Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22J Elsteren 1a Well’
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01
1 Inleidende bepalingen (paragraaf 22J.1)
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1 Omgevingsplan Bergen
Dit plan wijzigt het Omgevingsplan Bergen (L) in die zin dat na hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) [een hoofdstuk 22J] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22J] van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22J.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22J.] gelezen worden.
 
1.2 Tijdelijk deel omgevingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 1.4.
 
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat (vangnetbepaling)
De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit hoofdstuk 22J van het Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Elsteren 1a te Well van het omgevingsplan TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22J Elsteren 1a Well’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Artikel 1.1 van het Omgevingsplan Bergen is overeenkomstig van toepassing voor dit hoofdstuk 22J. In aanvulling dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22J de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.
 
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.80 gehanteerd.
 
2.3 plan
Het TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22J Elsteren 1a Well’ van de gemeente Bergen.
 
2.4 TAM-Omgevingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
2.5 Omgevingsplan gemeente Bergen (L)
Omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
 
2.6 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.7 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.8 aangebouwd bijbehorend bouwwerk
een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
2.9 aan-huis-verbonden bedrijf
het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.10 aan-huis-verbonden-beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.
 
2.11 afhankelijke woonruimte
een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is.
 
2.12 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).
 
2.13 archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden).
 
2.14 archeologisch onderzoek
een onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, werkend volgens de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA). Een archeologisch onderzoek is slechts afgerond zodra een archeologisch rapport ter goedkeuring aan de gemeente kan worden overlegd.
 
2.15 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  
2.16 bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak, aanduidingsvlak of functievlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd door gebouwen en overkappingen.
 
2.17 bestaand
  1. v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of vergunning;
  2. v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
 
2.18 functiegrens
de grens van een functievlak.
 
2.19 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
 
2.20 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
 
2.21 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
2.22 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
2.23 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd en dat een oppervlakte beslaat van meer dan 50% van het grondvlak van het hoofdgebouw, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
 
2.24 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.25 bouwperceelsgrens
een grens van een bouwperceel.
 
2.26 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
2.27 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
2.28 chalet
een onderkomen met een lichte constructie welke niet vast op/in de grond gefundeerd is, in zijn geheel of enkele delen kan worden verplaatst en niet als stacaravan aangemerkt kan worden.
 
2.29 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan:
  1. de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving;
  2. de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarden.
 
2.30 dagrecreatieve voorzieningen
voorzieningen ten behoeve van ontspanning in de vorm van sport, spel en verblijf, zonder dat daarbij sprake is van overnachting.
 
2.31 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.32 energieopwekking voor eigen gebruik
Het opwekken van duurzame energie teneinde (geheel of gedeeltelijk te kunnen voorzien in het energieverbruik van de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten van het ter plaatse gevestigde huishouden c.q. bedrijf.
 
2.33 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan deze inrichting niet verbiedt.
 
2.34 erf- en terreinafscheiding met een open constructie (niet zijnde gaasnet hekwerk)
een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft.
 
2.35 extensief recreatief medegebruik
recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, zoals wandelen, vissen en fietsen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, bankjes, of een loopbrug.
 
2.36 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.37 gevellijn
de op de verbeelding aangegeven lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gebouwd die niet door gebouwen mag worden overschreden behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen.
 
2.38 groenvoorziening
ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren.
 
2.39 herbouw
het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp-TAM-omgevingsplan bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was.
 
2.40 hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
 
2.41 houtsingel
cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding.
 
2.42 houtwal
cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit een wallichaam van enkele meters breed voorzien van een inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding.
 
2.43 huishouden
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.
 
2.44 hydrologisch neutrale ontwikkeling
ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie. Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt.
 
2.45 inrichtingsplan
een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden.
 
2.46 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen
voorzieningen ten behoeve van wandelen, fietsen, vissen, kanoën en natuurobservatie in de vorm van aanlegsteigers, picknickplaatsen, informatieborden en banken.
 
2.47 kunstwerk
Een overig bouwwerk ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.
 
2.48 kwaliteitscommissie
De commissie (of diens opvolger) belast met de advisering van het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van (bouw-)activiteiten en compensatie- maatregelen. Een en ander zoals vastgelegd in de Bouwverordening.
 
2.49 laanbeplanting
een eenzijdige, tweezijdige en soms dubbele rijbeplanting van opgaande bomen langs een weg; bijna altijd uniform qua soort en leeftijd.
 
2.50 landbouwhuisdieren
dieren die worden gehouden voor productiedoeleinden, bijvoorbeeld voor de productie van melk, vlees, wol, veren of eieren, of die worden gehouden in verband met het berijden ervan en waarvoor in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) emissiefactoren zijn vastgesteld.
 
2.51 landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk geval deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen.
 
2.52 landschappelijke inpassing
inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.
 
2.53 milieucategorie
een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.
 
2.54 milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd.
 
2.55 natuurlijke waarden
waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied.
 
2.56 nieuwbouw
het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp-TAM-omgevingsplan geen bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was.
 
2.57 opslag
het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel.
 
2.58 onderbouw
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven straatpeil is gelegen.
 
2.59 ondergronds bouwwerk
een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil.
 
2.60 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden.
 
2.61 onderkomens
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.
 
2.62 overkapping
een overig bouwwerk omsloten door maximaal drie wanden waarvan maximaal één eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.
 
2.63 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
2.64 paardenbak
een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden.
 
2.65 pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
 
2.66 peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg;
  2. voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘peil’: de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zoals aangegeven door middel van de aanduiding ‘peil’;
  3. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  4. voor stacaravans: de bovenzijde beganegrondvloer.
 
2.67 permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf.
 
2.68 ruimtelijke kwaliteitsverbetering
verbetering van de kwaliteit van het buitengebied als tegenprestatie voor een ruimtelijke ontwikkeling, die verder gaat dan een landschappelijke inpassing van die ruimtelijke ontwikkeling, door het treffen van fysieke maatregelen die de stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden van het buitengebied versterken, waaronder de aanleg van natuur, de aanleg of het herstel van landschapselementen, de renovatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, de sloop van bebouwing en het verwijderen van verharding.
 
2.69 schuilgelegenheid
een overdekte ruimte die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn.
 
2.70 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.71 stedenbouwkundig beeld
het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.
 
2.72 stedenbouwkundige waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw).
 
2.73 teeltondersteunende voorzieningen
voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan.
 
2.74 tijdelijke teeltondersteunende voorzienig
teeltondersteunende voorzieningen welke zo lang als de teelt dit vereist aanwezig zijn, met een maximum van zes maanden per jaar.
 
2.75 tuin
niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen.
 
2.76 voorgevel
de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw.
 
2.77 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten.
 
2.78 waterstaatkundige voorzieningen
werken, waaronder begrepen kunstwerken, die verband houden met de waterstaat, zoals dammen, dijken, sluizen, beschoeiingen, en remmingswerken.
 
2.79 wonen
Het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
 
2.80 woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
3.1 Meetbepalingen
In aanvulling op en, indien van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Bergen, gelden de meetbepalingen van Artikel 3:
 
3.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
    
3.3 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.4 bouwhoogte van een windmolen
  • horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de ‘straal’ (=diameter x 0,5) van de rotor.
  • verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte.
Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein.
 
3.5 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.6 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.7 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren).
 
3.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.9 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.10 ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
 
2 Specifieke regels over functies (paragraaf 22J.2)
   
Artikel 4 Agrarisch met waarden
 
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden.
 
4.2 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:
  1. behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  2. agrarisch grondgebruik;
  3. beweiden van grasland;
  4. extensief (dag)recreatief medegebruik;
  5. groenvoorzieningen en water;
  6. paden en wegen;
  7. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 2 bij deze regels opgenomen Kaart landschappelijke waarden.
 
4.3 Bouwactiviteit
4.3.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2.
 
4.3.2 Beoordelingsregels
a. Gebouwen
Ten aanzien van de in artikel 4.1 bedoelde gronden mogen geen gebouwen worden opgericht.
 
b. Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:
  1. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn niet toegestaan;
  2. erfafscheidingen of hekwerken mogen worden opgericht waarbij geldt dat:
    1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
    2. de erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie.
  3. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.
  4. het bouwen van grondgebonden zonnepanelen is niet toegestaan.
c. Paardenbakken
Paardenbakken zijn niet toegestaan.
 
4.3.3 Maatwerkvoorschrift
Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit.
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.
4.4 Specifieke functieregels
 
4.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing en sloop
De ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden zijn uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in bijlage 3 en de sloop van bebouwing overeenkomstig bijlage 4 bij deze regels plaatsvindt, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
  1. De sloop vindt plaats overeenkomstig de weergave van de te slopen bebouwing, zoals bij deze regels is gevoegd als bijlage 4, en dient binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan te hebben plaatsgevonden;
  2. De landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels is gevoegd als bijlage 3, en dient binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan te hebben plaatsgevonden.
4.5 Omgevingsplanactiviteit
 
4.5.1 Paardenbakken
Bevoegd gezag kan bij een vergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.3.2 c ten behoeve van het realiseren van een paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
  2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
  4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
4.6 Aanlegactiviteit
 
4.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 4.1 buiten het bouwvlak de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een vergunning:
  1. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  4. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwerken;
  5. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  6. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
4.6.2 Uitzondering vergunningplicht
Het in 4.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op:
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  4. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
4.6.3 Beoordelingsregels
Een vergunning als bedoeld in lid 4.6.1 wordt uitsluitend verleend indien:
  1. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied;
  2. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn;
  3. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 2 bij deze regels opgenomen Kaart Landschappelijke waarden. 
Artikel 5 Tuin
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin.
 
5.2 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin heeft de volgende functies:
  1. beplanting zoals gras, bloemen, struiken en bomen;
  2. paden en verhardingen;
  3. groenvoorzieningen en water.
5.3 Bouwactiviteit
 
5.3.1 Algemeen
Ten aanzien van de in artikel 5.1 bedoelde gronden mogen geen gebouwen en overige bouwwerken worden opgericht.
 
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.
 
6.2 Functieomschrijving
 
6.2.1 Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. aan-huis-verbonden bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking;
  3. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking;
  4. erven en tuinen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. groenvoorzieningen en water;
  7. paden en wegen.
6.2.2 Nadere detaillering
  1. Aan-huis-verbonden bedrijf
  2. Een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 6.2.1 onder b is een bedrijf uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 aan de regels is toegevoegd;
  3. Het maximum oppervlak van een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in artikel 6.2.1 onder b bedraagt 60 m2 en dient qua aard en uitstraling ondergeschikt te zijn aan het agrarische bedrijf.
6.3 Bouwactiviteit
 
6.3.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 6.2.
 
6.3.2 Beoordelingsregels
a. Woningen
Voor het bouwen van een woning gelden de volgende regels:
  1. per functievlak is maximaal één woning toegestaan;
  2. de inhoud van een woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 800 m3, tenzij de inhoud van de bestaande woning reeds groter is in welk geval de bestaande vergunde inhoud als maximum geldt;
  3. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  4. de bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  5. de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 5 m te bedragen;
  6. de woning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15o;
  7. in geval van herbouw dient het aantal woningen gelijk te blijven en dient de woning op dezelfde locatie terug gebouwd te worden.
  8. in geval van nieuwbouw dient de voorgevel van een woning te worden gebouwd in de gevellijn zoals weergegeven op de verbeelding.
b. Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 125 m² per functievlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken m2’ het aangegeven oppervlakte als maximum is toegestaan;
  2. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de gevellijn van de woning worden opgericht;
  3. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  4. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  5. de bijbehorende bouwwerken moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°.
  6. voor overkappingen gelden de volgende regels:
    1. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald onder a, niet meer bedragen dan 30 m2;
    2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 4 m.
c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de gevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de gevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. voor overkappingen gelden de regels zoals opgenomen in 6.3.2 b.
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet zijnde zonnepanelen, mag niet meer bedragen dan 5 m;
  5. het bouwen van zonnepanelen is niet toegestaan.
6.3.3 Maatwerkvoorschrift
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit.
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.
6.4 Afwijken van de beoordelingsregels
 
6.4.1 Vergroten woning en bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan bij vergunning afwijken van het bepaalde in 6.3.2 a en 6.3.2 b voor het vergroten van de inhoud van een woning en/of het vergroten van de toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, onder de voorwaarden dat:
  1. het functievlak met de functie 'Wonen' voor ten hoogste 20% wordt bebouwd, tot een absoluut maximum van 1.000 m2;
  2. de verruiming van de bouwmogelijkheden aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt;
  3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering die in verhouding staat tot de verruiming van de bouwmogelijkheden, waarvoor geldt dat:
    1. ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen;
    2. het inrichtingsplan dient te voldoen aan het keuzemenu voor ontwerpprincipes zoals opgenomen in de bijlage 5 bij deze regels;
    3. burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de Kwaliteitscommissie.
  4. de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd;
  5. de verruiming van de bouwmogelijkheden vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is.
  6. de verruiming van de bouwmogelijkheden niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  7. de natuurlijke waarden niet worden aangetast;
  8. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
6.4.2 Verplaatsing woning
Bevoegd gezag kan bij vergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.3.2 a onder g. voor het verplaatsen van de locatie van de woning bij herbouw, onder de voorwaarden dat:
  1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
  2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
  3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Omgevingswet.
6.4.3 Verkleining afstand zijdelingse perceelsgrens
Bevoegd gezag kan bij vergunning afwijken van het bepaalde in 6.3.1 a onder e. ten behoeve van het verkleinen van de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelsgrens tot maximaal 3 meter, onder voorwaarden dat:
  1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
  2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
  3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Omgevingswet.
6.4.4 Bouwen voor de voorgevelrooilijn
Bevoegd gezag bij vergunning afwijken van het bepaalde in 6.3.1 a onder h. ten behoeve van het bouwen van bijbehorende bouwwerken voor de voorgevelrooilijn, onder voorwaarden dat:
  1. Dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
  2. Dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
  3. Ten behoeve van de beoordeling van de stedenbouwkundige en planologische aanvaardbaarheid en landschappelijke waarde, advies kan worden ingewonnen bij de Kwaliteitscommissie;
  4. Er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  5. Voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Omgevingswet.
6.5 Omgevingsplanactiviteit
 
6.5.1 Paardenbakken
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
    2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
    3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
    4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
      1. de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
      2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
3 Algemene regels over functies (paragraaf 22J.3)
Artikel 7 Toepassingsbereik
 
De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01.
Artikel 8 Aanvraagvereisten
 
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    2. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.
 
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Bouwactiviteit - algemeen
 
10.1 Ondergronds bouwen – algemeen
 
10.1.1 Ondergrondse werken en werkzaamheden
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
 
10.1.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw;
  2. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  3. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.
10.1.3 Afwijken
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 10.1.2 onder c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat:
  1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
10.1.4 Zwembaden
Op een bouwperceel is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en van de achterste perceelsgrens;
  2. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
  3. de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 50 m² bedragen;
  4. de diepte van het zwembad bedraagt maximaal 3 meter onder peil.
10.2 Hydrologisch neutraal bouwen
Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening dient op eigen terrein plaats te vinden en in stand te worden gehouden.
 
10.3 Parkeren
10.3.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
  1. Indien uit het gebruik van een bouwwerk een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit kan alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) worden verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L).
10.3.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) te verlenen in afwijking van 10.3.1 indien:
  1. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of;
  2. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    2. de woon- en leefsituatie.
Artikel 11 Gebruiksactiviteit - algemeen
 
11.1 Verboden gebruik
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie;
  2. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop;
  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning of ligplaatsen voor vaartuigen als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan;
  4. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  5. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  6. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  7. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan;
  8. het houden van landbouwhuisdieren, al dan niet in dierenverblijven;
  9. het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horeca-activiteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie;
  10. het aanmeren van (plezier)vaartuigen.
Artikel 12 Afwijken - algemeen
 
12.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot:
  1. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de regels, en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m;
  3. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw;
  4. de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel bouwvlakken of functievlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
4 Regels ter bescherming van waarden en objecten (paragraaf 22J.4)
Artikel 13 Waarde – Archeologie 4
 
13.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
13.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 4.
 
13.3 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 4 heeft mede als functie het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
 
13.4 Bouwactiviteit
 
13.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit Omgevingsplan dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
  2. In afwijking van het gestelde onder 1 hoeft de aanvrager van een omgevingsvergunning geen rapport als bedoeld onder 1 te overleggen, indien:
    1. naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld;
    2. naar oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte;
    3. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 cm onder maaiveld;
    4. de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een verstoringsdiepte van niet meer dan 100 cm onder maaiveld bij een ophoging van de grond met ten minste 60 cm;
    5. er sprake is van een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan;
    6. er sprake is van een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 
13.4.2 Aanvullende vergunningvoorschriften
  1. Indien uit het onder artikel 13.4.1 onder 1 genoemde rapport of uit de beschikbare informatie als bedoeld in artikel 13.4.1 onder 2 sub a, blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  2. In afwijking van het gestelde onder 1 verbindt het bevoegd gezag de bedoelde voorwaarden niet aan de omgevingsvergunning, indien de aanvraag betrekking heeft op:
    1. een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 cm onder maaiveld;
    2. een verstoringsdiepte van niet meer dan 100 cm onder maaiveld bij een ophoging van de grond met ten minste 60 cm;
    3. een reeds legaal in uitvoering zijnde bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Omgevingsplan;
    4. een bouwwerk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
13.5 Aanlegactiviteit   
13.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:
  1. grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
  2. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
  3. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  4. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
  5. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
  6. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  7. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
  8. het omzetten van gras of akkerland in grond voor de teelt van laanbomen;
  9. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  10. het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedragen;
  11. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
  12. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  13. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
13.5.2 Uitzondering vergunningplicht
Het in 13.5.1 vervatte verbod geldt niet voor aanlegactiviteiten:
  1. met een verstoringsoppervlakte van op een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 cm onder maaiveld, tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder 13.5.1 sub h, l en m;
  2. met een verstoringsdiepte van niet meer dan 100 cm onder maaiveld bij een ophoging van de grond met ten minste 60 cm, tenzij het werkzaamheden betreffen genoemd onder 13.5.1 sub h, l en m;
  3. met een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m² en een verstoringsdiepte van niet meer dan 40 cm onder maaiveld;
  4. welke ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  5. welke het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  6. welke het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,50 m onder maaiveld wordt geroerd;
  7. welke plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  8. op een reeds in uitvoering zijnde werk op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  9. op een werk dat mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  10. Het verbod als bedoeld in lid 13.5.1 is ook niet van toepassing indien:
    1. de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een overeenkomstig de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder lid 13.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist;
    2. de werkzaamheden vooraf bij burgemeester en wethouders zijn gemeld, voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 13.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop burgemeester en wethouders op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist.
13.5.3 Aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning dient de aanvrager voor de toetsing aan dit Omgevingsplan in ieder geval een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
  3. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring dan wel een onderzoek naar de verstoorde bodemlagen aantoont dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte.
13.5.4 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien uit het rapport als bedoeld in artikel 13.5.3 onder 1 genoegzaam blijkt dat:
  1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  2. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de vergunning verbonden voorschriften.
13.5.5 Voorschriften
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  4. Indien het bepaalde onder c van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
Artikel 14 Waterstaat – Beschermingszone waterkering
 
14.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
14.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen als Waterstaat – Beschermingszone waterkering.
 
14.3 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat – Beschermingszone waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de inrichting en het onderhoud van waterstaatkundige werken.
 
14.4 Bouwactiviteit
Ten aanzien van de in lid 14.3 bedoelde functieomschrijving mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de dubbelfunctie en de andere daar voorkomende functies worden gebouwd. Op deze gronden is het beleid van het waterschap van toepassing.
 
14.5 Vergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de functie 'Waterstaat - Beschermingszone waterkering' zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (vergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. aanleggen, wijzigen, vervangen of verwijderen van afrastering, bruggen, duikers, kabels, leidingen stuwen of drainage;
  2. aanleggen, wijzigen, of dempen van een oppervlaktewater;
  3. het hebben of aanbrengen van (tijdelijke) obstakels;
  4. het lozen of onttrekken van water op of uit het oppervlaktewater;
  5. het inrichten, hebben of wijzigen van wandel- en fietsroutes of ruiterpaden;
  6. recreatief medegebruik.
14.5.2 Uitzondering
Het bepaalde in lid 14.5.1 is niet van toepassing op:
  1. welke betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. welke vallen onder kapvergunningplicht en de in dat kader opgelegde herplantplicht, zoals bedoeld in de Verordening fysieke leefomgeving;
  3. welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering dan welk krachten een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd.
14.5.3 Afwegingskader
Een vergunning als bedoeld in lid 14.5.1 wordt uitsluitend verleend indien door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied en er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn.
 
14.5.4 Procedure
Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in lid 14.5.1 advies inwinnen bij de beheerder van de waterkering.
 
Artikel 15 Waterstaat – Waterbergend rivierbed
 
15.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
15.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP25005H22JEL1A-VA01 is aangewezen als Waterstaat – Waterbergend rivierbed.
 
15.3 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), in eerste instantie bestemd voor de berging van rivierwater.
 
15.4 Bouwactiviteiten
 
15.4.1 Bouwverbod
Op de voor Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
15.5 Afwijken van de regels voor bouwactiviteiten
 
15.5.1 Vergunning
Bevoegd gezag kan door middel van een vergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.4.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende functies.
 
15.5.2 Voorwaarden
Een in lid genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk is gewaarborgd;
  2. geen sprake is van een feitelijke belemmering van de vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat de waterstandsverhoging dan wel de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de resterende waterstandseffecten dan wel de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen moet zijn verzekerd;
  5. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewater niet verslechtert.
alvorens te beslissen over een aanvraag voor een vergunning wordt de rivierbeheerder gehoord.
 
15.5.3 Uitzondering
De toelaatbaarheid van de het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van navolgende activiteiten wordt slechts getoetst aan lid 10.5.2 onderdeel a tot en met c:
  1. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10% van de bestaande bebouwing;
  2. tijdelijke activiteiten, anders dan bedoeld in de Waterschapsverordening;
  3. overige activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang;
  4. tijdelijke schuilgelegenheid, met dien verstande dat:
    1. het een bouwwerk betreft, bedoeld om niet langer dan 6 maanden ter plaatse te functioneren;
    2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2;
    3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
15.5.4 Procedure
Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een vergunning horen burgemeester en wethouders de rivierbeheerder.
  
15.6 Vergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
15.6.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de functie 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (vergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ontginnen, afgraven, ontgronden, egaliseren, ophogen en verharden van gronden;
  2. het (half)verharden van paden en wegen;
  3. vellen, rooien of beschadigen van bomen, heggen en overige houtgewassen;
  4. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  5. het aanbrengen van houtopstanden;
  6. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen;
  7. het verlagen of verhogen van het waterpeil.
15.6.2 Uitzondering
Het bepaalde in lid 15.6.1 is niet van toepassing op:
  1. welke betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. welke vallen onder kapvergunningplicht en de in dat kader opgelegde herplantplicht, zoals bedoeld in de Verordening fysieke leefomgeving;
  3. welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering dan welk krachten een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd.
15.6.3 Voorwaarden
De in lid 15.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktelichaam (de Maas) gewaarborgd blijft, en;
  2. geen sprake is van een feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier (de Maas), en;
  3. de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is en deze verhoging of afname wordt gecompenseerd, en;
  4. de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam (de Maas) niet verslechtert;
  5. voor het verlenen van de vergunning advies wordt ingewonnen bij de rivierbeheerder omtrent te toepassing van voorwaarde a t/m d.
5 Overgangsregels (paragraaf 22J.5)
Artikel 16 Overgangsrecht
 
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
 
16.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
16.1.2 Maatwerkvoorschrift
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 16.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 16.1.1 met maximaal 10%.
 
16.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in artikel 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.
 
16.2 Overgangsrecht gebruik
 
16.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
16.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
16.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in artikel 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
16.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in artikel 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.