| Plan: | Eindweg 9, Middelaar |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0944.Eindweg9-VA01 |
Aan de Eindweg 9 en 13 nabij de kern Middelaar liggen twee intensieve varkenshouderijen. De twee bedrijven verplaatsen naar een andere locatie in de regio. De initiatiefnemer heeft een plan gemaakt om de bedrijfsbebouwing te slopen en de locatie te ontwikkelen tot een nieuwe woonlocatie met negen woningen. Van agrarische bedrijfsvoering is in de toekomstige situatie geen sprake meer. De woningen worden landschappelijk ingepast. Daarmee levert het plan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en er is sprake van een aanzienlijke afname van de geurbelasting op de omgeving.
Deze ontwikkeling is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Eindweg, ten westen van de kern Middelaar. Binnen het plangebied zijn drie adressen gevestigd: Eindweg 9, 11 en 13. De locaties zijn kadastraal bekend als gemeente Mook en Middelaar, sectie C nummers 1834, en delen van de percelen 1835 en 2208. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in de omgeving (bron: ruimtelijkeplannen).
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt in het noordoosten van het buitengebied van de gemeente Mook en Middelaar, aan de rand van de dorpskern Middelaar. Het is een landelijke omgeving met enkele agrarische bedrijven, burgerwoningen en landbouwgronden. Op circa 0,5 km ten noorden ligt de Mookerplas en op ruim 1 km ten zuiden van het plangebied stroomt de Maas.
Kenmerkend voor het hele gebied is het voorkomen van noordwest-zuidoost gerichte landschapsstructuren: de Maas, de ruggen van Middelaar, de stuwwallen en eveneens de groeirichtingen van de drie kernen in het gebied. Naast Middelaar zijn dat Heikant en Katerbosch. De naoorlogse uitbreidingen van deze drie kernen vonden voornamelijk plaats langs de doorgaande wegen. Dit heeft geresulteerd in smalle langgerekte kernen met tweezijdige lintbebouwing.
Het plangebied aan de Eindweg behoort tot het westelijke uitloopgebied van de lintbebouwing van Middelaar en Katerbosch. Binnen het plangebied liggen twee varkenshouderijen, aan de Eindweg 9 en 13. Bij de Eindweg 9 zijn twee bedrijfswoningen aanwezig. Eindweg 11 is de tweede bedrijfswoning bij het bedrijf aan Eindweg 9. Aan de Eindweg 13 ligt één bedrijfswoning. De twee agrarische erven hebben verder een vergelijkbare inrichting. De woningen staan vooraan op het perceel, daarachter liggen de bedrijfsgebouwen. Het gezamenlijke oppervlak van de bedrijfsgebouwen van de twee bedrijven bedraagt ca 4.400 m².
De twee agrarische bedrijven zetten elders in de regio de bedrijfsvoering voort. Navolgende afbeeldingen geven enkele impressies van de bestaande situatie.
Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bestaande bedrijfswoning aan de Eindweg 9
De bestaande bedrijfswoning aan de Eindweg 13
In de toekomstige situatie wordt het plangebied ontwikkeld tot een woonlocatie met in totaal negen woningen. Twee van de drie bestaande bedrijfswoningen blijven behouden als reguliere woningen (nummer 9 en 13). De bedrijfswoning aan de Eindweg 9 betreft een oude hoeve waarbinnen drie aaneengebouwde woningen zijn voorzien. De bedrijfswoning aan de Eindweg 11 wordt gesloopt en op een andere plek op het perceel herbouwd als burgerwoning. De bedrijfswoning aan de Eindweg 13 wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast worden er 4 nieuwbouwwoningen gerealiseerd. De agrarische bouwvlakken worden van de locatie verwijderd en de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een totaal oppervlak van 4.400 m², worden gesloopt. De grond waarop de achterste stallen staan is bij het realiseren van de stallen opgehoogd. Het maaiveld van dit deel van het plangebied zal tot de oorspronkelijke hoogte worden teruggebracht. Door de sloop van de bebouwing, het verdwijnen van de geurbelasting van de varkenshouderijen op de omgeving, de nieuwe landschapselementen en het herstellen van het oorspronkelijke reliëf levert dit plan een aanzienlijke kwaliteitsverbetering op.
De woningen staan in de toekomstige situatie als een golvend lint ten zuiden van de Eindweg, zie ook navolgende inrichtingstekening. Daarmee wordt de traditie om uitbreidingen van de kernen in dit gebied vorm te geven langs de doorgaande wegen, verder voortgezet. Bepalend bij de toekomstige positionering van de woningen is dat de zandrug ten zuiden van het plangebied beter zichtbaar is vanaf de Eindweg. De woningen zullen daar waar mogelijk via gecombineerde inritten worden ontsloten op de Eindweg. Parkeren is straks geheel mogelijk op eigen terrein.
Voor het plan is een beplantingsplan opgesteld. Tussen de woonkavels worden smalle groensingels, hagen of bomenrijen aangeplant. Het einde van het bebouwingslint wordt gemarkeerd door een singel. Op de overgang naar het agrarische gebied aan de zuidwestkant worden maasheggen aangeplant. Langs de openbare weg wordt de aanwezige structuur van ligusterhagen voortgezet. De inrichting en instandhouding van het plangebied conform het beplantingsplan is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend plan. Voor het plan is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan en beplantingsplan zijn opgenomen in bijlage 3 van de regels.
Uitsnede landschappelijke inpassing plangebied (bron: Beplantingsplan)
Referentiebeelden van de nieuw te bouwen schuurwoningen (bron: Beeldkwaliteitsplan)
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied maakt onderdeel uit van het besluitsubvlak rivierbed van het Barro.
Besluitsubvlak rivierbed
In de toelichting (2.4.3) staat het volgende beschreven over de regeling behorende bij het besluitsubvlak rivierbed: 'Dit artikel verwoordt de algemene rivierkundige voorwaarden waaraan toe te laten (bouw)activiteiten in het rivierbed, ongeacht de aard en de omvang daarvan, altijd moeten voldoen. Deze voorwaarden zijn een vertaling van de zorgplicht van de initiatiefnemer van een activiteit in het rivierbed, die is verwoord in artikel 6.15, eerste lid, van het Waterbesluit. Om de belangen waarop deze bepaling ziet, ook via het ruimtelijke spoor te borgen, dienen deze voorwaarden door te werken in het bestemmingsplan. Dit laat overigens onverlet dat het eveneens gewenst is dat rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden'.
In artikel 2.4.3 van de regels is het volgende opgenomen:
Planspecifiek:
Het bestemmingsplan voorziet in het slopen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing van twee intensieve veehouderijen. Daar komen zes nieuwe woningen voor terug. Er is sprake van een aanzienlijke afname van het verhard oppervlak, met minimaal 4.400 m². De voorwaarden van lid 1 worden hieronder toegelicht.
Doordat het plan geen invloed heeft op het bergend vermogen van de rivier zijn de voorwaarden van lid 2 en 3 niet van toepassing. De ontwikkeling is niet in strijd met de voorwaarden voor het Besluitsubvlak rivierbed. Gezien de ligging binnen het rivierbed is het bouwen binnen het plangebied op eigen risico van de initiatiefnemer.
Situatietekening met de beoogde compensatie
Ladder duurzame verstedelijking
Jurisprudentie heeft uitgewezen dat er bij nieuwe woningbouwontwikkelingen waarbij de toename van het aantal woningen beperkt blijft tot 11 of minder, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet in een toename van maximaal 9 woningen. In die zin kan worden gesteld dat de uitvoer van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op dit plan.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het Rijksbeleid de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, met bijbehorend plan m.e.r., de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers en- Vervoersprogramma vastgesteld.
In het POL staat kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts in beperkte mate voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. In het POL is opgenomen dat het toevoegen van nieuwe woningen aan de woningvoorraad dient te worden afgestemd met de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg (zie paragraaf 3.3).
Er wordt de komende jaren een toename aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. Er wordt naar gestreefd dat de vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Maar het is zeker niet te verwachten dat alle leegstand zo kan worden opgelost. In dat geval is sloop (bijvoorbeeld van verouderde stallen, schuren en overige voorzieningen) gewenst, om leegstand, verval en mogelijk ook illegaal gebruik te voorkomen.
Planspecifiek
Als onderdeel van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 is in de Omgevingsverordening Limburg 2014 het volgende relevante artikel opgenomen voor dit plan:
Het plangebied ligt binnen de Bronsgroene landschapszone. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Met onderhavig plan wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd, verdwijnt het milieueffect van de varkenshouderijen op de omgeving en het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Vanuit het Limburgs Kwaliteitsmenu levert het plan daarmee een aanzienlijke kwaliteitsverbetering, zie verder de toelichting daarop in paragraaf 3.2.2 en 3.4.2. Mede door deze investering worden de kwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone versterkt.
Het plan sluit aan bij de uitgangspunten van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg.
De gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar hebben samen een Strategische Regiovisie ontwikkelt om te bepalen waarin de gemeenten de komende tijd gaan investeren. Deze visie is door de gemeenteraad vastgesteld voor wat betreft toerisme en recreatie in de meest brede zin van het woord. Met deze strategische regiovisie willen deze gemeenten de regio beter tot haar recht laten komen en een bestendig perspectief voor het geheel garanderen. Hierin zijn wensen en ambities geformuleerd in zeven programma’s en met twee sleutelprojecten is aangegeven welke ontwikkelingen met voorrang ter hand worden genomen. Hiermee is een kwaliteitsslag te bereiken die nodig is om de leefbaarheid te vergroten en de achterstand op het omliggende gebied te verkleinen.
Daarbij is gekozen voor een ontwikkelingsmodel met een onderscheidend profiel dat complementair is aan de stedelijke regio’s in de nabije omgeving: in het noorden Arnhem/Nijmegen en in het zuiden Venlo. Van de groei van beide stedelijke regio's kan worden geprofiteerd, maar dan wél op de eigen manier, namelijk kleinschalig en duurzaam. De inzet is om in de regio een ‘center of excellence’ neer te zetten, met als steekwoorden: puur, authentiek, gastvrij en met respect voor de natuur en het landschap.
De regio heeft een aantal kwaliteiten die versterkt kunnen worden. Hierin wordt een viertal dragende functies onderscheiden waarop de hoofdprogramma’s worden ingezet om de kwaliteitssprong te maken, namelijk: wonen, zorg, recreatie en toerisme en landbouw.
Planspecifiek
In de regiovisie wordt het plangebied niet specifiek benoemd. Wel wordt benoemd dat binnen de wooneconomie nog plaats is voor excellent, onderscheidend woonmilieu met ruimte voor verschillende wooncategorieën. Het betreft een milieu dat de stedelijke centra Arnhem/Nijmegen en Venlo niet kunnen bieden. Dit woonmilieu zal de karakteristieken van de regio benutten en versterken. De realisatie van dit woonmilieu betreft kleinschaligheid, waardoor de karakteristiek van het landschap wordt gewaarborgd. Onderhavig plan betreft de verplaatsing van twee intensieve veehouderijen en het toevoegen van 6 extra woningen in het buitengebied. Deze vorm van wonen kan niet worden gerealiseerd in de stedelijke centra van Arnhem/Nijmegen en Venlo. Door de investering in het landschap bij de realisatie van de woning en het verdwijnen van de geurbelasting van de twee intensieve veehouderijen op de woningen in de omgeving, heeft de ontwikkeling een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied tot gevolg.
Het initiatief past binnen de 'Strategische regiovisie Bergen, Gennep, Mook en Middelaar.
In de regionale structuurvisie wonen van de regio Noord Limburg staat het regionaal woonbeleid opgeschreven. De regio bestaat uit de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas. In de visie wordt door de regio samen met de provincie Limburg sturing gegeven aan de regionale woningmarkt. Een belangrijk ambitie die is voortgekomen uit de visie is het terugbrengen van de plancapaciteit. Op basis van de structuurvisie is afgesproken dat gemeenten die een overschot hebben aan plancapaciteit deze capaciteit terugbrengen. Afgesproken is dat gemeenten 40% van het overschot aan woningbouwplannen ten opzichte van de huishoudensgroei dienen te schrappen. De gemeente Mook en Middelaar heeft hier invulling aangegeven door twee uitleglocaties te schrappen. Het gaat om de locatie Cuijkse Steeg te Mook en de locatie Dorpstraat 2/2a te Middelaar. In totaal gaat het om 230 bouwtitels die niet meer op de planningslijst staan. Met het schrappen van deze twee grote plannen heeft Mook en Middelaar ruimschoots voldaan aan de afspraak tot planreductie en is er weer beperkte ruimte om nieuwe woningen toe te staan.
Planspecifiek
Door het schrappen van de twee uitleglocaties binnen de gemeente Mook en Middelaar is er ruimte voldoende om zes extra woningen toe te voegen aan het plangebied.
Het initiatief past binnen de 'Regionale Structuurvisie wonen'.
Op 19 november 2009 heeft de gemeenteraad van Mook en Middelaar de 'Structuurvisie Mookerplas en omgeving' vastgesteld. Met het vaststellen van de structuurvisie zijn de ontwikkelingsrichtingen voor de kernen Middelaar, Plasmolen en de omgeving van de Mookerplas vastgelegd.
De gemeente Mook en Middelaar streeft naar behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteit van haar gemeente. Centraal daarbij staan leefbaarheid voor haar inwoners en bezoekers van de gemeente, werkgelegenheid en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten.
De structuurvisie zet in op een duurzaam en hoogwaardig gebied voor wonen, werken en recreëren.
Er spelen in het gebied rondom de Mookerplas vele vraagstukken op het gebied van ruimtelijke ordening. Daarbij zijn de ambities voor het gebied hoog. De Gemeente Mook en Middelaar heeft deze ambities mede vastgelegd in de toekomstvisie. De ambities zijn:
Planspecifiek
Voorliggend initiatief leidt tot een forse ontstening van het plangebied, een aanzienlijke afname van de geurbelasting op de omgeving en een kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarmee beschikt dit plan over meerdere aspecten die gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het woon- en leefklimaat van het plangebied en de omgeving. Het initiatief komt daarmee tegemoet aan de ambities die de gemeente heeft gesteld in de structuurvisie.
Uitsnede Structuurvisie Mookerplas en omgeving (plangebied rood omcirkeld)
Het plangebied ligt in een gebied waar vanuit landschapsperspectief wordt gestreefd naar het bewaren of versterken van de openheid. Het plan komt hierin tegemoet door de borging van enkele doorzichten vanaf de Eindweg op de zandrug, die ten zuiden van het plangebied ligt. Dit wordt geborgd middels het verplicht uitvoeren van het beplantingsplan, het hanteren van strakke bouwvlakken in dit bestemmingsplan en het uitsluiten van (vergunningsvrij) bouwen op de locaties van de belangrijke doorzichten. De zandrug is in de toekomstige situatie daardoor beter waarneembaar dan in de huidige situatie, waar de bebouwingsclusters van de twee intensieve veehouderijen het zicht op de zandrug nu nog ontnemen.
Het initiatief past binnen de Structuurvisie Mookerplas en omgeving.
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is een belangrijk hulpmiddel van de gemeente voor het garanderen en verbeteren van de kwaliteit van het landschap.
Planspecifiek
Op basis van het landschapsontwikkelingsplan is de locatie gelegen in het deelgebied ‘overgangszone’. Dit is de zone tussen de stuwwal en de Maasuiterwaarden. Navolgend een uitsnede van de visiekaart van het landschapsontwikkelingsplan met de locatie rood omcirkeld.
Uitsnede visiekaart LOP (plangebied rood omcirkeld)
Het landschapsontwikkelingsplan formuleert aan de hand van de paarse pijl op de visiekaart dat behoud van de karakteristieke openheid en de zichtlijnen vanaf de Eindweg op het aangrenzende landschap, gewenst is. Voorliggend plan komt aan deze wens tegemoet door de doorzichten op het landschap te versterken. De bestaande bebouwingsstructuur binnen het plangebied ontneemt nagenoeg volledig het zicht op het achterliggende landschap vanaf de Eindweg. Deze bebouwing wordt gesloopt en vervangen voor enkele woningen. Door de nieuwe stedenbouwkundige opzet ontstaan er vanaf de Eindweg meerdere doorzichten langs de woningen op het achterliggende landschap.
Voor het aangrenzende gebied, net buiten het plangebied (oranje aanduiding op visiekaart) gelden de volgende eisen:
Voorliggend plan heeft geen invloed op de voorgaande eisen. Het plan past daarmee binnen het
landschapsontwikkelingsplan.
De gemeentelijke woonvisie is in mei 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. De woonvisie is een verdere uitwerking van de regionale structuurvisie wonen Noord Limburg. In de woonvisie is expliciet invulling gegeven aan de opgave om het aantal woningbouwplannen te reduceren. Door deze reductie ontstaat er ruimte om nieuwe initiatieven toe te voegen. Met deze ruimte wordt zorgvuldig omgegaan. In de woonvisie is een toetsingskader opgenomen voor nieuwe initiatieven. Nieuwe initiatieven moeten kwantitatief passen, daarnaast moet er sprake zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Tot slot moet het plan kwalitatief passend zijn.
Planspecifiek
Dit bestemmingsplan betekent de toevoeging van zes woningen. Deze ontwikkeling is al opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente Mook en Middelaar. De laatste prognoses laten daarnaast zien dat er nog meer ruimte ontstaat voor woningbouwontwikkeling. Bovendien voorziet de ontwikkeling in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Tot slot past de toevoeging van de toevoeging van enkele vrijstaande en aaneengebouwde woningen kwalitatief in het woningbouwprogramma.
Het initiatief past binnen de gemeentelijke woonvisie.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Mookerplas e.o., 1e herziening' dat op 9 juli 2020 is vastgesteld. Bijgevoegd een uitsnede van het geldend bestemmingsplan.
Uitsnede uit het bestemmingsplan 'Mookerplas e.o., 1e herziening' van de gemeente Mook en Middelaar (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het hele plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden'. Daarbinnen liggen twee bouwvlakken waarbinnen agrarische bedrijven en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Op de bouwvlakken is de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' toegevoegd, waardoor ook de vestiging van een intensieve veehouderij is toegestaan. Op het oostelijke bouwvlak geldt daarnaast de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 2', waardoor binnen dit bouwvlak niet één maar twee bedrijfswoningen zijn toegestaan.
Verder geldt over het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Aan de zuidwestkant van het plangebied geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed', mede bestemd voor een waterbergende functie. Hierbinnen mag alleen worden gebouwd indien de afname van het waterbergend vermogen wordt gecompenseerd. Tot slot ligt het zuidwestelijke deel van het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - ontheffingsgebied 2'.
Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan
Het realiseren van reguliere burgerwoningen is niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurwaarden'. Daarmee is voorliggend plan in strijd met het vigerende bestemmingsplan.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Om te kunnen bepalen of de kwaliteit van de bodem in lijn ligt met de toekomstige woonfunctie van het plangebied, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 3 en heeft als belangrijkste conclusie dat er geen reden is voor het uitvoeren van nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ligt in lijn met de beoogde woonfunctie.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15989905 (aan de Rijksweg (N271) Rijksweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |||
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) | 17,2 µg/m3 | 18,5 µg/m3 | 11,7 µg/m3 | ||
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 | ||
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Met voorliggend plan verdwijnen twee intensieve veehouderijen van de locatie en daar komen zes nieuwe woningen voor terug. Het aantal nieuwe woningen ligt ver onder de grenswaarde van 1.500 woningen. Het verdwijnen van de intensieve veehouderijen heeft daarnaast een positief effect op de luchtkwaliteit. Daardoor is te concluderen dat voorliggend project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
De Eindweg is een rustige weg in het buitengebied. Om te kunnen bepalen of wegverkeer over de Eindweg zorgt voor geluidhinder binnen het plangebied is gebruik gemaakt van door de gemeente Mook en Middelaar aangeleverde verkeersgegevens. Deze gegevens volgen uit verkeersberekeningen van de regio Nijmegen, uitgevoerd in 2018. De etmaalintensiteit van enkele wegen in de omgeving van de Eindweg varieert tussen de 200 en 600 verkeersbewegingen per dag. De Eindweg zelf is buiten het onderzoeksmodel gelaten vanwege het lage aantal verkeersbewegingen. Op basis van het lage aantal verkeersbewegingen over de Eindweg en de wegen in de omgeving, kan rederlijkwijs worden aangenomen dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB binnen het plangebied als gevolg van wegvekeerslawaai, niet wordt overschreden. Vanuit wegverkeerlawaai zijn er geen negatieve geluidseffecten, binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
In de omgeving van het plangebied zijn er geen industrieterreinen en/ of spoorwegen gelegen. Geluidhinder afkomstig van deze geluidsbronnen is daarmee op voorhand uit te sluiten.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid zoals bepaald in de Wgh.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m³ |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-stacks gebied. De gemeente Mook en Middelaar heeft een geurverordening vastgesteld, waarmee de aan te houden afstanden voor het gehele grondgebied van de gemeente zijn aangepast en voor delen van de gemeente ook de geurnormen zijn aangepast.
Geurverordening Mook en Middelaar
In de Wgv is eveneens vastgelegd dat een gemeente bij een verordening kan bepalen dat binnen een deel van het grondgebied een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende in de Wgv genoemde waarden (artikel 3 en 4). In de Geurverordening Mook en Middelaar is onder andere bepaald dat in afwijking van de Wgv de maximale toegestane geurbelasting voor geurgevoelige objecten in het buitengebied 14 ouE/m³ bedraagt. Tevens geldt voor dierverblijven waarvoor geen geuremissiefactoren bekend is de minimale afstand van 25 meter tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelige object (in het buitengebied). Voor locaties binnen de bebouwde kom geldt de minimale afstand van 50 meter.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied liggen meerdere veehouderijen. Aan de Eindweg 3 , op 110 m ten oosten van het plangebied, ligt een melkveehouderij, gericht op het fokken en houden van melkvee. Ook aan de Elzenstraat 10, op 130 m ten noorden van het plangebied, ligt een melkveehouderij. Het gaat in beide gevallen om dierenverblijven met dieren zonder geuremissiefactor. Voor deze bedrijven hanteert de gemeente Mook en Middelaar op basis van de Geurverordening een minimale afstand van 25 meter tussen emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelige object in het buitengebied. Uitgaande van de afstanden tussen het plangebied en de veehouderijen uit de omgeving, wordt hier ruimschoots aan voldaan. Op basis van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
Bovendien verdwijnen door voorliggend plan twee intensieve veehouderijen uit het plangebied. Door het verdwijnen van deze bedrijven is er sprake van een aanzienlijke afname van de geurbelasting op geurgevoelige objecten uit de omgeving. Het initiatief heeft daardoor een positief effect op het leefklimaat van de kernen Middelaar, Katerbosch en Heikant en de in het buitengebied gelegen woningen in de nabijheid van het plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Ten noorden van het plangebied liggen enkele bedrijfslocaties. Het vigerende bestemmingsplan 'Mookerplas e.o. 1e herziening' staat binnen de bestemming 'Bedrijf' bedrijven toe met een maximale milieucategorie 2 en een bijbehorende richtafstand van 30 m. De dichtstbijzijnde bedrijfslocatie vanaf het plangebied ligt op 130 m. Daarmee wordt er ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Daardoor kan worden gesteld dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat bedrijven uit de omgeving niet worden gehinderd door voorliggend plan.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart plangebied (bron: Risicokaart.nl)
In de omgeving van het plangebied (blauwe doorbroken cirkel) ligt op 700 m ten oosten een risicovolle inrichting. Het betreft een locatie met een propaantank. Door de ruime afstand tot het plangebied vormt de tank geen risico.
Aan de noordkant van de Mookerplas (N275) en ten zuiden van het plangebied (de Maas) liggen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze liggen echter op ruime afstand van het plangebied (circa 1,1 km en 1,2 km) waardoor ook hier geen sprake is van enig risico.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Voorliggend plan heeft door de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding een aanzienlijke afname (minimaal 4.400 m²) van het verhard oppervlak tot gevolg. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om hemelwater in de grond te infiltreren. In een latere fase van de planontwikkeling, bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen, zal de wijze van berging en infiltratie van het hemelwater worden uitgewerkt. De nieuwe woningen zullen voor de afvoer van het afvalwater worden aangesloten op het aanwezige rioolstelsel.
Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen het rivierbed van de Maas. Onder het rijksbeleid in paragraaf 3.1 is reeds gemotiveerd dat voorliggend plan geen negatief effect heeft op het waterbergend vermogen van het rivierbed.
Op het gebied van water is het plan uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Om te kunnen bepalen of voorliggend initiatief een mogelijk negatief effect heeft vanuit het aspect ecologie, is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van deze paragraaf opgenomen.
Soortenbescherming
Voor de uitvoering van voorliggend plan dient middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van boerenzwaluwen, huismussen, vleermuizen, roofvogels, bosuil, kerkuil, oehoe, ransuil en dassen. Indien de werkzaamheden plaatsvinden buiten 15 augustus tot en met februari dan is ook een aanvullend onderzoek benodigd voor de steenmarter. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Het aanvullend veldonderzoek zal worden uitgevoerd voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden. Indien blijkt dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied, dan dient middels een ecologisch activiteitenplan een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie Limburg. Er is geen reden om aan te nemen dat, mocht een ontheffing Wnb nodig zijn, deze niet zal worden verleend. Daarmee is het plan uitvoerbaar met betrekking tot beschermde soorten.
Gebiedsbescherming
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ca 1,4 km afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (Sint Jansberg). Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid zijn gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten.
Gezien het verdwijnen van twee varkenshouderijen zal de stikstofuitstoot in het plangebied in de toekomstige situatie flink afnemen. De stikstofuitstoot van het gebruik van de 6 extra woningen is vele malen lager dan de uitstoot van de twee varkenshouderijen. Ook de stikstofuitstoot in de aanlegfase zal niet boven de stikstofuitstoot van het huidige gebruik als varkenshouderijen uit komen. Voorliggend initiatief heeft geen negatieve effecten vanuit gebiedsbescherming.
Voorliggend plan is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied is en blijft ontsloten op de Eindweg. Uitgangspunt bij de ontwikkeling is om de woningen via gedeelde inritten te ontsluiten op deze weg. Door de bedrijfsbeëindiging van de twee intensieve veehouderijen en de komst van zes nieuwe woningen zal de verkeersaantrekkende werking afnemen.
Voor ontwikkelingen in de gemeente Mook en Middelaar wordt aangesloten bij de parkeernormen van het CROW. Per vrijstaande woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen. Per aaneengebouwde woning geldt een norm van 2,4 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte komt daarmee uit op 24 parkeerplaatsen (6*2,8 + 3*2,4). In de toekomstige situatie is er op het eigen terrein van de woningen voldoende ruimte beschikbaar om per woning drie parkeerplaatsen te realiseren. In de regels is voorwaardelijk verplicht gesteld dat de nieuwe woonfuncties pas in gebruik mogen worden genomen als voldaan is aan de parkeernorm.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Wet op de archeologische monumentenzorg zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen cultuurhistorische waarden waar het plan effect op kan hebben. Voorliggend plan heeft geen negatief effect ten aanzien van het deelaspect cultuurhistorie.
Archeologie
Om te kunnen bepalen of de toekomstige bouwwerkzaamheden van invloed zijn op de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten in de bodem, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 5). In het onderzoek wordt gesteld dat enkele gronden ter plaatse van het bestaande bebouwingscluster in het verleden tot grote diepte zijn geroerd. Voor deze gronden luidt het advies de gronden vrij te geven en de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te laten vervallen. Voor alle overige gronden binnen het onderzoeksgebied geldt dat de bestaande verwachtingswaarde niet kan worden bijgesteld. Om die reden wordt de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' voor alle overige gronden, anders dan de vrijgegeven gronden, overgenomen uit het moederplan. Daarin is een onderzoeksplicht opgenomen bij bodemverstoring dieper dan 40 cm onder maaiveld en groter dan 250 m². Tijdens een latere fase, bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen, zal indien nodig een aanvullend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
Het plan is in het kader van het wettelijk vooroverleg toegestuurd naar de relevante instanties.
Er is voor dit plan geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd. De omwonenden zijn over het plan geïnformeerd. Het plan is door de buurt zeer positief ontvangen. Vanuit de directe omgeving zijn er geen bezwaren tegen het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf maandag 11 januari 2021 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er één zienswijze door Rijkswaterstaat ingediend. Rijkswaterstaat verzoekt om compenserende maatregelen met een totale inhoud van 17,5 m³ te realiseren vanwege de beperkte afname van het bergend vermogen van het riviedbed door de beoogde bouwactiviteiten binnen het vergunningplichtige deel van het riviedbed. In paragraaf 3.1 is nader toegelicht op welke wijze deze compenserende maatregelen, met een totale inhoud van 17,5 m³, worden aangelegd binnen het plangebied. Daarmee komt voorliggend plan tegemoet aan de ingediende zienswijze.