Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22Q Onderkant 14 Milsbeek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01

PREAMBULE

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie Onderkant 14 te Milsbeek en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22Q) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.omgevingswet.overheid.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22Q van het omgevingsplan van de gemeente Gennep. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22Q' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22Q' gelezen worden.
 

1 Inleidende regels (paragraaf 22Q.1)

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk deel omgevingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 1.3

1.2 Bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22Q van het Omgevingsplan.

1.3 Geometrisch planobject

De regels in dit hoofdstuk 22Q van het Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Onderkant 14 Milsbeek van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22Q Onderkant 14 Milsbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/

Artikel 2 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 van het Omgevingsplan Gennep is overeenkomstig van toepassing voor dit hoofdstuk 22Q. In aanvulling dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22Q de volgende begripsbepalingen:

2.1 plan

het omgevingsplan van de gemeente Gennep;

2.2 TAM - Omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22Q Onderkant 14 Milsbeek van de gemeente Gennep;

2.3 Tijdelijk omgevingsplan

het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Gennep, zoals opgenomen in artikel 22.1 van de Omgevingswet;

2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.5 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, tenminste ouder dan 50 jaar;

2.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij;

2.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.8 bed & breakfast

een activiteit ondergeschikt aan een (bedrijfs)woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is;

2.9 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

2.10 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

2.11 bedrijfsmatig

gericht op het behalen van winst;

2.12 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.13 bestaande

bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan;

2.14 bijbehorende bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;

2.15 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

2.16 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.17 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.18 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied (waaronder begrepen landschapselementen) toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

2.19 dak

iedere boven beëindiging van een gebouw;

2.20 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.21 extensief recreatief medegebruik

een extensief recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen, waaronder in elk geval niet wordt verstaan: paintball, gemotoriseerde sporten;

2.22 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.23 geomorfologische waarde

de waarde van de gronden vanwege de ontstaansgeschiedenis van de vormen van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid van de vormen;

2.24 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig is gericht op het gebruik maken van grond als productiemiddel en waaronder in ieder geval niet wordt verstaan een intensief veehouderijbedrijf, champignonteeltbedrijf, witlofkwekerij of viskwekerij. Plantenteelt met toepassing van containervelden wordt aangemerkt als een grondgebonden agrarische activiteit;

2.25 hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;

2.26 intensieve veehouderij

het bedrijfsmatig houden van dieren, een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning uiterlijk op het tijdstip van de bekendmaking van het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg op 1 juni 2004 is verleend), zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. De melkveehouderij wordt niet als intensieve veehouderij beschouwd;

2.27 natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de geologische, geomorfologsiche, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

2.28 nevenactiviteit

een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m²), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat;

2.29 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.30 paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

2.31 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

2.32 peil

  1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 
  2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  3. indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil; 
  4. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;

2.33 verkoopvloeroppervlak

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

2.34 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

2.35 woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden; in geval van inwoning zijn twee afzonderlijke huishoudens toegestaan.

Artikel 3 Wijze van meten

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het Omgevingsplan van de gemeente Gennep zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 Gebouwen en bouwwerken

3.1.1 De breedte van een gebouw
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.
3.1.2 De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.1.3 De dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3.1.4 De diepte van een gebouw
de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.
3.1.5 De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.1.6 De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
3.2.1 De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.3 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:
  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (°).
  

Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in dit hoofdstuk 22Q.1 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij is anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

2 Functie en gebruiksactiviteiten (paragraaf 22Q.2)

Artikel 6 Agrarisch

 

6.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarisch doeleinden op de verbeelding voor 'Agrarisch' aangewezen locaties.

6.2 Doelen

De regels die in dit Hoofdstuk 22Q zijn gesteld voor de voor 'Agrarisch' aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
  1. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  2. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  3. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  4. het behoud van cultureel erfgoed;
  5. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  6. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  7. het beheren van watersystemen;
  8. het gebruiken van bouwwerken;
  9. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  10. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  11. het bieden van voldoende woonruimte;
  12. het bevorderen van kringlooplandbouw en duurzame veehouderij;
  13. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  14. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;
en tevens op:
  1. het beschermen van grondgebonden veehouderij als drager van het landschap;
  2. het verlagen of voorkomen van emissies van geur van agrarische activiteiten;
  3. het bevorderen van een grotere variatie in de bedrijfsvoering van grondgebonden veehouderijbedrijven;
  4. het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing;
  5. het bevorderen van extensief medegebruik;
  6. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap.

6.3 Toegestane functies

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
  1. de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten;
  2. een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan, niet zijnde intensieve veehouderij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden';
  3. een grondverzet bedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijven' tot grondverzet wordt gerekend:
    1. grondverzet;
    2. grondwerk;
    3. groenonderhoud;
    4. op- en overslag schone grondstromen;
  4. wonen in een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  5. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarde van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komt in de openheid van de gronden, de beplantingselementen, de geomorfologische en bodemkundige waarden en de aanwezige flora en fauna;
  6. bos- en/of natuurelementen;
  7. landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting;
  8. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  9. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, waaronder bergbezinkbassins en niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers;
  10. voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals wandel-, fiets- en ruiterpaden en parkeervoorzieningen ten behoeve van toeristische overstappunten;

6.4 Strijdig gebruik

  1. De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden:
    1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van een (kleinschalig) kampeerterrein; 
    2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van een zorgboerderij;  
    3. het huisvesten van personen in de vorm van het bieden van logiesgelegenheid;
    4. het bewonen van (bijbehorende bouwwerken bij) een bedrijfsgebouw dan wel (bij) een bedrijfswoning ten behoeve van een tweede huishouden;
    5. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van een agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf niet toegestaan';
    6. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  2. In afwijking van het bepaalde in lind 1 onder f, geldt dat het gebruiken van de gronden ten behoeve van opslag in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering is toegestaan, niet zijnde de opslag van mest.

6.5 Omgevingsvergunningplicht bedrijfsactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3  gronden en bouwwerken te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten als genoemd in bijlage 1 uitsluitend in de zin van ondergeschikte nevenactiviteiten.

6.6 Omgevingsvergunningplicht ondergeschikte nevenactiviteiten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor ondergeschikte nevenactiviteiten gericht op recreatie en toerisme, zoals bed & breakfast, plattelandskamerverhuur, kleinschalige ondersteunende horeca, imkerij, galerie, fietsenverhuur.

6.7 Omgevingsvergunningplicht detailhandel

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor detailhandel in producten welke zijn gerelateerd aan het agrarisch bedrijf dan wel in streekeigen producten.

6.8 Omgevingsvergunningplicht (kleinschalig) kampeerterrein

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een (kleinschalig) kampeerterrein.

6.9 Omgevingsvergunningplicht meergeneratiewoning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor het bewonen van (bijbehorende bouwwerken bij) een bedrijfsgebouw dan wel (bij) een bedrijfswoning ten behoeve van een tweede huishouden.

6.10 Omgevingsvergunningplicht afhankelijke woonruimte

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het bewonen van (bijbehorende bouwwerken bij) een bedrijfsgebouw dan wel (bij) een bedrijfswoning.

6.11 Omgevingsvergunningplicht trekkershutten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie als bedoeld in 6.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor trekkershutten buiten de periode van 1 maart tot en met 31 oktober.

6.12 Beoordelingsregels bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.5 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de bedrijfsactiviteiten uitgevoerd worden door degene die het agrarisch bedrijf uitoefent;
  2. het brutovloeroppervlak voor deze activiteiten niet meer bedraagt dan 30% van de totale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen;
  3. de activiteiten uitsluitend plaats vinden binnen de bestaande bebouwing, dan wel binnen bebouwing die ingevolge de bouwregels voor onderhavige bestemming mag worden gebouwd;
  4. er slechts een geringe verkeersaantrekkende werking is welke is afgestemd op de aanwezige infrastructuur en waardoor geen onevenredige verkeersoverlast optreedt;
  5. parkeren plaats vindt op eigen erf;
  6. de activiteiten niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische bedrijven;
  7. landschappelijke inpassing is verzekerd, ten behoeve van een goede ruimtelijke kwaliteit;
  8. geen onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bedrijven;
  9. geen onevenredige aantasting van woon- en leefklimaat omwonenden;
  10. aanvaardbaar vanuit ruimtelijke kwaliteit.

6.13 Beoordelingsregels ondergeschikte nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.6 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de nevenactiviteiten uitgevoerd worden door degene die het agrarisch bedrijf uitoefent;
  2. de bruto vloeroppervlakte voor bed & breakfast en plattelandskamerverhuur niet meer dan 50% van het aanwezige vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning mag bedragen;
  3. de brutovloeroppervlakte voor de overige activiteiten niet meer mag bedragen dan 30% van de totale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen;
  4. de activiteiten uitsluitend zijn toegestaan binnen de bestaande gebouwen;
  5. er slechts een geringe verkeersaantrekkende werking mag zijn welke is afgestemd op de aanwezige infrastructuur en waardoor geen onevenredige verkeersoverlast mag optreden;
  6. parkeren plaats vindt op eigen erf;
  7. de activiteiten niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische bedrijven;
  8. landschappelijke inpassing is verzekerd, ten behoeve van een goede ruimtelijke kwaliteit;
  9. geen onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bedrijven;
  10. geen onevenredige aantasting van woon- en leefklimaat omwonenden;
  11. aanvaardbaar vanuit ruimtelijke kwaliteit.

6.14 Beoordelingsregels detailhandel

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.7 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. een maximum geldt van 200 m² verkoopvloeroppervlak;
  2. de nevenactiviteiten uitgevoerd worden door degene die het agrarisch bedrijf uitoefent;
  3. de activiteiten uitsluitend plaats vinden binnen de bestaande gebouwen;
  4. buitenopslag en buitenstalling van goederen die verband houden met de ondergeschikte nevenactiviteiten niet is toegestaan;
  5. er slechts een geringe verkeersaantrekkende werking mag zijn welke is afgestemd op de aanwezige infrastructuur en waardoor geen onevenredige verkeersoverlast mag optreden;
  6. parkeren plaats vindt op eigen erf;
  7. de activiteiten niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische bedrijven;
  8. landschappelijke inpassing is verzekerd, ten behoeve van een goede ruimtelijke kwaliteit;
  9. geen onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bedrijven;
  10. geen onevenredige aantasting van woon- en leefklimaat omwonenden;
  11. aanvaardbaar vanuit ruimtelijke kwaliteit.

6.15 Beoordelingsregels (kleinschalig) kampeerterrein

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.8 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de oppervlakte van het perceel waarop het kleinschalig kampeerterrein wordt gerealiseerd mag niet minder dan 0,5 ha bedragen;
  2. het aantal kampeerplaatsen niet meer dan 25 mag bedragen;
  3. het kleinschalig kamperen is toegestaan in de periode van 1 maart tot en met 31 oktober;
  4. het kleinschalig kampeerterrein dient geheel te zijn gelegen binnen het bouwvlak dan wel binnen een afstand van niet meer dan 100 m tot het bouwvlak;
  5. de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot het bouwvlak van een nabijgelegen (agrarisch) bedrijf en/of tot de gevel van een nabijgelegen (bedrijfs)woning van een derde niet minder dan 50 m mag bedragen. Het voorgaande geldt niet voor voorzieningen binnen de bestaande bebouwing;
  6. parkeren dient plaats te vinden op eigen erf;
  7. voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kampeerterrein uitsluitend binnen de bestaande bebouwing, dan wel binnen bebouwing die ingevolge de bouwregels voor onderhavige bestemming mag worden gebouwd, zijn toegestaan;
  8. chalets en/of stacaravans niet zijn toegestaan;
  9.  landschappelijke inpassing is verzekerd, ten behoeve van een goede ruimtelijke kwaliteit;

6.16 Beoordelingsregels meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.9 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. tussen hoofdbewoner(s) en inwoner(s)/inwoonster(s) een familieverband (grootouders/ouders/kind) dient te bestaan;
  2. er sprake blijft van één woning (hoofdgebouw) met één huisnummer en een gezamenlijk hoofdingang, van waaruit beide wooneenheden direct te bereiken zijn. Ook de overige voorzieningen dienen gezamenlijk te zijn, zoals de aansluitingen op de nutsvoorzieningen;
  3. de beide wooneenheden intern verbonden zijn door een of meer deuren;
  4. de eigendom van de meergeneratiewoning privaatrechtelijk in één hand is dan wel er sprake is van gezamenlijk eigendom van de bewoners;
  5. er geen eigendomsafsplitsing plaatsvindt van de op het erf aanwezige opstallen;
  6. zodra er geen sprake meer is van een familierelatie het gehele pand weer voor bewoning door één generatie/huishouden wordt gebruikt;
  7. er geen dubbele woning of twee zelfstandige woningen wordt gecreëerd;
  8. aan het gebruik als meergeneratiewoning nimmer recht wordt ontleend op een definitief gebruik als twee woningen of op woningsplitsing;
  9. de wooneenheden voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit;
  10. realisering plaatsvindt binnen de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw, danwel binnen de uitbreidingsmogelijkheden die het omgevingsplan daarvoor biedt.
 

6.17 Beoordelingsregels afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.10 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. dient te worden aangetoond dat een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg, waarbij geldt dat deze noodzaak niet behoeft te worden aangetoond wanneer de zorgbehoevende de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
  2. op het perceel al een woning aanwezig is;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
  4. per woning maximaal één omgevingsvergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
  5. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben, het gebruik van een vrijstaand bedrijfsgebouw als afhankelijke woonruimte uitsluitend is toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan het hoofdgebouw voor de inwoner of andere bewoner(s) onredelijk bezwarend is;
  6. maximaal 75 m² van hoofdgebouw en/of de bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
  7. het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de noodzaak van mantelzorg niet meer aan de orde is.

6.18 Beoordelingsregels trekkershutten

Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in 6.11 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. maximaal 3 trekkershutten per minicamping zijn toegestaan;
  2. trekkershutten slechts mogen worden gebruikt in de periode van 1 maart tot en met 31 oktober;
  3. de oppervlakte van een trekkershut niet meer dan 20 m² mag bedragen;
  4. de goothoogte niet meer dan 3 m mag bedragen;
  5. de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen.

6.19 Aanvraag vereisten omgevingsvergunningen

  1. de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.3 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit artikel 6.
  2. in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan de aan de van toepassing zijn de beoordelingsregels wordt voldaan. 

6.20 Voorwaardelijke verplichting 1

Op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van agrarisch - voorwaardelijke verplichting 1' wordt in iedergeval tot een verboden gebruiksactiviteit als bedoeld in 6.4 gerekend het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie Agrarisch zonder de sloop van de in Bijlage 2 opgenomen te slopen gebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 6.480 m² zijn gesloopt. Daarnaast is het verboden om de nieuwe (bedrijfs)gebouwen met een gezamenlijk oppervlakte van 2000 m² te bouwen zonder de sloop van de in Bijlage 2 opgenomen te slopen gebouwen zijn gesloopt.

6.21 Voorwaardelijke verplichting 2

  1. Op de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van agrarisch - voorwaardelijk verplichting 2' wordt in iedere geval gerekend tot strijdig gebruik bij het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel artikel 6 lid 3 sub c toegestane functie zonder de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voorwaardelijk verplichting 2' worden gebruikt mits binnen een termijn van één jaar na het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel artikel 6 lid 3 sub c  toegestane functie de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels is aangelegd en voor minimaal 10 jaar duurzaam in stand gehouden wordt.

Artikel 7 Leiding - Riool

7.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in artikel 6.

7.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01 is aangewezen als Leiding - Riool.

7.3 Functieomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het beheer en onderhoud van de leiding met bijbehorende werken geen gebouwen zijnde.

7.4 Bouwregels

Op de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden:
  1. mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de riooltransportleiding;
  2. mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer dan 3 m bedragen;
  3. mogen geen nieuwe bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd.

7.5 Afwijken van de bouwregels

7.5.1 Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.4  en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende bestemming
7.5.2 Afwegingskader
Een in subsubparagraaf 7.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien uit overleg met de leidingbeheerder(s) blijkt dat daartegen met het oog op het doelmatig functioneren van de riooltransportleiding en/of het aspect veiligheid geen bezwaar bestaat.
7.5.3 Procedure
Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden hoort het bevoegd gezag de beheerder(s) van de riooltransportleiding

7.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.6.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  3. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem;
  4. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  5. het aanleggen van andere kabels en/of leidingen dan de in artikel 7.3 bedoelde leiding;
  6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
7.6.2 Uitzondering
Het in subsubparagraaf 7.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerk zijnde:
  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;.
  3. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en).
7.6.3 Afwegingskader
  1. Uitvoering van de genoemde werken en/of werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de veiligheid wordt verminderd dan wel schade aan de leiding kan ontstaan.
  2. Alvorens te beslissen over een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt het advies ingewonnen van de leidingbeheerder. Het advies betreft de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 3

8.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in artikel 6.

8.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 3.

8.3 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud en de bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden van de gronden. Deze functie is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende functies.

8.4 Bouwregels

8.4.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter, of voor bouwwerken die worden opgericht ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats', een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
8.4.2 Voorwaarden
Indien uit het in subsubparagraaf 8.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de vergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.4.3 Bouwverbod
Indien uit het in subsubparagraaf 8.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in subsubparagraaf 8.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  2. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als natuur zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt.
8.5.2 Uitzondering
Het in subsubparagraaf 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerk zijnde:
  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. het aanbrengen van sleufloze drainage;
  3. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.
8.5.3 Afwegingskader
  1. uitvoering van de genoemde werken en/of werkzaamheden is in strijd met de functie, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden;
  2. voor zover de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden dooreen deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  3. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

8.6.1 Verbod
Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 100 m² en de diepte meer dan 30 cm bedraagt gemeten vanaf 30 cm boven het maaiveld.
8.6.2 Voorwaarden
Aan de omgevingsvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerd deskundige.
8.6.3 Melding en aanvullende voorschriften
Indien tijdens de melding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag.
8.6.4 Weigering omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 4

9.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in artikel 6.

9.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 4.

9.3 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor het behoud en de bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden van de gronden. Deze functie is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende functies.

9.4 Bouwregels

9.4.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2500 m² en dieper dan 50 centimeter, of voor bouwwerken die worden opgericht ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats', een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
9.4.2 Voorwaarden
Indien uit het in subparagraaf 9.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de vergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.4.3 Bouwverbod
Indien uit het in subparagraaf 9.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in subparagraaf 9.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  2. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als natuur zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt;
  9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2500 m² of meer bedraagt, of wanneer dat ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' gebeurt.
9.5.2 Uitzondering
Het in subparagraaf 9.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerk zijnde:
  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. het aanbrengen van sleufloze drainage;
  3. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.
9.5.3 Afwegingskader
  1. uitvoering van de genoemde werken en/of werkzaamheden is in strijd met de functie, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden;
  2. voor zover de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden dooreen deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  3. de vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

9.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

9.6.1 Verbod
Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 2500 m² en de diepte meer dan 50 cm bedraagt gemeten vanaf 30 cm boven het maaiveld.
9.6.2 Voorwaarden
Aan de omgevingsvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerd deskundige.
9.6.3 Melding en aanvullende voorschriften
Indien tijdens de melding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag.
9.6.4 Weigering omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.

Artikel 10 Waterstaat - Bergend regime

10.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in artikel 6.

10.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0907.TI22QOnderka14BUI-VA01 is aangewezen als Waterstaat - Bergend regime.

10.3 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Bergend regime' aangewezen gronden, zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de berging van rivierwater.

10.4 Bouwregels

10.4.1 Bouwverbod
Op de voor 'Waterstaat - Bergend regime' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

10.5 Afwijken van de bouwregels

10.5.1 Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in subparagraaf 10.4.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende functies.
10.5.2 Afwegingskader
Een in subparagraaf 10.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk is gewaarborgd;
  2. geen sprake is van een feitelijke belemmering van de vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat de waterstandsverhoging dan wel de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de resterende waterstandseffecten dan wel de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen moet zijn verzekerd.
10.5.3 Uitzondering
De toelaatbaarheid van de het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van navolgende activiteiten wordt slechts getoetst aan subparagraaf 10.5.2 onderdeel a tot en met c:
  1. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10% van de bestaande bebouwing;
  2. tijdelijke activiteiten, anders dan bedoeld in artikel 6.1.1, lid 1 onderdeel b van de Waterregeling;
  3. overige activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang.
10.5.4 Procedure
Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning hoort het bevoegd gezag de rivierbeheerder.

3 Bouwactiviteiten (paragraaf 22Q.3)

Artikel 11 Agrarisch

11.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie.

11.2 Bouwen ten behoeve van gebruik

Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het op grond van Paragraaf 22Q.2 ter plaatse toegelaten gebruik voor 'Agrarisch'.

11.3 Toegelaten bouwactiviteiten

Uitsluitend de volgende bouwwerken mogen worden gebouwd op een voor Agrarisch aangewezen locatie:
  1. bouwwerken als bedoeld in deze paragraaf 22Q.3;
  2. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
  3. bouwwerken als bedoeld paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden.

11.4 Bestaande bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.40 van dit omgevingsplan is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:
  1. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  2. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit plan;
  3. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk en, hetgeen ook kan worden aangetoond;
  4. vóór 1945, hetgeen ook kan worden aangetoond

11.5 Algemene regels - ondergronds bouwen

Voor zover op een locatie op grond van deze paragraaf (paragraaf 22Q.3) gebouwen mogen worden gebouwd, mogen gebouwen tevens ondergronds worden gebouwd tot een verticale bouwdiepte van maximaal 4 meter.

11.6 Algemene regels - parkeervoorzieningen

  1. bij het bouwen van een bouwwerk dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
  2. burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub 1, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwijking zoals genoemd in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan. 

11.7 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van deze paragraaf 22Q.3.

Artikel 12 Gebouwen Agrarisch

12.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van gebouwen op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie.

12.2 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen

In afwijking van artikel 22.26 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie.

12.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht

  1. de vergunningplicht als bedoeld in 12.2 is niet van toepassing indien de voorgenomen bouwactiviteit is genoemd in:
    1. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
    2. paragraaf 22.2.7.2 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden; of
    3. paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden.
  2. bij de toepassing van lid 1 dient waar in de genoemde paragrafen wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 9.2 van dit Hoofdstuk 22Q.
  3. artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.

12.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (bedrijfs)gebouwen

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2 wordt alleen verleend voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. indien in het bouwvlak een bedrijfswoning aanwezig is, mogen gebouwen niet dichter bij de weg worden gesitueerd dan de aanwezige bedrijfswoning;
  3. de goothoogte mag niet meer dan 6,5 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de bestaande goothoogte als maximum geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw;
  4. de bouwhoogte mag niet meer dan 12 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bestaande bouwhoogte als maximum geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw;
  5. de dakhelling mag niet minder dan 12° bedragen, met dien verstande dat:
    1. voor een oppervlakte van ten hoogste 100 m² de dakhelling 0° mag bedragen;
    2. indien de bestaande dakhelling lager is, deze lagere dakhelling als minimum geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw.

12.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bedrijfswoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2 wordt alleen verleend voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  2. per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedrijfswoning worden gebouwd;
  3. de inhoud mag niet meer dan 800 m³ bedragen, tenzij de bestaande inhoud groter is, in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt;
  4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de bestaande goothoogte als maximum geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw;
  5. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bestaande bouwhoogte als maximum geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw;
  6. kelders mogen uitsluitend worden gerealiseerd loodrecht onder het hoofdgebouw tot een diepte van niet meer dan 4 m.

Artikel 13 Bouwwerken zonder dak

13.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie.

13.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor 'Agrarisch' aangewezen locatie.

13.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplichtige gevallen

  1. in aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in 13.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in 13.5 dan wel 13.4.
  2. bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: 13.2 van dit Hoofdstuk 22Q.
  3. artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.  

13.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht erf- en perceelsafscheidingen

De vergunningplicht als bedoeld in 13.2 is niet van toepassing voor een erf- of perceelsafscheiding die voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1. de erf- of perceelsafscheiding is hoger dan 1 meter, maar niet hoger dan 2 meter;
  2. de erf- of perceelafscheiding staat op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  3. de erf- of perceelsafscheiding wordt gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

13.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  1. de omgevingsvergunning als bedoeld in 13.2 wordt alleen verleend indien:
    1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    2. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    3. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    4. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    5. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
    6. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak van de functie Agrarisch gelden de volgende regels:
      1. kuilvoerplaten en silo's mogen niet gebouwd worden buiten het bouwvlak;
      2. paardenbakken mogen niet gebouwd worden buiten het bouwvlak;
      3. de bouwhoogte mag niet meer dan 2 m bedragen;
    7. voor bouwwerken, geen gebouw zijnde voor zover gesitueerd binnen het bouwvlak van de functie Agrarisch gelden de volgende regels:
      1. de bouwhoogte van kunstmest- en/of voedersilo's mag niet meer dan 12 m bedragen;
      1. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
      2. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 8 m bedragen;
      3. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 8 m bedragen;
  2. in afwijking van het bepaalde in lid 1 onder e verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.