direct naar inhoud van Motivering wijziging omgevingsplan
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dorpstraat 65 Leveroy
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01

Motivering wijziging omgevingsplan

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De aanleiding voor het wijzigen van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert betreft het opnemen van de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifiek vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' ter plaatse van de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy, hierna 'het plangebied' genoemd.

Voor onderhavig plangebied is bij besluit van 9 maart 2010 een vrijstelling ( VO 2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro) van het bestemmingplan verleend om op de locatie Dorpstraat 65 een Ruimte voor Ruimte woning op te richten welke door burgers mag worden bewoond. Bij besluit van 21 april 2010 (BV 2007206) is de benodigde bouwvergunning verleend en op 18 april 2011 is bij besluit (OV 20110054) een omgevingsvergunning - wijziging t.o.v. de bouwvergunning verleend. De woning is gerealiseerd en in gebruik als burgerwoning.

Met bovengenoemde vrijstelling en vergunningen is het bestemmingsplan/omgevingsplan zelf niet verandert. De Vrijstelling art. 19 Wro is bij latere bestemmingsplanherzieningen nooit omgezet naar de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Hierdoor is er nog altijd sprake van een agrarische bestemming.

Voor het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Dit plan wordt door de gemeente Nederweert nog nader ingevuld. Het plangebied is eerder in diverse bestemmingsplannen bestemd, die van rechtswege gelden als planregime als onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege.

Het plangebied kent in het vigerend planregime de enkelbestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

Om de functie 'Wonen' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' alsnog juridisch en planologisch vast te leggen dient het Omgevingsplan Nederweert voor de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy aangepast te worden. Omdat voor de gerealiseerde woning aan de voorwaarden uit de vergunningen en aan de in de Vrijstelling art. 19 Wro d.d. 9 maart 2010 gestelde voorwaarden en specifieke voorwaarden Ruimte voor Ruimte + regeling is voldaan, hoeven de destijds benodigde onderzoeken niet opnieuw uitgevoerd te worden en zijn de eventuele kwaliteitsregels/kwaliteitsbijdragen nu ook niet van toepassing. Er kan worden volstaan met het toekennen van de functie voor één Ruimte voor Ruimte woning op de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy.

Initiatiefneemster wenst gebruik te maken van de wijziging van het TAM-omgevingsplan voor de locatie Dorpstraat 65. Per brief d.d. 14 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert kenbaar gemaakt in principe medewerking te verlenen aan het wijzigen van het omgevingsplan om een functie voor één Ruimte voor Ruimte woning toe te kennen op de locatie. Het TAM-omgevingsplan zal hierbij worden getoetst en beoordeeld aan de besluitvormingen van 2010 en 2011.

Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd Omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige toelichting is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Dorpstraat 65 te Leveroy, in het buitengebied van de gemeente Nederweert. Het ligt op een afstand van ca. 820 meter ten westen-zuidwest van de kern Leveroy, onderdeel van de gemeente Nederweert. In de omgeving van de locatie zijn naast woonfuncties ook gemengde functies aanwezig. Het locatie is kadastraal bekend als gemeente Nederweert, sectie S, nummer 906.

In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0001.png"

Afbeelding 1. Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied (geel omkaderd). (Bron: Luchtfoto Omgevingsplan gemeente Nederweert ).

In onderstaande afbeelding wordt de kadastrale situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0002.png"

Afbeelding 2. Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied.

1.3 Omgevingsplan van rechtswege

Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Nederweert. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is voor deze locatie het bestemmingsplannen 'Buitengebied Nederweert' geraadpleegd. Hierin is plangebied bestemd als 'Agrarisch' Daarnaast is de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' van toepassing; evenals de gebiedsaanduidingen 'milieuzone – boringsvrije zone'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0003.png"

Afbeelding 3. Uitsnede geldend planologisch-juridisch kader ter plaatse van het plangebied.

Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Hiervoor is met het besluit VO2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro d.d. 9 maart 2010 de afwijking van het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' al vergund en met dit TAM-omgevingsplan wordt de functie 'Wonen' en de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' nu juridisch en planologisch vastgelegd.

De functie 'Waarde - Archeologie' alsook de gebiedsaanduiding 'milieuzone – boringsvrije zone' blijven voor het gehele plangebied van toepassing.

1.4 Planvorm

Onderstaande toelichting betreft een TAM-omgevingsplan. Dit is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP kan opstellen. Het TAM-omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.

Een TAM-omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege.

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de situatie op de locatie omschreven. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Voor de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy is het met een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 Wro mogelijk gemaakt om op de locatie een woning te bouwen. De vrijstelling van het bestemmingplan om op de locatie Dorpstraat 65 een Ruimte voor Ruimte woning op te richten welke door burgers mag worden bewoond, is verleend op 9 maart 2010 en bekend als besluit 'VO 2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro'.

Vervolgens is bij besluit van 21 april 2010 (BV 2007206) de benodigde bouwvergunning verleend en op 18 april 2011 is bij besluit (OV 20110054) een omgevingsvergunning - wijziging t.o.v. de bouwvergunning verleend. De woning is vervolgens ook gerealiseerd en in gebruik als burgerwoning.

Met de in 2010 verleende vrijstelling en in 2010 en 2011 verleende bouwvergunningen is het bestemmingsplan/omgevingsplan zelf niet verandert. De Vrijstelling art. 19 Wro is bij latere bestemmingsplanherzieningen echter nooit omgezet naar de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Hierdoor is er momenteel nog altijd sprake van een agrarische bestemming.

In onderstaande afbeeldingen wordt de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0004.png"

Afbeelding 4. Bovenaanzicht huidige situatie plangebied (Bron: Luchtfoto Omgevingsplan gemeente Nederweert).

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0005.png"

Afbeelding 5. Obliek - luchtfoto huidige situatie locatie Dorpstraat 5 Leveroy (Bron: Slagboom en Peeters).

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0006.png"

Afbeelding 6. Obliek - luchtfoto huidige situatie locatie Dorpstraat 5 Leveroy (Bron: Slagboom en Peeters).

2.2 Nieuwe situatie

Om de functie 'Wonen' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' alsnog juridisch en planologisch vast te leggen dient het Omgevingsplan Nederweert voor de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy aangepast te worden. Omdat voor de gerealiseerde woning aan de voorwaarden uit de vergunningen en aan de in de Vrijstelling art. 19 Wro d.d. 9 maart 2010 gestelde voorwaarden en specifieke voorwaarden Ruimte voor Ruimte + regeling is voldaan, hoeven de destijds benodigde onderzoeken niet opnieuw uitgevoerd te worden en zijn de eventuele kwaliteitsregels/kwaliteitsbijdragen nu ook niet van toepassing. Er kan worden volstaan met het toekennen van de functie voor één Ruimte voor Ruimte woning op de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy.

Ten behoeve van de op 9 maart 2010 verleende vrijstelling ex. artikel 19 zijn voorwaarden gesteld op grond van de 'Nota Bouwen in het buitengebied' en in verband met de Ruimte voor Ruimte + regeling (op basis van de gemeentelijke regeling) destijds. Uit het feit dat de ruimte voor ruimte woning is gerealiseerd en in gebruik is als ruimte voor ruimte woning kan worden geconcludeerd dat aan die voorwaarden is voldaan, omdat anders de ruimte voor ruimte woning niet gerealiseerd had kunnen worden. De gerealiseerde en vergunde ruimte voor ruimte woning en bijgebouwen hebben een inhoud van ca.1.264 m3.

In de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan zijn de van toepassing zijnde voorwaarden en bouwvoorschriften vastgelegd in artikel 7.

De voorwaarden uit de 'Nota Bouwen in het buitengebied' met betrekking tot de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving zijn destijds getoetst en beoordeeld t.b.v. de verleende 'Vrijstelling art. 19 Wro', maar zijn in hoofdstuk 4 van deze toelichting 'Aspecten van de fysieke leefomgeving' volledigheidshalve ook nog eens getoetst aan de huidige maatstaven.

De op grond van de 'Nota Bouwen in het buitengebied geldende specifieke uitgangspunten en randvoorwaarden in verband met de Ruimte voor Ruimte + regeling (op basis van de gemeentelijke regeling)' zijn niet meer in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan opgenomen, omdat ze in principe éénmalig zijn gesteld en ook al zijn uitgevoerd t.b.v. het verkrijgen van de vrijstelling en de bouwvergunningen voor de gerealiseerde woning en bijgebouwen aan de Dorpstraat 65 te Leveroy.

Met dit TAM-omgevingsplan wordt voor de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy de functie 'Wonen' en de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' nu juridisch en planologisch vastgelegd. De functie 'Waarde - Archeologie' alsook de gebiedsaanduiding 'milieuzone – boringsvrije zone' blijven voor het gehele plangebied overeenkomstig het vigerende Omgevingsplan/bestemmingsplan van toepassing.

Middels de onderstaande verbeelding van onderhavig TAM-omgevingsplan wordt de nieuwe situatie inzichtelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0007.png"

Afbeelding 8. Verbeelding TAM-omgevingsplan Dorpstraat 65 te Leveroy.

2.3 Ruimtelijke effecten

Met het wijzigen van het Omgevingsplan ter plaatse van Dorpstraat 65 te Leveroy wijzigt er aan de woning, de bijgebouwen, tuin, aanwezig groen, terras en opritverharding helemaal niets. De wijziging heeft alleen betrekking op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Er is dan ook geen sprake ruimtelijke effecten, omdat er visueel niets wijzigt t.o.v. de huidige situatie.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg 2021 (OvL2021). Tot slot is het gemeentelijke beleid ontleend aan de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 (lokale uitwerking)' en de 'Omgevingsvisie buitengebied'.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.

In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:

  • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;
  • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit;
  • de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden;
  • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden;
  • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden;
  • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap.

Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.

In de NOVI wordt ten aanzien van Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.

Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.

Onderhavige locatie Dorpstraat 65 te Leveroy valt niet binnen een door het rijk gekenmerkte opgaven en/of ontwikkeling.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën.

Toepassing

In Hoofdstuk 4 van deze toelichting worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het Omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie.

Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' welke door burgers mag worden bewoond. De vrijstelling hiervoor is verleend op 9 maart 2010 en bekend als besluit 'VO 2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro'. Vervolgens is bij besluit van 21 april 2010 (BV 2007206) de benodigde bouwvergunning verleend en op 18 april 2011 is bij besluit (OV 20110054) een omgevingsvergunning - wijziging t.o.v. de bouwvergunning verleend. De woning is gerealiseerd en in gebruik als ruimte voor ruimte woning. Van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling is bij voorliggend project dan ook geen sprake, waardoor verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is.

3.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde Rijksinstructieregels. Het plan is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)

De Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De POVI is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Limburg wilt bereiken.

Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van het beleid in de POVI, gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.

De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke Omgevingsplan en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke omgevingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Indien er een afweging wordt gemaakt wordt dat gedaan op basis van de volgende principes:

  • Streven naar inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • Kenmerken en identiteit van geen gebied staat centraal;
  • Meer stad, meer land;
  • Zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden.

Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies hetgeen is onderverdeeld in 'zoneringen'. De uitwerking in de thema's zijn verankerd in de Omgevingsverordening waar in navolgende paragraaf nader op wordt ingegaan.

3.2.2 Instructieregels provincie (omgevingsverordening)

Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 kan de provincie middels de omgevingsverordening regels stellen met betrekking tot de uitoefening van taken of bevoegdheden aan gemeenten (instructieregels). Bij de OvL behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Bij onderhavig planvoornemen zijn de volgende provinciale regels van toepassing:

Buitengebied

Op basis van de OvL is onderhavig projectgebied gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Buitengebied' op grond waarvan volgens de omgevingsverordening specifieke regels gelden met betrekking tot:

  • toelaten van uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijven (Artikel 10.6);
  • maximalisering van bedrijfskavelgrootte tot 5 ha (Artikel 12.5);
  • zonneparken groter dan 200 m² (Artikel 13.3).

Voorliggend plan voorziet niet in activiteiten op grond waarvan bovengenoemde regels van toepassing zijn. Dientengevolge zijn bovengenoemde instructieregels niet relevant voor onderhavig plan.

Roerdalslenk zone III

Onderhavig plangebied is gelegen in de zone 'Roerdalslenk zone III' op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 80 meter onder maaiveld plaatsvindt.

Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone III' geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Omgevingswaarden wateroverlast (Artikel 3.1)

Met het oog op de berging – en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt ter plekke een overstromingskansgebied C. In paragraaf 4.7 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.

Klimaatadaptatie (Artikel 3.5)

De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:

  • a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering; en
  • b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

In paragraaf 4.13 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.

Grondwater (Afdeling 4.2)

In het kader van bescherming van de kwaliteit van het grondwater (vanwege de waterwinning) en het bescheren van de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater zijn regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving opgesteld. In paragraaf 4.7 wordt hierop nader ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.

Vellen van houtopstanden (Artikel 9.2.1)

In het kader van bescherming van flora en fauna zijn regels opgesteld met betrekking tot het vellen van houtopstanden. Op grond van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen zonder voorafgaand een melding daarvan te doen bij het bevoegd gezag. Onderhavige ontwikkeling gaat niet gepaard met het vellen van houtopstanden waardoor geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.

3.2.3 Ruimte voor Ruimte beleid

Op grond van het toenmalige Ruimte voor Ruimte beleid is het met het verlenen van de vrijstelling in 2010 planologisch mogelijk gemaakt om in het buitengebied ter plaatse van de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy woningbouw te realiseren. De woning is daarbij in een bestaand lint gerealiseerd. De cultuurhistorische waarden op onderhavige locatie is door de woningbouw eveneens niet onevenredig nadelig beïnvloed. Het project heeft een bijdrage geleverd aan het provinciale project Ruimte voor Ruimte en daarmee is destijds al voldaan aan alle voorwaarden voor de planontwikkeling.

3.2.4 Conclusie provinciaal beleid

Onderhavig plan levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 (lokale uitwerking)

Midden-Limburg is het Verbindend hart van Limburg, waar wonen aantrekkelijk is. De kwaliteit van het wonen is hoog. Toch zijn er op het gebied van wonen uitdagingen: het (laten) bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroepen. Maar ook de bestaande woningen moeten duurzamer en levensloopbestendiger worden.

In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/ herstructurering. Zo houden we de leefbaarheid op peil en bieden we een thuis voor (toekomstige) inwoners.

Nederweert wil woonruimte bieden aan een ieder die zich thuis voelt in de gemeente, hier een toekomst wil bouwen en wil bijdragen aan de gemeenschap. Dat geldt in het bijzonder voor de mensen die hier zijn geboren en getogen en in Nederweert willen blijven wonen.

De bouwproductie is momenteel hoog in Nederweert (rond de 60 woningen per jaar), waarbij Nederweert de ambitie heeft om toe te werken naar een gemiddelde productie van 75-100 woningen per jaar (periode 2021 t/m 2025). Dit sluit aan bij het medio 2020 gekozen voorkeursscenario woningbouw (Ruimte voor ambitie en groei). Naast het bouwen op basis van de behoefte voor opvang van verwachte huishoudensgroei, geeft dit voorkeursscenario ook ruimte aan de autonome ontwikkeling van Nederweert als overloopgebied van Eindhoven en Zuid-Oost Brabant. Lokaal wordt dit nader uitgewerkt binnen de algemene regels van deze Structuurvisie.

Concreet betekent dit:

  • 1. Voortzetting regulier woonbeleid; realisatie van woningbouwplannen uit de planvoorraadlijst en nieuwe initiatieven passend bij de behoefte en ambitie.
  • 2. Nadere uitwerking van een nieuwe uitbreidingslocatie rondom de kern Nederweert (het ‘100 woningenplan’), gericht op invulling behoefte en ambitie.
  • 3. Samenwerking met de woningcorporaties, gericht op het vergroten van het aandeel sociale huurwoningen.
  • 4. Ruimte blijven bieden voor woningbouw in de kerkdorpen voor invulling van primair de eigen behoefte. Initiatieven vanuit de kernen zelf (bouwen door en voor eigen inwoners) hebben de voorkeur. Het betreft maatwerk per kern gericht op leefbaarheid. We onderzoeken in dit kader de mogelijkheden en randvoorwaarden voor een regeling ‘Bouwen in tuinen’ in het binnenstedelijke gebied.
  • 5. Herstructurering en transformatieprojecten, met name in de kern Nederweert/Budschop.
  • 6. Evaluatie/actualisatie huisvestingsbeleid internationale werknemers.
  • 7. Uitbreiding van woonwagenstandplaatsen.
  • 8. Heroverweging beleid woningsplitsingen buitengebied.
  • 9. Verkennen mogelijkheden innoverende projecten (ecologisch wonen, tiny housing et cetera).
  • 10. We onderzoeken - in afstemming met de regio - de noodzaak/wenselijkheid en de mogelijkheden om de lokale woningmarkt met wettelijke instrumenten nader te reguleren (bijvoorbeeld via een Huisvestingsverordening).
3.3.2 Aanvullende structuurvisie nieuwe bebouwing in het buitengebied

Op 27 maart 2012 heeft de gemeenteraad de Aanvullende Structuurvisie nieuwe bebouwing in het buitengebied vastgesteld. Deze aanvullende structuurvisie ‘Nieuwe bebouwing in het buitengebied’ is een structuurvisie die zowel over een bepaald gebied gaat (het buitengebied) als over een bepaald thema (nieuwe bebouwing). De aanvullende structuurvisie is een vertaling van het provinciale beleid (Limburgs Kwaliteitsmenu) in een gemeentelijke structuurvisie.

De structuurvisie heeft betrekking op ontwikkelingen in het buitengebied buiten het stedelijk gebied Nederweert en Budschop en buiten de rode contouren rondom Ospel, Ospeldijk, Nederweert-Eind, Leveroy en het bedrijventerrein Aan Veertien. Het kan gaan om alle soorten ruimtebeslag zoals nieuwe woongebieden, uitbreiding van agrarische bedrijven, nieuwe functies in bestaande vrijkomende bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bedrijventerreinen.

Het doel van deze aanvullende structuurvisie is een overzicht te geven van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de relatie aan te geven met de compenserende maatregelen die bij nieuwe bebouwing in het buitengebied gevraagd worden.

Toepassing paragraaf 3.3.1 en 3.3.2

Onderhavige ontwikkeling aan de Dorpstraat 65 te Leveroy gaat niet gepaard met het toevoegen van een woning aan de woningvoorraad. Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' welke door burgers mag worden bewoond. De vrijstelling hiervoor is verleend op 9 maart 2010 en bekend als besluit 'VO 2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro'. Vervolgens is bij besluit van 21 april 2010 (BV 2007206) de benodigde bouwvergunning verleend en op 18 april 2011 is bij besluit (OV 20110054) een omgevingsvergunning - wijziging t.o.v. de bouwvergunning verleend. De woning is ook gerealiseerd en in gebruik als ruimte voor ruimte woning.

Met bovengenoemde vrijstelling en vergunningen is het bestemmingsplan/omgevingsplan zelf niet verandert. De Vrijstelling art. 19 Wro is bij latere bestemmingsplanherzieningen nooit omgezet naar de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de functie 'Wonen' en de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' nu juridisch en planologisch vastgelegd. Aan de hand van de met in 2010 verleende vrijstelling en in 2010 en 2011 verleende bouwvergunningen gerealiseerde woning, bijgebouwen en tuin aan de Dorpstraat 65 te Leveroy wijzigt hiermee visueel niets. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht.

Het plan is derhalve niet in strijd met de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025' en de aanvullende 'Structuurvisie nieuwe bebouwing in het buitengebied'.

3.3.3 Omgevingsvisie buitengebied Nederweert

De omgevingsvisie Buitengebied Nederweert is als voorbereiding op de Omgevingswet op 20 juli 2021 vastgesteld en richt zich specifiek op het buitengebied. In de omgevingsvisie wordt beschreven hoe het staat met het buitengebied van Nederweert en vooral ook hoe het gebruik van deze ruimte in de toekomst wordt gezien en welke koers wordt gevaren.

Het doel van de omgevingsvisie is het toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. En dat vergt de komende jaren een forse kwaliteitsslag. De volgend acht hoofdopgaven worden in dit kader benoemd:

  • 1. Een gezonde en veilige leefomgeving.
  • 2. Een oplossing voor vrijkomende gebouwen.
  • 3. Beschikbaar houden van perspectiefvolle agrarische locaties.
  • 4. Een bijdrage leveren aan de energietransitie.
  • 5. Een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie.
  • 6. Versterken van het groene karakter.
  • 7. Verbeteren van de infrastructuur.
  • 8. Versterking beleving en gastvrijheid.

Met onderhavig planvoornemen is destijds als gevolg van de vrijstelling ex. art. 19 Wro in meer of mindere mate al invulling gegeven aan de hoofdopgaven. N.a.v. de gemeentelijke voorwaarden onder de 'Ruimte voor Ruimte op basis van de gemeentelijke regeling' die destijds bij het verkrijgen van de vrijstelling van toepassing waren, zijn op een agrarisch bouwkavel bedrijfsgebouwen gesloopt en is de milieuvergunningen ingetrokken. Met de Ruimte voor Ruimte regeling was dit ook de bedoeling en is een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het Limburgse landelijke gebied bereikt. Door de sloop van de bedrijfsgebouwen en het herbestemmen van de locatie is toen ter plaatse van die bedrijfslocatie het probleem van vrijkomende gebouwen door bedrijfsbeëindiging opgelost. Omdat er daardoor ook geen landbouwhuisdieren meer gehouden mogen worden vinden er ook geen emissies (fijn stof, ammoniak, geur) meer plaats, welke een nadelige invloed kunnen hebben op de leefomgeving. De leefomgeving ter plaatse van de bedrijfslocatie is er in ieder geval gezonder en veiliger door geworden. Het planvoornemen heeft dus destijds als gevolg van het verkrijgen van de vrijstelling bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van de omgeving en een oplossing voor de locatie. Het beëindigen van het agrarisch bedrijf heeft ook door het wegvallen van de bedrijfsactiviteiten bijgedragen aan de klimaatadaptatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan minder CO2- en NOx-uitstoot door het wegvallen van transporten van en naar de bedrijfslocatie en verwarmingsbronnen.

3.3.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen passend was en nog steeds passend is binnen de doelstellingen en niet strijdig is met het beleid van de gemeente Nederweert.

Hoofdstuk 4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd.

4.1 Activiteiten- en milieuzonering

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten, dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties.

Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen te krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd te worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • het tegelijk daarmee aan de locaties voor bedrijfsmatige activiteiten voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

In de naaste omgeving van het plangebied zijn een aantal (agrarische) bedrijven aanwezig. Uit het feit dat in 2010 de Vrijstelling ex. artikel 19 en de bouwvergunning in 2010 en 2011 voor de ruimte voor ruimte woning zijn verleend, mag geconcludeerd worden dat deze bedrijven geen belemmering vormen voor deze woning en deze woning omgekeerd geen belemmering vormt voor deze bedrijven. Wat betreft geluid en geur wordt hier ook nog op teruggekomen in paragraaf 4.2 en paragraaf 4.4.

Conclusie

Uit vorenstaande mag geconcludeerd worden dat in de omgeving van Dorpstraat 65 geen bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Het planvoornemen vormt ook geen belemmering voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende bedrijven. Een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Dit blijkt ook uit de volgende paragraven Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2 Geur

4.2.1 Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’).

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.

In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.

In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.

4.2.2 Toetsing

Ten behoeve van de verleende vrijstelling in 2010 is destijds door Milieuadviesbureau M&A uit Helenaveen een onderzoek uitgevoerd (rapportnummer 27-NRvR-gh-v2 d.d. 16 oktober 2007). Uit de berekeningen is toen gebleken dat de geurcontouren van de omliggende agrarische bedrijven geen belemmering vormden voor onder andere ook de woning aan de Dorpstraat 65 te Leveroy.

Op 14 november 2017 heeft de gemeenteraad de nieuwe 'Verordening Geurhinder en Veehouderij Nederweert 2017' vastgesteld. Deze verordening vervangt de Verordening geurhinder en veehouderij Nederweert 2013. Ook de nieuwe gebiedsvisie 2017 is op 14 november 2017 door de gemeenteraad vastgesteld.

Bij een beoordeling van het woon- en leefklimaat dient aandacht besteed te worden aan vaste afstanden, voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. In afwijking daarvan wordt in de omgekeerde werking in de dorpskernen en direct aansluitend aan de dorpskernen niet getoetst aan de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie. Gevoelige functies mogen binnen de geurcontour van agrarische bedrijven mogelijk worden gemaakt zolang er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bedrijven niet door de nieuwe gevoelige functies belemmerd worden en er sprake is van een goede belangenafweging, een en ander zoals in de jurisprudentie bepaald.

Middels de 'Gebiedsvisie Geurhinder en Veehouderij' heeft de gemeente Nederweert aangegeven welke achtergrondbelasting acceptabel is. Dit is weergegeven in de volgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0008.png"

Beoordeling achtergrondbelasting geur uit 'Gebiedsvisie Geurhinder en Veehouderij' (tabel 1).

Op 20 juli 2018 zijn de geurnormen voor gecombineerde luchtwassers gewijzigd. Om de gevolgen hiervan in beeld te brengen zijn met de vergunde gegevens van 1 oktober 2018 nieuwe kaarten gemaakt voor de achtergrondbelasting en de geurgevoelige objecten.

Achtergrondbelasting plangebied

Uit de kaart van de achtergrondbelasting (2018) blijkt dat ter plaatse van het plangebied de geurbelasting tussen de de 3 en 7 Ou/m3 ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0009.png"

Afbeelding 9. Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (2018).

De aanvaardbare waarde voor het buitengebied van Nederweert bedraagt 20 OU/m³. Met een waarde tussen 3 en 7 OU/m³ is sprake van een beoordeling ‘goed’ en wordt voldaan aan de norm. Geconcludeerd kan worden dat met betrekking tot het aspect geur binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Voorgrondbelasting plangebied

De geurnorm voor de voorgrondbelasting bedraagt volgens de “Geurnormenkaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Nederweert” ter plaatse van het plangebied 10 OU/m³. In onderhavige situatie wordt de achtergrondbelasting gevormd door slechts enkele bedrijven in de omgeving Op basis daarvan kan worden vastgesteld, dat er geen maatgevend bedrijf in de omgeving is, dat meer voorgrondbelasting dan 10 Odour heeft op de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy.

Vaste afstandsdieren

Voor het buitengebied geldt een minimale afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierverblijf waar dieren verblijven waarvoor geen geuremissienormen (vaste afstandsdieren) zijn vastgesteld en de buitenzijde van een woning (geurgevoelig gebouw). De afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw bedraagt ten minste 25 meter. Binnen bovengenoemde afstanden tot de woning Dorpstraat 65 te Leveroy zijn geen dierverblijven gelegen waar vaste afstandsdieren worden gehouden.

Vaste afstanden opslag agrarische bedrijfsstoffen

In Artikel 5.120 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn minimale afstanden opgenomen tussen een geurgevoelig gebouw en de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. De afstand tussen de opslag van agrarische bedrijfsstoffen en een geurgevoelig gebouw bedraagt tenminste 50 meter. De minimumafstanden gelden niet voor bestaande opslag (= opgericht vóór 1 januari 2013) op te korte afstand, als verplaatsing redelijkerwijs niet mogelijk is.

Op basis van Artikel 5.122 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient de minimale afstand tussen een geurgevoelig object en de opslag van kuilvoer tenminste 25 meter te bedragen. Indien het in plastic folie verpakte veevoederbalen betreffen is deze afstand niet van toepassing.

Binnen een afstand van 50 meter van de ruimte voor ruimte woning bevindt zich één agrarisch bedrijf met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden'. Hier vindt geen opslag plaats van agrarische bedrijfsstoffen waarvoor vaste afstandem gelden. Bovendien kan uit het feit dat in 2010 de Vrijstelling ex. artikel 19 en de bouwvergunning in 2010 en 2011 voor de ruimte voor ruimte woning zijn verleend, geconcludeerd worden dat dit bedrijf geen belemmering vormt voor deze ruimte voor ruimte woning en omgekeerd deze ruimte voor ruimte woning geen belemmering vormt voor dit bedrijf. In 2010 moest immers ook al rekening worden gehouden met dit bedrijf.

Omgekeerde werking

Ten aanzien van het aspect voorgrondbelasting wordt nog opgemerkt dat op kortere afstand van de agrarische bedrijven met dieren met geuremissiefactoren en/of met vaste afstandsdieren en/of opslag van agrarische bedrijfsstoffen, al een of enkele burgerwoning(en) zijn gelegen. Gelet op het feit dat deze woningen op kortere afstand van de betreffende bedrijven zijn gelegen dan onderhavig plangebied, zijn deze maatgevend voor de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven. Een uitbreiding van deze agrarische bedrijven wordt dan ook belemmerd door de meest nabijgelegen burgerwoningen. Onderhavig planvoornemen heeft daar geen invloed op. Bovendien kan uit het feit dat in 2010 de Vrijstelling ex. artikel 19 en de bouwvergunning in 2010 en 2011 voor de woning zijn verleend, geconcludeerd worden dat deze ruimte voor ruimte woning geen belemmering vormt voor de agrarsiche bedijven in de omgeving. In 2010 moest immers ook al rekening worden gehouden met deze bedrijven.

4.2.3 Conclusie geur

Voor het aspect geur kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het planvoornemen wordt niet belemmerd door de bedrijven in de omgeving en omgekeerd worden de bedrijven niet belemmerd in hun mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling.

4.3 Kwaliteit van de buitenlucht (luchtkwaliteit)

4.3.1 Inleiding

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

Als gevolg van voorliggend planvoornemen kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), paragraaf 5.1.4.

In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van onderhavig plan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het plan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

4.3.2 Aandachtsgebieden

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4.1 artikel 5.51). De gemeente Nederweert staat hierin vermeld als aandachtsgebied voor fijnstof.

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.

4.3.3 Uitzondering locaties (blootstelling)

De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4.1, artikel 5.52 in het Bkl).

4.3.4 Niet in betekende mate (NIMB)

Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en fijnstof) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.

Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen . Deze zijn terug te vinden in paragraaf 5.1.4.1, artikel 5.54 van het Bkl. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.

4.3.5 Omgevingswaarden

Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er omgevingswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. De omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxiden en stikstofoxiden zijn opgenomen in paragraaf 2.2.1.1, artikel 2.4 en artikel 2.5 van het Bkl.

Omgevingswaarden fijnstof (PM10) en PM2,5

Voor PM10 binnen het plangebied gelden de de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

  • 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en
  • 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Voor PM2,5 binnen het plangebied gelden de de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

  • 25 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Omgevingswaarden stikstofdioxiden (NO2)

Voor stikstofdioxide binnen het plangebied geldt de volgende ten hoogste toelaatbare concentratie:

  • 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
4.3.6 Toepassing

Voorliggend plan voorziet enkel in het planologisch-juridisch wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' op een locatie waar volgens de in 2010 verleende vrijstelling en in 2010 en 2011 verleende bouwvergunningen een woning met bijgebouwen is gerealiseerd en conform de vrijstelling in gebruik is als ruimte voor ruimte woning. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Er is geen sprake van: werkzaamheden, het mogelijk maken van bedrijfsactiviteiten, meer verkeersbewegingen, etc. In dat opzicht leidt het plan per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.

Ten behoeve van de Vrijstelling ex artikel 19 lid 1 Wro zijn destijds door Advies- en Ingenieursbureau DHV B.V. de luchtkwaliteitsaspecten binnen het plangebied inzichtelijk gemaakt. (Notitie luchtkwaliteit d.d. 20 juli 2007, kenmerk Ll20073236). Aan de hand van het onderzoek werd toen geconcludeerd dat de grenswaarden voor fijn stof en NO2 niet werden overschreden Dientengevolge voldeed het plan ook aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit van destijds Het project Dorpstraat in Leveroy kon bovendien geschaard worden onder projecten die 'niet in betekende mate (NIBM)' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Eén woning zoals aanwezig in het plangebied en gelegen aan een ontsluitingsweg , valt nog steeds onder. Het planvoornemen draagt derhalve nog steeds 'niet in betekende mate' bij aan de luchtkwaliteit.

Zoals vermeld in het Bkl wordt de gemeente Nederweert aangemerkt als aandachtsgebied voor fijnstof. Volgens de gemeentelijke “Beleidsregel omgekeerde werking: woon- en leefklimaat, vijfde herziening”, geldend van 18-12-2023, zijn voor fijnstof geen aanvullende eisen of normen opgenomen voor woonfuncties (woonbestemmingen).

De gemeente Nederweert heeft de indicatieve cumulatieve belasting van fijnstof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven binnen de gemeente, vermeerderd met de voor bijdrage veehouderij gecorrigeerde achtergrondconcentratie in kaart gebracht, zie figuur hieronder. Gelet op de omgeving in de onderstaande figuur mag voor het plangebied Dorpstraat 65 gesteld worden dat indicatieve cumulatieve belasting van fijnstof vanuit veehouderijbedrijven binnen de gemeente, vermeerderd met de voor bijdrage veehouderij gecorrigeerde achtergrondconcentratie ter plaatse van het plangebied 20 tot 24 µg/m3 bedraagt. Dit is ruim lager dan de norm van 40 µg/m3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01_0010.png"

Afbeelding 10. Kaart indicatieve cumulatie belasting fijnstof met aanduiding plangebied.

In aanvulling op het bovenstaande is tevens de kwaliteit van de lucht ter plaatse bekeken. Op basis van informatie uit de kaarten van Atlas leefomgeving blijkt dat in 2023 ter plaatse van het plangebied de concentratie PM10 ca. 15,70 ug/m3 bedroeg, de concentratie PM2,5 bedroeg ca. 8,22 ug/m³ en de concentratie NO2 bedroeg ca. 9.92 ug/m³. Deze liggen ruim onder de omgevingswaarden zoals aangegeven in paragraaf 4.3.5.

Op basis van de informatie (kaarten) van Atlas leefomgeving kan geconcludeerd worden dat met betrekking tot de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.3.7 Conclusie luchtkwaliteit

Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen aan de Dorpstraat 65 te Leveroy, destijds niet en ook nu niet..

4.4 Geluid

4.4.1 Algemeen

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting betreft in de Omgevingswet een afweging die de gemeente zelf moet maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan.

Landelijk gezien bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geluidregels voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden de regels via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl) van een weg, spoorweg of industrieterrein.

4.4.2 Toepassing

Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van de ligging van een bestaand geluidgevoelig gebouw nabij een weg. Bij een wijziging van het Omgevingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige functies gelegen in een geluidsaandachtsgebied van bestaande wegen niet getoetst te worden (Artikel 5.78r. (toepassingsbereik). Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van onderhavig planvoornemen is derhalve niet noodzakelijk.

Ten behoeve van de Vrijstelling ex artikel 19 lid 1 Wro en de bouwvergunningen voor de woning met bijgebouwen is destijds door Advies- en Ingenieursbureau DHV B.V. een geluidonderzoek uitgevoerd (rapportage d.d. 28 juni 2007, kenmerk LI20072886). Op basis van de omliggende woningen en het gewenste stedenbouwkundige beeld is de voorgevel van de woning op 15 meter uit de as van de weg gerealiseerd. Uit het toenmalige geluidonderzoek is gebleken dat de geluidbelasting op 15 meter uit de as van de weg 63 dB bedraagt. Dit is 10 dB hoger dan de maximale ontheffingswaarde (53 dB) buiten de bebouwde kom. Op grond daarvan zijn maatregelen getroffen in de vorm van de realisatie van 3 dove gevels (voor- en zijgevels) Bureau Geluid uit Meersen heeft in het kader van het toenmalige Bouwbesluit de karakteristieke gevelwering beschouwd (rapportage d.d. 26 mei 2008, kenmerk 20085307). Door de toepassing van de 3 dove gevels (onder de Omgevingswet heet dat nu 'niet geluidgevoelige gevels' wordt voldaan aan een aanvaardbaar binnenniveau.

In artikel 7.7 van de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan is als voorwaardelijk verplichting vastgelegd dat het gebruik als woning enkel is toegestaan indien ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevels (voor- en zijgevels)', een woning is voorzien van niet geluidgevoelige voor- en zijgevels. In de verbeelding van onderhavig TAM-omgevingsplan is aangegeven dat deze bouwaanduiding van toepassing is op het volledige bouwvlak.

4.4.3 Conclusie geluid

Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planvoornemen.

4.5 Gezondheid

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.

De regelgeving met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. Ter plaatse van onderhavige locatie zijn, op grond van het Omgevingsplan gemeente Nederweert, diverse regels van toepassing ten behoeve van het beschermen van de gezondheid.

4.5.1 Omgevingsvisie Buitengebied Nederweert

De omgevingsvisie Buitengebied Nederweert is als voorbereiding op de nieuwe Omgevingswet op 20 juli 2021 vastgesteld en richt zich specifiek op het buitengebied. In de omgevingsvisie wordt beschreven hoe het staat met het buitengebied van Nederweert en vooral ook hoe het gebruik van deze ruimte in de toekomst wordt gezien en welke koers wordt gevaren.

Het doel van de omgevingsvisie is het toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. En dat vergt de komende jaren een forse kwaliteitsslag. Een van de acht hoofdopgaven, zoals benoemd in paragraaf 3.3.2 van de Omgevingsvisie is "Een gezonde en veilige leefomgeving".

De grote vermenging van veehouderijen, woningen en andere functies leidt tot problemen rond de kwaliteit van de leefomgeving. De problemen hebben vooral te maken met fijnstof, geur, endotoxinen en misschien nog wel belangrijker: de overlast die mensen in het buitengebied ervaren. Hierdoor is er op sommige plaatsen sprake van onderlinge spanningen en wantrouwen tussen veehouderijbedrijven en omwonenden. Aan de andere kant zijn veel agrarische ondernemers er zich er van bewust dat vermindering van de overlast noodzakelijk is. Op veel plekken zijn daartoe al stappen gezet.

De gemeente stelt dat om positieve effecten op de leefomgeving te bewerkstelligen, moet het groene karakter van het buitengebied versterkt worden. Bomen en groen zijn positief voor de beleving, kunnen fijnstof (enigszins) afvangen, zorgen voor verkoeling bij hete periodes, versterken de biodiversiteit, zetten aan tot bewegen, etc.

Het is de ambitie van de gemeente op te streven naar een structurele verbetering van de gezondheidssituatie. Hierbij geeft de gemeente aan dat een gezondheidsbeleid twee kanten kent; gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering.

Aspecten om de gezondheidssituatie rondom het plangebied te beschermen en/of te bevorderen zijn opgenomen in onderhavig hoofdstuk (Hoofdstuk 4) van voorliggende toelichting. Gelet op deze diverse aspecten, zoals o.a. fijnstof, geur, endotoxinen en landschap, kan gesteld worden dat ter plaatse van de woning aan Dorpstraat 65 te Leveroy sprake is - en blijft - van een goed woon- en leefklimaat.

4.5.2 Endotoxine

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.

Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie.

In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd. Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden" uit 2016 en 2017, de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0" en de "Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen" uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie.

De afgelopen jaren is het onderzoek naar relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden op gang gekomen. Grootschalige Nederlandse onderzoeken zijn het IVG-onderzoek (Intensieve Veehouderij en Gezondheid) en daarna het VGO-onderzoek (Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden). Het VGO-onderzoek heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd, maar er blijven ook vragen bestaan en er zijn nieuwe vragen bijgekomen. Ook in het buitenland zijn onderzoeken uitgevoerd. De Gezondheidsraad heeft in 2012 en in 2018 de onderzoeksresultaten geëvalueerd. Het VGO-onderzoek richtte zich op de relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden, met name de luchtwegen. In reactie op dit onderzoek concludeert de Gezondheidsraad in 2018 dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen vaker bepaalde luchtwegproblemen hebben. Meerdere onderzoekgegevens geven meer of minder sterke aanwijzingen daarvoor. Het is nog onvoldoende duidelijk of de gevonden verbanden oorzakelijk zijn en er is nog geen sprake van algemene aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Daarvoor is de gegevensbasis nog te smal, volgens de Gezondheidsraad.

4.5.3 Toepassing

Uit de toetsing van de aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid en bodem is blijkt dat ter plaatse van het plangebied- toen en nu nog steeds - sprake is van een goed-woon- en leefklimaat. Verhoogde concentraties endotoxine worden met name aangetroffen in de nabijheid van intensieve veehouderijen en geitenhouderijen.

Dat is hier niet aan de orde. De meest nabijgelegen geitenhouderij (Houtsberg 11 Nedeweet-Eind) ligt op 2,1 km afstand van Dorpstraat 65 te Leveroy. Voor een overschrijding van de norm endotoxine hoeft niet te worden gevreesd ter plaatse van Dorpstraat 65 te Leveroy.

4.5.4 Conclusie gezondheid

Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect gezondheid geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen aan de Dorpstraat 65 te Leveroy.

4.6 Bodemkwaliteit

4.6.1 Algemeen

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel bezien dient te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

4.6.2 Toepassing

Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Hiervoor is met het besluit VO2007026 - Vrijstelling art. 19 Wro d.d. 9 maart 2010 de afwijking van het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' al vergund.

Vanwege de vrijstelling is destijds door Envicon Solutions uit Bocholtz op de locatie Dorpstraat in Leveroy een verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd 9 rapportage d.d. 30 maart 2007, projectnummer 07021613). Hieri is het volgende geconcludeerd:

  • in de boven- en ondergrond zijn alle onderzochte concentratie lager dan de streefwaarde;
  • in de bodem zijn geen asbest verdachte materialen aangetroffen;
  • in het grondwater zijn de aangetoonde concentraties chroom, zink, cadmium, tolueen en xylenen hoger dan de streefwaarde. Dit betreft lichte verontreinigingen.

Gezien de resultaten is de gestelde hypothese 'onverdacht' gehandhaafd gebleven en is vanwege de beperkte omvang van de overschrijdingen in het grondwater vervolgonderzoek niet noodzakelijk gebleken.

4.6.3 Conclusie bodemkwaliteit

Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen aan de Dorpstraat 65 te Leveroy, toen niet en nu niet.

4.7 Water

4.7.1 Wettelijk kader

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.

4.7.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027

In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering:
  • Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren.

4.7.1.2 Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:

  • Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas;
  • Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek;
  • Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.

De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.

Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

4.7.1.3 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.

Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:

  • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas;
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden;
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht;
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.

4.7.1.4 Provinciaal beleid

De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

4.7.2 Toepassing waterhuishouding plangebied

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect water beoordeeld. Er was toen nog geen vastgesteld nota waarin de omgang met hemelwater was vastgelegd en werd er wel gewerkt aan een gemeentelijk afkoppelplan. Wel is toen aangegeven dat er voldaan moet worden aan de algemene uitgangspunten, zijnde:

  • aanleg gescheiden rioleringssysteem;
  • infiltratie van hemelwater bij voorkeur in een bovengrondse voorziening (bijvoorbeeld een zaksloot);
  • er moet minimaal 30 mm x totaal verhard oppervlak geborgen kunnen worden;
  • een overloop op de riolering of op het oppervlaktewater is niet toegestaan;
  • geen overlast oop naastgelegen percelen als gevolg van een te krap bemeten infiltratievoorziening;
  • er mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden toegepast, teneinde diffuse verontreiniging te voorkomen.

Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten kan het volgende worden aangegeven m.b.t. de gerealiseerde ruimte voor ruimte woning en bijgebouwen:

  • Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd naar de gemeentelijk riolering.
  • Met betrekking tot het hemelwater is voorzien in 2 regenputten van 10 m3 en een bezinkput van 3 m3 in de voortuin van de woning. Aan de regenwaterputten is een beregeningssysteem gekoppeld. De uitvoering van de opvang van het hemelwater en het beregeningssysteem is in 2020 akkoord bevonden door de toenmalige 'Toezichthouder milieu' van de gemeente.
  • Er is geen overloopvoorziening van het hemelwater op de riolering.
  • Naastgelegen percelen ondervinden geen overlast van het hemelwater bij extreme omstandigheden.
  • Bij de bouw van de woning en bijgebouwen zijn geen uitloogbare bouwmaterialen gebruikt.
4.7.3 Conclusie water

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect water geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.

4.8 Omgevingsveiligheid

4.8.1 Wettelijk kader

Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:

  • 1. risicovolle activiteiten (Besluit activiteit leefomgeving).
  • 2. aandachtsgebieden (Besluit kwaliteit leefomgeving).


In het Bkl worden activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven;
  • het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen (indien opgenomen in het bal);
  • windturbines (indien opgenomen in het Bal);


Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd.

4.8.2 Toepassing

Met inachtneming van onderhavig planvoornemen staat vast dat niet wordt voorzien in het realiseren van nieuwe kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen en/of nieuwe risicoactiviteiten. Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd.

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect omgevingsveiligheid, toen nog bekend als 'externe veiligheid', beoordeeld. Uit de gegevens van de toenmalige risicokaart Limburg is gebleken dat het plangebied niet is gelegen binnen de invloedssfeer van een water-, spoor- of autoweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen de risicocontouren en effectenafstanden van gevaarlijke inrichtingen. Verder zijn er geen (buis)leidingen aanwezig in of nabij het plangebied waar gevaarlijke stoffen door worden vervoerd.

Ook nu blijkt uit raadpleging van de huidige kaarten 'Veilige omgeving' in de 'Atlas leefomgeving', dat de locatie niet is gelegen in een aandachtsgebied en/of veiligheidszones/-contouren van risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes.

4.8.3 Conclusie omgevingsveiligheid

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.

4.9 Toetsing m.e.r.- beoordeling

4.9.1 Wettelijk kader

Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Op grond van artikel 16.36, tweede lid van de Omgevingswet geldt tevens een m.e.r.-(beoordelings)plicht indien voor het plan op grond van artikel 16.53c een passende boordeling moet worden gemaakt.

Een milieueffectrapportage (mer) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de mer is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.

Een TAM-omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).

De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
  • b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
    • 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
    • 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
4.9.2 Toepassing

Ten tijden van de vrijstellingsprocedure voor het plangebied Dorpstraat was van 'Toetsing m.e.r.-beoordeling' geen sprake. Onder de huidige omstandigheden is dat anders.

In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. Het voorliggend TAM-omgevingsplan vormt geen kader voor een mer(beoordelings)plichtig project als bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Mer-beoordeling is daarmee niet aan de orde". Aan inhoudelijke beoordeling wordt dan niet toegekomen omdat het project niet milieurelevant is.

Gelet op het vorenstaande is, voor de volledigheid, hieronder bepaald of (1) de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

  • 1. Drempelwaarden besluit m.e.r.

Voor het beoogd planvoornemen is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hiervan is sprake bij de volgende activiteit: “D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)”.

Gelet op het feit dat onderhavig voornemen niet gepaard gaat met het realiseren van nieuwe woningen, enkel het doorvoeren van een planologische functiewijziging, is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De ontwikkeling betreft dan ook geen m.e.r. beoordelingsplichtige activiteit, zoals omschreven in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r..

  • 2. Ligging binnen een gevoelig gebied

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r.

  • 3. Belangrijke milieugevolgen

In Hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit blijkt dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden dus zeker niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

4.9.3 Conclusie

Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10 Cultureel erfgoed en landschap

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten.
  • Verplaatsing van beschermde monumenten.
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand.
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument.
  • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
4.10.1 Cultuurhistorische elementen

In het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' is een beschermingsregime voor het cultureel erfgoed opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorische elementen'. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen en het behoud en herstel van de Peelraamstelling met bijbehorende kazematten.

Ter plaatse van onderhavig plangebied aan de Dorpstraat 65 te Leveroy is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorische elementen' niet van toepassing. Ter plekke zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

4.10.2 Archeologie

Ter bescherming van de archeologische elementen en terreinen is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' eveneens een beschermingsregime opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

Ter plaatse van onderhavig plangebied aan de Dorpstraat 65 te Leveroy is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing.

De gemeenten Nederweert en Weert hebben op 22 september 2010 de Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Ter ondersteuning van het beleid is een onderzoek gedaan naar de archeologische waarden en verwachtingen binnen de twee gemeenten. Hieruit is de gemeentelijke archeologische beleidskaart opgesteld, die met de beleidsnota het fundament vormt voor het gemeentelijk archeologiebeleid. In 2017 is dit beleid geactualiseerd in de ‘Nota update beleidskaart archeologie gemeenten Nederweert-Weert 2017’, met bijbehorende bijlagen.

Op grond van het geactualiseerde gemeentelijke archeologiebeleid geldt ter plaatse van het plangebied de aanduiding ‘Categorie 4'. Dit zijn gebieden met een hoge archeologische verwachting. Binnen deze gebieden is sprake van een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm én een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m².

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect archeologie beoordeeld. Toen was de provinciale 'Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg (versie oktober 2005) van belang. Daarin was de regeling opgenomen waarin is bepaald dat locaties van kleiner dan 2.500 m2 vrijgesteld worden van de verplichting om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Voorwaarde hiervoor was dat er in een straal van 50 meter rond het plangebied geen archeologische vondsten bekend zijn. Omdat de locatie kleiner was dan 2.500 m2 en er binnen een straal van 50 meter geen vondsten gedaan zijn, is er toen ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Omdat er nu met onderhavig voornemen geen sprake is van nieuwe bouwwerken of verstoring van de bodem, is ook nu geen archeologisch onderzoek nodig. De functie 'Waarde - Archeologie' blijft binnen het gehele plangebied wel van toepassing.

4.10.3 Landschap

Het buitengebied van Nederweert is afwisselend. Het bestaat uit agrarisch landschap, beekdalen en natuurgebieden. Het agrarische landschap ligt met name rondom de kernen. De versterking van het landschap in het buitengebied vormt als het ware de overkoepelende opgave waaraan de gemeente Nederweert wil werken. Een waardevol landschap zorgt voor een goede omgeving om te wonen, werken en recreëren. Het levert een bijdrage aan positieve gezondheid, biodiversiteit en daarmee ook aan de identiteit. Het landschap draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit die Nederweert mooi, aantrekkelijk en onderscheidend houdt en maakt. Voor mensen om er te wonen en voor bedrijven om zich er te vestigen. De basis is dat dit landschap op orde wordt gehouden en versterkt waar mogelijk.

Het buitengebied van Nederweert is verdeeld in verschillende landschappelijke deelgebieden met ieder zijn eigen kwaliteiten. Onderhavig plangebied is gelegen in het deelgebied 'Beekdal en Es van Leveroy'.

Beekdal en Es van Leveroy

Leveroy ligt op een hoger gelegen gebied in het landschap, een zogenoemd esdek. Samen met de Tungelroyse beek die ten zuiden van Leveroy stroomt, vormt het een afwisselend gebied met (kleinschalige) agrarische functies en een natuurlijk beekdal.

Kernkwaliteiten:

  • Overgang van beekdal met groene structuren naar kleinschalig agrarisch landschap met variatie in oppervlakten van percelen en agrarische activiteiten.
  • Beplanting langs de beek. Weinig opgaande vegetatie.
  • Bebouwing op de hoger gelegen delen.

Te versterken waarden:

  • Diversiteit en herkenbaarheid van de ruimtelijke beekdalstructuur.
  • Haaks op de beek lopende beplanting met landschapselementen zoals houtwallen, knotbomen, heggen, ruigten en kleine bosjes.
  • Versterking van groene structuren op erfniveau.

Onderhavige ontwikkeling ziet alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van ruimtelijke effecten op de omgeving of aantasting van de waarden van het landschap.

De bestaande beplanting (aanwezige groenstructuren op erfniveau) waarmee de woning en de bijgebouwen zijn ingepast, blijft ongewijzigd gehandhaafd. De reeds bestaande woning met de bijgebouwen blijven gehandhaafd en met onderhavig planvoornemen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt; er vindt geen nieuwbouw plaats.

4.10.4 Conclusie cultureel erfgoed en landschap

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect cultureel erfgoed en landschap geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.

4.11 Natuur

4.11.1 Inleiding

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen dier- en plantensoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect natuur beoordeeld. Op basis van een inventarisatie van bestaande bronnen (digitale gegevens van de provincie Limburg en het Natuurloket) en een veldbezoek (28 augustus 2006) is destijds geconstateerd dat er geen beschermde natuurwaarden in het plangebied verwacht werden en er dus geen belemmeringen waren voor de realisatie van woningbouw in het plangebied. Het was dus ook niet nodig een ontheffing vanuit de toenmalige Flora- en Faunawet aan te vragen en een natuurcompensatieplan op te stellen.

Met betrekking tot het huidige beoordelingskader geldt het volgende.

4.11.2 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • er soorten aanwezig zijn en
  • indien aanwezig, welke soorten dat zijn.


Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Onderhavig planvoornemen ziet alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Deze ontwikkeling gaat niet gepaard met fysieke ingrepen, zoals een verbouwing, nieuwbouw of sloop en ook niet op het kappen of rooien van bomen en planten. Derhalve heeft het voornemen geen negatieve gevolgen op het aspect soortenbescherming.

4.11.3 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft 'Sarsven en de Banen' Dit Natura-2000 gebied ligt op ruim 2,2 kilometer ten noordwesten van onderhavig plangebied.

Met onderhavig planvoornemen wordt alleen de functie 'Agrarisch' gewijzigd naar de functie 'Wonen' met toevoeging van de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning'. Hiervoor is al in 2010 de Vrijstelling ex. artikel 19 en in 2010 en 2011 de bouwvergunning verleend en de ruimte voor ruimte woning is vervolgens ook gerealiseerd. Onderhavig planvoornemen gaat niet gepaard met fysieke ingrepen die eventueel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Derhalve kunnen significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Uit raadpleging van de kaarten in de Atlas Leefomgeving blijkt dat onderhavig plangebied niet gelegen is binnen het Natuurnetwerk Nederland. Bovendien is al in 2010 de Vrijstelling ex. artikel 19 en in 2010 en 2011 de bouwvergunning verleend en is de ruimte voor ruimte woning vervolgens ook gerealiseerd. Het betreft dus een reeds toegestane en aanwezige functie.

4.11.4 Conclusie Natuur

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect Natuur geen sprake van een belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.12 Wegen, verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planvoornemen dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect verkeer en parkeren beoordeeld. Aangegeven is toen dat het parkeren plaatsvindt op eigen terrein en dat de verkeersbewegingen beperkt zullen blijven tot het verkeer van de bewoners en de bezoekers. De bouw van woningen zou dan ook niet leiden tot extra parkeerdruk ten opzichte van de huidige toenmalige situatie en de nieuwbouw zou ook geen concequenties hebben voor de wegenstructuur. Verkeer en parkeren vormden dan ook geen belemmering voor de realisatie van de woning binnen het plangebied.

Onderhavig planvoornemen ziet nu alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Onderhavig planvoornemen heeft derhalve geen invloed op de verkeersstructuur ter plekke. De reeds bestaande woning met bijgebouwen blijft gehandhaafd en met voorliggend plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van extra verkeersbewegingen of een toename van de parkeerbehoefte. De huidige, reeds aanwezige, afhandeling van verkeersbewegingen en parkeerbehoefte wordt niet gewijzigd als gevolg van onderhavig planvoornemen.

4.12.1 Conclusie wegen, verkeer en parkeren

Het aspect wegen, verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.13 Duurzaamheid en klimaat

4.13.1 Inleiding

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.13.2 Toepassing binnen het plangebied

Met betrekking tot de 'Vrijstelling ex artikel 19 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy' is voor onderhavig plangebied het aspect duurzaam bouwen beoordeeld. De ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving omvatte toen drie aspecten: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. De gebruikswaarde werd bepaald door het geheel van stedenbouw, architectuur en duurzaam bouwen. De belevingswaarde had te maken net visuele of beeldkwaliteit van de openbare ruimte en deze hing samen met het stedenbouwkundig plan in combinatie met de architectuur. De toekomstwaarde en daarmee het effect van de investeringen, werd te dele bepaald door het duurzaam bouwen. Met deze drie principes is rekening gehouden met het toenmalige en gerealiseerde bouwplan waarvoor de vrijstelling is verleend.

Tegenwoordig verbreedt duurzame stedenbouw de aandacht naar meer aspecten. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.

Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen.

Onderhavig planvoornemen ziet nu alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. De reeds bestaande woning met de bijgebouwen blijven gehandhaafd en met onderhavig planvoornemen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt; er vindt geen nieuwbouw plaats.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Participatie en omgevingsdialoog

5.1.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.

Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.

Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.

Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

5.1.2 Overleg

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is er vooroverleg gevoerd. Dit overleg heeft plaatsgevonden met de gemeente Nederweert en de initiatiefneemster. Verder zal het plan op de gebruikelijke wijze worden aangeboden aan de provincie.

5.1.3 Omgevingsdialoog

Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Daarbij heeft initiatiefneemster/eigenaar gesproken met de buren in de naaste omgeving, zijnde de bewoners van Dorpstraat X-X, X, X, X, X en Luitstraat X en X. Als bewijs van de dialoog zijn formulieren ondertekend. Deze formulieren zijn bij de gemeente bekend.

5.1.4 Zienswijzen

Het ontwerp-TAM-omgevingsplan en bijhorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Dit kan schriftelijk of mondeling gebeuren.

5.2 Financiële uitvoerbaarheid

5.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet geldt dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

5.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Anterieure overeenkomst
Als sprake is van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.

Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:

1. Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
2. Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

Onderhavig planvoornemen ziet nu alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. Er is geen sprake van verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.

Bovendien heeft de ontwikkeling van het plangebied destijds plaatsgevonden in het kader van Ruimte voor Ruimte tweede tranche en met de daarvoor nodige uit te voeren tegenprestaties. De ontwikkeling van het gebied is destijds voor de gemeente Nederweert budgettair neutraal verlopen.

5.2.3 Financiële bijdrage

Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.

In het kader van onderhavige wijziging van het Omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

5.2.4 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • een omgevingsvergunning,
  • een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
  • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Onderhavig planvoornemen ziet nu alleen op het wijzigen van de functie 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en waarbij de functieaanduiding ' specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' wordt toegevoegd. De mogelijkheid tot het realiseren van de woning met bijgebouwen is destijds al mogelijk gemaakt middels de Vrijstelling ex artikel19 lid 1 Wro RvR-woningen Dorpstraat Leveroy. Een overeenkomst m.b.t. mogelijk planschade (zoals dat voorheen genoemd werd) tussen de gemeente en initiatiefnemer is destijds al afgesloten t.b.v. de vrijstelling. Van het afsluiten van een nadeelcompensatie- overeenkomst tussen de gemeente en initiatieneemster is derhalve nu geen sprake.

Hoofdstuk 6 Artikelsgewijze toelichting

6.1 TAM-omgevingsplan

6.1.1 Algemeen

Een TAM-omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in de Standaard officiële publicaties (STOP) kan opstellen. Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.

Een TAM-omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TPOD (TPOD= Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten)) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.

6.1.2 Uitwerking in de regels

Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Nederweert. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert', maar ook aan de in 2010 verleende Vrijstelling ex artikel 19 lid 1 Wro RVR-woningen Dorpstraat Leveroy en verleende bouwvergunning 2010 en 2011.

Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen.

De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken, namelijk 'Algemene bepalingen' (hoofdstuk 1), 'Functies en activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.

Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk Omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

Algemene bepalingen (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen en de aanvraagvereisten.

Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
In Hoofdstuk 2 van het TAM-omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 6.1.3 nader toegelicht.

Algemene regels (hoofdstuk 3)
Hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksactiviteiten, kwaliteitsregels, overige regels en de werking van wettelijke regelingen.

Overgangsregels (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.

6.1.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 van het TAM-omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan.

Wonen
Bij voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Wonen' vastgelegd. De voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen worden gebruikt om in te wonen in de vorm van een burgerwoning en ter uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf. Tevens zijn toegestaan de bij de functie 'Wonen' horende tuinen, erven en overige bijbehorende voorzieningen.

Ter plaatse van de locatie Dorpstraat 65 is op de als functie 'Wonen' aangewezen grond de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' opgenomen'.

Ter plaatse van de locatie Dorpstraat 65 is op de als functie 'Wonen' aangewezen grond de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevels (voor en zijgevels) opgenomen'.

Als voorwaardelijke verplichting is onder hoofdstuk 2 opgenomen dat het gebruik als woning enkel is toegestaan indien ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'niet geluidgevoelige gevels (voor- en zijgevels)', een woning is voorzien van niet geluidgevoelige voor- en zijgevels.

Waarde – Archeologie

In voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Waarde - Archeologie' opgenomen, conform de dubbelbestemming uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert', om een kader te bieden voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen.

Hoofdstuk 7 Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.

  • 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  • 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 4. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
  • 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.