direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stationstraat 30 Nuth
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Voor de locatie, grenzend aan Stationstraat 30 te Nuth, ter hoogte van de onderdoorgang met de A76 zijn plannen voor een ruimtelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling betreft het toevoegen van een gemengde functie (o.a. fysiotherapie, kantoren en wonen). De realisatie van het voornemen is onder het geldende bestemmingsplan 'Kern Nuth' uit 2009 niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is het bestemmingsplan 'Stationstraat 30 Nuth' opgesteld.

Het doel van dit bestemmingsplan is om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken en te verankeren in duidelijke kaders. Deze kaders zijn bepaald door de in het Besluit ruimtelijke ordening genoemde onderdelen waaruit een bestemmingsplan ten minste dient te bestaan: een verbeelding, regels en een toelichting.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het centrum van Nuth aan de Stationstraat 30, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Nuth, sectie A, nummers 2977 en 2534. De noordzijde van het plangebied is begrenst door het Natura 2000-gebied 'Geleenbeekdal'. De westzijde van het plangebied wordt begrensd door een privé parkeerterrein, behorende bij het naastgelegen appartementencomplex. In het oosten wordt het plangebied begrend door een woonerf dat direct grenst aan rijksweg 76. Op onderstaande afbeelding zijn de globale ligging van het plangebied en de bovengenoemde wegen en objecten weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging van het plangebied (rood kader)

De bestaande bebouwing in het plangebied bestaat uit één bedrijfsvilla. Deze wordt in de plannen opgenomen. Rondom de woning is het perceel in gebruik als parkeerterrein en toegangsweg. In het westen van het plangebied ligt enkel grasland.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Tot het moment waarop voorliggend bestemmingsplan in werking treedt, geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan 'Kern Nuth', vastgesteld op 15 december 2009.

Op grond van dit bestemmingsplan zijn de delen van het plangebied waarop de bedrijfsvilla staat (inclusief de toegangwegs en de parkeerplaatsen) bestemd als 'Bedrijf'. Binnen de bestemming is een bedrijfswoning toegestaan. Het resterende gedeelte van het plangebied is bestemd als 'Agrarisch met waarden' (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding "Kern Nuth" met in rood de begrenzing van het plangebied

1.4 Bij het plan behorende stukken

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 4 worden de milieu- en uitvoeringsaspecten behandeld. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 5 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED EN OMGEVING

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. Dit hoofdstuk beschrijft deze situatie door de kenmerken van de omgeving en de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de directe omgeving.

2.1 Kern Nuth

De cultuurhistorische en stedenbouwkundige structuur

De kern Nuth heeft zich ontwikkeld langs de weg van Valkenburg naar Hoensbroek. Langs de wegen rond de kerk heeft de verdichting, uitbreiding en functionele differentiatie plaatsgevonden.

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was sprake van meer complexgewijze uitbreiding naar het buitengebied, hoofdzakelijk in zuidelijke richting. In de loop der jaren heeft de kern Nuth zich ontwikkeld tot aan het gehucht Hellenbroek.

De voornaamste wegen waren als oost-westverbinding de Stationstraat en de Valkenburgerweg. De verbinding tussen noord en zuid, van ondergeschikte betekenis, wordt van oudsher gevormd door de wegen Dorpstraat, Bavostraat en Eijkenderweg. Deze wegen vormen tevens de verbinding tussen de gehuchten Nierhoven/Kamp en Hellebroek.

De landschaps- en groenstructuur

Het landschapsbeeld van het centrum Nuth is niet direct goed herkenbaar. Echter aan de hand van de analyse van de hoogteverschillen wordt duidelijk dat de oudste bebouwing is gelegen op de overgang van het beekdal van de Platsbeek naar het plateaugedeelte.

De Platsbeek vormt met het bijbehorende beekdal de groene buffer aan de noordzijde van de kern. Deze is ook van belang aangezien in het centrum alle vorm van herkenbaar groen ontbreekt. De omgeving van de Platsbeek vormt de recreatieve uitloopmogelijkheid.

Binnen de bebouwde kom ontbreekt een samenhangende groenstructuur. Hier en daar zijn enkele groenelementen gelegen. Op bepaalde locaties, rondom de Markt en het oude centrum, is met groenaanplant de structuur versterkt.

Om de groenstructuur in de toekomst te versterken zou aansluiting gezocht kunnen worden bij de landschapsvisie Zuid-Limburg. Middels beekbegeleidende begroeiing zou de beekloop en de lengterichting van het dal van de Platsbeek versterkt kunnen worden. Het natte karakter van de omgeving kan versterkt worden door het herstel van historische waterpartijen en het gebruik van water als begrenzing. In de randen van het dorp, vooral dus in het noorden van de kern Nuth, zou het gebruik van water bij kunnen dragen aan een verbetering van de landschappelijke inpassing. Door oude hoogteverschillen te behouden of te herstellen, wordt aangesloten bij het landschapsbeeld van Zuid-Limburg.

Verkeers- en vervoersstructuur

De kern Nuth is gelegen ten westen van de A76, de rijksweg tussen de kernen Geleen en Heerlen. Ter hoogte van de kern Nuth is de rijksweg voorzien van een afrit. Door de kern Nuth, van noordoost naar zuidwest, loopt de provinciale weg N298, de verbindingsweg naar Valkenburg. De belangrijkste wegen binnen de kern zijn de Valkenburgerweg, Stationstraat, Pastorijstraat, Parallestraat en Spoorstraat. Deze wegen vormen de hoofdontsluitingsstructuur. De overige wegen zijn van onderschikte betekenis. De Valkenburgerweg en Stationstraat, de N298, heeft de grootste verkeersstroom te verwerken.

De verkeersleefbaarheid wordt bepaald door de veiligheid en niet in de buurt thuishorend doorgaand verkeer. De noodzaak van aanwijzing van en herinrichting tot woonerf en 30-kilometerzones heeft reeds plaatsgevonden. De straten die geen onderdeel uit maken van de hoofdontsluitingstructuur voor autoverkeer van de kern Nuth zijn voor het overgrote deel als 30 km-zone ingericht. Openbaar vervoer is in Nuth, in de vorm van bus en trein, aanwezig. Door busverbindingen is de kern verbonden met Maastricht, Heerlen en Geleen (lijn 38 en 39). Het treinstation is aan de oostzijde van de A76, aan de rand van de kern Nuth, gelegen. Mede door de excentrische ligging is het station van gering belang voor bijvoorbeeld het centrum van Nuth.

Wonen en bouwmogelijkheden

De kern Nuth is voornamelijk een woonkern, doch met een centrumfunctie voor de gemeente en enkele speciaalzaken met een groter verzorgingsgebied. Als zodanig functioneert de kern naar behoren. Door de behoorlijke hoeveelheid aan jonge woningen is de kwaliteit van de woningen voldoende. In samenhang met een redelijke goed voorzieningenniveau en de nabijheid van de centra van Heerlen en Hoensbroek is een goed volkshuisvestingsmilieu gegarandeerd.

In de kern zijn woningen met een gevarieerde bouwwijze gelegen. Er staan zowel vrijstaande, geschakelde en gestapelde woningen. De traditionele eengezinswoning voert echter de boventoon. Opvallend is de grote hoeveelheid aan meergezinswoningen die gelegen zijn aan en in de nabijheid van de Donatusstraat.

Tevens zijn er binnen de kern nog een aantal boerderijen gelegen, die voorheen als agrarisch bedrijf functioneerden, maar nu voornamelijk als grote woning in gebruik zijn. Deze woningen zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol. Hetzelfde geldt voor het oude centrum rondom de Dorpstraat.

Bedrijven en ontwikkelingen

Binnen de kern Nuth vindt verspreid tussen de bebouwing op een relatief kleine schaal bedrijvigheid plaats. Er kunnen desondanks twee soorten bedrijvigheid onderscheiden worden. Als eerste bedrijven met activiteiten van enige omvang en ten tweede aan huis gebonden bedrijven of beroepen. Daarnaast is in het zuidoosten van het plangebied een kleinschalig bedrijventerrein, De Reuken, gelegen. Hier zijn diverse bedrijven gevestigd, van transportbedrijven tot een pluimvee- en poeliersbedrijf.

Ten noorden van het plangebied is bedrijventerrein De Horsel gelegen. Gemeentelijk uitgangspunt is dat bedrijven van enige omvang hier hun activiteiten uitvoeren. Binnen de kern zelf mogen bedrijven gehuisvest zijn die aanvaardbaar zijn in een woonomgeving (categorie 1 en 2 conform de lijst van bedrijfstypen in de VNG-publicatie: Bedrijven en Milieuzonering). Het belangrijkste aspect is dat bedrijven, ook als deze aan huis gebonden zijn, geen parkeeroverlast voor de omgeving tot gevolg moeten hebben.

Voorzieningenstructuur

De voorzieningen zijn in Nuth gelegen in het oude gedeelte van de kern, geconcentreerd rond de Markt en de Dorpstraat met een uitloper als winkellint in de Stationstraat. Ten opzichte van vergelijkbare kernen heeft Nuth een behoorlijk voorzieningenniveau ondanks de nabijheid van de kernen Heerlen en Hoensbroek. Sturende elementen binnen het winkelapparaat zijn de supermarkten. In Nuth zijn deze rondom de Markt gevestigd. In de directe omgeving zijn diverse ondersteunende winkels, zoals een slagerij, gelegen.

Tevens is de non-foodsector voor een kern als Nuth behoorlijk. Er zijn bijvoorbeeld diverse winkels met kleding, schoenen, bloemen en huishoudelijke artikelen in de kern gevestigd. Daarnaast zijn er een aantal speciaalzaken gevestigd die mensen uit de verdere omgeving naar de kern Nuth trekken.

In het centrum van de kern zijn de volgende maatschappelijke voorzieningen gelegen: kerk, trefcentrum, bibliotheek, gemeentehuis, politiebureau, hulpverlening geestelijk gehandicapten. Buiten het centrum bevinden zich: de basisschool, het Groene Kruis, verloskundige, scouting. Aan de rand van de kern zijn gelegen: de sporthal, het sportpark.

Daarnaast is de handels-, ambachten-, diensten- en horecasector ruim vertegenwoordigd. In het centrum zijn onder andere een bank, makelaar, diverse cafés en restaurants gelegen.

2.2 Huidige kenmerken plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Stationstraat ter hoogte van huisnummer 30. In het plangebied is een bedrijfsvilla aanwezig waar in de huidige situatie bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Tevens is in één van de bijgebouwen op het terrein een fysiotherapie aanwezig. Deze bevindt zich binnen de huidige bedrijfsbestemming. Er is een parkeerterrein gelegen naast de bedrijfsvilla. Op het naastgelegen grasland is op dit moment geen bebouwing aanwezig.

2.3 Voorgenomen ontwikkeling

Het grasland, met een oppervlakte van circa 1.260 m2, wordt met de voorgenomen ontwikkeling bebouwd. Binnen dit bestemmingsplan wordt een flexibele invulling mogelijk gemaakt met ruimte voor een woning en maatschappelijke en dienstverlenende functies. Meer concreet gaat het om de functies:

  • kantoren;
  • praktijkruimten (huisartsenpost, tandarts, fysiotherapeut, etc.);
  • fysiotherapie met bewegingsruimten;
  • kliniek voor kleine behandelingen, scans, etc.;
  • opslag producten voor de verkoop (geen showroom/winkel);

De nieuwbouw krijgt een maximale bouwhoogte van 9 meter en dient binnen de op de verbeelding aangeven bebouwingscontour opgericht te worden. De exacte verschijningsvorm is nog niet bekend en is flexibel, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige ontwikkelingen en vragen uit de markt.

Het nieuwe gebouw wordt nagenoeg in de rooilijn van de bestaande bedrijfsvilla opgericht, waardoor aan de voorzijde - halfverdiept in het maaiveld - het parkeren opgelost kan worden. Onder het gebouw ligt meer dan half verdiept een bouwlaag voor de hiervoor beschreven maatschappelijke en dienstverlenende functies. Daarboven is ruimte voor twee bouwlagen alwaar een bedrijfswoning met een aantal maatschappelijke en dienstverlenende functies gepland kunnen worden.

Het parkeren voor de nieuwe ontwikkeling vindt plaats op een verdiept maaiveldniveau.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 Impressie nieuwe situatie inclusief de bestaande bedrijfsvilla

Hoofdstuk 3 RUIMTELIJK BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.1 Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft.

De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante afwegingskader gevormd door het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle.

Conclusie

Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

AMvB Ruimte

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor die betrekking hebben op de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen zijn: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

Conclusie

Het Barro heeft geen betrekking op het onderhavig bestemmingplan.

Ladder voor duurzame ontwikkeling

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling“, opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro, blijven ongewijzigd.

Onderbouwing 

Vóór het uitbreken van de crisis is de monumentale villa aan de Stationstraat 30 in gebruik genomen voor het onderbrengen van maatschappelijke en dienstverlenende voorzieningen. Daarmee heeft de villa een nieuwe functie gekregen, waarbij de monumentale status is behouden. Echter, de villa raakt qua bezetting vol. De locatie leent zich goed voor de beoogde bestemming, getuige het feit dat veel ondernemers hier gehuisvest willen zijn. De nabijheid van de autosnelweg en het spoor zijn hier debet aan, net als de korte afstand tot het centrum en het aanpalende natuurgebied.

Omwille van de gewenste uitbreiding, de beheersbaarheid en het concentreren van werkgelegenheid op deze locatie is het voornemen om op perceel naast de bestaande bedrijfsvilla de agrarische bestemming te wijzigen naar een meer gemengde functie voor maatschappelijke en dienstverlenende voorzieningen. De mogelijheid van de bedrijfswoning - die nu rust op de bedrijfsvilla - wordt overgeheveld naar het nieuw op te richten gebouw. Met een toevoeging van maatschappelijke en dienstverlenende functies wordt het voorzieningenniveau van Nuth meer in balangs gebracht. Er is sprake van elkaar versterkende functies, die bijdragen aan een algeheel aantrekkelijke economie.

Conclusie

Op basis van de onderbouwing in deze paragraaf is de behoefte aan de functies die binnen dit plan worden mogelijk gemaakt in voldoende mate aangetoond. Het plan voldoet aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provincie

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

In december 2014 is door de Provinciale Staten, in samenwerking met gemeenten en stakeholders, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. POL2014 is een plan op hoofdlijnen, waarbij de verschillende aspecten uitgewerkt zijn in programmatische beleidsdocumenten en inpassingsplannen. Het vervangt de eerdere structuurvisie, het provinciaal milieubeleidsplan, het regionaal waterplan en het provinciaal verkeer- en vervoersplan. De ambities in het POL2014 komen voort uit de eerder opgestelde Limburgagenda. De beleidsregels zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Voor sommige beleidsthema's is de uitwerking door de provincie doorgelegd aan de verschillende regionaal samenwerkende gemeenten.

In het POL2014 staat kwaliteit en uitnodigen centraal. De gevarieerdheid van het Limburgse landschap moet gekoesterd worden onder het motto 'meer stad, meer land'. Het POL2014 richt zich daarbij alleen op de zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.

Hoofdstuk 6 van het POL2014 gaat in op de woon- en leefomgeving binnen de provincie. Hierin is naast de fysieke woon- en leefomgeving ook aandacht voor het sociale aspect binnen dit thema. Voor de woningmarkt staat de toekomstbestendigheid centraal. Daarin is aandacht voor de duurzaamheid, flexibiliteit en levensloopbestendigheid. Zowel kwantitatief als kwalitatief moet de Limburgse woningmarkt de sprong maken naar de nieuwe werkelijkheid, zodat het aansluit bij de demografische ontwikkelingen. In de aanpak gaat de provincie uit van dynamisch voorraadbeheer, dat regionaal opgepakt dient te worden. Er moet gewerkt worden aan een kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad en het terugdringen van plannen die niet bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering. Dit zal verder vorm moeten krijgen in de regionale structuurvisies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0005.png"

Figuur 3.1: Uitsnede Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Het plangebied is in de POL2014 aangeduid als 'Bebouwd gebied', 'Bronsgroene landschapszone' en 'Goudgroene natuurzone' (zie figuur 3.1). Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Nuth' is de Bronsgroene landschapszone opgenomen met een bedrijfsbestemming. Hierdoor beschouwd de provincie dit als bebouwd gebied.

Beleidsregel natuurcompensatie

De Beleidsregel natuurcompensatie is een nadere uitwerking van het natuurcompensatiebeleid van de provincie Limburg, zoals vastgelegd in het POL2014. Als door een activiteit de natuur- en landschapswaarden in de Goudgroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone of in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg worden aangetast, is natuurcompensatie aan de orde. Er geldt dan een financiële of fysieke compensatieplicht. Het onderhavig plangebied valt niet binnen de natuur- en landschapswaarden, zoals vastgelegd in het POL2014. Natuurcompensatie in het kader van deze beleidsregel is hierdoor niet aan de orde

Conclusie

Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in een gebied dat in de structuurvisie is aangeduid als stedelijk concentratiegebied en daarmee als bestaand stedelijk gebied. De behoefte aan woonruimte en andere stedelijke voorzieningen moet in dit gebied worden opgevangen, het initiatief voorziet hierin. Dat betekent dat de voorgenomen ontwikkeling past in het beleid zoals dat in de SVRO geformuleerd is.

Omgevingsverordening Limburg 2014

In januari 2011 is door de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze verordening vervangt de Milieuverordening, de Waterverordening, de Wegenverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevigsverordening Limburg streeft naar een actueel en eenvoudig beleid.

In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van de volgende onderwerpen:

De aanwijzing van milieubeschermingsgebieden: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de boringvrije zones Roerdalslenk en Venloschol, het bodembeschermingsgebied Mergelland en de stiltegebieden;

  • regels met betrekking tot regionale wateren, zoals veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen, normen voor wateroverlast en regels voor het door de waterschappen te voeren waterbeheer;
  • een aanvullende regeling op de Ontgrondingenwet, waarin wordt bepaald voor welke handelingen een vrijstelling geldt van bepaalde verboden uit de Ontgrondingenwet;
  • regels met betrekking tot het gebruik van wegen die in beheer bij de provincie zijn, zoals een verbod om het noodzakelijke uitzicht op de weg te belemmeren door spandoeken of borden boven of langs de weg te plaatsen;
  • regels over de manier waarop ontheffingen kunnen worden aangevraagd, of meldingen kunnen worden gedaan.

De volgende artikelen zijn van toepassing op het onderhavig plangebied:

Duurzame verstedelijking (artikel 2.2)

Op het gebied van wonen vraagt de Omgevingsverordening specifiek aandacht voor duurzame verstedelijking. De provincie wenst stedelijke ontwikkelingen te concentreren in bestaand stedelijk gebied. In dit artikel is dan ook de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze wordt in paragraaf 3.1 verder uitgewerkt.

Bewoning van recreatieverblijven (artikel 2.5)

Voor het onderhavig plangebied geldt een verbod op het bewonen van recreatieverblijven. Binnen het plangebied zijn geen recreatiewoningen aanwezig en wordt geen bouw van recreatiewoningen voorzien, waarmee voldaan wordt aan dit artikel uit de Omgevingsverordening.

Milieubeschermingsgebieden (artikel 4)

Het plangebied is gelegen in het gebied Roerdalslenk. Hiervoor is een boringsvrije zone vastgelegd. Het voorliggend plan voldoet aan de voorwaarden van deze boringsvrije zone, doordat er geen werkzaamheden dieper dan 80 meter onder maaiveld mogelijk gemaakt worden.

Conclusie

De ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, past binnen de beleidskaders van de Omgevingsverordening Limburg.

3.3 Gemeente

Poort van Parkstad, strategische visie Nuth 2025

De strategische visie van Nuth bouwt voort op de vigerende strategische visie en het bestaand beleid. De koers is uitgewerkt in vier perspectieven: 'Poort van Parkstad', 'vitale kernen', 'zorgzame en zelfredzame gemeenschappen' en 'overheidsparticipatie en samenwerking'. De visie fungeert als kader voor de beoordeling van initiatieven uit de samenleving en gemeentelijke besluiten daaromtrent. Initiatieven worden beoordeeld in het licht van de ambities uit deze visie. Hieronder zijn de ambities van de vier perspectieven kort beschreven.

Poort van Parkstad

Verkeer vanuit het noorden via de A76 maakt ter hoogte van de kern Nuth als eerste kennis met Parkstad Limburg. De komst van de Buitenring leidt tot mogelijkheden voor versterking van de Poort van Parkstad qua economische ontwikkeling en qua herstel van landschappelijke waarden. De locatie rondom de aansluiting van de Buitenring wordt als mogelijke locatie aangemerkt voor een markant poortgebouw, zodat de zichtbaarheid en herkenbaarheid als Poort van Parkstad verder wordt versterkt. Er wordt verder gebouwd aan economische ontwikkeling door ruimte te bieden aan ondernemen. Dit wordt vormgegeven door drie ontwikkelgebieden onder de noemer van Poort van Parkstad te onderscheiden: het station Nuth en de stationsomgeving, het bedrijventerrein De Horsel en het Geleenbeekdal (Corio Glana).

Vitale Kernen

De woonkernen in de gemeente Nuth hebben allemaal een eigen karakter. De kwaliteiten van Nuth als woongemeente zijn het dorpse gemeenschapsgevoel, het kleinschalige groene karakter, de nabijheid van het Heuvelland en het goede aanbod aan grootstedelijke voorzieningen in de omgeving. De ambitie is om de woongebieden sterker te verankeren met het omliggende groen, de kwaliteit van de woningen en woongebieden te verhogen en de unieke, onderscheidende kwaliteiten van elke kern meer te tonen. Kwaliteit, duurzaamheid, energiezuinigheid, betaalbaarheid en flexibiliteit van de woningvoorraad staan voorop. Nuth wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. In 2025 willen we qua woonaantrekkelijkheid bovengemiddeld scoren in de regio. De gevarieerde samenstelling van de bevolking is daarbij belangrijker dan aantallen.

Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen

Nuth heeft de ambitie dat alle inwoners op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving. Dat geldt voor alle kernen, al realiseren we ons dat het vertrekpunt per kern verschillend is. De insteek is hierbij ‘van zorgen voor naar zorgen dat’. De ambitie is om het sociaal domein te transformeren en de manier van ondersteunen te veranderen. Er wordt een omslag gemaakt, waarbij de vraag centraal staat wat onze burgers zelf willen en kunnen.

Overheidsparticipatie en samenwerking

De ambitie in het kader van overheidsparticipatie en samenwerking luidt dat de zorg voor de naaste woon- en leefomgeving in handen van de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties komt. Hierbij gaat de overheid participeren in initiatieven vanuit de samenleving. De rol van de gemeente wordt daarbij het bij elkaar brengen van partijen, nieuwe verbindingen zoeken, energie en creativiteit vanuit de gemeenschappen los maken en ruimte bieden. De regionale gemeentelijke samenwerking draagt bij aan de uitvoeringskracht en het realiseren van de ambities uit de strategische visie.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities en de actieprogramma's die zijn opgesteld in het kader van de strategische visie voor Nuth. Het algehele voorzieningenniveau van het dorp wordt versterkt en meer in balans gebracht.

Hoofdstuk 4 Realiserings- en uitvoeringsaspecten

Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.1 Watertoets

Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen.

Doelstellingen

Veiligheid en wateroverlast

De doelstelling van het thema veiligheid en wateroverlast is het herstel van veerkrachtige watersystemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld. Bij de afkoppeling van het hemelwater van het riool wordt de volgende voorkeursvolgorde gebruikt: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op riolering.

De gehele gemeente Nuth is gelegen binnen een infiltratiegebied. In het POL is het streven vastgelegd om te komen tot afkoppeling van verhard oppervlak van het riool op nieuwbouwlocaties binnen infiltratiegebieden van minimaal 80%. Voor bestaande bebouwing is een inspanningsverplichting opgenomen gericht op het bereiken van minimaal 20% afkoppeling in 2020.

Bij nieuw te bouwen woningen dienen voorzieningen te worden getroffen om het regenwater zoveel mogelijk ter plaatse te infiltreren. De capaciteit moet ten minste 4 m3 per 100 m2 verhard oppervlak bedragen. Van het nieuw te bebouwen gebied (westelijk deel van het plangebied met een omvang van 1.260 m2) wordt circa 65% verhard. Per saldo gaat het om een toename aan verharding van circa 820 m2 verhard. Dit betekent een benodigde wateropgave van circa 33 m3.

Binnen de gemeente Nuth liggen diverse regenwaterbuffers.

Riolering

De doelstelling van het thema riolering is het beperken van de vuiluitworp uit rioolstelsels. Binnen de gemeente Nuth is sprake van een gemengd rioleringssysteem. Nieuw te bouwen woningen en overige stedelijke functies worden op dit systeem aangesloten. Afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering.

Natuurlijke watersystemen

De doelstelling van het thema natuurlijke watersystemen is de inrichting en het beheer van beken met een specifiek ecologische functie op het gewenste ecologische kwaliteitsniveau af te stemmen. Binnen het plangebied zijn dergelijke systemen niet aanwezig.

Waterkwaliteit

Het thema waterkwaliteit heeft als doelstelling de kwaliteit van oppervlaktewater en sediment te verbeteren. Diffuse verontreiniging door (afgekoppeld) hemelwater dient te worden voorkomen. Dit kan door middel van het nemen van brongerichte maatregelen, zoals het duurzaam bouwen (bijvoorbeeld geen uitloogbare materialen gebruiken). Binnen de gemeente Nuth is het convenant Duurzaam Bouwen Oostelijk Zuid-Limburg (DUBO OZL) de leidraad. Ten aanzien van duurzaam bouwen voert de gemeente naar de particulier toe een beleid dat is gericht op bewustwording en stimulatie.

Conclusie

Bij het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt rekening gehouden met de bovengenoemde wateraspecten. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. De waterparagraaf zal in het kader van het vooroverleg ter goedkeuring worden voorgelegd aan het watersc hap.

4.2 Milieuhinder en bedrijven

Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

Invloed van de omgeving op nieuwbouwplan

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied.

Invloed van het voornemen op omgeving

De ontwikkeling van voorgenomen functies binnen het plangebied (maatschappelijk, en dienstverlening en wonen) leiden niet tot milieuhinder voor de omgeving.

Conclusie

Er bestaan geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering voor het plan.

4.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de invloed van de omliggende geluidbronnen te bepalen (Bijlage 1). Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies.

Wegverkeers- en spoorweglawaai

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat op het perceel de geluidbelastingen vanwege het verkeer op de A76 ten hoogste 59 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt hiermee ook overschreden.

Ten gevolge van railverkeer bedraagt de hoogste geluidbelasting 41 dB inclusief ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden waardoor verder onderzoek achterwege kan blijven.

De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer bedraagt ten hoogste 64 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). Het bevoegd gezag beoordeelt uiteindelijk of de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar is. Een wettelijke toets aan een grenswaarde is niet aan de orde.

Vanwege de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde is onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer te reduceren. Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen is in deze situatie financieel niet doelmatig.

Omdat ten gevolge van Rijksweg A76 de maximale ontheffingswaarde van 53 dB op enkele geveldelen wordt overschreden, moeten deze geveldelen als 'dove gevel' worden gerealiseerd. In de onderstaande figuur is weergegeven welke geveldelen als doof uitgevoerd dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0006.png"

Figuur 4.1: dove gevels maximale bouwvlak (Rood = dove gevel tweede verdieping, Paars = dove gevel eerste en tweede verdieping)

Het is noodzakelijk dat een geluidwerende voorziening in vorm van een scherm van minimaal 2 meter wordt gereasieerd tussen de bestaande schuur en de fysiopraktijk (zie figuur 4.2). De schuur en het pand van de fysiotherapie dienen daarbij behouden te blijven of - in geval van sloop - vervangen te worden door een geluidwerende voorziening van 2 meter hoog. Zonder het scherm zoals verbeeld in figuur 4.2 zal ook een dove gevel toegepast moeten worden op de begane grond aan de oostzijde en noordzijde. Door de plaatsing van het scherm is de ontwikkeling van het bouwvlak zoals opgenomen in figuur 4.1 mogelijk zonder dat extra dove gevels op bijvoorbeeld de begane grond noodzakelijk zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0007.png"

Figuur 4.2: locatie te realiseren geluidwerende voorziening (2 meter hoog) in rood

Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied verder terug te brengen zijn niet mogelijk. Het college van burgemeester en wethouders zal hogere waarden vaststellen voor de gevels/bouwgrenzen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hogere waarden, zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek (Bijlage 1), dienen te worden vastgesteld.

Industrie

Het plangebied ligt niet in een zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied.

Conclusie

Na toepassing van maatregelen is het bouwplan uitvoerbaar. In onderhavig plan is in de regels geborgd dat de maatregelen zoals omschreven in deze paragraaf worden gerealiseerd alvorens binnen het plangebied kan worden gewoond.

4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)";
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rondom een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Beoordeling

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van basisnetroutes de spoorweg Heerlen-Sittard en de A76. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Stationstraat waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In het kader van het bestaande bestemmingsplan (Bestemmingsplan Nuth, 2009) is reeds een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Omdat het in dit geval slechts gaat om een relatief kleine ontwikkeling, wordt bij deze berekening aangesloten.

Het plangebied is in het huidige bestemmingsplan bestemd als agrarisch. Voor agrarische functies wordt uitgegaan van een personendichtheid van 1 persoon/ha. Omdat het plangebied minder is dan 1 hectare bedraagt de personendichtheid (naar boven afgerond) 1 persoon. Omdat het plangebied als gemengd bestemd wordt, wordt voor het gehele pand worst-case aangenomen dat er per 30 m2 BVO 1 persoon aanwezig zal zijn. Uitgaande van circa 1.260 m2 BVO (50% bebouwd in twee lagen) komt dit neer op een toename van maximaal 41 personen.

Beoordeling groepsrisico A76

Het groepsrisico van de A76 in de huidige situatie is weergegeven in de onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0008.png"

Figuur 4.3: Groepsrisico op basis van berekening in bestemmingsplan Kern Nuth

In figuur 4.3 is te zien dat het groepsrisico onder 10% van de oriëntatiewaarde (begin geel gebied) ligt. Op basis van praktijkervaring, Tabel 1-5 van de bijlage van de handleiding risicoanalyse transport, de vervoerswaarden uit het basisnet, de afstand tot de weg en de lage personendichtheid mag geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet zal toenemen tot boven 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan daarom worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Beoordeling groepsrisico Spoorlijn Sittard-Heerlen

Het groepsrisico van de spoorlijn Sittard-Heerlen in de huidige situatie is weergegeven in de onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0009.png"

Figuur 4.4: Groepsrisico op basis van berekening in bestemmingsplan Kern Nuth

In figuur 4.4 is het (zeer lage) groepsrisico van de spoorlijn Sittard-Heerlen te zien ter hoogte van het plangebied. Het groepsrisico ligt ruim onder 10% van de oriëntatiewaarde. Vanwege het zeer lage groepsrisico, het feit dat de vervoersintensiteiten over het spoor lager zijn dan de vervoersintensiteiten over de weg en de (grotere) afstand tussen het plangebied en het spoor kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van het groepsrisico tot meer dan 10% van de oriëntatiewaarde. Daarom kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Stationstraat

Omdat de Stationstraat geen basisnetroute is mag worden aangenomen dat de straat alleen gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door bestemmingsverkeer. Dit betekend dus dat het aantal vervoersbewegingen per jaar over de betreffende transportas zeer laag zal liggen. Samen met de relatief lage personendichtheid in en rondom het plangebied, kan daarom op basis van ervaring en tabel 1-9 van de bijlage van de handleiding risicoanalyse transport geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet zal toenemen tot meer dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan daarom worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is, verplicht ten aanzien van de spoorlijn Heerlen-Sittard, de A76 en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Stationstraat.

In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag: de gemeenteraad van Nuth. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007). Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. In dit hoofdstuk zijn alle elementen beschouwd. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:

  • Scenario's;
  • zelfredzaamheid;
  • bestrijdbaarheid.

Scenario's en bestrijdbaarheid

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Heerlen-Sittard, de A76 en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Stationstraat. Ten gevolge van een incident op het spoor of de weg kan zich een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) voordoen en er kan toxisch gas vrijkomen. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario's verduidelijkt.

BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion)

Er zijn twee soorten BLEVES die op kunnen treden. Een koude BLEVE en een warme BLEVE. Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open. LPG komt vrij en ontsteekt direct. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen De effecten van een warme BLEVE kunnen verder reiken dan de effecten van een koude BLEVE (circa 300 m). Voor beide scenario's geldt dat er een vuurbal en een drukgolf ontstaat, met hittestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg.

Toxisch scenario

Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien. Bij een bepaald een percentage aanwezige personen zal letaal (dodelijk) letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.

Gerichte risicocommunicatie met gebruikers van de functies binnen het plangebied (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten).

De geprojecteerde ontwikkeling voorziet niet in het langdurig verblijf van groepen beperkt zelfredzame personen. De aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen kan incidenteel voorkomen, maar dit is niet betrokken bij de beschouwing van het aspect zelfredzaamheid in deze paragraaf.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE scenario

In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 150 meter slachtoffer worden. Het plangebied bevindt zich ruim binnen deze 150 meter. Omdat een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf is schuilen in principe de beste optie (in de literatuur wordt er vanuit gegaan dat overdag 93% tot 95% van de mensen zich binnen bevindt). De omgeving zal verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde.

In het geval van een 'warme' BLEVE is er wel tijd om te vluchten. Er is namelijk eerst een brand en daarna volgt pas een explosie. Bij de explosie van een 'warme' BLEVE zullen alle personen binnen 140 m slachtoffer worden. Het gebouw bevindt zich net binnen 140 m van het spoor, indien mensen tijdig gewaarschuwd worden voor een dreigende calamiteit kunnen zij verder van de risicobron afvluchten om vervolgens in een gebouw of in de schaduw van bebouwing te schuilen. Personen die zich tijdens het ontstaan van de BLEVE buiten bevinden kunnen bij signalering van de brand 'veilig' naar binnen vluchten. Er kan conform regelgeving vanuit worden gegaan dat een warme BLEVE op de weg niet voorkomt.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario

Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang.

Bestrijdbaarheid

Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven, hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen).

BLEVE scenario

Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden. De kans op een warme Bleve is sterk gereduceerd doordat treinen met brandbare gassen zodanig worden samengesteld, dat de kans op een warme Bleve sterk is afgenomen.

Toxisch scenario

Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.

De Veiligheidsregio heeft protocollen voor het bestrijden van deze scenario's.

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen wettelijke beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor drie risicobronnen moet het groepsrisico echter verantwoord worden. In deze rapportage zijn verantwoordingselementen aangedragen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.5 Archeologie

Het verdrag van Malta (of Valetta) regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het verdrag van Malta is geïmplementeerd in de Monumentenwet. Inmiddels is de Monumentenwet vervangen door de Erfgoedwet, waarin de regeling grotendeels is overgenomen, in afwachting van de verankering van een deel van deze wet in de Omgevingswet. Voor de archeologische aspecten van deze wet is het doel de bescherming van het archeologisch materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans garantie biedt voor een goede conservering van archeologisch materiaal. Het is verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij specifieke bodemverstorende activiteiten rekening te houden met mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

In 2013 is de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor de gemeente Nuth door de gemeenteraad vastgesteld. Hieronder is een uitsnede van de kaart weergegeven. Het plangebied ligt in het gele vlak.

afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0951.BPNTHStationstr30-VG01_0011.png"

Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart (gemeente Nuth)

Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachting. Binnen 50 meter van het plangebied is geen archeologische vindplaats aanwezig. Gelet op de omvang van het plangebied en de afwezigheid van een vindplaats binnen 50 meter is er conform gemeentelijk beleid geen noodzaak voor het doen van archeologisch (voor) onderzoek.

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie zijn er geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.6 Lucht

Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken, dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Zo zijn 1.500 woningen en kantoorontwikkelingen tot een oppervlak van 100.000 m2 BVO op zichzelf aangewezen als NIBM. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Formeel valt een gemengde bestemming zoals deze binnen het plangebied is voorzien niet onder de algemene vrijstelling. Echter, de extra vervoersbewegingen die het nieuwbouwplan genereert, zijn veel minder dan het aantal dat wordt gegenereerd bij 1.500 woningen of 100.000 m2 BVO kantoorontwikkeling. Daarom kan ook van dit bouwplan beredeneerd worden dat geen sprake zal zijn van een belangrijke toename van luchtverontreiniging.

Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een ontwikkeling met een zeer beperkte invloed op de toename van het aandeel luchtverontreinigende stoffen. Het bestemmingsplan draagt derhalve “niet in betekende mate” bij aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden.

Conclusie

Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

4.7 Bodem

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie.

Beoordeling

Binnen de websites www.bodemloket.nl en de GISI-viewer van de provincie Limburg is geen bodeminformatie voor het plangebied bekend. De verwachting is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. In het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning dient deze aanname te worden getoetst door middel van een verkennend bodemonderzoek (NEN5740)

4.8 Natuur

Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn, het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN).

Beoordeling

Er is een ecologisch onderzoek (Bijlage 2)uitgevoerd om te beoordelen of de plannen binnen het plangebied strijdig zijn met de Wnb. Onderstaand zijn de conclusies opgenomen.

Beschermde gebieden

In het plangebied is geen NNN-gebied of Natura 2000-gebied aanwezig. Er komen wel beschermde gebieden (N2000-gebieden) voor in de invloedsfeer van het plangebied. Het gaat om het Natura 2000-gebied 'Geleenbeekdal'. Dit Natura 2000-gebied kan mogelijk negatieve effecten ondervinden van de stikstofemissie die bij voorliggend plan mogelijk vrijkomt. Om hier uitsluitsel over te geven, kunnen AERIUS berekeningen worden uitgevoerd. Echter de schaal en daarmee aanverwante verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling is dermate klein dat geen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Geleenbeekdal' zullen optreden.

Beschermde soorten

Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat mogelijk (leefgebied van) algemene broedvogels kan worden aangetast vanwege de ontwikkeling. Er hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd danwel ontheffing te worden aangevraagd, mits soortspecifieke maatregelen worden genomen (buiten het broedseizoen werken of het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken). Het plan is vanuit de soortbescherming uit de Wet natuurbescherming uitvoerbaar.

Conclusie

Vanuit de soortbescherming zijn - onder de voorwaarden zoals genoemd in deze paragraaf - geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling. Vanwege de schaal van de ontwikkeling worden ook geen significant negatieve effecten verwacht op het aangrenzende Natura 2000-gebied 'Geleenbeekdal' . Vanuit de Wet natuurbescherming is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.9 Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Stationstraat. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de verkeersafwikkeling die met het plan wordt gegenereerd op te vangen.

Voor de parkeervraag wordt uitgegaan van de normen zoals deze zijn geformuleerd in CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Omdat het bouwplan op dit moment nog niet geheel bekend is, kan deze berekening op dit moment nog niet worden gemaakt.

Hoofdstuk 5 OPZET PLANREGELS

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

5.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

5.2 Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten.

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven.

Artikel 2: Wijze van meten

In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

De standaardopbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP bestaat uit:

  • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming;
  • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;
  • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken;
  • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;
  • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ;
  • wijzigingsbevoegdheid

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan komen de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Centrum' voor. Daarnaast komt binnen de bedrijfsbestemming de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' voor.

Artikel 3: Bedrijf

Voor de bestaande bedrijfsvilla is de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. Voor dit deel van het plangebied geldt de huidige regeling uit het bestemmingsplan 'Kern Nuth'. Er is sprake van één wijziging ten opzichte van het huidige bestemmingsplan; de mogelijkheid om een bedrijfswoning op te richten binnen de bedrijfsbestemming wordt verplaatst naar de gronden waarop de bestemming 'Centrum' van toepassing is (artikel 4).

Artikel 4: Centrum

Voor het westelijk deel van het plangebied geldt de bestemming 'Centrum'. Binnen dit bestemmingsplan is een flexibele invulling mogelijk gemaakt met ruimte voor een woning en maatschappelijke en dienstverlenende functies. Meer concreet gaat het om de functies:

  • kantoren;
  • praktijkruimten (huisartsenpost, tandarts, fysiotherapeut, etc.);
  • fysiotherapie met bewegingsruimten;
  • kliniek voor kleine behandelingen, scans, etc.;
  • opslag producten voor de verkoop (geen showroom/winkel);

De nieuwbouw krijgt een maximale bouwhoogte van 9 meter en dient binnen de op de verbeelding aangeven bebouwingscontour opgericht te worden. De exacte verschijningsvorm is nog niet bekend en is flexibel, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige ontwikkelingen en vragen uit de markt.

Om de invloed van de omliggende geluidbronnen (m.n. de A76) te reduceren en een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, is binnen deze bestemming de voorwaarde opgenomen dat een geluidwerende voorziening moet worden gerealiseerd en dat op enkele bouwlagen aan de noord-, oost-, en zuidzijde dove gevels noodzakelijk zijn.

Artikel 5: Waarde-Cultuurhistorie

Ten behoeve van het behoud van de cultuurhistorische waarde van de bedrijfsvilla, is in het bestemmingsplan voor deze gronden een dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie” opgenomen. Binnen deze dubbelbestemming gelden extra regels, gericht op het intact houden van het beeld van desbetreffend pand. Nieuwbouw/verbouw dient ondersteunend te zijn aan de cultuurhistorische waarde en ruimtelijk structurele samenhang van de bebouwing.

5.4 Hoofdstuk 3: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels.

Artikel 6: Anti-dubbeltelbepaling

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan.

Artikel 7: Algemene bouwregels

Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen.

Artikel 8: Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten aanduidingen die betrekking hebben op de (ruimtelijke) impact van de aangrenzende snelweg A76.

Artikel 9: Algemene gebruiksregels

Deze regels bevatten de voor het plan geldende algemene gebruiksbepalingen voor wat betreft strijdig gebruik en bevatten algemene parkeerregels.

Artikel 10: Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels.

Artikel 11: Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Artikel 12: Algemene procedureregels

Deze regels bevatten de voor het plan geldende algemene procedureregels.

Artikel 13: Overige regels

Dit artikel bevat de nadere eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan de plaats en afmetingen van bouwwerken.

5.5 Hoofdstuk 4: Overgangsrecht en slotregel

Artikel 14: Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht (artikel 3.2.1) tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken en gebruik.

Artikel 15: Slotregel

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.

Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen. Met de ontwikkelaar wordt een privaatrechtelijke overeenkomst en een planschadeverhaalovereenkomst gesloten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegestuurd aan de relevante vooroverlegpartners. Door de provincie is een reactie op het plan ingediend. Deze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken (24 juli 2018 tot en met 4 september 2018) voor een ieder ter inzage gelegen in het gemeentehuis te Nuth. Gedurende deze termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het voornemen tot vaststelling van het bestemmingsplan aan de raad kenbaar maken. Hiervan is geen gebruik gemaakt