Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M [Beltweg 11]
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0893.TOP25008H22MBE11-VA01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie 'Beltweg 11' en is als nieuw hoofdstuk (22M) opgenomen in het 'omgevingsplan gemeente Bergen (L)'. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk (22M) van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '(22M)' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22M' gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.
 
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat (vangnetbepaling)
De regels in afdeling 22.2 van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit Omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
1.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan
De regels van dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M [Beltweg 11], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25008H22MBE11-VA01
  
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
2.1 van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.
 
2.2 aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.108 gehanteerd;
 
2.3 plan
het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22M [Beltweg 11] met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25008H22MBE11-VA01
van de gemeente Bergen (L.)
 
2.4 TAM-omgevingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
 
2.5 omgevingsplan gemeente Bergen (L)
omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;
 
2.6 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.7 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.8 aan-huis-verbonden bedrijf
het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.9 aan-huis-verbonden-beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.
 
2.10 afhankelijke woonruimte
een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is.
 
2.11 agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
gemengd agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf met activiteiten die door de aard functioneel aan het buitengebied gebonden zijn, of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied, zoals een agrarisch technisch hulpbedrijf, gebruiksgerichte paardenhouderij en recreatieve activiteit.
 
2.12 ammoniakemissie van een dierenverblijf
de ammoniakemissie van een dierenverblijf bepaald op basis van diercategorieën en dieraantallen, huisvestingssystemen, additionele technieken, emissiereducerende technieken en voer- en managementmaatregelen.
 
2.13 ammoniakemissie van een veehouderijlocatie
de som van de ammoniakemissie van alle bij een veehouderij-inrichting behorende dierenverblijven.
 
2.14 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).
 
2.15 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
2.16 bed & breakfast
het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies met ontbijt, in het hoofdgebouw of in één van de bestaande bijbehorende bouwwerken.
 
2.17 bedrijf:
elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze regels eveneens als bedrijf aangemerkt.
 
2.18 bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten;
 
2.19 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de functie, noodzakelijk is.
 
2.20 bestaand
  • bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of omgevingsvergunning;
  • gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
 
2.21 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
   
2.22 bijbehorende voorziening
zaken ter ondersteuning van een adequate bedrijfsvoering, zoals een mestbe- en verwerkingsinstallatie voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, luchtwassers, wasplaatsen, weg- en waterbouwkundige voorzieningen danwel energievoorzieningen.
 
2.23 boerderijwinkel
een winkel bij een agrarisch bedrijf, waar eigen geproduceerde agrarische producten worden verkocht.
 
2.24 boogkas
een constructie van metaal of een ander materiaal met een hoogte van maximaal 4 m, dat met plastic of in gebruik daarmee overeenkomend materiaal is afgedekt ter vervroeging of verlenging van het teeltseizoen van tuinbouw- of fruitteeltproducten. Onder een boogkas wordt tevens een draagluchthal verstaan.
 
2.25 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
2.26 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
2.27 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd en dat een oppervlakte beslaat van meer dan 50% van het grondvlak van het hoofdgebouw, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
 
2.28 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.29 bouwperceelsgrens
een grens van een bouwperceel.
 
2.30 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
2.31 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
2.32 chalet
een onderkomen met een lichte constructie welke niet vast op/in de grond gefundeerd is, in zijn geheel of enkele delen kan worden verplaatst en niet als stacaravan aangemerkt kan worden.
 
2.33 containervelden
werk niet zijnde bouwwerk bestaande uit grond afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
 
2.34 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan:
  • de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving;
  • de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarden.
 
2.35 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.36 dierenverblijf
gebouw of overkapping waarbinnen of waaronder landbouwhuisdieren worden gehouden, inclusief daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers.
 
2.37 energieopwekking voor eigen gebruik
het opwekken van duurzame energie teneinde (geheel of gedeeltelijk) te kunnen voorzien in het energieverbruik van de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten van het ter plaatste gevestigde huishouden c.q. bedrijf.
 
2.38 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan deze activiteiten niet verbiedt.
 
2.39 erf- en terreinafscheiding met een open constructie (niet zijnde gaasnet hekwerk)
een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft.
 
2.40 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.41 gebruiksgerichte paardenhouderij
het houden van paarden en pony´s ten behoeve van het gebruiken van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges.
 
2.42 groenvoorziening
ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren.
 
2.43 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
een agrarische bedrijfsvoering waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij of een vollegronds tuinbouwbedrijf.
 
2.44 herbouw
het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan bebouwing van dezelfde bestemming als de op te richten bebouwing aanwezig was.
 
2.45 hobbymatig houden van dieren
het niet bedrijfsmatig houden van dieren in een vorm die niet is gericht op productie en dus ook niet op economisch gewin, maar die plaatsvindt voor educatieve of recreatieve doeleinden of uit liefhebberij.
 
2.46 hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
 
2.47 horecabedrijf
een bedrijf of paracommerciële instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. Bij horecabedrijven wordt gebruik gemaakt van een categorie indeling. Categorie 1 is de lichtste categorie (verstrekken kleine etenswaren), categorie 5 is de zwaarste categorie (hotel). De categorieënindeling ziet er als volgt uit:
 
categorie 1:
horeca activiteiten, die qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen of verbreding van agrarische bedrijfsvoering en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en alleen alcoholvrije drank worden verstrekt.
 
categorie 2:
een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaken, lunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum en eetwinkels. In hoofdzaak wordt hier alcoholvrije drank verstrekt.
 
categorie 3:
een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar en restaurant.
 
categorie 4:
een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en andere kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek / dancing, nachtcafé en een zalencentrum (met nachtvergunning).
 
categorie 5:
een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. Daaronder worden begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesvertrekken.
 
2.48 houtsingel
cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding.
 
2.49 houtwal
cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit een wallichaam van enkele meters breed voorzien van een inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding.
 
2.50 huishouden
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.
   
2.51 hydrologisch neutrale ontwikkeling
ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie. Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt.
 
2.52 inpassingsplan
een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden.
 
2.53 intensieve veehouderij
het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, stieren voor roodvleesproductie, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders.
 
2.54 kampeermiddel
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, een chalet of een trekkershut, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
2.55 kampeerterrein
een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen.
 
2.56 karakteristiek
herkenbaar, markant, wegens schoonheid en/of cultuurhistorische en/of architectonische waarde van belang.
 
2.57 kas
een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen evenals in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen. Schuurkassen en boogkassen hoger dan 4 m worden beschouwd als een kas.
 
2.58 laanbeplanting
een eenzijdige, tweezijdige en soms dubbele rijbeplanting van opgaande bomen langs een weg; bijna altijd uniform qua soort en leeftijd.
 
2.59 landbouwhuisdier
zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
 
2.60 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk gevel deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen.
 
2.61 landschappelijke inpassing
inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.
 
2.62 mestbassin
een reservoir of een aarden put bekleed met folie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest.
 
2.63 mestbe- en/of verwerkingsbedrijf
een bedrijf waar de uit milieuhygiënisch oogpunt ongewenste overschotten aan dierlijke mest verwerkt worden tot een aanvaardbaar, transporteerbaar en verkoopbaar bemestingsartikel, bijvoorbeeld in korrelvorm. Ten behoeve van de mestbewerking worden diverse technieken gebruikt.
 
2.64 mestbewerking
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding.
 
2.65 mestverwerking
behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen, zoals mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten.
 
2.66 mestsilo
een bouwwerk dat is bestemd voor de opslag van dunne dierlijke meststoffen.
 
2.67 milieucategorie
een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.
 
2.68 milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd.
 
2.69 natuurlijke waarden
waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied.
 
2.70 opslag
het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel.
 
2.71 onderbouw
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven straatpeil is gelegen.
 
2.72 ondergeschikte horeca
horeca die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het functiesplan toegestane hoofdfunctie.
 
2.73 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden.
 
2.74 onderkomens
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.
 
2.75 oude akkers
agrarische gronden, tenminste sedert de middeleeuwen in gebruik als akker, zowel in combinatie als grote velden of als kleinere kampen; altijd gelegen op de drogere en van nature meest voedselrijke grond.
 
2.76 overkapping
een overig bouwwerk omsloten door maximaal drie wanden waarvan maximaal één eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.
 
2.77 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
2.78 paardenbak
een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden.
 
2.79 pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
 
2.80 paracommerciële instelling
niet-commerciëeel ‘rechtspersoon’ zoals stichtingen of verenigingen die zich in de eerste plaats richten op het stimuleren van activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Horeca-activiteiten behoren dus niet tot hoofdactiviteiten.
 
2.81 peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg;
  2. voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'peil': de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zoals aangegeven door middel van de aanduiding 'peil';
  3. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  4. voor stacaravans: de bovenzijde beganegrondvloer.
 
2.82 permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf.
 
2.83 pension
een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant.
 
2.84 plattelandswinkel
winkel waarin verkoop plaatsvindt van agrarische producten die ter plekke of in de directe omgeving van de plattelandswinkel vervaardigd of bewerkt worden.
 
2.85 plattelandswoning
een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorend agrarisch bedrijf; e.e.a. zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor 'gebouwen met een voormalige functionele binding'.
 
2.86 productiegerichte paardenhouderij
het houden van paarden en pony´s ten behoeve van het produceren van deze dieren, geschikt voor bepaalde taken zoals hengstenstations, opfokbedrijven, handelsstallen en africht- en trainingsstallen.
 
2.87 reëel agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf dat nu of op redelijke termijn voldoende werk en inkomen kan opleveren voor één volwaardige arbeidskracht die in duurzaam hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden.
 
2.88 schuilgelegenheid
een overdekte ruimte die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn.
 
2.89 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.90 stacaravan
een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken.
 
2.91 standplaats
onder een standplaats wordt verstaan:
vaste standplaats:
een plaats die op een vaste dag in de week, vaste dagen in de week, of de gehele week zijn aangewezen voor het innemen gedurende het hele jaar. De frequentie van het aantal dagen in de week is ondergeschikt, maar kent wel een minimum van één volledige dag.
incidentele standplaats:
een plaats op een locatie die voor een vooraf bepaalde duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar op één of meerdere dagen, maximaal 6 aaneengesloten, in de week wordt ingenomen.
  
2.92 standplaats voor kampeermiddel
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.
  
2.93 stedenbouwkundig beeld
het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.
 
2.94 stedenbouwkundige waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw).
 
2.95 teeltondersteunende voorzieningen
voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan.
 
2.96 terras (horeca categorie 1)
een ruimte in de open lucht, behorende bij de hoofdfunctie, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding kleinere etenswaren en alcoholvrije drank wordt verstrekt.
 
2.97 terras (horeca categorie 2, 3 en 5)
een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
 
2.98 tijdelijke teeltondersteunende voorziening
teeltondersteunende voorzieningen welke zo lang als de teelt dit vereist aanwezig zijn, met een maximum van zes maanden per jaar.
 
2.99 trekkershut
een houten blokhut die periodiek dient als recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.
 
2.100 tuin
niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen.
 
2.101 veehouderij
een agrarisch bedrijf waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt door het houden van landbouwhuisdieren;
 
2.102 voorgevel
  1. de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw;
  2. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel: de naar de weg gekeerde gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
  3. met dien verstande dat in afwijking van het voorgaande onder a en b, de gevel ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn', de betreffende gevel als voorgevel wordt aangemerkt.
 
2.103 voorgevelrooilijn
de denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs de voorgevel van het hoofdgebouw.
 
2.104 waterbassin
een voorziening, al dan niet een bouwwerk zijnde, ten behoeve van de opslag of buffering van water.
 
2.105 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten.
 
2.106 wonen
het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
 
2.107 woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
 
2.108 woonwagen
een voor bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
3.1 Meetbepalingen
In aanvulling op en, indien van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Bergen, gelden de meetbepalingen van Artikel 3:
 
3.2 Afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
3.3 Bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.4 Bouwhoogte van een windmolen
  • horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de ‘straal’ (=diameter x 0,5) van de rotor.
  • verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte.
Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein.
 
3.5 Dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.6 Goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.7 Lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren).
 
3.8 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.9 Oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.10 Ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt. 
 
2 Specifieke regels over functies
   
Artikel 4 Agrarisch
 
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25008H22MBE11-VA01
is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch.
 
4.2 Functieomschrijving
4.2.1 Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies:
  1. reële agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen, waarbij geldt dat:
    1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' een intensieve veehouderij is toegestaan;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘veehouderij uitgesloten’ geen veehouderij is toegestaan;
  2. agrarisch grondgebruik;
  3. beweiden van grasland;
  4. teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn;
  5. een boerderijwinkel;
  6. bedrijfswoningen met bijbehorend erf en tuin;
  7. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen;
  8. aan-huis-verbonden bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen;
  9. ondergeschikte horeca;
  10. extensief (dag)recreatief medegebruik;
  11. groenvoorzieningen en water;
  12. paden en wegen;
  13. waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
4.2.2 Nadere detaillering
a Boerderijwinkel
Het maximum oppervlak van een boerderijwinkel als bedoeld in artikel 4.2 onder e bedraagt 30 m2.
 
b Aan-huis-verbonden-bedrijf
  1. Een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 4.2 onder h is een bedrijf uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 aan de regels is toegevoegd;
  2. Het maximum oppervlak van een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 4.2 onder h bedraagt 60 m2 en dient qua aard en uitstraling ondergeschikt te zijn aan het agrarische bedrijf.
 
c Ondergeschikte horeca
Ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 4.2 onder i is horeca uit categorie 1 tot een oppervlak van maximaal 30 m2, alsmede een terras tot een oppervlak van maximaal 30 m2;
 
d. Erf
Ter plaatse van de aanduiding 'erf' zijn de in lid 4.2 bedoelde gronden tevens bestemd voor bedrijfsactiviteiten van de (agrarische) bedrijven en nevenactiviteiten die op grond van lid 4.2 zijn toegelaten binnen het bouwvlak waaraan de aanduiding 'erf' grenst, waaronder in ieder geval wordt verstaan opslag ten dienste van die bedrijven en nevenactiviteiten.
    
4.3 Gebruiksactiviteit
 
4.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:
  1. niet ten dienste staat van de in artikel 4.2.1 genoemde functies van de gronden; en
  2. niet in overeenstemming is met de in artikel 4.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
 
4.4 Bouwactiviteit
4.4.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2.
 
4.4.2 Beoordelingsregels
a. Bouwwerken buiten het bouwvlak – gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan.
 
b. Bouwwerken buiten het bouwvlak – bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, gelden de volgende regels:
  1. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden zijn niet toegestaan;
  2. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak;
  3. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen of hekwerken bedraagt 1,5 m met dien verstande dat erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie;
  4. de maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
c. Bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen ten dienste van agrarische bedrijven gelden de volgende regels:
  1. de goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  2. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 13 m;
  3. gebouwen moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15o;
 
d. Bedrijfswoning binnen het bouwvlak
  1. er is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. de voorgevel van de bedrijfswoning moet in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  3. in geval van herbouw dient het aantal woningen gelijk te blijven en dient de bedrijfswoning op de bestaande locatie terug gebouwd te worden.
  4. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  5. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  6. een bedrijfswoning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15o;
  7. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 800 m3, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds groter is in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt;
  8. in afwijking van het bepaalde onder g geldt de inhoudslimiet van 800 m3 niet voor langgevelboerderijen en voor cultuurhistorisch en/ of architectonisch waardevolle bebouwing die qua bouwmassa één geheel vormt met het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bedrijfsruimten bij de woning mogen worden getrokken, waarbij het aantal woningen gelijk dient te blijven.
 
e. Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning binnen het bouwvlak
  1. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, mag niet meer bedragen dan 125 m2, tenzij de bestaande oppervlakte van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken reeds groter is in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald onder a, niet meer bedragen dan 30 m2;
  3. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden opgericht;
  4. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  5. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  6. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15o.
 
f. Veldschuren, melkstallen en veegeleidingen buiten het bouwvlak
  1. de oppervlakte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m2 per agrarisch bedrijf;
  2. de afstand van de bouwwerken tot de gronden met de functie 'Verkeer' dient ten minste 25 m te bedragen in geval van provinciale wegen;
  3. de goothoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  4. de bouwhoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  5. de bouwwerken worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15o.
 
g. Silo's en platen binnen het bouwvlak
  1. mestsilo's, voersilo's, sleufsilo's en watersilo's, alsmede mest- en voerplaten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  2. de goothoogte van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 5 m;
  3. de doorsnee van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 27 m;
  4. de bouwhoogte van een voedersilo mag niet meer bedragen dan 12 m;
  5. de bouwhoogte van een sleufsilo mag niet meer bedragen dan 4 m.
  6. In afwijking van het vorenstaande zijn bestaande (mengvoer- maar ook overige) silo's en andere bouwwerken, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen, toegestaan indien die legaal zijn gerealiseerd.
 
h. Overige bouwwerken
  1. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden zijn niet toegestaan;
  2. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  3. binnen het bouwvlak en de aanduiding 'erf' mag de bouwhoogte van erfafscheidingen:
    1. voor de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 1 m;
    2. achter de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 2 m;
  4. buiten het bouwvlak en de aanduiding 'erf' mogen erfafscheidingen of hekwerken worden opgericht waarbij geldt dat:
    1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
    2. de erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie.
  5. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
4.4.3 Afwijken van de beoordelingsregels
a Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
  1. Het bevoegde gezag is bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 b onder b teneinde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, in de zin van bouwwerken, buiten het bouwvlak op te richten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. er is aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren binnen het bouwvlak';
    2. de voorzieningen uitsluitend aanwezig zijn zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden;
    3. de landschappelijke waarden, met name in de zin van de karakteristieke openheid van agrarisch gebied met weinig bebouwing, niet onevenredig mogen worden aangetast;
    4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    5. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
    6. de maximum bouwhoogte van boogkassen bedraagt 4 m.
  2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit Omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt die voor het bevoegd gezag noodzakelijk zijn om de beoordeling aan de voorwaarden van lid 1 te kunnen doen.
 
b. Aanduiding 'erf'
Het bevoegde gezag is bevoegd om ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 ten behoeve van het bouwen van bedrijfsgebouwen, silo's en platen en overige bouwwerken buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden dat:
  1. de situering van de bedrijfsgebouwen, silo's en platen en overige bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'erf' noodzakelijk is voor een doelmatige inrichting van het perceel ten behoeve van de bedrijfsvoering;
  2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
  3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  4. geen dierenverblijven worden gebouwd, uitgezonderd uitbreidingen van bestaande dierenverblijven, voor zover die niet worden gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren maar voor daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers.
  5. de bouwregels zoals genoemd in lid 4.4.2 voor het overige van toepassing zijn;
  6. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling;
 
c. Schuilgelegenheden
Het bevoegde gezag is bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 ten behoeve van het realiseren van schuilgelegenheden voor het uitsluitend hobbymatig houden van dieren in geval van natuurlijke weidegang buiten het bouwvlak en de aanduiding 'erf', onder de voorwaarden dat:
  1. de noodzaak van het realiseren van de schuilgelegenheid buiten het bouwvlak en de aanduiding 'erf' wordt aangetoond;
  2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
  3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  4. aansluiting wordt gezocht bij bestaande bebouwing (clustering), bestaande begroeiing of bestaande wegen en paden;
  5. schuilgelegenheden in elkaars directe omgeving dienen te worden geclusterd;
  6. omliggende waarden en functies niet onevenredig worden aangetast;
  7. de schuilgelegenheid wordt geplaatst op een stuk grond met een (aaneengesloten) oppervlakte van minimaal 2.000 m2, dat eenzelfde gebruik heeft en is omgeven door een duidelijk herkenbare grens in de vorm van heggen, afrasteringen of sloten e.d.;
  8. de bouwhoogte van een schuilgelegenheid niet meer mag bedragen dan 3 m;
  9. de schuilgelegenheid dient te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 15o dient te bedragen;
  10. de afstand van de schuilgelegenheid tot de gronden met de functie 'Verkeer' ten minste 25 m dient te bedragen in geval van provinciale wegen;
  11. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling;
  12. de oppervlakte van een schuilgelegenheid niet meer mag bedragen dan 36 m2.
 
d. Sleufsilo's
Het bevoegde gezag is bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 ten behoeve van het oprichten van sleufsilo's buiten het bouwvlak en de aanduiding 'erf', onder de voorwaarden dat:
  1. aangetoond is dat de sleufsilo's niet gerealiseerd kunnen worden binnen het bouwvlak of ter plaatse van de aanduiding 'erf';
  2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
  3. de sleufsilo's aansluitend aan het bouwvlak of de aanduiding 'erf' worden opgericht;
  4. de sleufsilo's niet voor (het verlengde) van de voorgevel opgericht worden;
  5. de sleufsilo's landschappelijk worden ingepast;
  6. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m;
  7. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
 
4.4.4 Maatwerkvoorschriften
Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.
 
4.5 Omgevingsplanactiviteit
4.5.1 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteiten
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
    1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan deze bedrijfsactiviteiten;
    2. het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten naast de agrarische bedrijfsfunctie, in de zin van een bed & breakfast of een plattelandswinkel.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden worden niet onevenredig worden aangetast;
    2. een en ander is uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar;
    3. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen;
    4. het betreft een nevenactiviteit bij een functionerend agrarisch bedrijf;
    5. er ontstaat geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
    6. de bedrijfsoppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale bedrijfsoppervlak van de bedrijfsgebouwen;
    7. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking;
    8. er wordt zorg gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    9. parkeren vindt op eigen terrein plaats;
    10. er vindt geen buitenopslag en/of buitenstalling plaats;
    11. voor bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:
      1. er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;
      2. er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;
      3. degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;
      4. het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;
      5. de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m2;
      6. de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of een bestaand bijbehorend bouwwerk.
    12. de verkoopvloeroppervlakte van een plattelandswinkel mag niet meer bedragen dan 200 m2.
 
4.5.2 Paardenbakken
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak.
2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
b. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
d. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
e. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
Ÿ de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
Ÿ afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
   
4.5.3 Ondergeschikte horeca
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het vergroten van de oppervlakte voor ondergeschikte horeca uit categorie 1 of voor het toestaan van ondergeschikte horeca uit categorie 2.
2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. het gebruik moet aanvaardbaar zijn vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk, milieuhygiënisch en cultuurhistorisch perspectief;
b. er mag geen beperking ontstaan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen;
c. degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de horeca uitoefent;
d. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking;
e. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
f. de bedrijfsoppervlakte die voor horeca wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak aan gebouwen, tot een maximum van 50 m2;
g. het gebruik van de grond (anders dan voor bebouwing) ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak van het perceel, tot een maximum van 50 m2.
 
4.6 Aanlegactiviteiten
4.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten buiten het bouwvlak uit te (laten) voeren:
a. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen;
b. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m2 per agrarisch bedrijfsperceel;
c. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwer-ken;
d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
e. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
f. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
 
4.6.2 Uitzondering vergunningplicht
Het bepaalde in lid 4.6.1 is niet van toepassing op:
a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
3.7.3 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien:
a. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied;
b. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn;
 
3 Algemene regels over functies
Artikel 5 Toepassingsbereik
 
De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25008H22MBE11-VA01
  
Artikel 6 Aanvraagvereisten
 
  1. 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. a. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    2. b. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  2. 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.
  
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Bouwactiviteit - algemeen
 
Ondergronds bouwen – algemeen
 
8.1.1 Ondergrondse werken en werkzaamheden
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
 
8.1.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw;
  2. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  3. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.
 
8.1.3 Afwijken
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in lid 8.1.2 onder c omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat:
  1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
 
8.2 Hydrologisch neutraal bouwen
Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening dient op eigen terrein plaats te vinden en in stand te worden gehouden.
 
8.3 Parkeren
8.3.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
  1. Indien uit het gebruik van een bouwwerk een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit kan alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) worden verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L).
 
8.3.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) te verlenen in afwijking van 8.3.1 indien:
  1. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of;
  2. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    2. de woon- en leefsituatie.
 
Artikel 9 Gebruiksactiviteit - algemeen
 
9.1 Verboden gebruik
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie, tenzij de gronden de bestemming 'Cultuur en Ontspanning - Seksinrichting' hebben;
  2. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop;
  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan;
  4. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  5. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  6. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  7. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan.
  8. het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horeca-activiteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie.
 
9.2 Landschappelijke inpassing (voorwaardelijke bepaling)
Voor de hierna genoemde locaties is het gebruik van de toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende omgevingsplan, zoals dat gold op de datum van het besluit over het inpassingsplan zoals opgenomen in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing en/of van sloop van bebouwing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: 
  1. De inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel en wordt vervolgens in stand gehouden;
  2. De sloop vindt plaats overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel.
 
Tabel landschappelijke inpassing
 
locatie/adres
datum wijzigingsbesluit omgevingsplan
inpassingsplan en/of sloopverplichting
dient te zijn gerealiseerd op
Beltweg 11, Siebengewald
15 september 2026
sloop en/of inpassing dient te geschieden overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 2
1 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan.
     
9.3 Akoestische maatregelen (voorwaardelijke bepaling)
Ter plaatse van de aanduiding ‘veehouderij uitgesloten’ is het gebruik van de aardappelloods voor de opslag, droging en koeling van aardappelen uitsluitend toegestaan indien:
  1. in de ventilatieoverhang van de aardappelloods geluiddempend materiaal is aangebracht en in stand wordt gehouden met een ten minste gelijkwaardige akoestische werking als Merfopol 40 mm, aangebracht over een oppervlak van ten minste 2 × 65 m². De voorziening moet zijn aangebracht voorafgaand aan de ingebruikname van de aardappelloods voor de opslag, droging en koeling van aardappelen en moet daarna blijvend in stand worden gehouden.
  2. Een andere geluidreducerende voorziening, als bedoeld in artikel 9.3 lid a, is uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de ingebruikname door middel van een akoestisch onderzoek, opgesteld door een deskundige, is aangetoond dat daarmee ten minste dezelfde geluidreductie wordt bereikt en wordt voldaan aan de geluidwaarden die ten grondslag liggen aan het akoestisch onderzoek van Embridge Nederland B.V., rapportnummer Bel.Sieb.25.AO-04, d.d. 8 april 2026.
  3. Uit een nader akoestisch onderzoek blijkt dat anderszins voldaan wordt aan de in hoofdstuk 5 berekende maximale geluidswaarden die ten grondslag liggen aan het akoestisch onderzoek van Embridge Nederland B.V. d.d. 8 april 2026.
Artikel 10 Afwijken - algemeen
 
10.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot:
  1. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de regels, en toestaan dat het locatievlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m;
  3. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw;
  4. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van overige bouwwerken wordt vergroot:
    1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 65 m boven NAP, onder de voorwaarden dat:
      • deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse;
    2. ten behoeve van speelvoorzieningen, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 10 m;
    3. ten behoeve van de bouw van andere overige bouwwerken tot 8 m;
  5. de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel locatievlakken of functievlakken indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
  6. het gebruiken van bouwwerken en gronden, waarop krachtens de regels van dit bestemmingsplan niet mag worden gebouwd, ten behoeve van de realisering van voorzieningen voor duurzame-energieopwekking, zoals passieve, actieve en fotovoltaïsche zonne-energie en kleinschalige windmolens, waarbij geldt dat:
    1. de energieopwekking voor eigen gebruik is;
    2. de voorzieningen voor duurzame-energieopwekking worden opgericht binnen een zone van maximaal 100 m aansluitend aan een agrarisch locatievlak dan wel het functievlak 'Bedrijf', 'Recreatie', 'Sport' of 'Wonen';
    3. de bouwhoogte van windmolens maximaal 15 m mag bedragen;
    4. de bouwhoogte van overige voorzieningen voor duurzame-energieopwekking maximaal 5 m mag bedragen;
    5. grondgebonden zonnepanelen uitsluitend zijn toestaan binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 3 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' danwel diens rechtsgeldige opvolger;
    6. windmolens dienen te worden uitgeschakeld bij een snelheid van < 6 m/s;
    7. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van de belangen van omwonenden;
    8. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van landschappelijke, natuurlijke en/ of cultuurhistorische waarden.
 
4 Overgangs- en slotregels
  
Artikel 11 Overgangsrecht
 
11.1 Overgangsrecht bouwwerken
11.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
 
11.1.2 Maatwerkvoorschrift
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 11.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 11.1.1 met maximaal 10%.
 
11.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in artikel 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.
 
11.2 Overgangsrecht gebruik
11.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
11.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
11.2.3 Onderbroken gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
11.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in artikel 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.