direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.TAMHfd22ILvrdijk2-VA01

Regels

Preambule:

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Leveroysedijk 2 te Nederweert-Eind en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22I]) opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven, deel van het Omgevingsplan (hierna: 'dit deel') weergegeven hoofdstukken, moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22I] van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22I]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22I]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.TAMHfd22ILvrdijk2-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/. 

Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 plan:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind.

3.2 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.3 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.4 aan huis gebonden bedrijf:

een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.5 aan huis gebonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

3.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.7 bebouwingsconcentratie

bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.

3.8 bedrijfswoning:

een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie noodzakelijk is.

3.9 bedrijfsgebouw

een voor de bedrijfsvoering te gebruiken bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.10 bestaand:

zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind.

3.11 bijgebouw:

een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.

3.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.13 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

3.14 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.15 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

3.16 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.17 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

3.18 burgerwoning:

een reguliere woning, niet zijnde een bedrijfswoning.

3.19 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.20 functiegrens

de grens van een functievlak.

3.21 functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

3.22 gebiedseigen functie:

functie die thuishoort in een specifiek gebied.

3.23 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.24 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

3.25 kampeermiddel:
  • a. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is;

één en ander voorzover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Stacaravans worden hiertoe niet gerekend.

3.26 landschapselement:

punt-, lijn- en vlakelementen met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.

3.27 nieuwvestiging:

het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.

3.28 omgevingsplan:

Het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert.

3.29 peil:

voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:

de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

in andere gevallen:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

3.30 spuitvrije zone

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid (aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zone beperking gewasbeschermingsmiddelen'), waar ter voorkoming van gezondheidsrisico's ten gevolge van drift door gewasbeschermingsmiddelen en het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan, met uitzondering van incidentele handmatige pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde spuitdop uitsluitend ten behoeve van onkruidbestrijding.

3.31 straalpad

een voorziening voor het transport van signalen via de ether tussen zender en ontvanger voor bijvoorbeeld radio en TV.

3.32 verbeelding

de verbeelding behorend bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind.

3.33 voorgevelrooilijn:

een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.

3.34 woning:

een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

Voor de meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het zevende lid.

  • 1. De dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • 2. De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • 3. De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
  • 4. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • 5. De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • 6. De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
  • 7. De 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtstbijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
  • c. behoud van de landschapselementen, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 1 Kaart Landschapselementen
  • d. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • f. een straalpad, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding vrijwaringszone straalpad;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind'
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zone beperkingen gewasbeschermingsmiddelen' een spuitvrije zone.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

7.3.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan aan de functie worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden:

  • a. Toegestaan zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het agrarisch grondgebruik met een maximale hoogte van 5 m en een maximale oppervlakte van 100 m2, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m² per bouwwerk;
  • b. Nieuwvestiging van inrichtingen ex artikel 2.4 IVbM (lawaaisportterreinen) is niet toegestaan.
7.4 Maatwerkvoorschriften
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    • 1. bebouwing;
    • 2. verhardingen;
  • b. Deze maatwerkvoorschriften kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
    • 1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    • 2. stedenbouwkundige kwaliteit;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de verkeersveiligheid;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 7. de sociale veiligheid;
    • 8. de externe veiligheid;
    • 9. de hemelwaterproblematiek.
7.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in artikel 7.3.1 en het oprichten van een schuilgelegenheid, niet zijnde een stal, ten behoeve van het hobbymatig houden van vee, toe te staan tot een maximum van 25 m², onder de voorwaarden dat:
    • 1. de oprichting van schuilgelegenheden enkel is toegestaan in halfopen of besloten landschappen;
    • 2. de schuilgelegenheid minimaal één volledig open zijde heeft, en maximaal 3 wanden;
    • 3. maximaal één schuilgelegenheid per perceel wordt opgericht;
    • 4. de schuilgelegenheid met een kap van minimaal 12 graden wordt afgedekt;
    • 5. de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte van 3 m heeft, en een maximale goothoogte van 2,5 m;
    • 6. sprake moet zijn van een landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid;
    • 7. ook een schuilgelegenheid bestaande uit bomen en/of struiken in het weiland wordt aangeplant en in stand gehouden;
    • 8. de afstand tussen de schuilgelegenheid en een woning van derden bedraagt minimaal 50 m.
7.6 Specifieke functieregels voor gebruik
7.6.1 Algemeen

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 7.1, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  • c. het gebruik van gronden voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels onder 8.3.1 onder b punt 4;
  • d. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  • e. het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten;
  • f. het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking of -verwerking;
  • g. het gebruik van bebouwing voor de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten.
7.6.2 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het gebruiken van de gronden en bouwwerken conform artikel 7.2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind', uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en duurzaam in stand worden gehouden.
7.6.3 Specifiek strijdig gebruik van gronden in verband met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
  • a. onder gebruik in strijd met dit plan wordt verstaan het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - beperking gewasbeschermingsmiddelen', met uitzondering van incidentele handmatige pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde spuitdop uitsluitend ten behoeve van onkruidbestrijding.
  • b. als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt het gebruik van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - beperking gewasbeschermingsmiddelen' voor fruitteelt, open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen in de vorm van een woning;
  • b. de uitoefening van een aan huis gronden beroep of bedrijf, overeenkomstig de bepalingen uit artikel 8.3.1

met de daarbij behorende:

  • c. tuinen, erven en verhardingen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. overige bijbehorende voorzieningen;
  • h. een groenblijvende/bladhoudende haag van 2 meter ten behoeve van de afscherming van het gebied in verband met de beperking van gewasbeschermingsmiddelen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landschapselement zone beperking gewasbeschermingsmiddelen';
  • i. landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind'.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

8.3.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de functie, met dien verstande dat:

  • a. binnen het bouwvlak uitsluitend een woning, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd;
  • b. binnen het bouwvlak maximaal één woning is toegestaan.
8.3.2 Bouwwerken

Voor de bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak op de voor 'Wonen' aangewezen gronden gelden de volgende regels:

  • 1. woningen, inclusief bijgebouwen:
    dakhelling   min. 12°, deze eis geldt niet voor bijgebouwen  
    inhoud (woning, inclusief bijgebouwen)   maximaal 1.400 m³  
    afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woning én bijgebouwen   min. 5 m.  
    afstand tot hart van de weg   min. 30 m. bij gebiedsontsluitingswegen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13.1.1;
    min. 15 m. bij erftoegangs- en onverharde wegen  
    goothoogte vrijstaande bijgebouwen   max. 3,20 m.  
    bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen   max. 5,50 m.  
    afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwen   max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel  
  • 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen een afstand van maximaal 50 m. achter de voorgevelrooilijn:
    bouwhoogte erfafscheidingen   max. 2 m.; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m.  
    bouwhoogte en oppervlakte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
     
    bouwhoogte max. 6 m.
    oppervlakte max. 30 m2  
  • 3. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan;
  • 4. vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatsvindt op de bestaande fundamenten;
8.4 Maatwerkvoorschriften
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    • 1. bebouwing;
    • 2. verhardingen;
  • b. Deze nadere regels kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
    • 1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    • 2. stedenbouwkundige kwaliteit;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de verkeersveiligheid;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 7. de sociale veiligheid;
    • 8. de externe veiligheid;
    • 9. de hemelwaterproblematiek.
8.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging
8.5.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in 8.3.2 en het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toe te staan, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
    • 2. de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3,00 meter bedraagt;
    • 3. aangetoond wordt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omwonenden;
    • 4. aangetoond wordt dat de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 5. aangetoond wordt dat geen sprake is van een beperking van omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 6. een nadeelcompensatieovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan.
  • b. het bepaalde in 8.6 onder g en het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg, toe te staan onder de voorwaarden dat:
    • 1. sprake is van een mantelzorgindicatie;
    • 2. de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
    • 3. sprake is van een ondergeschikte functie bij de woning;
    • 4. er geen tweede woning mag ontstaan;
    • 5. er geen (extra) hinder of belemmering mag worden veroorzaakt voor omliggende (agrarische) bedrijven of woningen;
    • 6. het gebruik wordt beëindigd zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
  • c. het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
    • 1. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
    • 2. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
    • 3. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
    • 4. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
8.5.2 Aanvullend afwegingskader

Een omgevingsvergunning voor de in 8.5.1 genoemde specifieke beoordelingsregels met nadere afweging kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de externe veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.6 Specifieke functieregels voor gebruik
8.6.1 Algemeen

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 8.2, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie;
  • b. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
  • c. het opslaan van oude metalen, schroot, lompen, papier, puin of vuilnis;
  • d. het opslaan van rij- en voertuigen, die voor de sloop bestemd zijn, of reeds gedeeltelijk gesloopt zijn of daaruit reeds gesloopte materialen;
  • e. het gebruik van ruimtes binnen de woning en bijgebouwen voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
  • f. activiteiten die de parkeerbalans in de directe omgeving negatief beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  • g. het gebruik van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  • h. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
  • i. het gebruik van gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  • j. het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten;
  • k. het gebruik van gronden en opstallen mestbewerking of -verwerking;
  • l. het gebruiken van bebouwing voor de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten;
  • m. het gebruik van gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  • n. het gebruik van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voortuin' anders dan uitsluitend voor aanplant- en onderhoudswerkzaamheden van de voortuin;
  • o. het uitoefenen van een beroep/bedrijf aan huis, anders dan zoals opgenomen in de bepalingen in 8.3.1.
8.6.2 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het gebruiken van de gronden en bouwwerken conform artikel 8.2 is uitsluitend toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze planregels en aangeduid ter plaatse van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind', uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan zijn uitgevoerd en duurzaam in stand worden gehouden.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.

9.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie' aangewezen locatie dient voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Nederweert gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

Op de tot 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:

  • a. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter ten opzicht van het maaiveld;
  • b. de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 2.500 m2;
  • c. bouwwerken ten dienste van de in lid 9.2 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende functie, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
9.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'Waarde - Archeologie', zulks ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.

9.5 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging

Het bevoegd gezag verleent voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsvergunning en staat toe dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s) mits:

  • a. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
  • b. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodige zeker is gesteld.

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de afwijking de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.6.1 Algemeen

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 2.500 m2 of meer:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 meter.
9.6.2 Uitzondering op verbod

Het in 9.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • b. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind;
  • c. het normaal onderhoud en beheer betreffen.
9.6.3 Afwegingskader

Een in 8.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
  • b. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.

Artikel 10 Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Bufferzone hydrologische gevoelige gebieden'.

10.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Bufferzone hydrologische gevoelige gebieden' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsen/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.

10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het Omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

10.3.1 Algemeen

Op de voor 'Waarde - Bufferzone hydrologische gevoelige gebieden' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:

  • a. bouwprojecten met een grondbeslag van niet meer dan 100 m2;
  • b. activiteiten waarvoor geen of een lichte omgevingsvergunning vereist is;
  • c. bouwprojecten waarvoor een reguliere omgevingsvergunning is verleend en waarvoor advies is ingewonnen bij het Waterschap Peel en Maasvallei;
  • d. binnen de op de aangegeven bouwvlakken.
10.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging

Het bevoegd gezag verleent voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsvergunning en staat toe dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen functie(s), mits daartegen uit hoofde van de bescherming van de natte milieuomstandigheden in de in lid 10.2 genoemde natuurgebieden geen bezwaar bestaat, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.

10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het diepploegen of diepwoelen dieper dan 30 cm;
  • c. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk;
  • d. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • e. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van waterlopen.
10.5.2 Uitzonderingen op het verbod

Het in lid 10.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. ten dienste van de in lid 10.3.1 genoemde (bouw)werkzaamheden;
  • d. binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
10.5.3 Afwegingskader

Een in lid 10.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen bezwaar of nadeel ontstaat voor de bescherming van de natte milieuomstandigheden, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.

10.5.4 Strafbepaling

Overtreding van het verbod in lid 10.5.1 is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Kwaliteitsregels

12.1 Algemeen

Het TAM-omgevingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.

De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied; voor zover het betreft:

  • ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
  • een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
  • het toevoegen van nevenactiviteiten.
12.2 Ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage
12.2.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit plan opgenomen vergunningplicht voor het afwijken onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.

12.2.2 Agrarisch

Ter plaatse van de functie 'Agrarisch' is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit. Deze doelstelling kan worden bereikt door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:

  • a. er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
  • b. versterking omliggende openbare ruimte;
  • c. realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
  • d. behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
  • e. vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
  • f. inpassende beplanting.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
13.1.1 Algemeen

Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van:

  • a. 30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen;
  • b. 15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen;
13.2 milieuzone - boringsvrije zone

Ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.

13.3 vrijwaringszone - straalpad

Binnen de op de verbeelding aangeduide 'vrijwaringszone - straalpad' is het verboden hoger te bouwen dan 56 meter.

Artikel 14 Verhouding tussen functies

Waar meerdere functies samenvallen, gelden:

  • a. in de eerste plaats de regels van de functie 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden'.
  • b. in de tweede plaats de regels van de functie 'Waarde - Archeologie'.

Artikel 15 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
16.1.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 16.1.1 met maximaal 10%.

16.1.3 Uitzondering op overgangsrecht bouwwerken

Lid 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

16.2 Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Algemeen

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

16.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22I Leveroysedijk 2 Nederweert-Eind strijdig gebruik, bedoeld in lid 16.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

16.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 16.2.1 na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

16.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in lid 16.2.1 is niet van toepassing op

  • a. het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende Omgevingsplan gemeente Nederweert, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • b. het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zone gewasbeschermingsmiddelen'.