direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Heerenweg Oost
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad van de gemeente Heerlen voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.

Het gebied tussen de Heerenweg en de Heideveldweg in Heerlen is in eigendom bij de Zilverzand exploitatie Beaujean BV (verder: Beaujean), die er al decennialang een zandwinningsbedrijf exploiteert. Het noordelijk deel van het gebied is inmiddels afgewerkt en het zuidelijk deel van het gebied is nog als groeve in gebruik. Voor het gehele gebied geldt nu de beheersverordening 'Snipperlocaties', met de bestemming 'Bedrijf - Groeve'. Beaujean wil op het afgewerkte deel van de groeve maximaal 25 grondgebonden (vrijstaande) woningen realiseren. De zandwinning in het resterende deel blijft bestaan. De woningen passen niet binnen de regels van de vigerende beheersverordening.

Door de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan wordt de bouw van de 25 woningen, met ontsluitingswegen en bijbehorende voorzieningen, zoals tuin, groen en waterhuishoudkundige voorzieningen, mogelijk gemaakt. De zandwinningslocatie wordt in het plan meegenomen. Door middel van dit bestemmingsplan Heerenweg Oost wordt voor het plangebied een actueel juridisch-planologisch kader gevormd, dat voor een periode van minimaal 10 jaar zal gelden.

1.2 Situering plangebied

Het plangebied wordt gevormd door de Heerenweg aan de westzijde, de Heideveldweg aan de oostzijde, de groenbestemming aan de achterzijde van de bebouwing aan de Vinkenstraat aan de noordzijde en de Euregioweg in het zuiden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0001.png"

Afbeelding 1: globale topografische ligging plangebied (de camping in het zuidwestelijk deel hoort niet tot het formele plangebied).

1.3 Juridische status

Binnen het plangebied is tot het onherroepelijk worden van het onderhavige bestemmingsplan de volgende beheersverordening van kracht:

Beheersverordening 'Snipperlocaties' , vastgesteld door de gemeenteraad van Heerlen op 7 januari 2014.

In deze beheersverordening heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf - Groeve'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0002.png"

Afbeelding 3: uitsnede verbeelding beheersverordening

1.4 Planvorm

De regels en de verbeelding vormen de juridische bindende onderdelen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.

Elk bestemmingsplan is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Onderhavig bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl nummer NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401

1.4.1 Toelichting

In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en inspraak.

1.4.2 Regels

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden.

Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen schrijft de SVBP voor de wijze waarop een planregel is opgebouwd en hoe de regels worden ingedeeld (vaste hoofdstukindeling).

1.4.3 Verbeelding

De verbeelding geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, bestemmingen en aanduidingen weergegeven. Het bestemmingsplan onderscheidt een digitale en een analoge verbeelding. Beide verbeeldingen zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding beslissend.

De digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van het bestemmingplan (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.

De analoge verbeelding bestaat uit 1 blad en heeft een schaal van 1:1000. De legenda legt een verbinding tussen de bestemmingen, aanduidingen en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, symbolen en topografische ondergrond(en).

1.4.4 Ondergrond

De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen.

Na vaststelling van het bestemmingsplan is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met het bestemmingplan verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge verbeelding, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale verbeelding. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up to date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de vastgestelde ondergrond bepalend.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling van het plangebied. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en hoofdstuk 8 geeft een beeld van de doorlopen bestemmingsplanprocedure en het gevoerde overleg.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor het rijksbeleid, het provinciaal en regionaal beleid en het gemeentelijk beleid, van toepassing voor het bestemmingsplan Heerenweg Oost, toegelicht.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu.

Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt.

In deze paragraaf is enkel het derde hoofddoel van belang. Een leefbare en veilige leefomgeving is een basisvoorwaarde voor burgers en ondernemers. Een leefbare en veilige samenleving vraagt onder andere om een goede milieukwaliteit, waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van de bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). In deze toelichting wordt de invloed op de milieuaspecten beschreven.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Sinds 1 juli 2017 geldt een nieuwe laddersystematiek. De voormalige drie treden van de ladder zijn vervangen door twee eisen bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Deze worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling;
  • indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de nieuwe laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling?
In dit geval gaat het om een functiewijziging van 'Bedrijf - groeve' naar 'Wonen' , ten behoeve van de bouw van 25 vrijstaande woningen op zeer ruime kavels. Beide functies zijn stedelijk van aard. Het ruimtebeslag van de nieuwe functie verandert niet, maar de ruimtelijke uitstraling verandert wel enigszins. De vraag of een ontwikkeling ook in dat geval een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' is, is niet eenduidig te beantwoorden. In de jurisprudentie is verder bepaald dat, ook als een ontwikkeling niet als zodanig wordt beschouwd, in een bestemmingsplan in ieder geval de noodzaak van een bepaalde ontwikkeling moet worden beschreven.

Vanwege de functiewijziging, die niet gepaard gaat met een uitbreiding van het ruimtebeslag en niet voor een wezenlijke andere uitstraling zorgt, wordt er van uit gegaan dat een ladder toets niet noodzakelijk is. De behoefte aan de woningen (aantal, aard) wordt in de volgende paragrafen nader beschreven.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.

De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven.

Verder staat in het POL kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.

Visie Zuid-Limburg

De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.

Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.

Het plangebied ligt binnen de zone 'landelijk gebied', de kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de steden en dorpen.

Belangrijkste uitgangspunten voor wonen zijn: geen nieuwbouw ‘in de wei’, concentratie rondom de stedelijke centra van Heerlen, Maastricht en Sittard, balans in kleine kernen, met behoud van cultureel erfgoed, en transformatie van met name de suburbane woonsfeer. Deze kwalitatieve sturing vindt plaats binnen het kader van de kwantitatieve opgave per gemeente. De ontwikkeling past in de provinciale visie en de uitwerking daarvan voor de regio Zuid-Limburg. Op het aspect 'wonen' wordt nader ingegaan in paragraaf 2.2.3.

Het POL 2014 geeft aan dat er een kwaliteitsslag nodig is ten aanzien van de bestaande woningvoorraad. In kwantitatief opzicht dient de woningmarkt aansluiting te zoeken bij de demografische ontwikkelingen en in kwalitatief opzicht dient het woningaanbod beter te worden afgestemd op de veranderende woningvraag. In plaats van eengezinswoningen is er bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, levensloopbestendige woningen en energiezuinige woningen. De woningen in het plangebied voorzien in een specifieke kwaliteitsklasse, waaraan ook behoefte is.

Het POL2014 beschrijft hiertoe een aanpak van 'dynamisch voorraadbeheer' waarbij onder meer wordt ingezet op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en transformatie en hergebruik van bestaand vastgoed. Het principe van dynamisch voorraadbeheer dient te worden uitgewerkt in een regionale structuurvisie wonen Zuid-Limburg (zie paragraaf 2.2.3).

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014.

Het plangebied ligt niet in een van de beschermde landschapszones (goud, zilver, brons). Voor het gebied geldt nog de aanduiding ' ontgrondingen' vanwege de bestaande zandwinactiviteiten.

2.2.3 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

In deze regionale structuurvisie hebben 18 Zuid-Limburgse gemeenten onderling afspraken gemaakt over de wijze waarop de transformatie van de woningvoorraad in Zuid-Limburg gestalte dient te krijgen. De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch: er zijn te veel woningen en ook sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak.

In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden.

Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is evenwel dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, dit om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling. Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd, hetzij met sloop, hetzij met het schrappen van harde bouwtitels, hetzij met een financiële bijdrage (waarmee sloop kan worden gefinancierd).

Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een 'transformatieopgave' afgesproken, zijnde de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde slooptaakstelling. Deze 'transformatieopgave' wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningmarktprogrammering op te stellen welke is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgaven.

Voor het opnemen van nieuwe plannen op de woningmarktprogrammering zijn in Zuid-Limburgs verband uniforme spelregels geformuleerd en vastgelegd in een 'Beslisboom'.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg

De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:

  • Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land;
  • Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfsrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten;
  • Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen;
  • Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.


De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's:


Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur

Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren.


Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht

Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte.


Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking

Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour.


Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid

De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.

De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod, waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op bestemmingsplan Heerenweg Oost.

2.3.2 Regionale woonvisie Parkstad

De gemeenten in Parkstad willen inzetten op het vergroten van de aantrekkelijkheid van het wonen in de regio, door samen met bewoners, marktpartijen en maatschappelijke partners te komen tot een aanbod van woningen dat aansluit bij de behoefte in de toekomst. De grootste opgave ligt daarbij in het kwalitatief op peil houden van de bestaande woningvoorraad en het kwantitatief in balans brengen van de woningvoorraad. Het gelijktijdig werken aan een kwantitatief en kwalitatief evenwicht is noodzakelijk, ook om problemen in zwakke woningmarktgebieden te voorkomen.

De Parkstadgemeenten hebben in samenwerking met de Provincie Limburg en het Rijksvastgoedbedrijf een filosofie uitgewerkt om in de transformatieopgave op de woningmarkt, met beperkte financiële middelen, zoveel mogelijk resultaat te boeken. Hiertoe zijn zeven leidende principes benoemd, waarlangs op een zo rendabel mogelijke wijze kan worden gewerkt aan de totstandkoming van een gezonde woningmarkt:

  • 1. Marktspanning is essentieel voor een gezonde woningmarkt
  • 2. Ongewenste plancapaciteit maximaal reduceren, want een bouwplan schrappen is goedkoper dan het slopen van woningen
  • 3. Investeer alléén in toekomstbestendige locaties
  • 4. Werk vanuit gezonde marktverhoudingen om onnodige marktverstoring te voorkomen
  • 5. Groot denken, maar projecten in kleine stappen uitvoeren, anders worden deze te kostbaar
  • 6. Denken in alle kasstromen voor gebieden als basis voor projecten
  • 7. Liefde voor bestaand vastgoed ontwikkelen

De Parkstadgemeenten willen de woonaantrekkelijkheid in de regio versterken, door aanwezige woonmilieus beter positioneren en profileren voor de woonconsument. Op deze wijze wordt het woon- en werkklimaat in de regio verbeterd. Dit betekent dat ontwikkelingen in woongebieden recht moeten doen aan de verschillen tussen woonmilieus. Op sommige plekken kunnen nog woningen worden toegevoegd, terwijl in met name het suburbaan gebied een overschot optreedt. Door de overschotten weg te werken moeten vraag en aanbod van woningen meer in evenwicht met elkaar worden gebracht en ontstaat er bovendien een kans om meer ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden toe te voegen.

Buiten de kwalitatieve ontwikkeling van woonmilieus, heeft de gehele regio een overkoepelende volkshuisvestelijke opgave: het voorkomen van concentraties van leegstand en ruimtelijke segregatie en de spreiding van kansen van doelgroepen over de regio.

Algemene visie op wonen in Heerlen

Heerlen maakt onderdeel uit van de Tripool Maastricht, Sittard, Heerlen die samen het economische hart van Zuid-Limburg vormen. Regionaal economische ontwikkelingen hebben belang bij een sterke centrumstad met stedelijke woonmilieus. Een aantrekkelijk woonklimaat is namelijk een van de randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat in de regio. Wonen ondersteunt ontwikkelingen rondom de Campussen, RWTH, etc. Deze ontwikkelingen leiden tot een andere additionele woonvraag van kenniswerkers en expats. Dit komt tot uitdrukking in het versterken van de woonmilieus in Heerlen:

Het centrum van Heerlen biedt binnen de regio een uniek centrumstedelijk woonmilieu. De gemeente wil dit woonmilieu versterken door cultureel aanbod, kwaliteit van de openbare ruimte en goede voorzieningen. De woonfunctie moet in het centrum meer ruimte krijgen. Door toevoeging van appartementen en stadsvilla's voor stedelijke, vaak jongere, leefstijlen. Dat betekent wel een omslag ten opzichte van de huidige vergrijsde bevolkingsopbouw van het Centrum.

Bij de woonmilieus op afstand van het centrum kiest de gemeente juist voor 'verdunnen' en 'vergroenen' van wijken, zodat hier aantrekkelijke woonmilieus ontstaan. Het parkachtige wonen in de verschillende stadsdelen dat hiermee versterkt wordt, biedt kansen om kenniswerkers, nieuwe economische clusters en studenten uit Aachen aan te trekken. Voor deze groepen wil Heerlen aantrekkelijke woonconcepten bieden.

Naast economische structuurversterking en de functie van wonen hierbij geven we tegelijkertijd aandacht aan het woonklimaat voor andere inwoners, ook die met een kleine beurs. De wijkenaanpak heeft hierin een belangrijke rol. Heerlen heeft een traditie om via de wijkenaanpak samen met maatschappelijke partners de woonkwaliteit van stadsdelen en woonwijken te verbeteren. De gemeente kiest hierbij een twee-sporenaanpak, waarbij zij voor wijken met een opstapeling van problemen kiest voor een actieve begeleiding van de ontwikkeling van de wijken, volgens de wijkenaanpak. Voor andere wijken kiest de gemeente voor een ondersteunende benadering, waarbij zij initiatieven vanuit de wijk ondersteunt. De wijkenaanpak richt zich bewust op zowel de fysieke als sociale verbetering van wijken. Corporaties, zorg- en welzijnsaanbieders zijn net als de bewoners belangrijke partners bij de wijkenaanpak.

2.3.3 Regionale woningmarktprogrammering 2013-2016

Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie heeft de Parkstadraad op 11 december 2013 de regionale woningmarktprogrammering voor de periode 2013-2016 vastgesteld. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken.

In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt.

De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie. Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën:

  • Categorie 1: herstructureringsprojecten
  • Categorie 2: goede projecten.
  • Categorie 3: de juiste plek verdient de juiste woning.
  • Categorie 4: toevoegen, maar tegelijk slopen is essentieel
  • Categorie 5: te veel concurrentie
  • Categorie 0: éénpitters

Bij het opnemen van nieuwe plannen op de programmering worden de spelregels toegepast die gemeenten op Zuid-Limburgs niveau met elkaar hebben afgesproken.

Het plan is voorgelegd aan de Stadsregio Parkstad. Er is besloten het project in categorie 4 te plaatsen. De gemeente heeft dit besluit ingevuld, door voor de eerste fase van het plan de benodigde sloopcontingenten beschikbaar te stellen, te weten maximaal 25 woningen. De sloopcontingenten zijn afkomstig van de locatie Bruinkoolweg in Heerlerheide. Daar zijn inmiddels 50 woningen gesloopt en in het bestemmingsplan Heerlerheide Oost, Reparatie Bruinkoolweg, is de woonbestemming vervangen door de bestemming 'Groen'. De woningen zijn daarmee definitief aan de woningvoorraad onttrokken.

De 25 vrijstaande woningen zijn verder vanwege hun bijzondere kwalitatieve aspecten, opgenomen in de programmering.

Conclusie:

De aanleg van de woningen past binnen het regionale en gemeentelijke woningbouwbeleid: de woningen leveren een bepaalde kwaliteit en het aantal is gecompenseerd door het slopen van woningen elders.

2.3.4 Structuurvisiebesluit Wonen en Retail

Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema wonen. Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad.

Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.

Het Structuurvisiebesluit gaat daarbij uit van een “nee-tenzij” principe, waarbij de “tenzij” bestaat uit de regionale afspraken zoals vastgelegd in de regionale woningbouwprogrammering.

In haar regionaal woonbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale woningvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de woningvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders.

Vigerende bestemmingen woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).

2.3.5 Herstructureringsvisie woningvoorraad Parkstad

In de Herstructureringsvisie Parkstad is op kaart aangegeven in welke gebieden in Parkstad de herstructureringsopgave met voorrang dient te worden opgepakt. Bovendien is hier het principe bepaald van verdichten in de centra in combinatie met verdunnen in de randen. In de herstructureringsvisie is ook het systeem van 'de envelop' geïntroduceerd. De envelop is een modelmatige benadering van de gewenste kwantitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad op stadsdeelniveau in de gemeente Heerlen. De systematiek van de envelop is in de SVWZL vertaald in de 'transformatieopgave'.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035

Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst.

De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed.
Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt.

Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema’s centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.


Vitale stad

In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen.


Centrale stad

In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor.


Innovatieve stad

In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering.


Verrassende stad

In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt.

Conclusie

De ontwikkeling past in het thema 'Vitale stad'. Het gaat om een relatief kleine ontwikkeling en woningen van een specifieke kwaliteit, die nog niet veel bestaan in de gemeente. Uitgangspunt daarbij is dat kansrijke plekken in het bestaand stedelijk weefsel worden benut om op kleine schaal kwalitatief goede woningen te bouwen. Woningen op plekken die iets toevoegen aan de kwaliteit van de totale voorraad. Woningen die we nog niet hebben en die jongere of hogere inkomens aan de stad kunnen binden. De gemeente streeft ernaar om in de toekomst bij de verdere uitwerking van deze structuurvisie in deelvisies, transitieopgaves te baseren op de kansen en uitdagingen van dat specifieke deelgebied op dat specifieke moment. Deze plek mag als zodanig worden aangemerkt.

In de structuurvisie is opgenomen dat de groeve ontwikkeld gaat worden tot parkgebied met ruimte voor nieuwe functies zoals stadslandbouw, energievoorzieningen en wonen.

2.4.2 Regionale woonvisie Heerlen

Eind juni 2017 zijn de Regionale Woonvisies van alle Parkstad gemeenten vastgesteld. Elke gemeente heeft de Regionale woonvisie Parkstad vertaald naar de lokale situatie. De Regionale Woonvisie Heerlen geeft richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt: het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en de veranderende woonwensen. Daarnaast geeft de Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties.

De Woonvisie Heerlen is het resultaat van een interactief proces waarin zowel lokaal als regionaal bijeenkomsten met stakeholders (onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, ontwikkelaars, makelaars, zorg- en welzijnspartijen, et cetera) zijn georganiseerd, waarbij input is opgehaald voor de nieuwe visie.

De belangrijkste volkshuisvestelijke opgave van de gemeente Heerlen is gericht op de afstemming van wonen en zorg voor de verschillende doelgroepen. Daarnaast is het belangrijk voor de gemeente Heerlen dat de betaalbare huurwoningvoorraad op peil blijft en er voldoende aanbod levensloopgeschikte woningen zijn. Om de woonaantrekkelijkheid te verbeteren wil de gemeente Heerlen enerzijds het centrumgebied verder ontwikkelen als regionaal stedelijk centrum, en anderzijds in de woonwijken een kwaliteitsslag maken: naar meer ruime parkachtige woonmilieus.

De verwachting is dat de bevolkingskrimp de komende jaren zal doorzetten als gevolg van de vergrijzing en het vertrek van jongeren. Het aantal huishoudens zal de komende jaren sterker gaan afnemen dan tot nu toe.
 afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0003.png"

tabel 1: toekomstige ontwikkeling aantal inwoners en huishoudens (2015 -2030)

De vergrijzing en ontgroening zal de komende jaren doorzetten. In bijna elke leeftijdscategorie neemt het aantal inwoners af. Alleen bij de 75-plussers in Heerlen wordt een toename verwacht. Hun aantal neemt met ruim 3.000 personen toe de komende vijftien jaar. De afname is het sterkt onder de 35 tot 55 jarigen (bijna 5.000 personen, -21% in de komende vijftien jaar).

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0004.png"

Figuur 1: Gemeente Heerlen. Bevolkingsontwikkeling naar leeftijd (2015 - 2030)

De bevolkings- en huishoudensafname hebben gevolgen voor zowel woning als woonomgeving. Op dit moment is er al sprake van structurele leegstand (het gaat hier dus niet om frictieleegstand, die het gevolg van de normale verhuisdynamiek op de woningmarkt), als gevolg van de huishoudensafname in de afgelopen jaren. Er stonden begin 2016 naar schatting ruim 700 huur- en 450 koopwoningen structureel leeg. Daarmee ligt de structurele leegstand in Heerlen op 3% van de huurvoorraad en 2% van de koopvoorraad.

Algemene visie op wonen in Heerlen

Heerlen maakt onderdeel uit van de Tripool Maastricht, Sittard, Heerlen die samen het economische hart van Zuid-Limburg vormen. Regionaal economische ontwikkelingen hebben belang bij een sterke centrumstad met stedelijke woonmilieus. Een aantrekkelijk woonklimaat is namelijk een van de randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat in de regio. Wonen ondersteunt ontwikkelingen rondom de Campussen, RWTH, etc. Deze ontwikkelingen leiden tot een andere additionele woonvraag van kenniswerkers en expats. Dit komt tot uitdrukking in het versterken van de woonmilieus in Heerlen:
Het centrum van Heerlen biedt binnen de regio een uniek centrumstedelijk woonmilieu. De gemeente wil dit woonmilieu versterken door cultureel aanbod, kwaliteit van de openbare ruimte en goede voorzieningen. De woonfunctie moet in het centrum meer ruimte krijgen. Door toevoeging van appartementen en stadsvilla’s voor stedelijke, vaak jongere, leefstijlen. Dat betekent wel een omslag ten opzichte van de huidige vergrijsde bevolkingsopbouw van het Centrum. Bij de woonmilieus op afstand van het centrum kiest de gemeente juist voor ‘verdunnen’ en ‘vergroenen’ van wijken, zodat hier aantrekkelijke woonmilieus ontstaan. Het parkachtige wonen in de verschillende stadsdelen dat hiermee versterkt wordt, biedt kansen om kenniswerkers, nieuwe economische clusters en studenten uit Aachen aan te trekken. Voor deze groepen wil Heerlen aantrekkelijke woonconcepten bieden.

Naast economische structuurversterking en de functie van wonen hierbij geven we tegelijkertijd aandacht aan het woonklimaat voor andere inwoners, ook die met een kleine beurs. De wijkenaanpak heeft hierin een belangrijke rol. Heerlen heeft een traditie om via de wijkenaanpak samen met maatschappelijke partners de woonkwaliteit van stadsdelen en woonwijken te verbeteren. De gemeente kiest hierbij een tweesporenaanpak, waarbij zij voor wijken met een opstapeling van problemen kiest voor een actieve begeleiding van de ontwikkeling van de wijken, volgens de wijkenaanpak. Voor andere wijken kiest de gemeente voor een ondersteunende benadering, waarbij zij initiatieven vanuit de wijk ondersteunt. De wijkenaanpak richt zich bewust op zowel de fysieke als sociale verbetering van wijken. Corporaties, zorg- en welzijnsaanbieders zijn net als de bewoners belangrijke partners bij de wijkenaanpak.

Particuliere woningvoorraad/onderscheidende woonmilieus

In de regio Parkstad Limburg werken gemeenten aan een kwantitatief en kwalitatief evenwichtige woningmarkt: goede match tussen vraag en aanbod. Toevoeging van nieuwe woningen in Parkstad Limburg kan alleen onder de strikte voorwaarden van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De kwantitatieve woningbehoefte is immers beperkt. Niettemin blijft het belangrijk nieuwe woningen toe te voegen, om de woningvoorraad kwalitatief beter af te stemmen op de vraag. Dit vraagt toevoeging van woningen en woonmilieus die er nu niet of onvoldoende zijn.

Als koersbepalende opgave om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, wordt hiervoor de transformatieopgave per gemeente gebruikt: leegstand + huishoudensontwikkeling uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Dit betekent een drieledige opgave in gemeenten:

  • het onttrekken van woningen waar de vraag achter blijft.
  • toevoegen van woningen/woonmilieus waar veel vraag naar is om zo in te blijven spelen op de (veranderende/nieuwe) woningvraag.
  • intrekken van ongewenste plancapaciteit, zodat de problematiek niet groter wordt dan dat het nu al is. Zo blijft het beleid inzake het Structuurvisiebesluit Wonen en Retail vigerend.

Regionaal sloop- /herstructureringsfonds

Zoals beschreven in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg moeten nieuwe woningbouwinitiatieven worden gecompenseerd door onttrekkingen of -als onttrekken niet mogelijk is- door een financiële compensatie. Nieuwe initiatieven zijn waardevol om in te spelen op de actuele woningvraag. Tegelijkertijd zorgen ze voor een oplopend woningoverschot in de regio. De gemeenten willen sturing geven aan de gewenste ontwikkeling van de woningvoorraad. In de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg wordt hiertoe instrumentarium geïntroduceerd, waaronder een sloop/herstructureringsfonds, waarin in het geval van een klein woningbouwplan (max. 5 woningen) gemeenten een financiële compensatie kunnen vragen, door 7% van de (toekomstige) WOZ-waarde van de nieuwe woning in een sloop/ herstructureringsfonds te storten. De Parkstadgemeenten zullen een regionaal sloop/ herstructureringsfonds opzetten, waarmee in de toekomst incourante woningen (die langdurig leegstaan) kunnen worden onttrokken.

Visie van de gemeente Heerlen
De gemeente Heerlen zet in op het verbeteren van de match tussen vraag en bestaand aanbod. De gemeente Heerlen ziet een verantwoordelijkheid voor de aanpak van (leegstaand) particulier bezit, als leegstand leidt tot leefbaarheidsproblemen, de doorstroming stagneert en/of het imago van een wijk wordt aangetast. De gemeente kiest hierbij voor een kleinschalige aanpak, in plaats van de (meer) traditionele grootschalige wijkaanpak.

Agenda

  • De gemeente ziet het als een gedeelde verantwoordelijkheid met projectontwikkelaars om bij nieuwe ontwikkelingen ook leegstaande koop uit de markt te halen.
  • De gemeente wil de aanpak van stadsdeelvisies voortzetten, waarbij zij in samenspraak met maatschappelijke partners planontwikkeling begeleidt naar toekomstbestendige woonwijken.
  • Voorts wil de gemeente maximaal inzetten op het terugbrengen van de plancapaciteit van ongewenste woningbouwplannen. Dit gebeurt door het intrekken van verleende vergunningen en bouwtitels op het moment dat er geen activiteit plaatsvindt op de betreffende locatie, conform het Structuurvisiebesluit Wonen en Retail en de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.
  • De gemeente wil uitvoering geven aan minstens één pilot in kader van de businesscase met grondgebonden woningen met veel leegstand. Daarbij vraagt zij woningcorporaties om de komende jaren (leegstaande) koopwoningen in te zetten voor de tijdelijke druk op de sociale verhuur.

Conclusie:

De woningen in het plangebied voldoen aan de vraag naar kwalitatief hoogwaardige woningen. Het aantal woningen is gecompenseerd door de sloop van woningen elders (zie paragraaf 2.3.3).

2.4.3 Groenbeleidsplan

Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd.


Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit.


In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten:

  • Het landschappelijke kader van Heerlen;
  • De hoofdgroenstructuur van Heerlen;
  • Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio;
  • Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap;
  • De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad';
  • De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel;
  • Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies.

De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt.

Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

Conclusie:

De planlocatie ligt in stadsdeel Heerlerheide. Dit stadsdeel is vanuit verschillende kernen aan elkaar gegroeid, maar kent desondanks een overzichtelijke indeling van ontsluitingswegen. Het stadsdeel wordt nagenoeg geheel omgeven door de hoofdgroenstructuur en heeft als uniek element een deels nog in exploitatie zijnde zilverzandgroeve midden in het stadsdeel. Bestaande gebruiksfuncties, maar ook nieuwe innovatieve vormen van grondgebruik dienen bij te dragen aan de duurzame instandhouding van de groene omgevingskwaliteit en de leefbaarheid van Heerlerheide. Naast de versterking van de hoofdgroenstructuur van Heerlen speelt daarin ook de integratie van de groeve van Beaujean, en de andere groeven in de omgeving, in het stadsdeel een belangrijke rol.
In de structuurvisie is al opgenomen dat de groeve Beaujean ontwikkeld gaat worden tot parkgebied met ruimte voor nieuwe functies zoals stadslandbouw, energievoorzieningen en wonen.

2.4.4 Parkeernota Heerlen, deel 1 Visie- en Ambitiedocument

Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen de 'Parkeernota Heerlen – Visie en Ambitiedocument' vastgesteld. Het College van Burgemeester en Wethouders en de gemeenteraad hadden de wens uitgesproken om het bestaande parkeerbeleid te herijken. Zowel in het coalitieakkoord 2014-2018 als in het addendum is aangegeven dat er behoefte is aan een nieuwe parkeernota waarin de diverse parkeersystemen integraal meegenomen worden. Daarnaast is de positie van de gemeente op de parkeermarkt veranderd na de verkoop van haar parkeervastgoed. De gemeente is nu slechts een speler op de markt van straatparkeren. Ook is haar rol op publiekrechtelijk gebied constant in ontwikkeling

Op hoofdlijnen dient het nieuwe parkeerbeleid te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantvriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit. Aan de hand van de huidige situatie en een aantal toekomstige ontwikkelingen is een beeld geschetst van de verwachtingen ten aanzien van het parkeren in Heerlen de komend jaren. Hierbij is onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, technologie en maatschappij.

In tegenstelling tot de eerdere 'Parkeernota Heerlen 2010' is ervoor gekozen om deze nieuwe beleidsnota in twee delen op te knippen en wel: de 'Parkeervisie & Ambitie' en de 'Parkeermaatregelen'. In het eerste deel 'Parkeervisie & Ambitie' wordt de parkeervisie van de gemeente Heerlen uiteengezet op basis van haar ambitie in de stad, de relaties naar de ruimtelijke en economische ontwikkeling in de stad en de beleidskaders die hierbij passend zijn. In het tweede deel 'Parkeermaatregelen' worden de verschillende beleidsinstrumenten (maatregelen) uitgewerkt.

Totdat deel 2 van de Parkeernota - met name “Parkeernormen” – door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld, gelden de parkeernormen uit de Parkeernota Heerlen 2010 (weergegeven in onderstaande tabel).

Woning   Theoretisch aantal   Berekeningsaantal  
Enkele oprit (>6m) zonder garage   1   0,8  
Lange oprit (>10m) zonder garage of carport   2   1,8  
Dubbele oprit (min. 4,5m breed) zonder garage   2   1,6  
Garage zonder oprit (bij woning)   1   0,4  
Garagebox (niet bij woning)   1   0,5  
Garage met enkele oprit (tot 5m)   2   1,2  
Garage met enkele lange oprit (>10m)   3   2  
Garage met dubbele oprit (min 4,5m breed)   3   2  

Indien niet aan de parkeernorm kan worden voldaan en het noodzakelijk is om geheel of gedeeltelijk uit te wijken naar de openbare ruimte voor de realisatie van de parkeerplaatsen geldt voor de functie wonen een straal van 100 meter vanaf iedere woning.

Bij elke woning in het plangebied moeten minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein, binnen de bestemming 'Wonen' worden gerealiseerd. Er worden geen openbare parkeerplaatsen gerealiseerd.

2.4.5 Duurzaamheid en energie

Duurzaamheid betreft een integrale afweging van belangen voor de korte en de lange termijn, voor alle relevante stakeholders in het gebied en binnen de tijdshorizon. Uitgaande van de 'Triple PPP'-benadering (people-planet-prosperity) betekent duurzaamheid voor gebiedsinrichting en herstructurering dat de gebiedsinrichting zelf en het gebruik van het gebied toekomstbestendig moeten zijn. Daarbij dient de balans van voorraadgebruik (materiaal, energie) en belasting van de omgeving (lokaal, klimaat) waarde toe te voegen aan één of meer duurzaamheidsbelangen, rekening houdend met alle relevante stakeholders.

De belangrijkste duurzaamheidsbelangen zijn:

  • klimaat en energie (adaptatie en mitigatie)
  • leefomgeving (traditionele milieuthema's, zoals bodem, lucht, geluid, water en groen)
  • duurzaam inkopen
  • duurzame gebiedsinrichting
  • duurzame mobiliteit
  • duurzaam bouwen
  • 'cradle-to-cradle' en economische kringlopen
  • 'social return on investment'

Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele genoemde belangen, zoals leefomgeving en duurzaam bouwen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. Hierin zijn kaders geformuleerd voor de toepassing van het duurzaamheidsprincipe.

PALET

Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedocument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. PALET 1.0 beschrijft de regionale ambitie en PALET 2.0 de specifieke situatie voor Heerlen. Zowel PALET 1.0 als PALET 2.0 zijn vastgesteld als kaderstellend beleid voor ontwikkelingen in Heerlen.

Om het huidige energiegebruik van 12.355 TJ volledig te kunnen omvormen naar een duurzame energievoorziening dient een potentie van 4.099 TJ aan besparing en 7.026 TJ duurzame energieopwekking te worden gerealiseerd;

Voor de uitvoering wordt de ‘handreiking’ PALET 3.0 vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de periode 2017-2020 met een grote verscheidenheid aan projecten en acties. Hiermee dient op basis van een kwantitatieve, kwalitatieve en locatieve benadering de eerste 8% van de taakstelling gerealiseerd te worden;

Vanuit ruimtelijke oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie.

In het Bouwbesluit zijn EPC eisen opgenomen. Deze zullen niet lang meer geldig zijn; met ingang van 1 januari 2020 moeten aanvragen om een omgevingsvergunning voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De gemeente wil zo veel mogelijk anticiperen op deze eisen en geeft de voorkeur aan gasloos bouwen.

Conclusie

Het bestemmingsplan Heerenweg Oost maakt de bouw van 25 woningen mogelijk. De gemeente wil bij de verlening van omgevingsvergunningen voor deze woningen zo veel mogelijk anticiperen op de toekomstige eisen aan energieneutraliteit en geeft de voorkeur aan gasloos bouwen.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied Heerenweg Oost en zijn directe omgeving. De historie en ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied worden kort beschreven.

3.1 Historie

Romeinse tijd

Heerlen is het Romeinse Coriovallum. Het lag op het belangrijkste kruispunt van de weg tussen Keulen en Boulogne en de heerbaan tussen Xanten en Trier. Het was een station voor de keizerlijke post waar de paarden werden gewisseld en waar de bodes, soldaten en handelaren konden uitrusten. In Coriovallum en omgeving stonden diverse Romeinse villa's en er was een groots opgezet stratenplan. Uit sporen blijkt dat er tot het eind van de vierde eeuw nog Romeinen woonden.

Industrialisatie

Tot het eind van de 19e eeuw was Heerlen een groot dorp met circa 7.000 inwoners. In 1896 werd een treinstation gebouwd. Hierna begon het inwoneraantal van Heerlen te groeien. De mijnbouw, maar ook de zandwinning ontwikkelde zich vanaf begin 20e eeuw. In de groeve(s) van Zilverzand exploitatie Beaujean BV wordt al ruim 100 jaar zand gewonnen.

Op het grondgebied van Heerlen werden verschillende mijnen aangelegd. Heerlen werd in economisch opzicht de belangrijkste plaats in Zuid-Limburg. De mijnsteenbergen, die op de mijnterreinen verschenen, betekenden een markante verandering van het landschap. In de jaren 60 schakelde Nederland over op aardgas. De sluiting van veel mijnen in de jaren zestig en zeventig, als gevolg hiervan, veranderde de sociale en economische structuur. Nieuwe bedrijfsterreinen werden aangelegd langs de nieuwe autowegen A76 en N28. Ook werden nieuwe woongebieden aangelegd.

3.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het zuidelijk deel van het plangebied is nog in gebruik als groeve voor de winning van zilverzand. Een nieuwe ontgrondingsvergunning is in procedure. In de omgeving zijn meerdere (al of niet voormalige) groeves aanwezig. Aan de noord-, west- en zuidzijde zijn woongebieden gelegen, met hier en daar ook andere functies. Het gebied wordt omsloten door wegen, waaronder de Heerenweg en de Euregioweg als doorgaande routes.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0005.png"

Afbeelding: luchtfoto plangebied en omgeving.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Stedenbouwkundig

Dit bestemmingsplan omvat fase 1 van de voorgenomen invulling van de (deels) voormalige groeve. De zandwinning in het zuidelijk deel zal de komende 10 jaar nog doorgaan. Daarna worden mogelijk ook in dat deel van het gebied woningen mogelijk gemaakt, waarvoor dan een afzonderlijk plan zal worden gemaakt.

De bouwpercelen worden verkocht door de initiatiefnemer. De omvang van de verschillende bouwpercelen is nog niet vastgelegd, om de toekomstige eigenaar zo veel mogelijk vrijheid te kunnen bieden. Daarom worden ook geen bouwvlakken voor de woningen opgenomen. In de bouwregels wordt omschreven welke afstanden en maten in acht moeten worden genomen, om te waarborgen dat er een ruime opzet van bebouwing wordt gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0006.png"

4.2 Verkeer en parkeren

De nieuwe woningen worden via een nieuwe weg midden door het plangebied ontsloten. De nieuwe weg komt uit op de Heerenweg.

De parkeernorm die de gemeente Heerlen voor dit bouwplan hanteert is 1,8 per woning. In dit plan is voorzien in parkeren op eigen terrein, met een minimum van 2 parkeerplaatsen per woning.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.

5.1 Milieueffectrapportage

Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, kan een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke ontwikkelingen een m.e.r. verplicht is.

De bouw van woningen is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder ook de bouw van woningen wordt verstaan. Omdat het slechts om vijfentwintig woningen gaat, wordt de zogenaamde drempelwaarde van 2000 woningen niet gehaald. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Sinds 7 juli 2017 moet ook voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling een aanmeldnotitie aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Het bevoegd gezag moet vervolgens binnen 6 weken een beslissing nemen of wel of niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

Er is een aanmeldnotitie aan het bevoegd gezag voorgelegd. Het bevoegd gezag heeft op basis hiervan besloten dat in dit geval geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.

5.2 Akoestiek

5.2.1 Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Ook moet daarbij onderzoek worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

Er is een onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (P2016.324.02-03 door Windmill Milieu b.v. d.d. 5 februari 2018). In dit onderzoek is de geluidbelasting onderzocht die optreedt als gevolg van zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt, zie bijlage 1. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Heerenweg en de Euregioweg/Wickraderweg. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid van het plangebied cumulatief meegenomen.

Conclusie

De geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van het verkeer op de Heerenweg bedraagt ten hoogste 45 dB. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt gerespecteerd. Een onderzoek naar maatregelen is niet noodzakelijk. De geluidbelasting vanwege het verkeer op alle overige wegen bedraagt eveneens minder dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder. De cumulatieve geluidbelasting is in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel bepaald en is overeenkomstig de Lden classificering volgens ‘methode Miedema’ te classificeren als “goed”. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

5.2.2 Geluid bedrijven

Geluid Ontgrondingsactiviteiten Zilverzandexploitatie Beaujean BV

Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de bestaande ontgrondingsinrichting(aan beide zijden van de Heerenweg, gedeelte Oost en gedeelte West) naar de directe omgeving en het beoogde woningbouwplan (P2016.324.03-04 door Windmill Milieu B.V. d.d. 7 februari 2018), zie bijlage 2.

De geluiduitstraling is berekend op basis van de representatieve bedrijfssituatie. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai” van 1999. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij de richtafstanden en -waarden uit de publicatie: "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Dit onderzoek richt zich alleen op de eerste fase van de planontwikkeling: de bouw van 25 woningen.

In het plangebied wordt tot 2030 nog zand gewonnen door middel van een zandzuiger die is gelegen in de waterplas in de groeve. Het gewonnen zilverzand wordt via een voeder-, zeef- en veredelingsinstallatie gewassen en geclasseerd. Ook in de groeve aan de andere zijde van de Heerenweg, Heerenweg-west, wordt het zand via een zandzuiger gewonnen.

Voor de beoordeling of de geluidsituatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In deze Handreiking heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) beschreven hoe bij ruimtelijke planvorming moet worden omgegaan met bedrijvigheid in relatie tot bestaande/nieuwe woningen en andere bestaande situaties. De Handreiking verdeelt bedrijven en bedrijfsactiviteiten in verschillende typen (milieubelastende) bedrijvigheid en koppelt zogenaamde richtafstanden (uiteenlopend van 10 tot 1.500 meter) aan de verwachte milieubelasting. De Handreiking onderscheidt twee omgevingstypen, namelijk 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de Handreiking gelden van de bedrijfsactiviteit ten opzichte van deze omgevingstypen. Vanwege de ligging van doorgaande wegen en de bedrijvigheid in de omgeving is deze op dit moment te kwalificeren als 'gemengd gebied'. Nadat de bedrijfsactiviteiten van Beaujean zijn afgerond is de omgeving te beschouwen als een 'rustige woonwijk'. Omdat er dan ook geen bedrijfsactiteiten meer zijn, is deze situatie in het onderzoek niet beschouwd.

Zowel milieubelasting als omgevingstype zijn gestandaardiseerd. Dit betekent dat gemiddeld genomen van de genoemde richtafstand mag worden uitgegaan, tenzij uit nader onderzoek anders blijkt. In dit geval wordt, vanwege het aspect geluid, niet voldaan aan de richtafstanden van 100 meter tussen de bestaande bedrijfsactiviteiten en de nieuwe woningen.

Het is mogelijk om - in specifieke gevallen - af te wijken van de richtafstanden, als kan worden onderbouwd dat het ontgrondingsbedrijf niet onevenredig in zijn belang(en) worden getroffen en voor de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In eerste instantie moet dan worden geinventariseerd wat de akoestische rechten (belangen) van het bedrijf zijn. Het milieukader is hierbij leidend.

Wanneer het bedrijfl ook na het realiseren van een nieuw geluidgevoelige bestemming nog steeds aan de milieunormen kan voldoen, wordt deze niet in zijn belangen geschaad.

Uit het aangehaalde onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de richtwaardenvan stap 2 van de Handreiking van de VNG. De richtwaarden voor woningen in een gemengd gebied bedragen:

  • 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT);
  • 70 dB(A) maximale geluidniveaus (LAmax);
  • 50 dB(A) verkeer van en naar de inrichting.

Dit betekent dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening: er ontstaan geen belemmeringen voor de bedrijfsvoering van het ontgrondingsbedrijf en er kan een goed woon- en leefklimaat worden geboden.

Geluid ontgrondingsactiviteiten Sibelco (Sigrano)

Windmill Milieu B.V. heeft ook een onderzoek (2016.324.04-01 d.d. 1 december 2016) uitgevoerd naar de eventuele gevolgen van de bouw van 25 woningen in relatie tot de zandwinning door Sigrano Nederland B.V aan de Koolkoelenweg 40 in Heerlen (zie bijlage 3) . Onderzocht is of de realisatie van onderhavig project invloed kan hebben op de (milieu)rechten van Sigrano en/of ten aanzien van Sigrano sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

De vergunde etmaalwaarden zijn respectievelijk 48 dB(A) en 43 dB(A) en zijn maatgevend. Op basis van de positie van de relevante geluidbronnen van Sigrano ten opzichte van het plan is de geluidbelasting ter plaatse van het bouwplan lager dan, dan wel gelijk aan de vergunde waarden.

In rapport 2016.324.03-02 (bijlage 2),“Akoestisch onderzoek ten behoeve van bestemmingsplan Groeve Beaujean gelegen aan de Heerenweg te Heerlen”, is onderbouwd dat ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen in het plan voldaan dient te worden aan een etmaalwaarde van 50 dB(A).

Op basis hiervan wordt geconcludeerd:

  • 1. De inrichting van Sigrano wordt door de realisatie van het beoogde plan niet beperkt in haar vigerende milieurechten;
  • 2. De vergunde geluidimmissie van Sigrano ter plaatse van het beoogde plan is dusdanig van aard dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie

De bouw van de nieuwe woningen is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de in de omgeving gelegen ontgrondingsbedrijven.

5.3 Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.

5.3.1 Europees en Rijksbeleid

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen.

Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.


Waterwet

De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.

Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceel eigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.


Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets

De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.


Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water

Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.


Nationaal Bestuursakkoord Water

Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn:

  • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken;
  • verbetering van de waterkwaliteit.
5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan.

Waterschap Limburg

Per 1 januari 2017 is het Waterschap Roer en Overmaas gefuseerd met Waterschap Peel en Maasvallei en gaan verder als één nieuw waterschap onder de naam Waterschap Limburg. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van het nieuwe beheergebied, voorheen behoorde dit gebied tot Waterschap Roer en Overmaas.

Vanuit het waterschap wordt opgemerkt dat waterhuishoudkundige belangen op de eerste plaats moeten komen. Ook bij bestemmingsplannen met een beheerskarakter waarin geen of weinig nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt is het opnemen van een waterparagraaf van belang. Er kan nadrukkelijk een verbinding worden gelegd met relevant waterbeleid zoals het gemeentelijk waterplan.

Uitgangspunten en richtlijn in het kader van het duurzaam stedelijk waterbeheer zijn:

  • Rekening houden met de in het plangebied aanwezige waterbelangen;
  • Circa 10% van het plangebied reserveren voor water;
  • Wateropgave oplossen binnen het plangebied (niet afwentelen);
  • Voorkeursvolgorde waterkwantiteit: hergebruik, vasthouden (infiltratie), bergen, afvoeren. Voorkeursvolgorde waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren. Voorbeelden zijn geen uitloogbare materialen gebruiken, letten op gladheids- en onkruidbestrijding, toepassen van bodemfilter of -passage;
  • Voorkeurstabel afkoppelen in brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem';
  • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op T=25 (35 mm in 45 minuten), met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur;
  • Doorkijk geven naar T=100 (45 mm in 30 minuten): gevolgen bij extreme situaties aangeven, zo nodig maatregelen treffen (bijv. noodoverloop);
  • Uitvoeren van bodem-/infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand; resultaten gebruiken voor het toepassen van T=25 en de leeglooptijd;
  • Beheer en onderhoud van de waterhuishoudkundige voorzieningen goed regelen.


Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 - 2020

Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Heerlen is daar een uitwerking van en heeft een looptijd van 2016 tot en met 2020. Het vGRP is de opvolger van het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015.

Het vGRP heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode.

Hoofddoelstelling van het vGRP is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemel water en overtollig grondwater. Het vGRP geeft inzicht in de mate waarin de doelen uit het BSW 2011-2015 zijn behaald.

5.3.3 Plangebied

Waterbelangen

In het plangebied spelen geen bijzondere waterbelangen. De lozing van het water valt onder het Activiteitenbesluit, wat aangegeven worden bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Voor het inrichten van de waterberging en afwatering is echter wel rekening gehouden met het beleid van de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Gemeente Heerlen.

Watercompensatie en waterberging

De bestaande waterplas heeft een oppervlak van ca 5 ha, dit oppervlak neemt uiteindelijk toe tot ca 6 ha. Verder wordt een extra waterberging gerealiseerd voor de opvang van het hemelwater (ca 1.400 m2), voordat het water naar de grote waterplas overstort. De bodemhoogte, ligt op het waterniveau van de waterplas. Door een overlaatconstructie wordt het water eerst geborgen, voordat het water afgevoerd wordt naar de waterplas. Het verhard oppervlak van de weg en het trottoir is 8100 m2. Dit omvat zowel fase 1 en 2; in dit bestemmingsplan is alleen fase 1, maximaal 25 woningen, aan de orde. In welke vorm er gebouwd gaat worden, wordt overgelaten aan de markt.

Hierdoor is het dakoppervlak en de verharding op eigen perceel nog niet bekend. Hierdoor wordt een percentage (60%) van het perceeloppervlak meegenomen in de compensatieberekening. De percelen langs de waterplas zijn niet meegenomen in de berekening, hier kan het water direct afstromen en zal niet naar de waterberging worden afgevoerd.

Met de toename van het wateroppervlak en de extra te graven waterberging, is er voldoende watercompensatie ten opzichte van het verhard oppervlak. Bovendien is er voldoende waterberging aanwezig voor de opvang van hemelwater. De losse waterberging naast de waterplas dient binnen 24 uur leeg te zijn. Hiervoor is een voorziening ontworpen in de vorm van een permeabele dijk. Er komt een overlaatconstructie met spindelschuif, waarbij het water door het permeabele deel van de dijk kan stromen. Het permeabele deel bestaat uit verschillende pakketten lavasteen, met een variërende korrelgrootte. De infiltratiecapaciteit remt de afvoer naar de waterplas, waardoor het water tijdelijk geborgen wordt in de waterberging. De infiltratiecapaciteit is voldoende om de ledigingstijd te kunnen waarborgen. Met de spindelschuif kan er een groter debiet worden geloosd, of het debiet worden geremd. Er komt een noodvoorziening naast met een directe afvoer, indien de waterberging snel geleegd dient te worden. Een voorbeeld van de permeabele dijk is uitgewerkt in bijlage 3 van het onderzoek. De waterplas zelf staat niet in verbinding met het oppervlaktewatersysteem. Er kan genoeg peilstijging plaatsvinden door de omvang en het relatief hoge maaiveld. De percelen aan de waterplas zijn nog vrij in te richten, dus ook het bouwpeil van de woningen. In verband met het waterpeil van 90,0 – 90,5 m NAP, wordt in relatie tot drooglegging aangeraden een vloerpeil van minimaal 91,50 m NAP aan te houden voor de woningen.

Afwatering

Door het plangebied wordt de weg wordt als slingerende bosweg aangelegd, waarbij deze van noord naar zuid steeds afloopt. Hierdoor kan de afwatering en riolering op een natuurlijke manier met het maaiveld mee verlopen. Naast de weg wordt een groenstrook met greppel of grindkoffer voor de afwatering gerealiseerd. De greppel heeft een natuurlijk verloop richting de waterberging langs de waterplas. De grindkoffer zal op dezelfde manier met behulp van drainage afwateren naar de waterberging. De inrichting is echter nog niet definitief. Het water zal in deze greppel minimaal kunnen infiltreren door de aanwezige leemlaag, waardoor het tot afstroming komt richting de waterberging. De greppel maakt het afstromend water zichtbaar tijdens neerslag en zal droogvallen in droge periodes. De grindkoffer met drainage is onzichtbaar en geeft de gelegenheid de berm langs de bosweg optimaler te kunnen gebruiken als bijvoorbeeld parkeergelegenheid. De doelstelling is dat het hemelwater afvloeiend van daken en verhardingen op eigen perceel te infiltreren. De toplaag zal waarschijnlijk wel redelijk infiltreren (directe neerslag in tuinen), echter door de aanwezige leemlagen is het niet mogelijk infiltratiesystemen te plaatsen voor de afvoer van dakwater. Hierdoor wordt de gelegenheid geboden het dakwater en het afstromen water van opritten af te wateren op de greppel, of grindkoffer. Bij het toepassen van de grindkoffer zullen er per perceel uitleggers worden geplaatst, om het hemelwater vanaf de verhardingen op af te koppelen.

Riolering

Onder de Bosweg komt een DWA (vuilwater) riolering die aansluit op het gemeente riool. Voor fase 1 wordt echter een tijdelijk opvoergemaaltje geplaatst, door het maaiveldverloop. Het DWA riool ligt met afschot richting de waterplas, waarna het opgepompt wordt en tijdelijk aan takt op de gemengde riolering aan de noordzijde van het plangebied. Dit is afgestemd met de gemeente Heerlen. Na realisatie van fase 2 zal het DWA verder worden uitgebreid, richting de zuidzijde van het plangebied en kan het verder onder vrijverval af gevoerd worden, zonder opvoergemaal. Hierbij wordt een nieuw vuilwaterriool gerealiseerd langs de Heerenweg.

Beheer en onderhoud

Tot aan het gereed komen van de realisatie van fase 1, is het bedrijf Zilverzand Exploitatie Beaujean B.V. de beheerder van het gebied. Hierna is het aan de gemeente Heerlen en zal er nog gekeken moeten worden of taken te zijner tijd worden uitgevoerd door een vereniging van eigenaren.

Watertoets Waterschap Limburg

Het Waterschap heeft per e-mail van 15 maart 2017 aangegeven te kunnen instemmen met de waterparagraaf.

Conclusie:

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegd gezag ingevolge de Wet bodembescherming, voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie.

Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707.

Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.

5.4.1 Beleidskader

Bodembeleidsplan

Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering.

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0007.png"

Deelgebied   Bovengrond   Ondergrond  
1 Agrarisch en natuur   <AW   <AW  
2 Woonwijken   <AW   Industrie  
3 Industrie   <AW   <AW  
4 Mijnsteengebieden   Wonen   Wonen  
AW   = Achtergrondwaarde    
Wonen   = Maximale waarde klasse Wonen    
Industrie   = Maximale waarde klasse Industrie  
 

het plangebied is deels gelegen in het deelgebied Industrie en deels in Mijnsteengebieden.

5.4.2 Plangebied

Ter plaatse is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd:

- verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Groeve Heerenweg Oost, gelegen aan de Heereneweg (ong.) te Heerlen, opgesteld door Geonius milieu B.V., d.d. 4 september 2017, Rapportnummer MA170004.006.R01 zie bijlage 6.
Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de deklaag, bestaand uit ziltig zand en zandige leem een minimale dikte heeft van 3 meter tot plaatselijk een dikte van 5,5 meter - maaiveld. Hieronder is plaatselijk mijnsteen aangetroffen.

In de bovengrond (0,0 tot -0,5 m-mv) zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PAK en PCB aangetoond. De bovengrond voldoet indicatief getoetst aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000/Wonen.

In de ondergrond (0,5-4,5m-mv) zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan lood, PAK en minerale olie aangetoond. De ondergrond voldoet, indicatief getoetst, aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000 en plaatselijk Industrie. Uit indicatieve toetsing blijkt dat in het onderliggende materiaal bestaande uit mijnsteen, verhoogde gehalten aan diverse zware materialen en PAK zijn aangetoond. Tijdens het veldwerk en tijdens de visuele maaiveld inspectie zijn op het maaiveld in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis hiervan wordt de hypothede 'onverdacht' voor asbest in de bodem aanvaard.

5.4.3 Conclusie

Voor wat betreft de bodemaspecten zijn er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Natuurwaarden

5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Wet natuurbescherming

De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.

In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura2000-gebieden, 700m van de Brunsummerheide en 2100m van het (Geleenbeekdal, waardoor de conclusie gerechtvaardigd is dat de planontwikkeling naar aard en omvang hierop geen invloed heeft.

5.5.2 Soortenbescherming: Wet natuurbescherming

Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende danwel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij de provincie ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd.

Het plangebied is gedeeltelijk nog in gebruik voor ontzandingsactiviteiten. Hierin komt geen wijziging. Het gedeelte waar de 25 woningen en bijbehorende voorzieningen komen is recent vormgegeven en ingericht op hoogte. In afwachting van de nieuwe woningen wordt het gebied regelmatig gemaaid. Gelet op de locatie, gelegen aan een drukke weg en de huidige situatie op het terrein (braakliggend, met regelmaat gemaaid) is de betekenis van het terrein voor flora en fauna in beginsel gering. Op dit moment is het voorkomen van beschermde soorten niet waarschijnlijk en door het maaien wordt voorkomen dat deze zich alsnog in het gebied kunnen vestigen.

Om deze conclusie te bevestigen is een quick scan flora en fauna uitgevoerd door Ecoplanning (P054, d.d. 5 februari 2018), zie bijlage 5. Voorafgaand aan het locatie bezoek heeft er een literatuurstudie en veldinventarisatie plaatsgevonden.

Het onderzoek heeft uitgewezen dat geen conflicten met de Wet natuurbescherming worden verwacht. Het beoogde project zal geen effect hebben op de genoemde Natura 2000-gebieden. Ook treden er geen overtredingen op als gevolg van de werkzaamheden die worden verricht in het werkgebied. Een ontheffingsaanvraag op basis van de Wet Natuurbescherming is niet nodig.

Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in een deel van de groeve vestigt waar werkzaamheden plaats gaan vinden, wordt het volgende geadviseerd:

  • om zorg te dragen dat locaties waar werkzaamheden zijn gepland, ten allen tijde droog te houden. Daarmee wordt voorkomen dat poelen of natte laagten ontstaan, zodat de rugstreeppad zich niet gaat vestigen in het werkterrein;
  • om op locaties waar geen werkzaamheden zijn gepland, enkele poelen aan te leggen. Deze werden reeds door de firma Zilverzand Exploitatie Beaujean B.V. aangelegd. Als de poelen dichtgroeien, kan daarnaast een nieuwe worden aangelegd. Op deze wijze kan de terreineigenaar een bijdrage leveren aan de gunstige staat van instandhouding van de rugstreeppad;
  • een amfibieënscherm in de omgeving van deze poelen te plaatsen, waarmee een leefgebied van enkele honderden vierkante meters wordt beschermd.

De waargenomen vogels zijn binnen de Wet Natuurbescherming beschermd tijdens het broedseizoen. Dat betekent dat de broedlocaties (struiken) buiten het broedseizoen (15 augustus tot 15 maart) kunnen worden verwijderd. Tijdens het broedseizoen kan dat niet, tenzij van tevoren een inventarisatie vogelnesten is uitgevoerd door een deskundige en geen gebruikte nesten zijn aangetroffen. In de huidige situatie zullen geen nesten worden verstoord tijdens het broedseizoen.

5.5.3 Conclusie

Het aspect ecologie (Wet natuurbescherming) vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarmee samen hangen de volgende besluiten en regelingen:

  • Besluit gevoelige bestemmingen
  • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM)
  • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM)


Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

5.6.1 Besluit gevoelige bestemmingen

Volgens artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die er toe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.

Het plangebied ligt niet binnen dergelijke zones en maakt bovendien niet een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit mogelijk.

5.6.2 Niet in betekenende mate (NIBM)

In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door het bevoegd gezag (gemeente).

In artikel 5.16 van de gewijzigde Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. Onderhavig project wordt mogelijk gemaakt op basis van een nieuw bestemmingsplan. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De 3%-grens van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt, is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt er onder deze 3%-grens gebleven:

  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1);
  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2).

Het realiseren van 25 woningen bij een ontsluitingsweg valt ruim onder de hiervoor vermelde drempel, inhoudende dat het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt de bouw van 25 woningen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Leefklimaat

De ontwikkeling van 25 woningen draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing moet echter ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving van het projectgebied en dat de toekomstige bewoners een goed leefklimaat wordt geboden.

Uit de NSL monitor blijkt dat de concentraties van schadelijke stoffen in de lucht in ieder geval de komende 10 -13 jaar ruim onder de grenswaarden uit bijlage 1 bij de Wet milieubeheer blijft. De luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied laat de ontwikkeling van woningen derhalve toe.

5.6.3 Conclusie

Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden en de heersende luchtkwaliteit staat een goed woon- en leefklimaat niet in de weg. Er ontstaat geen strijd met artikel 5.16, tweede lid Wet milieubeheer.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Landelijk beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hann vooral samen met:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet.


Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel n de verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.

Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels.

De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.

5.7.2 Gemeentelijk beleidskader

In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.

Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.

5.7.3 Onderzoek externe veiligheidsrisico's

Op 6 februari 2018 heeft Windmill Milieu en Management een inventarisatie (quickscan) uitgevoerd van de mogelijke externe veiligheidsrisico's voor de herontwikkeling van de Heerenweg Oost tot een woongebied, rapportnummer P2016.324.01-3, zie bijlage 5. Het onderzoek heeft zowel betrekking op fase 1 als 2 van de plannen.

In de quickscan zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen op de ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied.

Transport over water

De risico’s als gevolg van het transport over het water vormen geen aandachtpunt voor de planlocatie.

Transport over de weg

Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van de nabijgelegen wegen waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A76 en de Euregioweg. Gebleken is dat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk gemaakt hoeft te worden. Voor de risico’s als gevolg van het transport over de A76 en de Euregioweg geldt wel een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Transport over spoor

Op grote afstand van het plangebied ligt de spoorlijn Sittard-Hertzogenrath (D). Uitgaande van de informatie uit bijlage II van de Regeling basisnet ligt het plangebied volledig buiten het invloedsgebied van dit spoor. Vanwege het Basisnet is het mogelijk dat andere categorieën stoffen worden vervoerd binnen de vastgestelde risicoplafonds. Dit leidt er toe dat rekening gehouden dient te worden met transporten van toxische stoffen. De risico’s als gevolg van het transport van toxische stoffen over het spoor reiken tot over het plangebied; deze risico’s moeten worden meegenomen in de beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Buisleidingen

Gelet op de grote ruimtelijke scheiding tussen het plangebied en hoge druk aardgasleidingen in de omgeving, wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid als gevolg van buisleidingen geen belemmering vormt voor de planrealisatie.

Inrichtingen

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de wettelijke veiligheidsafstanden ten aanzien van externe veiligheidsrisico’s het plangebied beïnvloeden.

Hoogspanningslijnen

De hoogspanningslijnen en het daarvoor geldende Rijksadvies levert geen belemmeringen voor het plan.

5.7.4 Beperkte verantwoording groepsrisico

De ruimtelijke ontwikkeling leidt nauwelijks tot een toename van het aantal aanwezige personen. Van een wezenlijke wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake. Gezien deze beperkte invloed op het groepsrisico is het niet noodzakelijk een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een nadere verantwoording van het groepsrisico, zoals de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

5.7.5 Conclusie

Bij de totstandkoming van bestemmingsplan Heerenweg Oost is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.

5.8 Technische infrastructuur

In het plangebied zijn geen kabels, leidingen of straalpaden aanwezig die de beoogde ontwikkeling zouden kunnen belemmeren.

5.9 Archeologie

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om archeologie. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. Het overgangsrecht van de Erfgoedwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

5.9.1 Gemeentelijk beleid

Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013.

Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.

In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.

Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten

Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist.

Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen

Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder van 40 cm diep.

Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde

Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.

Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde

In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.

Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde

In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

5.9.2 Plangebied

Geonius Archeologie in Geleen heeft voor het plangebied een archeologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 7. Het doel van de quickscan is vast stellen of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan.

Op de archeologische verwachtingenkaart heeft het plangebied vier verschillende archeologische verwachtingswaarden: geen verwachtingswaarde, lage verwachtingswaarde (categorie 5) , middelhoge verwachtingswaarde (categorie 4) en overige monumenten/hoge verwachtingswaarde (categorie 3).

Alleen in het zuidelijk deel van het plangebied zijn de waarden, 5, 4 en 3 opgenomen. In dit deel vinden in het kader van dit bestemmingsplan echter geen ontwikkelingen plaats. In het overige deel geldt geen verwachtingswaarde en is geen archeologisch onderzoek nodig. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BP020302W000003-0401_0008.png"

Conclusie

Omdat het plangebied overwegend geen archeologische verwachtingswaarde heeft en de voorgenomen nieuwbouw enkel zal plaatsvinden in dat gebied is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk . Mochten er tijdens werkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, dan moet hier terstond melding van worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of regioarcheoloog.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan Heerenweg Oost.

6.1 Inleiding

Bestemmingsplan Heerenweg Oost bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen.

De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.

6.2 Opbouw van de regels

De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.

6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden.

Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten.

Bouwregels
In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend.

Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels

Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.

6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels

Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld.

Algemene gebruiksregels

In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat bij het bouwen voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming.

Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan.

Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming.

De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.

Overige regels

Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd

6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsbepalingen

In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.

6.3 Toelichting van de bestemmingsregels

Deze paragraaf beschijft hoe de verschillende bestemmingen in het plangebied zijn toegekend.

6.3.1 Bedrijf - Groeve

Deze bestemming geldt voor het gedeelte van het plangebied waar de zandwinning en zandveredeling blijft bestaan. De planregels zijn overgenomen uit de beheersverordening 'Snipperlocaties' die nu voor het plangebied geldt.

6.3.2 Tuin

De bestemming 'Tuin' heeft betrekking op een strook van 10 meter tussen de bestemming 'Verkeer' en de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd en mogen maximaal twee opritten per woning worden aangelegd. Op deze gronden mag, met uitzondering van de opritten, ook niet worden geparkeerd. Dit is opgenomen om de ruime opzet van het plangebied te handhaven. Parkeren vindt op de opritten of binnen de woonbestemming plaats.

6.3.3 Verkeer - Wegverkeer

Deze bestemming heeft betrekking op de bestaande gebiedsontsluitingsweg en de doorsteek binnen het plangebied. Binnen deze bestemming kunnen geen gebouwen worden opgericht. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter. De bestaande wegenstructuur wordt niet gewijzigd.

6.3.4 Wonen

Aan de woningen in het plangebied is de bestemming Wonen toegekend. De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor woondoeleinden en tuin.

De gemeente Heerlen hanteert een standaard-woonbestemming. Hierin wordt uitgegaan van een bouwvlak per woning of totaal aaneengesloten woningen, waarbij met een bouwaanduiding het woningtype wordt bepaald. In dit geval is het woningtype 'vrijstaand'. Voor de hoofdmassa (maximaal twee lagen met kap) geldt een standaard bouwdiepte van 15 meter. Voorwaarde hierbij is dat de afstand tussen achtergevel en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt.
Verder is in de standaard-woonbestemming een standaard maximale goot- en bouwhoogte (7 meter respectievelijk 12 meter) opgenomen, gebaseerd op een woning van twee lagen met kap. Ook geldt een afstand van 3 meter tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrenzen.

Gezien de bijzondere vorm van het plangebied en de intentie om ruime woningen op ruimte kavels te realiseren wordt de standaardregeling voor Wonen in dit plan niet geheel overgenomen. De omvang van de bouwkavels ligt nog niet vast en kopers hebben hierop nog invloed. Daarom zijn er ook geen bouwvlakken op de verbeelding opgenomen, maar is de opzet van de bebouwing in de regels beschreven. Om de ruime opzet te waarborgen geldt een minimale afstand van 8 meter tot de zijdelingse perceelsgrens en de toekomstige bebouwing. Verder is een eis gesteld aan de breedte van de bebouwing.

6.4 Bijzondere regelingen

6.4.1 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving

Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld:

  • a. de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt);
  • b. de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten.

Aan huis gebonden beroepen

Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist.

Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming Wonen dan ook rechtstreeks toegestaan.

Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten

Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.

Tot consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten worden onder meer de volgende activiteiten/beroepen gerekend: fotograaf/videograaf, autorijschool (geen theorielessen aan huis), bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker, lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (o.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialist, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst (zonder afhalen aan huis), prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen (smartphones, radio's, tv's, horloges, antiek, etc.), glazenwasser, webshop (administratie, opslag, logistiek, zonder afhalen aan huis).

In de bestemming Wonen van dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarmee de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die ook in de beleidsregel zijn opgenomen, kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.4.2 Prostitutie- en seksinrichtingen

Door het verdwijnen van het algemeen bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht kan de vestiging van een bordeel niet meer verboden worden. Het is derhalve noodzakelijk om middels beleid en een adequate planologische regeling de vestiging van prostitutiebedrijven te reguleren. De planologische regeling heeft betrekking op de bestemmingen die - volgens de jurisprudentie - het gebruik ten behoeve van prostitutie niet geheel uitsluiten. Gedoeld wordt op de bestemmingen die wonen, horeca, dienstverlening en bedrijven toelaten.

De gemeenten in Parkstad Limburg hebben een gezamenlijk regionale visie met betrekking tot het prostitutiebeleid ontwikkeld. Het opstellen van de “Parkstadnota regionale visie prostitutiebeleid” werd noodzakelijk geacht omdat een zeer stringent lokaal beleid kan leiden tot verplaatsing van de in de gemeenten aanwezige prostitutiebedrijven naar omringende gemeenten, die een minder stringent beleid voeren. Door regionaal beleid wordt voorkomen dat ongewenste bewegingen ontstaan in de vestiging van prostitutiebedrijven en kunnen gemeenten beargumenteerd bepaalde vormen van prostitutiebedrijven uitsluiten.

In de “Beleidsnota Seksinrichtingen, sekswinkels en escortbedrijven Heerlen” (oktober 2000) is het gemeentelijk beleid neergelegd. In deze nota is ruimtelijk beleid geïntegreerd in het totale beleid. Eén van de zes hoofddoelstellingen die ten grondslag lagen bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod was: de beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie.

In de huidige situatie liggen er 9 locaties voor seksinrichtingen verspreid over het gemeentelijk grondgebied. Voor deze locaties is een parapluplan opgesteld, bestemmingsplan prostitutie (onherroepelijk per 24 april 2007).

Hoofdstuk 7 Handhaving en uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan heeft verscheidene functies. De belangrijkste functie betreft wellicht de normerende functie.
Het bestemmingsplan geeft bindende regels voor het gebruik van de in het betreffende plan opgenomen gronden. Dit betreft gebruik in ruime zin. Niet enkel het feitelijke gebruik, maar ook de bebouwing van deze gronden en het gebruik van opstallen worden door het bestemmingsplan gereguleerd. Om recht te doen aan deze functie, is tijdens het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan ruime aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de opgestelde regels.

Er is sprake van een inzichtelijke en realistische juridische regeling. Dat wil zeggen, dat het plan niet onnodig beperkend of inflexibel is. De regels dienen niet meer, maar ook niet minder te regelen dan noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ondubbelzinnige en juridisch juiste regeling, die voor eenieder duidelijk is en weinig procesrisico kent.

7.1 Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen een expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota
"Handhaving bouw- en ruimtelijke regelgeving". In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma's vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats.

Bij het overtreden van de regels van het bestemmingsplan kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: bestuursrechtelijk handhaven (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) of strafrechtelijk handhaven (economisch delict).

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld.

Artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verplicht de gemeente over te gaan tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitiatieplan als:

  • het verhaal van kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels

Het bestemmingsplan voorziet in bouwplannen zoals bedoeling in het Bro. De gemeente en de initiatiefnemer zullen voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro sluiten. In de overeenkomst zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten, eisen aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte. Het kostenverhaal is daarmee verzekerd en daarom kan in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan

Op grond van de overeenkomst wordt verder het gehele project voor rekening en risico van de initiatiefnemer gerealiseerd, inclusief de legeskosten en mogelijk planschadekosten. Aan het bestemmingsplan zijn voor de gemeente uit het oogpunt van exploitatie dus geen nadelige financiële gevolgen verbonden, aangezien het hier een geheel particuliere aangelegenheid betreft.

Hoofdstuk 8 Procedure en overleg

In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan Heerenweg Oost weergegeven.

8.1 Procedurestappen

Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:

8.1.1 Voorontwerp

Een voorontwerp bestemmingsplan ligt op grond van de Inspraakverordening van de gemeente Heerlen gedurende zes weken voor eenieder ter inzage. Gedurende deze termijn kan men een inspraakreactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Tevens wordt het voorontwerpbestemmingsplan in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd. In dit geval wordt de voorontwerpfase overgeslagen, omdat er al veel communicatie over het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden.

8.1.2 Ontwerp

De ingediende inspraakreacties worden verwerkt, wat eventueel kan leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

8.1.3 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

8.1.4 Beroep

Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2 Zienswijzen en overleg

Het ontwerpbestemmingsplan Heerenweg Oost is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd en heeft gedurende zes weken in het kader van zienswijzen en het vooroverleg ter inzage gelegen.

Tijdens deze periode is één zienswijze ingekomen. De zienswijze is samengevat en van een reactie voorzien in een Nota van Zienswijzen. De zienswijze geeft geen aanleiding tot een aanpasing van het bestemmingsplan.