Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Crematorium Nederweert
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0946.BPCrematoriumNdw-VA01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Crematorium Nederweert’ van de gemeente Nederweert.
 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0946.BPCrematoriumNdw-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen.
 
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 aan huis gebonden bedrijf:
een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.6 aan huis gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.7 achtergrondmuziek:
muziek die bedoeld is om niet direct of bewust naar te luisteren, maar die louter tot doel heeft sfeerverhogend te werken, waarbij het geluidniveau op 1 meter van de luidsprekers maximaal 70 dB(A) bedraagt.
 
1.8 afgeknot dak:
een dakvorm met schuine dakvlakken waarbij de kap eindigt in een plat dak.
 
1.9 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met daarin onderscheid tussen:
  • grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een productiegerichte paardenhouderij.
  • intensief veehouderijbedrijf:
  • glastuinbouwbedrijf;
  • intensieve kwekerij, waaronder een viskwekerij en champignonkwekerij;
  • melkveehouderij.
met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt.
 
1.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.11 bebouwingsconcentraties:
bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.
 
1.12 bedrijfswoning:
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
 
1.13 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.14 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.15 bestaand:
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
 
1.16 bijgebouw:
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
 
1.17 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.18 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.19 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.20 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.21 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.22 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.23 broedseizoen:
de periode in een jaar van 15 maart t/m 15 juli
 
1.24 burgerwoning:
een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.
 
1.25 dagperiode:
dagperiode zoals gehanteerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer en diens opvolgers.
 
1.26 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.27 extensieve dagrecreatie:
recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.
 
1.28 evenement:
elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, niet vallend onder de reguliere uitoefening van de ter plaatse geldende functieaanduiding of bestemming. Een activiteit die zich enkel richt op de natuurbeleving, zonder verdere verstorende elementen dan de aanwezigheid van mensen, wordt niet beschouwd als een evenement.
 
1.29 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.30 glastuinbouw:
een agrarische bedrijfsvoering, die gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen.
 
1.31 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte paardenhouderij gerekend.
 
1.32 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
1.33 huishouden:
  1. één persoon; of
  2. meerdere personen die een economisch-consumptieve eenheid vormen met de intentie om zelfstandig, bestendig, voor onbepaalde tijd, in gezinsverband of in een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband te wonen. Er is sprake van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. 
1.34 intensief veehouderijbedrijf:
het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. In principe wordt gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet beschouwd als intensief veehouderijbedrijf.
 
1.35 intensieve kwekerij:
een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, zonder dat het productieproces afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Het produktieproces vindt voornamelijk plaats binnen bebouwing, niet zijnde kassenbouw. Tot een intensieve kwekerij behoren met name bedrijven als een viskwekerij, een melkgeitenhouderij en champignonkwekerij. Een intensieve veehouderij wordt hiertoe niet gerekend.
 
1.36 kampeermiddel:
  1. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is;
    één en ander voor zover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Stacaravans worden hiertoe niet gerekend. 
1.37 kampeerplaats:
plaats geschikt voor een kampeermiddel.
 
1.38 kanaal:
een door de mens (al dan niet met machines) gegraven vaarweg, meestal in een rechte lijn aangelegd en ten behoeve van de scheepvaart of de aan- of afvoer van water.
 
1.39 kas:
een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend en transparant materiaal dienen tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten.
 
1.40 kleinschalig kamperen:
het gebruik van de gronden ten behoeve van een beperkt kampeerterrein met maximaal 25 kampeermiddelen.
 
1.41 landschapselement:
punt-, lijn- en vlakelementen met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.
 
1.42 maatschappelijke functies:
het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder gezondheidszorg, zorg en welzijn, kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart/begraafplaats en verenigingsleven, mede in het bijzonder een beheersboerderij, molen, opslag ten behoeve van weg/waterstaat en een schaapskooi.
 
1.43 milieuhygiënische uitvoerbaarheid:
indien geen sprake is van een onaanvaardbare milieusituatie, beoordeeld aan de hand van op dat moment van kracht zijnde regelgeving en bestaande milieukwaliteit op het gebied van bodem, geur, geluid en luchtkwaliteit. De milieuhygiënische uitvoerbaarheid houdt bovendien in dat bij de ontwikkeling wordt getoetst of de natuur- en milieukwaliteit voldoet aan vigerende regelgeving.
 
1.44 milieukwaliteit:
Hierbij gaat het om alle aspecten die de milieusituatie kunnen beïnvloeden, zoals geur en ammoniak, waterhuishouding en ecologische waarden.
 
1.45 nevenactiviteiten:
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
 
1.46 nieuwvestiging:
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
 
1.47 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.
 
1.48 peil:
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen:
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.49 productiegerichte paardenhouderij:
een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.
 
1.50 recreatief medegebruik:
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
 
1.51 tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten:
het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten.
 
1.52 verbeelding:
de verbeelding behorend bij dit plan met idn-nummer NL.IMRO.0946.BPCrematoriumNdw-VA01.
 
1.53 voorgevelrooilijn:
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.
 
1.54 watergang:
natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
 
1.55 waterstaat:
toestand van het oppervlakte- en grondwater.
 
1.56 woning:
een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
1.57 woonunit:
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.
  
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
 
2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch
 
3.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarisch grondgebruik;
  2. een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’;
  3. versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
  4. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
  5. waterhuishoudingkundige doeleinden;
  6. groenvoorzieningen;
  7. extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen. 
3.2. Bouwregels
 
Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
 
3.2.1. Algemeen
  1. De gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
  2. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
    1. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
    2. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
    3. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
    4. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
  3. Buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik met een maximale hoogte van 5 m en een maximale oppervlakte van 100 m2 per bouwwerk, dan wel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m² per bouwwerk.
  4. De oppervlakte aan parkeervoorzieningen ten behoeve van de extensieve dagrecreatie mag per locatie maximaal 250 m² bedragen. 
3.2.2. Wonen
 
Voor de bouwwerken in of op de gronden met de aanduiding ‘wonen’, gelden de volgende eisen: 
  1. woningen, inclusief bijgebouwen:

dakhelling
min. 12o; deze eis geldt niet voor bijgebouwen
inhoud (woning, inclusief alle bijbehorende bijgebouwen zowel binnen als buiten het vlak met de aanduiding ‘wonen’)
maximaal 1.100 m³;
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woning én bijgebouwen
min. 5 m.
afstand tot hart van de weg
min. 15 m. bij erftoegangs- en onverharde wegen 
goothoogte vrijstaande bijgebouwen
max. 3,20 m.
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen
max. 5,50 m.
afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwen
max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen een afstand van maximaal 50 m. achter de voorgevelrooilijn:

bouwhoogte erfafscheidingen
max. 2 m.; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m.
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
max. 6 m.
oppervlakte
max. 30 m2.
  1. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan;
  2. vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatsvindt op de bestaande fundamenten;
3.3. Nadere eisen
  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    1. bebouwing;
    2. verhardingen;
  2. Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
    1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    2. stedenbouwkundige kwaliteit;
    3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    4. de milieusituatie;
    5. de verkeersveiligheid;
    6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    7. de sociale veiligheid;
    8. de externe veiligheid;
    9. de hemelwaterproblematiek.
3.4. Afwijken van de bouwregels
 
3.4.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. het bepaalde in 3.2.1 en overschrijding van de op de verbeelding aangegeven begrenzingen van het bouwvlak met de aanduiding ‘wonen’ toe te staan, onder de voorwaarden dat:
    1. de maximale inhoudsmaat van de woning, inclusief bijgebouwen, zoals genoemd in artikel 3.2.2 lid 1 niet mag worden overschreden;
    2. aanwezige landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;
    3. de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
    4. uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
  2. het bepaalde in 3.2.1 en het oprichten van schuilgelegenheden ten behoeve van het hobbymatig houden van vee toestaan tot een maximum van 25 m², onder de voorwaarden dat:
    1. de oprichting van schuilgelegenheden enkel is toegestaan in ‘wetgevingszone - bebouwingsconcentratie’, zoals aangeduid op de verbeelding;
    2. de oprichting van schuilgelegenheden niet mogelijk is binnen het bouwvlak, dan wel het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt opgericht te ver van het bouwvlak af ligt;
    3. sprake moet zijn van een landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid;
    4. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  3. het bepaalde in 3.2.2 en een vergroting van de inhoud van een burgerwoning, inclusief bijgebouwen, tot 1.200 m³, indien het perceel niet groter is dan 1.000 m² en tot 1.400 m³, indien het perceel groter is dan 1.000 m² toestaan, onder de voorwaarden dat:
    1. sprake is van een samenhangend geheel, waarbij de woning tezamen met de uitbreiding een eenheid dient te vormen;
    2. de uitbreiding planologisch aanvaardbaar is;
    3. de uitbreiding niet voor/aan de voorgevel van de woning plaatsvindt;
    4. de uitbreiding niet zodanig is dat woningsplitsing via eenvoudige bouwkundige ingrepen mogelijk wordt;
    5. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  4. het bepaalde in 3.2.2 en het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toestaan, onder de voorwaarden dat:
    1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
    2. de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
    3. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan;
 
3.4.2. Aanvullend afwegingskader
 
Een in artikel 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.5. Specifieke gebruiksregels
 
3.5.1. Algemeen
 
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:
  1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
  2. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  3. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel;
  4. het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
  5. het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
  6. het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  7. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  8. als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gerekend het gebruik van leegstaande gebouwen voor statische opslag, zonder dat er handels- of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
3.5.2. Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 3.1 onder b is alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan De Platkuil 4-6’, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, uiterlijk 12 maanden nadat het daaraan gekoppelde gebruik is aangevangen, volledig is gerealiseerd en vervolgens volledig wordt beheerd en in stand wordt gehouden.
 
3.5.3. Voorwaardelijke verplichting sloop
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 3.1 onder b is alleen toegestaan als binnen 12 maanden na het in werking treden van het onderhavige bestemmingsplan de overtollige bebouwing op de locatie De Platkuil 4-6, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels is gesloopt.
 
3.5.4. Voorwaardelijke verplichting bodemkwaliteit 
  1. Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 3.1 onder a is alleen toegestaan indien uit een asbestonderzoek (puinverharding) blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie agrarisch grondgebruik of, indien dit niet het geval is, de bodemkwaliteit geschikt wordt gemaakt voor de functie agrarisch grondgebruik door middel van bodemsanering en het bevoegd gezag haar goedkeuring heeft verleend ten aanzien van de uitgevoerde bodemsanering.
  2. Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 3.1 onder b is alleen toegestaan indien uit een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek (druppelzones) blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen of, indien dit niet het geval is, de bodemkwaliteit geschikt wordt gemaakt voor de functie wonen door middel van bodemsanering en het bevoegd gezag haar goedkeuring heeft verleend ten aanzien van de uitgevoerde bodemsanering. 
3.6. Afwijken van de gebruiksregels
 
3.6.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: 
  1. artikel 3.5.1. onder a en toestaan dat de gronden bij een burgerwoning worden gebruikt als kleinschalig kampeerterrein tot maximaal 25 kampeerplaatsen, onder de voorwaarden dat:
    1. kampeermiddelen maximaal 75 m. van de grens van de bestaande bebouwing behorende bij de burgerwoning, waarbij het kleinschalig kamperen hoort, geplaatst mogen worden;
    2. buiten het bouwvlak mag geen extra bebouwing ten behoeve van het kleinschalig kamperen worden opgericht;
    3. de kleinschalige kampeerplaats dient te worden voorzien van een adequate afschermende beplanting. Hiertoe dient een beplantingsplan te worden voorgelegd, dat de goedkeuring behoeft van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert;
    4. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
    5. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  2. artikel 3.5.1. onder d en toestaan dat de gronden worden gebruikt voor verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen, onder de voorwaarden dat:
    1. sprake is van een landschappelijke inpassing. Hiertoe dient een beplantingsplan te worden voorgelegd, dat de goedkeuring behoeft van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert;
    2. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
    3. uit een natuurwaardenonderzoek dient te blijken dat de activiteit niet strijdig is met de Wet natuurbescherming;
    4. er geen (extra) hinder of belemmering mag worden veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
    5. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  3. artikel 3.5.2 en een aangepaste landschappelijke inpassing toestaan dan overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan De Platkuil 4-6’, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, met dien verstande dat er sprake is van een vergelijkbare ruimtelijke kwaliteit.
3.6.2. Aanvullend afwegingskader
 
Een in artikel 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 
  1. de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
  2. er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
  3. er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de milieusituatie;
    3. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de sociale veiligheid.  
3.7. Wijzigingsbevoegdheid
 
3.7.1. Algemeen
 
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en: 
  1. de aanduiding wonen wijzigen in de aanduiding bedrijf (zijnde niet-agrarisch bedrijf), onder de voorwaarden dat:
    1. het een bedrijf betreft passend binnen de lijst van categorie 1 en 2-bedrijven, zoals opgenomen in de in bijlage 3 bij deze planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en daarmee naar aard, omvang en invloed op milieu en omgeving vergelijkbare bedrijven;
    2. wijziging enkel is toegestaan in bebouwingsconcentraties;
    3. de bedrijfsactiviteiten uitgevoerd worden in de bestaande bebouwing; vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits er sprake is van een afname van het bouwvolume en er een stedenbouwkundige/landschappelijke verbetering intreedt;
    4. sprake dient te zijn van een goede landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische inpassing;
    5. geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    6. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    7. de regels in artikel 3.2.4 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nederweert’ (NL.IMRO.0946.BPbgb2009DEF-va01) en daarop volgende herzieningen in acht genomen worden;
  2. de aanduiding wonen wijzigen in de aanduiding recreatieve doeleinden, onder de voorwaarden dat:
    1. voor zover van toepassing de agrarische- of bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd, dan wel als nevenactiviteiten kunnen worden beschouwd;
    2. sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van het recreatiebedrijf;
    3. de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie oplevert;
    4. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    5. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    6. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    7. geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;
    8. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  3. de aanduiding wonen wijzigen in de aanduiding maatschappelijk, onder de voorwaarden dat:
    1. voor zover van toepassing de agrarische- of bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd, dan wel als nevenactiviteiten kunnen worden beschouwd;
    2. de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie oplevert;
    3. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    4. op grond van het bepaalde in artikel 15.2 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    5. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    6. geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;
  4. de aanduiding 'wonen' wijzigen in de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - logies', uitsluitend ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten, onder de voorwaarden dat:
    1. geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van de parkeerbalans;
    2. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    3. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    4. sprake is van een veilige woonsituatie in de bebouwing. 
3.7.2. Aanvullend afwegingskader
 
Een in artikel 3.7.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. de milieusituatie;
  2. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
  3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  4. de sociale veiligheid;
  5. de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen;
  6. het straat- en bebouwingsbeeld.
  
Artikel 4 Maatschappelijk
 
4.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een crematorium met mortuarium uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘crematorium’.
  2. een natuurbegraafplaats uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - natuurbegraafplaats’;
  3. strooivelden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - strooivelden’;
  4. ondergeschikte detailhandel, gerelateerd aan de functie ter plaatse;
  5. beperkte verkoop van ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken in het kader van en ondergeschikt aan het functioneren van de betreffende maatschappelijke voorziening;
  6. parkeervoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’;
  7. een ontsluiting in de vorm van een in- en uitrit uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’;
  8. behoud en versterking van de landschappelijke openheid van het landschap en de zichtlijnen in het gebied;
  9. behoud en versterking van de landschapselementen, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 4;
met daarbij behorende:
  1. groenvoorzieningen;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. paden en overige verhardingen. 
4.2. Bouwregels
 
Op de voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
 
4.2.1. Algemeen 
  1. De gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
  2. Buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van de maatschappelijke functie, dan wel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m2 per bouwwerk.
  3. Buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn lichtmasten toegestaan met een maximale hoogte van 3 meter. 
4.2.2. Maatvoering bebouwing binnen bouwvlak
 
Voor de maatvoering van de bebouwing gelden de volgende eisen: 
  1. gebouwen: 

goothoogte
maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)’ aangegeven hoogte
bouwhoogte
maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)’ aangegeven hoogte

dakhelling
minimaal 120 met dien verstande dat er sprake mag zijn van een afgeknot dak, waarbij:
·        
ter plaatse van het bouwvlak met de grootste oppervlakte maximaal 60% van de oppervlakte van het gebouw afgeknot (plat) mag zijn;
·        
ter plaatse van het bouwvlak met de kleinste oppervlakte maximaal 35% van de oppervlakte van het gebouw afgeknot (plat) mag zijn.
oppervlakte
max. 2.985 m2 ter plaatse van het bouwvlak met de grootste oppervlakte
max. 515 m2 ter plaatse van het bouwvlak met de kleinste oppervlakte
plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen
max. 10 m
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 

bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen
max. 2 m.
bouwhoogte lichtmasten en andere masten
max. 5 m.
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
max. 2 m.
 
4.3. Nadere eisen
  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    1. bebouwing;
    2. verhardingen;
  2. Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
    1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    2. stedenbouwkundige kwaliteit;
    3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    4. de milieusituatie;
    5. de verkeersveiligheid;
    6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    7. de sociale veiligheid;
    8. de externe veiligheid;
    9. de hemelwaterproblematiek.  
4.4. Afwijken van de bouwregels
 
4.4.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. het bepaalde in 4.2.1. en overschrijding van de op de verbeelding aangegeven begrenzingen van het bouwvlak toe te staan, onder de voorwaarden dat:
    1. aanwezige landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;
    2. de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
  2. het bepaalde in 4.2.2 en een verhoging van goot- en of nokhoogte toestaan, onder de voorwaarden dat:
    1. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;;
    2. aanwezige landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad; 
4.4.2. Aanvullend afwegingskader
 
Een in artikel 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.  
4.5. Specifieke gebruiksregels
 
4.5.1. Algemeen
 
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 4.1, meer in het bijzonder:
  1. de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, anders dan genoemd in artikel 4.1;
  2. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
  3. het gebruik van gronden en opstallen voor horeca, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels. 
4.5.2. Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 4.1 onder a tot en met g is alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels, uiterlijk 12 maanden nadat het daaraan gekoppelde gebruik is aangevangen, volledig is gerealiseerd en vervolgens volledig wordt beheerd en in stand wordt gehouden.
 
4.5.3. Voorwaardelijke verplichting herinrichting Molswingelsdwarsdijk
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 4.1 onder a tot en met g is alleen toegestaan als de Molswingelsdwarsdijk wordt heringericht overeenkomstig het ‘Ontwerp Molswingelsdwarsdijk’, zoals opgenomen als bijlage 6 bij deze regels, of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, voordat het daaraan gekoppelde gebruik is aangevangen.
 
4.5.4. Voorwaardelijke verplichting sloop
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 4.1 onder a tot en met g is alleen toegestaan als binnen 12 maanden na het in werking treden van het onderhavige bestemmingsplan de overtollige bebouwing op de locatie De Platkuil 4-6, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels, is gesloopt.
 
4.5.5. Voorwaardelijke verplichting bodemkwaliteit
 
Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden en gebouwen conform artikel 4.1 onder b en c is alleen toegestaan indien nulsituatie-bodemonderzoeken worden uitgevoerd, met eventueel noodzakelijke periodieke vervolgonderzoeken, conform het bepaalde in de Wet milieubeheer.
 
4.6. Afwijken van de gebruiksregels
 
4.6.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
  1. artikel 4.5.2 en een aangepaste landschappelijke inpassing toestaan dan overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels, met dien verstande dat er sprake is van een vergelijkbare ruimtelijke kwaliteit.
  2. artikel 4.5.3 en een aangepaste herinrichting van de Molswingelsdwarsdijk toestaan dan overeenkomstig het ‘Ontwerp Molswingelsdwarsdijk’, zoals opgenomen als bijlage 6 bij deze regels, met dien verstande dat er sprake is van een verkeerskundig vergelijkbaar plan.  
4.6.2. Aanvullend afwegingskader
 
Een in artikel 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
  2. er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
  3. er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de milieusituatie;
    3. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de sociale veiligheid.
 
   
 
Artikel 5 Natuur
 
5.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het behoud en versterking van de ecologische structuur;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van droge en natte natuurgebieden en wateren met natuurwaarden;
  3. het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden;
  4. behoud van kleine bosgebieden;
  5. behoud van landschapselementen, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 4;
  6. agrarisch medegebruik;
  7. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
  8. waterhuishoudkundige doeleinden;
  9. extensieve dagrecreatie.  
5.2. Bouwregels
 
5.2.1. Algemeen
 
Op de voor ‘Natuur’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan aan de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van recreatief medegebruik, dan wel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m² per bouwwerk;
  2. Nieuwvestiging van inrichtingen ex artikel 2.4 IVbM (lawaaisportterreinen) is niet toegestaan.
5.3. Nadere eisen 
  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    1. bebouwing;
    2. verhardingen;
  2. Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
    1. de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
    2. stedenbouwkundige kwaliteit;
    3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    4. de milieusituatie;
    5. de verkeersveiligheid;
    6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    7. de sociale veiligheid;
    8. de externe veiligheid;
    9. de hemelwaterproblematiek.  
5.4. Specifieke gebruiksregels
 
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 5.1, meer in het bijzonder:
  1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten;
  2. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
  3. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
5.5. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
5.5.1. Algemeen
 
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het afgraven, ophogen, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van de bodem tot meer dan 0,5 m;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, voet-, fiets- en/of ruiterpaden of parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m², met uitzondering van:
    1. het aanleggen en verharden van wegen en/of paden ter directe ontsluiting van agrarische bouwpercelen;
    2. het aanleggen van koe- of kavelpaden;
    3. het aanleggen van verhardingen op de gronden tussen de voorzijde van het agrarisch bouwvlak en de ontsluitingsweg of gebied tussen de voorzijde van een burgerwoning en de ontsluitingsweg of binnen 5 m uit de bestaande bebouwing ten behoeve van de woning;
  3. het vellen, rooien, zaaien of aanplanten van bomen en andere houtopstanden, voor zover het beplanting betreft die niet in een kapvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is geregeld, zoals deze regelingen luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan;
  4. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik
  5. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen. 
5.5.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het in 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.5.3. Afwegingskader
 
Een in 5.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke waarden van de gronden en een positieve bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van de ecologische structuur.
 
5.5.4. Strafregel
 
Overtreding van het verbod in 5.5.1 is een strafbaar feit.
 
 
Artikel 6 Water - Watergang
 
6.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Water - Watergang' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de berging en/of afvoer van water;
  2. recreatief medegebruik;
  3. ontwikkeling van natuurlijke oevers;
  4. extensieve dagrecreatie. 
met daarbij behorende beschermingszone, ten behoeve van de bescherming, beheer en onderhoud van het water, voor zover sprake van een watergang als opgenomen in de legger van de primaire wateren van het waterschap. Voor het te voeren beleid wordt tevens verwezen naar het Waterbeheersplan van het betreffende waterschap.
 
Op de gronden zijn de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het betreffende waterschap van toepassing.
 
6.2. Bouwregels
 
Op de voor ‘Water - Watergang’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd, zoals bruggen, dammen en/of duikers.
  
6.3. Specifieke gebruiksregels
 
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:
  1. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  2. de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. de grond, daaronder mede begrepen wateren, en opstallen als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.  
6.4. Wijzigingsbevoegdheid.
 
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Water - Watergang’ wijzigen in een direct aangrenzende bestemming, onder de voorwaarden dat:
  1. de waarden die het plan beoogt te beschermen niet in onevenredige mate worden geschaad;
  2. de waterhuishouding niet onevenredig wordt geschaad;
  3. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad;
  4. de milieuhygiënische uitvoerbaarheid is gewaarborgd;
  5. de regels van de betreffende bestemming worden van overeenkomstige toepassing verklaard.
 
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie
 
7.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
7.2. Bouwregels
 
Op de voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:
  1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter ten opzicht van het maaiveld;
  2. de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100 m2;
  3. bouwwerken ten dienste van de in lid 7.1 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende bestemming, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
7.3. Nadere eisen
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als ‘Waarde - Archeologie’, zulks ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.
  
7.4. Afwijking van de bouwregels
 
7.4.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
7.4.2. Afwegingskader
 
Een in 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend mits:
  1. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of;
  2. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodige zeker is gesteld.
    In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.  
7.5. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
7.5.1. Algemeen
 
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m2 of meer:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  9. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 meter. 
7.5.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het in 7.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan;
  3. het normaal onderhoud en beheer betreffen. 
7.5.3. Afwegingskader
 
Een in 7.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of;
  2. uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden. 
7.5.4. Strafregel
 
Overtreding van het verbod in 7.3.1 is een strafbaar feit.
  
7.6. Wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de verbeelding van het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak:
  1. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  2. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  3. van de verbeelding wordt verwijderd;
voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.
  
Artikel 8 Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden
 
8.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsven/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.
 
8.2. Bouwregels
 
8.2.1. Algemeen
 
Op de voor 'Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
8.2.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het bepaalde in 8.2.1 is niet van toepassing op:
  1. bouwprojecten met een grondbeslag van niet meer dan 100 m²;
  2. activiteiten waarvoor geen of een lichte bouwvergunning vereist is;
  3. bouwprojecten waarvoor een reguliere bouwvergunning is verleend en waarvoor advies is ingewonnen bij het Waterschap Limburg;
  4. binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
  5. bouwprojecten en/of activiteiten overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels. 
8.3. Afwijking van de bouwregels
 
8.3.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
8.3.2. Afwegingskader
 
Een in 8.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de natte milieuomstandigheden in de in 8.1 genoemde natuurgebieden geen bezwaar bestaat, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
  
8.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.4.1. Algemeen
 
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  2. het diepploegen of diepwoelen dieper dan 30 cm;
  3. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk;
  4. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  5. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van waterlopen. 
8.4.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het in 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. ten dienste van de in 8.2.2 genoemde (bouw)werkzaamheden;
  4. binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
  5. overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels. 
8.4.3. Afwegingskader
 
Een in 8.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen bezwaar of nadeel ontstaat voor de bescherming van natte milieuomstandigheden, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
 
8.4.4. Strafregel
 
Overtreding van het verbod in 8.4.1 is een strafbaar feit.
 
 
Artikel 9 Waterstaat - Beschermingszone watergang
 
9.1. Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
  1. de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. 
met dien verstande dat de beschermingszones zijn opgenomen in de legger van de primaire wateren van het betreffende waterschap. Op de gronden zijn tevens de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het betreffende waterschap van toepassing.
 
9.2. Bouwregels
 
9.2.1. Algemeen
 
Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
9.2.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het bepaalde in 9.2.1 is niet van toepassing op:
  1. bouwprojecten en/of activiteiten overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels.  
9.3. Afwijking van de bouwregels
 
9.3.1. Algemeen
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
9.3.2. Afwegingskader
 
Een in 9.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade mag worden of kan worden toegebracht aan de watergang, en onder de voorwaarden dat:
  1. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 9.1 bedoelde watergang;
  2. de beslissing met betrekking tot de afwijking aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.  
9.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.4.1. Algemeen
 
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  2. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen. 
9.4.2. Uitzonderingen op verbod
 
Het in 9.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan
  3. overeenkomstig het ‘Landschappelijk inpassingsplan Crematorium Nederweert’, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels. 
9.4.3. Afwegingskader
 
Een in 9.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de watergang. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie van de bedoelde watergang.
 
9.4.4. Strafregel
 
Overtreding van het verbod in 9.4.1 is een strafbaar feit.
 
 
3 Algemene regels
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 11 Verhouding tussen bestemmingen
 
  1. Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.
  2. Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden:
    1. in de eerste plaats de regels van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Beschermingszone watergang’;
    2. in de tweede plaats de regels van de dubbelbestemming ‘Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden’;
    3. in de derde plaats de regels van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’.
 
 
Artikel 12 Algemene gebruiksregels
 
12.1. Geoorloofd gebruik
  1. Een evenement is verboden in een natuurbestemming en in een Natura2000-gebied.
  2. In een afstand van 101 tot 200 meter tot een Natura2000-gebied zijn enkel die evenementen toegestaan die voldoen aan alle voorwaarden in dit lid:
    1. zonder muziek, of enkel achtergrondmuziek, en;
    2. enkel in de dagperiode, en;
    3. met een maximum bezoekersaantal van 100, en;
    4. met een duur van maximaal 5 dagen inclusief op- en afbouw.
  3. Overige evenementen zijn buiten het broedseizoen toegestaan in een afstand van 201 tot 400 meter tot een Natura2000-gebied.
  4. Overige evenementen zijn binnen het broedseizoen toegestaan in een afstand groter dan 400 meter tot een Natura2000-gebied.
  5. Daar waar evenementen zijn toegestaan, zijn maximaal drie evenementen per jaar toegestaan per perceel, en in een straal van 200 meter rondom dat perceel.
  6. Daar waar evenementen zijn toegestaan is de duur van één evenement, inclusief op- en afbouw, niet meer dan vijftien dagen, tenzij in dat lid specifiek anders bepaald.
   
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
 
13.1. Afwijkingsbevoegdheid
 
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  2. de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  3. de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot, waarbij voor een vergroting tot meer dan 30 m. overleg dient plaats te vinden met Defensie in het kader van de veiligheid voor vliegverkeer binnen laagvlieggebieden;
  4. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
  5. de voorgeschreven maten met maximaal 10%, mits niet elders in deze planregels wordt voorzien in een afwijking van de maatvoeringsregels. 
13.2. Afwegingskader
 
Een in 13.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de milieusituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de sociale veiligheid;
  6. de externe veiligheid.
 
 
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels
 
14.1. Wijzigingsbevoegdheid
 
14.1.1. Algemeen
 
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:
  1. nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen;
  2. bestemmingsgrenzen met max. 5 m. verschuiven;
  3. de bestemming Water - Watergang aan gronden toekennen ten behoeve van de aanleg of verplaatsing van watergangen;
  4. de landschapselementen zoals aangegeven op de in bijlage 4 opgenomen ‘Kaart landschapselementen' verwijderen. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer dit past in het inrichtingsplan Sarsven en de Banen;
  5. de landschapselementen zoals aangegeven op de in bijlage 4 opgenomen ‘Kaart landschapselementen' verplaatsen, en indien nodig ook de bijbehorende bestemming ‘Natuur’ verplaatsen, onder de voorwaarde dat dit tot een ecologische en landschappelijke meerwaarde voor het landschapselement leidt. Als het landschapselement op de oorspronkelijke locatie de bestemming ‘Natuur’ heeft, dan krijgt deze locatie een bestemming ‘Agrarisch’, dan wel ‘Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied’, dan wel ‘Agrarisch met waarden - Esdorpen’, dan wel ‘Agrarisch met waarden - Ontwikkelingszone groen’, dan wel ‘Agrarisch met waarden - Openheid, aansluitend aan de aangrenzende bestemming. Er komt geen nadere functieaanduiding of bouwvlak op de locatie te liggen waar het landschapselement vervalt.  
14.1.2. Afwegingskader
 
Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 14.1.1 a, b en c genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:
  1. de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  2. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
  3. de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische, de waterhuishoudkundige, de archeologische, de ecologische, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.
 
 
Artikel 15 Overige regels
 
15.1. Afstand bebouwing tot wegen
 
15.1.1. Algemeen
 
Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van 15 m uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen. 
 
15.2. Boringsvrije zone
 
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘milieu - boringsvrije zone’ mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.
  
15.3. Parkeren
 
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (CROW publicatie 381)’ en de opvolgers daarvan.
 
 
Artikel 16 Kwaliteitsregels
 
16.1. Algemeen
 
Het bestemmingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering wordt een instrument ingezet dat erop gericht is om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
 
Deze kwaliteitsverbetering vindt via de volgende benadering plaats:
  1. ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage. 
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
  • ontwikkelingen buiten het bouwvlak
  • een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven
  • het toevoegen van nevenactiviteiten  
 
16.2. Ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage
 
16.2.1. Algemeen
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsregels, onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
 
16.2.2. Bestemming Agrarisch
 
Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit.
Deze doelstelling kan worden door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
  1. er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
  2. versterking omliggende openbare ruimte;
  3. realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
  4. behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
  5. vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
  6. inpassende beplanting. 
16.2.3. Bestemming Natuur
 
Binnen de bestemming ‘Natuur’ is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het behouden en versterken van de ecologische structuur.
Deze doelstellingen kunnen worden bereikt door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
  1. realiseren of versterken natuurwaarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
  2. agrarisch natuurbeheer;
  3. behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
  4. vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
  5. inpassende beplanting.
 
 
Artikel 17 Werking wettelijke regelingen
 
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 18 Overgangsrecht
 
18.1. Overgangsrecht bouwwerken
 
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.  
18.2. Afwijkingsbevoegdheid
 
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 18.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder lid 18.1 met maximaal 10%.
  
18.3. Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
 
Lid 18.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  
18.4. Overgangsrecht gebruik
 
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  
18.5. Strijdig gebruik
 
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 18.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  
18.6. Verboden gebruik
 
Indien het gebruik, bedoeld in lid 18.4, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
18.7. Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
 
Lid 18.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  
Artikel 19 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan ‘Crematorium Nederweert’.
Vastgesteld p.m.