| Plan: | Woningbouw Onze Lieve Vrouwestraat Ospel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.BPOLVstraat18-VA01 |
Aan de Onze Lieve Vrouwestraat in de kern Ospel is het voormalige bedrijfsperceel van Van den Boom aanwezig. Dit landbouwmechanisatiebedrijf is niet meer in gebruik. Met het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van het landbouwmechanisatiebedrijf ter plaatse is ruimte ontstaan om aan dit bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen een nieuw invulling te geven.
Het planvoornemen ziet dan ook op herstructuring van dit voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van de bestaande woning aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat. Verder wordt op termijn voorzien in een woningsplitsing (2 woningen) van de voormalige bedrijfswoning ter plaatse van Onze Lieve Vrouwstraat 18. Hiermee komt het totaal aantal woningen op 23 stuks.
Het herbestemmen van de bestaande woning en het realiseren van woningbouw op de beoogde locatie is op grond van de ter plaatse geldende beheersverordening 'Ospel 2014' niet toegestaan. Om dit planvoornemen mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk, aangezien de beheersverordening conserverend is en geen ontwikkelingen mogelijk maakt. De woningsplitsing van nummer 18 maakt hiervan geen onderdeel uit. Deze wordt alleen benoemd in verband met het maximum aantal van 23 woningen. Op een later moment zal hiervoor de planologische procedure worden doorlopen.
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing c.q. verantwoording ten behoeve van de herziening, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen onder andere:
Naast deze toelichting omvat dit bestemmingsplan regels en een verbeelding.
Het plangebied is gelegen in de kern Ospel, behorende tot de gemeente Nederweert, tussen de Onze Lieve Vrouwestraat en Pastoor Vullersstraat. Het betreft grotendeels de gronden behorende tot het voormalige landbouwmechanisatiebedrijf gevestigd aan de Onze Lieve Vrouwestraat, in combinatie met enkele belendende percelen.
De gronden zijn kadastraal bekend als gemeente Nederweert, sectie L, perceelnummers 2230, 3190, 3339, 3343 (gedeeltelijk) en 3345. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.400 m2.
Ligging van het plangebied in de kern Ospel
Het plangebied wordt begrensd door de Onze Lieve Vrouwestraat in het noorden en de Pastoor Vullersstraat in het zuiden. De oostelijke en westelijke begrenzing van het plangebied worden gevormd door de perceelsgrenzen met de belendende woonpercelen aan de Onze Lieve Vrouwestraat (nummers 12-14-16 en 22) en Pastoor Vullersstraat (nummers 47 en 55).
Ter plaatse van het plangebied vigeert de beheersverordening 'Ospel 2014', vastgesteld door de gemeenteraad op 3 juni 2014.
Vigerende beheersverordening 'Ospel 2014'
Binnen het plangebied vigeren meerdere besluitvlakken. Aan het voormalige bedrijfsperceel Onze Lieve Vrouwestraat is het besluitvlak 'Bedrijf' toegekend. De gronden zijn daarmee bestemd voor:
Aan het onderhavige bedrijfsperceel is tevens de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf' opgenomen. Daarmee kan op het bedrijfsperceel specifiek een landbouwmechanisatiebedrijf worden geëxploiteerd. Bij het bedrijf is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', met een maximale inhoud van 750 m3 en goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter. De bedrijfsgebouwen dienen binnen het daarvoor aangewezen bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden, de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mogen respectievelijk 6 en 13 meter bedragen.
Het pand op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 20 maakt ook onderdeel uit van het plangebied. Op dit pand rust het besluitvlak 'Centrum'. Binnen dit besluitvlak zijn meerdere functies toegestaan, te weten: detailhandel en horeca van categorie 1 en 2 voor zover gelegen op de begane grond, maatschappelijk, dienstverlening en wonen.
Tevens wordt een strook grond (percelen 3190 en 3339) ten oosten van het bedrijfsperceel bij het plangebied betrokken. Deze grond valt reeds in het besluitvlak 'Wonen'. Op deze grond mogen bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Over het plangebied liggen de besluitvlakken 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Deze aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Voor het bouwen binnen het besluitvlak 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter een archeologisch onderzoeksrapport moet worden overlegd. Voor het bouwen binnen het besluitvlak 'Waarde - Archeologie 3' betreft dit een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter.
Het planvoornemen betreft het saneren van de bedrijfsfunctie, het realiseren van maximaal 17 nieuwe woningen met een eigen ontsluitingsweg en het herbestemmen' van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 20, zodat ter plaatse 4 appartementen worden toegestaan. De woningsplitsing van nummer 18 naar 2 woningen maakt zoals in de inleiding aangegeven geen onderdeel uit van deze bestemmingsplanherziening. Het aantal van 2 woningen is alleen relevant voor het totaal aantal woningen, zijnde 23 woningen.
Het realiseren van woningbouw is op grond van de beheersverordening 'Ospel 2014' niet mogelijk. Om het beoogde bouwplan te kunnen realiseren is een herziening middels een postzegelbestemmingsplan noodzakelijk omdat de vigerende beheersverordening nieuwe ontwikkelingen in de vorm van woningbouw niet mogelijk maakt.
In deze toelichting wordt de herziening van het bestemmingsplan onderbouwd en worden de mogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan gaat bieden, afgewogen. In de regels wordt een gedetailleerde regeling van de nieuwe bestemmingen gegeven en wordt duidelijk wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied zijn. De verbeelding (plankaart) betreft een visuele weergave hiervan.
Het bestemmingsplan is opgezet conform de eisen die de Wro en de gemeente Nederweert daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012 en de plansystematiek van de beheersverordening, de verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst een beschrijving van de huidige situatie en het planvoornemen gegeven in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. De wateraspecten in de vorm van een waterparagraaf zijn aangegeven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe het planvoornemen is verwoord in de planregels (juridische planopzet). Tot slot wordt in hoofdstuk 7 en 8 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen en de procedure.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgeving van het plangebied en het planvoornemen binnen het plangebied zelf.
De kern Ospel is van oudsher gegroeid langs oude linten, waarvan de verbindingsweg van Nederweert naar Meijel de belangrijkste is (Klaarstraat - Onze Lieve Vrouwestraat - Lochtstraat). De historische structuur is in Ospel grotendeels behouden. De voorzieningen in Ospel liggen vooral rondom het Aerthijsplein en aan de Onze Lieve Vrouwestraat.
Het plangebied ligt ook aan de Onze Lieve Vrouwestraat, net ten zuidwesten van het Aerthijsplein. Het gaat daarbij om het voormalige bedrijfsperceel dat naar het zuiden doorloopt tot aan de Pastoor Vullersstraat en het pand met huisnummer 20.
Luchtfoto huidige situatie plangebied
De bedrijfsgebouwen zijn centraal op het perceel gesitueerd. Het bebouwd oppervlak bedraagt circa 2.990 m2.
Het bedrijfsperceel is aan twee zijden toegankelijk. De hoofdingang is gelegen aan de Onze Lieve Vrouwestraat, waar tevens de winkel (nr. 20) is gelegen. Via een inrit tussen de panden door is de achterliggende bedrijfsbebouwing te bereiken, waar klanten eveneens kunnen parkeren.
Foto toegang Onze Lieve Vrouwestraat
Via de toegang aan de Pastoor Vullersstraat is de bedrijfsbebouwing aan de zuidzijde te bereiken. Hier is ook het parkeerterrein voor de werknemers gelegen. Het perceel is omheind met hekwerken.
Foto toegang Pastoor Vullersstraat
Met het voorliggende planvoornemen is beoogd een nieuwe invulling te geven aan het voormalige bedrijfsperceel van Van den Boom landbouwmechanisatie, in combinatie met enkele belendende percelen. De planontwikkeling is hoofdzakelijk gericht op het realiseren van woningbouw. De aanwezige bedrijfsgebouwen, met een oppervlakte van ongeveer 2.990 m2, worden gesloopt. Het pand aan Onze Lieve Vrouwestraat 20 blijft gehandhaafd en wordt herbestemd. Dit pand wordt verbouwd tot 4 appartementen in aansluiting op de naastgelegen appartementen.
Beoogde planontwikkeling
Met het herstructureren van de gronden in het plangebied ontstaat ruimte om een kleine woonstraat te ontwikkelen rondom een cul-de-sac. De toegangsweg sluit aan op de Pastoor Vullersstraat. Er zal geen directe verkeersverbinding met de Onze Lieve Vrouwestraat zijn.
Binnen het plangebied worden maximaal 17 nieuwe grondgebonden woningen gerealiseerd. Een gedifferentieerde woningtypologie wordt daarbij toegestaan, variërend van vrijstaande, geschakeld vrijstaande, twee-aaneen gebouwde woningen en patiowoningen (welke passen binnen de gestelde bouwregels).
Twee van de nieuw te realiseren woningen worden naast de toegangsweg gesitueerd met de oriëntatie op de Pastoor Vullersstraat. In het westelijk deel van het plangebied is ruimte voor het realiseren van 3 ruime vrijstaande woningen of 4 twee-aaneen gebouwde woning. Aan de oostzijde van de nieuwe ontsluitingsweg kunnen in totaal maximaal 11 vrijstaande, twee- aaneengebouwde of patiowoningen (passend binnen de gestelde bouwregels) gerealiseerd worden.
De woningen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak en dienen te voldoen aan de maximale maatvoeringen voortkomend uit de beheersverordening 'Ospel 2014'. Dit betekent dat de woningen een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter mogen hebben. De voorgevel van de woning dient een minimale breedte van respectievelijk 5,50 meter bij halfvrijstaande woningen en 6,00 meter bij vrijstaande woningen te hebben. Tevens dient de voorgevel van de woning te worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens. De woningen mogen plat of met een kap van maximaal 60° afgedekt worden. Binnen de zone voor bijgebouwen (aanduiding 'bijgebouwen' op de verbeelding) mogen bijgebouwen worden gebouwd met een oppervlak van maximaal 75 m2 met dien verstande dat deze gronden voor maximaal 40% bebouwd mogen worden. Deze mogen zowel met een kap als plat worden afgedekt.
Planologisch wordt het mogelijk gemaakt om zowel vrijstaande, geschakeld vrijstaande, twee-aaneen gebouwde of patiowoningen (welke passen binnen de gestelde bouwregels) op het perceel te bouwen. Aaneengebouwde woningen en ruimere mogelijkheden voor patiowoningen zijn niet rechtstreeks mogelijk maar worden door middelen van afwijking mogelijk gemaakt.
Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling wordt in het bestemmingsplan voorzien in een ontsluitingsweg die aansluit op de Pastoor Vullersstraat. Via de Pastoor Vullersstraat is in oostelijke richting via de straat Lemmenhoek het centrumgebied van Ospel te bereiken. In westelijke richting kan via de Hennesweg de doorgaande weg (Onze Lieve Vrouwestraat) bereikt worden. In zuidelijke richting loopt de Hennesweg het buitengebied in.
Doorsneden ontsluitingsweg vanuit de Pastoor Vullerstraat
Voor het perceel aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 geldt dat de bestaande ontsluiting op voornoemde weg gehandhaafd blijft. Via de bestaande insteek tussen de twee percelen is het achterterrein met de parkeerplaatsen voor de appartementen bereikbaar.
Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Dit betekent dat bij de nieuwe woningen dient te worden uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per woning (parkeerkengetallen uit CROW 2012). Uitgaande van in totaal 21 woningen moet binnen het plangebied in 32 parkeerplaatsen worden voorzien. Er worden 6 parkeerplaatsen op het achterterrein van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 20 gerealiseerd voor de 4 appartementen. Voor de grondgebonden woningen worden 8 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Tevens wordt iedere woning voorzien van een parkeerplaats op eigen terrein. Het totaal aantal parkeerplaatsen komt hiermee op 31 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er in het bestaande straatprofiel voor de panden aan de Onze Lieve Vrouwestraat 18 en 20 nog 2 parkeerplaatsen beschikbaar. Er wordt daarmee dan ook in voldoende mate in de parkeerbehoefte voorzien.
Indien aaneengebouwde woningen door middel van de opgenomen afwijking mogelijk worden gemaakt dient in voldoende mate te worden voorzien in de noodzakelijke parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen dienen in de openbare ruimte (binnen de verkeersbestemming) gestitueerd te worden. Parkeren in de voortuinen van aaneengebouwde woningen is niet gewenst gezien de negatieve uitwerking op het straatbeeld. Indien patiowoningen gerealiseerd worden is parkeren voor de voorgevellijn toegestaan op de plaats waar logischerwijs een inrit ligt voor een eventuele garage. dis is dus niet in de gehele tuin voor de woning.
De privacy en bezonning van het planvoornemen wordt in voldoende mate gewaardborgd door de ruime woonkavels. De hoofdbebouwing (zijnde de woning) wordt op voldoende afstand (minimaal 3 meter) van de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd. Tevens ontstaat door de herontwikkeling ter plaatse een reguliere woonsituatie waarbij de richtlijnen voor privacy en bezonning in acht zijn genomen.
Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze nieuwe structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:
Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt om een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.
De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:
Het Rijk benoemt voorts 13 nationale belangen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.
Het planvoornemen ziet dan ook op herstructuring van dit voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat.
Gezien de aard en omvang van deze ontwikkeling heeft het planvoornemen geen invloed op de gestelde doelen van het Rijk en bovendien voorziet de SVIR niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.
De SVIR (zie paragraaf 3.2.1) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Aangezien de SVIR niet van invloed is op het planvoornemen, heeft ook het Barro geen gevolgen voor de realisatie van het planvoornemen.
Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden met als doel het ontwikkelen en in stand houden van soorten en ecosystemen die belangrijk zijn voor Europa. Deze gebieden zijn aangewezen op basis van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het beleid houdt echter niet bij de landsgrenzen op, vogels en planten trekken zich immers niets aan van landsgrenzen.
Er zijn drie thema's die centraal staan bij Natura 2000, te weten beleven, gebruiken en beschermen.
Het ministerie van Landbouw Natuur en Visserij neemt hierin in het voortouw, door Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Bij het aanwijzen van een gebied wordt op basis van enkel ecologische argumenten bepaald welke natuurwaarden op welke locatie geholpen moeten worden en welke doelstellingen daarbij behaald moeten worden.
Natura 2000-gebieden die (in ontwerp) zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en/of Habitatrichtlijn kennen een bescherming op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. De habitattoets als opgenomen in artikel 19j Nbw dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Daarvoor moet er zekerheid zijn dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast en dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten uitblijft.
Onderhavig plangebied ligt op een afstand van circa 2,3 en 3,4 kilometer van de meeste nabij gelegen Natura 2000-gebieden 'Sarsven en de Banen' en 'Groote Peel'. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling binnen de kern van Ospel en de afstand tot de gebieden 'Sarsven en de Banen' en 'Groote Peel' kan redelijkerwijs worden gesteld dat de bouw van 4 appartementen en 17 grondgebonden woningen binnen het bebouwde gebied van de kern Ospel geen (significant) negatieve gevolgen zal hebben voor de gebieden Sarsven en de Banen en Groote Peel. Ook zijn er geen natuurwaarden in het geding aangezien binnen het plangebied geen of maar zeer beperkt beplanting aanwezig is.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en overprogrammering worden voorkomen. Door middel van de 'ladder van duurzame verstedelijking' (kortweg: duurzaamheidsladder) vindt een toetsing plaats. De ladder bestaat uit drie treden:
Uit de redactie van artikel 6.1.2, lid 2 Bro blijkt dat de ladder slechts van toepassing is op ruimtelijke besluiten die een 'stedelijke ontwikkeling' mogelijk maken. Dit begrip is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie van 1 woning (AbRvS 14 januari 2014, nr 201308263/2/R4), 4 woningen (AbRvS 27 augustus 2014, nr 201311233/1/R4), 6 woningen, waarvan 3 rechtstreeks bestemd en 3 eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (Vz AbRvS 4 juni 2014, nr 201401129/1/R4) of 10 woningen, behoudens samenhang met een groter woningbouwproject (AbRvS 4 maart 2015, nr. ECLI:NL:RVS:2015:653).
Uit de diverse uitspraken blijkt dat voor woningbouw de minimum omvang ligt rond de 10 woningen. Het planvoornemen ziet dan ook op herstructuring van dit voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat. Tevens wordt op termijn voorzien in een woningsplitsing (2 woningen) van de voormalige bedrijfswoning ter plaatse van Onze Lieve Vrouwstraat 18. Ondanks dat deze woningsplitsing geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanherziening worden deze woningen wel meegenomen in de verantwoording van de behoefte. Gezien het aantal te realiseren woningen (21 respectievelijk 23) is het planvoornemen aan te merken als een stedelijke ontwikkeling en is de ladder van duurzame verstedelijking van toepassing.
Toetsend aan de duurzaamheidsladder is de belangrijkste factor de regionale behoefte. Het beleid ten aanzien van de regionale woningbouwbehoefte is opgenomen in de 'Structuurvisie wonen, zorg en woonomgeving' voor de regio Midden-Limburg. In deze structuurvisie volgt dat er voor de kern Ospel een woningbouwopgave is van maximaal 42 woningen in de periode 2014-2017. Onderhavige locatie is meegenomen in deze structuurvisie. Dit is inclusief het buurperceel Onze Lieve Vrouwestraat 22 t/m 24. Voor deze locatie is in deze structuurvisie uitgegaan van het toevoegen van 23 wooneenheden. De realisatie van de 21 woningen binnen het plangebied van deze bestemmingsplan herziening en de woningsplitsing van nummer 18 passen zodoende binnen de planvoorraad. Tevens is dit woningaantal van 23 woningen opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering.
Voor het onderhavige plangebied is een belangrijk gegeven dat in het bestemmingsplan 'Kern Ospel 2004' binnen de bestemming ‘Bedrijf’ een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor 18 woningen ter plaatse van het bedrijfsperceel aan de Onze Lieve Vrouwestraat. Alvorens deze 18 woningen gerealiseerd zouden kunnen worden zou de bedrijfsbestemming gewijzigd moeten worden in een woonbestemming. Hiervoor zou eerst het ter plaatse gevestigde bedrijf zijn activiteiten moeten beëindigen. Met de beheersverordening 'Ospel 2014' was het juridisch niet mogelijk deze wijzigingsbevoedheid over te nemen. Hieruit is af te leiden dat altijd beoogd is om ter plaatse woningbouw te ontwikkelen wanneer het bedrijf beëindigd zou worden. Het onderhavige woningbouwplan blijft binnen het kader van het maximum aantal woningen dat beoogd was met de wijzigingsbevoegdheid, met uitzondering van de 4 appartementen in het pand met nummer 20 en de woningsplitsing (2 woningen) van nummer 18.
Tevens is met de vaststelling van de beheersverordening 'Ospel 2014' de zachte woningvoorraad (afwijkingsmogelijkheden voor woningen) komen te vervallen. Waardoor er binnen de kern Ospel maar beperkte directe woningbouwmogelijkheden zijn en geen indirecte mogelijkheden voor woningbouw. Dit maakt onderhavige locatie als enige locatie geschikt voor woningbouw. Zeker gezien de ligging nabij het centrum met het oog op sociale huur/koopwoningen, waarbij voor Ospel in dat kader gedacht moet worden aan onder andere halfvrijstaande woningen omdat de eigen bevolking van Ospel nauwelijks geïnteresseerd is in traditionele rijenbouw. Daarnaast is het planvoornemen geen concurrent van de locatie Houwakker/Vlut aangezien hier met name vrijstaande woningen op grote percelen zijn voorzien (RvR woningen). Daarnaast betreft het een inbreidingslocatie in tegenstelling tot de uitbreidingslocatie Houwakker - Vlut. De locatie is daarmee geschikter voor verschillende doelgroepen, bijvoorbeeld senioren.
De woningbouwontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande kern van Ospel. De inbreidingslocatie betreft een voormalig bedrijfsperceel. Momenteel is het plangebied een verstoring in relatie tot zijn omgeving. Het is niet wenselijk dit bedrijfsperceel beschikbaar te houden voor een nieuwe invulling met bedrijfsactiviteiten. Hiervoor is het bedrijventerrein aan de Ketelaarsweg bedoeld. Door het realiseren van het beoogde aantal woningen op deze inbreidingslocatie wordt voorkomen dat onnodig ruimtebeslag wordt gelegd op gronden in het buitengebied.
Door de ligging van onderhavige woningbouwlocatie aan de doorgaande route door Ospel en nabij de centrumvoorzieningen in het dorp, is sprake van een goede bereikbaarheid. Naast een goede autobereikbaarheid is tevens op korte afstand openbaar vervoer beschikbaar in de vorm van de busverbinding tussen Weert en Venlo (lijn 61).
Geconcludeerd wordt dat met het planvoornemen wordt voldaan aan de toetsingscriteria van de ladder van duurzame verstedelijking.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.
In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De belangrijke principes in het limburgs omgevingsbeleid zijn:
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Het plangebied valt binnen het bebouwd gebied en ligt in de zone 'overig bebouwd gebied'. Dit zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter, zoals de kern Ospel. Het accent ligt hier op de transformatie van de regionale woningvoorraad, de bereikbaarheid, de balans voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en kwaliteit leefomgeving.
In de visie op Midden-Limburg zijn de belangrijkste uitgangspunten voor wonen: werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad door kwaliteitsverbetering, herstructurering (transformatieopgave zorgvastgoed en huursector) en waar nodig sloop en nieuwkomers (waaronder arbeidsmigranten). Maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing. Deze kwalitatieve sturing vindt plaats binnen het kader van de kwantitatieve opgave die met de regionale structuurvisie 'wonen, zorg en woonomgeving' wordt ingevuld op basis van het dynamisch voorraadbeheer.
Met het planvoornemen is sprake van een ontwikkeling die past binnen het gebied. Van belang is dat aangesloten wordt bij het accent voor de transformatie van de regionale woningvoorraad. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op het provinciale en regionale woonbeleid en de wijze waarop het planvoornemen hierbinnen past.
Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.
De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. Nu, in 2014, wordt de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.
Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. Een uitwerking van de ladder duurzame verstedeling is in paragraaf 3.2.4 opgenomen.
Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk. Met de woningbouwontwikkeling wordt niet voorzien in een boorput, bodemenergiesysteem of enige andere wijze de grond geroerd dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Er zijn derhalve voor het planvoornemen geen belemmeringen.
Voor het planvoornemen gelden vanuit de Omgevingsverordening verder geen specifieke regels. Doordat de woningbouw ontwikkeld wordt binnen het bestaande bebouwde gebied, past het planvoornemen binnen de verordening.
Door de 7 Midden-Limburgse gemeenten is in bovengenoemde visie vastgelegd hoe dient te worden omgegaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen. De nadruk ligt hierbij op de benodigde transformatie van de bestaande woningvoorraad en de gevolgen voor de directe woonomgeving. Deze structuurvisie heeft betrekking op de periode 2014 tot en met 2017 en vormt tevens een basis voor afspraken op de middellange termijn tussen de samenwerkende gemeenten en de provincie. De structuurvisie is op 16 december 2014 door de gemeenteraad vastgesteld.
In de stuctuurvisie wonen, zorg en woonomgeving is in regionaal verband de afspraak gemaakt dat voor de komende jaren bezien wordt hoe de overtollige plancapaciteit terug gebracht kan worden. Dit ook om ruimte te creëren om medewerking te kunnen verlenen aan die concrete initiatieven waar in de huidige markt wel behoeft aan bestaat. Dit om zo goed en snel mogelijk te kunnen (laten) voorzien in de feitelijke woningbehoefte.
Doel is te komen tot afwegingskaders op basis waarvan regionaal, gemeentelijk en lokaal kan worden afgewogen en geordend in de programmering van transformatie- en nieuwbouwplannen. Daarvoor zijn vier wezenlijke afwegingskaders beschikbaar:
Binnen de regio Midden-Limburg is de afspraak gemaakt dat gemeenten de afwegingskaders uniform toepassen op de plancapaciteit per 1 januari 2014. Daarbij worden de kwaliteitsenveloppen gebruikt om lokale afwegingen te maken. Uiteraard doorlopen nieuwe initiatieven voor transformatie en/of nieuwbouw dezelfde afwegingskaders.
Binnen de gemeente Nederweert is de prognose dat de huishoudensontwikkeling tot 2024 met 6,4% stijgt. In het kwantitatief kader wordt in beginsel uitgegaan van 290 nieuwe huishoudens in de periode 2014-2023. De maximale toevoeging aan woningen is 520 woningen. Omdat Nederweert is aangewezen als groeigemeente geldt overigens dat er additionele toevoegingen mogelijk zijn om de aantallen te bereiken die nodig zijn om de huishoudenspiek op te vangen. Voor woningen in de kern Ospel geldt als ambitie dat gebouwd kan worden voor de eigen behoefte en nieuwkomers binnen de dorpscontouren.
Om te kunnen bepalen hoe de bestaande of potentiële (of nieuwe plannen) geordend gaan worden, is een afwegingskader gemaakt. Op basis van objectieve criteria worden plannen getoetst. In principe gaan alle plannen door een aantal ‘zeven’. Op basis hiervan ontstaat een ordening in de plancapaciteit per gemeente per kern.
Uit de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Nederweert is het volgende op te maken. Voor de kern Ospel geldt voor de periode 2014-2017 een nieuwbouwopgave van maximaal 42 woningen. Het accent dient daarbij te liggen op de koopsector, waarbij ruimte is voor geschikte/seniorenwoningen, 2-onder-1-kapwoningen en vrijstaande woningen.
Met het woningbouwplan worden namelijk 17 grondgebonden woningen gebouwd, variërend in 2-onder-1-kapwoningen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige/seniorenwoningen, alsmede 4 appartementen. Daarmee wordt gebouwd conform de accenten voor nieuwbouw binnen de kern Ospel en kan voorzien worden in woningen voor de eigen behoefte. Het realiseren van in totaal 21 woningen in combinatie met de woningsplitsing van nummer 18 past binnen de afgesproken woningbouwopgave voor Ospel. Het planvoornemen past dan ook binnen de structuurvisie.
De gemeente heeft op 9 november 2010 de structuurvisie Nederweert vastgesteld. Om inhoudelijk goed sturing te geven maakt de structuurvisie Nederweert onderscheid in:
De bovengenoemde vier pijlers zijn afgezet tegen de verschillende prioritaire beleidsvelden: Wonen, Voorzieningen, Werken, Omgevingskwaliteit en Mobiliteit. Het beleid op hoofdlijnen voor 'voorzieningen voor goed wonen en leven' bestaat uit het bereikbaar houden van basisvoorzieningen voor alle kernen.
Het gemeentelijke woningbouwbeleid is opgenomen in de regionale woonvisie (paragraaf 3.4.1). Het gemeentelijk beleid geeft uitvoering aan het regionale beleid. Op grond van demografische gegevens, opgenomen in de regionale woonvisie, wordt in Nederweert nog een forse groei van het aantal huishoudens verwacht. De behoefte richt zich voor een groot deel op grondgebonden betaalbare koopwoningen voor starters en zelfbouw kavels voor de markt en in mindere mate op patio's voor senioren. In deze behoefte kan op inbreidingslocaties niet of nauwelijks worden voorzien. Om deze reden is en blijft er voorlopig behoefte aan nieuwe woongebieden. Doorgang en fasering van volgende fasen in de nieuwe woongebieden is afhankelijk van de vraagontwikkeling (vraaggestuurd bouwen).
Plannen en initiatieven voor woningbouw en herstructurering/renovatie van de bestaande woningvoorraad worden beoordeeld op het hierdoor te verbeteren woningaanbod en de bijdrage aan de kwaliteiten van de woonbuurt en de kern, waar dat bouwplan gerealiseerd gaat worden. Daarnaast worden initiatieven en plannen beoordeeld op de bijdrage aan het vergroten en versterken van de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen. Flexibel en levensloopbestendig bouwen geniet hierbij de voorkeur aangezien op deze wijze (op termijn) meerdere doelgroepen kunnen worden bediend. Als criteria hanteert de gemeente:
De gemeente Nederweert handelt met onderhavig voornemen in de lijn van de gemaakte regionale afspraken. Met onderhavig planvoornemen worden betaalbare grondgebonden woningen en appartementen mogelijk gemaakt op een inbreidingslocatie binnen de kern Ospel. Hiermee wordt nadrukkelijk voorzien in de behoefte.
De welstandsnota Gemeente Nederweert 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad op 28 augustus 2012. Het gemeentelijke welstandsbeleid richt zich alleen nog op bestaande, karakteristieke dorpslinten en centrum. Nieuwe woongebieden worden welstandsvrij. Voor de kern Ospel is welstand alleen aan de orde voor de bebouwing aan de Onze Lieve Vrouwestraat en Stad. Het plangebied is gelegen tussen de Onze Lieve Vrouwestraat en Pastoor Vullersstraat. Het binnen het plangebied aanwezige bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 vallen binnen het welstandsgebied in Ospel. Voor dit pand zal met onderhavig bestemmingsplan enkel een functiewijziging plaatsvinden. Wanneer op basis van een omgevingsvergunning bouwingrepen plaatsvinden dient dit pand toetst te worden aan het welstandsbeleid. De overige gronden binnen het plangebied vallen in welstandsvrij gebied.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien met een omgevingsvergunning een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning.
Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wgh. De nieuwe woningen zullen worden gerealiseerd op gronden tussen de Onze Lieve Vrouwestraat en de Pastoor Vullersstraat. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Onze Lieve Vrouwestraat. De Pastoor Vullersstraat heeft op grond van de Wgh geen onderzoekszone, ter plaatse geldt een snelheidslimiet van 30 km/uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige onderbouwing van de realisatie van woningbouw, is desondanks inzicht in de geluidbelasting op de (geprojecteerde) gevels door wegverkeerslawaai nodig om te bepalen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Door Econsultancy is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai uitgevoerd (rapportnummer 15011052, 15 februari 2016). In Bijlage 1 is het volledige onderzoek opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelastingen op de nieuwe kavels ruim lager zijn dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Alleen het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat (nr 20) ondervindt hogere geluidsbelastingen. De maximaal te ontheffen geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden, aan de achterzijde van het pand is sprake van een geluidsluwe zijde. Voor de realisatie van de 4 appartementen in het pand dienen geluidreducerende maatregelen te worden overwogen.
Voor de Onze Lieve Vrouwestraat zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet wenselijk en/of financieel doelmatig. Tevens is de realisatie van dove voor- en zijgevels voor de appartementen niet wenselijk. Gezien de overwegende bezwaren dient een hogere waarde aan te worden gevraagd voor de appartementen in het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20. In dat kader dient gelijktijdig met de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan (of eerder) hogere waarde (60dB) te worden verleend.
Voor het aanvragen van een hogere waarde dient het akoestisch klimaat in de woning (de zogenaamde binnenwaarde) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Een nader bouwakoestisch onderzoek naar het geluidniveau in de woningen is noodzakelijk. Dit aangezien de standaard gevelwering van 20 dB volgend uit het Bouwbesluit bij een geluidsbelasting van 65 dB (exclusief aftrek), onvoldoende is om een binnenwaarde van 33 dB te realiseren. De geluidwering van de gevels moet namelijk 65 - 33 = 32 dB zijn. De bouwplannen voor de woningen zullen hieraan getoetst worden. In dat kader dienen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning de noodzakelijke gevelisolatieberekeningen te worden overlegd. De Onze Lieve Vrouwestraat is de enige relevante geluidbron voor het plangebied, cumulatie met overige geluidbronnen is daardoor niet aan de orde.
Conclusie
Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen, de voorkeursgrenswaarde wordt voor de nieuwbouwwoningen niet overschreden. De geluidsbelasting op het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 is wel te hoog, een beschikking hogere waarde is noodzakelijk, waarbij met nader onderzoek bepaald moeten worden welke geluidwerende materialen en maatregelen nodig zijn om het binnenniveau te kunnen waarborgen.
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.
Het planvoornemen ziet op herstructuring van het voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat. Omdat de aanwezige bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming met bouwmogelijkheden (bouwvlak en aanduiding bijgebouwen) is het noodzakelijk om de kwaliteit van de bodem inzichtelijk te maken. Dit zal in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' ook nodig zijn.
Voor het planvoornemen is dan ook ten behoeve van onderhavige herziening van het bestemmingsplan een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, rapportnummer MA140486.R01, 24 februari 2015). In Bijlage 2 is het volledige onderzoek opgenomen. Uit diverse onderzoeken in het verleden (periode 1999-2010) is gebleken dat plaatselijk een sterke verontreiniging in de grond en grondwater aanwezig is met minirale olie en vluchtige aromaten. De in deze onderzoeken geschetste verontreinigingssituatie is in onderhavig onderzoek geactualiseerd waarbij de diepte en horizontale ligging van de meest verontreinigende laag is onderzocht. Eveneens is het overig terreindeel waar woningbouw in de vorm van nieuwbouw gepland is onderzocht.
Bevindingen met betrekking tot grond
Bevindingen met betrekking tot grondwater
Conclusie
Uit voorgaande bevindingen kan geconcludeerd worden dat de resultaten van het onderzoek uit 2010 deels wel en deels niet kunnen worden bevestigd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een sterke verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in zowel de grond als in het grondwater aanwezig. Echter de aard en ligging van deze sterke verontreiniging is veranderd in de loop van de afgelopen jaren. Zowel de grond- als de grondwaterverontreiniging heeft zich iets in westelijke richting verplaatst. De verontreiniging heeft in horizontale richting nagenoeg dezelfde omvang.
Opgemerkt wordt dat in onderhavig onderzoek, gezien de doelstelling om de verontreinigingssituatie te actualiseren, geen verticale inkadering heeft plaatsgevonden. Dit heeft reeds afdoende plaatsgevonden in het onderzoek uit 2010. Aangezien de resultaten van onderhavig onderzoek in grote mate overeenkomen met de resultaten uit het onderzoek van Verhoeve Milieu uit 2010 kan voor wat betreft de bepaling van de omvang worden aangesloten bij dit onderzoek.
Echter de verontreiniging heeft geen betrekking op gronden waar de nieuwe woningen en appartementen zijn voorzien. Hiervoor geldt dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt.
De gronden ter plaatse van deze verontreiniging, voor zover gelegen binnen het plangebied, worden vanwege deze verontreiniging expliciet bestemd tot 'Verkeer'. Deze gronden zijn daarmee uitsluitend bestemd voor de ontsluitingsweg c.q. inrit ten behoeve van de ontsluiting van de 6 parkeerplaatsen aan de achterzijde van de appartementen. Dit gedeelte van het terrein boven de verontreining dient verhard te blijven. Indien dit gedeelte om één of andere reden onverhard wordt, moet vervolgens eerst bepaald worden of hierdoor geen risico ontstaat voor mens, plant of dier. Het bevoegd gezag, zijnde de provincie, kan opgrond van de Wet bodembescherming hierover een besluit nemen.
Ten behoeve van de woningsplitsing ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning (Onze Lieve Vrouwestraat) zal te zijner tijd worden bezien op welke wijze hiermee wordt omgegaan.
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen.
Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
Het planvoornemen ziet op herstructuring van het voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat.Tevens wordt op termijn voorzien in een woningsplitsing (2 woningen) van de voormalige bedrijfswoning ter plaatse van Onze Lieve Vrouwstraat 18. Ondanks dat deze woningsplitsing geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanherziening zijn deze woningen wel meegenomen in de verantwoording van de luchtkwaliteit.
Ten behoeve van de herziening van het bestemmingsplan is door Econsultancy een luchtkwaliteitsparagraaf opgesteld (briefrapport 15011053 NED.BRO.LKO, 15 februari 2016, zie Bijlage 3). Hieruit blijkt dat op basis van de 21 in totaal te realiseren woningen en de ontsluiting via de Pastoor Vullersstraat geconcludeerd kan worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt en voldoet aan artikel 5.16, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer. Naar aanleiding van het plan is geen nader luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk.
Conclusie
Het planvoornemen is niet van invloed op de luchtkwaliteit, er zijn dan ook geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Door het toepassen van een milieuzonering voor milieuhinderlijke bedrijven kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen. Andersom geldt dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand.
Het planvoornemen ziet op herstructuring van het voormalige bedrijfsperceel in combinatie met enkele belendende percelen, door de realisatie van woningbouw. Op deze inbreidingslocatie zijn, naast de herbestemming van het bestaande pand aan de Onze Lieve Vrouwestraat 20 (4 appartementen), zeventien grondgebonden woningen voorzien met een verkeersontsluiting op de Pastoor Vullersstraat.
Het ter plaatse gevestigde bedrijf voor landbouwmechanisatie wordt gesloopt. Hiermee ontstaan bij dit inbreidingsplan aan de Onze Lieve Vrouwestraat maximaal 17 nieuwbouwwoningen en en 4 appartementen (nummer 20) die aangemerkt moeten worden als een milieugevoelige functie.
Het plangebied is gelegen nabij de centrumvoorzieningen centraal in kern Ospel. Dit gebied is te kenmerken als een gemengd gebied. Voor gemengde gebieden is het meer aanvaardbaar dat diverse milieuhinderlijke en -gevoelige functies in elkaars nabijheid voorkomen. In gemengd gebied kan zodoende de richtafstand met één afstandsstap naar beneden worden gesteld.
De centrumvoorzieningen (gelegen binnen de bestemming Centrum) kunnen bestaan uit detailhandel, horeca (maximaal horeca-categorie 2), maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening. Veelal gaat dit om winkels, kleine horecagelegenheden en kantoren, die behoren tot de milieucategorieën 1 en 2 (grootste richtafstand 10 meter in gemengd gebied). De afstand van deze centrumbestemmingen tot het plangebied bedraagt in alle gevallen meer dan 10 meter. Binnen het plangebied is tevens sprake van de bestemming Centrum, te weten op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 20. Deze bestemming komt te vervallen omdat in de bestaande bebouwing 4 appartementen gerealiseerd worden. Mede gelet op de functiemenging in het gebied en de aanwezigheid van andere woningen zullen deze bedrijven en de nieuw te bouwen woningen elkaar niet belemmeren.
Op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 22 is een groothandel in diepvriesproducten gevestigd. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 2, met een grootste richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het plangebied grenst aan dit bedrijfsperceel, maar de woningen worden feitelijk op meer dan 10 meter van dit bedrijfsperceel gebouwd. Daarmee wordt het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering beperkt en vormt het bedrijf geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling.
Conclusie
Omliggende bedrijven en voorzieningen (centrumbestemming) vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen. Tevens zijn de nieuw te realiseren woningen in het plangebied geen beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en voorzieningen. Vanuit bedrijven en milieuzonering hoeft derhalve geen nadere analyse uitgevoerd te worden.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen of andere bedrijven gelegen die eventueel voor geur- en fijnstofhinder zouden kunnen zorgen. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven (intensieve veehouderijg) aan de Hennesweg en Waatskamp liggen op een afstand van circa 450/470 meter. Omgekeerd worden binnen het plangebied geen activiteiten toegestaan die geur- of fijnstofhinder op de omgeving kunnen veroorzaken. Het aspect geur- en fijnstofhinder is derhalve niet aan de orde.
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Voor het aspect externe veiligheid is door Econsultancy een aparte notitie (briefrapport 15071706 NED.BRO.REV, 15 februari 2016, zie Bijlage 4) opgesteld, waarin op basis van de risicokaart voor Limburg de risicobronnen zijn onderzocht.
Uitsnede risicokaart bij plangebied
Risicovolle inrichtingen
In en rond de kern Ospel liggen diverse risicovolle inrichtingen. De meest nabijgelegen inrichtingen betreffen twee benzineservicestations met LPG, gevestigd aan respectievelijk de Kuilstraat en de Klaarstraat. De afstand tussen het tankstation aan de Kuilstraat en onderhavig plangebied bedraagt 500 meter. Het tankstation aan de Klaarstraat ligt op ongeveer 750 meter. Het plangebied ligt derhalve buiten het invloedsgebied (150 meter) van beide tankstations. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van andere risicovolle inrichtingen.
Transportassen
In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen transportassen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde transportas betreft de provinciale weg N275 op circa 1.180 meter. Gezien deze afstanden kan worden gesteld dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour (10-6) dan wel het invloedsgebied van deze wegen, aangezien de afstand meer dan 200 meter bedraagt.
Buisleidingen
Binnen het plangebied en in de omgeving liggen geen buisleidingen ten behoeve van het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Conclusie
In het kader van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de Onze Lieve Vrouwestraat en Pastoor Vullersstraat de gebruikelijke leidingen voor gas, water,electra en telecom. Hierop worden de nieuwe woningen aangesloten.
Het plangebied is gelegen binnen de 'milieuzone – boringsvrije zone' (Roerdalslenk). Het planvoornemen is niet in strijd met de regels behorende bij deze zone aangezien de gronden niet zodanig diep worden geroerd dat deze van invloed zijn op de diepere bodemkundige waarden.
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit door bodemingrepen niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan dienen de waarden te worden opgegraven. Vondsten en documentatie worden dan ex situ (elders) bewaard.
In 2007 zijn de uitgangspunten van het verdrag vertaald in de Nederlandse wetgeving middels de wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De gemeente is bevoegd gezag inzake cultuurhistorie en archeologie.
Het beleid van de provincie Limburg, zoals deze is geventileerd in het POL, sluit hier nauw bij aan. Het POL benadrukt dat archeologische waarden planologisch behouden en beschermd moeten worden, maar streeft ook naar het creëren van condities voor inspectie en beheer. Bovendien legt het niet zozeer de nadruk op geïsoleerde archeologische waarden, maar op waarden als onderdeel van een groter geheel.
Uitsnede archeologische beleidskaart Weert en Nederweert (2010) met daarop in rode contour het plangebied.
Conform de archeologische beleidskaart voor de gemeenten Weert en Nederweert is het plangebied gedeeltelijk gelegen in een gebied van archeologische waarde (zone langs Onze Lieve Vrouwestraat). Voor dit gebied geldt op grond van het gemeentelijk archeologisch beleid een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte groter dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m2. Het overige deel van het plangebied is gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte groter dan 40 centimeter en een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m2.
Op grond van het overschrijden van deze ondergrenzen is door Econsultancy een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (rapportnummer 15071705, 15 februari 2016). In Bijlage 5 is het volledige onderzoek opgenomen. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er zich mogelijk archeologische resten in het plangebied bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van dekzandruggen en de ligging in de kern van Ospel de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
De aangetroffen bodemopbouw is in het zuidelijke deel van het plangebied intact, in het noordelijke deel van het plangebied is de bodemopbouw verstoord. Onder de bestaande bebouwing is niet geboord waardoor, mede door het ontbreken van bouwdossiers, over de bodemopbouw daar geen uitspraken kunnen worden gedaan. Uitgaande van de inspectie van bedrijfsgebouw is de verwachting dat de bodem hier op kleine schaal verstoord is. De twee gebouwen aan de Onze Lieve Vrouwestraat konden niet van binnen bekeken worden zodat onduidelijk is hoe deze gefundeerd zijn en of er kelders onder zitten. Hier heeft echter bebouwing gestaan vanaf de eerste helft van de 19e eeuw waarvan restanten onder de huidige bebouwing nog aanwezig kunnen zijn.
De mate van verstoring van het archeologisch relevante niveau is op basis van het bureau- en booronderzoek niet goed te duiden. De kans blijft reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.
Het onderzoeksbureau geeft in het advies aan dat daar waar het bodemprofiel is verstoord, binnen het noordelijke deel van het plangebied, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in-situ worden verwacht.
Advies Archeologie onderzoeksbureau
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy samengevat:
Het is dan ook raadzaam om het proefsleuvenonderzoek binnen het plangebied uit te voeren nadat alle bebouwing gesloopt is.
Advies beoordelaar archeologisch onderzoek
Het archeologisch onderzoek is beoordeelt door ArchAeO d.d. 20 oktober 2015. Geadviseerd wordt om in het gehele plangebied integraal archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven te laten plaatsvinden. Eventueel kan overwogen worden om, gezien de relatief beperkte omvang van het plangebied, het proefsleuvenonderzoek te combineren met een doorstart naar een opgraving indien tijdens het proefsleuvenonderzoek behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen worden. Door de combinatie proefsleuven met doorstart naar een opgraving, vertragen ruimtelijke procedures (vergunningen) niet en wordt een goede borging van de archeologische resten gegarandeerd.
Na het archeologisch onderzoek kunnen de resterende te slopen funderingsresten verwijderd worden en kunnen de gewenste plannen verder tot uitvoering worden gebracht. Ter aanvulling: Indien de bebouwing aan de OL Vrouwestraat voorlopig niet wordt gesloopt, kan op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek overwogen worden in een latere fase een archeologische begeleiding of aanvullende opgraving uit te laten voeren.
Besluit gemeente
De gemeente Nederweert heeft als bevoegd gezag in zake archeologie besloten dat een nader archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven eventueel met een doorstart naar een opgraving dient te worden uitgevoerd. Dit dient te gebeuren nadat de aanwezige bebouwing (bovengronds) is gesloopt. Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt inzichtelijk gemaakt of behoudenswaardige archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. Een keuze tot een doorstart naar een opgraving wordt in samenspraak met de gemeente en de ontwikkelaar besloten. Indien door de initiatiefnemer alsnog gekozen wordt voor behoud van de archeologische resten in de bodem (in situ), dan dient deze hiervoor een onderbouwd plan te overleggen dat recht doet aan een duurzaam behoud van de resten in de bodem. Voor het onderzoek dient een archeologisch Programma van Eisen te worden opgesteld dat door de gemeente Nederweert wordt beoordeeld.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening geldt er een verplichting om de benodigde aandacht te besteden aan cultuurhistorie. Daarnaast hecht de provincie Limburg veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL is weergegeven, is gestoeld op de nota Belvedere, met als uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling'. Het POL schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.
De opgave vanuit het POL bestaat uit het behoud, beheer, ontwikkeling en beleving van de (landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en waterhuishoudkundige) kernkwaliteiten van Limburgs meeste bijzondere landschappen. De Provincie legt in haar landschapsaanpak de focus op de landschappelijke kwaliteit van:
Dit zijn de landschappen van provinciaal belang. Het plangebied is niet gelegen in een landschap van provinciaal belang.
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeenten Weert en Nederweert blijkt dat het plangebied gedeeltelijk valt binnen de historische kern en gedeeltelijk aangewezen is als cultuurland. De binnen het plangebied aanwezige bebouwing is niet aangewezen als rijks- of gemeentelijke monument dan wel heeft geen andere cultuurhistorische waarden. De bestaande panden aan de Onze Lieve Vrouwestraat blijven gehandhaafd en worden in hun verschijningsvorm niet gewijzigd. In de directe omgeving bevinden zich verder geen beschermde of beeldbepalende panden waarvan het karakter aangetast kan worden door de nieuwe woningbouw, aangezien de nieuwe bebouwing achter het bestaande bebouwingslint langs de Onze Lieve Vrouwestraat plaatsvindt. Cultuurhistorie vormt geen belemmering of aandachtspunt voor het planvoornemen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Weert en Nederweert
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden.
In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de ligging van het plangebied op een afstand van respectievelijk 2,4 en 3,3 kilometer van de Natura 2000-gebieden 'Sarsven en de Banen' en 'Groote Peel'. Daarin is reeds aangegeven dat het planvoornemen niet van invloed is op de instandhouding van deze Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt derhalve alleen nog maar ingegaan op soortenbescherming.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het besluitgebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend.
De Flora- en faunawet deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie (EL&I) vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.
Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora- en faunawet centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Het plangebied bestaat momenteel uit een niet meer in gebruik zijnd bedrijfsperceel. Het gebied is nagenoeg volledig verhard door bedrijfsgebouwen en terreinverhardingen.
Door Econsultancy is een onderzoek uitgevoerd naar eventueel aanwezige flora en fauna (rapportnummer 15011050, 26 augustus 2015). In Bijlage 6 is het volledige onderzoek opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling de verwachting is dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen, zoals opgenomen in onderstaande tabel.
Overzicht (potentieel) aanwezige beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Conform de huidige interpretatie van de Flora- en faunawet dient voor aanvang van de sloop van de bedrijfsbebouwing tijdig duidelijk te zijn of hierin nestlocaties van de huismus of verblijfplaatsen van een vleermuizensoort aanwezig zijn. De mogelijk aanwezige nest- en verblijffuncties van de betreffende beschermde soorten vormen geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing kan de sloop en de voorgenomen herontwikkeling worden uitgevoerd. Overtredingen ten aanzien van de overige mogelijke aanwezige broedvogels kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen.
Met betrekking tot beschermde gebieden worden, gezien de afstand tot deze gebieden en de aard van de plannen in vergelijking met de huidige situatie, geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van het beoogde bestemmingplan.
Conclusie
Vanuit het perspectief van flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen, wanneer ook tijdig de juiste maatregelen worden getroffen.
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting van een bestemmingsplan aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als waterparagraaf worden beschouwd. In de navolgende paragraaf zal echter aangetoond worden dat het planvoornemen geen invloed heeft op de belangen van het waterschap en de waterhuishouding ter plaatse. Het heeft dan ook geen toegevoegde waarde om hier uitvoerig in te gaan op het geldende beleid.
Het waterschap Peel en Maasvallei heeft in haar Waterbeheerplan 2010-2015 vastgelegd hoe zij de waterkeringen en het regionale watersysteem op orde wil brengen en houden. Voor sommige onderwerpen, zoals de riolering, staat beschreven welke inzet van andere partijen gevraagd wordt. Het waterschap beoogt samen met de betrokken partners via Nieuw Limburgs Peil balans te brengen in het vasthouden en afvoeren van water, beken te saneren en opnieuw in te richten, het Maashoogwater te keren en afvalwater te zuiveren. Bij het uitoefenen van deze taken richt het waterschap zich op economische dynamiek en een gezonde en veilige leefomgeving, waarbij de volgende leidende principes worden gehanteerd:
In het beleid van het waterschap staat centraal dat een duurzaam waterhuishoudkundig systeem dient te worden gerealiseerd. Concreet betekent dit dat sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels bebouwd en verhard (klinkerverharding). Met name het voormalige bedrijfsperceel is volledig verhard. Het hemelwater wordt hier via een gemengd rioolstelsel afgevoerd Aan de oostzijde van het plangebied ligt nog een smalle strook grond die onbebouwd en onverhard is. Hier kan het hemelwater nog rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en bevinden zich geen belangen van het waterschap Peel en Maasvallei.
Bodemopbouw en doorlatenheid
Door middel van een doorlatendheidsonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 15011051, 26 augustus 2015) is inzicht verkregen in zowel de bodemopbouw als de (actuele) grondwaterstand. Tevens kan daarmee bepaald worden of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater en het verkrijgen van representatieve k-waarden.
Uit het onderzoek volgt dat er een grondwaterstand is aangetroffen van 2,8 meter onder maaiveld. De bodem bestaat tot circa 1 m -mv uit matig tot uiterst siltig, matig fijn zand. Tussen 1,0 en 2,6 m -mv wordt in de ondergrond een sterk zandige leemlaag aangetroffen. Daaronder bevindt zich tot de onderzochte diepte weer matig siltig, zeer tot matig fijn zand. De aanwezige sterk zandige leemlaag is daarnaast overwegend matig tot sterk gleyhoudend.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de bovengrond tot aan de aanwezige sterk zandige leemlagen op basis van de resultaten niet geschikt geacht voor infiltratie. De sterk zandige leemlagen zullen eveneens niet geschikt zijn voor infiltratie. De zandlagen in de ondergrond (beneden de aanwezige leemlagen) worden op basis van de resultaten wel geschikt geacht voor infiltratie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het onderzoek een momentopname in de tijd betreft en dat de resultaten bij een hogere grondwaterstand (verzadigde zone) als gevolg van de grondwaterfluctuatie kan afwijken.
Indien ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling (hemel)water wordt geïnfiltreerd, wordt geadviseerd om de ledigging van het systeem te waarborgen, ter plaatse van de toekomstige infiltratievoorziening(en), in ieder geval de aanwezige leemlagen te verwijderen en aan te vullen met goed doorlatend zand.
Het volledige doorlatendheidsonderzoek is opgenomen in Bijlage 7.
Met het planvoornemen vindt geen toename van de verharding in het plangebied plaats. Door de woningbouwontwikkeling zal eerder een kleine afname van verharding plaatsvinden, aangezien bij de woningen onverharde tuinen zullen worden aangelegd.
De gehele oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 5.400 m2.
Uitgangspunten
Bovengronds ontbreekt de ruimte om een infiltratievoorziening aan te leggen. Het ligt hier daarom voor de hand om infiltratiekoffers of -riool tot te passen.
Het waterschap Peel en Maasvallei gaaft aan dat voorzieningen moeten worden gedimensioneerd op een regenbui met een herhalingstijd van 10 jaar (50 mm). Tevens dient een doorkijk gemaakt te worden voor een regenbui met een herhalingstijd van 100 jaar (84 mm). Daarnaast dienen de voorzieningen na een 10-jaarse bui binnen 24 uur beschikbaar te zijn voor een eventuele volgende bui. Op basis van deze uitgangspunten is de benodigde berging bepaald.
Benodigde berging
Op basis van de beoogde inrichting c.q. verkaveling bedraagt het oppervlak uit te geven grond 3.350 m2. Omdat vooralsnog weinig bekend is van de kavelindeling en de woningtypen die gebouwd gaan worden, is gekeken naar het gemiddeld kaveloppervlak per perceel. Met in totaal 17 grondgebonden woningen, komt het gemiddelde kaveloppervlak uit op ongeveer 200 m2. Bij kaveloppervlakten tot 250 m2 is het uitgangspunt dat 50% van het kaveloppervlak verhard zal zijn.
Het verhard oppervlak van de openbare ruimte bedraagt ongeveer 1.100 m2. De totale af te koppelen verharding bedraagt daarmee (afgerond) 2.800 m2 (50% x 3.350 + 1.100).
De appartementen inclusief de parkeervoorzieningen hebben een verhard oppervlak van 450 m2. Deze krijgen een eigen infiltratievoorziening onder de parkeerplek en ontsluitingsweg van de appartementen.
Het totale verhard oppervlak bedraagt dus 3.250 m2 (2.800 + 450) welk op 2 systemen zal worden aangesloten.
Voor het bepalen van de benodigde inhoud voor het infiltratiesysteem voor een regenreeks met een herhalingstijd van T=10 jaar is een dynamische berekening gemaakt. Vanaf de start van de regenreeks, zal het infiltratiesysteem zich vullen en beginnen met infiltreren. Wanneer de piekbelasting van 50 mm wordt bereikt, zal een gedeelte van het regenwater reeds zijn geïnfiltreerd in de ondergrond. De bergende voorziening kan dus kleiner uitgevoerd worden dan 50 mm.
Voor het bepalen van de leeglooptijd van de voorziening is de infiltratiecapaciteit van belang. De infiltratiecapaciteit van de ondergrond bedraagt 2,1 m/dag. Met een veiligheidsmarge van 2, komt de krek dan uit op 1,05 m/dag.
De benodigde berging komt dan uit op 82 m³. De leeglooptijd van de voorziening bedraagt ca. 15 uur.
Maken we een doorkijk naar een regenreeks met een herhalingstijd van 100 jaar, dan bedraagt de benodigde berging 135 m³. De gemeente Nederweert heeft aangegeven dat er geen ruimte in het rioleringsstelsel aanwezig is om overtollig regenwater op te vangen. Om geen overlast te veroorzaken dient dit regenwater eveneens in het infiltratieriool geborgen te worden. Daarmee wordt de benodigde inhoud van het infiltratiesysteem bepaald op 135 m³.
De voorziening ten behoeve van de woningbouw dient een inhoud te krijgen van 2.800/3.250 x 135 = 115 m³. De voorziening bij de appartementen kan volstaan met een inhoud van 450/3.250 x 135 =20 m³
In bijlage 8 (waterparagraaf) is aangegeven dat het ontwerpen en berekenen van infiltratievoorzieningen maatwerk is. Op basis van het uitgevoerde infiltratieonderzoek is de k-waarde bepaald (zie paragraaf 5.3). Als de locatie van de infiltratievoorziening wordt aangepast of wanneer deze op een andere diepte wordt aangelegd dan waarop het infiltratieonderzoek heeft plaatsgevonden, kan dit al consequenties hebben voor de benodigde inhoud van de voorziening.
Wanneer tijdens de uitvoering de sleuf is vrij gegraven voor de aan te leggen infiltratievoorziening, dient op drie plekken in de sleuf een infiltratieonderzoek uitgevoerd te worden. Aan de hand van de gevonden capaciteit, dient de inhoud van de infiltratievoorziening geoptimaliseerd te worden op de werkelijke infiltratiecapaciteit van de ondergrond. Ook eventuele aanpassingen in het bovengrondse ontwerp (verhard oppervlak) kunnen in dit stadium verwerkt worden.
Klimaat bestendig
De inrichting van het openbaar gebied dient klimaatbestendig te zijn, zodat ook bij heviger buien dan T=100 jaar, directe overlast op de kavels wordt voorkomen. De infiltratievoorziening dient robuust te worden aangelegd met een bodempassage voor het afvangen van verontreinigingen (bijvoorbeeld lava).
Controle en monitoring
Na de aanleg van de voorziening dient een tankwagenproef uitgevoerd te worden. Tevens dient een peilbuis met een sewer aangelegd te worden, zodat de werking van de infiltratievoorziening gemonitord kan worden.
Vuilwater
Het huishoudelijk afvalwater van de te realiseren woningen zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel van Ospel. Aangezien het hemelwater wordt afgekoppeld, zal het geen probleem zijn om deze extra woningen op het bestaande rioolstelsel aan te sluiten.
Met de woningbouwontwikkeling binnen het plangebied wordt het uitgangspunt van gescheiden waterstromen gehanteerd. Dit betekent dat het hemelwater wordt afgekoppeld van het afvalwater.
In het kader van duurzaam waterbeheer zal bij de woningbouw en het oprichten van andere bouwwerken gebruik maakt worden van niet-uitloogbare materialen om zo verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een viertal zaken de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten:
Bij het opstellen van de inhoud van de regels is de systematiek van de vigerende beheersverordening 'Ospel 2014'.
De structuur van het bestemmingsplan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
Op de verbeelding zijn aangegeven:
Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen hoofd- en bijgebouwen opgericht mogen worden. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' mogen uitsluitend bijgebouwen opgericht worden. Dit is conform de plansystematiek uit de vigerende beheersverordening. De fleixibiliteit wordt geboden door het toestaan van meerdere woningbouwtypologieën binnen het bouwvlak.
De regels zijn conform de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als volgt opgebouwd:
De gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn overeenkomstig de vigerende beheersverordening 'Ospel 2014'. Tevens is in de bestemming 'Wonen' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de eventuele ongebruikte bouwtitels één jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan te kunnen schrappen. Dit betekent dat, indien er niet binnen één jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gestart met de bouw van de woning, de bouwtitel zal worden geschrapt. Hiermee wordt voorkomen dat de bouwtitels in lengte der jaren meetellen in de harde plancapaciteit en daarmee, bij het niet realiseren, een belemmering kunnen vormen voor andere woningbouwontwikkelingen in de kern Ospel. Daarmee wordt voldaan aan de regionaal gemaakt afpsraken om planvoorraad te verminderen.
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Voor de gemeente Nederweert zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. Wel zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst worden gesloten. Hierin is ook het kostenverhaal bij eventuele planschade opgenomen, waarbij de kosten van eventuele planschade worden verhaald op de initiatiefnemer. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele kosten niet voor rekening van de gemeente Nederweert komen, maar voor rekening van de initiatiefnemer.
De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Echter de kosten zijn anderzins verzekerd doordat de gemeente Nederweert met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluit.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen voldoende is gegarandeerd.
Het planvoornemen betreft het realiseren van woningbouw op een voormalig bedrijfsperceel binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de kern Ospel. De ruimtelijke situatie ter plaatse wijzigt in positieve zin, aangezien met de woningbouwontwikkeling een kwaliteitsverbetering plaatsvindt ten opzichte van de voormalige bedrijfsfunctie in milieucategorie 3.1. Er worden woningen gerealiseerd in een woongebied nabij de centrumvoorzieningen van Ospel, waarbij wordt voorzien in een gedifferentieerd woningaanbod passend bij de kern Ospel.
Gezien de beperkte impact op de omgeving kan – ook gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken van deze toelichting – redelijkerwijs worden gesteld dat met onderhavig planvoornemen geen waarden of belangen (onevenredig) zullen worden geschaad. Het planvoornemen zal daarom naar alle waarschijnlijkheid niet op overwegende planologische bezwaren uit de omgeving stuiten.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare gezien het beperkte karakter ervan.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
a. Ontwerp:
Publicatie en terinzagelegging
Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad
b. Vaststelling:
Vaststelling door de Raad
Mogelijkheid reactieve aanwijzing
Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn
c. Inwerkingtreding:
Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)
d. Beroep:
Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Woningbouw Onze Lieve Vrouwestraat Ospel'. Hierin is vermeld dat het planvoornemen ziet op de realisatie van woningbouw op een voormalig bedrijfsperceel tussen de Onze Lieve Vrouwestraat en Pastoor Vullingsstraat in de kern Ospel.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundige relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Vanwege het ontbreken van waterschapsbelangen in en om het plangebied en de beperkte afname van het verhard oppervlak (minder dan 2.000 m2) is overleg met het waterschap Peel en Maasvallei niet nodig. Wel wordt het waterschap in kennis gesteld van onderhavig bestemmingsplan.
Volgens artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. Echter, in onderhavige situatie is sprake van een ontwikkeling van ondergeschikte aard. Daarbij zijn er geen Rijks- en/of provinciale belangen in het geding, danwel deze zijn in voldoende mate beschermd.
Het planvoornemen voorziet in de invulling van voormalig bedrijfsperceel met woningbouw passend in de ruimtelijke structuur van de bebouwing van de Onze Lieve Vrouwestraat en Pastoor Vullingsstraat. Het betreft hier een lokale ontwikkeling binnen het gemeentelijk beleid. Derhalve wordt het wettelijk vooroverleg met instanties niet noodzakelijk geacht. Wel worden de instanties in kennis gesteld van het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 25 mei 2017, gedurende zes weken, tot en met 5 juli 2017 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er zes schriftelijke zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn tijdig ingediend en ontvankelijk en hebben tot wijziging van het ontwerpbestemmingsplan geleid. Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van 19 december 2017 ongewijzigd vastgesteld.