direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Sportpark Hulsberg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Drie tennisverenigingen binnen de gemeente Nuth hebben de handen ineen geslagen en werken toe naar een gezamenlijke vereniging en een centraal tenniscomplex op de locatie van de huidige tennisvereniging Hulsberg. De gemeenteraad is akkoord gegaan met de aanleg van één centraal tenniscomplex in Hulsberg waar in de huidige situatie voetbal en tennis zijn ondergebracht op één sportpark: Sportpark Hulsberg, ook wel sportpark Aan de Mesweg genoemd.


Het voorgenomen plan omvat het renoveren van een natuurgrasveld (veld 3) van de voetbalvereniging, omvormen van een baanblok tennisbaan (van drie naar twee banen), de realisatie van drie nieuwe baanblokken van twee banen en de uitbreiding/ renovatie van een bestaande parkeerplaats. Daarnaast worden optioneel twee padelbanen meegenomen en wordt er een reservering gemaakt voor een nieuw baanblok tennisbanen (twee banen).

Deze plannen passen niet in het geldende bestemmingsplan. Om de plannen juridisch-planologisch mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de noord-westzijde van de kern Hulsberg en vormt de overgang van de kern naar het landelijk gebied. Aan de oostzijde begrenst de Sportparklaan het plangebied. Aan de zuidzijde vormt de Mesweg de grens. Ten noordoosten van het plangebied ligt sportcentrum Hulsberg.

De afbeeldingen hierna laten de ligging en begrenzing van het plangebied van het sportpark in Hulsberg zien. afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0001.jpg"

Afbeelding 1: globale ligging plangebied, binnen rode cirkel

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0002.jpg"

Afbeelding 2: begrenzing plangebied (in zwarte lijn met bolletjes)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Nuth. Dit bestemmingsplan is op 24 maart 2015 vastgesteld door de gemeenteraad van Nuth. Binnen het plangebied geldt de bestemming 'Sport'. Binnen het plangebied zijn delen aangeduid voor 'specifieke vorm van sport 6' en 'specifieke vorm van sport 9'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Binnen de 'specifieke vorm van sport 6' is sprake van een voetbalvereniging en is tevens een tribune aanwezig. Binnen 'specifieke vorm van sport 9' is sprake van het tennispark. De herinrichting van het park past niet binnen de begrenzingen van de specifieke aanduidingen. Het initiatief voorziet tennisvoorzieningen daar waar het bestemmingsplan buitengebied voorzieningen voor de voetbalvereniging (specifieke vorm van sport 6) mogelijk maakt. De toekomstige uitbreiding / vernieuwing van het clubgebouw past ook niet binnen het geldende bestemmingsplan.

De bestemming 'Sport' bevat ook twee wijzigingsbevoegdheden, één voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak en een voor het vergroten van het bouwvlak. Deze wijzigingsbevoegdheden bieden te weinig ruimte voor het voorgenomen initiatief. Zo mag het bouwvlak worden vergroot met maximaal 25%. Dit plan voorziet in een groter bouwvlak, waarbinnen een aantal vierkante meters mag worden gebouwd.

De regeling van dit bestemmingsplan wijkt in die zin af van de nu geldende regeling, zodat er sprake is van meer flexibiliteit. Gezien het voorgaande is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan maakt, net zoals het geldende plan, sport mogelijk alleen biedt dit plan wat meer flexibiliteit om zo een efficiënte inrichting en een duurzaam gebruik van het sportpark mogelijk te maken.

Zie ook paragraaf 6.3.2 van deze toelichting voor een nadere uitleg.

1.4 Leeswijzer

In het hoofdstuk hierna is een beschrijving van de huidige situatie opgenomen, waarna in hoofdstuk 3 de toekomstige situatie wordt omschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op het ter plaatste geldende, relevante beleid.

De planuitgangspunten, omgevingsaspecten voor het initiatief zijn verwoord in hoofdstuk 5. De resultaten van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd zijn hier opgenomen.

De meer technische, juridische planaspecten komen aan bod in hoofdstuk 6.

Het laatste hoofdstuk van deze toelichting gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Zowel de maatschappelijke als financiële uitvoerbaarheid van het plan zijn hier toegelicht.

Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Hulsberg, gemeente Nuth, tussen de
Mesweg en de Sportparklaan. Het plangebied betreft een sportpark dat momenteel drie voetbalvelden (twee natuurgrasvelden en één kunstgrasveld) met bijbehorende

bebouwing bevat. Deze bebouwing bestaat uit een gebouw dat huisvesting biedt aan de voetbal- en tennisvereniging. Ten oosten van het kunstgras voetbalveld staat een accommodatie als het ware op een steilrand, zodanig dat deze op beide niveaus direct vanaf maaiveld toegankelijk is.

De parkeerplaats in de zuidoosthoek van het plangebied wordt omgeven door opgaand groen. Hierbij behoort de westelijke helft tot de voetbalvereniging, dit deel is recent gebouwd of verbouwd. De oostelijke helft behoort tot de tennisvereniging. Tevens is een verouderd bijgebouw van de tennisvereniging aanwezig aan de oostzijde van het plangebied. Hiernaast zijn vijf tennisbanen aanwezig en een parkeerplaats.

De verschillende sportvelden binnen het plangebied worden omgeven door opgaand groen (bomen en struiken). Het vrij recent aangelegde kunstgras voetbalveld aan de zuidzijde van het plangebied ligt wat minder in het groen, waarschijnlijk omdat het recent is aangelegd en de opgaande beplanting nog aan moet groeien.

In de noordoosthoek van het plangebied ligt een bosschage dat het sportpark afschermt van het nog verder noordelijk gelegen sportcentrum. Het kunstgras voetbalveld aan de zuidzijde van het plangebied, ligt hoger dan de andere velden. Een steilrand overbrugt dit hoogteverschil. Ten noorden van dit veld staat een tribune.

De afbeelding hierna laat de huidige inrichting van het plangebied zien. De foto's daarna geven een indruk van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0003.jpg"

Afbeelding 3: Indicatie plangebied, overzicht huidige situatie (met functies)

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0004.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0007.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0009.jpg"

Afbeeldingen 4: foto's huidige situatie

2.1.2 Functionele structuur

Binnen het bestaande sportpark is sprake van tennisbanen en voetbalvelden. Aan de westzijde van het plangebied liggen drie voetbalvelden. Aan de oostzijde liggen tennisbanen en parkeervoorzieningen. Aan de noordoostzijde liggen bosschages die dienst doen als afschermend groen.

Centraal binnen het plangebied is een accommodatie aanwezig, die zowel door de voetbalvereninging als door de tennisvereniging wordt gebruikt. Ook worden hier materialen opgeslagen.

De tribune binnen het plangebied is voor toeschouwers van voetbalwedstrijden.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Planbeschrijving

De inrichting van het plangebied staat nog niet geheel vast. Wijzigingen / aanpassingen vinden plaats binnen het gebied dat in de huidige situatie ook al de bestemming 'Sport' heeft. Het voorliggende plan biedt de flexibiliteit om nog wat te kunnen schuiven met de inrichting. Dit blijkt uit de twee ontwerpen die hierna zijn opgenomen, zodat ook inzichtelijk is wat ongeveer de bandbreedte is waarbinnen met voorzieningen binnen het sportpark wordt geschoven. Bij de onderzoeken die in het kader van de planvorming (dit bestemmingsplan) zijn uitgevoerd is rekening gehouden met de uiterste bandbreedte zodat er op dit vlak geen beperkingen zijn voor de ontwikkelingen.

Zoals blijkt, vinden wijzigingen plaats binnen het bestaande sportpark. Het bestaande sportpark is reeds goed landschappelijk ingepast. Daarom wordt hier niet expliciet nogmaals op ingegaan. In hoofdlijnen komen de wijzigingen / aanpassingen binnen het sportpark op het volgende neer.

Binnen het plangebied wordt het bestaande clubgebouw van de voetbalclub uitgebreid naar een gezamenlijk clubgebouw met de tennisvereniging. Daarnaast omvat het plan het renoveren van een natuurgrasveld, het omvormen van een baanblok tennisbaan (van drie naar twee banen), de realisatie van drie nieuwe baanblokken van twee banen en de uitbreiding/renovatie van de bestaande parkeerplaats, zodat er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. De nieuwe baanblokken zijn een uitbreiding op de bestaande baanblokken. Op andere locaties worden immers banen opgeheven. Daarnaast wordt nog ruimte gereserveerd voor het optioneel toevoegen van enkele tennisbanen.

Binnen het plangebied worden paden aangelegd tussen de sportvelden en sportbanen. In de afbeelding hierna is een tweetal ontwerpen van het Sportpark Aan de Mesweg weergegeven. Aan de noordzijde wordt ruimte geboden voor de opvang van hemelwater. Hier is een agrarische bestemming opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0010.jpg"

Afbeelding 5: mogelijke toekomstige situatie (niet definitief)

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0011.png"

Afbeelding 6: mogelijke toekomstige situatie (ter illustratie / indicatie)

3.2 Procesomschrijving

In 2013 is de gemeente gestart met de voorbereiding van nieuwe overeenkomsten voor alle buitensportaccommodaties. Onder de vier tennisverenigingen binnen de gemeente is een vitaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit vitaliteitsonderzoek is gebruikt bij het bepalen van het beleid voor de tennisaccommodaties.

In samenspraak met de tennisverenigingen is het beleid verder uitgewerkt met als doel 'toekomstbestendige tennis' binnen de gemeente Nuth, zowel qua vereniging als qua tennisaccommodatie.

In het verlengde van de nieuwe huurovereenkomsten voor de tennis-, voetbal- en hockeyverenigingen is in overleg met de tennisverenigingen afgesproken om een vitaliteitsonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek zou zowel verenigingen als gemeente inzicht bieden in de levensvatbaarheid en de noodzakelijke voorzieningen. Dit zou zowel de verenigingen alsook de gemeente inzicht verschaffen met betrekking tot de levensvatbaarheid en de noodzakelijke voorzieningen.

Uit het vitaliteitsonderzoek blijkt dat de tennisverenigingen alle vier vitaal zijn, maar ten aanzien van de toekomstbestendigheid bestaan er vraagtekens.


Vervolgens is aan Huis voor de Sport Limburg gevraagd om op basis van trends en ontwikkelingen en de ervaringen van elders een advies voor de toekomst van de tennisverenigingen in Nuth op te stellen. Dit adviesrapport is gebaseerd op de ontwikkelingen en trends binnen tennis.

De financiële kaders (onderhoud, investeringslasten etc.) zijn apart in beeld gebracht.
Op basis van de beschreven trends, ontwikkelingen en cijfers wordt geconcludeerd dat tennis maatschappelijke waarde heeft, maar ook aan verandering onderhevig is. Het niet inspelen op deze veranderende omstandigheden zal leiden tot leegloop en het verdwijnen van tennis(verenigingen) in Nuth. Rekening houdende met deze ontwikkelingen, de feitelijke lokale en regionale situatie, de leefbaarheid en kleinschaligheid van de kernen kunnen grofweg de onderstaande scenario's onderscheiden worden:

  • 1. Handhaven vier tennisparken
  • 2. Twee volwaardige tennisparken in de gemeente Nuth
  • 3. Een volwaardig toekomstbestendig tennispark voor de gemeente Nuth en een tennisvoorziening in twee andere kernen
  • 4. Een volwaardig toekomstbestendig tennispark voor de gemeente Nuth in combinatie met particulier initiatief en een tennisvoorziening in twee andere kernen

Bij de verschillende scenario's moet geïnvesteerd worden in enerzijds het gewenste / benodigde voorzieningenniveau en anderzijds in de samenwerking tussen alle benodigde partners in het proces (gemeente, verenigingen en particulier). Om tot een toekomstbestendige oplossing te komen is draagvlak en consensus van alle partijen nodig. Met de tennisverenigingen is bovenstaande besproken.


Hierbij is met de tennisverenigingen tot consensus gekomen en afgesproken een proces in te gaan, waarbij op basis van alle informatie:

  • Samen een keuze gemaakt wordt voor een scenario
  • Samen het gekozen scenario wordt uitgewerkt (afhankelijk van de keuze voor een scenario kunnen ook andere partijen hierbij betrokken worden).


Hierin moeten de volgende randvoorwaarden geregeld zijn:

  • 1. De rollen, taken en verantwoordelijkheden van elke partij worden vooraf vastgelegd
  • 2. Het spreekt voor zich dat er volledige transparantie is
  • 3. De kaders (financieel, technisch, etc.) zijn vooraf bekend, zodat er geen verkeerde verwachtingen kunnen bestaan
  • 4. Verenigingen willen echt samenwerken
  • 5. Er wordt gewerkt vanuit een programmatische aanpak (via programmering naar exploitatie/beheer en dan invulling accommodatie)

Uit het onderzoek dat in 2015 is uitgevoerd volgt het advies om minimaal scenario 3 na te streven, cq. te bereiken, waarbij onderzocht dient te worden of scenario 4 realistisch en daarmee ook haalbaar is.

Voor de verdere uitwerking is een werkgroep samengesteld waarin de vier tennisverenigingen, de gemeente en Huis voor de Sport vertegenwoordigd zijn. Deze werkgroep heeft uiteindelijk een advies met een keuze voor een scenario voorgelegd aan de achterbannen van de verenigingen en de gemeenteraad.

Verschillende scenario's zijn besproken met alle betrokken partijen. Het uiteindelijk gekozen scenario heeft voordelen ten opzichte van de andere 'scenario's om de volgende redenen. Dit scenario betreft kortweg een uitbreiding van de tennisbanen binnen de huidige contouren van de tennis- en voetbalvelden.
Met dit scenario, dat ook in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt binnen de bestaande contouren en bestemming gebleven. Dit scenario biedt de beste mogelijkheid om de banen ten opzichte van het (nieuwe) clubgebouw te positioneren. Dit zal door spelers alsook publiek als een kwaliteitsverbetering worden ervaren, hetgeen alleen maar ten goede komt aan de algehele doelstelling. Bovendien biedt deze oplossing de minste overlast richting de omgeving.
De projectie van de parkeerplaats geïntegreerd met de bestaande parkeerplaats aan de zuidzijde is om die reden heel bewust. Bijkomend voordeel hierbij is op zijn beurt dat zowel voetbal alsook tennis hier gebruik van kunnen maken en er een centrale entree is. Dit betekent dat de parkeerplaatsen langszij nog meer voor de buurt vrij komen. Een open sportpark biedt ook toekomstige mogelijkheden voor samenwerking tussen tennis en voetbal. De bestaande toegang, minitennisbaan en oefenmuur blijven behouden.

Inmiddels (begin 2017) is één van de vier tennisverenigingen gestopt met de samenwerking, omdat de leden van de tennisvereniging tegen de fusie zijn en graag zelfstandig willen blijven. De gemeente Nuth heeft besloten om door te gaan met de planvorming, gesteund door drie tennisverenigingen.

Vrijkomende locaties

In de fase dat het sportpark in Hulsberg wordt aangepast / aangelegd wordt er nog gebruik gemaakt van de huidige tennisvelden op de diverse locaties. Deze banen zijn op een adequaat niveau zodat dit geen enkel probleem is. Na de ingebruikname van het sportpark in Hulsberg zullen uiterlijk twee jaar na oplevering (2020), de bestaande accommodaties in Schimmert en de banen in Wijnandsrade worden geamoveerd en zullen de leden van de inmiddels gefuseerde verenigingen alleen nog gebruik maken van de nieuwe tennisaccommodatie in Hulsberg. De locatie in Nuth zal direct na oplevering van het nieuwe complex kunnen worden geamoveerd, omdat de vereniging heeft aangegeven direct te verhuizen. Het spreekt voor zich dat alle locaties uiteindelijk netjes worden opgeleverd en dus vrij zijn van alle obstakels boven- en ondergronds. Met de kosten die hieraan verbonden zijn, is al rekening gehouden.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Hierna komen achtereenvolgend de verschillende, relevante beleidskaders aan de orde. De paragrafen behandelen Rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012)

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze SVIR zet in op een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Zij richt zich op de periode tot 2040 en benoemt als opgaven het versterken van de concurrentiekracht van Nederland, het vinden van ruimte voor (wind)energie, inspelen op klimaatverandering en het omgaan met krimp, stagnatie en groei van het inwonertal en huishoudens naast elkaar in Nederland. Op basis van deze opgaven formuleert de SVIR 13 nationale belangen die bijdragen aan het versterken van de ruimtelijk-economische structuur, het verbeteren van de bereikbaarheid en het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving. Het Rijk spreekt in de SVIR uit dat zij provincies en gemeenten daarbij de ruimte wil geven om in te spelen op de eigen situatie.

Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Deze doelen betreffen nadere uitwerkingen van een aantal Rijksbelangen uit de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk beleid.

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Hieronder vallen onderwerpen als het bereiken van een excellent vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s, ruimte maken voor duurzame energievoorziening en ruimte maken voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen.
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hieronder vallen onderwerpen als verbeteren van het hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen en een betere benutting van de capaciteit daarvan.
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Hiertoe dient onder andere de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) te worden verbeterd, dienen mensen tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s te worden beschermd. Ook is ruimte nodig voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.


Op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur vormt de gemeente Nuth een onderdeel van een stedelijke regio met topsectoren (Parkstad Limburg). De regio Zuid-Limburg wordt tevens aangeduid als krimpregio. Verder valt op dat het rijk zich niet meer verantwoordelijk voelt voor nationale landschappen en rijksbufferzones. De verantwoordelijkheid voor groene ruimte en landschap komt meer bij provincies en gemeenten te liggen dan voorheen.

Relevantie voor het plan

Op dit plan zijn geen van de rijksbelangen, zoals opgenomen in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte direct van toepassing. Wat betreft de beoordeling van de milieukwaliteit ter plaatse van het plangebied wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze toelichting.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2011 / 2016)

Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele wijzigingen van kracht geworden.

In het Barro zijn zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie,

Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal

belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.


Relevantie voor het plan

Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen, mede gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen consequenties voor of doorwerking in het onderhavige plan. Wat betreft de EHS (nu Natuurnetwerk Nederland) wordt verwezen naar paragraaf 5.1 van deze toelichting.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De overheid hecht steeds meer waarde aan het zorgvuldig omgaan met het ruimtegebruik. Dit is tevens een belangrijk uitgangspunt bij een in oktober 2012 doorgevoerde wijziging in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is vastgelegd dat de toelichting bij een bestemmingsplan/ projectafwijking die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.


Deze ladder omvat de volgende stappen:

Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

  • 1. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden,
  • 3. Wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Relevantie voor het plan
De herinrichting van sportpark Hulsberg vindt plaats binnen de begrenzing van het reeds bestaande sportpark, dat ook als zodanig tot op heden in gebruik is. Het initiatief leidt niet tot nieuw ruimtebeslag voor een stedelijke ontwikkeling. Als gevolg van onderhavig bestemmingsplan is dus geen sprake van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit.

In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarin de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in het bebouwde gebied in de
zone ‘overig bebouwd gebied’. Deze zone betreft gemengde woon/werkgebieden waar
voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter aanwezig zijn en betreft het resterende gedeelte van het bestaand bebouwd gebied (dus buiten de bedrijventerreinen en de stedelijke centra). Het plangebied bevindt zich niet binnen de goudgroene of zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone zoals opgenomen in het POL.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0012.png"

Afbeelding 7: ligging t.o.v. waarden POL

Relevantie voor het plan 

Het plangebied wordt in het POL beschouwd als reeds bestaand 'overig bebouwd gebied'. De herinrichting van het sportpark kan hierbinnen plaatsvinden. Er is immers geen sprake van nieuw bebouwd gebied.

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 11 november 2016 de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL) vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd overgenomen.


Relevantie voor het plan

Uit de kaarten behorende bij de OvL blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 2.2 van de OvL) wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 4.1.3.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg

Nuth maakt deel uit van de regio Parkstad Limburg. In 2009 is voor dit gebied de intergemeentelijke structuurvisie 'Ruimte voor park en stad' vastgesteld. De structuurvisie bevat het kader voor de door de regiogemeenten gezamenlijk nagestreefde duurzame economische structuurversterking van de regio voor de periode tot 2030, als antwoord op onder meer de bestaande en voorziene sociale problematiek en demografische ontwikkelingen. De bevolkingskrimp die zich binnen de regio voordoet wordt daarbij gezien als kans om de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving duurzaam te versterken.

In de periode tot 2030 wordt ingezet op de volgende kwaliteiten:

  • Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land
  • Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten
  • Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum
  • Een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen
  • Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via een Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft

Deze ambities moeten daarbij vooral worden gezien als een aanzet om samen met betrokken partijen te komen tot kansrijke ideeën, welke vervolgens concreet kunnen worden uitgewerkt.

Op 22 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Nuth besloten deel uit te gaan maken van het samenwerkingsverband Parkstad Limburg. Dit heeft geresulteerd in een aanvulling op de bestaande intergemeentelijke structuurvisie.

De intensivering van de samenwerking richt zich op vier werkvelden: ruimte, economie, wonen en mobiliteit. De intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg is het regionale kader voor het thema ruimte en heeft tot doel het ruimtelijk faciliteren van de ontwikkeling van Parkstad Limburg. De structuurvisie biedt geen strak ingekaderd toekomstbeeld, maar schetst ontwikkelingskansen en biedt beheer- en sturingsinstrumenten. Het is een plan waarin de ruimtelijke ontwikkeling van de regio voor de komende 20 tot 30 jaar wordt geschetst.

Relevantie voor het plan

De voorgenomen ontwikkeling komt gezien de schaal niet als zodanig aan bod in deze structuurvisie. De juridisch-planologische wijziging is zeer beperkt. Het initiatief is niet in strijd met de intergemeentelijke structuurvisie.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Strategische visie Nuth 2025, Poort van Parkstad

In 2015 is de Strategische visie Nuth 2015 vastgesteld. De inzet van de visie is om Nuth stevig op de kaart te zetten als Poort van Parkstad. De gemeente zet in op een stevig regionaal spoor rondom drie ontwikkelgebieden en een kleinschalig lokaal spoor gericht op ontwikkeling van de kernen en het buitengebied. De volgende drie ontwikkelgebieden zijn onderscheiden: station Nuth en de stationsomgeving, bedrijventerrein De Horsel en het Geleenbeekdal (Corio Glana).

De gemeente kiest voor een complementaire economische rol op het niveau van Parkstad en Zuid-Limburg. Samenwerking in plaats van concurrentie. Daarbij staat voorop dat banen – binnen en buiten de gemeente – goed bereikbaar moeten zijn voor onze inwoners. De ontwikkeling van de Parkstad Buitenring is van groot belang. Deze levert in de eerste plaats een impuls voor de bereikbaarheid van banen en attracties en creëert daarmee de voorwaarden om gebiedsontwikkeling mogelijk te maken, zoals de Poort van Parkstad.

De gemeente streeft daarnaast naar behoud van levendigheid in de kernen en gaat centra aantrekkelijker maken door uitvoering van centrumplannen met ruimte voor voorzieningen en wonen, bundeling van voorzieningen en nieuwe horeca en terrassen. De gemeente geeft het eigendom en de exploitatie van ontmoetingsplekken zoals dorpshuizen en sportaccommodaties zoveel mogelijk in handen van de inwoners. Belangrijk is dat zulke initiatieven een serieuze kans krijgen. De gemeente kan dit faciliteren door bij overdracht van gemeenschapshuizen of sportaccommodaties deze in goede staat over te dragen aan de gemeenschappen in onze kernen.


Relevantie voor het plan

Het voorliggende bestemmingsplan geeft invulling aan deze visie. Door de verschillende tennisparken te bundelen op een locatie en hier goede voorzieningen te realiseren ontstaat een sportpark dat bij overdracht in goede staat verkeert. De bundeling van de tennisparken leidt tot beheersvoordelen en daarmee tot een exploitabel sportpark.

4.4.2 Geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Nuth'

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Nuth. Dit bestemmingsplan is op 24 maart 2015 vastgesteld door de gemeenteraad van Nuth. Binnen het plangebied geldt de bestemming 'Sport'. Binnen het plangebied zijn delen aangeduid voor 'specifieke vorm van sport 6' en 'specifieke vorm van sport 9'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In paragraaf 5.4 is aangegeven hoe met het aspect archeologie is omgegaan in het kader van de planvorming.

Binnen de specifieke vorm van sport 6 is sprake van een voetbalvereniging en is tevens een tribune aanwezig / toegestaan. Binnen specifieke vorm van sport 9 is sprake van het tennispark. De herinrichting van het park past niet binnen de begrenzingen van de specifieke aanduidingen.

De bestemming 'Sport' bevat ook 2 wijzigingsbevoegdheden, een voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak en een voor het vergroten van het bouwvlak. Deze wijzigingsbevoegdheden bieden te weinig ruimte voor het voorgenomen initiatief. Zo mag het bouwvlak worden vergroot met maximaal 25%. Dit plan voorziet in een groter bouwvlak, waarbinnen een aantal vierkante meters mag worden gebouwd. De regeling van dit bestmmingsplan wijkt in die zin af van de nu geldende regeling, zodat er sprake is van meer flexibiliteit.

Gezien het voorgaande is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Zie ook paragraaf 1.3 van deze toelichting.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

In de paragrafen hierna komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Voor de verschillende aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Per aspect is kort het onderzoek omschreven en wordt het uiteindelijke resultaat van het onderzoek kort toegelicht. Elke paragraaf sluit af met een alinea waarin wordt aangegeven wat de relevantie van het onderzoek voor het plan is.

Wanneer onderzoeksrapportages beschikbaar zijn, zijn deze opgenomen in de bijlagen. Hierin is een meer uitgebreide uitleg over het onderzoek, achtergrond en uitgangspunten opgenomen. Omwille van de leesbaarheid zijn korte samenvattingen van deze onderzoeken met daarin de essentie van het onderzoek, hierna opgenomen.

 

5.1 Natuur

In bijlage 1 van deze toelichting is het natuuronderzoek opgenomen dat in eerste instantie is uitgevoerd. Aan de hand van nadere informatie is een aanvulling op dit natuuronderzoek opgesteld. Deze aanvulling is opgenomen in bijlage 2 .

Onderzoek 

In het onderzoek dat is uitgevoerd zijn de effecten van de voorgenomen ingrepen en het toekomstig gebruik in het plangebied op de (mogelijk) voorkomende beschermde soorten beschreven. Ook wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de voorgenomen ingrepen voor de beschermde gebieden. De onderzoekskaders worden gevormd door de Wet natuurbescherming die ingaat op bescherming van planten- en diersoorten, gebieden en houtopstanden. Ook is het voornemen getoetst aan gedragscodes en provinciale verordeningen. De bevindingen van het literatuuronderzoek en een veldbezoek zijn hierna kort weergegeven.

Algemeen voorkomende diersoorten

Het plangebied, met name de bosschage en houtwallen, is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën. Deze delen blijven deels behouden tijdens de werkzaamheden. De sportvelden en bebouwing zijn slechts zeer marginaal geschikt voor deze soorten. Negatieve effecten als gevolg van de herinrichting op deze soorten treedt derhalve niet op, daar er in de omgeving ruim voldoende alternatief leefgebied aanwezig is. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op voorkomende soorten, wanneer deze per ongeluk terecht komen binnen de werkgrenzen van de ingreep. Individuen van de soort worden dan mogelijk verwond (Wnb artikel 3.10.a).


De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (Wnb artikel 1.11) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.


Broedvogels

Het kappen van de bomen binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.), het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.


In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield of verstoord worden bij het kappen van de bomen binnen het plangebied. Er dient derhalve gekapt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.


Indien het niet mogelijk is om te kappen buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de te kappen bomen. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen vrijgegeven worden voor de kapwerkzaamheden.

Das

Binnen het plangebied zijn dassen actief aanwezig. De werkzaamheden vinden plaats binnen de huidige sportvelden, maar ook deels binnen de bosschage waar leefgebied en verblijfplaatsen van de das aanwezig zijn. De ingreep heeft daarom mogelijk een negatief effect op het leefgebied van de das. De actieve dassenburcht en het leefgebied van de das liggen hierbij tegen het werkgebied aan, waardoor de werkzaamheden tevens leiden tot verstoring van de burcht en leefgebied. De ingreep binnen het leefgebied van de das en de verstoring van de burcht leidt mogelijk tot het doden of verwonden van dassen (Wnb artikel 3.10.a) en/of het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats van de das (Wnb artikel 3.10.b). Voor de werkzaamheden is daarom een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gezien de werkzaamheden binnen de bosschage en de korte afstand tussen de dassenburcht en het werkterrein, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd en verkregen.


Eekhoorn

Binnen de bosschage zijn mogelijk verblijfplaatsen van eekhoorns aanwezig. Wanneer bomen worden gekapt leiden de werkzaamheden mogelijk tot verlies van eekhoornnesten (Wnb artikel 3.10.b). Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden dient een schouw in kaart te brengen of de te kappen bomen eekhoornnesten bevatten. In het geval dat eekhoornnesten aanwezig zijn in te kappen bomen is ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en dient een ecologisch werkprotocol te beschrijven hoe met deze soort omgegaan wordt.


Steenmarter

Het gehele plangebied biedt geschikt foerageer- en migratiegebied voor de steenmarter. Doordat het merendeel van het plangebied na de ingreep weer geschikt is voor de steenmarter en de omgeving ruim voldoende alternatief leefgebied biedt, is van permanente negatieve effecten op het leefgebied geen sprake. Tijdens het veldbezoek kon niet uitgesloten worden of het bijgebouw van de tennisvereniging dient als steenmarterverblijf. Er dient, in geval van sloop, onderzocht te worden of het te slopen gebouw van de tennisvereniging dient als steenmarterverblijf aangezien verblijfplaatsen van steenmarters eveneens beschermd zijn. Een aanvullend onderzoek naar steenmarters in het gebouw van de tennisvereniging is daarom noodzakelijk, wanneer sprake is van sloop. Vooralsnog wordt niet van sloop uitgegaan.


Vleermuizen

Het bijgebouw van de tennisvereniging binnen het plangebied is geschikt bevonden als kraam-, zomer- en/of paarverblijf voor vleermuizen. De stootvoegen en het gat in de muur van het verouderde bijgebouw geven toegang tot de bebouwing voor kleine gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis. De spouw is als geïsoleerde ruimte uitermate geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Ook is het mogelijk dat overige ruimten in de bebouwing toegankelijk zijn voor vleermuizen, waar holten of kieren geschikte verblijfplaatsen zijn. Indien vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing kan de sloop van het betreffende gebouw leiden tot vernietiging van de rust- of verblijfplaatsen (Wnb artikel 3.5.4), verstoring (Wnb artikel 3.5.2) en verwonding (Wnb artikel 3.5.1) van vleermuizen.

Doordat tijdens het veldbezoek niet uitgesloten kon worden dat vleermuizen gebruik maken van het bijgebouw dient een aanvullend vleermuizenonderzoek met batdetectors plaats te vinden conform het Vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad, 2017).

Indien blijkt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014). Dit houdt in dat er in dat geval op aangepaste wijze wordt gesloopt en dat er in de omgeving nieuwe vleermuisverblijven worden gecreëerd alvorens de sloop plaatsvindt.

Het al dan niet voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zal naar verwachting geen noemenswaardige gevolgen hebben voor ontwikkeling: eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen immers binnen het plan of de directe omgeving worden gemitigeerd. Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen, dient wel een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Op dit moment (medio 2017) wordt er van uit gegaan dat de mogelijke vliegroute van vleermuizen ter plaatse van de houtsingel en oostelijke groenstrook in tact blijft. Ook het bijgebouw van de tennisvereniging, aangeduid als mogelijke verblijfplaats (kraam-, zomer- of paarverblijf), blijft onaangetast. Er is dus geen ontheffing nodig voor vleermuizen.


Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden en provinciale gebiedsbescherming
Negatieve effecten op beschermde gebieden worden niet verwacht.


Houtopstanden

Afhankelijk van de locatie en afmetingen van de te kappen bomen is, een melding voor het kappen van bomen in het kader van de Wet natuurbescherming of een omgevingsvergunning kappen noodzakelijk.

Relevantie voor het plan 

Voor een aantal soorten geldt dat, indien de nadere uitwerking van het inititatief hier betrekking op heeft, rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid hiervan.

De benodigde ontheffing is door de provincie Limburg verleend op 29 juni 2017.

Ervan uitgaande dat rekening wordt gehouden met eventueel aanwezige soorten staat het aspect natuur de veranderingen binnen het sportpark niet in de weg.

5.2 Water

In bijlage 3 van deze toelichting is een memo opgenomen waarin wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van het plan.

Onderzoek 

Een onderdeel van de bestemmingsplanprocedure is de watertoetsprocedure waarbij inzicht wordt gegeven in de gevolgen van het plan op de waterhuishouding op de locatie. Het doel hiervan is het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van water in het ontwerp. Concreet betekent dit dat is bekeken hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze omgegaan kan worden met hemelwater en de invloed van het initiatief op oppervlaktewater en grondwater.

Relevantie voor het plan

Voor de planrealisatie heeft het de voorkeur om (een gedeelte van) het hemelwater te hergebruiken. Dit kan worden gerealiseerd door te voorzien in een regenwaterberging voor het beregenen van de sportvelden. De resterende hoeveelheid hemelwater wordt bij voorkeur vertraagd afgevoerd door middel van vasthouden en infiltreren.


Bergingscapaciteit en leegloop

Om het hemelwater van de nieuwe sportvelden en het gerenoveerde clubhuis te kunnen bergen is een bergingscapaciteit van in totaal 477 m3 nodig. Wanneer wordt uitgegaan van een k-waarde (waterdoorlatendheid) van 0,5 meter per dag, is hiervoor een oppervlakte van ten minste 954 m2 nodig, zodat de infiltratievoorziening binnen 24 uur weer beschikbaar is voor een volgende bui. Een grotere bergingsoppervlakte verdient echter de aanbeveling om te kunnen voorzien in extreme situaties, of voldoende hoogte (0,64 meter) van de voorziening om het volledige volume te kunnen bergen.

Uitgaande van een infiltrerend vermogen van de bodem van 0,5 m/dag, dient voor iedere uitbreiding van 100 m2 de bergingsoppervlakte met (3,5 / 0,5 =) 7 m2 uitgebreid te worden.

Om de benodigde bergingscapaciteit te realiseren wordt binnen het plangebied gezocht naar een geschikte locatie, waar aanvullende doorlatendheidsmetingen uitgevoerd worden om de waterdoorlatendheid op de betreffende locatie te bepalen en de benodigde oppervlakte vast te stellen. Een mogelijke locatie is ter plekke van de watergang ten noorden van het natuurgrasveld.

Binnen het bestaande sportpark zijn mogelijkheden om invulling te geven aan de wateropgave. Om zeker te zijn dat water geborgen kan worden is aan de noordzijde van het sportpark een perceel voorzien van een agrarische bestemming. Op dit perceel, kan indien nodig, water worden geborgen. Het aspect water staat de verdere planvorming van het initiatief niet in de weg.

5.3 Bodem

In bijlage 4 is het bodemonderzoek voor het plangebied ingevoegd.

Onderzoek 

Ten behoeve van de ontwikkeling van het sportpark is een bodem-vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd ter plaatse van het sportpark. Het doel van het vooronderzoek is om de milieukundige kwaliteit van de bodem (grond en eventueel grondwater) van het sportpark na te gaan aan de hand van beschikbare onderzoeks- en overige gegevens. Op basis van het vooronderzoek is een inschatting gemaakt óf, waar en met welke stoffen bodemverontreiniging wordt verwacht. De verwachtingen zijn vastgelegd in hypothesen ten aanzien van de milieukundige kwaliteit van de grond en eventueel het grondwater.
Daarnaast is informatie verkregen over de constructies van de huidige parkeerplaats, verhardingen en tennisvelden.

Op basis van de gegevens die verzameld zijn met het (beperkt) vooronderzoek kunnen ten aanzien van de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater van het sportpark aan de Mesweg en de Sportparklaan te Hulsberg de volgende hypotheses worden opgesteld.


Hypothese 1: Boven- en ondergrond

Het historisch gebruik van de locatie als landbouwgrond en nadien als sportpark heeft naar verwachting niet geleid tot een noemenswaardige chemische verontreiniging. Vanwege het gebruik worden licht verhoogde gehalten aan zware metalen (met name cadmium en zink) en PAK's niet geheel uitgesloten.


Hypothese 2: Grondwater

Het grondwater wordt pas verwacht vanaf circa 20 m -mv. Het grondwater is onverdacht ten aanzien van de aanwezigheid van een lokale verontreiniging.


Hypothese 3: Bouwstoffen

De opbouw van verhardingsconstructies en de chemische kwaliteit van bouwstoffen binnen het sportpak zijn niet bekend. Door het gebruik en de aanwezigheid van bouwstoffen (onder andere gravel van de tennisvelden en mogelijk puinfunderingen ter plaatse van de parkeerplaats) wordt de aanwezigheid van een lokale verontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie niet geheel uitgesloten.


Hypothese 4: Asbest

De onderzoekslocatie is onverdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest in of op de bodem. Binnen het plangebied heeft voor zover bekend nooit bebouwing gestaan met asbesthoudende (dak-)materialen. De aanwezigheid van asbest in funderingsmaterialen is vooralsnog niet bekend.


Relevantie voor het plan 

Het uitgevoerde onderzoek biedt voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse. Het gebruik als sportpark wijzigt niet. Wanneer bij de realisatie van de wijzigingen, rekening wordt gehouden met het voorgaande, staat het aspect bodem het initiatief niet in de weg.

5.4 Archeologie

In bijlage 5 is het archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd opgenomen.

Onderzoek

In het kader van het Archeologisch Bureauonderzoek zijn verschillende archieven geraadpleegd om inzicht te verkrijgen in de bestaande geologische, archeologische en historische informatie. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek is een gespecificeerd Archeologisch Verwachtingsmodel opgesteld.

Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • 1. Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met (leem-) Afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert, op diepgelegen (rivierzand- en grind-) Afzettingen van de Formatie van Beegden.
  • 2. Archeologische resten uit de periode van het Laat Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen kunnen hier direct onder de ploegvoor worden aangetroffen, op en in de top van de leemafzettingen van het Laagpakket van Schimmert.
  • 3. Op basis van oude kaarten is duidelijk dat het plangebied in ieder geval in de periode tussen het begin van de 19de eeuw tot 1967/ 1968 onbebouwd is geweest. Daarnaast zijn er ook geen historische aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van bewoning of activiteitszones ter plaatse van het plangebied in de Nieuwe Tijd. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe Tijd wordt daarom laag geacht.
  • 4. De horizont(en) met mogelijk aanwezige archeologische resten uit de periode van het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen en/of het begin van de Nieuwe Tijd zullen bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de herinrichting van het tenniscentrum worden aangesneden.
  • 5. Naar verwachting zullen bij de aanleg van het sportcomplex/ tenniscentrum in het verleden plaatselijk al bodemverstoringen tot op een diepte van tenminste 1,00 meter beneden het maaiveld (mogelijk ook dieper) hebben plaatsgevonden.

Op basis van het uitgevoerde archeologisch bureau en booronderzoek moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie ter plaatse van delen van het plangebied zou kunnen leiden tot aantasting van mogelijk aanwezige (behoudenswaardige) archeologische resten. Dit betreft met name
de zones ter plaatse - en in de omgeving - van Boring nr. 13, 14, 20 en 22, maar ook - zij het in iets beperktere mate - de zones ter plaatse - en in de omgeving - van Boring nr. 1, 5, 6, 9, 10, 15 16 en 19.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPsportpark-VG01_0013.png"

Afbeelding 8: Het plangebied (rood omkaderd), de locaties van de boringen en de daarop gebaseerde archeologische verwachting, geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. Bron GBKN: Topografische Dienst Kadaster, Emmen [2012]. Schaal 1: 2.500.

  • Legenda
    Rode en oranje boorpunten: vervolgonderzoek bij bodemverstoringen van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld
  • Groene boorpunten: geen vervolgonderzoek


Binnen deze zones zouden intacte archeologische resten aanwezig kunnen zijn vanaf een diepte van 0,1 - 0,5 meter beneden het maaiveld (zie Afbeelding 24). Er wordt dan ook aanbevolen om wanneer binnen deze zones bodemverstoringen worden voorzien daar archeologisch vervolgonderzoek te doen uitvoeren.

Omdat binnen deze zones vooral kleinere archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht met een beperkte vondstdichtheid en zonder een archeologische laag, wordt voor een valide waardestelling op basis van het eventuele vervolgonderzoek alleen de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) of een Archeologische Begeleiding voldoende betrouwbaar geacht.
Ter plaatse van de zones ter plaatse - en in de omgeving - van Boring nr. 2, 3, 4, 7, 8, 11, 12, 17, 18 en 21 wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht (zie afbeelding hiervoor). Daar werden immers dieper reikende bodemverstoringen aangetroffen, tot een diepte van circa 0,7- 1,1 meter beneden het maaiveld. Hoewel er ook daar in principe nog resten van dieper ingegraven archeologische sporen aanwezig zouden kunnen zijn wordt deze kans klein geacht. Er wordt dan ook geadviseerd om deze zones vrij te geven en daar geen vervolgonderzoek te doen uitvoeren.

Relevantie voor het plan 

Het hiervoor aangehaalde onderzoek is geaccordeerd door de regio-archeologe. Zij heeft aangegeven dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is, indien er werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 40 cm. Dit is niet voor het gehele terrein aan de orde, maar slechts voor enkele geselecteerde gebieden.

Aangezien een definitieve inrichting van het terrein nog niet bekend is, wordt een dergelijk onderzoek nog niet uitgevoerd. Door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', kan het eventuele noodzakelijke proefsleuvenonderzoek worden uitgesteld totdat duidelijkheid bestaat over de eventuele verstoring van archeologische waarden. Om het uitgevoerde onderzoek te erkennen en de conclusie te onderschrijven is een selectiebesluit genomen. Bij een later vervolgonderzoek geldt het bijgevoegde onderzoek als basis.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' blijft gehandhaafd, om zo eventuele aanwezige, archeologische waarden te beschermen. De regeling is conform het nu geldende bestemmingsplan buitengebied opgenomen in de regeling van dit bestemmingsplan.

5.5 Geluid

In bijlage 6 is het geluidonderzoek opgenomen.

Onderzoek 

Doel van het onderzoek is het beoordelen van de ruimtelijke inpasbaarheid van het gewijzigde sportpark rekening houdend met omliggende gevoelige functies. Hierbij wordt ingegaan op de tennisclub en de voetbalvereniging die gebruik maken van het

sportpark. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van de Handleiding meten en

rekenen industrielawaai 1999. Voor de gegevens met betrekking tot verkeersaantrekkende werking in de toekomst heeft overleg plaatsgevonden met de (toekomstige) gebruikers van het sportpark, om hiervoor goede, representatieve uitgangspunten te kunnen formuleren.


Het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering. Door één tennisbaan in de avondperiode buiten gebruik te laten, wordt ook ten aanzien van het maximale geluidniveau voldaan aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie. Omdat er in onderhavig geval sprake is van een bestaand sportpark waar de afstand van de sportactiviteiten (tennisbanen) en de verkeersbewegingen (parkeren) tot de woningen niet veranderen en de uitbreiding aan de achterzijde plaatsvindt, is bij een toets aan de richtwaarden uit stap 3 sprake van een goede ruimtelijke ordening. Aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt in alle gevallen voldaan.

Relevantie voor het plan 

Uit het voorgaande blijkt dat het aspect geluid geen consequenties heeft voor dit bestemmingsplan. Het aspect geluid staat de wijziging van het sportpark niet in de weg.

5.6 Licht

In bijlage 7 is het lichtonderzoek opgenomen.

Onderzoek 

De omgeving van het sportpark te Hulsberg is getypeerd als een landelijk woongebied (E2) en getoetst aan de daarvoor geldende normen. Uit de toetsing van de rekenresultaten blijkt dat de maximale waarde (127 mcd/m2) voor de luminantie ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van alle beoordelingspunten ruimschoots wordt gerespecteerd. Ten opzichte van de bestaande situatie is er in de toekomstige situatie sprake van een maximale toename van de luminantie van 2,72 mcd/m2. Aangezien de luminantie ter plaatse van woningen ruim onder de grenswaarde blijft, is na de aanpassing van het sportpark sprake van een goed woon- en leefklimaat.


Tevens is beoordeeld of in de toekomstige situatie een mogelijke aantasting van vliegroutes van vleermuizen kan plaatsvinden door de lichttoename. De maximaal berekende luminantie op enig punt bedraagt in de bestaande situatie 5,41 mcd/m2. In de toekomstige situatie bedraagt deze maximaal 7,19 mcd/m2. Aangezien de maximale luminantie in de toekomstige situatie niet meer dan 13 mcd/m2 bedraagt, mag worden aangenomen dat geen verstoring van vliegroutes van vleermuizen zal plaatsvinden. De lichttoename in de omgeving bedraagt maximaal 0,1 lux. Doordat de toename minder is 0,5 lux, bestaat er geen risico dat bestaande vliegroutes van vleermuizen door lichtuitstraling negatief worden beïnvloed.


Op het sportpark zijn tevens eisen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. In artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als eis gesteld dat een lichtinstallatie uitgeschakeld is tussen 23.00 uur en 07.00 uur en indien er geen sport beoefend wordt. De lichtinstallatie dient zodanig uitgevoerd te worden dat directe lichtinstraling op licht doorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Bij het plaatsen van de armaturen op de nieuw ter realiseren masten zal de afstelling zodanig plaats vinden dat geen directe instraling plaatsvindt bij omliggende woningen.


Uit de toetsing van de rekenresultaten blijkt dat de gehanteerde grenswaarden voor de luminantie ter plaatse van de woningen niet worden overschreden. Als zodanig is na de aanpassing van het sportpark sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bij het ontwerpen van de lichtinstallatie wordt er rekening mee te gehouden dat lichthinder door het kijken in de lamp wordt voorkomen.

Relevantie voor het plan 

Ook in de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect licht zijn er geen consequenties voor het bestemmingsplan. Het aspect licht staat de wijzigingen in het sportpark niet in de weg.

5.7 Externe veiligheid

In bijlage 8 is het onderzoek voor externe veiligheid opgenomen.

Onderzoek

Hierna is aangegeven welke aspecten zijn onderzocht en wat de conclusies zijn van het onderzoek, voor deze verschillende aspecten.

Transport over de weg 

Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een weg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel bevindt het plangebied zich binnen een afstand van 200 meter van de A298. Met behulp van de vuistregels uit de HART is aangetoond dat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk hoeft te

worden gemaakt. Voor de risico's als gevolg van het transport over de A298 geldt een beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico.


Transport over spoor

De risico’s als gevolg van transport over het spoor vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie.


Buisleidingen

Het plangebied valt niet binnen de inventarisatieafstand van een aardgastransportleiding. De risico’s als gevolg van het transport door bestaande
buisleidingen vormen derhalve geen belemmering voor de planlocatie.


Inrichtingen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de wettelijke veiligheidsafstanden ten aanzien van externe veiligheidsrisico’s het plangebied beïnvloeden. 

Relevantie voor het plan 

Het aspect externe veiligheid staat het initiatief tot interne wijziging van het sportpark niet in de weg. Zie hiervoor ook het advies dat is uitgebracht door de Brandweer Zuid-Limburg in bijlage 9.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Planstukken

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels.

Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).


Het bestemmingsplan ‘Sportpark Hulsberg’ is vervat in een verbeelding bestaand uit een analoge kaart, één digitale verbeelding, regels en een toelichting.

6.2 Toelichting op de analoge verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de analoge verbeelding wordt per bestemming specifieke informatie weergegeven, zoals het bouwvlak en een gebiedsaanduiding.

6.3 Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het reeds geldende bestemmingsplan buitengebied, alsmede de SVBP2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.


Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de ver
schillende bestemmingen aan te geven.

6.3.1 Inleidende regels


Begrippen (artikel 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de regels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP2012.


Wijze van meten (artikel 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP2012.

6.3.2 Bestemmingsregels

 
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving
  • Bouwregels
  • Nadere eisen
  • Afwijken van de bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels
  • Afwijken van de gebruiksregels
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  • Wijzigingsbevoegdheid.


Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien nodig worden vervolgens de andere aan de grond toegekende functies genoemd.

In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen.

Voorzover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijgebouwen en

aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van

aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is.

Op de verbeelding zijn bebouwingsgrenzen opgenomen die samen een bouwvlak vormen. Daar waar de bebouwingsgrens samen valt met de bestemmingsgrens dient de bestemmingsgrens tevens als bebouwingsgrens te worden gezien.

Artikel 3, bevat conform het geldende bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Nuth een agrarische bestemming. Deze bestemming ligt over een ondergeschikt deel van het plangebied. De agrarische bestemming is toegespitst op de situatie ter plaatse. Bepalingen met betrekking tot bouwvlakken en waarden, die niet aanwezig zijn, zijn uit de bestemming geschrapt, omdat deze daarom niet van toepassing zullen zijn.

In de regels van dit bestemmingsplan is de bestemming Sport (artikel 4) opgenomen.

Deze bestemming is in de basis gelijk aan de geldende bestemming uit het bestemmingsplan 'buitengebied', maar meer toegespitst op de situatie ter plaatse. Omdat de plannen voor het sportpark nog niet in detail zijn uitgewerkt is het plan flexibel van aard. De bebouwingsmogelijkheden zijn wat verruimd om een nieuwe accommodatie te kunnen realiseren en nog te kunnen schuiven met de bebouwing. In het bestemmingsplan 'buitengebied' is binnen het sportpark Hulsberg een zonering aangebracht om tennis en voetbal te duiden binnen het plangebied. In dit bestemmingsplan is deze indeling verlaten, omwille van de flexibiliteit en het feit dat de plannen nog niet geheel zijn uitgekristalliseerd. Vanuit milieukundig oogpunt of vanuit andere omgevingsaspecten is er ook geen aanleiding tot het juridisch-planologisch regelen van deze interne indeling. Bepalingen uit het bestemmingsplan 'buitengebied' met betrekking tot bedrijfswoningen, en waarden die niet binnen het plangebied aanwezig zijn, zijn achterwege gelaten.

In artikel 5 van dit bestemmingsplan is conform het geldende bestemmingsplan 'buitengebied' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Wanneer uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van archeologische waarden of dat aanwezige archeologische waarden de planvorming verder niet in de weg staan, kan deze dubbelbestemming komen te vervallen.

6.3.3 Algemene regels

In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.


In de Algemene bouwregels zijn regels opgenomen aangaande bestaande maten en afstanden. Ook is de bouwregeling voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen alsmede een regeling voor ondergronds bouwen.


In de Algemene afwijkingsregels zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het gehele plangebied gelden en die het bevoegd gezag de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan.

 
Onder de Algemene gebruiksregels wordt aangegeven wat wordt verstaan onder strijdig gebruik.


Tot slot zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen, met daarin de citeertitel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grex-wet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente.


Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro).


Gronden zijn volledig in eigendom van de gemeente Nuth. De gemeente Nuth draagt zorg voor de realisatie van het project. Nu daarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd en het stellen van regels zoals bedoeld in artikel 6.12, onder 2, van de Wet ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is, bestaat er geen verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening geeft het wettelijk kader voor het voeren van vooroverleg in het kader van bestemmingsplanprocedures. Voor onderhavige procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken Rijks- en provinciale diensten.

7.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een termijn van zes weken ter visie gelegen van 21 september tot en met 1 november 2017. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen binnen gekomen ten aanzien van het voornemen tot vaststelling door de gemeenteraad.