| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.TAMHfd22ILvrdijk2-VA01 |
De aanleiding voor het wijzigen van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert betreft de herontwikkeling van de locatie Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind , hierna 'het plangebied' genoemd.
Het plangebied, alwaar een pluimveehouderij was gevestigd, is in eigendom van initiatiefnemer. Initiatiefnemer neemt deel aan de 'Regeling provinciale aankoop en beëindiging veehouderijen' (MGA 1e tranche). Op grond van deze regeling dient de planologische bestemming van het bedrijf zodanig gewijzigd te worden dat op de locatie niet langer veehouderijactiviteiten kunnen plaatsvinden.
Voor het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Dit plan wordt door de gemeente Nederweert nog nader ingevuld. Het plangebied is eerder in diverse bestemmingsplannen bestemd, die van rechtswege gelden als planregime als onderdeel van het Omgevingsplan van rechtswege.
Het plangebied kent in het vigerend planregime de enkelbestemming 'Agrarisch' met ter plaatse de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en de functieaanduiding 'bedrijfswoning'.
Initiatiefnemer wenst de huidige agrarische bestemming, met de functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' en bedrijfswoning te wijzigen in de functie 'Wonen'. Alle agrarische bedrijfsgebouwen (stallen en loods) zijn inmiddels gesloopt. Omdat er na de sloop geen bijgebouw meer resteert en initiatiefnemer nog op hobbymatige wijze een 4 -tal paarden wenst te houden, is hierin voorzien door bij de woning een nieuw bijgebouw te bouwen ten behoeve van stalruimte voor de paarden en opslagruimte voor o.a. hooi, stro, tuingereedschappen, hobbytractor en dergelijke..
De huidige woning met aanbouw heeft een inhoud van ca. 529,5 m3 en de nieuwe loods (18 x 11,20 m.) heeft een inhoud van ca. 853 m3. Dit wil zeggen dat in de nieuwe situatie de gebouwen op de locatie een maximale inhoud hebben van afgerond 1.383 m3. In navolgende afbeelding wordt de uitvoering van het plan weergegeven. Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlak van ca. 400 m2.
Oude situatie en nieuwe situatie met nieuw bijgebouw en aanduiding locatie met de functie 'Wonen'.
Het voornemen is door initiatiefnemer kenbaar gemaakt bij de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert heeft bij brief d.d. 21 maart 2023 principemedewerking toegezegd voor de beoogde ontwikkeling. Betreffende brief is bijgevoegd als bijlage 1 'Principestandpunt Leveroysedijk 2'. De beoogde herontwikkeling is binnen de regels van de vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het Omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd Omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
Het plangebied is gelegen aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind, in het buitengebied van de gemeente Nederweert. Het ligt op een afstand van ca. 850 meter ten oosten van de kern Nederweert-Eind, onderdeel van de gemeente Nederweert. In de omgeving van de locatie zijn naast woonfuncties ook gemengde functies aanwezig. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Nederweert, sectie AC, nummer 558 en heeft een oppervlakte van 22.570 m2. Het binnen dit perceel gelegen huidige bouwvlak is ca. 8.800 m2 groot. Het plangebied is ca. 12.055 m2 groot.
In onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven vóór en na de sloop van de bedrijfsgebouwen.
Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied voor de sloop van de bedrijfsgebouwen (geel omkaderd).
Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied (geel omkaderd) na de sloop van de bedrijfsgebouwen = huidige situatie.
In onderstaande figuur wordt de kadastrale situatie weergegeven.
Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied.
Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Nederweert. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom zijn op deze locatie de bestemmingsplannen 'Buitengebied Nederweert', 'Buitengebied Nederweert eerste herziening, 'Buitengebied Nederweert tweede herziening', 'Buitengebied Nederweert 5e herziening - geitenhouderijen', 'Buitengebied Nederweert 6e herziening - fijnstofknelpunten' en het ontwerp 'Buitengebied Nederweert 7e herziening' geraadpleegd.
Het plangebied is bestemd als 'Agrarisch' met bijbehorende functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'bedrijfswoning'. Bovendien zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden' van toepassing; evenals de gebiedsaanduidingen 'milieuzone – boringsvrije zone', 'wro - zone - wijzigingsgebied', de 'wro - zone - bebouwingsconcentraties' en de vrijwaringszone - straalpad.
Uitsnede geldend planologisch-juridisch kader.
Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' naar de functie 'Wonen' en waarbij binnen het plangebied de huidige functieaanduiding ' intensieve veehouderij' komt te vervallen. Hiermee wordt het gebruiken van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning en het realiseren van een bijgebouw binnen een aangepast en kleiner bouwvlak mogelijk gemaakt en in het overige deel van het plangebied wordt het realiseren van een agrarisch bedrijf met bedrijfsgebouwen/gebouwen onmogelijk gemaakt. De 'functie' 'Agrarisch' blijft voor een gedeelte van het plangebied van toepassing. De 'functies' 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelig gebied' alsook de gebiedsaanduidingen 'milieuzone – boringsvrije zone', de 'wro - zone - bebouwingsconcentraties' en de 'vrijwaringszone - straalpad' blijven voor het plangebied van toepassing. Waarbij opgemerkt dat de gebiedsaanduiding 'wro - zone bebouwingsconcentratie' in overeenstemming is gebracht met het vlak met de functie 'Wonen' en wordt aangeduid als 'wetgevingszone - bebouwingsconcentratie'. Het begrip wro-zone bestaat immers niet meer.
Het doorvoeren van de beoogde ontwikkeling, bestaande uit het omvormen van de bedrijfswoning tot een reguliere woning met het gewenste bijgebouw is in strijd met het Omgevingsplan. De strijdigheid van de ontwikkeling en het Omgevingsplan betreft het bewonen van een bedrijfswoning door een reguliere burger en de totale inhoud van de woning met het bijgebouw. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal het Omgevingsplan voor de gronden binnen het plangebied moeten worden herzien.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en nieuwe situatie op de locatie omschreven. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.
Op de locatie Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eindt werd door de initiatiefnemer een pluimveebedrijf geëxploiteerd. Initiatiefnemer woont in de bedrijfswoning. De bedrijfsgebouwen zijn inmiddels volledig gesloopt.
Door deelname aan de 'Regeling provinciale aankoop en beëindiging veehouderijen' (MGA 1e tranche) dient de planologische bestemming van het bedrijf zodanig gewijzigd te worden dat op de locatie niet langer veehouderijactiviteiten kunnen plaatsvinden en dat de woning gebruikt mag worden als reguliere woning.
In onderstaande afbeeldingen wordt de situatie weergegeven tijdens de sloopwerkzaamheden van de laatste 2 bedrijfsgebouwen.
Luchtfoto (2024)plangebied Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind, zuid richting noord (Bron Slagboom en Peeters).
Luchtfoto (2024)plangebied Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind, oost richting west (Bron Slagboom en Peeters).
Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfswoning op de locatie Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind in planologisch opzicht om te vormen tot een reguliere burgerwoning met een bijgebouw. Daartoe wordt de functie 'Agrarisch' op een gedeelte van het plangebied gehandhaafd en ter plaatse van de woning met tuin en het bijgebouw wordt de functie 'Agrarisch' vervangen door de functie 'Wonen'. Het bouwvlak wordt hierbij tevens verkleind tot ca. 400 m2, zodanig dat woning en bijgebouw binnen het bouwvlak liggen. De woning en het bijgebouw hebben een gezamenlijke inhoud van ca. 1.383 m3. In de planregels is geborgd dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf meer kan worden opgericht.
Nieuwe situatie met woning en nieuw bijgebouw aan de Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind.
Gegevens bestaande en te handhaven woning.
Plattegrond bijgebouw.
Gevelaanzichten bijgebouw.
Gevelaanzichten bijgebouw.
Doorsnede en gegevens bijgebouw.
Met de sloop van de bedrijfsgebouwen en een nieuwe / aangepaste evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt de openheid van het landschap ter plaatse enorm versterkt. Met het vervallen van de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en het bijbehorende bouwvlak alsook het opnemen van specifieke planregels wordt bovendien het oprichten van agrarische bedrijven en herbouw/bouwen van bedrijfsbebouwing ter plaatse onmogelijk gemaakt. Alleen ter plaatse van de woning en het bijgebouw blijft een bouwvlak aanwezig waarin bebouwing conform de regels van dit Omgevingsplan mogelijk blijft. Ten opzichte van de huidige situatie heeft het planvoornemen een positief effect op het buitengebied en de omgevingskwaliteit van Nederweert. In de nieuwe situatie zal tevens worden voorzien in een landschappelijk inpassingplan, zie bijlage 2.
In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg 2021 (OvL2021). Tot slot is het gemeentelijke beleid ontleend aan de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 (lokale uitwerking)' en de 'Omgevingsvisie buitengebied'.
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes, die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
De nationale overheid richt zich in de NOVI op de volgende 21 verschillende nationale belangen:
Toetsing
De realisatie van het voorliggende initiatief (ook al is het kleinschalig) draagt bij aan enkele van deze nationale belangen. Het draagt o.a. bij aan het behouden en versterken van landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Door het wegvallen van de intensieve veehouderij en het herbestemmen van de locatie verdwijnt er immers uit het landschap veel bebouwing en vindt er een forse afname plaats van de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Sarsven en de Banen. Ook op andere Natura 2000-gebieden zal sprake zijn van een afname in de stikstofdepositie. Naast het wegvallen van ammoniak- en NOx-emissies zal er ook CO2-emissie wegvallen vanwege het wegvallen van verwarmingsbronnen op fossiele brandstof, het wegvallen van zwaar verkeer (transport dieren, mest en veevoer) en minder productie van veevoer e.d. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit maar ook aan ons klimaat. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder :
Toepassing
In Hoofdstuk 4 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2. Voor ontwikkelingen van een terrein ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een ruimtebeslag van 500 m2.
De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het Omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse Omgevingsplanactiviteit. Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie.
Onderhavige ontwikkeling ziet op het omvormen van de bedrijfswoning tot een reguliere burgerwoning met een bijgebouw. Van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling is bij voorliggend project dan ook geen sprake, waardoor verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde Rijksinstructieregels. Het project is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.
De Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De POVI is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Limburg wilt bereiken.
Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van het beleid in de POVI, gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.
De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Indien er een afweging wordt gemaakt wordt dat gedaan op basis van de volgende principes:
Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies hetgeen is onderverdeeld in 'zoneringen'. De uitwerking in de thema's zijn verankerd in de Omgevingsverordening waar in navolgende paragraaf nader op wordt ingegaan.
Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 kan de provincie middels de omgevingsverordening regels stellen met betrekking tot de uitoefening van taken of bevoegdheden aan gemeenten (instructieregels). Bij de OvL behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Bij onderhavig planvoornemen zijn de volgende provinciale regels van toepassing:
Buitengebied
Op basis van de OvL is onderhavig projectgebied gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Buitengebied' op grond waarvan volgens de omgevingsverordening specifieke regels gelden met betrekking tot:
Voorliggend project voorziet niet in activiteiten op grond waarvan bovengenoemde regels van toepassing zijn. Dientengevolge zijn bovengenoemde instructieregels niet relevant voor onderhavig project.
Roerdalslenk zone III
Onderhavig plangebied is gelegen in de zone 'Roerdalslenk zone III' op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 80 meter onder maaiveld plaatsvindt.
Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone III' geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Omgevingswaarden wateroverlast (Artikel 3.1)
Met het oog op de berging – en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt ter plekke een overstromingskansgebied C. In paragraaf 4.7 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Klimaatadaptatie (Artikel 3.5)
De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
In paragraaf 4.13 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Grondwater (Afdeling 4.2)
In het kader van bescherming van de kwaliteit van het grondwater (vanwege de waterwinning) en het bescheren van de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater zijn regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving opgesteld. In paragraaf 4.7 wordt hierop nader ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Vellen van houtopstanden (Artikel 9.2.1)
In het kader van bescherming van flora en fauna zijn regels opgesteld met betrekking tot het vellen van houtopstanden. Op grond van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen zonder voorafgaand een melding daarvan te doen bij het bevoegd gezag. Onderhavige ontwikkeling gaat niet gepaard met het vellen van houtopstanden waardoor geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen.
Midden-Limburg is het Verbindend hart van Limburg, waar wonen aantrekkelijk is. De kwaliteit van het wonen is hoog. Toch zijn er op het gebied van wonen uitdagingen: het (laten) bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroepen. Maar ook de bestaande woningen moeten duurzamer en levensloopbestendiger worden.
In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/ herstructurering. Zo houden we de leefbaarheid op peil en bieden we een thuis voor (toekomstige) inwoners.
Nederweert wil woonruimte bieden aan een ieder die zich thuis voelt in de gemeente, hier een toekomst wil bouwen en wil bijdragen aan de gemeenschap. Dat geldt in het bijzonder voor de mensen die hier zijn geboren en getogen en in Nederweert willen blijven wonen.
De bouwproductie is momenteel hoog in Nederweert (rond de 60 woningen per jaar), waarbij Nederweert de ambitie heeft om toe te werken naar een gemiddelde productie van 75-100 woningen per jaar (periode 2021 t/m 2025). Dit sluit aan bij het medio 2020 gekozen voorkeursscenario woningbouw (Ruimte voor ambitie en groei). Naast het bouwen op basis van de behoefte voor opvang van verwachte huishoudensgroei, geeft dit voorkeursscenario ook ruimte aan de autonome ontwikkeling van Nederweert als overloopgebied van Eindhoven en Zuid-Oost Brabant. Lokaal wordt dit nader uitgewerkt binnen de algemene regels van deze Structuurvisie.
Concreet betekent dit:
Onderhavige ontwikkeling aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind gaat niet gepaard met het toevoegen van een woning aan de woningvoorraad. Er is immers uitsluitend sprake van het doorvoeren van een functiewijziging. Hierdoor kan deze bestaande woning door reguliere burgers worden bewoond (opheffen gebruik als bedrijfswoning). Derhalve is het voornemen niet in strijd met de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025'.
Op 27 maart 2012 heeft de gemeenteraad van Nederweert de aanvullende Structuurvisie nieuwe bebouwing in het buitengebied en de bijbehorende Nota Kwaliteitsbijdrages vastgesteld. Deze aanvullende structuurvisie gaat alleen over het buitengebied van de gemeente Nederweert. De structuurvisie over het buitengebied is een vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu dat Gedeputeerde Staten van Limburg begin 2010 hebben vastgesteld. In dit kwaliteitsmenu staat beschreven onder welke voorwaarden er nog nieuwe bebouwing in het buitengebied kan plaatsvinden. De structuurvisie heeft betrekking op ontwikkelingen in het buitengebied buiten het stedelijk gebied Nederweert en Budschop en buiten de rode contouren rondom Ospel, Ospeldijk, Nederweert-Eind, Leveroy en het bedrijventerrein Aan Veertien. Het kan gaan om alle soorten ruimtebeslag zoals nieuwe woongebieden, uitbreiding van agrarische bedrijven, nieuwe functies in bestaande vrijkomende bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bedrijventerreinen.
Het doel van deze aanvullende structuurvisie is een overzicht te geven van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de relatie aan te geven met de compenserende maatregelen die bij nieuwe bebouwing in het buitengebied gevraagd worden.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert', onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Nederweert, is een regeling opgenomen voor nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven (melkrundveehouderijen, intensieve veehouderij, glastuinbouw, productiegerichte paardenhouderij, akkerbouw en tuinbouw). Daarmee biedt het bestemmingsplan agrarische bedrijven de mogelijkheid om zich te ontwikkelen, mits deze ontwikkeling gepaard gaat met een landschappelijke inpassing en, naarmate de inbreuk op het landschap groter is, extra kwaliteitsbijdrages.
Onderhavig planvoornemen betreft het beëindigen van een bedrijf waarbij de bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt (zijn inmiddels gesloopt) en de bestaande bedrijfswoning wordt omgevormd naar een burgerwoning met een bijgebouw (reeds gerealiseerd). Er is ook geen sprake van nieuwvestiging. Ruimtelijk en milieutechnisch is er geen sprake van een enorme impact op de omgeving. Het vlak met de functieaanduiding 'wonen' zal worden geaccentueerd door middel van beplanting, een en nader zoals is uitgewerkt in het landschappelijk inpassingplan dat is opgenomen in bijlage 2. Gesteld mag worden dat het planvoornemen juist bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van de omgeving.
De omgevingsvisie Buitengebied Nederweert is als voorbereiding op de Omgevingswet op 20 juli 2021 vastgesteld en richt zich specifiek op het buitengebied. In de omgevingsvisie wordt beschreven hoe het staat met het buitengebied van Nederweert en vooral ook hoe het gebruik van deze ruimte in de toekomst wordt gezien en welke koers wordt gevaren.
Het doel van de omgevingsvisie is het toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. En dat vergt de komende jaren een forse kwaliteitsslag. De volgend acht hoofdopgaven worden in dit kader benoemd:
Met onderhavig planvoornemen wordt in meer of mindere mate gedeeltelijke invulling gegeven aan de hoofdopgaven. Door de sloop van de bedrijfsgebouwen en het herbestemmen van de locatie wordt ter plaatse het probleem van vrijkomende gebouwen door bedrijfsbeëindiging opgelost. Omdat er geen landbouwhuisdieren meer gehouden kunnen worden vinden er ook geen emissies (fijn stof, ammoniak, geur) meer plaats, welke een nadelige invloed kunnen hebben op de leefomgeving. De leefomgeving wordt er in ieder geval gezonder en veiliger door. Het planvoornemen draagt bij aan de kwaliteitsverbetering van de omgeving en een oplossing voor de locatie. Het beëindigen van het bedrijf draagt door het wegvallen van de veehouderijtak ook bij aan de klimaatadaptatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan minder CO2- en NOx-uitstoot door het wegvallen van diertransporten en transporten van o.a. veevoederbedrijven, maar ook aan minder voerproductie voor de dieren.
Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de doelstellingen en niet strijdig is met het beleid van de gemeente Nederweert.
Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten, dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties.
Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen te krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd te worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
In de naaste omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijven aanwezig. Het betreft onder andere een melkveehouderij aan de Kruisstraat 122 en een melkveehouderij aan De Riet 1, een pluimveehouderij aan de Kruisstraat 126 en Kruisstraat 129, een vleesveehouderij aan de Leveroysedijk 2a, een Orchideeënkwekerij aan de Leveroysedijk 3 en een vleesvarkenshouderij aan de Banendijk 5. Verder liggen er in de omgeving ook enkele reguliere woningen. Ten aanzien van het plangebied kan derhalve gesproken worden van ligging in een gemengd gebied.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende milieucategorieën weergegeven.
Richtafstanden per milieucategorie
Kruisstraat 122 en De Riet 1
Op een afstand van ca. 83 meter (Kruisstraat 122) en ca. 220 meter (De Riet 1) van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2 liggen aan de Kruisstraat 122 en De Riet 1 twee melkveebedrijven (cat 3.2). Voor onderhavig planvoornemen is ten aanzien van deze bedrijven het aspect ‘geur’ (richtafstand gemengd gebied = 50 meter) maatgevend. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Bovendien is de woning aan de Leveroysedijk 2 niet de meest nabij gelegen woning ten opzichte van Kruisstraat 122 en De Riet 1. Dat zijn respectievelijk de reguliere woningen aan de Leveroysedijk 1 en de Kruisstraat 123. In de navolgende paragrafen wordt overigens nog eens nader ingegaan op de aspecten geur en luchtkwaliteit ten aanzien van de aanwezige veehouderijen in de omgeving.
Kruisstraat 126 en 129
Op een afstand van ca. 440 meter (Kruisstraat 126) en ca. 650 meter (Kruisstraat 129) van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2 liggen aan de Kruisstraat 126 en 129 twee legpluimveebedrijven. (cat. 4.1). Voor onderhavig planvoornemen is ten aanzien van deze bedrijven het aspect ‘geur’ (richtafstand gemengd gebied = 100 meter) maatgevend. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Bovendien is de woning aan de Leveroysedijk 2 niet de meest nabij gelegen woning ten opzichte van Kruisstraat 126 en 129. Dat is de woning aan de Kruisstraat 127. In de navolgende paragrafen wordt overigens nog nader ingegaan op de aspecten geur en luchtkwaliteit ten aanzien van de aanwezige veehouderijen in de omgeving.
Leveroysedijk 2a
Op een afstand van ca. 450 meter van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2 ligt aan de Leveroysedijk 2a een vleesveebedrijf (cat. 3.2). Voor onderhavig planvoornemen is ten aanzien van dit bedrijf het aspect ‘geur’ (richtafstand gemengd gebied = 50 meter) maatgevend. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Bovendien is de woning aan de Leveroysedijk 2 niet de meest nabij gelegen woning ten opzichte van Leveroysedijk 2a. Dat is de woning aan de Leveroysedijk 3. In de navolgende paragrafen wordt overigens nog nader ingegaan op de aspecten geur en luchtkwaliteit ten aanzien van de aanwezige veehouderijen in de omgeving.
Leveroysedijk 3
Op een afstand van ca. 600 meter van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2 ligt aan de Leveroysedijk 3 een orchideeënkwekerij (cat. 2). Voor onderhavig planvoornemen is ten aanzien van dit bedrijf het aspect ‘geluid’ (richtafstand 30 meter) maatgevend. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand.
Banendijk 5
Op een afstand van ca. 800 meter van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2 ligt aan de Banendijk 5 een vleesvarkenshouderij (cat. 4.1). Voor onderhavig planvoornemen is ten aanzien van dit bedrijf het aspect ‘geur’ (richtafstand gemengd gebied = 100 meter) maatgevend. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Bovendien is de woning aan de Leveroysedijk 2 niet de meest nabij gelegen woning ten opzichte van Leveroysedijk 2a. Dat is de woning aan de Leveroysedijk 3. In de navolgende paragrafen wordt overigens nog nader ingegaan op de aspecten geur en luchtkwaliteit ten aanzien van de aanwezige veehouderijen in de omgeving.
Conclusie
Uit vorenstaande blijkt dat in de omgeving van Leveroysedijk 2 geen bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het omvormen van de bedrijfswoning naar burgerwoning en bijgebouw. Het planvoornemen aan de Leveroysedijk 2 vormt ook geen belemmering voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende bedrijven. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Een redelijk goed tot goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’).
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar het woon- en leefklimaat met betrekking tot geur en luchtkwaliteit in de omgeving van Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind. Dit onderzoek heeft tot doel om te beoordelen of de bestaande situatie met betrekking tot geur- en luchtkwaliteit van nabijgelegen veehouderijen voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert als aanvaardbaar kan worden aangemerkt.
Wet geurhinder en veehouderij
Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn.
Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Daarnaast zijn minimale afstanden opgenomen vanaf een veehouderij tot een geurgevoelig object behorende bij een (voormalige) veehouderij en vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object.
In het kader van een toets van de voorgenomen functieverandering aan het aspect geurhinder door veehouderijen, zijn de volgende vragen van belang:
De voorgenomen ontwikkeling betreft o.a. een functiewijzing van bedrijfswoning naar een burgerwoning met bijgebouw. De beoogde functie wordt in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij als een voor geurhinder gevoelig object beschouwd.
Toets acceptabel geurhinderniveau
De normen van de Wet geurhinder en veehouderij gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning bij de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling in de agrarische bedrijvigheid, de zogenoemde 'directe werking'. Echter dient eveneens rekening gehouden te worden met de invloed van een geurgevoelig object op de ontwikkelingsmogelijkheden van een veehouderij, de zogenoemde 'omgekeerde werking'.
Op 14 november 2017 heeft de gemeenteraad de nieuwe 'Verordening Geurhinder en Veehouderij Nederweert 2017' vastgesteld. Deze verordening vervangt de Verordening geurhinder en veehouderij Nederweert 2013. Ook de nieuwe gebiedsvisie 2017 is op 14 november 2017 door de gemeenteraad vastgesteld.
Bij een beoordeling van het woon- en leefklimaat dient aandacht besteed te worden aan vaste afstanden, voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. In afwijking daarvan wordt in de omgekeerde werking in de dorpskernen en direct aansluitend aan de dorpskernen niet getoetst aan de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie. Gevoelige functies mogen binnen de geurcontour van agrarische bedrijven mogelijk worden gemaakt zolang er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bedrijven niet door de nieuwe gevoelige functies belemmerd worden en er sprake is van een goede belangenafweging, een en ander zoals in de jurisprudentie bepaald.
Middels de 'Gebiedsvisie Geurhinder en Veehouderij' heeft de gemeente Nederweert aangegeven welke achtergrondbelasting acceptabel is. Dit is weergegeven in de volgende tabel.
Beoordeling achtergrondbelasting geur uit 'Gebiedsvisie Geurhinder en Veehouderij' (tabel 1).
Op 20 juli 2018 zijn de geurnormen voor gecombineerde luchtwassers gewijzigd. Om de gevolgen hiervan in beeld te brengen zijn met de vergunde gegevens van 1 oktober 2018 nieuwe kaarten gemaakt voor de achtergrondbelasting en de geurgevoelige objecten.
Achtergrondbelasting plangebied
Uit de kaart van de achtergrondbelasting (2018) blijkt dat ter plaatse van het plangebied nog sprake is van een geurbelasting welke wordt veroorzaakt door het eigen bedrijf. Door het beëindigen van de intensieve veehouderij op de locatie Leveroysedijk 2 vervalt ook de totale geuremissie. Gelet op de omgeving in de onderstaande afbeelding mag gestelde worden dat geurbelasting in de nieuwe situatie zeker tussen de 7 en 13 Ou/m3 komt te liggen.
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (2018).
De aanvaardbare waarde voor het buitengebied van Nederweert bedraagt 20 OU/m³. Met een waarde tussen 7 en 13 OU/m³ is sprake van een beoordeling ‘redelijk goed’ en wordt voldaan aan de norm. Geconcludeerd kan worden dat met betrekking tot het aspect geur binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voorgrondbelasting plangebied
De geurnorm voor de voorgrondbelasting bedraagt volgens de “Geurnormenkaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Nederweert” ter plaatse van het plangebied 10 OU/m³. In onderhavige situatie wordt de achtergrondbelasting gevormd door meerdere bedrijven in de omgeving (zie de kaartuitsnede in bovenstaande figuur). Op basis daarvan kan worden vastgesteld, dat er geen maatgevend bedrijf in de omgeving is, dat meer voorgrondbelasting dan 10 Odour heeft op de locatie Leveroysedijk 2.
Vaste afstandsdieren
Een melkveehouderij betreft een veehouderij waarvoor vaste afstanden gelden. De gemeente Nederweert heeft in haar Verordening geen andere afstanden opgenomen in afwijking van Artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij. De minimale afstand conform Artikel 4 lid 1 van de Wgv bedraagt 50 meter buiten de bebouwde kom. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. Onverminderd Artikel 4 bedraagt de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen (Artikel 5 lid 1 Wgv).
Zoals vermeld in paragraaf 4.1 liggen in de omgeving twee melkveehouderijen. Deze liggen beide op meer dan 50 meter afstand van de nieuwe functieaanduiding 'wonen' aan de Leveroysedijk 2.
Omgekeerde werking
Ten aanzien van het aspect voorgrondbelasting wordt nog opgemerkt dat op kortere afstand van de agrarische bedrijven met dieren met geuremissiefactoren en de bedrijven met vaste afstandsdieren, al een of enkele burgerwoning(en) zijn gelegen. Gelet op het feit dat deze woningen op kortere afstand van de betreffende bedrijven zijn gelegen dan onderhavig plangebied, zijn deze maatgevend voor de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven. Een uitbreiding van deze agrarische bedrijven wordt dan ook belemmerd door de meest nabijgelegen burgerwoningen. Onderhavig planvoornemen heeft daar geen invloed op. In dit kader wordt ook verwezen naar het gestelde onder paragraaf 5.1.
Voor het aspect geur kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuwe functieaanduiding 'Wonen' aan de Leveroysedijk 2 sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door de bedrijven in de omgeving en omgekeerd worden de bedrijven niet belemmerd in hun mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Als gevolg van voorliggend planvoornemen kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), paragraaf 5.1.4 .
In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van onderhavig plan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het plan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4.1 artikel 5.51). De gemeente Nederweert staat hierin vermeld als aandachtsgebied voor fijnstof.
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4.1, artikel 5.52 in het bkl).
Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en fijnstof) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen . Deze zijn terug te vinden in paragraaf 5.1.4.1, artikel 5.54 van het Bkl. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er omgevingswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. De omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxiden en stikstofoxiden zijn opgenomen in paragraaf 2.2.1.1, artikel 2.4 en artikel 2.5 van het Bkl.
Omgevingswaarden fijnstof (PM10)
Voor PM10 binnen het plangebied gelden de de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:
Voor PM2,5 binnen het plangebied gelden de de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:
Omgevingswaarden stikstofdioxiden (NO2)
Voor stikstofdioxide binnen het plangebied geldt de volgende ten hoogste toelaatbare concentratie:
Voorliggend initiatief voorziet enkel in het planologisch-juridisch wijzigen van een IV-locatie naar een locatie waar geen dieren meer gehouden kunnen worden en het wijzigen van het gebruik van een bedrijfswoning in een burgerwoning met bijgebouw. Er is geen sprake meer van emissies van PM10 en NO2 als gevolg van het houden van pluimvee, de bedrijfsactiviteiten, de transporten, de werkzaamheden, etc. In dat opzicht leidt het project zelfs tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plekke. Het planvoornemen draagt derhalve 'niet in betekende mate' bij aan de luchtkwaliteit.
Zoals vermeld in het Bkl wordt de gemeente Nederweert aangemerkt als aandachtsgebied voor fijnstof. Volgens de gemeentelijke “Beleidsregel omgekeerde werking: woon- en leefklimaat, vijfde herziening”, geldend van 18-12-2023, zijn voor fijnstof geen aanvullende eisen of normen opgenomen voor woonfuncties (woonbestemmingen).
De gemeente Nederweert heeft de indicatieve cumulatieve belasting van fijnstof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven binnen de gemeente, vermeerderd met de voor bijdrage veehouderij gecorrigeerde achtergrondconcentratie in kaart gebracht, zie figuur hieronder. Hierin is de fijnstofemissie als gevolg van het houden van dieren bij de Leveroysedijk 2 nog meegenomen. Gelet op de omgeving in de onderstaande figuur mag voor de nieuwe situatie gesteld worden dat indicatieve cumulatieve belasting van fijnstof vanuit veehouderijbedrijven binnen de gemeente, vermeerderd met de voor bijdrage veehouderij gecorrigeerde achtergrondconcentratie ter plaatse van het plangebied 20 tot 24 µg/m3 bedraagt. Dit is ruim lager dan de norm van 40 µg/m3.
Kaart indicatieve cumulatie belasting fijnstof met aanduiding plangebied.
In aanvulling op het bovenstaande is tevens de kwaliteit van de lucht ter plaatse bekeken. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), blijkt dat in 2023 ter plaatse van het plangebied de achtergrondconcentratie (GCN) PM10 ca. 15,55 ug/m3 bedroeg, de achtergrondconcentratie (GCN) PM2,5 bedroeg ca. 8,285 ug/m³ en de achtergrondconcentratie (GCN) NO2 bedroeg ca. 8,70 ug/m³. Voor 2030 (gegevens 2023) bedragen ter plaatse van het plangebied de achtergrondconcentratie (GCN) PM10 ca. 14,23 ug/m3, de achtergrondconcentratie (GCN) PM2,5 ca. 7,32 ug/m³ en de achtergrondconcentratie (GCN) NO2 ca. 8,02 ug/m³.
Op basis van deze informatie (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN)) van het RIVM kan geconcludeerd worden dat met betrekking tot de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de onderhavige planontwikkeling aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting betreft in de Omgevingswet een afweging die de gemeente zelf moet maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan.
Landelijk gezien bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geluidregels voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden de regels via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl) van een weg, spoorweg of industrieterrein.
Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van de ligging van een bestaand geluidgevoelig gebouw nabij een weg. Bij een wijziging van het Omgevingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige functies gelegen in een geluidsaandachtsgebied van bestaande wegen niet getoetst te worden (Artikel 5.78r. (toepassingsbereik). Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van het herbestemmen van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is derhalve niet noodzakelijk.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.
Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie.
In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd. Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden" uit 2016 en 2017, de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0" en de "Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen" uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie.
De afgelopen jaren is het onderzoek naar relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden op gang gekomen. Grootschalige Nederlandse onderzoeken zijn het IVG-onderzoek (Intensieve Veehouderij en Gezondheid) en daarna het VGO-onderzoek (Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden). Het VGO-onderzoek heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd, maar er blijven ook vragen bestaan en er zijn nieuwe vragen bijgekomen. Ook in het buitenland zijn onderzoeken uitgevoerd. De Gezondheidsraad heeft in 2012 en in 2018 de onderzoeksresultaten geëvalueerd. Het VGO-onderzoek richtte zich op de relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden, met name de luchtwegen. In reactie op dit onderzoek concludeert de Gezondheidsraad in 2018 dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen vaker bepaalde luchtwegproblemen hebben. Meerdere onderzoekgegevens geven meer of minder sterke aanwijzingen daarvoor. Het is nog onvoldoende duidelijk of de gevonden verbanden oorzakelijk zijn en er is nog geen sprake van algemene aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Daarvoor is de gegevensbasis nog te smal, volgens de Gezondheidsraad.
Met betrekking tot onderhavig planvoornemen is er als gevolg van het verdwijnen van de intensieve veehouderij en het ter plaatse niet meer kunnen houden van dieren in ieder geval sprake van een afname van fijnstof en daarmee dus ook een afname van endotoxine.
Onderhavig plangebied ligt in het buitengebied van Nederweert. Met betrekking tot onderhavige functiewijziging dient derhalve beoordeeld te worden of bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving sprake kan zijn van risico's voor de (volks)gezondheid. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden kan er immers sprake zijn van drift, waardoor de gewasbeschermingsmiddelen ook terecht kunnen komen bij woningen en in tuinen.
Voor het telen van gewassen in de openlucht gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De milieubelastende activiteit telen van gewassen in de openlucht staat in paragraaf 3.6.3 van het Bal. Alle in de open lucht plaatsvindende activiteiten, die het telen functioneel ondersteunen, vallen ook onder het telen van gewassen in de openlucht. Dit geldt dus ook voor het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 3.209 van het Bal verwijst voor wat betreft het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen naar paragraaf 4.64 van het Bal. Deze paragraaf bevat de inhoudelijke regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 4.723c Bal) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Bal regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden.
Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Zoals al is vermeld komt bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Met de toepassing van een 'spuitzone' wordt deze afstand gecreëerd.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter kan worden gehanteerd tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en de gevoelige functie, zoals een woning. Afwijken van deze afstand is mogelijk mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.
De gemeente Nederweert streeft bij bestaande locaties naar maximale verbetering. Dat betekent dat op eigen gronden een 'zone beperking gewasbeschermingsmiddelen moet worden gelegd van 50 meter. Waar de afstand ontoereikend is moet deze worden afgeschermd met een haag van 2 meter. Aan de voorzijde van een woning is dit vaak niet realistisch en wordt er in de voortuin ter maximale verbetering een gebruiksbeperking verlangd.
Beoordeling
Onderhavig planvoornemen betreft de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er is al sprake van een gevoelige woonfunctie. De rechten en plichten voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op gronden en bedrijven van derden veranderen door de functiewijziging niet. Evenmin verandert de gevoeligheid van de woning ten aanzien van de gronden van derden. Er blijft ook sprake van bewoning door één huishouden. Met de wijziging naar de functie 'Wonen' verandert de relatie tot de eigen gronden (op het bestaande bouwvlak) achter de woning en deels voor de eigen grond direct ten noorden, ten oosten en ten zuiden van de woning.. Met de nieuwe functie komt hierin een verandering. Het merendeel van het huidige bouwvlak behoudt de functie 'Agrarisch' en het gedeelte direct ten noorden, ten oosten en ten zuiden van de woning krijgt de functie 'Wonen'. Om deze reden komt op deze gronden deels een vorm van zonering rondom de woonfunctie te liggen. In de volgende alinea wordt dit nader toegelicht.
De eigen gronden gelegen achter de woning, welke eerder in gebruik waren ten behoeve van de intensieve veehouderij en een gedeelte van de eigengrond ten zuiden van de woning (tussen de weg en de aanduiding 'intensieve veehouderij) , worden met dit plan aangeduid als gronden met een agrarische functie. Agrarisch grondgebruik is op deze gronden het voorziene hoofdgebruik. Om te voorkomen dat er sprake is van risico's door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt aan deze gronden over een zone van 50 m. vanuit de functie 'Wonen' de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen' toegekend. Deze zone geldt als spuitzone tussen teeltgronden van open teelten en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies (zoals woningen inclusief tuinen en erven). Dit met als doel de risico's ten gevolge van drift door gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen. Op deze gronden is pleksgewijze (onkruid)bestrijding met een afgeschermde spuitdop toegestaan. De regels met betrekking tot deze spuitvrije zone zijn opgenomen in een begripsbepaling (artikel 3 sub 30), een functieomschrijving (artikel 7.2 sub i) en een specifieke functieregel (artikel 7.6.3). Eveneens is het overgangsrecht hiertoe aangepast (artikel 16.2.4 sub b).
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt er naast een spuitzone op de eigen gronden ook gestreefd naar een maximale verbetering en bescherming tegen de risico's van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Om dit te bereiken is met een nadere aanduiding bepaald, dat de voortuin enkel gebruikt mag worden voor het uitoefenen van aanplant- en onderhoudswerkzaamheden, waarmee het verblijf op deze gronden tot een noodzakelijk minimum wordt beperkt. De regels met betrekking tot deze nadere aanduiding zijn opgenomen onder de specifieke functieregels voor gebruik (artikel 8.6.1 sub n).
De noordelijk gelegen landbouwgronden van de planlocatie zijn niet verbonden met het (voormalig) bedrijf binnen het plangebied. De afstand vanuit de zijgevel van de woning tot deze landbouwgronden bedraagt ruim 7 meter. Het betreft één perceel: NDW00 N 70. Op dit perceel wordt sinds 2019 maïs geteeld. Ook in de jaren daarvoor werd er met uitzondering van 2018) jaarlijks maïs geteeld (bron: Boerenbunder.nl).
Wat betreft de ligging van dit perceel ten opzichte van het plangebied kan dit perceel het meeste drifteffect genereren op de woning aan de Leveroysedijk 2. Op dit perceel is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, gezien de teelthistorie van hoofdzakelijk maïsteelt, beperkt. Voor maïs geldt dat deze slechts éénmaal tijdens de groeiperiode wordt gespoten, als de planten nog zeer klein zijn, met neerwaarts gerichte toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de drift verder beperkt wordt.
Zoals al eerder is vermeld, streeft de gemeente Nederweert bij bestaande locaties naar maximale verbetering. Waar de afstand ontoereikend is moet deze worden afgeschermd met een haag van 2 meter.
Omdat ten opzicht tot perceel NDW00 N 70 (grond van derden) een afstand van 50 meter niet haalbaar is en dus ontoereikend is, wordt in de planlocatie aan de noordzijde voorzien in een haag van 2 meter. Aan de noordzijde van het plangebied wordt derhalve de aanduiding 'specifieke vorm van Wonen – landschapselement zone beperking gewasbeschermingsmiddelen'. De regels met betrekking tot deze zone zijn opgenomen onder de functieomschrijving wonen (artikel 8.2 sub h).
Binnen 50 meter vanaf het nieuwe vlak met de functie 'Wonen' zijn verder geen landbouwgronden in gebruik voor open teelten van bomen, boomgaarden of fruitteelt (teelten waar de frequente toepassing van gewasbeschermingsmiddelen relevant is). Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat dit grondgebruik gaat wijzigen.
Met bovenstaande motivering en beperking in de regels voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, kan gesteld worden dat onderhavig planvoornemen voldoende is afgewogen en daarmee aanvaardbaar word geacht ten aanzien van het aspect spuitzones. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel bezien dient te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van een planologische functiewijziging van een agrarische bedrijfslocatie met bedrijfswoning naar agrarische grond en een reguliere burgerwoning met een bijgebouw en tuin. In verband met het beëindigen van het agrarisch bedrijf moet er een bodemonderzoek worden uitgevoerd.
In mei 2026 is door M&A Bodem en Asbest BV uit Helenaveen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3.
In verband met de sanering van een veehouderij op een perceel aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een vooronderzoek volgens de NEN 5725 uitgevoerd. Na uitvoering van het vooronderzoek kon voor de voormalige. verharding de hypothese "verdachte locatie met een duidelijke plaatselijke kern van bodembelasting" worden gesteld. Voor een voormalige ondergrondse hbo-tank kon de hypothese 'verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO)' worden gesteld. Voor de voormalige drupzones van de 4 stallen wordt de hypothese "diffuus belast locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van de monsterneming" gesteld volgens NEN 5707 gesteld.
Met genoemde onderzoeksstrategieën werden 6 boringen verricht tot 0,5 m-mv op de locatie van de (voormalige) erfverharding. Hiervan zijn monsters van de bovengrond genomen. Bij de voormalige. ondergrondse tank is van de onderzijde van de tank een steekbusmonster genomen.
Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Ook andere afwijkingen in samenstelling, geur en / of kleur zijn niet geconstateerd. Vervolgens zijn twee mengmonsters samengesteld van de bovengrond.
Eerder is reeds een peilbuis geplaatst, waaruit watermonsters werden genomen. De grondwaterspiegel werd op ca. 2,80 meter minus maaiveld aangetroffen.
Na analyse van de grond- en grondwatermonsters bleek dat :
Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan dienen de hypothesen VEP, VEP-OO en VED-HE-NL te worden verworpen. Er zijn slechts lichte verhogingen geconstateerd bij de deellocaties.
De verhogingen met zware metalen in de bovengrond onder de verharding zijn te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de bovengrond onder de verharding toepasbaar is voor industrie. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit kwaliteit leefomgeving en het bodembeleid van de gemeente Nederweert.
In verband met het onderzoek asbest in de bodem zijn van de drupzones in totaal 15 gaten van 30x30 cm gemaakt tot 0,1 m-mv. Van de gaten zijn 5 mengmonsters samengesteld en deze zijn geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest in de drupzones lager is dan 2 mg/kg ds. Er zijn indicatief geen losse asbestvezels aangetroffen in de fijne fractie. Er is geen verder onderzoek noodzakelijk.Voor de PCB's in de drupzone wordt voldaan aan de kwaliteits-klasse landbouw / natuur of wonen.
Geconcludeerd wordt dat in verband met de sanering van de veehouderij op de locatie en de functiewijzigingen op de locatie, er geen belemmeringen gelden uit oogpunt van chemische bodemgesteldheid of asbest in de bodem.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren.
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.
Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
Sinds de nieuwe Keur van 1 april 2019 geldt geen ondergrens meer voor het aanvragen van een wateradvies. Alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen komen in aanmerking voor wateradvies.
Onderhavig plangebied is gelegen binnen de gemeente Nederweert en in het beheergebied van Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor de waterhuishouding en waterveiligheid binnen haar beheergebied. Sinds 1 april 2019 is de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg van kracht.
Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling fors af. Het uitvoeren van een watertoets is dus niet nodig en een wateradvies van het waterschap is eveneens niet noodzakelijk.
Ten aanzien van het afvoeren van het afval- en hemelwater van de bestaande en te handhaven woning binnen het onderhavige plangebied wijzigt niets. Het hemelwater van het nieuwe bijgebouw wordt afgevoerd naar een eigen sloot om aldaar te infiltreren.
Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect water geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.
Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:
In het Bkl worden activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:
Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd.
Met inachtneming van onderhavig planvoornemen staat vast dat niet wordt voorzien in het realiseren van nieuwe kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen en/of nieuwe risicoactiviteiten. Bij onderhavige planontwikkeling is namelijk sprake van een planologische functiewijziging van een agrarische bedrijfslocatie met bestaande bedrijfswoning naar agrarische grond en een reguliere burgerwoning met een bijgebouw en tuin. Uit raadpleging van de kaarten 'Veilige omgeving' in de 'Atlas leefomgeving' blijkt bovendien dat de locatie niet is gelegen in een aandachtsgebied en/of veiligheidszones/-contouren van risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes.
Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Een milieueffectrapportage (mer) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de mer is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).
De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. Bij voorliggende activiteit is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V. van het Omgevingsbesluit.
Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hiervan is sprake bij de volgende activiteit: “D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)”.
Gelet op het feit dat onderhavige ontwikkeling niet gepaard gaat met het realiseren van nieuwe woningen, enkel het doorvoeren van een planologische functiewijziging, is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De ontwikkeling betreft dan ook geen m.e.r. beoordelingsplichtige activiteit, zoals omschreven in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r..
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r.
In Hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit blijkt dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving, maar zelfs bijdraagt aan een verbetering van de fysieke leefomgeving. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden dus zeker niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
In het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' is een beschermingsregime voor het cultureel erfgoed opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorische elementen'. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen en het behoud en herstel van de Peelraamstelling met bijbehorende kazematten.
Ter plaatse van onderhavig plangebied aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorische elementen' niet van toepassing. Ter plekke zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
Ter bescherming van de archeologische elementen en terreinen is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' eveneens een beschermingsregime opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
Ter plaatse van onderhavig plangebied aan de Leveroysedijk 2 te Nederweert is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing.
De gemeenten Nederweert en Weert hebben op 22 september 2010 de Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Ter ondersteuning van het beleid is een onderzoek gedaan naar de archeologische waarden en verwachtingen binnen de twee gemeenten. Hieruit is de gemeentelijke archeologische beleidskaart opgesteld, die met de beleidsnota het fundament vormt voor het gemeentelijk archeologiebeleid. In 2017 is dit beleid geactualiseerd in de ‘Nota update beleidskaart archeologie gemeenten Nederweert-Weert 2017’, met bijbehorende bijlagen.
Op grond van het geactualiseerde gemeentelijke archeologiebeleid geldt ter plaatse van het plangebied overwegend de aanduiding ‘Categorie 5', ook ter plaatse van de bestaande woning en het nieuwe bijgebouw. Dit zijn gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze gebieden is sprake van een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm én een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m².
Voor een klein gedeelte in de noordwesthoek van het plangebied geldt de aanduiding ‘Categorie 4'. Voor dit kleine gebied geldt een hoge archeologische verwachting. Onderzoeksplicht geldt hier bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm én een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.
Ten behoeve van het planvoornemen is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet nodig. Er vinden overwegend alleen sloopwerkzaamheden plaats en het bijgebouw met een oppervlakte van ca. 216 m2 ligt ver onder de 2.500 m2 waarboven een onderzoekplicht geldt. Bij de sloopwerkzaamheden worden de bedrijfsgebouwen (incl. fundamenten) verwijderd en vervolgens waar nodig aangevuld met grond tot het huidige maaiveld. Er vinden, met uitzondering ter plaatse van het nieuwe bijgebouw, dus geen nieuwe bodemingrepen plaats die leiden tot verstoring van de bodem. Het nieuwe bijgebouw wordt bovendien gerealiseerd ter plaatse waar eerst een bedrijfsgebouw heeft gestaan en de bodem dus al verstoord is. Het bouwvlak wordt verkleind en daarmee vervallen nieuwe bebouwingsmogelijkheden buiten het nieuwe bouwvlak. De functie 'Waarde - Archeologie' blijft binnen het gehele plangebied van toepassing.
Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect cultureel erfgoed geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen dier- en plantensoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Met de deelname aan de beëindigingsregeling veehouderijen (MGA 1e tranche) en de daaruit voortvloeiende verplichting om de planologische bestemming zodanig te wijzigen dat binnen het plangebied geen veehouderijactiviteiten meer kunnen plaatsvinden, zijn de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de Leveroysedijk 2 te Nederweert beëindigd en is bedrijfsbebouwing geheel gesloopt. Het plan voorziet verder in het omvormen van de bestaande bedrijfswoning naar een regulier woning met een nieuw bijgebouw. Aangezien de bedrijfsgebouwen zijn gesloopt, het plangebied altijd intensief in gebruik is geweest en het nieuwe bijgebouw is gerealiseerd ter plaatse waar eerst een bedrijfsgebouw heeft gestaan, is het dan ook niet te verwachten dat er beschermde planten- of diersoorten binnen het plangebied voorkomen. Een onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Derhalve wordt geconcludeerd dat het planvoornemen geen negatieve gevolgen heeft op het aspect soortenbescherming.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Natura 2000
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).
Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft 'Sarsven en de Banen' Dit Natura-2000 gebied ligt op ca. 110 meter ten westen van onderhavig plangebied.
Omdat stikstofemissie mogelijk een effect kan veroorzaken op Natura-2000 gebieden, dient getoetst te worden of voor het planvoornemen mogelijk omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit nodig is.
Op 17 november 2016 is voor het bedrijf aan de Leveroysedijk 2 een vergunning Artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998, zaaknummer 2016-600424 en kenmerk 2016/91286 , verleend. Op basis van de huidige emissiefactoren zoals opgenomen in bijlage V en VI van de Omgevingswet, heeft deze vergunning betrekking op de emissie van 10.200 kg NH3/jaar.
Met onderhavig planvoornemen worden alle bedrijfsactiviteiten binnen het bedrijf beëindigd, de bestaande bedrijfsbebouwing en verhardingen (m.u.v. de verharding t.b.v. de woning en het bijgebouw) gesloopt en de bestaande bedrijfswoning omgevormd tot burgerwoning. De vergunning Artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998, zaaknummer 2016-600424 en kenmerk 2016/91286 is ten behoeve van de deelname aan de beëindigingsregeling veehouderijen (MGA 1e tranche) gedeeltelijk ingetrokken (Besluit GS Limburg 25-10-2023).Na de gedeeltelijke intrekking van de op 17 november 2016 verleende natuurvergunning, resteert voor de locatie aan Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind nog 20 kg NH3/jaar ten behoeve van de realisatie en het gebruik van het nieuwe bijgebouw. Ook de omgevingsvergunning - milieu is ingetrokken (Besluit B&W gemeente Nederweert 4 -10-2023). Hiermee is een totale emissie van 10.180 kg NH3/jaar komen te vervallen en daarmee ook de depositie op vele Natura 2000-gebieden.
Wat betreft de sloopfase, herinrichting van de locatie, het gebruik van de woning en de realisatie van het nieuwe bijgebouw, kan dan ook met zekerheid gesteld worden dat dit binnen de aanwezige stikstofruimte mogelijk is en zeker niet zal leiden tot een depositietoename in de Natura 2000-gebieden.
Geconcludeerd mag worden dat zowel in de sloopfase, de herinrichting van de locatie als in de gebruiksfase, negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, ten gevolge van NOx- en NH3-emissies, uitgesloten kunnen worden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is derhalve niet nodig.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.
In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.
Zoals weergegeven in onderstaande figuur is onderhavig plangebied niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. De milieukundige effecten zijn in voorgaande paragraven behandeld. Onderhavig planvoornemen heeft geen gevolgen op het Natuurnetwerk Nederland.
Uitsnede website www.atlasleefomgeving.nl met aanduiding plangebied t.o.v. NNN.
Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect Natuur geen sprake van een belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Het voornemen is gericht op het omvormen van een agrarische bedrijf met bedrijfswoning tot een locatie met 1 reguliere woning met een bijgebouw en tuin. In verband met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten is ook het aantal bezoekers, het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten vervallen. Met voorliggend plan worden ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is derhalve geen sprake van extra verkeersbewegingen of een toename van de parkeerbehoefte. Ten behoeve van de reguliere woning blijft voldoende parkeerruimte aanwezig op eigen terrein om te voldoen aan de parkeerbehoefte.
Ook aan de ontsluiting en wegstructuur hoeft ten behoeve van het planvoornemen derhalve niets te worden gewijzigd.
Het aspect wegen, verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.
Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen.
Met onderhavig planvoornemen worden alle bedrijfsactiviteiten binnen het bedrijf beëindigd, nieuwe bedrijfsactiviteiten uitgesloten, de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en de bestaande bedrijfswoning omgevormd tot burgerwoning met daarbij nog een nieuw bijgebouw. Aan de bestaande woning wijzigt hierbij niets. Het verdwijnen van de bedrijfsactiviteiten betekent naast het verdwijnen van NH3- en NO2-emissie o.a. ook het wegvallen van verwarmingsbronnen op fossiele brandstof, het wegvallen van zwaar verkeer (transport dieren, mest en veevoer), minder productie veevoer, e.d., dus minder CO2 uitstoot en daarmee draagt het dus ook een positief steentje bij aan het klimaat. Het aspect duurzaamheid speelt in deze verder nog een rol bij het bijgebouw. Dit gebouw wordt gerealiseerd met duurzame materialen en het hemelwater wordt geïnfiltreerd in eigen bodem. Het bijgebouw wordt niet gebruikt als een verblijfsruimte waardoor duurzaamheidseisen t.a.v. isolatie en energie minder relevant zijn. Er is sprake van een duurzame ontwikkeling omdat een bestaand object (bedrijfswoning) een passende toekomstbestendige invulling (burgerwoning) krijgt.
Een TAM-omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in de Standaard officiële publicaties (STOP) kan opstellen. Het TAM-omgevingsplan wordt later ondergebracht in de STOP. Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.
Een TAM-omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TPOD (TPOD= Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten)) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.
Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Nederweert van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Nederweert. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert'.
Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen.
De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken, namelijk 'Algemene bepalingen' (hoofdstuk 1), 'Functies en activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.
Algemene bepalingen (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten de algemene begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen.
Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
Agrarisch
Bij voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Agrarisch ' vastgelegd. Hiermee is vastgelegd dat ter plaatse agrarisch grondgebruik nog is toegestaan en dat er geen agrarische bedrijven met landbouwhuisdieren meer zijn toegestaan.
Wonen
Bij voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Wonen' vastgelegd. Hiermee is vastgelegd dat ter plaatse een reguliere woning is toegestaan welke bewoond mag worden door burgers.
Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden
In voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden' opgenomen om een kader te bieden voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in het natuurgebied Sarsven en De Banen.
Waarde – Archeologie
In voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Waarde - Archeologie' opgenomen om een kader te bieden voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen.
Algemene regels (hoofdstuk 3)
De algemene regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn algemene gebruiksactiviteiten opgenomen evenals een uiteenzetting van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarmee kan worden afgeweken van deze algemene gebruiksactiviteiten. Bovendien zijn kwaliteitsregels opgenomen in onderhavig hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan waarin is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen gepaard dienen te gaan met kwaliteitsverbetering. Tot slot zijn in artikel 13 van de regels 'overige regels' opgenomen waarin onder andere de ter plaatse geldende aanduidingen zijn vastgelegd.
Overgangsregels (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.
Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Daarbij heeft initiatiefnemer gesproken met de buren in de naaste omgeving, zijnde de bewoners van Kruisstraat xxx, xxx en xxx en Leveroysedijk x en x. Het verslag van de omgevingsdialoog is bekend bij de gemeente Nederweert.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:
1. Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
2. Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)
Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op een planologische functiewijziging van een agrarische bedrijfslocatie met bedrijfswoning naar agrarische grond en een reguliere burgerwoning met een bijgebouw. De vergunningen (milieu en Wet natuurbescherming) zijn ingetrokken, de sloopwerkzaamheden van de bedrijfsgebouwen en verharding, met uitzondering van de verharding voor de woning en het bijgebouw, zijn zijn in volle gang. De woning blijft onveranderd in gebruik en omgevormd tot een reguliere burgerwoning. Bij onderhavige ontwikkeling ontstaan derhalve geen verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
In het kader van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
In het kader van nadeelcompensatie is tussen de gemeente Nederweert en initiatiefnemer een schadevergoedingsovereenkomst afgesloten.
In het kader van onderhavig TAM-omgevingsplan worden er door de gemeente Nederweert ook leges in rekening gebracht.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.