen het plangebied krijgen de bestemming 'Verkeer'.
De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot gebouwen ten dienste van openbaar nut en de noodzakelijke bouwwerken ten behoeve van het functioneren van de openbare ruimte.
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, met daaraan ondergeschikt aan huis verbonden beroepen, een webshop aan huis en de (overige) daarbij behorende voorzieningen, zoals tuinen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen.
Binnen een bouwvlak mogen het aantal woningen worden gebouwd zoals op de verbeelding is aangeduid. Het betreffen uitsluitend grondgebonden woningen. In de bouwregels is de verdere maatvoering (onder andere maximum bouwhoogte en maximum aantal bouwlagen) binnen het plangebied uitgewerkt. Tevens zijn in de regels nadere bepalingen opgenomen voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels, conform het Bro. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. In de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan is onder andere een regeling opgenomen omtrent ondergronds bouwen ten behoeve van bijvoorbeeld kelders en zwembaden. Ook is een zogenoemde 'voorwaardelijke verplichting' opgenomen ten aanzien van het parkeren, de berging en infiltratie van het hemelwater en het oprichten van een flora- en faunatoren.
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene gebruiksregels, conform het Bro. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. In de algemene gebruiksregels van dit bestemmingsplan is een algemeen gebruiksverbod opgenomen om de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de toegekende bestemming. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:
Dit betreft de nadere aanduiding van samenhangende gebieden gelegen over meerdere bestemmingen waarop een nadere regeling van toepassing is. Gebiedsaanduidingen hebben met name betrekking op sectorale aspecten die ruimtelijk relevant zijn en waaraan een zonering is toegekend. In onderhavig plan betreft het de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie', gerelateerd aan het nabij gelegen industrieterrein Chemelot, en de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - weg 1' en 'vrijwaringszone - weg 2', ten behoeve van de noordelijk gelegen Rijksweg A76.
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag bevoegd is om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om, tenzij anders vermeld, afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
In deze regels wordt aangegeven aan welke procedure dient te worden voldaan bij het stellen van nadere eisen.
In deze regels wordt aangegeven, in het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, het belang van welke bestemming voor gaat.
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, zoals ook voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en omgevingsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Bij de onderbouwing van de economische uitvoerbaarheid van het plan zijn twee aspecten van belang. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of en zo ja, welke kosten aan het planvoornemen zijn verbonden voor de gemeente en tevens dient te worden aangetoond dat het planvoornemen zodanig realistisch is dat het daadwerkelijk kan worden gerealiseerd binnen de planperiode van het bestemmingsplan.
De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Het planvoornemen is aan te merken als een bouwplan als bedoeld in 6.2.1 Bro, waardoor kostenverhaal aan de orde is. Een fasering zoals in punt 2 en de regels onder 3 worden niet noodzakelijk geacht. In onderhavige situatie is het verhaal van de kosten 'anderszins verzekerd', namelijk middels een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partij. Gezien het voorgaande kan dus worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan en is het plan economisch uitvoerbaar.
Samen met de buurt is Zaam Wonen in 2020 gaan onderzoeken wat nodig is in de wijk Nieuwdorp. Waar is men tevreden over? Waar bestaat behoefte aan? Wat kan beter?
Binnen de wijk Nieuwdorp bestaat een sterke behoefte aan kwalitatief goede en levensloopbestendige woningen, met voldoende ruimte, groen en parkeervoorzieningen.
Sinds juli 2021 zijn de bewoners van onder andere de Kamperstraat, Baesweilerstraat, Kuringenstraat en Tripsstraat betrokken bij de ontwikkeling van onderhavig plan, met als doel dat de bewoners in de toekomst prettig en graag in Nieuwdorp kunnen (blijven) wonen. In dit verband zijn in 2022 en 2023 diverse bijeenkomsten georganiseerd voor de bewoners en omwonenden, waarbij de ruimte bestond voor het maken van op- en aanmerkingen ten aanzien van het plan. Bij de totstandkoming van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de behoefte en wensen van de bewoners en omwonenden.
Met onderhavig planvoornemen worden 62 sterk verouderde woningen gesloopt. Daarvoor in de plaats worden 32 levensloopbestendige woningen gebouwd, die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Hiermee wordt voorzien in kwalitatief goede en levensloopbestendige woningen, waarbij ook aandacht is uitgegaan naar het realiseren van ruimte, groen en parkeervoorzieningen.
Gelet op het voorgaande wordt onderhavig plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Overigens bestaat voor een ieder de mogelijkheid, conform de gebruikelijke procedure (zie ook paragraaf 7.1 van deze toelichting), om gedurende de zes weken dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd te reageren op het plan en zijn of haar zienswijzen naar voren te brengen.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande recht doen aan een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. Het bestemmingsplan leidt, na een afweging van de verschillende belangen, tot een aanvaardbare nieuwe invulling van het plangebied.
Voorliggend bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
Voorbereiding
Ontwerp
Vaststelling
Inwerkingtreding
Het bestemmingsplan treedt in werking na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan).
Beroep
Beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is het voor een ieder mogelijk om gedurende de termijn dat het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd (bij de gemeenteraad) een zienswijze in te dienen. Deze mogelijkheid wordt (tevens) in de publicaties van de gemeente kenbaar gemaakt.
Wanneer beroep wordt ingesteld beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal betrokken instanties, zoals het Waterschap Limburg en de Provincie Limburg. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het bestemmingsplan (tijdig) de mogelijkheid te bieden het bestemmingsplan, bijvoorbeeld naar aanleiding van eventuele opmerkingen van de betrokken instanties, desgewenst aan te passen.
Voorliggend plan is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de diverse instanties. Naar aanleiding daarvan hebben de provincie Limburg, DSM en CSP een reactie gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan, waarbij de reacties van DSM en CPS identiek zijn. Deze reacties hebben geleid tot aanpassing en aanvulling van het ontwerpbestemmingsplan zoals dit ter inzage zal worden gelegd. Ook RWS heeft een reactie gegeven en aangeven dat zij akkoord zijn met onderhavig bestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 december 2023, gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 31 januari 2024, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Wel is er een reactie van de provincie Limburg ontvangen. In deze reactie geeft de provincie aan dat zij geen aanleiding zien om ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze in te dienen. Wel adviseren zij in algemene zin om de begripsomschrijving van een nultredenwoning in de planregels zoals gehanteerd door het Woonverbond over te nemen. Naar aanleiding hiervan is het begrip nultredenwoning in artikel 1.43 als volgt aangepast: 'Een woning die intern en extern toegankelijk is. Intern toegankelijk betekent dat vanuit de woonkamer de keuken, het toilet, de badkamer en ten minste één slaapkamer zonder traplopen te bereiken zijn. Extern toegankelijk wil zeggen dat de woonkamer van de woning of woonruimte vanaf de straat te bereiken is zonder traplopen.'
Daarnaast hebben er verder geen ambtshalve aanpassingen plaatsgevonden.
Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan dan ook gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 4 juli 2024.