| Plan: | Beekerpark, Herziening 2017 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0951.BPSC2017herzBkrprk-VA01 |
Op 17 maart 2009 heeft de gemeenteraad van Nuth het bestemmingsplan 'Beekerpark' vastgesteld. Met dit bestemmingsplan is de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Beekerpark mogelijk gemaakt, waarin de bouw van in totaal 42 woningen is voorzien. Het ontwikkelingsplan ‘Beekerpark’ bestaat uit twee fasen. De eerste fase gaat uit van 23 woningen (waarvan 16 Ruimte voor Ruimte- en 7 reguliere woningen) en de tweede fase van 19 woningen. In het bestemmingsplan 'Beekerpark' is de eerste fase rechtstreeks bestemd, op 5 Ruimte voor Ruimte woningen na. Deze zijn opgenomen in een wijzigingsbevoegdheid. Voor de woningbouw in de tweede fase is in dat bestemmingsplan ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
Het bestemmingsplan 'Beekerpark' is inmiddels opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Kern Schimmert' (vastgesteld 18 juni 2013). Hierin zijn de 5 Ruimte voor Ruimte woningen ook rechtstreeks bestemd. Ondertussen is de verkoop van de eerste 7 kavels in de eerste fase reeds van start gegaan.
In de afgelopen jaren is de behoefte aan nieuwbouwwoningen aan veranderingen onderhevig geweest en is de ontwikkelaar met de gemeente tot het standpunt gekomen dat de ontwikkelingsmogelijkheden in het geldende plan niet meer aansluiten bij de actuele vraag vanuit de markt. Dit heeft onder andere betrekking op de typologie woningen, maar ook het aantal woningen. Daarom was het wenselijk een gewijzigd verkavelingsplan voor het gebied op te stellen.
GS van Limburg is gevraagd om de hardheidsclausule van de Omgevingsverordening van toepassing te verklaren, waardoor een bestemmingsplan van 27 woningen in de plaats komt van de 42 woningen die tot nu op de woningbouwprogrammering stonden. Bij besluit van 15 november 2016 hebben GS de hardheidsclausule van toepassing verklaard. Hierdoor is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen.
Aan de Bestuurscommissie Wonen & Herstructurering van Stadsregio Parkstad Limburg is verzocht om het woningbouwplan in de regionale woningmarktprogrammering aan te passen door 15 woningen te schrappen (van 42 naar 27 woningen). De Bestuurscommissie heeft met het verzoek ingestemd bij brief van 19 december 2016.
Impressie van de verkaveling binnen het geldende plan (links) en de verkaveling in de gewenste situatie (rechts)
In de gewijzigde verkaveling zijn in plaats van 23 woningen in de eerste fase 27 woningen voorzien, hetgeen een toename van 4 woningen in deze fase betekent. Daar tegenover staat dat is besloten de tweede fase (19 woningen) niet te ontwikkelen, waardoor per saldo binnen de gehele woningbouwontwikkelingslocatie 'Beekerpark' 15 woningen minder worden gerealiseerd. Dit is aanleiding geweest om het geheel integraal te herzien en in een actuele juridisch-planologische regeling te vervatten. Voorliggend bestemmingsplan is het resultaat daarvan.
Ligging plangebied op topografische ondergrond (bron: www.opentopo.nl)
In het noordwesten van de gemeente Nuth ligt de kern Schimmert. De bebouwingslinten van Schimmert zijn aaneengegroeid met de bebouwingsclusters Klein-Haasdal en Groot-Haasdal (beide gelegen in zuidelijke richting). Schimmert bestaat uit een aantal oude bebouwingslinten en een bebouwingscluster ten westen van de kerk. In de kern komen een aantal historische panden voor. De gronden rond Schimmert zijn voornamelijk in gebruik als akkerbouwland. De belangrijkste functie in de kern is de woonfunctie. Naast de, als burgerwoningen gebouwde woningen, wordt ook een aantal van de historische boerderijen tegenwoordig als woning gebruikt. Andere panden hebben een agrarische- of toeristisch-recreatieve functie. Het plangebied ligt in het westen van de kern.
Het plangebied is gelegen binnen bestemmingsplan 'Kern Schimmert', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2013.
Uitsnede verbeelding 'Kern Schimmert' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Volgens het geldende bestemmingsplan 'Kern Schimmert' is ter plaatse de bestemming 'Wonen' met 23 afzonderlijke bouwvlakken van kracht in combinatie met de bouwaanduiding 'vrijstaand'. Dit houdt in dat ter plaatse van de betreffende kavels uitsluitend de aangeduide woningtypologie is toegestaan.
De groenzone in het plangebied heeft de bestemming 'Groen' en de wegen zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. De gronden binnen fase 2 hebben de bestemming 'Agrarisch'.
Verder is op het gebied de aanduiding 'wro-zone - beeldkwaliteitsplan van toepassing' opgenomen. Hiermee wordt bepaald dat nieuwe initiatieven dienen te worden getoetst aan het Beeldkwaliteitplan Beekerpark d.d. 25 oktober 2007.
Op grond van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' dient voorafgaand aan bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2, en die dieper dan 0,40 m de grond in gaan, archeologisch onderzoek verricht te worden waarin de archeologische waarden van de gronden inzichtelijk worden gemaakt.
Het gewijzigde verkavelingsplan past niet binnen de bestemmingsvlakken uit het geldende bestemmingsplan. Daarnaast is de bouw van 27 woningen niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Een partiële herziening van het bestemmingsplan 'Kern Schimmert' is dus noodzakelijk.
De kern Schimmert bestaat uit een aantal oude bebouwingslinten en een bebouwingscluster ten westen van de kerk. In de kern komt een aantal historische panden voor. De bebouwingslinten van Schimmert zijn aaneengegroeid met de bebouwingsclusters Klein-Haasdal en Groot-Haasdal (beide gelegen in zuidelijke richting). De gronden rond Schimmert zijn voornamelijk in gebruik als akkerbouwland.
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestzijde van de kern Schimmert, daar waar het buitengebied min of meer de kern binnendringt. Schimmert en dus ook het plangebied is gelegen in het Heuvellandschap. Het Heuvellandschap bestaat uit een door beekdalen doorsneden plateaulandschap. Tussen het plateau en beekdalen ligt een hellingzone, waarin door erosie droogdalen en grubben zijn ontstaan. Deze grubben zijn smalle diep ingesneden dalen, vaak met een holle weg, die plateau met beek- of droogdal verbinden. Het plangebied zelf bevindt zich op het plateau, terwijl het verlengde van de Bekerbaan, zowel in zuidelijke richting als in noordelijke richting overgaat in een holle weg.
Schimmert is het hoogstgelegen dorp in de verre omgeving op het plateaulandschap, dat op diverse plaatsen doorsneden wordt door holle wegen. Het Zuid Limburgs plateaulandschap is licht glooiend en in het plangebied is het hoogteverschil dan ook gering. Het hoogteverschil bedraagt maximaal 5 meter. Het zuidelijk deel van het plangebied bevindt zich in een soort kom waarbij de randen van het plangebied hoger gelegen zijn dan het middengebied. Het noordelijk deel van het plan is wat hoger gelegen t.o.v. de eerste fase, maar ook hier zijn de hoogteverschillen gering. De Bekerbaan ligt ca. 1,50 meter hoger dan het plangebied. Het aanwezige reliëf wordt door de geplande bebouwing niet aangetast.
De Bekerbaan ten zuidwesten van het plangebied, is de doorgaande weg tussen Hulsberg en Beek. Aan deze weg liggen de kernen en bebouwingsconcentraties Arensgenhout, Klein Haasdal, Schimmert, Oensel en Klein Genhout. Deze weg is ter hoogte van het plangebied onbebouwd. De onbebouwde gronden aan de Bekerbaan zijn voornamelijk in gebruik als akker. Daarnaast komen aan de Bekerbaan hoofdzakelijk woningen voor.
De Rooseveltstraat is een woonstraat binnen de kern Schimmert. De bebouwing aan deze straat heeft geen historisch karakter. Aan beide zijden van deze straat is hoofdzakelijk woonbebouwing aanwezig. De straat behoort tot de bebouwde kom van Schimmert.
De belangrijkste functie in de kern Schimmert is de woonfunctie. Naast de, als burgerwoningen gebouwde woningen, wordt ook een aantal van de historische boerderijen tegenwoordig als woning gebruikt. Andere panden hebben een agrarische- of toeristisch-recreatieve functie.
De kerk en basisschool zijn gelegen op een afstand van zo’n 600 meter ten noordoosten van het plangebied.
Luchtfoto plangebied met directe omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied was voorheen in gebruik als agrarisch bouwland (akker en boomgaard). In het plangebied is nog geen bebouwing aanwezig. Wel is de infrastructuur voor fase 1 grotendeels al voorbereid.
Aan de zuidoostzijde grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen aan de Rooseveltstraat. Hier bestaat dan ook een duidelijke aansluiting met het bestaand bebouwd gebied. In het noorden van het plangebied is een boomgaard gelegen. Deze boomgaard scheidt het agrarisch gebruikte plangebied van de bebouwing aan de Kruisstraat. De Kruisstraat is een oud bebouwingslint waarin door de jaren ook nieuwe bebouwing is geplaatst.
De kern Schimmert is opgebouwd als een lintbebouwing, waaraan de laatste 30 jaar enkele introverte ontwikkelingen op het door lintbebouwing omsloten binnengebied van het centrum zijn toegevoegd. Zo is er ten westen van de kern tussen Remigiusstraat en Hoofdstraat een clusterbebouwing ontstaan aan het Kerkveld en de Knolwei. Ten zuiden hiervan is een lus ontstaan vanaf de Weidestraat en de Rooseveltstraat waaraan de bebouwing van de Pachtdael gesitueerd is. De bebouwingsdichtheid rondom de kern is door deze clusters tussen de oorspronkelijke lintbebouwing vergroot.
Het plan Beekerpark langs de Bekerbaan sluit aan op deze tendens, met relatief ruim opgezette kavels. Door het toepassen van grote kavels aan de rand van het dorp is de overgang van dorp naar landelijk gebied geleidelijk. De dorpsgrens wordt iets naar het buitengebied verplaatst. Anderzijds wordt door de geplande buffer met groen het buitengebied ook weer in de richting van de kern getrokken.
De nieuwe bebouwing langs de Bekerbaan vanaf de Rooseveltstraat wordt beperkt tot slechts vijf woningen. De grens van de bebouwde kom van Schimmert wordt hierdoor maar in geringe mate verschoven. Ter plaatse van deze nieuwe grens worden de overige woningen vanaf de Bekerbaan ontsloten door een insteekweg met daaraan een lus waarop de bebouwing georiënteerd wordt. De ontsluiting van het plan vanaf de Bekerbaan pal tegenover de bestaande veldweg is zo gekozen om vanuit het plan toch een duidelijke zichtlijn met het buitengebied te hebben.
De historische bebouwing van Kruis met diverse monumentale gebouwen ten noordwesten van het plangebied wordt door een buffer en de bestaande boomgaard afgeschermd.
Nieuw stedenbouwkundig plan
Met het ontwikkelingsplan ‘Beekerpark’ worden 27 woningen gerealiseerd. De visie achter het ontwerp is vooral om zoveel mogelijk de landelijke sfeer die de omgeving uitstraalt na te streven. Bij de inrichting staat derhalve soberheid voorop. Zowel de woningen als de infrastructuur worden terughoudend vormgegeven.
De stedenbouwkundige structuur van het oorspronkelijk plan van fase 1 blijft in hoofdlijnen behouden. Het plangebied wordt ontsloten via een insteekweg vanaf de Bekerbaan, ter hoogte van de Lange Rein, een reeds bestaande secundaire weg aan de overzijde van de Bekerbaan. De nieuwe weg gaat over in een verkeerslus die in het oorspronkelijke plan via de tweede fase van het plan Beekerpark weer terug zou draaien naar de Bekerbaan. In het nieuwe plan zijn ter plaatse van de voormalige aansluitingen met de tweede fase, twee cul de sacs voorzien.
In het zuiden van het gebied worden, aansluitend aan de woonpercelen van de Rooseveltstraat, 4 twee-onder-één-kap woningen (in totaal 8 woningen) projectmatig gerealiseerd. De overige woningen zijn vrijstaande woningen op ruime kavels. De 7 woningen in het noorden van het plangebied worden projectmatig gebouwd. Voor het overige betreft het vrije sector woningen. De oriëntatie van de bebouwing is hoofdzakelijk naar de hoofdontsluiting gericht.
De woningen dienen te bestaan uit maximaal 2 bouwlagen, al dan niet afgewerkt met kap.
In de verkeerslus is een groen pleintje geprojecteerd. Dit dient als structuurelement die de geplande boomstructuur met elkaar verbindt. Op het groene pleintje wordt straatmeubilair geplaatst in de vorm van 2 zitbanken en een picknicktafel. De ruime opzet van het plan met een sobere infrastructuur sluiten aan bij de landelijke omgeving. De erfafscheidingen tussen de kavels zullen dan ook niet benadrukt moeten worden met hagen. De voorkeur gaat eerder uit naar vrijgroeiende heesterborders die een veel landelijker karakter hebben dan formeel geschoren hagen.
Tussen de te realiseren woningen en de noordwestelijk gelegen boomgaard is een groene buffer aangelegd. Deze buffer vormt een duidelijk begrenzing van de woningbouw en hiermee wordt een afronding van de kern aan deze zijde gerealiseerd. De buffer biedt tevens ruimte om het hemelwater van de nieuw te realiseren bebouwing op af te koppelen. De inrichting van deze groenzone zal als extensief groen plaatsvinden.
De groene strook langs de Bekerbaan zal een robuust karakter krijgen en functioneren als een natuurlijke dorpsrandbeplanting. Bij de inrichting zal de potentieel natuurlijke vegetatie worden nagestreefd waarbij het plantmateriaal van oorspronkelijk inheemse herkomst dient te zijn.
Het grootste deel van de nieuw te bouwen woningen wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen weg. Deze weg sluit aan op de Bekerbaan, tegenover de Lange Rein. De nieuwe weg wordt opgezet met één rijstrook met daarnaast een verharde strook welke gebruikt kan worden door voetgangers en ten behoeve van parkeren (8 parkeerplaatsen). In het middelste deel van de weg wordt een breder groengebied gecreëerd. De verkeersfunctie van de weg is ondergeschikt aan de verblijfsfunctie en zal dan ook als 30 km/uur zone worden ingericht.
Drie vrijstaande woningen en twee twee-onder-één-kap woningen worden ontsloten via de Bekerbaan. Hier blijft de bestaande verkeersstructuur gehandhaafd.
De richtlijn uit het ASVV 2012 voor een niet stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom is als volgt:
| typologie | minimale parkeernorm | maximale parkeernorm | aantal woningen | parkeerbehoefte (minimaal - maximaal) |
| vrijstaande koopwoning | 1,9 | 2,7 | 19 | 36,1 - 51,3 |
| twee-onder-één-kap woning | 1,8 | 2,6 | 8 | 14,4 - 20,8 |
| totaal | 50,5 - 72,1 |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er een parkeerbehoefte is van minimaal 51 en maximaal 72 parkeerplaatsen.
Alle woningen worden gerealiseerd op ruime kavels. Op de kavels is dan ook voldoende ruimte aanwezig voor de realisatie van een (inpandige) garage. Er kan echter niet vanuit worden gegaan dat bewoners de auto ook daadwerkelijk in de garage parkeren. Vandaar dat buiten de garage op de aan te leggen opritten voldoende ruimte aanwezig moet zijn voor het parkeren van twee auto's. Daarmee kan worden voorzien in 54 parkeerplaatsen en wordt al voldaan aan de minimale parkeervraag. Verder kan langs de kant van de weg worden geparkeerd. De ruimte die is gereserveerde voor de wegen in het plangebied is voldoende breed (tussen de 5,5 en 7 meter) om auto's aan één kant van de weg te parkeren en toch veilig te kunnen passeren. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de 8 parkeerplaatsen die worden aangelegd in de openbare ruimte. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Nuth. Bezoekers kunnen hun auto op privaat of, incidenteel, publiek terrein parkeren.
Aangezien de aan te leggen weg uitsluitend bestemd is voor de nieuw te realiseren woningen, zijn er weinig conflicten te verwachten tussen langzaam en snel verkeer. De geplande woningbouw is dan ook voor zowel auto- en fietsverkeer, alsmede voor voetgangers, goed en veilig te bereiken.
Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen, zoals in onderhavige situatie, toegestaan kunnen worden. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede randvoorwaarden voor het lokale maatwerk bij ruimtelijke ontwikkelingen zullen zijn.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:
Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.
De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:
Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van een woningbouwontwikkelingslocatie in de kern Schimmert, waarbij 4 woningen in de eerste fase worden toegevoegd en 19 woningen die waren voorzien in de tweede fase komen te vervallen.
De ontwikkelrichting is reeds eerder in een bestemmingsplan vastgelegd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een en ander in overeenstemming gebracht met de actualiteit. De SVIR voorziet niet in specifieke onderwerpen die op het plangebied en planvoornemen van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden. Het planvoornemen voorziet in een natuurlijke groeibehoefte, waarbij woningen gebouwd worden die aansluiten bij de hedendaagse woonwensen.
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.
Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR.
De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen.
Onderhavig planvoornemen voorziet in een herverkaveling van een bestaande woningbouwlocatie van de kern Schimmert. Het Barro voorziet niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de Barro gelden.
Indien er binnen een regio ontwikkelingen plaats zullen gaan vinden, dient het stappenplan uit de SVIR gevolgd te worden. Deze zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking', die tevens is opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bestaat uit de volgende stappen:
De ladder is daarmee kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden.
De ladder geldt volgens artikel 3.1.6, lid 2 Bro als 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt op een woningbouwlocatie. Het Besluit ruimtelijke ordening geeft inzicht wat er onder een woningbouwlocatie verstaan dient te worden. Uit jurisprudentie kan wordne afgeleid in welk geval er sprake is van een verantwoordingsplicht op grond van de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis hiervan vallen kleinschalige woningbouwontwikkelingen niet onder de werkingssfeer van de ladder, waarbij de Raad van State heeft geoordeeld dat ontwikkellocaties waarop een toevoeging van 6 woningen mogelijk worden gemaakt als kleinschalig worden beoordeeld (zie ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4).
Onderhavig voornemen betreft de herontwikkeling van een bestaand, als zodanig bestemd ontwikkelingsgebied om beter te kunnen voldoen aan de hedendaagse woningbehoeften. Enerzijds wordt er zachte plancapaciteit geschrapt (19 woningen op basis van wijzigingsbevoegdheid, fase 2), anderzijds worden er woningen toegevoegd (4 woningen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, fase 1). Per saldo gaat onderhavig bestemmingsplan uit van een toevoeging van 4 woningen aan de harde plancapaciteit, dan wel een afname per saldo van 15 woningen van de zachte plancapaciteit.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik beoordeeld op basis van de ladder voor duurzame verstedelijking. De woningen passen binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (zie paragraaf 4.4.2). De woningen voorzien derhalve in de binnen dit programma geraamde actuele regionale behoefte. Dit is ook afgestemd met de provincie Limburg. In deze behoefte wordt voorzien binnen het bestaande stedelijke gebied.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden en heeft de functie structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeer- en vervoersplan.
In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Over deze uitdagingen wordt de dialoog aangegaan met de regio's. Kwaliteit en uitnodigen staat daarbij centraal.
De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze zijn uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en provincie. De provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'buitengebied'. Voor deze gebieden ligt het accent op:
De woningbouwontwikkeling past niet direct binnen dit gebied. Omdat het in het oorspronkelijke plan om Ruimte voor Ruimte woningen (op basis van de Ruimte voor Ruimte regeling Zuid-Limburg) ging, was het destijds wel mogelijk deze in het buitengebied, buiten de contour (volgens het destijds geldende contourenbeleid) te realiseren. Om de realisatie van de 16 Ruimte voor Ruimte woningen financieel mogelijk te maken is destijds door de gemeente Nuth en de provincie Limburg toestemming gegeven om in het gebied tevens 7 ‘overige’ woningen te realiseren, niet vallend onder de Ruimte voor Ruimte regeling.
Een belangrijk thema in het POL2014 is voorts de noodzaak de woningvoorraad zowel kwantitatief als kwalitatief af te stemmen op de behoefte van woningzoekenden. Door de demografische ontwikkelingen nu en in de toekomst is dat met name urgent in Zuid-Limburg.
Bij het aanpassen van het plan Beekerpark neemt de plancapaciteit per saldo af van 42 woningen naar 27 woningen, een beweging waartoe de provincie in POL2014 uitdrukkelijk heeft opgeroepen.
Bij besluit van 15 november 2016 hebben GS van Limburg de hardheidsclausule van de Omgevingsverordening van toepassing verklaard, waardoor een bestemmingsplan van 27 woningen in de plaats kan komen van de 42 woningen die tot nu op de woningbouwprogrammering stonden.
Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. In deze verordening geeft de provincie Limburg bindende kaders voor ruimtelijke planvorming door gemeentes.
Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg
Op basis van de Omgevingsverordening is het plangebied gelegen in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het beleid binnen het Nationaal Landschap is er op gericht om de stad-land relaties te versterken en binnen het beschermingsgebied de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven en te werken vanuit de 10 kernwaarden uit het POL2014.
De kernkwaliteiten voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg betreffen: ‘schaalcontrast van zeer open naar besloten’, ‘het groene karakter’, ‘reliëf en ondergrond’ en ‘rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed’. Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen een nationaal landschap dienen de geformuleerde kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Hierop wordt in paragraaf 5.12 nader ingegaan.
Ladder voor duurzame verstedelijking en woningtoevoegingen
De provincie heeft in de verordening ook nogmaals de ladder voor duurzame verstedelijking geborgd en aan dat afwegingskader nog toegevoegd dat ook dient te worden bezien in hoeverre de nieuw te realiseren functie kan worden gehuisvest in een leegstaand monumentaal of beeldbepalend pand.
Dit bestemmingsplan gaat uit van de toevoeging van vier woningen in de eerste fase. Zoals reeds geconcludeerd in paragraaf 4.2.3 is dan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast geldt zelf een afname van 19 woningen in de tweede fase.
Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg
In Zuid-Limburg mogen niet zomaar meer plannen of vergunningen worden gemaakt voor het bouwen van nieuwe woningen. Kortweg betekent het dat er alleen nog nieuwe woningbouwplannen mogen worden gemaakt, als minimaal hetzelfde aantal woningen wordt gesloopt, én de woningen voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria.
Het plan Beekerpark is door de provincie Limburg getoetst aan de Omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.4, wonen Zuid-Limburg. De provincie is van oordeel dat bij dit plan sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld onder punt C van de aanhef van de gewijzigde beleidsregel 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg’, waarbij de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de verordening. Op grond daarvan is de Omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.4, wonen Zuid-Limburg niet van toepassing voor de voorgenomen aanpassing van het plan Beekerpark.
Hiermee stemt de provincie Limburg in met de voorgenomen wijziging van het plan, waarbij vier woningen worden toegevoegd. De volledige brief met het oordeel van de provincie is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.
Het relevante regionale beleid is in dit kader de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, vastgesteld door de gemeenteraad van Nuth op 27 september 2016. Deze visie verwoordt de gezamenlijke aanpak van de Zuid-Limburgse gemeenten om te komen tot een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. De driedelige opgave die de structuurvisie bevat is:
Om invulling te kunnen geven aan deze opgaven zijn een dertiental beleidafspraken gemaakt. Zo is onder meer afgesproken dat in een subregionale woningmarktprogrammering de toevoegingen en onttrekkingen op basis van de transformatieopgave per gemeente worden vastgelegd, wordt voorzien in het schrappen van harde plancapaciteit aan met name de randen van steden en kernen en in te zetten op herinvulling van cultuurhistorisch waardevol bestaand vastgoed. Uitzondering hierop zijn woningen die al zijn opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering. De gemeente Nuth maakt onderdeel uit van de regio Parkstad. Hoe dit project zich verhoudt tot de regionale woningmarktprogrammering wordt behandeld in paragraaf 4.4.2.
Verder is in de structuurvisie voorzien in een compensatieregeling voor het toevoegen van nieuwe woningen.
Met de regionale woningmarktprogrammering 2013-2016 spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwantiteit aan kwaliteit en is daarmee een belangrijk instrument voor gemeenten in de regio. De Parkstadgemeenten spreken door deze woningmarktprogrammering met elkaar af welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan.
Het doel van de regionale woningmarktprogrammering is om volume terug te brengen en daarbij te sturen op de frictie in kwaliteit. Het kwantitatief uitgangspunt voor de Regionale Woningmarktprogrammering 2013-2016 is de Transformatieopgave 2012-2020. Deze komt tot uiting in de Envelop 2014-2020, de geactualiseerde opgave uit de Herstructureringsvisie voor de Woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020. De kwalitatieve uitgangspunten hebben vorm gekregen in het kwalitatief afwegingskader en worden verder uitgewerkt in de kwalitatieve uitwerking van de Envelop waarbij overschotten en tekorten per segment zijn uitgewerkt.
Het project Beekerpark gaat in de regionale woningmarktprogrammering uit van een toevoeging van 42 woningen in totaal (fase 1 + 2) en een onttrekking van 0 woningen. Het project valt binnen categorie 2 'Goede projecten'. Hieronder vallen de bestaande woningbouwprojecten, met een netto toevoeging groter dan 0, die volgens het afwegingskader een bovengemiddeld goede locatie en een goede productmarktcombinatie hebben. Het leidende principe bij deze projecten stelt dat er behoefte is aan de productmarktcombinatie en de locatie vanuit een marktperspectief heel aantrekkelijk is. Deze pareltjes zouden met voorrang tot ontwikkeling moeten worden gebracht. Wel moet er voor gewaakt worden dat teveel van deze projecten de markt kan verzadigen. De toevoegingen voortkomend uit deze categorie projecten moeten op het niveau van woongebieden wel voldoen aan de gestelde uitgangspunten in de Envelop 2014-2020.
Met onderhavig bestemmingsplan wordt het woningaantal binnen het project Beekerpark teruggebracht van 42 naar 27 woningen. Dit betekent per saldo een afname van 15 woningen.
Daarnaast wordt voorzien in een woningtypologie die beter aansluit bij de huidige marktvraag. Dit past volledig binnen het regionale en gemeentelijke woningbouwbeleid.
Bij brief van 19 december 2016 heeft de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van Parkstad Limburg ingestemd met het gemeentelijk verzoek tot wijzigen van het bouwplan Beekerpark in de regionale woningmarktprogrammering.
Op 20 oktober 2015 heeft de gemeenteraad van Nuth de ‘Strategische Visie Nuth 2025 - Poort van Parkstad’ vastgesteld. In de strategische visie wordt een beeld gegeven van de ambities en de richting waarin gekoerst wordt door de gemeente. De visie geeft een leidraad voor de veranderende rol die voor burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties is uitgestippeld. Initiatieven en ontwikkelingen worden door de gemeente in het licht van de ambities uit de strategische visie beoordeeld. De gemeente gaat uit van flexibiliteit om de mogelijkheid te behouden om in te kunnen spelen op onvoorziene maatschappelijke ontwikkelingen.
De koers van de gemeente is in de strategische visie uitgewerkt in vier perspectieven met eigen ambitie:
Bij ieder perspectief worden in de strategische visie concrete acties genoemd. Onderhavig project past binnen de strategische visie voor vitale kernen. Door de demografische ontwikkeling (krimp en vergrijzing) bestaan er grote discrepanties tussen vraag en aanbod op de woningmarkt en de vastgoedmarkt in het algemeen (maatschappelijk vastgoed, retail, kantoren en monumenten), zowel kwantitatief als kwalitatief. De sturing op deze markten en het zoeken naar nieuwe wegen om leegstand te bestrijden, is van groot belang.
Belangrijk is om ook de kwalitatieve benadering op te pakken om er voor te zorgen dat er woningen en voorzieningen zijn die aansluiten bij behoeftes van onze bewoners en mensen van buitenaf die iets nieuws zoeken. Een leefomgeving die schoon, heel en veilig is, duurzaam is ingericht, een adequaat voorzieningen niveau en een stabiele woningwaarde. Dat wordt bereikt door te werken aan herstel van het evenwicht op de woningmarkt en leefbaarheids- en kwaliteitsimpulsen te geven in onze wijken en kernen.
Met het gewijzigde plan voor Beekerpark wordt invulling gegeven aan deze kwalitatieve benadering, waarbij de typologie beter aansluit op de wensen uit de woningmarkt. Daarnaast wordt overtollige plancapaciteit geschrapt.
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een herziening van het bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Beekerpark' en later de opname hiervan in het geldend bestemmingsplan 'Kern Schimmert' zijn destijds de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Omdat voorliggende herziening een wijziging van het verkavelingsplan met een toename van 4 woningen in fase 1 betreft, dient navolgende verantwoording ter aanvulling op de voor de woningbouwontwikkeling uitgevoerde onderzoeken in het kader van het geldende bestemmingsplan.
Sinds 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. (uitvoeringswetgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage) gewijzigd. Een belangrijke wijziging is dat de drempels voor de m.e.r.-beoordeling zijn gewijzigd van absolute naar indicatieve waarden. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, aandacht moet worden besteed aan de milieueffectrapportage (m.e.r.), met als doel de milieugevolgen van een besluit in beeld te brengen. Met betrekking tot de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is in de D-lijst een drempelwaarde van een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen, een oppervlakte van 100 hectare of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer opgenomen.
Dit plan voor het Beekerpark maakt de realisatie van maximaal 27 (waarvan 4 nieuwe) woningen mogelijk. Voor 1 april 2011 kon op basis van dit aantal nog worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was. Op grond van de momenteel geldende regeling moet bevoegd gezag een nadere motivering geven in de vorm van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
De ontwikkeling die met de woningbouwlocatie Beekerpark mogelijk wordt gemaakt ligt ver onder de drempelwaarde van de D-lijst. In de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk wordt aangetoond dat met deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op milieu- en omgevingsaspecten (archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, bodem, externe veiligheid, geluid, bedrijven en milieuzonering, geur, lucht en water). Er is bovendien geen sprake van overige ontwikkelingen in de directe omgeving van het plangebied, waardoor geen cumulatieve effecten te verwachten zijn.
Geconcludeerd wordt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen, ook geen cumulatieve, te verwachten zijn. Een nadere m.e.r.-beoordeling wordt niet noodzakelijk geacht.
DE WATERTOETS
Eind 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. De looptijd van het Nationaal Waterplan is van 22 december 2015 tot 22 december 2021. Het Nationaal Waterplan en alle andere plannen op grond van de Waterwet worden elke zes jaar herzien.
Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn de basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer. Tegelijk met het opstellen van het nationaal waterplan zijn ook de regionale waterplannen van de provincies, het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren en de waterbeheerplannen van de waterschappen opgesteld.
Om de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing te nemen, zijn deze verplicht gesteld bij een bestemmingsplan of projectbesluit. Vooroverleg over de wateraspecten van het plan tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerders is verplicht. Dit vooroverleg heeft plaatsgevonden in 2006 en is akkoord bevonden door het waterschap. In 2017 is het planvoornemen gewijzigd en is gevraagd aan het waterschap of het planvoornemen opnieuw getoetst dient te worden. Het waterschap heeft hierop gereageerd dat een nieuw advies niet nodig is, omdat de wateropgave niet groter is geworden door het gewijzigde planvoornemen. In deze paragraaf worden de aspecten die vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een rol spelen naar voren gebracht en wordt aangegeven hoe hier in onderliggend plan mee wordt omgegaan.
Het totale plangebied heeft een oppervlak van 5,8 hectare. Ongeveer 3,5 hectare van dit oppervlak zal ontwikkeld worden als woningbouw inclusief bijbehorende infrastructuur en bufferzone. Het stedenbouwkundig plan is weergegeven in onderstaande figuur.
Stedenbouwkundig ontwerp Beekerpark
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Ten behoeve van het project is in juni 2007 een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Tevens zijn ter plekke van de verrichte infiltratieonderzoeken boorprofielen opgesteld. De bodem bestaat vanaf maaiveld tot ca. 4 meter diepte uit leem. Van 4 tot 5 meter bestaat de bodem uit sterk siltig zand.
Middels een dubbele ringinfiltratietest is de doorlatendheid van de bovenlaag op een diepte van 2,0 meter bepaald. Na 60 minuten is het infiltratieonderzoek stopgezet. De infiltratiewaarde bedraagt 0.
Vervolgens is middels de omgekeerde boorgatmethode de doorlatendheid van de zandlaag tussen 4 en 5 meter beneden maaiveld bepaald. De k-waarde voor deze laag is redelijk en bedraagt 0,5 m/dag.
Uit het uitgevoerd verkennend bodemonderzoek uit 2006 volgt dat de grondwaterstand zich op een diepte van ca. 22 meter bevindt. Het grondwater vormt daarom geen belemmering voor infiltreren van regenwater. De combinatie van een redelijke k-waarde en een zeer lage grondwaterstand maakt het gebied geschikt om regenwater middels een diepe infiltratiebuffer op te vangen en te infiltreren in de ondergrond. Indien de regenwaterbuffer niet tot op de doorlatende ondergrond wordt aangelegd, zijn aanvullende maatregelen nodig om de leegloop van de buffer te garanderen.
AANVULLENDE EISEN
Voor de aanleg van de buffer is een ontgravingsvergunning vereist van de Provincie Limburg. Deze vergunning is in maart 2011 verstrekt. Een van de aanvullende eisen die de Provincie aan de buffer stelt, is dat deze wordt ingepakt in een slecht doorlatende klei- of lösslaag.
De huidige bovengrond is niet doorlatend en is daarmee geschikt om de buffer in te pakken. Het gevolg is wel, dat de infiltratiecapaciteit 0 is. Om de leegloop te garanderen zal de buffer een leegloopvoorziening moeten krijgen op het dwa-riool. Normaliter wordt een leegloopvoorziening gedimensioneerd op een capaciteit van 1 l/s/ha. Met een aangesloten verhard oppervlak van 3,5 ha, zal de leegloopvoorziening een capaciteit moeten krijgen van ca. 3,5 l/s.
INLEIDING
Afkoppelen van hemelwaterafvoer heeft de volgende voordelen:
Daarnaast kan infiltratie van hemelwater bijdragen aan een beperking van eventuele verdroging en draagt bij aan het op peil houden van de voorraad schoon water.
Het overheidsbeleid gaat uit van afkoppelen, maar wel onder enkele voorwaarden:
De Limburgse waterbeheerders hebben hun visie op het verantwoord afkoppelen neergelegd in een voorkeurstabel. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen oplossingen voor grondoppervlak, dakoppervlak en hergebruik regenwater. Voor nieuwbouwprojecten heeft het de voorkeur om te werken met bovengrondse open infiltratiesystemen, echter ook het ondergronds infiltreren met bodemfilter is een acceptabele oplossing. In alle gevallen zal er bij de bouw van de woningen rekening gehouden moeten worden, met het feit dat er geen uitlogende materialen als koper en zink gebruikt mogen worden bij de materialen die in aanraking komen met het regenwater.
BEOORDELING HUIDIGE INFILTRATIEBUFFER
De huidige infiltratiebuffer is aangelegd met een bodemniveau van 129,00 m + N.A.P. Dit is 3,5 meter beneden het voormalige maaiveld. Daarmee wordt voldaan aan de eis van de Provincie Limburg en bevindt zicht nog een slechtdoorlatende laag löss op de bodem van de buffer.
Het aanlegniveau van de rijwegen in het plan is bepaald op 131,75 tot ca. 132,50 m + N.A.P. Rekenend met een waterstand van 1 meter in de buffer bedraagt de aanwezige berging 545 m³. Met een waterstand van 2 meter (131,00 m + N.A.P.) bedraagt de aanwezige berging 1.325 m³. De waterstand bevindt zich dan nog 0,75 m beneden het laagste punt (131,75 m + N.A.P.) van het aansluitende plangebied.
Het waterschap Limburg geeft aan dat voorzieningen in het gebied van het voormalige waterschap Roer en Overmaas moeten worden gedimensioneerd op een regenbui van 35 mm in 45 min (herhalingstijd T=25 jaar). Na 24 uur dient een volgende regenreeks met een herhalingstijd van T=25 jaar in de buffer geborgen te kunnen worden. Tevens zal een doorkijk gemaakt moeten worden voor een regenbui van 45 mm in 30 minuten (herhalingstijd T=100 jaar). Aan de hand van bovengestelde eisen is in de volgende paragraaf de benodigde berging bepaald.
BENODIGDE BERGING
Op de buffer wordt het regenwaterriool aangesloten dat het regenwater binnen het plangebied inzamelt. Het betreft zowel het regenwater van het openbaar gebied als ook van de particuliere kavels.
Binnen het plan worden vrijstaande en halfvrijstaande woningen gerealiseerd. Omdat het grote kavels betreft waarvan de inrichting op dit ogenblik nog niet bekend is, rekenen we met een verhard kaveloppervlak van 30%. Het totale oppervlak aan uitgeefbare kavels bedraagt 22.250 m².
De openbare verharding binnen het plangebied heeft een oppervlak van ca. 3.700 m². Daarnaast zal de Bekerbaan eveneens op de buffer worden aangesloten. Het oppervlak hiervan bedraagt ca. 1.900 m². Het totaal aangesloten verhard oppervlak op de buffer komt daarmee uit op: 22.250 x 30% + 3.700 + 1.900 = 12.350 m²
Daarnaast zal het regenwater dat op de buffer en de omringende groenstrook valt eveneens geborgen moeten kunnen worden. De buffer heeft een bovenoppervlak van ca. 1.500 m². Inclusief de omliggende groenstrook, bedraagt het afwaterend oppervlak van de groenstrook ca. 2.500 m². Het totale afwaterende oppervlak komt daarmee uit op ca. 15.000 m².
De benodigde berging bedraagt dan: 15.000 x 35 mm = 525 m³. Met deze hoeveelheid zal de waterstand in de buffer ongeveer 90 cm bedragen. Het waterpeil zal stijgen tot 129,90 m + N.A.P. Dit ligt dan 1,85 meter beneden het laagste aanlegniveau van de rijweg van 131,75 m + N.A.P.
Maken we een doorkijk naar een regenreeks met een herhalingstijd van T=100 jaar, dan bedraagt de benodigde berging: 15.000 x 45 mm = 675 m³. Met deze hoeveelheid zal de waterstand in de buffer stijgen tot ca. 1,2 meter. De waterstand ligt dan nog ruim 1,5 meter beneden het laagste maaiveldniveau.
De gerealiseerde buffer voldoet daarmee qua bergend vermogen ruimschoots aan de gestelde eisen. Een tweede eis is echter de leeglooptijd van de buffer. 24 uur nadat een regenreeks met een herhalingstijd van 25 jaar is gevallen, dient een volgende regenreeks met een herhalingstijd van 25 jaar geborgen te kunnen worden. Omdat de buffer ruim is opgezet kunnen twee regenbuien met een herhalingstijd van T=25 jaar in de buffer geborgen worden. 525 x 2 = 1.050 m³. De waterstand in de buffer bedraagt dan ca. 1,70 meter.
Vanwege de slechte doorlatendheid is bij de aanleg van de buffer tevens een leegloopleiding aangelegd welke is aangesloten op het dwa-riool. De capaciteit van de leegloopleiding dient nog geoptimaliseerd te worden tijdens de verdere uitwerking van de plannen.
VUILWATER
Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op een nieuw aan te leggen rioolstelsel. Dit nieuwe stelsel zal worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel van Schimmert.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, de zogenaamde 'Wet luchtkwaliteit', wordt toetsing van besluiten aan luchtkwaliteitsnormen in beginsel beperkt tot activiteiten die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' beïnvloeden. Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, zal een plan mogelijk in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving.
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op het toestaan van een andere bebouwingstypologie en een gewijzigde verkaveling. Concreet worden er nu in de eerst fase 27 woningen gerealiseerd in plaats van de voorgenomen 23 woningen. In de tweede fase worden geen woningen meer gerealiseerd in plaats van de voorgenomen 19 woningen. Dit betekent een afname van 15 woningen in het gebied, waardoor aangenomen mag worden dat luchtkwaliteit dan ook geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Binnen het plangebied alsmede in de directe omgeving ervan is als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. De richtafstanden zijn niet wettelijk voorgeschreven en gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven en zijn geschreven voor nieuwe situaties. Indien bekend is welke activiteiten concreet beoogd worden, dan kan gemotiveerd worden afgeweken van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Voor bestaande bedrijven geldt allereerst de geldende omgevingsvergunning of de richtlijnen uit de geldende AMvB.
In de directe omgeving van het plangebied komen geen bedrijfsfuncties voor die een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkelingen in het plangebied. Aan de Kruisstraat 12 en 23 zijn twee tuiniersbedrijven gelegen. Deze bedrijven vallen onder de Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Voor de bedrijven geldt een milieucirkel van 50 meter. De afstand van de te realiseren woningen tot de bedrijfslocaties aan de Kruisstraat bedraagt ten minste 100 meter. Van een negatieve beïnvloeding door de bedrijven is dan ook geen sprake. Voor de fruitgaard van het tuiniersbedrijf aan Kruisstraat 23 dient op basis van jurisprudentie een minimale afstand van 25 meter tot de woonbestemming aangehouden te worden. Ook aan deze afstand wordt voldaan.
De geprojecteerde woningen hebben geen functie die volgens de (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering”, gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies. De voorgenomen bebouwing heeft dan ook geen milieu-invloed op omliggende functies.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als “de kans op overlijden” voor personen en niet de kans op gewonden. Concreet moet hierbij gedacht worden aan risico’s door activiteiten zoals het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en de opslag van gevaarlijke stoffen binnen een bedrijf (inrichting). Het is van groot belang de veiligheid van personen (die niets met de activiteit te maken hebben) in de omgeving van risicovolle activiteiten op een acceptabel niveau te hebben en te houden. Het beleid is er op gericht om te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen, zoals woonwijken, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Of andersom: het voorkomen dat een nieuwe gevoelige bestemming in de buurt komt van een bestaande risicovolle activiteit. Als een uitspraak moet worden gedaan over risico’s of externe veiligheid, is het noodzakelijk om gebruik te maken van een tweetal risicomaten:
Uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)
Op basis van de risicokaart kan voor onderhavig plangebied worden geconcludeerd dat er geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid zijn gelegen. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen per weg, spoor, water of leiding in de directe nabijheid plaats. Er zijn geen belemmeringen betreffende de externe veiligheid die het planvoornemen negatief kunnen beïnvloeden.
Zowel ten aanzien van het plaatsgebonden risico als het groepsrisico zijn derhalve geen belemmeringen aanwezig die een belemmering vormen voor het plan.
Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden. Bij de oorspronkelijk planontwikkeling zijn de archeologische waarden van de locatie reeds onderzocht.
Kaart archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek
RAAP Archeologisch Adviesbureau bv heeft in 2006 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (‘Plangebied Weegscheijdt te Schimmert, gemeente Nuth; archeologisch vooronderzoek: een bureau en inventariserend veldonderzoek’, rapport NUSC, 17850, d.d. juli 2006).
Hieruit is gebleken dat op grond van het ontbreken van duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Aangezien de aanwezigheid van een archeologische vindplaats echter niet volledig kan worden uitgesloten, kan er eventueel aan gedacht worden de geplande werkzaamheden door een lid van de lokale heemkundekring archeologie te laten begeleiden.
Deze conclusie uit 2006 blijft gehandhaafd, waardoor verder geen archeologisch onderzoek meer nodig is.
Kaart boorpunten actualiserend bodemonderzoek uit 2013
Aeres Milieu heeft in 2013 een actualiserend bodemonderzoek 'Beekerpark' uitgevoerd (rapport AM13017). Destijds zijn in totaal 43 boringen verricht, waarbij zintuiglijk geen bijmengingen zijn waargenomen. De bovengrond bleek destijds licht verontreinigd met enkele zware metalen.
Ook in 2006 is reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Adviesbureau Brouwers, rapport NUT-081-01). Destijds is in de bovengrond ook plaatselijk een lichte verontreiniging met cadmium aangetroffen. In de ondergrond zijn destijds geen verontreinigingen aangetroffen.
In 2011/2012 is een riolering aangelegd op het nieuwbouwterrein. Het grondwater ter plaatse bevindt zich op circa 22 m -mv.
In het kader van de herziening van het bestemmingsplan en de nieuwbouw van woningen aldaar is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd.
Gezien de realisatie van de ontsluitingsweg (menggranulaat) relatief recentelijk heeft plaatsgevonden (na 2010), wordt dit puin niet als asbestverdacht aangemerkt. Ook uit voorgaande onderzoeken blijkt niet, dat er aanleiding bestaat een verontreiniging met asbest te verwachten. Verder zijn op het maaiveld geen asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen. Hierbij wordt wel opgemerkt dat door de opgaande begroeiing en het hoge gras het maaiveld moeilijk inspecteerbaar was.
Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden, dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek, dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag.
Het volledige rapport 'Actualiserend bodemonderzoek Bekerbaan te Schimmert', d.d. 5 mei 2017, nr 4190.001, van Econsultancy is in bijlage 2 bij de toelichting opgenomen.
Akoestisch onderzoek is noodzakelijk indien nieuwe directe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van de wegen waarvoor een maximum-snelheid van 50 km-uur of meer geldt.
Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag aan de gevel van geluidsgevoelige objecten echter niet overschreden worden.
In 2007 is door Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor dit plan. Gelet op de ouderdom van het onderzoek en de tussentijdse wetswijzigingen is het onderzoek volledig opnieuw uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting op de gevels van de te bouwen woningen, ten gevolge van wegverkeerlawaai.
Voor de ontwikkeling van nieuwe woningen aan de Bekerbaan te Schimmert is een actualisatie van het akoestisch onderzoek uit 2007 uitgevoerd. Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De woningen zijn gelegen in de geluidszone van de Bekerbaan. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing wordt tevens de weg in het plan zelf in het onderzoek betrokken. De nabijgelegen wegen Kruisstraat en Rooseveltstraat zijn niet gezoneerd, maar zullen indicatief worden getoetst. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
In het akoestisch onderzoek wordt de geluidsbelasting op de toekomstige geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en getoetst. Voor het plangebied is reeds een indeling voor de woningen opgesteld. Voor elke woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd.
De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 4.21.
Alleen als gevolg van de Bekerbaan treedt overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met maximaal 6 dB overschreden op de kavels 1 tot en met 4 (3 vrijstaande woningen en één twee-onder 1 kap), gelegen langs de Bekerbaan. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De maximale belasting waarvoor ontheffing dient te worden verleent bedraagt 54 dB. Voor de Bekerbaan is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk.
Het realiseren van een geluidscherm op deze locatie stuit – gezien de korte afstand tot de Bekerbaan– op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Een geluidscherm van 2 meter hoog en 100 meter lang kost circa € 115.000,- en is niet financieel doelmatig.
Wat betreft bronmaatregelen: indien de Bekerbaan over een lengte van ca. 500 meter van geluidreducerend wegdektype (bijvoorbeeld Dunne deklagen B) zou worden voorzien, zou de geluidbelasting in de rekenpunten afnemen met ten hoogste 3 dB maar zou de geluidbelasting op de meeste rekenpunten nog steeds meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, terwijl de kosten in totaal op € 15.000 worden geraamd. Gezien het feit dat door het aanbrengen van een geluidreducerend wegdektype niet voldoende geluidreductie wordt behaald terwijl bovendien de kosten daarvan hoog zijn, is het oordeel dat die maatregel op overwegende bezwaren van financiële aard stuit.
Gezien het vorenstaande kan dan ook geconcludeerd worden dat de toepassing van zowel maatregelen aan de bron als het treffen van maatregelen in de overdrachtssfeer om de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de woningen tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren onvoldoende doeltreffend is c.q. overwegende bezwaren ontmoet van financiële en stedenbouwkundige aard.
Om het wettelijk vereiste binnenniveau te garanderen zijn dan ook geluidwerende voorzieningen noodzakelijk.
De geluidsbelasting als gevolg van de weg binnen het plangebied is lager dan 48 dB. Ook de geluidsbelasting als gevolg van de Rooseveltstraat en Kruisstraat is (ruim) lager dan 48 dB.
Voor vijf woningen wordt ook na het treffen van maatregelen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden. Voor deze woningen wordt een hogere waarde bij het college van B&W aangevraagd. Deze bedraagt 54 dB.
Bij een geluidbelasting van meer dan 53 dB, dienen verblijfsruimten – zo veel als mogelijk – aan de uitwendige scheidingsconstructie te worden gerealiseerd waar de hoogste geluidbelasting plaatsvindt. Voor de kavels 1 t/m 3 zal bij het ontwerp/indeling van de woning rekening worden gehouden met een akoestisch gunstige indeling van de verblijfsruimten. De geluidgevoelige ruimten worden zoveel als mogelijk aan de geluidluwe zijde geprojecteerd.
Het volledige rapport 'Akoestisch onderzoek Bekerbaan te Schimmert', d.d. 31 mei 2017, nr 4190.004 D2, van Econsultancy is in bijlage 3 bij de toelichting opgenomen.
Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Een onderzoek naar railverkeerslawaai is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet aan de orde.
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Een akoestisch onderzoek in dit kader is derhalve verder niet aan de orde.
Om in te kunnen schatten of er binnen het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.
De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de herziening van het bestemmingsplan en de nieuwbouw van woningen. Daarnaast heeft het onderzoek tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.
De initiatiefnemer is voornemens het bestaande bestemmingsplan te herzien en nieuwe woningen te realiseren. Ten behoeve van de voorgenomen woningbouw wordt de infrastructuur verder ontwikkeld en het aanwezige raaigras verwijderd ten behoeve van het bouwrijp maken onderzoekslocatie.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de herziening van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Externe effecten met betrekking tot een stikstoftoename naar het nabijgelegen Natura 2000 gebied kan op basis van de huidige gegevens niet worden uitgesloten. Het wordt geadviseerd om een Aerius berekening uit te voeren om externe effecten uit te kunnen sluiten. Met betrekking tot gebieden welke zijn aangewezen als natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van de voorgenomen plannen.
Het volledige rapport 'Quickscan flora en fauna Bekerbaan te Schimmert', d.d. 8 mei 2017, nr 4190.003, van Econsultancy is in bijlage 4 bij de toelichting opgenomen.
Naar aanleiding van de bevindingen uit de quickscan flora en fauna is een stikstofberekening gemaakt. Uit de op 31 mei 2017 gemaakte Aeriusberekening komt naar voren dat de stikstofdepositie op de Natura 200-gebieden en/of de vogelrichtlijngebied met minder dan 0,05 mol/ha/j zal toenemen. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn geconstateerd voor de realisatie van het planvoornemen.
Het volledige rapport 'Stikstofberekening Bestemmingsplan Beekerpark te Schimmert', d.d. 31 mei 2017, nr 4190.005, van Econsultancy is inclusief berekening aerius als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Binnen het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een belemmering voor de realisatie van de woningen opleveren of die door middel van een regeling in het bestemmingsplan beschermd zouden moeten worden.
Uitsnede kaart 7 Natuur POL2014
Volgens de kaart ‘Natuur’ van het POL2014 is het plangebied gelegen in de zone ‘Buitengebied’. Deze zone maakt geen onderdeel uit van het ‘Natuurnetwerk’, zijnde de voormalige ‘Ecologische Hoofdstructuur’.
Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 4.3.2 ligt het plangebied in het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’. Ten aanzien van het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ wordt voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden, zoals in dit geval, een beschrijving bevat van de in het gebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
Het heuvellandschap waar het plangebied in gesitueerd is, bestaat uit een door beekdalen doorsneden plateaulandschap. Tussen het plateau en de beekdalen ligt een hellingzone, waarin door erosie droogdalen en grubben zijn ontstaan. Deze grubben zijn smalle diep ingesneden dalen, vaak met een holle weg, die plateau met beek- of droogdal verbinden. Het plangebied zelf bevindt zich hoofdzakelijk op het plateau, terwijl het verlengde van de Bekerbaan, zowel in zuidelijke richting als in noordelijke richting overgaat in een holle weg.
Volgens de bodemkaart bevindt zich de aanzet tot een droogdal in het midden van de Beekerbaan zoals in de onderstaande afbeelding is aangegeven. Het hellingpercentage bedraagt hier 5-8% terwijl het percentage van het overige plangebied, het plateau, kleiner dan 2% is.
Uitsnede Bodemkaart
Bij de verdere uitwerking van het plan en de vormgeving van de buffer is rekening gehouden met de aanzet van dit droogdal. Met name de waterbuffer is een aantrekkelijk landschapselement, dat op natuurlijke wijze ingepast is.
Stedenbouwkundig plan met groen
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting (zoals onderhavige toelichting), die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels.
De analoge verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de analoge verbeelding wordt door nadere aanduidingen specifieke informatie weergegeven, zoals bouwvlak en specifieke bouwaanduidingen.
Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).
De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven;
Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene wijzigings- en procedureregels;
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de bestemmingen aan te geven.
In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden.
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:
Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.
In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien nodig worden vervolgens de andere aan de grond toegekende functies genoemd.
In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is.
Hierna worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Artikel 8 Waarde - Archeologie
In deze bestemming wordt de bescherming van nog niet (voldoende) onderzochte archeologische waarden binnen het plangebied geregeld. Tevens wordt geregeld onder welke voorwaarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende informatie beschikbaar is om de grond te mogen roeren.
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel:
In dit artikel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.
Artikel 10 Algemene bouwregels:
In dit artikel is een bepaling met betrekking tot archeologie, ondergronds bouwen, bijgebouwen en over bestaande maten.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels en Artikel 12 Algemene wijzigingsregels:
Dit artikel verschaft het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend zijn. In de afzonderlijke bestemmingen zijn vrijwel geen wijzigingsregels opgenomen. Deze zijn allemaal ondergebracht in de algemene wijzigingsregels.
Artikel 13 Algemene procedureregels:
In dit artikel zijn de algemene procedureregels voor afwijken van het bestemmingsplan opgenomen.
Dit artikel bevat een verduidelijking indien in de regels een verwijzing naar andere wettelijke regelingen is opgenomen.
Hierin is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.
In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren waarmee niet gecontracteerd is. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5. van het Bro) zoals grondverwervingskosten, plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. moeten dan verhaald worden door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan, wijzigingsplan of projectbesluit moet worden vastgesteld.
De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van één of meer woningen, bouw van één of meer hoofdgebouwen, bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2).
De kosten voor de te realiseren nieuwe woningen, zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een exploitatieovereenkomst afgesloten. Ook voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid.
De gemeente acht de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan derhalve voldoende verzekerd.
In het kader van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient vooroverleg plaats te vinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij een ontwikkeling. Het plan is daartoe naar de betrokken instanties toegezonden.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
In het kader van het ontwerp is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. Na vaststelling van het bestemmingsplan kunnen belanghebbenden beroep aantekenen bij de Raad van State. Hiervoor dient in de fase van het ontwerp een zienswijze te zijn ingediend of dient het plan ten opzichte van het ontwerp te zijn gewijzigd. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 juni 2017 tot en met 1 augustus 2017, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van de ter inzage legging zijn geen zienswijzen ingediend. Overigens zijn er geen ambtshalve wijzigingen en tijdens de terinzageperiode hebben zich evenmin omstandigheden voorgedaan die om een ambtshalve wijziging vragen. Het bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan in de raadsvergadering van 26 september 2017.
Tevens is bij besluit van 22 augustus 2017 door burgemeester en wethouders van Nuth op grond van de Wet geluidshinder, besloten tot vaststelling van hogere grenswaarden voor het bestemmingsplan "Beekerpark, Herziening 2017" zoals bedoeld in deze wet.