direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied
Plan: Nieuwstraat 26
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.BPNieuwstraat26-VAST

Artikel 3 Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied

3.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  • b. agrarisch grondgebruik;
  • c. een niet-agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied met de nadere functieaanduiding “opslag en verwerking van eieren en eiproducten (sa-bve)”;
  • d. versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
  • e. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
  • f. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • g. nutsvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van overige;
  • h. een straalpad, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding vrijwaringszone straalpad;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen.

3.2 Bouwregels

Op de voor Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:

3.2.1 Algemeen

  • a. De gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
  • b. Per bouwvlak met de aanduiding bedrijf als bedoeld in artikel 3.1. onder b, is maximaal 1 (bedrijfs)woning toegestaan.
  • c. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
  • d. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
  • e. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • f. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
  • g. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
  • h. Nieuwvestiging van inrichtingen ex artikel 2.4 IVbM (lawaaisportterreinen) is niet toegestaan.
  • i. Buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m² per bouwwerk.
  • j. De oppervlakte aan parkeervoorzieningen ten behoeve van de extensieve dagrecreatie mag per locatie maximaal 250 m² bedragen.

3.2.2 Bedrijf

Voor de bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak met de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied met een nadere functie-aanduiding “opslag en verwerking van eieren en eiproducten (sa-bve)” gelden de volgende eisen:

a. bedrijfsgebouwen:

goothoogte   max. 4,5 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand  
bouwhoogte   max. 8,5 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand  
bebouwd oppervlakte   maximaal de oppervlakte zoals bestaand.  

b. bedrijfswoningen:

goothoogte   max. 5,50 m.  
bouwhoogte   max. 8 m  
dakhelling   minimaal 12°  
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privégebruik   max. 1.100 m³  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m  

c. bijgebouwen bij de bedrijfswoning:

goothoogte   max. 3,20 m.  
bouwhoogte   max. 5,50 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand tot bedrijfswoning   max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel  

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

bouwhoogte erfafscheidingen   max. 2 m.; vóór de voorgevelrooilijn max. 1 m.  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   max. 8,5 m.
 

e. omschakeling van niet-agrarische bedrijven is toegestaan voorzover het betreft bedrijven passend binnen de lijst van categorie 1 en 2-bedrijven, zoals opgenomen in de in Bijlage 1 bij deze planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en daarmee naar aard, omvang en invloed op milieu en omgeving vergelijkbare bedrijven;

f. uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan tot 10% van het bestaand bebouwde oppervlak, waarbij de regels onder 3.2.2 in acht genomen dienen te worden;

3.3

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. bebouwing;
  • b. verhardingen;
  • c. Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
  • d. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
  • e. stedenbouwkundige kwaliteit;
  • f. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • g. de milieusituatie;
  • h. de verkeersveiligheid;
  • i. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • j. de sociale veiligheid;
  • k. de externe veiligheid;
  • l. de hemelwaterproblematiek.

Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 9.2 in acht te worden genomen.

3.4

3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 4.1, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten, met uitzondering van de gronden met permanente bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
  • c. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels, en in het bijzonder behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van het niet-agrarische bedrijf en dan uitsluitend in de producten die zijn vermeld in de Staat van niet-agrarische bedrijven en in de omvang waarin deze op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bestaan;
  • d. het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
  • e. het gebruik van bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
  • f. het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  • g. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.

3.5

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1 Algemeen

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de gebruiksregels inzake artikel 3.4 onder f en toestaan dat bijgebouwen gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg onder de voorwaarden dat:

  • a. sprake is van een mantelzorgindicatie;
  • b. de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
  • c. sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
  • d. er geen tweede woning mag ontstaan;
  • e. op grond van het bepaalde in artikel 9.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  • f. het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.

3.5.2 Aanvullend afwegingskader

Een in 3.5.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
  • b. er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
  • c. met de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarin wordt verwezen naar een opgesteld plan waarin de ruimtelijke kwaliteitswinst is vormgegeven;
  • d. er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
  • e. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • f. de milieusituatie;
  • g. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • i. de sociale veiligheid.

3.5.3 Procedure

Een besluit tot het verlenen van een afwijking wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden gedurende twee weken in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk of mondeling hun zienswijze kenbaar te maken aan burgemeester en wethouders.

3.6

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

3.6.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en nieuwvestiging van en omschakeling naar een intensief veehouderijbedrijf toestaan, indien tegelijkertijd sprake is van verplaatsing van een volwaardig agrarisch bedrijf elders binnen het plangebied, dat vanwege zijn ligging als knelpunt wordt beschouwd (knelsituatie), onder de voorwaarden dat:

  • a. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf dan wel een bedrijf dat zich overtuigend in de richting van volwaardigheid ontwikkelt;
  • b. uitbreiding van het bouwblok niet is toegestaan op een bouwblok met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - niet uitbreiden";
  • c. de wijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel landschappelijke waarden;
  • d. uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
  • e. de maximum oppervlakte van de nieuwe kavel mag de maat van 1,5 ha overschrijden indien op grond van het bepaalde in artikel 9.1.2 inzicht wordt geboden in de bedrijfsontwikkeling en de effecten hiervan op de omgeving en de wijze waarop een verbetering van de omgevingskwaliteit wordt nagestreefd (tegenprestatie voor eventuele negatieve effecten van de ingreep), met als doel de omgevingskwaliteit en de bedrijfsontwikkeling in onderlinge samenhang te kunnen realiseren;
  • f. de maximale oppervlakte van de nieuwe bouwkavel mag de maat van 3 ha overschrijden indien op grond van het bepaalde in artikel 9.1.3 en 9.1.4 inzicht wordt geboden in de bedrijfsontwikkeling en de effecten hiervan op de omgeving en de wijze waarop een verbetering van de omgevingskwaliteit wordt nagestreefd (tegenprestatie voor eventuele negatieve effecten van de ingreep), met als doel de omgevingskwaliteit en de bedrijfsontwikkeling in onderlinge samenhang te kunnen realiseren;
  • g. een advies verkregen wordt van de provinciale BOM+ adviescommissie;
  • h. voor zover van toepassing, reëel zicht is op het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet;
  • i. het woon- en leefklimaat niet onevenredig worden aangetast;
  • j. de milieuhygiënische uitvoerbaarheid is gewaarborgd;
  • k. met betrekking tot de verplaatsing van een knelsituatie kan een overeenkomst worden gesloten over de afbouw van het betreffende bedrijf;
  • l. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
  • m. de bedrijfswoning mag niet eerder worden gebouwd dan nadat de bedrijfsgebouwen zijn gebouwd;
  • n. de regels in artikel 4.2.2 van het bestemmingsplan Buitengebied Nederweert (vastgesteld 24 november 2009, in werking getreden 19 februari 2010) in acht genomen worden;

3.6.2 Aanvullend afwegingskader

Een in artikel 3.6.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de milieusituatie;
  • b. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen;
  • f. het straat- en bebouwingsbeeld.