| Plan: | Hommersumseweg ong. Heijen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.BP15051HOMMEHEI-VA01 |
Het huidige agrarische bedrijf van de heer Willems is gelegen in een gebied waar de gemeente Gennep werkt aan de realisatie van het regionaal bedrijventerrein De Brem. Dit bedrijventerrein is voorzien ten zuiden van de A77, ter hoogte van de afslag Gennep, in aansluiting op het bedrijventerrein De Grens.
Het huidige bedrijf van de heer Willems kan daardoor niet op de locatie aan de Langeven 8 voortgezet worden. Op een beperkte afstand van de huidige locatie ligt aan de Hommersumseweg een perceel dat reeds in eigendom bij de heer Willems is. Beoogd is dan ook het bedrijf naar deze locatie te verplaatsen. In de huidige situatie is nog sprake van een gemengd bedrijf, bestaande uit akkerbouw en het kweken van snijheesters. Het houden van pluimvee maakt sinds enige tijd geen onderdeel meer uit van het bedrijf. Op de nieuwe locatie zal de akkerbouw en het kweken van snijheesters worden voortgezet. Op de nieuwe bedrijfslocatie worden tevens teeltondersteunende voorzieningen en een bedrijfswoning gerealiseerd.
Om aan te tonen dat de nieuwe locatie passend is voor de bedrijfsverplaatsing is in 2011 door Arcadis een haalbaarheidsanalyse uitgevoerd. Hieruit werd geconcludeerd dat het plan globaal doorgang kan vinden, maar dat op enkele onderdelen vervolgonderzoek nodig is en dat een procedure voor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. In onderhavig bestemmingsplan zijn deze aspecten nader uitgewerkt en onderbouwd.
De gemeente Gennep heeft per brief van 1 mei 2012 aan de heer Willems bericht dat het college in principe instemt met het verlenen van medewerking aan de bedrijfsverplaatsing en hiertoe een anterieure overeenkomst te sluiten.
Bedrijventerrein De Brem (blauw omlijnd) en de huidige en nieuwe locatie bedrijf Willems (rood omlijnd)
Het bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep' in samenhang met het 'Reparatie- en Veegbestemmingsplan' dat ter plaatse van de nieuwe locatie van toepassing is, staat het vestigen van het agrarisch bedrijf van de heer Willems niet toe. De betreffende gronden kennen weliswaar de bestemming 'Agrarisch', maar ter plaatse is geen bouwvlak met bebouwingsmogelijkheden aanwezig.
Om medewerking te kunnen verlenen aan het verplaatsen van het agrarisch bedrijf is het noodzakelijk om het bestemmingsplan ter plaatse van de nieuwe locatie te herzien.
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de herziening, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen onder andere:
Naast deze toelichting omvat dit bestemmingsplan regels en een verbeelding.
De nieuwe locatie van het gemengde agrarisch bedrijf van de heer Willems is gelegen aan de Hommersumseweg, ten zuiden van de kern Heijen in de gemeente Gennep. De gronden staan kadastraal bekend gemeente Gennep, sectie H, nummers 241 en 242. Op het perceel H 242 worden de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het bedrijf vastgelegd met een bouwvlak. Het perceel H 241 is tevens in eigendom en kent al een agrarische bestemming waarop akkerbouw en het kweken van snijheesters kan plaatsvinden.
Luchtfoto ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied bevindt zich direct ten noorden van de Rijksweg A77 en wordt verder ingeklemd door de N271, de Hommersumseweg en Brem. Ten westen van het plangebied ligt de kern Heijen en in noordelijke richting bevindt zich het vakantiepark Het Heijderbos. Aan de zuidzijde zijn de op- en afritten aanwezig van de Rijksweg A77. Ten oosten, aan de andere zijde van de Rijksweg A77 ligt de voormalige bedrijfslocatie van de heer Willems aan het Langeven. In dat gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein De Brem voorzien.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep' in samenhang met het 'Reparatie- en Veegbestemmingsplan Buitengebied'. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep' is vastgesteld door de gemeenteraad op 3 april 2012. Tegen dit bestemmingsplan is bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) een aantal beroepschriften ingediend. Op 23 januari 2013 heeft de Afdeling over deze beroepschriften uitspraak gedaan. Daarbij is het bestemmingsplan op enkele onderdelen vernietigd. Voor het overige is het bestemmingsplan Buitengebied met de uitspraak onherroepelijk geworden. Naar aanleiding van deze uitspraak is met het bestemmingsplan 'Reparatie- en Veegbestemmingsplan Buitengebied' de bestemmingsregeling op een achttal punten aangepast en zijn tevens een aantal geconstateerde omissies verbeterd en enkele nieuwe planontwikkelingen meegenomen. Het bestemmingsplan 'Reparatie- en Veegbestemmingsplan Buitengebied' is op 17 februari 2014 door de gemeenteraad vastgesteld.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Aan de gronden binnen het onderhavige plangebied is de bestemming 'Agrarisch' toegekend. Deze bestemming is bedoeld voor de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten en de hobbymatige uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bos- en/of natuurelementen, landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting, bestaande infrastructurele voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en voorzieningen tern behoeve van extensief recreatief medegebruik.
De percelen in het onderhavige plangebied kennen echter geen bouwmogelijkheden vanwege het ontbreken van een bouwvlak ter plaatse. Dit betekent dat de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfsbebouwing niet mogelijk is.
Tevens zijn ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en de aanduiding 'archeologische vindplaats' van toepassing. Voor het bouwen geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter, of voor bouwwerken die worden opgericht ter plaatse van de aanduiding 'archeologische vindplaats' een archeologisch onderzoeksrapport moet worden overlegd.
Als gevolg van de Rijksweg A77 liggen over het plangebied ook de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - weg 1' en 'vrijwaringszone - weg 2'. Daarmee zijn de gronden mede bestemd voor de bevordering van de verkeersveiligheid en een goede afwikkeling van het verkeer. Binnen zone 1 mag niet worden gebouwd behoudend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeersdoeleinden. In zone 2 mag niet worden gebouwd. Wel kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels voor het bebouwen van de gronden ten dienste van de daar voorkomende bestemmingen, mits bij de wegbeheerder advies is ingewonnen over de aanvaardbaarheid daarvan in relatie tot de belangen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer.
Tot slot geldt ter plaatse de aanduiding 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Hier geldt dat die gronden zijn aangewezen als Verwevingsgebieden zoals bedoeld in de Reconstructiewet.
Doordat de gronden binnen het plangebied niet voorzien in bouwmogelijkheden, vanwege het ontbreken van een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf, is een herziening van het bestemmingsplan ter plaatse noodzakelijk.
In deze toelichting wordt de herziening van het bestemmingsplan onderbouwd en worden de mogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan gaat bieden, afgewogen. In de regels wordt een gedetailleerde regeling van de nieuwe bestemmingen gegeven en wordt duidelijk wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied zijn. De verbeelding (plankaart) betreft een visuele weergave hiervan.
Het bestemmingsplan is opgezet conform de eisen die de Wro en de gemeente Gennep daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012, de verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.
Na dit inleidende hoofdstuk komen in hoofdstuk 2 eerst de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente aan bod. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van de bestaande situatie, waarna in hoofdstuk 4 het plangebied en het planvoornemen worden beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe het planvoornemen is verwoord in de planregels en de verbeelding. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de economische en maatschappelijk haalbaarheid van het planvoornemen en in hoofdstuk 8 komt de te doorlopen procedure aan bod.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat het planvoornemen niet strijdig is met het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid en dat het in lijn is met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Gennep.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:
Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.
De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:
Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.
De SVIR voorziet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Sprake is van een radarverstoringsgebied. Om de werking van de radarstations niet te beperken, zijn om deze stations radarverstoringsgebieden aangewezen waarbinnen windmolens en hoge gebouwen beperkt mogelijk zijn.
Daarnaast ligt het plangebied nabij of grenst aan gebieden voor het hoofd watersysteem (Maas) en het (inter)nationale hoofdwegennet (Rijksweg A77). Voor de Rijksweg A77 is er vanuit nationaal belang geen ambitie om deze weg in de toekomst te verbreden.
Het beheer van het watersysteem is gericht op het meebewegen met natuurlijke processen waar het kan en het bieden van weerstand waar het moet. Naast preventie als primaire pijler bij de bescherming tegen overstromingen, is het waterveiligheidsbeleid ook gericht op het beperken van de gevolgen van een overstroming door keuzes in de ruimtelijke planning en het op orde krijgen en houden van de rampenbeheersing (meerlaagse veiligheid). Het nationale waterbeleid is uitgewerkt in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en komt aan de orde in het jaarlijkse Deltaprogramma. Wat betreft het rivierengebied binnen het hoofd watersysteem zal binnen het deelprogramma Rivieren een integrale gebiedsopgave worden geformuleerd en worden strategieën uitgewerkt vanuit opgaven (veiligheid, zoet water) en ambities (o.a. economische ontwikkeling, woningbouw, bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur).
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Voor het plangebied en het planvoornemen volgen uit voornoemde nationale belangen niet direct regels die het planvoornemen belemmeren. Het plangebied ligt immers net buiten de aangewezen gebieden voor het hoofd watersysteem en hoofdwegennet. Bovendien wordt met het planvoornemen geen windmolen of hoge bebouwing mogelijk gemaakt die verstorend zouden kunnen werken voor de radarstations.
Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.
De SVIR (zie paragraaf 2.2.1) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.
Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR.
De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Tevens geeft de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro.
Het Barro voorziet in een onderwerp die op het plangebied van toepassing zijn. Het gaat daarbij om een radarverstoringsgebied. Binnen dit gebied geldt een maximale bouwhoogte voor bouwwerken, zodat wordt voorkomen dat het radarbeeld door die bouwwerken kan worden verstoord. In het Rarro is opgenomen hoe deze maximale bouwhoogte te bepalen.
Het radarverstoringsgebied wordt gevormd door een cirkel met een straal van 15 km kilometer gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken in het radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne, oplopend met 0,25 graden tot 15 km van de radarantenne. De hoogte van de antenne van Volkel is gelegen op een hoogte van 49 m +NAP. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt voor een gebied van 60 km buiten de zone van 15 km een maximale hoogte (114 meter t.o.v. NAP).
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. In het bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte van bouwwerken (agrarische bedrijfsbebouwing) 12 meter. Windturbines worden met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Daarmee is geborgd dat het planvoornemen niet van invloed is op het radarbeeld van het radarstation Volkel.
In paragraaf 2.2.1 is ten aanzien van de SVIR aangestipt dat het plangebied is gelegen nabij een rijksvaarweg en hoofdweg. Het plangebied is echter niet gelegen binnen de invloedssfeer van deze nationale belangen. Vanuit het Barro gelden daarom ook geen specifieke regels die door moeten werken in onderhavig bestemmingsplan.
Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de Barro gelden.
Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden met als doel het ontwikkelen en in stand houden van soorten en ecosystemen die belangrijk zijn voor Europa. Deze gebieden zijn aangewezen op basis van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het beleid houdt echter niet bij de landsgrenzen op, dieren en planten trekken zich immers niets aan van landsgrenzen.
Er zijn drie thema's die centraal staan bij Natura 2000, te weten beleven, gebruiken en beschermen. Beleven houdt in dat er ruimte wordt gecreëerd voor recreatie. Recreatie en natuurontwikkeling in dezelfde omgeving betekent echter wel dat er goede afspraken gemaakt moeten worden. Met gebruiken wordt bedoeld dat de natuur naast haar schoonheid ook economisch functioneel is. Wonen, werken en recreëren in een mooie omgeving is het streven, waarbij economie en ecologie met elkaar in balans dienen te zijn. Beschermen wil zeggen het duurzaam beschermen van flora en fauna. Het ideaalbeeld wordt bereikt wanneer de drie thema's in combinatie met elkaar zonder problemen van toepassing kunnen zijn op natuurgebieden.
Voor ieder definitief aangewezen Natura 2000-gebied dient een beheersplan opgesteld te worden met een looptijd van zes jaar. Een dergelijk beheersplan wordt opgesteld in goed overleg met eigenaren, beheerders en betrokken overheden (met name gemeenten, waterschappen en provincies). Het plan geeft weer wat er moet gebeuren om de gestelde doelen te bereiken en wie daarvoor verantwoordelijk is. Gemeenten zijn verplicht om beheersplannen ten aanzien van Natura 2000-gebieden door te laten werken in het betreffende bestemmingsplan, indien een dergelijk gebied (gedeeltelijk) binnen het plangebied valt.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied Maasduinen en ligt op 750 meter van het plangebied. Maasduinen maakt onderdeel uit van het rivierduinencomplex ten oosten van de Maas, tussen de plaatsen Gennep en Venlo. Het gebied kent een rijke afwisseling van bossen, droge en natte heiden, veentjes, vennen en stuifzanden. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen.
Op ongeveer 3 kilometer ten noordoosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen. Dit gebied is gelegen in een binnenbocht van het riviertje de Niers. Het is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met in hoge mate natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Ook zijn een tweetal kleine heideperceeltjes aanwezig. Het zuidelijk deel van het gebied, direct grenzend aan de Niers, bestaat voornamelijk uit soortenrijk stroomdalgrasland met plantengemeenschappen die karakteristiek zijn voor rivierduinen.
Ligging Natura 2000-gebied
In paragraaf 5.1.2 wordt nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling ten aanzien van dit Natura 2000-gebied.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal OmgevingsPlan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.
In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De belangrijke principes in het limburgs omgevingsbeleid zijn:
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Zonering POL 2014
Het plangebied ligt binnen het landelijk gebied en valt binnen de zone 'buitengebied'. Dit zijn alle andere gronden in het landelijk gebied die niet in een andere zone zijn gelegen, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De accenten liggen hier bij de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw, het terugdringen van de milieubelasting vanuit landbouw en kwaliteit en functioneren van de ondergrond.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Het agrarisch bedrijf heeft binnen de zone 'buitengebied' de ruimte om zich door te ontwikkelen op een nieuwe bedrijfslocatie. Het planvoornemen past binnen de accenten van het van het POL 2014. In onderhavige toelichting bij het bestemmingsplan wordt onderbouwd dat het bedrijf geen extra milieubelasting met zich meebrengt en zorg draagt voor de kwaliteit voor het functioneren van de ondergrond.
Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.
De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. Nu, in 2014, wordt de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.
Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Met dit planvoornemen wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Toetsing aan de duurzaamheidsladder is niet noodzakelijk.
Zoals in paragraaf 2.3.1 al is gesteld ligt het plangebied binnen het landelijk gebied en valt binnen de zone 'buitengebied'. Voor deze zone gelden vanuit de omgevingsverordening geen specifieke regels die door dienen te werken in bestemmingsplannen.
Het plangebied ligt wel in zone veehouderij en Natura 2000, maar hier is geen sprake van een ontwikkeling met een veehouderij. Vanuit de omgevingsverordening volgen voor dit aspect dan ook geen nadere regels.
Op grond van de Omgevingsverordening Limburg geldt voor het plangebied de 'normering regionale waterlast' met een normering van 1:25. Dit houdt in dat de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht op deze normering. Het is aan de beheerder van de regionale wateren om te zorgen dat deze wateren aan de normering voldoen. De beheerder brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. Het waterschap Peel en Maasvallei is beheerder van deze regionale wateren.
Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen beperkingen oplegt aan de realisatie van de carpoolplaats.
De gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar hebben samen een Strategische Regiovisie ontwikkelt (vastgesteld door de Stuurgroep Visie op 24 februari 2010) om te bepalen waarin de gemeenten de komende tijd gaan investeren. Met deze strategische regiovisie willen deze gemeenten de regio beter tot haar recht laten komen en een bestendig perspectief voor het geheel garanderen. Hierin zijn wensen en ambities geformuleerd in zeven programma’s en met twee sleutelprojecten is aangegeven welke ontwikkelingen met voorrang ter hand genomen worden. Hiermee is een kwaliteitsslag te bereiken die nodig is om de leefbaarheid te vergroten en de achterstand op het omliggende gebied te verkleinen.
Daarbij is gekozen voor een ontwikkelingsmodel met een onderscheidend profiel dat complementair is aan de stedelijke regio’s in de nabije omgeving: in het noorden Arnhem/Nijmegen en in het zuiden Venlo. Van de groei van beide stedelijke regio's kan worden geprofiteerd, maar dan wél op de eigen manier, namelijk kleinschalig en duurzaam. De inzet is om in de regio een ‘center of excellence’ neer te zetten, met als steekwoorden: puur, authentiek, gastvrij en met respect voor de natuur en het landschap.
De regio heeft een aantal kwaliteiten die versterkt kunnen worden. Hierin wordt een viertal dragende functies onderscheiden waarop de hoofdprogramma’s worden ingezet om de kwaliteitssprong te maken, te weten: wonen, zorg, recreatie en toerisme en landbouw.
De focus met betrekking tot ‘landbouw’ ligt op ‘investeren in een duurzame landbouw’. Uitblinken in landbouw in combinatie met maatschappelijke taken zoals zorg, toerisme, natuur en regionale voedselproductie. Daarmee is de regio complementair aan de stedelijke regio’s, en draagt bij aan het instand houden van de diversiteit van het landschap en aan de lokale economie.
Het planvoornemen sluit aan bij de strategische visie op het gebied van landbouw, aangezien met het planvoornemen de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk wordt gemaakt, waardoor enerzijds het bedrijf kan blijven voortbestaan en anderzijds er ruimte wordt gecreëerd op de oude locatie voor uitbreiding van het bedrijventerrein De Brem. Daarmee wordt de economische positie van de regio kracht bij gezet.
Het Landschapsontwikkelingsplan (april 2009) geeft de visie van de gemeente Mook en Middelaar en de gemeente Gennep op het landschap, de bestaande kwaliteiten en de gewenste ontwikkelingen. Het Landschapsontwikkelingsplan geldt als een belangrijk hulpmiddel voor het garanderen en verbeteren van de kwaliteit van het landschap.
Aan de basis van de visie voor het landschapsontwikkelingsplan liggen de volgende twee doelstellingen:
Vervlechten waar het kan en scheiden waar het moet is een afweging die de gemeente steeds weer opnieuw moet maken, bij ieder initiatief of iedere ontwikkeling in het buitengebied. Het versterken van contrasten van hoog tot laag komt in de visie ondermeer tot uiting in de markante aardkundige overgangen maar ook in de herkenbare identiteit van ieder deelgebied afzonderlijk.
Uit visiekaart volgt dat het plangebied ligt in het deelgebied 'Rivierduinen'. De rivierduinen maken in eerste instantie een besloten indruk; de randgebieden zijn veelal bebost met zowel naaldhout (grove den) als met loofhout (eiken). Door de ontwikkeling van kernduingebieden zijn de natuurwaarden, de aardkundige waarden en de cultuurhistorische waarden van de rivierduinen beter beschermd. In de kernduingebieden is het beheer gericht op de bevordering van heide en zandverstuivingen. De randzones van de duinen bieden meer ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen en initiatieven.
Aan de gronden van het plangebied zijn geen specifieke waarden en ontwikkelingsdoelstellingen zijn gegeven. Dit lijkt een logisch gevolg van de ligging van het plangebied ingeklemd tussen de Rijksweg A77, de Rijksweg N271 en de Hommersumseweg. Het vestigen van een grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse doet geen afbreuk aan de waarden en doelstellingen die in de visie zijn verwoord voor het deelgebied 'Rivierduinen'.
Ingeklemd tussen de (op- en afrit van de) Rijksweg A77, de N271, de Hommersumseweg en Brem liggen de kadastrale percelen H 241 en H 242. Beide percelen hebben een oppervlakte van respectievelijk 18.905 m2 en 24.864 m2. Het plangebied beslaat uit deze beide percelen. De gronden zijn ontsloten via de Hommersumseweg aan de noordoostelijke zijde van de percelen.
Luchtfoto percelen H 241 en H 242
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied onbebouwd. De gronden zijn momenteel al in eigendom bij de heer Willems en worden ingezet voor akkerbouwdoeleinden. Het bedrijf van de heer Willems is momenteel nog gevestigd aan de Langeven 8, circa 400 meter ten oosten van het plangebied, net ten zuiden van de Rijksweg A77.
Vanaf de afrit van de Rijksweg A77 is er vrij uitzicht over de percelen. Hier bevindt zich geen opgaande beplanting. Dit in tegenstelling tot de noordelijke perceelsrand langs de Hommersumseweg waar in een dubbele rij hoog opgaande beplating de Hommersumseweg begeleid vanaf de perceelsontsluiting tot aan het viaduct over de N271. Aan de westelijke rand langs de N271 is een enkele boom of struik aanwezig, maar kan verder ook vrij uitgekeken worden over de betreffende percelen.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden.
Ten behoeve van de bedrijfsvoering ter plaatse wordt voorzien in een bedrijfsloods met een oppervlakte van 1.000 m2. In de loods komt een kleine koelcel op de geoogste producten optimaal te kunnen verwerken en conditioneren.
Naast de bedrijfsloods wordt tevens ruimte gereserveerd voor niet-permanente tunnelkassen met een oppervlakte van 600 m2. Binnen het bouwvlak wordt circa 300 m2 erfverharding aangebracht.
Bij het bedrijf wordt ook een nieuwe bedrijfswoning gebouwd. Deze woning wordt gesitueerd aan de Hommersumseweg. Deze locatie komt enerzijds voort uit de goede ontsluitingsmogelijkheid van het perceel via de Hommersumseweg en anderzijds door de geluidsbelasting van de omliggende wegen.
Schematische indeling bouwplan
Het toekomstige teeltplan zal bestaan uit ongeveer 1,5 hectare snijheesters en 20 hectare akkerbouw. Een deel van de snijheesters zal in de tunnelkas worden geteeld. De snijheesters worden voor het grootste gedeelte verhandeld via de veiling. De akkerbouwteelt richt zich op sperziebonen, suikerbieten en snijmais.
Verkeer en parkeren
De ontsluiting van het bedrijf vindt plaats via de Hommersumseweg. Via de Hommersumseweg is de kern Heijen te bereiken, van waaruit het hoofdwegennet bereikbaar is. Een ontsluiting van de Hommersumseweg op de N271 of de A77 is niet realistisch. Het omliggende wegennet kan de verkeersaantrekkende werking in het gebied (met name door bezoekers van het recreatiepark) prima aan. De extra verkeersbewegingen die de vestiging van het bedrijf genereert is verhoudingsgewijs beperkt.
Voor het parkeren geldt het basisprincipe dat op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Gelet op de omvang van het bedrijfsperceel en de ruimte daarbinnen kan de parkeervraag volledig worden afgewikkeld op eigen terrein.
Landschappelijke inpassing
Als onderdeel van onderhavige bestemmingswijziging dient deze ‘nieuwe’ woning met bijbehorende gronden (perceel 1.000 m2) landschappelijk ingepast te worden. Om de landschappelijke inpassing te kunnen bepalen heeft een inventarisatie plaats gevonden van de aanwezige beplanting. Op basis daarvan is bekeken wat wenselijk is om te behouden en waar dit in de vorm van de landschappelijke inpassing van het woonperceel aangevuld c.q. versterkt kan worden. Dit heeft geresulteerd in onderstaande landschappelijke inpassing. In Bijlage 1 is het volledige landschappelijk inpassingsplan opgenomen.
Landschappelijke inpassing agrarische bedrijfsperceel Hummersumseweg ong.
Het nieuwe agrarische bedrijfsperceel wordt omzoomd door bosschages. Deze zorgen, gezien vanaf de rijksweg A77, voor coulissen in het landschap en vormen tevens een corridor voor deze rijksweg. Aansluitend hierop is er voor gekozen om het agrarische bedrijfsperceel aan de oost- en zuidzijde landschappelijk in te passen c.q. af te schermen door middel van een groensingel met een breedte van ongeveer 10 meter. Deze groensingel moet hetzelfde karakter krijgen als de bosschages in de omgeving, zodat daarmee het beeld eenduidig blijft gezien vanaf de rijksweg.
Aan de west- en noordzijde wordt de landschappelijke inpassing vorm gegeven door een (beuken)haag in combinatie met een sloot/greppel. Er is bewust voor gekozen om de groensingel/bosschage hier niet op vergelijkbare wijze door te zetten. Dit omdat het agrarische bedrijf zijn agrarische bedrijfsactiviteiten op de aansluitende gronden aan deze zijde heeft. Door een doorgang/ontsluiting in het verlengde van de beoogde loods te maken is sprake van een directe relatie met de aansluitende agrarische gronden. De (beuken)haag krijgt hier wel de nodige omvang qua breedte en hoogte zodat de achterliggende loods en teeltondersteunende voorzieningen in voldoende mate aan het zicht onttrokken worden. De combinatie van de afstand tot de provinciale weg N271 en de afschermende bestaande beplanting (bosschage) aan de Hummersumseweg draagt hiervoor zorg. De sloot/greppel heeft naast een 'cosmetische functie' ook de functie voor de opvang van het hemelwater van het verhard oppervlak.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Gennep is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen.
De voorgenomen activiteiten ter plaatse kunnen via een tweetal sporen leiden tot de plicht tot het uitvoeren van milieueffectrapportage (m.e.r.). Het eerste spoor is via de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Het nieuwe Besluit m.e.r. is op 1 april 2011 in werking getreden. Een milieueffectrapportage is bij dit spoor verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen.
Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Dit betreffen geen activiteiten die voorkomen op de C- en D-lijst in bijlage II van het Besluit milieueffectrapportage.
Het tweede spoor op basis waarvan de plicht tot het uitvoeren van milieueffectrapportage (m.e.r.) aanwezig kan zijn is via de Natuurbeschermingswet en de Wet Milieubeheer. Indien niet (op voorhand) kan worden uitgesloten dat de voorgenomen activiteit significant negatieve effecten heeft op een Natura 2000-gebied, dient een zogenaamde passende beoordeling te worden uitgevoerd. Dit leidt automatisch ook tot de verplichting een m.e.r.-procedure te doorlopen, waarvan de passende beoordeling (of de conclusies ervan) onderdeel uitmaakt.
In paragraaf 2.2.3 is al benoemd dat in de omgeving van het plangebied de twee Natura 2000-gebieden Maasduinen (690 m) en Zeldersche Driessen (ca. 3 km) aanwezig zijn.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden.
Aangenomen wordt dat de verplaatsing van het bedrijf niet leidt tot een verhoging van emissie van schadelijke stoffen (bij de teelt van snijheesters wordt gebruik gemaakt van onverwarmde tunnelkassen) op de Natura 2000-gebieden. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen ligt een groot bosgebied. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied Maasduinen ligt de Rijksweg A77. De verkeersbewegingen en het geluid afkomstig van het verkeer van deze weg fungeren als buffer tegen verstoring van werkzaamheden in het plangebied. Bovendien vormt zich in de toekomst een extra buffer wanneer het bedrijventerrein De Brem wordt gerealiseerd. In het kader van de planvorming van dit bedrijventerrein is geconcludeerd dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein geen significante nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Maasduinen zal hebben. Hieruit kan geconcludeerd worden dat gelet op de aard en schaal van onderhavig planvoornemen ook geen sprake zal zijn van nadelige effecten op het Natura 2000-gebied Maasduinen.
De verplaatsing van het bedrijf zal, gelet op de afstand en de aard van de verstoring, naar verwachting geen verstorend effect hebben op de Natura 2000-gebieden en geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.
In verband met de herontwikkeling van het plangebied, waarbij op onbebouwde agrarische gronden een bouwvlak wordt gerealiseerd ten behoeve van een gemengd agrarisch bedrijf met bedrijfswoning, is het noodzakelijk onderzoek te doen naar de bodemkwaliteit.
Historisch bodemonderzoek 2011
In het kader van de haalbaarheidsanalyse voor de bedrijfsverplaatsing van het bedrijf van de heer Willems naar onderhavig plangebied (Arcadis, kenmerk 075152297.A.1, 2 november 2011) is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hiermee is inzicht verkregen in de mogelijke bedrijfsactiviteiten en de hieraan gerelateerde risicovolle locaties die in het verleden hebben plaatsgevonden en/of nog steeds plaatsvinden in het plangebied. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken.
De gronden zijn in het verleden altijd in gebruik geweest als landbouwgrond en sinds mei 2005 eigendom van het bedrijf van de heer Willems. Op de percelen worden landbouwplanten verbouwd. Naar weten heeft tijdens het gebruik van de gronden geen opslag van chemische vloeistoffen plaatsgevonden en is geen gebroken puin of ander (mogelijk asbesthoudend) afval gestort of verwerkt op de gronden. Er bevinden zich ter plaatse geen ondergrondse of bodemgrondse tanks en naar weten zijn ook nooit tanks verwijderd dan wel onklaar gemaakt. Uit contact met de gemeente is gebleken dat er binnen de gemeente voor het plangebied geen bodemonderzoeken bekend zijn en geen milieuvergunningen zijn afgegeven. Bij de gemeente is tevens geen informatie bekend over het eventueel verwijderen van ondergrondse tanks.
In het kader van de milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn geen beperkingen aangetroffen voor het verplaatsen van het bedrijf naar onderhavig plangebied.
Bodemkwaliteit anno 2015
Geconstateerd is dat in de tijd na voornoemd onderzoek zich geen veranderingen op het perceel en in de bodem ter plaatse van het plangebied hebben voorgedaan. Het gebruik betreft een voortzetting van het destijds reeds bestaande gebruik. De verwachting is daarmee dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit onveranderd is gebleven ten opzichte van de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek in 2011. Er is geen aanleiding alsnog een verkennend onderzoek uit te voeren. Volledigheidshalve wordt vermeldt dat in het kader van de vergunningverlening (omgevingsvergunning activiteit bouwen) wel een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd.
Conclusie
Op grond van het verkennend bodemonderzoek wordt vastgesteld dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmeringen vormt voor het planvoornemen.
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald welke wegen zoneplichtig zijn en welke omvang een zone van de betreffende weg heeft.
Het planvoornemen maakt een geluidsgevoelige object (bedrijfswoning) mogelijk binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Rijksweg A77, Provinciale weg Rijksweg N271, Hommersumseweg en de Brem (geluidsbron).
Door Windmill Milieu, Management en Advies is akoestisch onderzoek (rapportnummer P2015.087-01.02, 18 augustus 2015) uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Hommersumseweg, de Brem als de Provinciale weg Rijksweg N271 bedraagt na aftrek artikel 110g Wet geluidhinder ten hoogste 46 dB (ten gevolge van Hommersumseweg). De voorkeursgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd.
De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Rijksweg A77 bedraagt ten hoogste 49 dB na aftrek van de correctie zoals bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. Echter aan de maximale ontheffingswaarde (58 dB) wordt wel voldaan. Eventuele maatregelen stuiten op overwegende bezwaren of zijn niet realistisch danwel niet wenselijk. De gemeente wordt verzocht om een hogere grenswaarde te verlenen overeenkomstig de rekenresultaten van voorliggend onderzoek.
De cumulatieve geluidbelasting, exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder, ten gevolge van alle wegen (zoneplichtig en niet zoneplichtig) in de directe omgeving van het plangebied, bedraagt ten hoogste 53 dB. Conform het Bouwbesluit 2012 dient bij het realiseren van de woning de gevels wel een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (GA;k) te hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft.
Na het verlenen van een hogere waarde voor de van toepassing zijnde woningen vormt het aspect geluid vanwege de omliggende wegen geen belemmering voor de realisatie van het plan. Aangezien bij het bepalen van de geluidsbelasting op de woning rekening is gehouden met de afschermende werking van het op te richten bedrijfsgebouw is door middel van een voorwaardelijke bepaling in de regels geborgd dat de woning niet in gebruik wordt genomen alvorens het bedrijfsgebouw is gebouwd.
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het planvoornemen, mits door de gemeente een hogere waarde geluid wordt vastgesteld voor de bedrijfswoning vanwege de geluidbelasting van de Rijksweg A77.
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen.
In het kader van de ruimtelijke ordening is het van belang vast te stellen wat de lokale luchtkwaliteit is en in welke mate de emissies ten gevolge van het plan invloed hebben op de lokale luchtkwaliteit. Door Windmill Milieu, Management en Advies (notitie P2015.087-2, 20 mei 2015) is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. De volledige notitie is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt het volgende.
Op basis van de Wet milieubeheer gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigende componenten zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen en zwevende deeltjes (PM10).
De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. De grenswaarden gelden niet op arbeidsplaatsen als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Bij wijziging van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 met ingang van 19 december 2008 gelden de grenswaarden ook niet meer op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek en waar geen vaste bewoning is, evenals op de rijbaan van wegen of voor voetgangers niet toegankelijke middenbermen.
In het licht van een goede ruimtelijke ordening kan voor wat betreft luchtkwaliteit verder worden gekeken dan de juridische verplichtingen op basis van de Wet milieubeheer. De handreiking bij de Wet milieubeheer geeft bijvoorbeeld aan dat het “Besluit gevoelige bestemmingen” nadere regels stelt die verplicht nageleefd moeten worden en geen vervanging is van het principe 'goede ruimtelijke ordening'. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal afgewogen moeten worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
De grenswaarden voor de luchtkwaliteiteisen voor PM10, PM2,5 en NO2 zoals opgenomen in de Wet milieubeheer zijn in onderstaande tabel weergegeven.
NSL
Omdat Nederland niet op tijd aan de Europese luchtkwaliteitsnormen kan voldoen is een nationaal programma opgesteld. Met ingang van 1 augustus 2009 is het “Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit” (NSL) van kracht. Het NSL is van kracht voor 5 jaar, van 2009 tot 2014, waarna indien nodig een nieuw NSL vastgesteld kan worden. Het NSL liep 1 augustus 2014 af en is bij besluit verlengd tot 31 december 2016. In dit NSL zijn alle ‘grote’ projecten en te nemen maatregelen opgenomen die een significante invloed hebben op de luchtkwaliteit. Alle ontwikkelingen die buiten de omvang van het NSL vallen, hoeven niet meer individueel getoetst te worden aan de normering voor luchtkwaliteit. Dit houdt in dat voor 95% van de bouwprojecten geen beoordeling op het gebied van luchtkwaliteit meer hoeft te worden opgenomen in ruimtelijke onderbouwingen. Hiertoe is het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” en de hierbij horende Regeling vastgesteld).
De grotere projecten, de zogenaamde IB of IBM (In Betekenende Mate) projecten, zijn de voornaamste bronnen van verslechtering van luchtkwaliteit. Hier tegenover worden verscheidene maatregelen op Rijks, Provinciaal en Gemeentelijk niveau vastgesteld, zoals onder andere het toepassen van roetfilters in dieselmotoren. Op deze wijze wordt een balans opgesteld tussen projecten met slechte invloed aan de ene zijde, en maatregelen met positieve invloed aan de andere zijde. Hierbij wordt jaarlijks door middel van een Monitoringsrapportage in de gaten gehouden dat de positieve zijde groter is dan de negatieve zijde en worden de plannen zo nodig bijgesteld om het beoogde effect te behalen. Nederland heeft door dit programma uitstel gekregen van Europa om aan de immissie-eisen te voldoen. Nederland moet sinds juni 2011 aan de norm voor fijn stof (PM10) voldoen en op 1 januari 2015 aan de norm voor stikstofdioxide (NO2).
Een hortensiakwekerij is niet opgenomen als één van de projecten uit het NSL.
NIBM
Op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer is het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” van kracht. In dit besluit wordt geregeld welke nieuwe ontwikkelingen van een dermate beperkte omvang zijn dat de invloed van deze plannen op de lokale luchtkwaliteit niet meer individueel getoetst hoeft te worden. Als norm is hierbij aangehouden dat plannen waarvan de invloed op de lokale luchtkwaliteit minder is dan 3% van de grenswaarde voor PM10 en NO2 als niet significant worden aangemerkt. Dergelijke plannen worden niet relevant geacht voor de lokale luchtkwaliteit.
Op basis van artikel 4 van het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” is een ministeriële regeling van kracht geworden (“Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen”). In deze regeling wordt een aantal ontwikkelingen genoemd die in elk geval als “niet in betekenende mate” kunnen worden aangemerkt. Voor de in de regeling benoemde ontwikkelingen hoeft ten behoeve van een planrealisatie geen luchtkwaliteitsberekening meer te hoeven worden uitgevoerd.
Een hortensiakwekerij valt onder subcategorie a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt (bijlage 1a voorschrift 1A.1 lid a) van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen). Omdat de inrichting daarmee per definitie NIBM is, is verdere toetsing aan wettelijke grenswaarden niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit staat daarmee de voorgenomen bedrijfsvestiging niet in de weg.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Het bedrijf zelf vormt met zijn bedrijfsactiviteiten geen risicovolle inrichting.
Op basis van de risicokaart Limburg is inzichtelijk gemaakt welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden.
Uitsnede risicokaart bij plangebied
Risicovolle inrichtingen
In de nabijheid van het plangebied bevinden zicht een aantal risicovolle inrichtingen. Het gaat hierbij om:
Transportassen
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt onder meer plaats via wegen, spoorwegen en vaarwegen. Op 1 april 2015 is een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Ook wel aangeduid als Wet Basisnet), het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet in werking getreden, waarmee het ruimtelijk toetsingskader voor ontwikkelingen langs transportroutes is gewijzigd.
Voor basisnetroutes is de PR-contour af te leiden uit de bijlagen bij de Regeling Basisnet. Deze contour wordt ook wel aangeduid als 'basisnetafstand'. Het geldt ook als een plafond. In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is ook geborgd dat deze waarde niet mag worden overschreden, maar dat is voor toetsing in het kader van de goede ruimtelijke ordening minder van belang.
Uit de risicokaart volgt dat gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de Rijkswegen A77. Volgens de Eindrapportage Basisnet Weg en de Regeling Basisnet is de veiligheidszone voor de A77 0 meter (plafond PR) en is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het plafond voor het GR ligt op 82 meter uit het midden van de middenberm.
Wat betreft het groepsrisico kan voor onderhavig planvoornemen worden gesteld dat met de bedrijfsverplaatsing van de Langeven 8 naar het onderhavige plangebied, beide gelegen langs de A77 geen extra mensen in het gebied worden toegelaten. Er is enkel sprake van een verplaatsing, waarmee het aantal mensen binnen het invloedsgebied niet wordt vergroot. In onderhavige situatie ligt een deel van het bedrijfsperceel aan de Hommersumseweg binnen de GR-contour van 82 meter, maar dit betreft niet de bedrijfsloods en de bedrijfswoning.
Over de N271 vindt volgens de risicokaart ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6/jaar contour ligt op 0 meter uit de weg. Met betrekking tot het GR geldt een verantwoordingsplicht wanneer het plangebied binnen het invloedsgebied van 200 meter valt. Het onderhavige plangebied ligt op ruim 250 meter van de N271, waardoor het plangebied niet is gelegen binnen de PR-contour en het invloedsgebied voor het groepsrisico. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.
Buisleidingen
In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die van invloed kunnen zijn op het plangebied.
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen die het planvoornemen niet mogelijk maken.
Bij de ontwikkeling van nieuwe functies dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven en inrichtingen om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort en soort inrichting aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden.
Bij het realiseren van nieuwe bestemmingen wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol:
1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Het planvoornemen betreft de vestiging van een grondgebonden gemengd agrarisch bedrijf met akkerbouw en het kweken van snijheesters. Tevens wordt een bedrijfswoning bij dit bedrijf opgericht. Vanuit milieuzonering dient het planvoornemen tweeledig te worden bezien. Het agrarisch bedrijf vormt namelijk een milieubelastende functie voor zijn omgeving. Daarnaast is de op te richten bedrijfswoning aan te merken als milieugevoelige functie.
Externe werking
Voor een akkerbouwbedrijf is de grootste indicatieve richtafstand 30 meter op basis van geluid. Voor het kweken van heesters, dat is te scharen onder de boomteelt, is geen indicatieve richtafstand opgenomen in de VNG-lijst van bedrijfsactiviteiten.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf aan de Hommersumseweg 33. De afstand van het plangebied tot deze woning bedraagt meer dan 70 meter. Daarmee wordt voldaan aan voornoemde richtafstand. Voor het vestigen van het akkerbouwbedrijf zijn er dan ook geen belemmeringen.
Interne werking
Binnen het plangebied wordt ook een bedrijfswoning gerealiseerd. Deze bedrijfswoning vormt een milieugevoelige functie ten opzichte van omliggende bedrijven. In de omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijven aanwezig.
Aan de Hommersumseweg 33 is een champignonkwekerij gevestigd. Voor algemene champignonkwekerijen geeft de VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter aan. Deze richtafstand wordt gehaald, omdat de afstand tot het plangebied 65 meter bedraagt.
De bedrijfsbestemming op het perceel Hommersumseweg 37 maakt niet-agrarische bedrijven mogelijk die gericht zijn op het houden, verzorgen of voortbrengen van dieren of gewassen (binnen categorie 1 en 2 van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering). Ter plaatse is een hoefsmederij gevestigd. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een grootste indicatieve richtafstand van 30 meter. De afstand van dit bedrijf tot het plangebied bedraagt 85 meter. Geconcludeerd wordt dat aan de betreffende richtafstand wordt voldaan.
Aan de Hommersumseweg 43 is het bungalowpark Het Heijderbos gelegen. Op basis van de VNG-publicatie is een bungalowpark te scharen onder vakantiecentra. De richtafstand bedraagt 50 meter op basis van geluid. De afstand van het bungalowpark tot het plangebied is op de kortste afstand 50 meter (tussen grens bestemmingsvlak 'Agrarisch' en bebouwingsgrens bungalows op het bungalowpark). De richtafstand wordt daarmee behaald.
Het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein De Brem ten zuiden van de Rijksweg A77 ligt op ruim voldoende afstand van het plangebied om hierop van invloed te kunnen zijn. Op het bedrijventerrein worden maximaal bedrijven in milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt een grootste indicatieve richtafstand van 100 meter tot milieugevoelige functies. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 240 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan.
Conclusie
Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat aan alle relevante richtafstanden tot omliggende bedrijven wordt voldaan. Vanuit milieuzonering zijn dan ook geen belemmeringen aanwezig voor het realiseren van het planvoornemen.
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector).
Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben.
Het bedrijventerrein De Grens ligt 380 meter ter zuiden van het plangebied. Hier is bedrijvigheid toegestaan tot en met milieucategorie 4.2. Op grond van de VNG-publicatie hoort bij bedrijven in milieucategorie 4.2 een grootste indicatieve richtafstand van 300 meter. De afstand tussen het plangebied en het bedrijventerrein bedraagt 380 meter. Op basis van deze afstand is te verwachten dat er vanuit het bedrijventerrein geen sprake is van industriële geurhinder voor het plangebied.
Ook agrarische geurhinder is niet aan de orde. Binnen of in de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig die geurhinder voor het plangebied tot het gevolg kunnen hebben.
Het planvoornemen ziet op de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw en kweken snijheesters) met bijbehorende bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen op momenteel onbebouwde agrarische gronden. Binnen het bedrijf worden geen geurhinderlijke bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Het bedrijf vormt daarmee zelf geen geurhinder voor de omgeving.
Vanuit het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet door het planvoornemen beperkt in de bedrijfsontwikkeling.
In of nabij het plangebied zijn verder geen kabels en leidingen gelegen die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen.
Rijkswaterstaat hanteert langs autosnelwegen het zogenaamde rooilijnenbeleid. Het rooilijnenbeleid bestaat uit de volgende twee delen:
Het rooilijnenbeleid is ingevoerd met het oog op onder andere ruimte voor beheer en onderhoud, voor toekomstige uitbreidingen, leidingstroken, voor verkeersveiligheid en beperking milieuhygiënische hinder en voor externe veiligheid. De bouwplannen worden getoetst op onder andere geluidsoverlast, externe veiligheid, afleidende verlichting en reclame voor de weggebruiker.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied Gennep' is deze zonering opgenomen. Binnen een zone van 50 meter uit de weg geldt een bouwverbod. Tussen 50 en 100 meter is bebouwing pas toegestaan na positief advies van de wegbeheerder.
De bedrijfswoning en garage zijn buiten de vrijwaringszone van de rijksweg gesitueerd. Een deel van de bedrijfsbebouwing zal binnen de 50 tot 100 meter zone worden gebouwd. Over het realiseren van de bedrijfsbebouwing binnen de overlegzone is met Rijkswaterstaat in overleg getreden. Uit dit overleg is naar voren gekomen dat over het algemeen medewerking wordt verleend aan een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling, mits de ontwikkeling niet verkeersafleidend is.
Ten aanzien van de realisatie van teeltondersteunende voorzieningen is aangegeven dat ook medewerking kan worden verleend, omdat dit qua aard ondergeschikte bouwwerken betreffen.
De huidige planologische regeling met twee vrijwaringszones is in onderhavig bestemmingsplan overgenomen om zodoende ook voor toekomstige ontwikkelingen de regeling van toepassing te laten zijn.
Conclusie
Vanuit de overige zoneringen, in onderhavige situatie het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat langs autosnelwegen, zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In paragraaf 2.2.3 is hier reeds aandacht aan besteed.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het besluitgebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Flora- en faunawet (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend.
De Flora- en faunawet deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie (EL&I) vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.
Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora- en faunawet centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Door Econsultancy is een quickscan flora en fauna op het perceel uitgevoerd (rapportnummer 15031239D2, 16 april 2015). Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.
Gebiedsbescherming
In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen grens van een Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 750 meter ten zuidoosten van het plangebied. Het betreft een bosrand behorende bij het Natura 2000-gebied de Maasduinen. Het plangebied is verder niet gelegen in de nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Beschermd Natuurmonument buiten een Natura 2000-gebied.
De komst van een niet vee gerelateerd agrarisch bedrijf in het plangebied betreft een verplaatsing van een reeds bestaand agrarisch bedrijf binnen de gemeente Gennep. Ondanks de beperkte afstand zal de verplaatsing van het betreffende agrarische bedrijf geen extern negatief effect hebben op de doelsoorten en de habitattypen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied de Maasduinen. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt niet noodzakelijk geacht.
Het plangebied maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstrucutuur (EHS). De meest nabijgelegen EHS-onderdelen bevindt zich op circa 165 meter ten zuiden en 215 meter ten noordwesten van het plangebied.
Doordat de omgevingscondities ten aanzien van de EHS in de toekomstige situatie niet essentieel zullen wijzigen ten opzichte van de huidige situatie, zullen door de voorgenomen plannen in het plangebied de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de EHS wordt niet noodzakelijk geacht.
Ligging plangebied ten opzichte van de Ecologische Hoofdstructuur
De onderzoekslocatie is eveneens niet gelegen binnen de Provinciale Ontwikkelingszone Groen van de provincie Limburg. Aantasting van de POG is dan ook niet aan de orde. De POG is overigens op grond van het POL2014 overgegaan in de bronsgroene zone. Voor het POL2014 wordt verwezen naar paragraaf 2.3.1.
Soortenbescherming
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in navolgende tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Overzicht geschikheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Conclusie
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Met betrekking tot het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen.
Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Tevens is er geen sprake van het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen. Met betrekking tot beschermde gebieden worden eveneens geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen.
Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden. Teneinde de archeologische verwachting in beeld te brengen is het gemeentelijk archeologisch beleid geraadpleegd.
Op grond van de archeologische beleidskaart van de gemeente Gennep ligt het plangebied in het gebied met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Hier geldt voor ingrepen groter dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht. Dit is vastgelegd door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
Archeologische beleidskaart
Op basis van de archeologische beleidskaart en regeling in het bestemmingsplan geldt voor het planvoornemen een onderzoeksplicht, aangezien de bodemingreep groter is dan 2.500 m2.
Vanwege de voorgenomen ingreep en de onderzoeksplicht is door Econsultancy archeelogisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek (rapportnummer 15031238, 16 april 2015) uitgevoerd in het plangebied. Het volledige onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.
Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Vanwege de mogelijke ligging van een voormalige restgeul van de Maas in het gebied iets ten zuiden van het plangebied, bevindt het plangebied zich mogelijk in een voor jagers-verzamelaars aantrekkelijke gradiëntsituatie. De verwachting voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum is daarom middelhoog. De ligging van het plangebied op een relatief goed ontwaterd Maasterras maakt het vanwege de goede ontwatering ook een gunstige vestigingslocatie voor landbouwers. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is daarom hoog.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
Op basis van de grotendeels onverstoorde bodemprofielen die in het plangebied zijn aangetroffen blijft de gespecificeerde verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek gehandhaafd. Op basis van het behoud van een middelhoge tot hoge verwachting blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.
Selectieadvies
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om de oostelijke helft van het plangebied waar de nieuwbouw zal worden gerealiseerd nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Voor de westelijke helft van het plangebied, waarvoor momenteel nog geen bouwplannen zijn opgesteld, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen.
Conclusie
Het voorgaande is geborgd in het plan door het opnemen van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Gezien de daaraan verbonden regels dient in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader onderzoek plaats te vinden en kan niet worden gebouwd dan nadat is aangetoond dat geen verstoring van archeologische waarden plaatsvindt. Zo nodig kunnen aan de vergunning voorwaarden worden verbonden.
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied en directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden in het geding komen. Het planvoornemen is niet van invloed op deze cultuurhistorische waarde.
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als waterparagraaf worden beschouwd.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders.
Waterschap Peel en Maasvallei
Het plan ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Peel en Maasvallei. In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.
Vanuit het waterschap gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
Het waterschap hanteert de algemene regel dat voor compenserende waterhuiskundige maatregelen bij de afkoppeling van hemelwater geen vergunning op grond van de Keur nodig is, wanneer het aan te brengen verhard oppervlak niet meer bedraagt dan 2.000 m2 in stedelijk gebied en niet meer dan 5.000 m2 in overige gebieden.
Wanneer het nodig is een watervoorziening aan te leggen, dan zal de voorziening afgestemd moeten zijn op de kenmerken van de ondergrond. Als er goed kan worden geïnfiltreerd heeft een infiltratievoorziening de voorkeur. Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddeld hoogste grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, beveelt het waterschap aan om een opvang voor het regenwater te realiseren die langzaam leegloopt (dynamische buffer) naar het oppervlaktewater.
Als de constructie een noodoverloop heeft op het riool, gelden voor de bergingscapaciteit van de voorziening de eisen van de gemeente (vaak afhankelijk van de capaciteit van het riool). Voor een infiltratievoorziening met overloop op eigen terrein adviseert het waterschap de voorziening te dimensioneren op basis van de T=10mm-kaarten van de gemeente. En 84 mm moet op eigen terrein kunnen worden geborgen. Een infiltratievoorziening met overloop op openwater moet voldoen aan de eisen van het waterschap: boven de infiltratie voorziening moet een dynamische buffer gerealiseerd worden waarin een bui van 50 mm (T=10) kan worden geborgen. Daarboven vraagt het waterschap een waakhoogte van ongeveer 0,5 meter te hanteren.
Gemeentelijk rioleringsplan 2009-2013
In het Waterplan is onder andere beschreven welke doelen de gemeente met betrekking tot riolering, regen- en grondwater heeft gesteld om te komen tot een duurzaam watersysteem. De gemeente heeft hierbij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor stedelijk afvalwater, afvloeiend regenwater en grondwater. Om deze zorgplichten goed in te vullen heeft de gemeente een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) voor de periode 2009 tot 2013 opgesteld. Op 1 december 2008 heeft de gemeenteraad het GRP vastgesteld. Voor elke zorgplicht zijn in het GRP doelstellingen vastgelegd:
In de tevens in het GRP beschreven strategie is bepaald hoe met de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen moet worden omgegaan, om de hierboven beschreven doelstellingen te bereiken. Het hemelwater wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Hieraan stelt de gemeente de volgende voor het plangebied relevante eisen:
In het kader van het plan is het aspect waterhuishouding bekeken. In de huidige situatie is sprake van agrarische grond waarop akkerbouw wordt gepleegd. De gronden zijn niet verhard. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat is opgenomen in de legger van het waterschap. Wel ligt er langs de op- en afrit van de A77 een afwateringssloot. Ook langs de N271 ter hoogte van het plangebied is een sloot aanwezig.
Het maaiveld loopt af van circa 14,5 meter +NAP aan de westzijde van het plangebied naar 13,9 meter +NAP aan de oostzijde.
Op de bodemkaart van Nederland (kaartblad 26 west/oost Vierlingsbeek) staan voor het plangebied Ooivaaggronden gekarteerd. Deze rivierafzettingen bestaan grotendeels uit lichte zavel. In bestaande boringen ten westen en zuiden van het plangebied (TNO, dinoloket) wordt een afwisseling van zand, leem en veenlagen aangetroffen in de bovengrond. De bodemdoorlatendheid van de bovengrond is hierdoor beperkt en de anistropie hoog. Dit wordt bevestigd door de kaart van de bodemdoorlatendheid in de gemeente Gennep van waterschap Peel en Maasvallei. Op deze kaart staat binnen de plangrenzen een redelijk slecht doorlatende grond (doorlatendheid 0,15-0,45 m/dag) en hoge anisotropie (klasse 2) gekarteerd.
Aan de westzijde van het gebied begint het beter doorlatende 1e watervoerende pakket op ca. 2,5 meter onder maaiveld, terwijl aan de oostzijde de diepte van de slecht doorlatende laag toeneemt tot 4 meter onder maaiveld. Boven de slechtdoorlatende laag is aan deze zijde een matig doorlatende deklaag aanwezig (Regis II, TNO).
Op de bodemkaart van Nederland staat voor het plangebied grondwatertrap VII* gekarteerd. Grondwatertrap VII* betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich meer dan 80 cm onder maaiveld bevindt en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 160 cm. Grondwatertrap VII* betreft de drogere delen van de grondwatertrap VII. Er is sprake van een goede ontwatering.
Met het planvoornemen voor het vestigen van het grondgebonden agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfsvoorzieningen, neem de verharding in het plangebied toe.
Naar schatting zal er een toename van verhard oppervlakte zijn van 2.217 m2. Doordat de locatie niet is gelegen in stedelijk gebied is op grond van de Keur geen vergunning nodig voor compenserende maatregelen.
Op grond van de gemeentelijke uitgangspunten dient op eigen terrein te worden voorzien in een infiltratievoorziening op basis van een bui T=100 (84 mm). Dit betekent dat de infiltratievoorziening een capaciteit moet hebben van 186,23 m3 (2.217 x 0,084).
Door middel van het aanleggen van sloot ten westen van het bouwperceel kan het hemelwater geborgen worden op eigen terrein. De ligging en de uitvoering van deze sloot zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (zie Bijlage 1).
Deze sloot zal over een lengte van 100 meter en met een breedte van 3 meter worden gerealiseerd. Met een diepte van 1 meter betekent dit dat ter plaatse 200 m3 water geborgen kan worden. Daarmee kan de benodigde bergingscapaciteit voor een bui T=100 behaald worden en is er nog enige reserve aanwezig, zodat het niet nodig is een overstort te realiseren op omliggende bermsloten. Gelet op de bodemopbouw is het aannemelijk dat de sloot binnen 24 uur beschikbaar kan zijn voor een nieuwe bui.
Ontwatering
Voor bedrijven en woningen geldt een minimale ontwatering van 0,7 meter boven de GHG. Op basis van de beschikbare gegevens (bodemkaart van Nederland) wordt aangenomen dat de ontwatering binnen het plangebied voldoende is voor de geplande ontwikkeling. Om wateroverlast bij woningen te voorkomen bij extreme neerslaggebeurtenissen (T=100) wordt geadviseerd het bouwpeil van de bebouwing minimaal 0,2 meter hoger aan te leggen dan het straatniveau.
Waterkwaliteit
Uit waterkwaliteitsoverwegingen worden geen uitlogende (bouw)materialen (zinken dakgoten en loodslabben).
Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het nieuwe verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld. De noodzakelijke voorzieningen hiervoor kunnen gezien de omvang van het bouwperceel op eigen terrein gerealiseerd worden. Sprake is van hydrologisch neutraal bouwen.
Een viertal zaken bepalen de opzet en inrichting van de bijbehorende bestemmingsplanregels:
De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden.
Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullende, inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.
In de verbeelding van het plan zijn aangegeven:
De regels zijn als volgt opgebouwd:
Allereerst zijn de inleidende regels opgenomen: de begripsbepalingen en de regels omtrent de wijze van meten. Vervolgens zijn artikelen van de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bevatten de specifieke regels voor de betreffende bestemming. Daarna volgen de algemene regels. Dit is een aantal regels van een algemeen en administratief karakter, welke onontbeerlijk zijn voor een bestemmingsplan. Het betreft hier de anti-dubbeltelregel, algemene regels met betrekking tot bouwen, gebruik, (gebieds)aanduidingen, ontheffing, wijziging, procedure en overige regels. Tot slot de regels met betrekking tot overgangsrecht en de slotregel.
Bij de aanwijzing van de afzonderlijke bestemmingen is steeds dezelfde structuur gekozen, en wel de volgende:
Binnen het plangebied zal sprake zijn van één enkelbestemming, te weten de bestemming 'Agrarisch'.
Daarnaast is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
Binnen het plangebied zijn tevens de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen:
De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien:
De ontwikkeling van de bedrijfsverplaatsing betreft een particulier initiatief. De met de daadwerkelijke realisatie gepaarde kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Dit geldt eveneens voor bijkomende kosten, zoals voor de aansluiting op de nutsvoorzieningen. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Gennep is een anterieure overeenkomst afgesloten is vastgelegd dat de kosten voor de realisatie van het planvoornemen en eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komen.
De gemeenteraad hoeft niet over te gaan tot vaststelling van een exploitatieplan bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.
Het planvoornemen voorziet in het planologisch en juridisch mogelijk maken van gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de realisatie van grondgebonden agrarisch bedrijf met bedrijfswoning en bedrijfsvoorzieningen. Het bedrijf wordt gevestigd op gronden die reeds agrarisch in gebruik zijn, in een gebied waar weinig belendende woon- en/of bedrijfsfuncties aanwezig zijn.
Gezien het feit dat het bedrijf ingepast wordt in de bestaande ruimtelijk structuur en mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
a. Ontwerp:
Publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro
Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad
b. Vaststelling:
Vaststelling door de Raad
Mogelijkheid reactieve aanwijzing
Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn
c. Inwerkingtreding:
Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)
d. Beroep:
Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Het concept-ontwerp bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening voor advies toegezonden aan Rijkswaterstaat, de Provincie Limburg en Waterschap Peel en Maasvallei. Rijkswaterstaat heeft laten weten te kunnen instemmen het plan, dat deels is gelegen binnen de vrijwaringszones van de Rijksweg A77. De provincie en het waterschap hebben geen aanleiding gezien inhoudelijke opmerkingen te maken ten aanzien van het plan.
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft met ingang van 11 juni 2015 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende die periode is één zienswijze ingediend, die is samengevat en van commentaar is voorzien in het als bijlage bij deze toelichting opgenomen zienswijzenrapport. De zienswijze heeft niet geleid tot een wijziging van het plan.
Wel zijn er een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan: