direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dorpstraat 65 Leveroy
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Dorpstraat 65 te Leveroy en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22n]) van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkenen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven, deel van het Omgevingsplan (hierna: 'dit deel') weergegeven hoofdstukken, moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22n] van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22n]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22n]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dorpstraat 65 Leveroy, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 Omgevingsplan:

het Omgevingsplan gemeente Nederweert.

3.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dorpstraat 65 Leveroy met identificatienummer NL.IMRO.0946.TAMHfd22nDorpstr65-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.

3.3 aan huis gebonden bedrijf:

een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.4 aan huis gebonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.5 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of afbeelding, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.6 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.7 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met daarin onderscheid tussen:

  • grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een productiegerichte paardenhouderij. intensief veehouderijbedrijf:
  • glastuinbouwbedrijf;
  • intensieve kwekerij, waaronder een viskwekerij en champignonkwekerij;
  • melkveehouderij.
3.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.9 bestaand:

zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.

3.10 bijgebouw:

en vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.

3.11 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.12 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

3.13 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.14 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

3.15 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.16 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

3.17 burgerwoning:

een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.

3.18 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.19 gebiedseigen functie:

functie die thuishoort in een specifiek gebied.

3.20 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.21 glastuinbouw:

een agrarische bedrijfsvoering, die gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen.

3.22 grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte paardenhouderij gerekend.

3.23 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

3.24 intensief veehouderijbedrijf:

het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. In principe wordt gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet beschouwd als intensief veehouderijbedrijf.

3.25 landschapselement:

punt-, lijn- en vlakelementen met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.

3.26 niet geluidgevoelige gevel:

een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen anders dan een gemeenschappelijke doorgang aanwezig zijn.

3.27 peil:

voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:

de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

in andere gevallen:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

3.28 verbeelding

de verbeelding behorend bij dit TAM-omgevingsplan

3.29 voorgevelrooilijn:

een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.

3.30 woning:

een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het zevende lid.

  • 1. De dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • 2. De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • 3. De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
  • 4. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • 5. De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • 6. De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
  • 7. De 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtstbijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ''Wonen".

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen in de vorm van een burgerwoning, meer in het bijzonder een ruimte voor ruimte woning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning";
  • b. de uitoefening van een aan huis gronden beroep of bedrijf, overeenkomstig de bepalingen uit artikel 7.6.1

met de daarbij behorende:

  • c. tuinen, erven en verhardingen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. overige bijbehorende voorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

7.3.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de functie, met dien verstande dat:

  • a. binnen het bouwvlak uitsluitend een woning, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd;
  • b. binnen het bouwvlak maximaal één woning is toegestaan;
7.3.2 Bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. woningen, inclusief bijgebouwen:
  • 1. woning en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • 2. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding - 'niet geluidgevoelige gevels (voor- en zijgevels)' dienen de voor- en zijgevels van een woning te worden uitgevoerd als niet geluidgevoelige gevel.
  • 3. bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • 4. de dakhelling van een woning bedraagt minimaal 12 graden. De bepaling geldt niet voor bijgebouwen;
  • 5. de inhoud van een woning met bijgebouw bedraagt maximaal 1.300 m³;
  • 6. de afstand van een woning dan wel een bijgebouw tot de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt minimaal 3 meter;
  • 7. de afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de woning bedraagt maximaal 20 meter;
  • 8. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,20 meter;
  • 9. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 6,10 meter.

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  • 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak en achter de voorgevelrooilijn;
  • 2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2,00 meter bedragen, met dien
    verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn maximaal
    1,00 meter mag bedragen;
  • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3,00 meter;
  • 4. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 30 m²;
  • c. vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatsvindt op de bestaande fundamenten;
7.4 Maatwerkvoorschriften
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
  • 1. bebouwing;
  • 2. verhardingen;
  • b. Deze nadere regels kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
  • 1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
  • 2. stedenbouwkundige kwaliteit;
  • 3. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 4. de milieusituatie;
  • 5. de verkeersveiligheid;
  • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 7. de sociale veiligheid;
  • 8. de externe veiligheid;
  • 9. de hemelwaterproblematiek.
7.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
7.5.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in 7.3.2 en het overschrijden van de op de verbeelding aangegeven begrenzingen van het bouwvlak met de functie "Wonen" toe te staan, onder de voorwaarden dat:
  • 1. de maximale inhoudsmaat van de woning, inclusief bijgebouwen zoals genoemd in artikel 7.3.2 lid 1 niet mag worden overschreden;
  • 2. aanwezige landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;
  • 3. de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
  • 4. uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
  • b. het bepaalde in 7.3.2 en het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toe te staan, onder de voorwaarden dat:
  • 1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
  • 2. de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3,00 meter bedraagt;
  • 3. aangetoond wordt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omwonenden;
  • 4. aangetoond wordt dat de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 5. aangetoond wordt dat geen sprake is van een beperking van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • 6. een nadeelcompensatieovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan.
  • c. het bepaalde in 7.6.2 onder f en het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg, toe te staan onder de voorwaarden dat:
  • 1. sprake is van een mantelzorgindicatie;
  • 2. de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
  • 3. sprake is van een ondergeschikte functie bij de woning;
  • 4. er geen tweede woning mag ontstaan;
  • 5. er geen (extra) hinder of belemmering mag worden veroorzaakt voor omliggende (agrarische) bedrijven of woningen;
  • 6. het gebruik wordt beëindigd zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
7.5.2 Aanvullend afwegingskader

Een omgevingsvergunning voor de in 7.5.1 genoemde specifieke beoordelingsregels met nadere afweging kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de externe veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.6 Specifieke functieregels voor gebruik
7.6.1 Aan huis gebonden beroep en bedrijf

Het gebruik van een woning, inclusief die aangebouwde bijgebouwen die onderdeel uitmaken van de woning, voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:

  • a. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
  • b. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen, met een maximum van 75 m2;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • d. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
  • e. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredig nadelig mag of kan worden beïnvloed;
  • f. geen (extra) hinder of belemmering wordt veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
  • g. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten die in direct verband staan met het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf.
7.6.2 Strijdig gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 7.2, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie;
  • b. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
  • c. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  • d. het gebruik van ruimtes binnen de woning en bijgebouwen voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
  • e. activiteiten die de parkeerbalans in de directe omgeving negatief beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  • f. het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  • g. het uitoefenen van een beroep/bedrijf aan huis, anders dan zoals opgenomen in de bepalingen in 7.6.1.
7.7 Voorwaardelijke verplichting

Het gebruik als woning is enkel toegestaan indien ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'niet geluidgevoelige gevels (voor- en zijgevels)', een woning is voorzien van niet geluidgevoelige voor- en zijgevels.

Artikel 8 Waarde - Archeologie

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie' aangewezen locatie dient voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

Op de tot 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:

  • a. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter ten opzicht van het maaiveld;
  • b. de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100 m2;
  • c. bouwwerken ten dienste van de in lid 8.2 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende functie, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
8.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'Waarde - Archeologie', zulks ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.

8.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging

Het bevoegd gezag verleent voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsvergunning en staat toe dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s) mits:

  • a. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
  • b. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodige zeker is gesteld.

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de afwijking de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.6.1 Algemeen

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m2 of meer:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 meter.
8.6.2 Uitzondering op verbod

Het in 8.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • b. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. het normaal onderhoud en beheer betreffen.
8.6.3 Afwegingskader

Een in 8.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
  • b. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Verhouding tussen functies

Waar meerdere functies samenvallen, gelden:

  • a. in de eerste plaats de regels van de functie 'Waade -Archeologie'.
10.2 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
10.2.1 Algemeen

Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van:

  • a. 20 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen.
10.3 milieuzone - boringsvrije zone

Ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.

10.4 Parkeernormen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (CROWpublicatie 381) en de opvolgers daarvan.

Artikel 11 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit TAM-omgevingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
12.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van subsubparagraaf 12.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 12 lid 1 met maximaal 10 %.

12.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Artikel 12 lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in subparagraaf 12.2.1 . te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in subparagraaf 12.2.1, na de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzonderingen

Het bepaalde in subsubparagraaf 12.2.1 is niet van toepassing op:

  • a. het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.