direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Draaischijf Milsbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aanleiding voor de voorliggende motivering is het planvoornemen om aan de Draaischijf binnen het bebouwde gebied van Milsbeek 6 woningen voor starters, 1-2 persoonshuishoudens dan wel senioren te realiseren in twee blokken van drie woningen met daartussen de noodzakelijke parkeervoorzieningen.

Het perceel aan de Draaischijf is momenteel onbenut en braakliggend. Op basis basis van het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan) is het perceel reeds beoogd als woonfunctie. Op basis van het omgevingsplan zijn echter slechts vier nultredewoningen toegestaan. Hierdoor passen de beoogde woningen qua aantal, bouwvlak, woningtypologie en parkeervoorzieningen niet binnen de toegestane planologisch-juridische situatie.

Om de realisatie van het planvoornemen mogelijk te maken, dient het omgevingsplan van de gemeente Gennep voor het plangebied te worden gewijzigd. Het verkavelingsplan vormt het uitgangspunt voor het TAM-omgevingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bevindt zich aan de Draaischijf te Milsbeek. Milsbeek is een dorpskern in de gemeente Gennep, gelegen in de Nederlandse provincie Limburg. Het plangebied ligt in de oostelijke hoek van de kern Milsbeek. Het plangebied bevindt zich tussen de Draaischijf in het zuiden en de achtertuinen van de woningen aan de Plateel in het noorden. Het plangebied is gelegen in het verlengde van de huidige Draaischijf in oostelijke richting. Het planvoornemen maakt onderdeel uit van de nieuwbouwwijk 'Zwarteweg'.

Het planvoornemen heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend als gemeente Ottersum, sectie D, nummer 4803, met een totaal oppervlak van circa 1.003m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0001.png"

Ligging plangebied in breder verband

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0002.png"

Luchtfoto met kadastrale gegevens en de begrenzing van het plangebied (rood kader)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is de opbouw van de voorliggende ruimtelijke motivering als volgt:

  • In Hoofdstuk 2 wordt het planvoornemen omschreven waarbij wordt ingegaan op de vergelijking van de huidige situatie en 'oude' planvoornemen met het nieuwe onderhavige planvoornemen.
  • In Hoofdstuk 3 wordt het planvoornemen getoetst aan de geldende regels uit het geldende omgevingsplan.
  • In Hoofdstuk 4 staat het beleidskader centraal.
  • In Hoofdstuk 5 worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving beschreven met onder andere verkeer & parkeren, bodemkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, geur, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, duurzaamheid & klimaat, gezondheid en de m.e.r.-beoordeling.
  • In Hoofdstuk 6 worden de juridisch bestuurlijke aspecten toegelicht.
  • In Hoofdstuk 7 de maatschappelijke aanvaardbaarheid aan de hand van participatie omschreven.
  • In Hoofdstuk 8 wordt de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen besproken.
  • In Hoofdstuk 9 is de conclusie van de voorliggende ruimtelijke motivering opgenomen in het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
  • In Hoofdstuk 10 wordt de te doorlopen procedure omschreven.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Historisch perspectief en huidige situatie

Het plangebied aan de Draaischijf, bevindt zich in de oostelijke hoek van de bebouwde kern van het dorp Milsbeek. Milsbeek is een dorpje in het uiterste noorden van de provincie Limburg in Nederland en ligt hemelsbreed 15 kilometer ten zuiden van Nijmegen. Het dorp maakt deel uit van de gemeente Gennep. Bij Milsbeek mondt de rivier de Niers uit in de Maas.

Een ontwikkeling die in de geschiedenis van Milsbeek niet onvermeld mag blijven, is de opkomst van pottenbakkerijen. De opkomst van pottenbakkerijen was een essentieel onderdeel van de geschiedenis van Milsbeek. Reeds in de 17e (Gouden) Eeuw moeten zich in Milsbeek enkele pottenbakkers gevestigd hebben. Door de pottenbakkerijen in de omgeving heeft het dorp zeer zeker grote bekendheid verworven. De kop van Noord-Limburg stond in die periode bekend als het centrum van de pottenbakkerij in Nederland. Door de aanwezigheid van geschikte klei en hout in de omgeving konden pottenbakkers zich hier goed vestigen en hun producten via de Maas en lokale wegen verspreiden.

Milsbeek ligt in de vallei van de Maas, op een hoogte van ongeveer 12 meter. Eerder lag er langs de Maas een steenfabriek die van 1898-2008 in werking was. Naar het noorden toe ligt er een vlak en door ruilverkavelingen grootschalig stuk land dat naar het noorden toe scherp begrensd wordt door de stuwwallen van de Sint-Jansberg en het Reichswald. Naar het westen toe vindt men de Mookerplas en in het zuiden ligt de monding van de Niers, die hier in de Maas uitmondt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0003.png"

Ligging plangebied ten opzichte van de kern Milsbeek

In de woningbouwontwikkeling 'Zwarteberg', waar Draaischijf onderdeel van uitmaakt, zijn er vanaf circa 2015 verschillende woningen gerealiseerd. Onder andere aan de Plateel, de Pottenbakker en de Draaischijf zelf hebben er in de loop der jaren grote veranderingen plaatsgevonden.

Het oorspronkelijke verkavelingsplan voor de woningbouwontwikkeling 'Zwarteweg' voorzag in 176 grondgebonden woningen. Inmiddels is een groot deel van deze woningbouwontwikkeling gerealiseerd. In 2021 is het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' vastgesteld om de woonwijk af te ronden met een woonzorgcomplex (bestaande uit 18 appartementen met 1 ondernemerswoning), 8 levensloopbestendige rijwoningen (sociale huur) en 4 levensloopbestendige twee-onder-eenkapwoningen (koop). Hiervan zijn de 18 appartementen met 1 ondernemerswoning en 8 levensloopbestendige rijwoningen (sociale huur) inmiddels gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0004.png"

Luchtfoto van de 18 appartementen met 1 ondernemerswoning

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0005.png"

Luchtfoto van de 8 levensloopbestendige rijwoningen (tegenover het plangebied)

Met de realisatie van dit bestemmingsplan is de woonwijk tussen de Schopschijf in het westen en de Draaischijf in het oosten volledig gevuld met uitzondering van het plangebied. De beoogde 4 twee-onder-een-kapwoningen ter plaatse van het plangebied zijn tot op heden nog niet gerealiseerd. Het plangebied betreft dan ook een nog onbebouwd en braakliggend terrein. In toekomst zal de wijk in noordwestelijke richting worden uitgebreid. Voor een eerstevolgende uitbreiding is in 2023 het bestemmingsplan 'Heiveld Milsbeek' vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0006.png"

Schetsontwerp Draaischijf e.o. met ter plaatse van blauw kader de niet gerealiseerde twee-onder-kapwoningen

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0007.png"

Luchtfoto van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied

2.2 Beschrijving toekomstige situatie (planvoornemen)

Zoals hierboven omschreven zijn ter plaatse van het plangebied reeds woningen planologisch-juridisch toegestaan en voorzien. Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, voortkomend uit het bestemmingsplan, zijn ter plaatse van het plangebied reeds vier woningen in de vorm van nultredenwoningen toegestaan. Omdat het planvoornemen voor het plangebied in de afgelopen jaren echter gewijzigd is, is het plangebied nog onbebouwd en op dit moment braakliggend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0008.png"

Verkavelingsplan (zie tevens Bijlage 1)

Het plan heeft betrekking op de realisatie van 6 woningen in de categorie "sociale huur". Woningcorporatie Destion gaat de woningen verhuren. Woningzoekenden kunnen zich gratis inschrijven via de website https://www.thuisinlimburg.nl. De nieuw te bouwen woningen komen op deze website te staan. Op de website is ook meer informatie te vinden over de toewijzing van de woningen die via Destion - en niet via de gemeente - verloopt. Door de grootte en indeling van deze 6 woningen zijn de woningen onder andere geschikt voor starters en senioren.

De zes woningen worden in twee woonblokken van 3 woningen in 1 bouwlaag met kap gerealiseerd. Tussen de twee woonblokken wordt voorzien in de noodzakelijke parkeervoorzieningen in combinatie met groenvoorzieningen. De parkeervoorzieningen worden door middel van een inrit-/uitrit aangesloten op de Draaischijf.

Voor wat betreft de parkeervoorzieningen worden minimaal 9 parkeerplaatsen voorzien om te voldoen aan de parkeerbehoefte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0009.png"

Impressie woonblok met 3 woningen

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0011.png"

Plattegronden woonblok met 3 woningen

Hoofdstuk 3 Toetsing aan het omgevingsplan

3.1 Het geldende omgevingsplan

De planologisch-juridische situatie van het plangebied is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Gennep, dat in werking is getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Gennep' komt ter plaatse van het plangebied voort uit het voorgaande bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.', vastgesteld op 8 november 2021.

Op basis van het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.', heeft het plangebied de functie 'Wonen - 1'. Deze woonfunctie is aangevuld met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - nultredenwoning'. Daarnaast is het perceel voorzien van een bouwvlak met maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 4'.

Op basis van het bovenstaande is het plangebied bedoeld voor woondoeleinden in de vorm van maximaal vier wooneenheden, welke gerealiseerd dienen te worden als nultredenwoningen. Een nultredenwoning is daarbij als volgt gedefinieerd: een al dan niet aaneengebouwde woning met een volledig woonprogramma op de begane grond - bestaande uit een woonkamer, keuken, sanitaire groep en minimaal één slaapkamer.

Het plangebied is niet voorzien van dubbelbestemmingen als 'Waarde - Archeologie' of 'Waarde - Cultuurhistorie'. Met de vaststelling van het onderliggende bestemmingsplan in 2021, is het plangebied archeologisch vrijgegeven. Afgezien van de zorgplicht is het plangebied niet specifiek bedoeld voor de bescherming van eventueel archeologisch erfgoed.

Daarnaast zijn de paraplubestemmingsplannen 'Thematische herziening verbod kamerbewoning' (vastgesteld op 18 december 2023) en Paraplubestemmingsplan 'Parkeren Gemeente Gennep – digitaal' (vastgesteld op 4 juni 2018) van toepassing. Deze paraplubestemmingsplannen brengen verder geen specifieke belemmeringen met zich mee voor het plangebied.

In de huidige situatie is het plangebied nog onbebouwd, waardoor kamerbewoning niet aan de orde is. De toekomstige woningen bieden, gezien het beperkte oppervlak, geen mogelijkheid tot kamerbewoning. In paragraaf 5.2 wordt het planvoornemen getoetst aan het geldende parkeerbeleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0012.png"

Uitsnede (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (voormalig bestemmingsplan Milsbeek, Draaischijf e.o.) met situering van het plangebied ten behoeve van 6 sociale huurwoningen (rode contour)

3.2 Bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden

Hieronder zijn regels ten aanzien van de woonfunctie opgenomen die de bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden op basis van artikel 5 'Wonen - 1' goed samenvatten.

Artikel 5 'Wonen - 1'

  • 5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het aantal woningen zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. aan huis verbonden beroepen;

met bijbehorende gebouwen, overige bouwwerken, tuinen en erven.

  • 5.2 Bouwregels
  • 5.2.1 Hoofdgebouwen

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de aanduidingen:
  • 1. 'aaneengebouwd': aaneengebouwde woningen;
  • 2. 'specifieke bouwaanduiding - nultredenwoningen': nultredenwoningen;
  • c. afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is bij woningen ter plaatse van de aanduidingen:
  • 1. 'specifieke bouwaanduiding - nultredenwoning': aan één zijde minimaal 1,5 m;
  • 2. 'aaneengebouwd': aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen minimaal 2,5 m.

  • 5.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd binnen of buiten het bouwvlak, met dien verstande dat voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen welke zijn of worden gebouwd binnen het bouwvlak, de in dit lid opgenomen bepalingen voor wat betreft maximale goothoogte, maximale bouwhoogte, maximale oppervlakte en maximaal bebouwingspercentage van het erf niet van toepassing zijn. De maximale goothoogte en maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen zijn dan van toepassing;
  • b. gebouwd op het achtererfgebied van het hoofdgebouw;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder c. zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tevens toegestaan vóór 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw indien deze op een afstand van minimaal 5 m vanaf de aangrenzende verkeersbestemming en een afstand van minimaal 5 m uit de voorste perceelsgrens worden gesitueerd.

5.2.3 Aanvullend

  • a. In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.2.1 en 5.2.2, voldoen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tevens aan de regels in de hierna opgenomen tabel:
  Hoofdgebouw   Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen  
max. goothoogte   6 m   3,3 m  
max. bouwhoogte   10 m   5 m  
min. inhoud   250 m³   n.v.t.  
min. breedte   6 m   n.v.t.  
max. oppervlakte   n.v.t.   70 m²  
max. bebouwingspercentage van het erf   n.v.t.   40%  

  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. gelden voor nultredenwoningen de volgende kenmerken:
  • 1. de goot- en bouwhoogte is maximaal 4 m, met dien verstande dat voor maximaal 30% van de begane grondvloeroppervlakte de bouwhoogte 8 m mag bedragen, mits:
  • de tweede bouwlaag aan de voorzijde van de woning niet mag terugliggen ten opzichte van de eerste bouwlaag;
  • de tweede bouwlaag ten minste 8 meter uit de achterste perceelsgrens is gelegen.

3.3 Strijdigheden met het omgevingsplan

Het planvoornemen voorziet in het realiseren in 6 sociale huurwoningen in plaats van 4 nul-tredewoningen. Hiermee wijkt het planvoornemen af van de functieomschrijving zoals opgenomen onder 5.1 lid a. Het realiseren van reguliere sociale huurwoningen in plaats van nultredenwoningen wijkt af van artikel 5.2.1, lid 2 onder a. 'specifieke bouwaanduiding - nultredenwoningen': nultredenwoningen.

Daarnaast wordt (naar verwachting) niet voldaan aan de minimale breedte van 6 meter voor de woning. Hiermee wijkt het planvoornemen af van de aanvullende regels zoals opgenomen onder 5.2.3. Naar verwachting wordt er wel qua maatvoering voldaan aan de maximum goothoogte (6 meter), de maximum bouwhoogte (10 meter), en de minimale inhoud (250 m³).

Tot slot zijn de (onbebouwde) gronden niet bestemd voor parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

De strijdigheid met het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (voormalig bestemmingsplan Milsbeek, Draaischijf e.o.) heeft dus betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het aantal woningen;
  • De soort woningen;
  • De minimale breedte;
  • Het toegestane gebruik.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet worden afgeweken van de geldende planologisch-juridische regeling. Het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied met de functie 'Wonen - 1' zal daarom worden gewijzigd naar de gewenste situatie, waarbij sprake is van zes reguliere sociale huurwoningen in twee woonblokken van 3 woningen, met de bijbehorende parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Deze wijziging van het omgevingsplan wordt mogelijk gemaak door middel van een TAM-omgevingsplan.

3.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan

‘TAM’ staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Met een TAM-omgevingsplan is het mogelijk om met de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen en bijbehorende software het omgevingsplan te wijzigen.

Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is onderkend dat de planapplicaties voor het maken en publiceren van het omgevingsplan in combinatie met het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) vaak nog onvoldoende functioneren. Daarom is het TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt.

Dit TAM-omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan wordt een apart hoofdstuk (22N) van het tijdelijke omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Toetsing

Met de NOVI wordt vooral gestuurd op inbreiding in plaats van uitbreiding. Dit planvoornemen is in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, die beoogt woningen te realiseren binnen stedelijk gebied. Een belangrijk aspect van de NOVI is het creëren van prettige woonmilieus (prioriteit 3: 'Sterke en gezonde steden en regio's') en aandacht voor klimaatadaptatie (prioriteit 1).

Met dit planvoornemen worden 6 grondgebonden sociale huurwoningen gerealiseerd in het bestaande bebouwde gebied van de kern Milsbeek. De woningen zullen behoren tot de woningbouwontwikkeling 'Zwarteweg'. In middels is een groot deel van deze nieuwbouwwijk gerealiseerd. In 2021 is het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' vastgesteld om de woonwijk af te ronden met een woonzorgcomplex (bestaande uit 18 appartementen en 1 ondernemerswoning), 8 levensloopbestendige rijwoningen (sociale huur) en 4 levensloopbestendige twee-onder-eenkapwoningen (koop). Een groot deel van deze woningen behorende tot het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' zijn inmiddels gerealiseerd .

Uitsluitend het plangebied waar deze motivering betrekking op heeft is nog onbebouwd. Hier zijn op basis van het (tijdelijke) omgevingsplan vier nultredenwoningen toegestaan. Het plan is echter gewijzigd, waardoor nu zes reguliere sociale huurwoningen zijn voorzien binnen het plangebied. Ten opzichte van het bepaalde in het omgevingsplan zorgt het planvoornemen slechts voor een toevoeging van twee woningen met bijbehorende parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

Net als de eerder voorziene vier woningen, zorgen de nu beoogde zes woningen voor een afronding van de wijk. Doordat de woningen stedenbouwkundig worden ingepast, doen de twee extra woningen geen afbreuk aan de bestaande identiteit van de buurt. De woningen zullen hierdoor passend zijn in relatie tot de omgeving en binnen de ruimtelijke structuur van Milsbeek.

Door de centrale ligging van de woningen wordt een sociaal netwerk geboden en bevinden voorzieningen zich op korte afstand. Naast het feit dat de woningen voorzien in de woningbehoefte, dragen ze ook bij aan een prettig woonmilieu voor de toekomstige bewoners door de daadwerkelijke invulling van het plangebied en de afronding van de woonwijk ter plaatse van de Draaischijf.

Gezien de grote woningbehoefte en met name vraag naar sociale huurwoningen in de regio Gennep, is er sprake van een duurzame groei. De wijziging van nultredenwoningen, naar reguliere sociale huurwoningen en het toevoegen van twee extra woningen aan de woningvoorraad van de gemeente door het realiseren van zes in plaats van vier woningen, speelt in op de regionale behoefte. Het planvoornemen speelt in op de vraag in de regio en zal een doorstroming op de woningmarkt teweegbrengen. De woningen zullen tevens klimaatbestendig worden gerealiseerd, met aandacht voor een duurzame energievoorziening. Dit draagt bij aan een duurzame ontwikkeling op lange termijn.

Conclusie

Samenvattend kan worden gesteld dat het planvoornemen wenselijk is. Er zijn geen rijksbelangen in het geding, waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan:

  • De dienstenrichtlijn (art 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Toetsing

Voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan zijn de onderstaande categorieën van toepassing:

Omgevingsbesluit

In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor het Omgevingsbesluit is er in dit geval sprake van het volgende:

  • Het TAM-omgevingsplan heeft als doel het wijzigen van het omgevingsplan. De aanvraag om een omgevingsplan te wijzigen valt onder de werking van artikel 16.30, lid 1, van de Omgevingswet.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Voor het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) betreft dit:

  • Doordat er sprake is van de toevoeging van nieuwe kwetsbare objecten in de vorm van twee extra woningen, door het realiseren van zes in plaats van de vier planologisch-jurdische toegestane woningen, dient er getoetst te worden aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Voor het Besluit activiteiten leefomgeving (Bkl) betreft dit:

  • Doordat er sprake is van een strijdigheid met de regels en een verandering in het gebruik dient er ook rekening te worden gehouden met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Voor het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) betreft dit:

  • Naast het toevoegen van de woonfuncties is er ook sprake van de activiteit bouwen. Met het project worden nieuw bouwwerken toegevoegd, in de vorm van zes sociale huurwoningen. Deze gebouwen dienen te worden getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving behandeld. Aan de hand van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving wordt aangetoond dat er wordt voldaan aan de sectorale aspecten die voortvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Voor zover de instructieregels relevant zijn voor het voorliggend planvoornemen, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld. Uit deze toets blijkt dat het planvoornemen past binnen de kaders uit deze AMvB's.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.3.1 Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder voor duurzame stedelijk ontwikkeling is opgenomen als een instructieregel voor het omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Voor zover een wijziging van het omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Het beoogde en huidige planologische regime moeten bij toepassing van de Ladder met elkaar vergeleken worden. De kwantitatieve én kwalitatieve behoefte van het planvoornemen moet worden bepaald op het niveau van het verzorgingsgebied van het planvoornemen.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

4.1.3.2 Toetsing

Binnen het plangebied is er sprake van een nieuwe ontwikkeling in de vorm van de realisatie van zes nieuwe wooneenheden. Op basis van het omgevingsplan zijn binnen het plangebied reeds vier woningen toegestaan. Per saldo neemt hierdoor het aantal woningen met twee woningen toe.

Doordat er sprake is van de toevoeging van slechts twee extra woningen, wordt de drempelwaarde van 12 woningen bij woningbouw niet overschreden. Om deze reden is er geen sprake van een ladderplichtig planvoornemen in de context van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling. De marktvraag en behoefte hoeven hierdoor niet te worden onderbouwd. Verdere toetsing aan de ladder voor stedelijke ontwikkeling is niet noodzakelijk.

4.1.4 Rijkswaterstaat

Het plangebied maakt onderdeel uit van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is. Echter gelden er in het gebied geen beperkingen vanuit het waterstaatswerk (in dit geval het rivierbed). Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid.

 Op 18 juni 2020 is door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen. Op moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming. Dit geldt ook voor de gebieden tussen Mook en Gennep (Lob van Gennep).

4.1.5 Conclusie

Op basis van bovenstaande beoordelingen kan er worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen in lijn is met het Rijksbeleid en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Provinciaal en regionaal beleid

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie van de provincie Limburg vastgesteld. De omgevingsvisie Limburg op 25 oktober 2021 in werking getreden.

De omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de omgevingsvisie meegenomen. In de omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, wonen, werklocaties, agrarische bedrijven).

Bovengenoemde onderwerpen worden verdeeld in een drietal hoofdopgaven.

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie;
  • 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.

De omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kunnen nog keuzes worden gemaakt. Daarbij kiest de provincie Limburg voor maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, worden deze gemaakt op basis van onderstaande Limburgse principes:

  • 1. We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • 2. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • 3. Meer stad, meer land;
  • 4. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte voorraden, boven- én ondergronds;
  • 5. Procesmatige uitgangspunten:
  • 6. De maatschappelijke opgaven en kansen staan centraal
  • 7. (Grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap;
  • 8. We werken gebiedsgericht;
  • 9. We werken adaptief aan de opgaven;
  • 10. We werken als één overheid

Toetsing

Met het planvoornemen wordt bijgedragen aan de eerste hoofdopgave: het creëren van een aantrekkelijke, sociale en veilige samenleving.

Door de realisatie van zes woningen aan de Draaischijf, wordt hieraan bijgedragen, doordat er een nieuwe, aantrekkelijke, veilige en afgeronde woonwijk wordt gecreëerd die past in de bestaande ruimtelijke structuur.

Met de realisatie van de woningen wordt een nog ongebouwd perceel ingevuld. Ten opzichte van het bepaalde in het omgevingsplan worden nu echter zes reguliere sociale huurwoningen in plaats van vier nultredenwoningen gerealiseerd, omdat blijkt dat deze invulling beter aansluit bij de huidige marktvraag voor starters, 1-2 persoonshuishoudens en senioren. De zes sociale huurwoningen zijn passend in relatie tot de omgeving en de aanwezige structuur in de bebouwde kom.

Door de realisatie van de woningen en de invulling van het perceel, wordt de woningbouwontwikkeling Zwarteweg verder afgerond. De woningbouw sluit aan op de overwegende woonfuncties in de directe omgving van het plangebied, waardoor er met het planvoornemen een afgerond geheel van de kern Milsbeek ontstaat.

Door de inpassing van de zes woningen aan de bestaande infrastructuur, wordt de identiteit van de wijk gerespecteerd en versterkt. Daarnaast blijven de bestaande kenmerken en indentiteit van het plangebied behouden.

Bovendien zijn de procesmatige uitgangspunten van 'maatschappelijke opgaven', 'gebiedsgericht werken' en 'adaptief werken aan opgaven' van toepassing. Door de bouw van bijna energieneutrale woningen, welke voldoen aan de meest recente eisen op het gebied van woningbouw en duurzaamheid, met duurzame waterberging en ruimte voor klimaatadaptatie, worden er toekomstbestendige woningen gecreëerd.

Regio visie Noord-Limburg

Daarnaast hebben Noord-, Midden- en Zuid-Limburg elk een eigen regiovisie samengesteld binnen de Omgevingsvisie Limburg. In de afzonderlijk Regiovisies wordt het regioprofiel geschetst, een toekomstbeeld voor 2030-2050 gegeven en ingegaan op specifieke, regio gebonden uitdagingen en opgaven per thema.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0013.png"

Uitsnede Omgevingsvisie Limburg - Regio Noord-Limburg

Het plangebied is op basis van de regiokaart aangeduid als landelijke kern. Rondom Milsbeek bevindt zich aan de oostkant het gebied aangeduid als 'Oostflank'. Hiermee wordt het groene bosrijke gebied aan de oostgrens van Limburg bedoeld. Ten westen van de Rijksweg (N271) bevindt zich het gebied aangeduid als 'Maas en Maasvallei'.

De regiovisie beschrijft onder andere het huidige profiel van de regio, welke van belang is om in de toekomst in stand te houden. De maasduingemeenten Gennep en Nieuw Bergen worden eveneens benoemd. Deze sluiten aan bij de op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De focus ligt hier op het unieke, natuurlijke karakter van het gebied en op wonen en recreëren.

Daarnaast zijn er verschillende uitdagingen en opgaven opgesteld in de vorm van vijf pijlers:

  • Ondernemen & Innoveren (gezond ondernemen en gezonde arbeidsmarkt);
  • Toerisme & Leisure (gezond leven);
  • Vitale en gezonde bewoners en hun leefomgeving;
  • Mobiliteit & Logistiek (gezond verbinden);
  • Energie & Klimaat (gezond leefklimaat)

De betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt steeds meer af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studieschulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woonconcepten.

Met betrekking tot de pijler 'Vitale en gezonde bewoners en hun leefomgeving' wordt ook ingegaan op de transformatie van de woningvoorraad. Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig én verduurzaamd worden. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.

Hierbij is speciale aandacht nodig voor het toenemend aantal ouderen, bijzondere doelgroepen (waaronder woonurgenten en internationale werknemers), verduurzaming en de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Daarbij kiest de gemeente primair voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkt voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen.

Om Noord-Limburg te beschermen tegen overstromingen, wateroverlast en droogte en om te zorgen voor een ecosysteem in balans, zet de regio in op een robuust en toekomstgericht watersysteem. Daarnaast speelt de energietransitie een belangrijke rol in de regiovisie.

Toetsing

Met het planvoornemen wordt een woningbouwontwikkeling van zes sociale huurwoningen gerealiseerd, ter plaatse van een onbebouwd perceel binnen de bebouwde kern van Milsbeek, waar op basis van het omgevingsplan reeds vier woningen (nultredenwoningen) zijn voorzien.

Deze woningen worden aangeboden als sociale huurwoningen en zijn bedoeld voor starters, 1-2 persoonshuishoudens dan wel senioren. De woningen worden binnen de bestaande kern gerealiseerd, waardoor er sprake is van inbreiding. De woningvoorraad van Milsbeek wordt door de realisatie van deze kleinschalige sociale huurwoningen uitgebreid met woningen die aansluiten bij de concrete vraag.

Doordat hemelwater bij het planvoornemen wordt afgekoppeld en afgevoerd naar een bestaande hemelwatervoorziening in de buurt, wordt de waterrobuustheid van de omgeving geborgd. Daarnaast worden de woningen energieneutraal en gasloos gerealiseerd, waardoor het planvoornemen aansluit bij de ambities van de energietransitie.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Omgevingsvisie en Regiovisie Noord-Limburg.

4.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Wanneer de provincie vindt dat bindende regels noodzakelijk zijn voor de uitvoering van specifieke beleidsaspecten uit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, worden deze vastgelegd in de omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben de nieuwe omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022.

De omgevingsverordening omvat alle provinciale regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze regels zijn direct van toepassing op alle inwoners, bedrijven en specifieke doelgroepen in de provincie. Deze regels geven aan welke voorwaarden er zijn voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten.

In de omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke omgevingsplan en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke omgevingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.

Bij de verordening horen een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de omgevingsverordening van toepassing zijn.

Toetsing

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0014.png"

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg met ligging in de landelijke kern

Het plangebied ligt op basis van de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening Limburg, die raadpleegbaar zijn via 'Regels op de kaart', in een zone die is aangemerkt als 'landelijke kernen (rood)'.

Daarnaast geldt ter plaatse van het plangebied ook de aanduidingen 'overstromingskansgebied E (1:100 jaar)' en 'uitsluitingsgebied windturbines'. Daarnaast zijn de regels uit de paragrafen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' van belang voor het planvoornemen.

  • Wonen

Doordat sprake is van het toevoegen van woningen (2 stuks) zijn de instructieregels van wonen het zwaarstwegend. In paragraaf 12.1.1. 'Wonen' zijn onder artikel 12.1.1. instructieregels voor nieuwe planvoorraad wonen opgenomen.

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonenleefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

In paragraaf 4.2.1 is getoetst aan de hoofdstukken uit de provinciale omgevingsvisie. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van zes sociale huurwoningen aan de Draaischijf te Milsbeek. Ten opzichte van de bestemde situatie op basis van het omgevingsplan, zorgt het voornemen voor het toevoegen van slechts twee extra woningen aan de bebouwde kern, die beter aansluiten bij de huidige marktvraag voor starters, 1-2 persoonshuishoudens en senioren.

Doordat er op basis van het omgevingsplan binnen het plangebied reeds vier woningen zijn voorzien, zorgt het planvoornemen waarbij twee extra woningen worden toegevoegd niet voor een negatief effect op de ruimtelijke structuur. Het ligt immer in de lijn der verwachting dat op deze locatie woningen zullen komen. Met het voornemen wordt de beoogde woonwijk afgerond.

Aangezien het daadwerkelijk te bebouwen oppervlak kleiner is dan het voorgaande plan van vier 'grotere' nultredenwoningen met een groter vloeroppervlak, is het planvoornemen passend in de omgeving en het straatbeeld. Het planvoornemen heeft hierdoor stedenbouwkundig geen effect op de omgeving. Temeer omdat binnen het oorspronkelijk bestemmingsvlak ook de noodzakelijke parkeer- en groenvoorzieningen worden aangelegd. Doordat parkeren in voldoende mate binnen het plangebied zelf wordt opgelost, heeft het planvoornemen geen effect op de parkeerdruk in de bestaande wijk.

De nieuwe woningen voorzien in de regionale woonbehoefte. Met het planvoornemen worden zes woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Deze woningen zijn mogelijk geschikt voor starters, 1-2 persoonshuishoudens of senioren. Door het planvoornemen komt een kleine verschuiving op de woningmarkt tot stand. De (twee extra) woningen zijn reeds opgenomen in de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Ter motivering van sub e, geldt dat de woningen binnen 5 jaar na de vergunningverlening zullen worden gerealiseerd.

In de navolgende motivering, wordt het initiatief verder getoetst aan de regels in de omgevingsverordening voor het realiseren van nieuwe woningen. In paragraaf 4.2.1 en 4.4.1 wordt aangetoond dat het planvoornemen aansluit bij de provinciale en gemeentelijke visies. In Hoofdstuk 5 wordt het planvoornemen getoetst aan de overige regels uit de omgevingsverordening.

  • Klimaatadaptatie

In paragraaf 3.2.3. worden onder artikel 3.5 regels genoemd met betrekking tot klimaatadaptatie.

  • 1. De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
  • a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en
  • b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken:
  • a. wateroverlast;
  • b. overstroming;
  • c. droogte.
  • 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.

Er dient een beschrijving van de risico's op het gebied van wateroverlast, overstroming en droogte aanwezig te zijn. Dit wordt nader gemotiveerd in paragraaf 5.11. Het plangebied is gelegen in een gebied met een laag klimaatrisico, zie hiertoe paragraaf 5.12.2. De omgeving biedt voldoende verkoeling. In het planvoornemen is daarnaast aandacht besteed aan een goede isolatie en schaduwwerking om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarnaast is de overstromingskans van het plangebied zeer klein.

  • Overstromingskansgebied

De plangebied is gelegen in 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde.

Met betrekking tot het planvoornemen zal het aspect wateroverlast behandeld worden in paragraaf 5.11.

  • Uitsluitingsgebied windturbines

Het plangebied is teven gelegen binnen het uitsluitingsgebied windturbines. Het planvoornemen voorziet echter uitsluitend in een woningbouwontwikkeling in de vorm van het realiseren van nieuwe woningen. Er is daarmee op geen enkele wijze sprake van het realiseren van een windturbine. In welke vorm dan ook.

Conclusie

Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de provinciale omgevingsverordening Limburg. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie en er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2.3 Woondeal Limburg

De regionale woondeals zijn regionale uitwerkingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda. Hierin staan de oorzaken van de wooncrisis en de doelstellingen en de aanpak voor de komende jaren. Het beleid is erop gericht om het woningtekort op te lossen door 900.000 goede nieuwe woningen te bouwen tot 2030.

In maart 2023 hebben zowel minister Hugo de Jonge, de Provincie Limburg en gemeente, als een aantal woningcorporaties en het Waterschap Limburg hun handtekening onder de Woondeal Limburg gezet. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen, waarvan het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop. In nauwe samenwerking gaan verschillende partijen aan de slag om deze Woondeal te realiseren.

In de Woondeal is aangegven dat nieuwe woningbouwplannen dienen te voorzien in 2/3 betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur. Iedere gemeente neemt hierin haar eigen verantwoordelijkheid. Met deze aanpak moeten dorpen en steden in Limburg leefbaar worden gehouden.

Gennep

Noord-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 5.239 woningen, waarvan 2.654 (51%) in het betaalbare segment. Voor de gemeente Gennep is er in de Woondeal aangegeven dat er tot 2025 in totaal 390 woningen dienen te worden gerealiseerd.

In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 – 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel.

De woningbouwopgaven en -kansen worden voor de tweede termijn (2025 – 2030) nog nader geduid voor de regio Noord-Limburg middels een op te stellen ‘Toekomstvisie wonen Noord-Limburg’.

Toetsing

Met het planvoornemen worden 6 sociale huurwoningen toegevoegd in plaats van 4 nultredenwoningen. Op basis van de woondeal is het van belang dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen. Tot en met 2030 zijn landelijk ruim 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig.

Het planvoornemen doelt exact op de aandachtsgroepen van de Woondeal Limburg (starters, 1-2 persoonshuishoudens, senioren). Voor het planvoornemen geldt dat de woningen reeds zijn opgenomen in de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Naast dat het planvoornemen bijdraagt aan de planvoorraad, is het streven om energieneutrale en duurzame woningen te realiseren.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen aansluit op de Woondeal Limburg en hieraan een goede bijdrage levert.

4.3 Waterschapsbeleid

4.3.1 Waterschapsverordening

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening is de opvolger van de Keur. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende gemalen, stuwen, sluizen, enz.

In de Waterschapsverordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in het werkgebied van Waterschap Limburg. Met deze regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden in de provincie Limburg. Bepaalde activiteiten bij het water of een dijk mogen bijvoorbeeld alleen worden uitgevoerd wanneer een melding wordt gedaan of wanneer het watschap hiervoor een vergunning heeft verleend.

De Waterschapsverordening bevat een verbod op het lozen in een oppervlaktewater zonder vergunning of vrijstelling. Denk hierbij aan activiteiten die niet plaatsgebonden zijn, activiteiten die kortdurend zijn of activiteiten waarbij geen sprake is van bedrijvigheid. Bijvoorbeeld:

  • lozingen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewater;
  • lozingen van afvloeiend hemelwater; van wegen en andere verharde oppervlakken op een oppervlaktewater
  • lozingen als gevolg van reinigen, conserveren of ander onderhoud aan vaste objecten in of vlakbij een oppervlaktewaterlichaam.
  • regelt lozingen van afvalwater van huishoudens op oppervlaktewater. Als een woning meer dan 40 meter is verwijderd van een riolering dan kan het huishoudelijk afvalwater via een zuiveringsvoorziening worden geloosd op een oppervlaktewater.

Een vergunning wordt verleend door het waterschap en moet worden aangevraagd via de aanvraagmodule van het Omgevingsloket.

Toetsing

Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen belangen van het waterschap aanwezig in de vorm van watergangen of waterkeringen. Bij het voorliggende planvoornemen wordt geen hemelwater of afvalwater op de oppervlaktewater geloosd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar het bestaande rioolstelsel onder de aangrenzende wegen. Het hemelwater van de woningen zal worden afgekoppeld van het rioolstelsel en op de zelfde wijze afgevoerd worden als de overige woningen aan de Draaischijf, namelijk de bestaande hemelwaterberging aan de Schopschijf. Deze is van voldoende bergingscapaciteit aangezien in het eerdere bestemmingsplan reeds rekening is gehouden met het bebouwen van het plangebied.

Het planvoornemen heeft daarnaast geen betrekking op het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater, noch op het uitvoeren van activiteiten in een 'beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk'.

Conclusie

Het voornemen is hiermee in lijn met de Waterschapsverordening Limburg.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Gennep

Op 23 september 2019 is de omgevingsvisie van Gennep 'Samen maken we Gennep’ door de gemeenteraad vastgesteld. De samenleving is volop in beweging. Denk aan de klimaatverandering en de overgang naar duurzame energie, de toenemende technologisering en digitalisering, veranderingen in de bevolkingsopbouw en schaalvergroting in de landbouw. Allemaal ontwikkelingen die invloed hebben op het dagelijks leven. Ook de maatschappelijke verhoudingen veranderen, net als de rol van de overheid. Inwoners en bedrijven nemen steeds meer zelf het initiatief om vraagstukken op te pakken. De gemeente stimuleert en faciliteert steeds meer. Dit sluit aan bij de Omgevingswet.

Met de slogan ‘Samen maken we Gennep’ stelden de gemeente en inwoners een integrale omgevingsvisie op, die de nadruk legt op ‘samen’.

In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente Gennep wat haar visie op de fysieke leefomgeving is voor de komende 10 tot 15 jaar. De gemeente kan daarbij niet zonder de inbreng van en samenwerking met haar inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.

Voor de omgevingsvisie zijn vier speerpunten opgenomen, namelijk:

  • 1. Samen maken we Gennep cultuurrijk
  • 2. Samen maken we krachtige kernen en vitale werkgebieden
  • 3. Samen maken we een hoog, droog en veilig Gennep
  • 4. Samen maken we de samenleving en (digitale) verbindingen sterker

Deelgebied 'Kernen' en de kern Milsbeek

In de omgevingsvisie maakt het plangebied onderdeel uit van het deelgebied 'Kernen'. In Gennep liggen vijf kernen: de 'stad' Gennep en de dorpen Heijen, Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide. Daarnaast zijn er nog enkele buurtschappen aanwezig, namelijk De Looi, Aaldonk, Zelder, Smele en Hekkens. De stad 'Gennep' vormt een cultuurhistorische parel en speelt een centrale rol in het voorzieningenniveau van de gemeente Gennep. Voor de dorpen staan de kleinschaligheid en de actieve gemeenschap centraal. Tussen de kernen bestaan verschillen in ruimtelijke kwaliteit en karakter, maar de kernen kennen allemaal een grote saamhorigheid. Uit de kernkwaliteiten blijkt deze diversiteit én de grote gemeenschapszin.

Voor Milsbeek worden de volgend kernkwaliteiten genoemd:

  • Historische bebouwingslinten en aanwezige historische bebouwing, waaronder oude boerderijen, de oude molenromp;
  • Een actieve en initiatiefrijke gemeenschap, met een bloeiend verenigingsleven, veel activiteiten en het dorpsplatform SL!M;
  • De maatschappelijke voorzieningen, waaronder gemeenschapshuis ’t Trefpunt, diverse sport- en culturele verenigingen, basisschool De Drie Vijvers, eerstelijns zorgvoorzieningen, de parochie Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand;
  • De commerciële voorzieningen, waaronder een supermarkt, winkels, cafés en restaurants;
  • Het dorp van de pottenbakkers met museum “De oude Pottenbakkerij”, De Jakobsladder, het jaarlijkse internationale keramiekfestival Keramisto, het kunstwerk op het Schuttersplein;
  • Nabijheid Maas, Koningsven, St Jansberg,Reichswald en Mookerheide.

Het dorp heeft een hechte sociale gemeenschap met een actief verenigingsleven. Door de ‘import’ uit de stad heeft de gemeenschap een open houding gekregen. In 2011 heeft een breed samengestelde werkgroep (stichting SL!M Milsbeek) een dorpsontwikkelingsplan ontwikkeld.

Dit resulteerde in een agenda met 70 actiepunten rondom de jeugd, het sociaal klimaat, wonen, voorzieningen en economie. Deze projecten hebben bijgedragen aan de leefbaarheid en levendigheid van Milsbeek. Inmiddels is het dorpsontwikkelingsplan vernieuwd en zijn er nieuwe actiepunten voor het dorp.

Kansen

Het nieuwe voorzieningenplan 2018 voor Milsbeek biedt een doorkijk naar kansen en ambities die gericht zijn op het versterken van de leefbaarheid. Hieronder volgt een overzicht van concrete kansen, ambities en opgaven die in dit kader gerealiseerd of benoemd kunnen worden:

  • Vraag en aanbod woningen kwantitatief en kwalitatief op elkaar afstemmen.
  • Behoud basisvoorzieningen.
  • Veelzijdige recreatieve mogelijkheden benutten;
  • De molen langs de Rijksweg in oude glorie herstellen.
  • Het terrein van de voormalige steenfabriek herontwikkelen.
  • De aanwezige sportvoorzieningen verbeteren en uitbreiden, onder andere bij het Verloren Land;
  • Verbetering verkeersveiligheid en veiligheid in de openbare ruimte.
  • Ruimte voor ondernemen op de bedrijventerreinen Ovenberg en Driekronen.

Toetsing

Met het planvoornemen worden zes sociale huurwoningen gerealiseerd. Doordat er op basis van het omgevingsplan reeds vier woningen zijn toegestaan c.q. voorzien binnen het plangebied, sluit het planvoornemen aan bij de beoogde functie. Het planvoornemen is hiermee in lijn der verwachting. Enkel de invulling is anders qua woningtypologie en ruimtelijke uitstraling.

Het plangebied ligt op basis van de omgevingsvisie niet in het historische stratenpatroon met historische lintbebouwing. De Langstraat, welke zich ten zuiden van het plangebied bevindt, is op basis van de omgevingsvisie aangeduid als historisch bebouwingslint. Echter gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing heeft dit planvoornemen hier geen effect op.

De cultuurhistorische waarden worden door het planvoornemen dan ook niet aangetast. Bovendien wordt de stratenstructuur met het planvoornemen niet aangepast. Voor de ontsluiting van het planvoornemen wordt de bestaande infrastructuur gebruikt.

In de omgeving van het plangebied is geen cultuurhistorische bebouwing in de vorm van rijks-, gemeentelijke monumenten dan wel karakteristieke panden aanwezig, waardoor het planvoornemen hieraan geen afbreuk doet. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 5.4.

Doordat het planvoornemen in het bebouwde gebied van de kern Milsbeek wordt gerealiseerd, kunnen de toekomstige bewoners optimaal gebruikmaken van de commerciële en maatschappelijke voorzieningen. De aanwezigheid hiervan heeft een positief effect voor de bewoners. Door de realisatie van de (twee extra) nieuwe woningen wordt daarnaast het draagvlak voor de voorzieningen binnen de kern Milsbeek vergroot.

Het planvoornemen sluit het beste aan bij het eerste punt genoemd onder de kansen en ambities. Met het planvoornemen worden vraag en aanbod van woningen kwalitatief en kwantitatief optimaal op elkaar afgestemd. Dit komt met name door de huurgroepen waarin de woningen worden aangeboden. Doordat de woningen vallen onder sociale huur, kunnen ze als betaalbaar worden beschouwd. Ze zijn met name geschikt voor starters, 1-2 persoonshuishoudens of senioren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0015.png"

Uitsnede Omgevingsvisie Gennep - Kenmerken van het deelgebied 'Kernen'

Conclusie

Het planvoornemen past dan ook binnen de ruimtelijke ambities van de gemeente zoals omschreven in haar Omgevingsvisie Gennep.

Hoofdstuk 5 Aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving

5.1 Algemeen

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat bij een nieuw planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De gemeente mag een wijziging van het omgevingpslan alleen uitvoeren met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ gaat het om het vinden van een balans tussen ‘beschermen en benutten’. Onder ‘functie’ kan worden verstaan het gebruiksdoel of de status (bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

Het gaat bij een wijziging van het omgevingsplan immers niet meer uitsluitend over een goede ruimtelijke ordening, maar over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. De ruimtelijke onderbouwing wordt zodoende opgevolgd door een 'onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Vaak wordt de term Goede Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (GOFLO) hiervoor gebruikt.

In de GOFLO kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen:

  • Ladder voor duurzame verstedelijking
  • Duurzaamheid & gezondheid
  • Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren
  • Flora & Fauna
  • Luchtkwaliteit
  • Geluid
  • Geur
  • Omgevingsveiligheid
  • Trilling
  • Welstand
  • Archeologie, cultuurhistorie en landschap
  • Bodem
  • Spuit- en milieuzones
  • Weging van het waterbelang

De relevante onderwerpen komen hieronder aan bod, om aan te tonen dat er sprake is van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd worden.

5.2 Verkeer en parkeren

5.2.1 Algemeen

In het kader van de wijziging van het omgevingsplan dient aangetoond te worden dat het planvoornemen niet leidt tot ongewenste situaties op het gebied van verkeer en parkeren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten verkeer- en parkeeraspecten in kaart worden gebracht. Hierbij zijn de verkeersgeneratie, verkeersveiligheid, ontsluiting en parkeerbehoefte van belang.

Voor verkeer en parkeren zijn er echter geen omgevingswaarden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Gemeenten hebben de mogelijkheid om gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen en parkeerbeleid te vertalen in een gemeentelijk omgevingsplan. Hiervoor moeten zij zelf invulling geven aan de omgevingswaarden, conform artikel 2.9 van de Wet.

5.2.2 Verkeer
5.2.2.1 Uitgangspunten

In de Nota Parkeernormen 2024 van de gemeente Gennep wordt niet ingegaan op de verkeercijfers. Om de effecten van het planvoornemen op de verkeersgeneratie te beoordelen, is op basis van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie Verkeerscijfers 2024 de verkeersgeneratie van de toe te voegen woningen bepaald.

Het plangebied bevindt zich op basis van de Parkeernota in het 'bebouwde gebied' en is aangemerkt als ‘weinig stedelijk’.

Voor de woningen is aangesloten bij de categorie: huur, huis, sociale huur. Hiervoor bedraagt de maximale verkeersgeneratie per woning 5,2 verkeersbewegingen.

5.2.2.2 Toename van het aantal verkeersbewegingen

In de huidige situatie is het plangebied nog niet bebouwd. Door het planvoornemen zal de verkeersgeneratie op de Draaischrijf en omliggende wegen toenemen met maximaal 31,2 verkeersbewegingen (6 woningen x 5,2 verkeersbewegingen) per etmaal. Hierbij is geen rekening gehouden met het feit dat ter plaatse van het plangebied reeds vier woningen zijn toegestaan. Gezien de beperkte toename zal verdeelt over de dag, het gaan om slechts enkele verkeersbewegingen per uur. De toekomstige verkeersbewegingen zullen opgaan in het dagelijkse verkeer van de aangrenzende wegen.

Een geringe verkeerstoename als gevolg van het planvoornemen zal ook in de toekomst naar verwachting geen enkel probleem vormen. De aangrenzende wegen hebben gezien hun functie als gebiedsontsluitingsweg nog voldoende capaciteit om deze (beperkte) toename aan verkeersbewegingen te kunnen opvangen.

5.2.2.3 Verkeersveiligheid

De omliggende wegen bieden voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersbewegingen op een veilige manier op te vangen. Het planvoornemen zal derhalve niet leiden tot verkeershinder.

Daarnaast leidt het planvoornemen niet tot significante wijzigingen in de verkeerssituatie. Wel wordt er een 'hofje' gerealiseerd waar de parkeerplaatsen van de woningen gesitueerd worden. De woningen bevinden zich vervolgens aan weerzijden van het parkeerhofje. De inrit naar het parkeerhofje zal echter breed en overzichtelijke worden vormgegeven. Deze wijze van onsluiting van de parkeerplaatsen is ook bij de rijwoningen aan de overzijde van de Draaischijf toegepast.

Met het planvoornemen wordt om deze reden geen nieuwe en onbekende verkeerssituatie gerealiseerd, aangezien de vormgeving aansluit bij de omgeving. Op deze wijze is het voor de bewoners en bezoekers duidelijk waar de parkeerplaatsen zich bevinden en zal er geen verwarring ontstaan en auto's op de daarvoor voorziene plaatsen parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0016.png"

Situering ontsluiting parkeerplaatsen

Doordat een overzichtelijke situatie op straat gehandhaafd blijft, blijft de verkeersveiligheid geborgd.

5.2.2.4 Conclusie

Het aspect ‘Verkeer’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.3 Parkeren
5.2.3.1 Beleid in de gemeente Gennep

Binnen de gemeente Gennep gelden verschillende beleidsstukken die betrekking hebben op parkeren. De belangrijkste aandachtspunten worden hieronder besproken in relatie tot de betreffende beleidsstukken.

5.2.3.1.1 Parkeervisie Gennep 2024: De juiste parkeerder op de juiste plek

De parkeervisie Gennep is vastgesteld op 15 april 2024. Het basisprincipe van deze visie luidt 'de juiste parkeerder op de juiste plek'.

Er wordt gekozen voor een vraagvolgend parkeerbeleid. Vraagvolgend parkeerbeleid betekent dat er gezorgd wordt voor parkeerplaatsen op die plekken waar er behoefte aan is én waar er mogelijkheden zijn om deze te maken. Dit is vooral van toepassing op het centrumgebied van Gennep, waarvoor een parkeerdrukonderzoek is uitgevoerd. Voor het buitengebied geldt dat vraag naar parkeerplekken een stuk lager ligt.

Parkeren dient in eerste instantie op eigen terrein opgelost te worden. Daarnaast moet het mogelijk zijn om bestaande autoparkeerplaatsen te benutten voor de parkeervraag van nieuwe woningen en voorzieningen.

Toetsing

De benodige parkeerplaatsen voor het planvoornemen worden binnen het plangebied en daarmee op eigen terrein van de woningcorporatie gesitueerd. Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt bepaald op basis van de geldende plaatselijke parkeernormen.

De parkeerplaatsen worden zoals te zien is op de voorgaande tekening tussen woningen gesitueerd. Vanaf de Draaischijf wordt er een inrit gerealiseerd vanuit de bestaande infrastructuur. Aan de westelijke zijde van de inrit worden vier haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de oostzijde van de inrit worden vijf haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal voorziet het planvoornemen dus in 9 parkeerplaatsen.

Vanaf de parkeerplaats zijn de woningen middels een achterom te bereiken. Dit verhoogt het gebruiksgemak van de parkeerplaatsen en het welbevinden van de bewoners.

5.2.3.1.2 Nota Parkeernormen Gennep 2024

In deze Nota Parkeernormen is vastgelegd hoe binnen de gemeente Gennep wordt omgegaan met parkeren bij bouwontwikkelingen: het bouwen, vernieuwen, veranderen of vergroten van een gebouw. Dan gaat het om de parkeernormen zelf, maar ook om hoe deze worden toegepast. In 2024 is de gedateerde parkeernota uit 2016 vervangen. Met een actualisatie van de ‘Gennepse’ Nota Parkeernormen wil de gemeente het volgende bereiken:

  • Het stimuleren van duurzamere en actievere mobiliteitskeuzes. Dat doet de gemeente door het actualiseren van de autoparkeernormen en het invoeren van fietsparkeernormen.
  • Het bieden van meer flexibiliteit in de toepassing van parkeernormen, zodat de gemeente meer mogelijkheden heeft om tot een passende parkeeroplossing bij bouwontwikkelingen te komen, met name in het centrum van Gennep.
  • Het creëren van nog duidelijkere spelregels die voor alle ontwikkelaars gelijk zijn. Zo is voor hen helder welke regels gelden rondom het parkeren van auto- en fiets zijn bij bouwontwikkelingen in Gennep.
  • Het niet alleen zorgen voor voldoende parkeerplaatsen, maar ook zo goed mogelijk borgen dat deze in de praktijk ook beschikbaar zijn door aanvullende eisen te stellen aan de toegankelijkheid, beschikbaarheid en kwaliteit van parkeerplaatsen.
  • Het verbeteren van de juridische borging van de parkeeroplossing van een bouwontwikkeling. Zodat parkeren ook op de langere termijn goed geregeld is.

Bij het toepassen van de parkeernormen is het uitgangspunt dat er niet minder parkeerplaatsen voor auto en fiets gerealiseerd mogen worden dan de parkeernormen aangeven. De parkeernormen zijn dus bepalend voor het minimaal aantal te realiseren parkeerplaatsen ten behoeve van het planvoornemen. Er mogen wel meer fiets- en autoparkeerplaatsen worden aangelegd dan er volgens de parkeernormen nodig zijn.

Planspecifieke beoordeling

De stedelijkheidsgraad van een gemeente heeft invloed op het autobezit en -gebruik. De mate van stedelijkheid wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer. In Gennep zijn dat er ruim 600 per vierkante kilometer. Daarom is voor de bepaling van de parkeernormen uitgegaan van de categorie ‘weinig stedelijk’. Het plangebied ligt bovendien binnen het ‘bebouwde gebied’. Bij de functie wonen bestaat de parkeernorm uit een deel voor bewoners en een deel voor bezoekers. Het aandeel bezoekersparkeerplaatsen in de bebouwde kom en het centrum bedraagt 0,2 per woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0017.png"

Parkeernormen gebaseerd op CROW-functie Huis, huis, sociale huur

5.2.3.2 Toetsing

Met het planvoornemen worden zes sociale huurwoningen gerealiseerd. Voor het planvoornemen wordt aangesloten bij de categorie 'Woning sociale huur. Het vereiste aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op basis van de parkeernota.

Voor de sociale huurwoningen dient in 1,5 parkeerplaatsen per woning te worden voorzien, bestaande uit 1,3 parkeerplaatsen voor de bewoners en een bezoekersaandeel van 0,2.

Aantal   Categorie   Bewoners   Bezoekers   Parkeernorm  
6   Sociale huur   1,3   0,2   1,5  
  Totaal   7,8   1,2   9,0  

Tabel aantal parkeerplaatsen

Het planvoornemen voorziet in 9 parkeerplaatsen op eigen terrein en voldoet hier aan de parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen.

5.2.3.3 Conclusie

Met het planvoornemen worden ten behoeve van de woningen 9 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de Parkeernota Gennep 2024. Het aspect 'Parkeren' vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.4 Conclusie

De aspecten 'Verkeer' en 'Parkeren vormen geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Bodem

5.3.1 Algemeen

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

Hierna wordt beschreven welke waarden binnen onderhavig plangebied gelden en of de aanwezige bodemkwaliteit hieraan voldoet.

5.3.2 Toetsing

Ten behoeve van de totale woningbouwontwikkeling aan de Draaischijf is in het kader van de het (voormalige) bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' een vooronderzoek conform NEN 5725 (historisch bodemonderzoek) uitvoerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken:

  • er hebben geen verdachte activiteiten plaatsgevonden;
  • in voorgaande onderzoeken zijn in de grond en het grondwater enkele lichte verontreinigingen aangetroffen. Deze vormen echter geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen bouwactiviteiten;
  • op de locatie is lokaal puinverharding aangetroffen. Hierbij is tevens een asbestplaatje aangetroffen. Dit maakt deze verhardingslaag verdacht op het voorkomen van asbest. Aanvullend onderzoek naar asbest is daarom benodigd. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.

Naar aanleiding van het vooronderzoek is asbestonderzoek uitgevoerd . Hieruit is het volgende gebleken:

  • in de bovengrond is menggranulaat aangetroffen tot circa 0,2 m-mv;
  • in mengmonster 2 is een zeer lichte concentratie asbest aangetroffen;
  • in mengmonster 1 is geen asbest is aangetroffen.

Op basis hiervan is in het kader van het betreffende (voormalige) bestemmingsplan geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van woningen aan de Draaischijf en zijn deze inmiddels ook grotendeels gerealiseerd, behoudens ter plaatse van het plangebied.

Het plangebied is gelijktijdig bouwrijp gemaakt en heeft in de tussenliggende periode braak gelegen. Er hebben zich hier geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Derhalve kan nog steeds gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering is voor het realiseren van woningen binnen het plangebied.

5.3.3 Conclusie

Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Er is derhalve sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Archeologie en cultuurhistorie

5.4.1 Algemeen

De gemeente moet bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Archeologie

De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserveren en in stand houden van archeologische monument.

Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.

Hieronder wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologie en cultuurhistorische waarden.

5.4.2 Archeologie
5.4.2.1 Beleid

Rijksbeleid

Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke ontwikkelingen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek.

Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Omgevingswet.

Provinciaal beleid

De verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed ligt bij de gemeenten. De betrokkenheid van de Provincie beperkt zich tot archeologische waarden van provinciaal belang. De zogenaamde archeologische aandachtsgebieden, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met grote kans op archeologische vondsten. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 gemeenten in Limburg.

De provincie geeft aan hierin keuzes te moeten blijven maken. Want niet alle vindplaatsen zijn even belangrijk, en niet alle waardevolle vindplaatsen kunnen behouden blijven. Er zijn dus wel ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk in de geselecteerde gebieden. Maar alleen als er in een vroegtijdig stadium goed archeologisch onderzoek wordt verricht. En in alle gevallen zal afstemming met de gemeente plaatsvinden.

In 2014 zijn de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). De archeologische aandachtsgebieden zijn met de inwerkingtreding van de omgevingswet (per 1 januari 2024) 1 op 1 doorvertaald naar de Omgevingsverordening Limburg. In de Omgevingsverordening Limburg heeft de Provincie gebieden aangewezen die bijzondere bescherming nodig hebben.

Gemeentelijk beleid

In sommige delen van een gemeente is de kans klein dat er zich archeologische sporen bevinden. In andere delen is die kans (soms aanzienlijk) groter. De gemeente Gennep heeft die zogeheten ‘verwachtingswaarden’ in kaart gebracht en op die archeologische beleidskaart staat ook aangegeven waar vondsten zijn gedaan. De kaart is vooral van belang voor degenen die van plan zijn te gaan bouwen of te gaan ontwikkelen en willen weten of zij al dan niet verplicht zijn tot het doen van archeologisch (voor-)onderzoek. Bij de kaart hoort een beleidsnota waarin staat wanneer de gemeente Gennep archeologisch onderzoek verplicht stelt. Daarbij is de verwachtingswaarde van een gebied (de kans op het aantreffen van archeologische resten) bepalend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0018.png"

Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

5.4.2.2 Toetsing

Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart is het plangebied door middel van 'Waarde - Archeologie 4' aangeduid als een locatie met archeologische waarde. Voor gebieden met archeologische waarde geldt een drempelwaarde. Er is er een onderzoeksplicht bij het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter en een oppervlakte van 2.500 m² of meer. Het plangebied heeft een oppervlak van 1.003m². Bij de geplande werkzaamheden zal de drempelwaarde van 2.500m² en 50cm dus niet overschreden worden.

Voor het plangebied geldt tevens dat er geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' meer van toepassing is. Tijdens de bestemmingsplanprocedure ten behoeve van het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' is de archeologische verwachting naar beneden bijgesteld.

In het kader van de woningbouwontwikkeling Zwarteweg is in 2000 proefsleuvenonderzoek uitgevoerd direct ten noorden van het plangebied (omgeving Plateel, Pottenbakker en Vuurtest). Dit proefsleuvenonderzoek gaf geen aanleiding tot vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving. Bovendien is op topografische kaarten uit 1950 en ouder te zien is dat het plangebied in ieder geval deels bestond uit een nat en laaggelegen gebied, waarin geen sprake zal zijn geweest van menselijke bewoning in het verleden. Dit gegeven – in combinatie met de beperkte omvang van het plangebied en het reeds uitgevoerde proefsleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied - is voldoende aanleiding om aan te nemen dat de archeologische verwachting voor het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. Het plangebied is derhalve vrijgegeven voor verdere ontwikkeling.

Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' is daarmee de archeologische dubbelbestemming voor het plangebied dan ook komen te vervallen. Daarmee is de kans op de aanwezigheid van eventuele archeologische resten klein. Derhalve wordt nader onderzoek naar archeologie niet noodzakelijk geacht

De archeolische zorgplicht blijft echter van toepassing. Eventuele vondsten bij graafwerkzaamheden dienen te worden gemeld bij het bevoegd gezag.

5.4.2.3 Conclusie

Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering van het planvoornemen. Op basis van het voorgaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4.3 Cultuurhistorie
5.4.3.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.

De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat onderwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten
  • verplaatsing van beschermde monumenten
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen
5.4.3.2 Toetsing

De gemeente Gennep hecht waarde aan haar karakteristieke bebouwing en waardevolle elementen. Beeldbepalende panden en andere cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied dienen dan ook zoveel mogelijk behouden te blijven, omdat ze bijdragen aan een positieve belevingswaarde van de gemeente.

De historische kern van Milsbeek kenmerkt zich door de aanwezigheid van historische wegen en de ruïne van het Genneper Huys, een voormalige burcht die een rol speelde in de Tachtigjarige Oorlog. De ruimtelijke structuur van de kern wordt sterk bepaald door deze historische wegen, zoals de Langstraat, de Kerstraat en de Zwarteweg

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg zijn de Langstraat, Kerkstraat en Zwarteweg aangeduid als een weg ouder dan 1806. Het kruis met beelden achter de begraafplaats Zelderheide zijn eveneens aangeduid als objecten met cultuurhistorische waarde. Ten oosten van de Zwarteweg bevindt zich tevens een terrein van archeologische waarde, waar een vroege nederzetting heeft gestaan die mogelijk dateert uit de periode 1050 1500 nC.

Voor het plangebied geldt dat het onderdeel is van de woningbouwontwikkeling Zwarteweg. In of rondom het plangebied zijn echter geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied is volledig onbebouwd en binnen het plangebied zijn derhalve geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling is qua aard en omvang passend in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Voor wat betreft het planvoornemen worden geen negatieve cultuurhistorische effecten verwacht. De wegenstructuur hoeft niet te worden aangepast. Er is geen sprake van eventuele aantasting van cultuurhistorische waarden.

5.4.3.3 Conclusie

Uit bovenstaande toetsing is gebleken dat het cultureel erfgoed niet wordt aangetast en geen belemmeringen oplevert voor de onderhavig planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4.4 Conclusie

De aspecten 'Archeologie' en 'Cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5 Geluid

5.5.1 Algemeen

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).

Beoordeling of sprake is van een geluidgevoelig gebouw en/of geluidgevoelige ruimte

Voor de toekomstige woningen, geldt dat sprake is van een woonfunctie. Voor woonfuncties geldt dat er sprake is van geluidgevoelig gebouwen. Doordat sprake is van een nieuwe ontwikkeling dient er te worden aangetoond dat in de geluidgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.

Beoordeling of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied: (spoor)weg of industrie

Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Draaischijf en de omliggende wegen zoals de Schopschijf en Langstraat. Ter hoogte van het plangebied hebben deze wegen een maximumsnelheid van 30 km/u.

Gezien de afstand tot de omliggende industrie of spoorwegen, ligt het plangebied niet in het geluidaandachtsgebied 'geluidzone - industrie'. Ook is spoorweglawaai niet van toepassing.

5.5.2 Toetsing

Ten behoeve van de totale woningbouwontwikkeling aan de Draaischijf is in het kader van de het (voormalige) bestemmingsplan 'Milsbeek, Draaischijf e.o.' een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitvoerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken:

  • De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting wordt als gevolg van de Zwarteweg niet overschreden.
  • De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting wordt als gevolg van de overige wegen, zoals de Langstraat, Pottenbakker en de Draaischijf niet overschreden.

De maximale geluidbelasting op de grenzen van het vigerende bouwvlak (voorzijde) bedraagt:

  • als gevolg van de Zwarteweg 23, 5 dB;
  • als gevolg van de Langstraat 24,7 dB;
  • als gevolg van de Pottenbakker 33,1 dB;
  • als gevolg van de Draaischijf 42,4 dB.

Dit akoestisch onderzoek is uit 2020. In de afgelopen vijf jaar zullen de verkeersintensiteiten op deze wegen als gevolg van autonome groei toegenomen zijn maar niet verdubbeld. Vuistregel is dat de geluidbelasting met 3 dB toeneemt bij een verdubbeling van de verkeersintensiteit. Uitgaande van de hoogste geluidbelasting als gevolg van de Draaischijf zelf zou dit betekenen dat de geluidbelasting 45,4 dB (42,4 + 3 dB) zal bedragen. Dit is nog steeds onder de toegestane standaardwaarde van 53 dB.

5.5.3 Conclusie

Gelet op de resultaten van het eerdere akoestische onderzoek en dat de verkeersintensiteiten niet verdubbeld zijn wordt geconcludeerd dat het aspect 'Geluid' geen belemmeringen voor het planvoornemen oplevert. Op basis van het bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Bedrijven en milieuzonering

5.6.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient rekening te worden gehouden met geluid, stof, licht en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Bij de toedeling van functies aan locaties, wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu.

De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties.

Daarbij kan de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' van de VNG gehanteerd worden. De gemeente heeft dit vooralsnog echter niet uitgewerkt voor haar grondgebied in het omgevingsplan. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in onderstaande paragraaf de Bedrijven- en milieuzonering getoetst via de methode van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0019.png"

Tabel met richtafstanden 

Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1.500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.

5.6.2 Toetsing

Bij het planvoornemen, ten behoeve van de realisatie van 6 woningen, wordt de functie 'Wonen-1' gewijzigd, om in plaats van nultredenwoningen reguliere woningen mogelijk te maken, meer woningen te kunnen realiseren dan planologisch juridisch toegestaan en smaller te bouwen dan de vereiste minumale breedte van 5 meter. Alsmede het gebruik als parkeervoorzieningen en groenvoozieningen planologisch-juridisch mogelijk te maken.

De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een 'rustige woonwijk' omdat de omgeving van overwegend uit woningen bestaat.

Op de eerste plaats kan gesteld worden dat met de realisatie van de woningen geen milieubelastende activiteiten voor de directe omgeving mogelijk worden gemaakt. Er zal vanuit het plangebied zelf geen sprake zijn van een externe werking. Wel dienen de woningen aangemerkt te worden als milieugevoelig object en derhalve dient bezien te worden dat het woon- en leefklimaat van deze (extra) woningen in voldoende mate wordt gewaarborgd.

Op circa 130 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een maatschappelijke functie. Hier bevinden zich onder andere een oorlogskerkhof, de Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstandkerk, buurthuis het Trefpunt en basisschool De Drie Vijvers. Op basis van de VNG-richtastandenlijst geldt voor kerkgebouwen een richtafstand van 30 meter. Voor alle overige functies gelden kleinere richtafstanden. Hier wordt ruim aan voldaan.

Op circa 240 ten oosten van het plangebied bevindt zich een bedrijfsfunctie (Zwarteweg 32). Hier zijn op basis van omgevingsplan opslagbedrijven toegestaan. Hiertoe behoren niet-agrarische bedrijven die gericht zijn op de realisatie en tentoonstelling van kunstnijverheidsproducten (binnen categorie 1 en 2 van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering), met een lage visuele uitstraling op het landschap en een geringe verkeersaantrekkende werking. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

Op 245 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een bedrijfsfunctie (Zwarteweg 59/59a) in de vorm van een houthandel. Voor houtzagerijen geldt op basis van de richtafstandenlijst een richtafstand van 100 meter op basis van het aspect geluid. Ook hier wordt aan voldaan.

Op basis van de afstand tussen het plangebied en de bedrijvigheid en maatschappelijke functies, zoals hierboven benoemd, kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven c.q. functies geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen.

Ook omgekeerd zal het planvoornemen niet leiden tot een belemmering voor de bedrijvigheid c.q. functies, omdat er reeds woningen op kortere afstand gelegen zijn tot deze bedrijven/functies en daarmee maatgevend zijn.

5.6.3 Conclusie

Het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Op basis van het voorgaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Luchtkwaliteit

5.7.1 Algemeen

Bij een evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

De voorliggende afwijking van het Omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van het planvoornemen zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid voor het planvoornemen beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De resultaten hiervan zijn navolgend beschreven.

5.7.2 Beoordeling
5.7.2.1 Aandachtsgebied NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10

De aandachtsgebieden NO2 en PM10 en de aandachtsgebieden PM10 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0020.png"

Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10

Toetsing

Het planvoornemen in de vorm van woningbouw maakt geen van deze activiteiten mogelijk. Ook is het plangebied niet gelegen in een van de bovengenoemde aandachtsgebieden. Het planvoornemen zorgt bovendien niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden.

5.7.2.2 Milieubelastende activiteiten

Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:

  • bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
  • bij het toelaten in omgevingsplan:
  • a. de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter
  • b. een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt
  • c. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg

Toetsing

Het planvoornemen betreft de realisatie van 6 woningen waarbij sprake is van twee extra woningen met bijbehorende parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken, wordt het omgevingsplan van de gemeente Gennep, gewijzigd ten behoeve van bouwmogelijkheden voor de functie 'Wonen' en het gebruik voor parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Bij een woonfunctie is er geen sprake van milieubelastende activiteiten, waardoor een verplichte beoordeling van de luchtkwaliteit niet aan de orde is. Ook bij het gebruik voor parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen is dit niet aan de orde.

5.7.2.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling)

De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).

Toetsing

Er is met de realisatie van woningen geen sprake van een verhoogde blootstelling, omdat deze niet in een aandachtsgebied zijn gelegen. Uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling c.q. het plangebied. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert veel lagere concentraties fijnstof voor een gezonde leefomgeving. Zij adviseren sinds 22 september 2021 de volgende normen: 15 µg/m³ PM10 en 5 µg/m³ PM2,5.

Voor deze motivering wordt rekening gehouden met de nieuwe Europese normen. De nieuwe Europese normen gelden vanaf 2030 en vallen dus in de termijn van 10 jaar voor deze huisvesting. Met ingang van de nieuwe normen in 2030 worden de huidige Europese normen als volgt aangescherpt.

  • Norm PM2,5 gaat van 25 naar 10 µg/m³
  • Norm PM10 gaat van 40 naar 20 µg/m³
  • Norm NO2 gaat van 40 naar 20 µg/m³

Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof concentraties in beeld te brengen zijn de volgende meest recente luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving geraadpleegd:

  • Stikstofdioxide (NO2) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde
  • Fijnstof (PM2,5) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde
  • Fijnstof (PM10) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0021.png"

Uitsnede kaart Stikstofdioxide 2023 (NO2) - score 9,6 (Bron: Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0022.png"

Uitsnede kaart Fijnstof 2023 (PM2,5) - Score 8,14 (Bron: Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0023.png"

Uitsnede Fijnstof 2023 PM10 - Score 14,6 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de toekomstige, strengere Europese grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 binnen het plangebied niet worden overschreden. De bijdrage van het planvoornemen op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/niet aanwezig en er wordt geen NO2, PM10 of PM2,5 producerende activiteit met het planvoornemen mogelijk gemaakt.

Voor fijnstof (PM2,5) geldt dat de concentratie met 8,14 µg/m³ boven de WHO-advieswaarde ligt. Deze concentratie blijft echter ruim binnen de vanaf 2030 gestelde Europese norm van maximaal 10 µg/m³ en vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.

Derhalve kan dan ook gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied aan de Draaischijf.

5.7.2.4 Niet in betekende mate (NIBM)

Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide en fijnstof niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.

Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen.

Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:

  • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg
  • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen

Toetsing

Bij dit planvoornemen is sprake van de realisatie van slechts 6 woningen (grondgebonden) waarbij sprake is van een toename van twee extra woningen ten opzichte van de planologisch-juridisch reeds toegestane aantal. Het planvoornemen kan dus worden geclassificeerd als een standaardgeval. Het planvoornemen blijft met 6 woningen dan wel twee extra woningen ruim onder de 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is.

5.7.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Geur

5.8.1 Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.

In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur als gevolg van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:

  • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' dient te zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.

In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.

5.8.2 Toetsing

Het aspect 'Geur' is voor voorliggend plan niet aan de orde, omdat er geen (intensieve) veehouderijen in de directe omgeving zijn gelegen.

Op 390 meter ten zuidoosten bevindt zich een melkrundveehouderij. Er bevindt zich een varkenshouderij op 700 meter ten zuidoosten. Op circa 900 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een schapenhouderij.

Voor het houden van paarden geldt op basis van de VNG-lijst voor geur een richtafstand van slechts 50 meter. Op basis van de VNG-lijst geldt voor het 'Fokken en houden van rundvee' voor geur een richtafstand van 100 meter. Voor het houden van legkippen en varkens is dit 200 meter. Voor het houden van schapen geldt daarentegen weer een richtafstand van slechts 50 meter.

Gezien de grote afstand is geen sprake van relevante geurbelasting. Ook zijn op kortere afstand geen andere geurveroorzakende functies gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0024.png"

Ligging veehouderijen in de omgeving van het plangebied

5.8.3 Conclusie

Er zijn geen geurbelastende functies gelegen in de nabijheid van het plangebied en is het aspect 'Geur' niet aan de orde. Om deze reden is geen geuronderzoek noodzakelijk. Er is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9 Gezondheid

5.9.1 Algemeen

Het bevoegd gezag dient een afweging te maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn. Voorbeelden om uit voorzorgsmaatregelen te nemen zijn de gezondheidseffecten van geitenhouderijen, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, hoogspanningsverbindingen, aangezien er effecten zijn gevonden. Onduidelijk is nog waar deze effecten precies vandaan komen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten benoemd.

5.9.2 Endotoxine
5.9.2.1 Wettelijk kader

Aangehouden wordt een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt is dat sprake dient te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden.

Vooruitlopend daarop is in de Provincie Noord-Brabant door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderijen en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0' uitgebracht. Deze tool wordt in Noord-Brabant ingezet, in Limburg biedt deze tool geen wettelijke grondslag en wordt hierdoor alleen als indicatie gebruikt.

5.9.2.2 Toetsing

Bij endotoxinen is vooral de afstand tot intensieve varkenshouderijen en pluimveehouderijen van belang. Beoordeeld moet worden of voldaan wordt aan de advieswaarde van 30 EU/m³. De mogelijkheid bestaat dat door cumulatie deze grenswaarde wordt overschreden. Op basis van de afstanden wordt dit echter niet verwacht.

Pluimveehouderijen en varkenshouderijen zijn de belangrijkste bronnen van endotoxinen. Op basis van de beoordeling van geur in paragraaf 5.8, blijkt dat de dichtstbijzijnde varkenshouderij zich 700 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij bevindt zich op 2,4 kilomter ten oosten van het plangebied.

Op basis van de afstand kan worden geconcludeerd dat er zich in de onmiddellijke omgeving van onderhavige plangebied geen kippen- of varkenshouderijen bevinden.

Gezien de afstand kan worden geconcludeerd dat endotoxine geen belemmering vormt voor het realiseren van het planvoornemen. De aanwezige veehouderijen in de omgeving hebben geen negatieve invloed op toekomstig woon- en leefklimaat van de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied.

5.9.3 Geitenhouderijen
5.9.3.1 Wettelijk kader

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.

Omwonenden binnen 1,5 tot 2 kilometer afstand van een geitenhouderij hebben een verhoogd risico op een longontsteking.

Er wordt een consistent verband gevonden tussen de aanwezigheid van (melk)geitenhouderijen op afstanden van 1,5 tot 2 kilometer en een verhoogd risico op longontsteking. Boven de 1,5 kilometer neemt het risico exponentieel af, waardoor het risico boven de 2 kilometer nihil is.

5.9.3.2 Toetsing

Binnen twee kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Op circa 2,6 kilometer ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich binnen de gemeente Gennep twee geitenhouderij aan de Nijmeegseweg 43 en Horsestraat 15. De geitenhouderijen vormen gezien de afstand van meer twee kilometer tot het plangebied geen risico's voor de gezondheid van de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen binnen het plangebied.

5.9.4 Hoogspanningverbindingen
5.9.4.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol en dient zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.

Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken.

5.9.4.2 Toetsing

De meest nabijgelegen hoogspanningsverbinding bevindt zich op voldoende afstand van het plangebied. Op onderstaande kaart is te zien dat ten zuiden van het plangebied een 150 kV hoogspanningsverbinding loopt. Deze hoogspanningverbinding ligt op circa 3,8 kilometer afstand en heeft een rekenafstand van 2x60 meter. In westelijke richting loopt nog een 150 kV hoogspanningsverbinding met een rekenafstand van 2x60 meter op circa 6 kilometer afstand.

Verder in westelijke richting bevindt zich een 380 kV hoogspanningsverbinding op 9,7 kilometer van het plangebied. Deze hoogspanningsverbinding heeft een rekenafstand van 2x110 meter. Aan de benodigde rekenafstanden wordt ruim voldaan.

Op navolgende kaart wordt de meest nabijgelegen hoogspanningsverbinding tot het plangebied afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0025.png"

Ligging hoogspanningsverbindingen ten opzichte van het plangebied

Magneetvelden

Het Rijk adviseert aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen of het wijzigen van bestaande hoogspanningsverbindingen rekening te houden met magneetvelden. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Gezien de ligging van de toekomstige woningen buiten de rekenafstanden van de betreffende hoogspanningsverbindingen is dit niet aan de orde.

Geluid

De bovengrondse delen van de hoogspanningsverbinding kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen. Ook hiervoor geldt dat de ligging van de toekomstige woningen buiten de rekenafstanden is en derhalve het geluid afkomstig van de hoogspanningsverbinden niet aan de orde is.

Conclusie

De bovengrondse hoogspanningsleidingen bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied. De hoogspanningsverbindingen vormen geen belemmering voor het planvoornemen, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9.5 Gewasbeschermingsmiddelen
5.9.5.1 Wettelijk kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met de risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

5.9.5.2 Toetsing

Op basis van vaste jurisprudentie dient een vaste afstand van 50 meter te worden aangehouden tussen gevoelige functies en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Binnn een straal van 50 meter rondom het plangebied zijn echter geen agrarische percelen gelegen.

De dichtstbijzijnde agrarische functie is gelegen ten westen van de toekomstige woonwijk Heiveld op 175 meter ten noordwesten van het plangebied. Het buitengebied van Gennep met onder andere agrarische percelen is gelegen op circa 230 meter ten oosten van het plangebied. Binnen een afstand van 50 meter van het planvoornemen worden dus geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Aangezien aan de richtafstand van 50 meter ruimschoots wordt voldaan, kan worden gesteld dat ter plaatse geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat ontstaan door gewasbeschermingsmiddelen en dat agrarisch grondgebruik niet meer wordt belemmerd dan nu al het geval is.

5.9.6 Positieve gezondheid
5.9.6.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.

Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.

Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.

De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gennep zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van het planvoornemen nader beoordeeld.

5.9.6.2 Toetsing

Het planvoornemen om het plangebied een 'andere' invulling te geven, draagt bij aan een verbetering van het leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Door de toekomstige woningen op basis van de nieuwste standaard te realiseren, wordt gezorgd voor een comfortabele, energie-efficiënte woonomgeving die de gezondheid en het welzijn van de bewoners ten goede komt.

De woningen worden gesitueerd in een groene omgeving met ruime mogelijkheden voor fiets- en wandelroutes langs de Maas, de Mookerplas, op de Mookerheide, of de Sint-Jansberg en de Maasduinen. Deze mogelijkheden nodigen uit tot een actieve levensstijl. Het wonen dicht bij natuurgebieden biedt de bewoners niet alleen rust, maar stimuleert hen ook om vaker naar buiten te gaan. Wetenschappelijk is bewezen dat de aanwezigheid van groen bijdraagt aan de gezondheid.

Ondanks de nabijheid van groene ruimte, biedt de ligging van het plangebied in de Milsbeek alle mogelijkheden voor een zelfvoorzienend leven. Het centrum van Milsbeek ligt op ongeveer 500 meter ten zuiden van het plangebied. Op circa 600 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een supermarkt. Naast de supermarkt bevindt zich in de kern van Milsbeek diverse horeca. In Milsbeek bevinden zich diverse winkels, restaurants, cafés en andere voorzieningen. De korte afstand tot de voorzieningen nodigt uit om de auto te laten staan en gebruik te maken van de fiets wat een postitief effect heeft op de gezondheid.

5.9.7 Conclusie

Op basis van bovenstaande toetsingen voldoet onderhavig planvoornemen aan de eisen van het omgevingsaspect 'Gezondheid'. Er zijn geen belemmeringen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Omgevingsveiligheid (Externe veiligheid)

5.10.1 Inleiding

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

Ten behoeve van het planvoornemen zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de realisatie van de woningen beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

5.10.2 Toepassing

Algemeen

Plaatsgebonden risicocontour

Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

Groepsrisico

Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0026.png"

Toetsing

De te realiseren woningen zijn kwetsbare gebouwen. In de huidige situatie is het plangebied nog niet bewoond. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van 6 woningen (grondgebonden) met een oppervlak van circa 50 m². In principe is er sprake van 1-2 persoonshuishoudens. Gemiddeld kan er uitgegaan worden van 1,5 personen per woning.

Binnen het plangebied worden dus 6 woningen toegevoegd. Uitgaande van een gemiddeld huishouden, neemt het aantal personen binnen het plangebied toe met circa 9 personen ten opzichte van de huidige situatie. Gezien het gaat om de bewoonde kern van Milsbeek is dit slechts een (zeer) beperkte toename.

5.10.3 De risicokaart

De risicokaart geeft een overzicht van de huidige risico's in de directe omgeving van het betreffende plangebied.

  • risicovolle inrichtingen;
  • transport over weg, water en spoor;
  • hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen;
  • bovengrondse hoogspanningslijnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0027.png"

Uitsnede Atlas Leefomgeving met ligging plangebied aangeduid als rode stip

Toetsing aan de hand van de risicokaart

Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) zijn de volgende risicobronnen van invloed op onderhavige wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gennep.

Transportroutes

De dichtstbijzijnde gevaarlijke transportroute betreft rivier de Maas bijna 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten de PR-10-6-contour en de aandachtsgebieden (brand, explosie en gifwolk). Gezien de afstand tot de rivier de Maas, worden dan ook geen belemmeringen verwacht voor de veiligheid binnen het plangebied met betrekking tot transportroutes.

Risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA's)

Op circa 720 meter ten zuidoosten bevindt zich een propaangasopslag tank. Circa 950 meter ten zuiden bevindt zich eveneenst een propaangasopslag tank. Op circa 1,9 kilometer ten westen bevindt zich een tankstation met LPG-vulpunt.

Verder bevinden zich in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen, zoals tankstations of opslagtanks. Gezien de afstand van meer dan 700 meter hebben deze propaangasopslagtanks en het tankstation geen invloed op het plangebied.

Leidingen

De dichtstbijzijnde aardgasleiding van de Gasunie ligt op 4,8 kilometer ten westen van het plangebied. Er lopen geen boven- of ondergrondse leidingen door het plangebied die planologische bescherming genieten. Er is dan ook geen sprake van (planologische) beschermingszones of belangen van derden op dit gebied.

5.10.4 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er op basis van het bovenstaande geen transportroutes, inrichtingen of leidingen zijn die in het kader van omgevingsveiligheid nader moeten worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een van de voor externe veiligheid doorslaggevende aandachtsgebieden.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor de onderhavig planvoornemen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Waterhuishouding en watertoets

5.11.1 Algemeen

Water is een essentieel onderdeel van onze hedendaagse leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit.

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor nieuwe ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Voor het plangebied zijn de volgende beleidsstukken van belang:

  • Nationaal waterprogramma 2022-2027 (Rijksbeleid)
  • Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 (Provinicaal beleid)
  • Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027
  • Waterschapsverordening Limburg (Beleid vanuit waterschap)

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond op welke wijze rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Hieronder worden eventuele gevolgen voor de waterhuishouding, veroorzaakt door het planvoornemen, beknopt besproken.

5.11.2 Weging waterbelang

Het plangebied is gelegen in de oostelijke hoek van de bebouwde kern van Milsbeek. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied varieert iets qua hoogte. Aan de oostelijke perceelgrens heeft het plangebied een hoogte van +12,70 m NAP. In het midden heeft het perceel een hoogte tot +13,00 m NAP. Aan de westelijke pereelsgrens heeft het perceel een hoogte van +12,60 m NAP. De gemiddelde maaiveld hoogte ligt hiermee op circa +12,80 m NAP.

Het plangebied bevindt zich op de overgang van twee bodemsoorten. De bodem ter plaatse van het westelijke deel van het perceel bestaat uit ‘Hoge bruine enkeerdgronden; grof zand’ (vormsubgroep: bEZ30). Dit betreft dikke eerdgronden met een esdek van zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (Gt IV en hoger), en een bruine minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit grof zand.

De noordoostelijke hoek van het plangebied bestaat uit 'Laarpodzolgronden; grof zand' (vormsubgroep: cHn30. Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een matig dikke humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit grof zand.

De hoge ligging ten opzichte van het grondwater en de grove zandsamenstelling van deze bodemtypes hebben een gunstig effect op de infiltratiecapaciteit van de bodem.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0028.png"

Bodemtypologie op korte afstand van het plangebied met aanduiding van het plangebied (bron: Bodemdata.nl)

Het plangebied bevindt zich op een 'Complex van dekzalwelving' (vormsubgroep: L51). Bij windafzettingen en in het bijzonder bij die met flauwe hellingen (dekzand) komt vaak een zwak golvend oppervlak voor, waarvan de terreinverheffingen niet afzonderlijk kunnen worden aangegeven (vormsubgroep L51); op de hogere delen ligt soms een oud-bouwlanddek (yc).

Aangezien het plangebied tot de kern van Milsbeek behoord en het bebouwde gebied door de jaren heen is geroerd, zijn de oorspronkelijek geomorfologische eigenschappen waarschijnlijk niet meer van toepassing. Wel kan worden geconcludeerd dat er een hoog percentage zand aanwezig is, wat wederom gunstig is voor de infiltratie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0029.png"

Geomorfologische kaart met aanduiding plangebied en ligging van de landduinen (bron: Bodemdata.nl)

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ligt op ongeveer 178 cm onder het maaiveld, terwijl de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) zich op meer dan 250 cm onder het maaiveld bevindt. Op basis van deze waarden is het plangebied ingedeeld in grondwatertrap VIIId, wat betekent dat het grondwater zich meestal op een diepte van meer dan 2 meter onder het maaiveld bevindt.

Binnen het plangebied zijn geen primaire of secundaire waterschapsbelangen aanwezig. De dichtstbijzijnde primaire watergang betreft de Ossenbergsebeek op 350 meter ten zuidoosten van het plangebied. Een volgende primaire watergang zijn de Oude Tielebeek op 530 meter in noordelijke richting. De dichtstbijzijnde secundaire watergang is de Grogtersebeek op 770 meter ten westen van het plangebied.

Een verder waterschapsbelang betreft de waterkeringen in de vorm van dijken met afsluitmogelijkheden op 1,5 kilomter ten zuidwesten van het plangebied. Een waterkering is een object dat als functie het tegenhouden van (oppervlakte)water heeft. Deze waterkering dient ervoor om de kern Milsbeek te beschermen tegen mogelijk oppervlaktewater afkomstigen van de rivier de Maas.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0030.png"

Uitsnede legger Waterschap Limburg met aanduiding van het plangebied

5.11.3 Huidige en nieuwe situatie

Huidige situatie

Het plangebied is in de huidige situatie reeds voorzien voor woningen. Op dit moment is het plangbied echter nog onbebouwd. Hemelwater infiltreert in de huidige situatie rechtstreeks in het maaiveld. Ook bij sterke regenval wordt er in de huidige situatie geen water op het maaiveld waargenomen.

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal het plangebied worden voorzien van zes sociale huurwoningen. Tevens wordt voorzien in bijbehorende voorzieningen voor de woningen middels een inrit, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Op basis van het beleid van de gemeente Gennep mag er geen overlast door hemelwater voor derden ontstaan. De hemelwaterbering dient daarom te voldoen aan de norm T=100 (eens in de 100 jaar een bui met 84 mm neerslag). Om dit op te vangen dient een voorziening op eigen terrein gemaakt te worden volgens het gemeentelijk beleid (Gemeentelijk Rioleringsplan).

Echter ten behoeve van de woningbouwontwikkeling Zwarteweg is een centrale hemelwatervoorziening gemaakt aan de Schopschijf met voldoende bergingscapaciteit. Hierop zullen de zes nieuwe woningen afgekoppeld worden net zoals de bedoeling was met de eerder beoogde vier woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0031.png"

Bestaande hemelwatervoorziening met voldoende bergingscapaciteit aan de Schopschijf

5.11.4 Riolering

Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van het planvoornemen zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het perceel in de huidige situatie nog niet bewoond is.

Het planvoornemen leidt tot de toevoeging van 6 huishoudens aan het rioolstelsel. Op basis van het voorliggende omgevingplan is reeds rekening gehouden met vier woningen op deze locatie. Hierdoor neemt de eindelijke berekende belasting slechts toe met twee woningen.

Het vuilwater (de zogenaamde droogweerafvoer, DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel voor vuilwater onder de Draaischijf.

De kosten voor de aansluiting op het gemengde vuilwaterriool komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er wordt geen negatief effect op het rioolstelsel verwacht omdat de capaciteit van het vuilwaterriool ter hoogte van het plangebied van voldoende capaciteit is.

5.11.5 Conclusie

De nieuwe woningen worden net als de inmiddels gerealiseerde woningen aan de Draaischijf afgekoppeld en wateren af op de bestaande hemelwatervoorziening aan de Schopschijf. De nieuwe woningen worden daarnaast aangesloten op het bestaande rioolstelsel ter plaatse van de Draaischijf voor de afvoer van het vuilwater.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Duurzaamheid en klimaat

5.12.1 Duurzaamheid
5.12.1.1 Algemeen

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

5.12.1.2 Toetsing

Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

  • Verbeteren energieprestatie: Zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen.
  • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen.
  • Natuurinclusief bouwen.

Voor de realisatie van de nieuwe woningen wordt de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie toegepast. De nieuw te realiseren woningen zullen klimaatneutraal functioneren. De toekomstige woningen wordt door middel van een berekening getoetst aan de BENG-norm.

De BENG staat in dit geval voor 'bijna-energieneutraal gebouw'. Sinds 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland 'bijna-energieneutraal' zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld een zonneboiler voor warm water, een warmtepomp, of zonnepanelen voor elektriciteit, waardoor de woning zelfvoorzienend wordt.

Naast de BENG-norm wordt er ook aandacht besteed aan een toekomstbestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik. Hiermee wordt voldoende invulling gegeven aan de energietransitie.

5.12.1.3 Conclusie

Het aspect 'Duurzaamheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen, waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12.2 Klimaat(adaptatie)
5.12.2.1 Algemeen

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hittestress in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.

5.12.2.2 Toetsing

Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Stedelijk hitte-eilandeffect (UHI)' geraadpleegd. Op deze kaart wordt weergegeven waar de risico's van klimaatverandering hoog zijn. De kaart toont het temperatuurverschil tussen stedelijke en landelijke gebieden in Nederland.

Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Dit fenomeen wordt ook wel het stedelijk hitte-eilandeffect, of urban heat island effect (UHI), genoemd. De kaart laat het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius (°C) zien tussen stedelijke en landelijke gebieden. Hoe blauwer de kleur, hoe lager het temperatuurverschil in vergelijking met de landelijke omgeving. Hoe geler of roder de kleur, hoe groter het temperatuurverschil vergeleken met de landelijke omgeving. Grote steden zijn op de kaart daarom duidelijk te herkennen aan de rode en gele vlekken. Ook kleinere woongebieden verschijnen vaak als lichtblauwe en gele plekken.

Doordat het plangebied zich in een landelijke omgeving bevindt, wordt geen significant klimaatrisico verwacht met betrekking tot temperatuurstijgingen. Het temperatuurverschil bedraagt, op basis van de kaart, ongeveer 0,34 graden. Het plangebied is hiermee vergelijkbaar met een plattelandsgebied. Er is dan ook geen sprake van hittestress ter plaatse. Voor dit plangebied geldt een laag klimaatrisico met betrekking tot temperatuurstijgingen gezien de ligging in een landelijke omgeving, in de directe nabijheid van het buitengebied. Daarnaast wordt ter plaatse van de parkeervoorziening tevens voorzien in een groene aankleding wat tevens bijdraagt aan het 'voorkomen' van hittestress.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0032.png"

Uitsnede kaart Stedelijk hitte-eiland effect (UHI)

Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Water op straat na een extreme bui' geraadpleegd. Op deze kaart is te zien hoeveel water er na een hevige bui op straat kan komen te staan. Hoe donkerder de kleur, hoe dieper het water in die straat kan staan. De kaart is gemaakt op basis van een rekenmodel, waarbij een regenbui is gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. De meeste schade door hoosbuien treedt op wanneer het water gebouwen (via de stoepen) binnenstroomt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0033.png"

Uitsnede kaart 'Water op straat na een extreme bui'

Op basis van de bovenstaande kaart is te zien dat na een extreme bui ter plaatse van de woningen wel 20 centimeter water kan staan. Deze lager gelegen delen van het maaiveld bevinden zich aan de westelijke en oostelijke perceelsgrenzen. Het advies is om het terrein aan te vullen en de toekomstige woning voldoende hoog te bouwen, zodat er binnen het plangebied geen water op het maaiveld wordt verwacht. Gezien de beoogde indeling van het terrein gebeurt dit ook. Op basis van de voorgaande wordt geen hinder door extreme buien verwacht.

Naast hittestress of water op het maaiveld door extreme buien, bestaan er nog het klimaatrisico's op basis van de kans op overstroming vanuit een rivier, meer of zee. In dit geval is het de kans op overstroming vanuit de rivier de Maas. De plangebied is gelegen in 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde. Voor Milsbeek geldt dat er langs de Maas dijken zijn aangelegd, waardoor de kans op overstroming kan worden geminimaliseerd. De meeste dijken in Limburg hebben een norm met een overstromingskans van 1:100 . Dit houdt in dat de dijk dan ontworpen wordt met de kans dat gemiddeld 1 keer in de 100 jaar (of minder) een overstroming voorkomt.

In de toekomst zullen er door klimaatverandering naar verwachting ook meer en langere periodes met droogte voorkomen. Ten aanzien van het planvoornemen worden, gezien de landelijke ligging, geen problemen verwacht met betrekking tot droogte.

5.12.2.3 Conclusie

Het aspect 'Klimaat(adaptatie)' vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Natuur

5.13.1 Algemeen

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

5.13.2 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

5.13.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000

Nabij het plangebied zijn meerdere Natura 2000 gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft de 'Sint Jansberg' op circa 920 meter ten noorden van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Oeffelter Meent' ligt op circa 1,6 kilometer ten zuiden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0034.png"

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van de nabijgelegen Natura2000-gebieden

Op basis van bovenstaande weergave, wordt duidelijk dat het planvoornemen niet gelegen is binnen Natura 2000-gebieden en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. Gezien de aard van het planvoornemen en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is geen sprake van verstoring door licht, trilling of verstoring door mechanische effecten. Echter, externe effecten van mogelijke stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten (zie paragraaf 5.13.2.3 in combinatie met Bijlage 2 en Bijlage 3 .

5.13.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. In Limburg is de aanduiding Natuurnetwerk Limburg.

Toetsing ligging t.o.v. Natuurnetwerk Limburg

Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Limburg ligt circa 720 meter ten noorden van het plangebied. Dit stuk natuurnetwerk sluit aan bij de Sint Jansberg. Op circa 1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich nog een onderdeel van Natuurnetwerk Limburg langs de Tielebeek. Het plangebied maakt hiermee geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door het planvoornemen zal daarom geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaan.

Vanuit het NNN zijn er geen externe effecten te verwachten. Gezien de lokale aard en beperkte omvang van het planvoornemen, evenals de huidige situatie, zijn negatieve effecten op NNN-gebieden niet te verwachten. Een nadere toetsing is aangezien enkel sprake is van Natuurnetwerk Limburg dan ook niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0035.png"

Uitsnede Atlas Leefomgeving met de ligging van het plangebeid ten opzichte van het Natuurnetwerk Limburg

5.13.2.3 Stikstof

Wettelijk kader

Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Deze regels gaan op in de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Uitgangspunt is een beleidsneutrale omzetting. Dat betekent dat bij het opstellen van een omgevingsplan/ BOPA daarom ook rekening moet worden gehouden met de aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden (zoals vermeld in artikel 2.44 van de Ow). Dat betekent in voorkomend geval dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met het omgevingsplan en/of BOPA mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn op de instandhoudingsdoelen die zijn vastgelegd in de (relevante) aanwijzingsbesluiten. Deze beoordeling ziet toe op het vaststellen of met het plan of activiteit sprake is van een Natura 2000 activiteit; Activiteit die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Indien significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten of gevolgen anderszins niet significant zijn is er geen sprake van een Natura 2000 activiteit en hoeft deze niet passend beoordeeld te worden. Het vaststellen of er ten aanzien van stikstof sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000 gebied gebeurt middels een voortoets. Onderstaand wordt daaraan invulling gegeven.

Recente jurisprudentie voortoets

Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) uitspraak gedaan in het hoger beroep over intern salderen met ongebruikte stikstofruimte door de Amercentrale in Geertruidenberg en destructiebedrijf Rendac in Son en Breugel (ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923). In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend.

In een voortoets wordt beoordeeld of op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat een project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft. Van een project is in ieder geval sprake als op een locatie een geheel nieuwe activiteit wordt gerealiseerd. Voor de vraag wanneer de wijziging van een bestaande activiteit een project is, is het Stadt Papenburg-arrest en punt 35 van het AquaPri-arrest van belang. Daaruit volgt dat op het moment waarop, ten opzichte van het bestaande project waarvoor een natuurvergunning is verleend of voor de referentiedatum een milieutoestemming is verleend, geen sprake meer is van de voortzetting van één-en-hetzelfde-project, beoordeeld moet worden of de gewijzigde voortzetting van het bestaande project significante gevolgen kan hebben. De activiteit zoals die na de wijziging wordt voortgezet (inclusief de ongewijzigde onderdelen die worden gecontinueerd) is in dat geval een nieuw project, waarvan beoordeeld moet worden of het significante gevolgen kan hebben.

De gewijzigde rechtspraak van 18 december 2024 over intern salderen geldt óók als intern gesaldeerd wordt met algemene regels voor bemesten. Dat blijkt uit een uitspraak van 28 mei 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak over een woningbouwproject in Egmond aan den Hoef (ECLI:NL:RVS:2025:2404). Om de woningbouw mogelijk te maken is intern gesaldeerd met algemene regels voor bemesten. In de kern komt de uitspraak erop neer dat intern salderen met algemene regels voor bemesten niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, en dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen met algemene regels voor bemesten mag onder voorwaarden wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend, net als intern salderen met een eerder verleende natuurvergunning of milieutoestemming.

Realisatiefase

Het programma bestaat uit het realiseren van 6 sociale huurwoningen aan de Draaischijf te Milsbeek. Het betreffen levensloopbestendige woningen in 1 bouwlaag met kap in twee blokken van 3 met daartussen parkeerplaatsen op eigen terrein. Op dit moment is de inzet van mobiele werktuigen nog niet bekend. Derhalve is aansluiting gezocht bij kengetallen. Door WE adviseurs is in opdracht van het Rijk onderzoek gedaan naar een open norm waarbij kengetallen uit referentieprojecten zijn gedestilleerd. Op basis van dit onderzoek geldt voor nieuwbouw een stikstofemissie van 36 gr/m2 GO. Op basis van CBS gegevens omvat een gemiddelde sociale huurwoning een GO van 84 m2. Op basis van het programma, het kengetal en de totaal te realiseren GO leidt dit tot een emissie van 18,1 kg NOx/jaar. Er wordt aangenomen dat er nog 15% aan onvoorziene emissies (en terreinafwerking) aan de orde is. De totale emissiesvracht komt daarmee op 20,8 kg NOx/jaar. Er wordt aangenomen dat er sprake is van 1000 lichte verkeersbewegingen, 750 zware verkeersbewegingen en 250 middelzware verkeersbewegingen op jaarbasis aan bouwverkeer. Van het lichte verkeer wordt verondersteld dat dit langer dan 2 uur ter plaatse is en er daarmee dus sprake is van een koude start.

Gebruiksfase

De woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarmee is er in de gebruiksfase enkel sprake van een verkeersgeneratie. Op basis van CROW cijfers is de verkeersgeneratie 5,2 verkeersbewegingen voor een sociale huurwoning. Op basis van het programma komt dit neer op een totale verkeersgeneratie van 32 verkeersbewegingen per etmaal. Er wordt hierbij eveneens een koude start verondersteld.

Aerius berekeningen

De realisatiefase en gebruiksfase zijn doorgerekend met de Aerius calculator. Uit de rekenresultaten volgen geen deposities >0,00 mol/ha/jaar (bijlage Bijlage 2 en Bijlage 3).

Conclusies

Het project leidt niet tot significant nadelige effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Voor het planvoornemen is daarom geen vergunning voor een Natura 2000 activiteit vereist.

5.13.2.4 Houtopstanden

Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden die niet in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).

Toetsing

Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied van Milsbeek. Houtopstanden zijn zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die een oppervlakte hebben van 10 are of meer, of meer dan 20 bomen (in rijbeplantingen) omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.

Het plangebied is in de huidige situatie, afgezien van mogelijk onkruid, volledig vrij van begroeiing. Op basis van de definitie is er binnen het plangebied daarom geen houtopstand aanwezig. Eventuele houtopstanden kunnen door de realisatie van het planvoornemen dus niet worden geschaad.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'Houtopstanden' geen belemmering vormt voor het planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13.3 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • Óf er soorten aanwezig zijn;
  • En indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toetsing

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat voor het uitvoeren van een activiteit gecontroleerd moet worden of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit:

'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Omdat het plangebied ter plaatse van de toekomstige woningen in de huidige situatie enkel bestaat uit braakliggend terrein, zonder beplanting dan wel houtopstanden, worden geen negatieve gevolgen voor in het wild levende dieren of planten verwacht. Het plangebied is inmiddels bouwrijp gemaakt als onder deel van het groter geheel en wordt regelmatig gemaaid en vrijgehouden van begroeiing. Voor het planvoornemen hoeven geen bomen of struiken of mogelijk beschermde plantensoorten verwijderd te worden.

De werkzaamheden zijn dus niet beoogd ter plaatse van een perceel waar van nature in het wild levende planten of dieren kunnen voornemen. Rondom het perceel staan geen grote bomen of oude gebouwen waar zich mogelijke diersoorten kunnen schuilhouden. In dit geval is er geen sprake van flora- en fauna-activiteit. Om deze reden wordt een nader onderzoek naar de soortenbescherming niet noodzakelijk geacht.

Advies

Onder de artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal zijn specifieke zorgplichten vastgelegd. De zorgplicht geldt voor iedereen die een activiteit uitvoert waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben voor in het wild levende dieren, planten, bomen of natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijke maatregelen te nemen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moeten de activiteiten achterwege worden gelaten. Voor de minder streng beschermde soorten geldt in de praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden moet worden.

Conclusie

Op basis van bovenstaande boordeling is geen nader onderzoek vereist. Echter de algemene zorgplicht blijft van kracht.

Het aspect 'Soortenbescherming' vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13.4 Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Natuur' geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Vormvrije MER-beoordeling

5.14.1 Wettelijjk kader

Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.

Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).

De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
  • b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
  • 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
  • 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

5.14.2 Toepassing

In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22NDraaischijfM-VA01_0036.png"

Beoordelingskader project-mer-beoordeling

Het planvoornemen valt onder de categorie J11 zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze ontwikkelingen geldt geen mer-plicht (kolom 2). Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt in het kader van een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Onderhavige wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft slechts een beperkte wijziging van de regels en locaties van het 'gemeentebrede' omgevingsplan. Om die reden kan in beginsel worden volstaan met m.e.r.-beoordeling. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn:

  • 1. Kenmerken van het project;
  • 2. Plaats van het project;
  • 3. Kenmerken van het potentiële effect van het project.

In deze paragraaf wordt invulling gegeven aan deze drie criteria.

  • 1. Kenmerken van het project

De kenmerken van onderhavig planvoornemen zijn in Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke motivering uitgebreid omschreven. Er is hierbij geen sprake van cumulatie met andere projecten. De risico's voor de menselijke gezondheid en het risico van zware ongevallen en/of rampen zijn in Hoofdstuk 5 in overweging genomen en vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

  • 2. Plaats van het project

De locatie is op dit moment braakliggend en reeds bouwrijp gemaakt als onderdeel van de totale woningbouwontwikkeling aan de Draaischijf. Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarde, landschappelijkek, cultuurhistorische of archeologische waarde.

  • 3. Kenmerken van het potentiële effect van het project

In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De locatie, aard en omvang van het planvoornemen (twee extra woningen) leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere plan-m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

Op basis van de voorgaande wetgeving werden drempelwaarden gegeven, waarmee op voorhand kon worden bepaald of mogelijk effecten te verwachten zijn. In het voormalige Besluit m.e.r. waren twee lijsten (onderdelen C en D) opgenomen in de bijlage bij dat besluit. Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk was, moest worden bepaald (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschreed, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied lag (3) of er belangrijke milieugevolgen te verwachten waren. Het planvoornemen ziet toe op de volgende activiteiten die waren genoemd in de Bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., Onderdeel D:

  • D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Drempelwaarden:
    • 1. 100 ha of meer
    • 2. 2.000 woningen of meer;
    • 3. een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer.

Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit planvoornemen geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee geen m.e.r.- plichtige activiteit.

Het planvoornemen voor het realiseren van zes sociale huurwoningen, met eigenlijk een toevoeging van slechts twee woningen, is een activiteit die niet is genoemd in het Besluit m.e.r. (onderdeel D 11.2). Gezien de zeer beperkte omvang van het planvoornemen is een verdere m.e.r-beoordeling niet benodigd.

Daarnaast geldt dat bij elke activiteit die leidt tot een toename van stikstofdepositie, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de 'Sint Jansberg' op circa 920 meter ten noorden van het plangebied, gevolgd door Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent' op circa 1,6 kilometer ten zuiden van het plangebied.

Ten aanzien van het planvoornemen zijn negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten (zie ook paragraaf 5.13.2.3 in combinatie met Bijlage 2 en Bijlage 3 ). Het opstellen van een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

Gelet op de kenmerken van het planvoornemen, de plaats van het planvoornemen en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Hoofdstuk 6 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

6.1 Algemeen

Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe bestemmingsplannen meer in procedure gebracht. Tenzij het gaat over een ontwerp (zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet) dat voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Deze plannen worden nog volgens de oude wetgeving behandeld; Wet ruimtelijke ordening (oud).

Nieuwe plannen die niet voor 1 januari 2024 ter inzage zijn gelegd, dienen volgens de nieuwe wettelijke procedures behandeld te worden.

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over een omgevingsplan.

Op basis van artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet bestaat een deel van het omgevingsplan o.a. uit: bestemmingsplannen, beheersverordeningen en wijzigingsplannen. Dit gedeelte van het omgevingsplan valt op basis van artikel 22.1 Omgevingswet in het 'tijdelijk deel' van het omgevingsplan. Daarnaast bestaat het 'tijdelijk deel' uit (rijks)regels die voor 1 januari 2024 golden; artikel 22.2 Omgevingswet. Dit gedeelte wordt ook wel de zogenaamde bruidsschat genoemd.

Iedere gemeente dient in de zogenaamde transitiefase het tijdelijk deel aan te passen en 'omgevingsplan proof' te maken. Hiermee wordt bedoeld dat iedere gemeente het tijdelijk deel dient te verwerken in het (definitieve) omgevingsplan. Deze transitiefase geldt tot 1 januari 2032 en deze transitiefase is bij koninklijk besluit vastgelegd; artikel 22.5 Omgevingswet.

6.2 Planmethodiek

Via de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt om voor ruimtelijke initiatieven het omgevingsplan te wijzigen. Een wijziging van het omgevingsplan vindt plaats via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), de onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt volgens in het Omgevingsloket (de vervanger van ruimtelijkeplannen.nl) opgenomen.

Een (digitale) publicatie van een wijziging van het omgevingsplan wordt (landelijk) geplaatst via de 'Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten; de zogenaamde STOP/TPOD- methode.

Kortom, een publicatie van een wijziging van het omgevingsplan, dient voor de (digitale) raadpleegbaarheid, aan deze (digitale) werkmethode te voldoen.

Indien een gemeente technisch gezien nog niet in staat is om het omgevingsplan te wijzigen volgens de STOP/TPOD- methode, kan gebruik worden gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM).

Deze TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij nog niet aan de nieuwe (publicatie) standaarden kunnen voldoen. De Tijdelijke Alternatieve Maatregel mag worden toegepast tot en met 31 december 2025.

De TAM zorgt ervoor dat bij de wijziging van het omgevingsplan, gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard. Deze standaard werd voorheen gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen (oud). De IMRO standaard houdt in: Informatiemodel Ruimtelijke Ordening.

Dit betekent dat de (digitale) publicatie van een wijziging van het omgevingsplan wordt gevalideerd via de (oude) IMRO standaarden. Daardoor wordt de wijziging van het omgevingsplan via de IMRO standaarden (digitaal) gepubliceerd.

De TAM dient te voorkomen dat gemeenten geen vertragingen krijgen bij gebiedsontwikkelingen. Dit, indien gemeenten nog niet kunnen voldoen aan de standaarden van de STOP/TPOD- methode.

6.3 Regels

In de regels worden vijf hoofdstukken onderscheiden, namelijk:

  • inleidende regels;
  • inhoudelijke regels - functies en gebruiksactiviteiten;
  • bouwactiviteiten
  • overige regels;
  • overgangsrecht (gebruik).

De vijf hoofdstukken worden hierna afzonderlijk nader toegelicht.

6.3.1 Inleidende regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling ter plaatse van de locatie Draaischijf Milsbeek (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige woningbouwontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Het betreft de volgende artikelen:

  • Begripsbepalingen (Artikel 1): In dit artikel worden de begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteitleefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zoals opgenomen in artikel 1.1 in het omgevingsplan van Gennep van toepassing verklaard op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast zijn in dit artikel aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt woren in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen zijn in de SVBP omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
  • Toepassingsbereik (Artikel 2): In dit artikel is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met geometrisch bepaalde planobjecten.
  • Meet- en rekenbepalingen (Artikel 3): Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in dit artikel uitleg gegeven wat onder de diverse bepalingen c.q. begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
  • Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 4): Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het TAM-omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
  • Normadressaat (Artikel 4): In dit artikel is voor heel het TAM-omgevingsplan de normadressaat bepaald. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit besluit, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Het is primair de vergunninghouder of melder die zich aan de regels moet houden. Bij handhaving kan iedereen die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen echter worden aangesproken. In relatie tot de activiteit bouwen kan een aannemer of onderaannemer rechtstreeks worden aangesproken.
6.3.2 Inhoudelijke regels - functies en gebruiksactiviteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en gebruiksactiviteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en gebruiksactiviteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming' op basis van IMRO. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor de woningbouwontwikkeling aan de Draaischijf Milsbeek is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Gennep. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Het betreft de volgende artikelen:

  • Algemeen (Artikel 6): Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
  • Wonen (Artikel 7): Binnen de functie wonen is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor wonen in een woonruimte en de daarbij behorende tuinen en erven. Daarbij zijn algemene regels gesteld ten aanzien van het toegestaan gebruik voor: wonen in een woonruimte, aan huis verbonden beroep en erven en tuinen. Op basis van deze algemene regels is dit gebruik rechtstreeks toegestaan en geldt hiervoor geen vergunningplicht. Daarnaast is bepaald dat het gebruik van een bijgebouw als zelfstandige of onzelfstandige woonruimte aangemerkt wordt als strijdig gebruik en dus verboden is. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn specifieke parkeervoorzieningen met groenvoorzieningen toegestaan.
6.3.3 Bouwactiviteiten

In dit hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan zijn de beoordelingsregels voor de bouwactiviteiten opgenomen. Daarin is gesteld dat voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijgebouwen of andere bouwwerken met een dak een vergunningplicht geldt onder welke voorwaarden.

Het betreft de volgende artikelen:

  • Algemeen (Artikel 8): In dit artikel is bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van het toegelaten gebruik voor 'Wonen'. Ondergronds bouwen is daarbij toegestaan onder de gebouwen tot een diepte van 4 meter. Tevens moet daarbij voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'.
  • Hoofdgebouw ten behoeve van woonruimte (Artikel 9): In dit artikel is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw voor een woonfunctie te bouwen, uit te breiden of te veranderen. Deze hoofgebouwen moeten worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak en mogen worden gebouwd tot de aangegeven maximum goot- en bouwhoogte. Middels de aanduiding 'aaneengebouwd' is bepaald dat er uitsluitend geschakelde woningen zijn toegestaan tot het aangegeven maximum aantal wooneenheden.
  • Bijgebouwen (Artikel 10): Bijgebouwen en andere bouwwerken met dak zijn onder voorwaarde zoveel mogelijk vergunningsvrij. Hiervoor is aangesluiten bij de beoordelingsregels uit de bruidsschat. Indien bijgebouwen en andere bouwwerken met dak niet vergunningsvrij zijn dan zijn deze wel nog mogelijk middels een vergunningsplicht met de daaraan gestelde beoordelingsregels.
  • Bouwwerken zonder dak (Artikel 11): Bouwwerken zonder dak zijn vergunningsvrij. Daarbij is onderscheidt gemaakt in erf- en perceelsafscheidingen en overige bouwwerken zonder dak. Ook bij bouwwerken zonder dak geldt dat als deze niet vergunningsvrij zijn deze dan wel nog mogelijk zijn middels een vergunningsplicht met de daaraan gestelde beoordelingsregels.
6.3.4 Overige regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Dit betreffen met name gebodsbepalingen voor het in standhouden van bepaalde voorzieningen en die gelden voor de gehele locatie van het plangebied.

Het betreft het volgende artikel:

  • Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen (Artikel 12): In dit artikel is door middel van een gebodsbepaling bepaald dat bij de realisatie van hoofdgebouwen voor de woonfunctie in voldoende mate moet worden voorzien in parkeergelegenheid en deze ook in stand moet worden gehouden.
6.3.5 Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht gebruik (Artikel 13) opgenomen, zodat het bestaande gebruik altijd voortgezet kan worden.

6.4 Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor onderhavig TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding functies zijn te zien die als 'bestemmingen' zijn gedigitaliseerd, en dat specifieke c.q.aanvullende functies, indien aan de orde, als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

Hoofdstuk 7 Participatie/ omgevingsdialoog

7.1 Algemeen

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

Het is volgens de Omgevingswet (artikel 10.2 Ow) verplicht om vooraf, bij de kennisgeving van het voornemen tot wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege, aan te geven op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van worden betrokken. Vervolgens dient achteraf – in dit geval in voorliggende motivering – te worden aangegeven op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en op welke wijze invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid.

7.2 Participatietraject

Op donderdag 3 juli 2025 was er in MFA Trefpunt in Milsbeek een inloopavond voor omwonenden van dit nieuwbouwproject. Tijdens deze inloopavond presenteerde de gemeente en Destion dit initiatief. Op het voorstel werd overwegend positief gereageerd. Circa 16 bewoners uit de omgeving van de nieuwbouw hebben de voorgenomen plannen bekeken en hun vragen kunnen stellen aan medewerkers van de gemeente en Destion. Een verslag van deze avond is als Bijlage 4 bijgevoegd.

Conclusie

Met de omgeving is de omgevingsdialoog gevoerd. Hiermee zijn alle relevante belangen in beeld gebracht en afgewogen.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

8.1 Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, wat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende nadeelcompensatie besproken.

8.2 Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

8.3 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

De grond waarop het planvoornemen is geprojecteerd is momenteel nog eigendom van de gemeente. Voorstel is om de grond voor verkoop aan te bieden aan initiatiefnemer conform de 'Grondprijzenbrief Gennep 2025'. Als het college instemd met deze basishouding wordt een en ander verder uitgewerkt en geborgd in de met initiatiefnemers te sluiten anterieure overeenkomst.

In deze overeenkomst worden dan onder andere afspraken gemaakt over de ambtelijke kosten, de (eventuele)infrastructurele aanpassingen, de mogelijke nadeelcompensatie (voorheen planschade), de huurprijzen van de verschillende categorieën woningen en de groen en civieltechnische inrichting van het terrein en de directe omgeving.

8.4 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • Die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • Die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • Het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • Een omgevingsvergunning,
  • Een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • Rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • Het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • Het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
  • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Hoofdstuk 9 Conclusie met betrekking tot evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

Voor de beoogde activiteiten in de fysieke leefomgeving dient op grond van artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet een wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege plaats te vinden. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is voorliggende motivering opgesteld.

Tegen het planvoornemen, in de vorm van de realisatie van 6 sociale huurwoningen in plaats van 4 nultredenwoningen ter plaatse van een braakliggend terrein aan de Draaischijf te Milsbeek bestaan in het kader van de fysieke leefomgeving en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q. randvoorwaarden wordt voldaan:

  • 1. het planvoornemen is niet strijdig met het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid;
  • 2. door de realisering van het planvoornemen treden geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving;
  • 3. de aspecten van de fysieke leefomgeving gezondheid, milieubelastende activiteiten, geluid, buitenlucht, geur, bodem, wegen, verkeer, parkeren, omgevingsveiligheid, natuur, water en watersystemen, cultureel erfgoed, landschap, stedenbouw, bedrijfsmatige activiteiten, kabels en leidingen vormen geen beletsel voor de realisatie van het planvoornemen;
  • 4. de financiële consequenties van het planvoornemen worden volledig gedragen door de initiatiefnemer. In dat kader is tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten.

Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij realisatie van het voorliggende planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 10 Procedure

10.1 De te volgen procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.

  • 1. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 2. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 3. Inwerkingtreding: het gewijzigde omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, mits geen verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan.
  • 4. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

10.2 Ontwerp en vaststelling

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 25 september 2025 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze inzagetermijn is één zienswijze ingediend tegen het ontwerp-omgevingsplan. Deze zienswijze is in de nota van zienswijzen, als bijlage bij het raadsbesluit, samengevat en voorzien van een gemeentelijk standpunt. Op basis hiervan is de zienswijze ongegrond verklaard en leidt de zienswijze niet tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.

Daarnaast zijn er gedurende deze periode nog reacties ontvangen van de provincie, het waterschap en Rijkswaterstaat. Deze leiden eveneens niet tot bijstelling van het TAM-omgevingsplan met uitzondering van de reactie van Rijkswaterstaat. Deze reactie leidt tot een aanvulling van onderhavige motivering (zie paragraaf 4.1.4)

De gemeente Gennep heeft op 16 maart 2026 besloten om het omgevingsplan (ongewijzigd) vast te stellen.