direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer exploiteerde aan de Ottenskamp 5 te Siebengewald een veehouderijbedrijf. De bedrijfsvoering is gestaakt en initiatiefnemer heeft bij de gemeente een verzoek ingediend om de agrarische functie van de locatie te wijzigen in 'Wonen'.

Het beëindigen van het agrarisch bedrijf heeft positieve effecten voor het versterken van de biodiversiteit. Met het verminderen van de verharding ontstaat er meer ruimte voor vergroening en infiltratie van regenwater.

Het aanwezige agrarische bouwvlak op de locatie Ottenskamp 5 is nog niet volledig benut. Beëindiging van het agrarische bedrijf en herziening van de functie naar 'Wonen', met een beperkte nevenactiviteit binnen de bestaande bebouwing, zorgt ervoor dat de bebouwingsmogelijkheden flink worden beperkt. Het bouwvlak zal fors worden verkleind. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

Ook de landschappelijke inrichting zal een positieve bijdrage leveren aan het versterken van de biodiversiteit en het creëren van een kleinschaliger landschapsbeeld.

Binnen het agrarisch bouwvlak bevindt zich de voormalige tweede bedrijfswoning (nu plattelandswoning) aan de Ottenskamp 4a. Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf ligt het voor de hand de functie van de woning aan de Ottenskamp 4a ook te wijziging in 'Wonen'. Ook het omzetten van de functie van deze 2e bedrijfswoning naar 'Wonen' wordt in dit plan meegenomen. De bebouwing en verharding op dit perceel blijft gelijk.

Deze locatie ten westen van het dorp Siebengewald en leent zich uitstekend voor de beoogde ontwikkeling. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een combinatie van wonen, recreatie, landschapselementen en agrarisch gebruik. Het plan resulteert is een duurzame versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Enerzijds door het beperken van de bebouwingsmogelijkheden en het opruimen van verharding en anderzijds door het realiseren van ruim 1 hectare aan grond met een landschappelijke functie. Hiermee wordt tevens de ecologische en recreatieve waarde van het gebied vergroot.

Door middel van de brief van 7 februari 2025 laat de gemeente Bergen weten medewerking te willen verlenen aan het plan.

Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, is het noodzakelijk om het omgevingsplan aan te passen. Tijdens de overgangsperiode vindt deze aanpassing plaats via een zogenoemd TAM-omgevingsplan (Tijdelijke Alternatieve Maatregel).

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ten westen van het dorp Siebengewald, in het buitengebied van de gemeente Bergen. Het voormalige agrarisch bedrijf met de bedrijfswoning Ottenskamp 5 is kadastraal bekend als BGN02, sectie R, nummer 1271 en R1372. Het kadastraal perceel heeft in totaal een oppervlakte van circa 83.430 m².

Het perceel aan de Ottenskamp 4a betreft de percelen kadastraal bekend als BGN02, sectie R, nummers 1270 en 716, met een gezamenlijk oppervlak van circa 920 m².

Zie afbeelding 1 voor de ligging van het plangebied ten opzichte van het dorp Siebengewald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0001.png"

Afbeelding 1: Ligging locatie in het buitengebied van Bergen

In afbeelding 2 is de globale begrenzing van het plangebied met een rode stippellijn aangegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bij het TAM-Omgevingsplan behorende verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0002.png"

Afbeelding 2: Ligging plangebied (indicatief)

1.3 Het omgevingsplan

In het geldende Omgevingsplan Bergen, onderdeel Bestemmingsplan Buitengebied 2018-1e herziening, heeft de locatie aan de Ottenskamp 4a en 5 een agrarische functie. Het agrarisch bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 7.350 m2. Rondom het bouwvlak, ingetekend met een stippellijn, ligt de aanduiding 'Erf' met een oppervlakte van circa 3.850 m2. Zie ook afbeelding 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0003.png"

Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan

Deze gronden met de agrarische functie zijn primair bedoeld voor de uitoefening van reële agrarische bedrijven met bijbehorende gebouwen, bouwwerken en voorzieningen.

Het erf ligt direct bij een hoofdgebouw en is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

De voormalige bedrijfswoning Ottenskamp 4a heeft de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'. De maatvoeringsaanduiding 'Maximum aantal wooneenheden: 2' geeft aan dat er twee bedrijfswoning zijn toegelaten.

Binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018-1e herziening’ bestaat de mogelijkheid om de agrarische functie om te zetten naar een woonfunctie. Hiervoor is in artikel 3.8.2 van het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Onder de Omgevingswet kan hier echter geen gebruik meer van worden gemaakt.

Het initiatief voor de herontwikkeling van de locatie is niet in overeenstemming met het geldende omgevingsplan. Om de volledige herontwikkeling binnen een passend juridisch-planologisch kader te kunnen realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Deze wijziging zal worden doorgevoerd via een TAM-Omgevingsplan, waarmee de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.4 Leeswijzer

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een motivering. De motivering is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de nieuwe toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 De bestaande en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Historische landschapsanalyse

Het gebied rond de Ottenskamp wordt al decennia lang agrarisch gebruikt voor landbouwactiviteiten. Op kaarten van omstreeks 1930 is zichtbaar dat het aantal boerderijen en agrarische woningen in het gebied toenam, wat wijst op een geleidelijke uitbreiding van de agrarische sector. Ook de huidige hoofdstructuur van het gebied vindt zijn oorsprong in deze periode. De contouren van de huidige boerderij zijn op deze historische kaart al in vroege vorm te onderscheiden.

In de daaropvolgende jaren heeft het landschap verschillende veranderingen ondergaan. De lijnen die haaks op de Gochsedijk liepen, zijn voor een groot deel verdwenen, wat duidt op aanpassingen in de verkaveling en infrastructuur. Daarnaast heeft de verlenging van de Nieuweweg zichtbare sporen achtergelaten in het landschap, waarbij de bestaande structuur werd aangepast aan de veranderende ruimtelijke ontwikkelingen. Ook de boerderij zelf is in de loop der tijd verder uitgebreid, wat een verdere ontwikkeling van het agrarische gebruik in de regio weerspiegelt.

In afbeelding 4 zijn een aantal historische kaarten te zien waaruit de historische ontwikkeling van het gebied kan worden afgelezen (bron: Topotijdreis).

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0004.png"

Afbeelding 4: historische kaarten (plangebied bij rode cirkel)

De Ottenskamp bestond uit meerdere smalle landwegen, maar is sinds 1986 één weg die de Pannenweg en Kleine Horsterweg verbindt. De straat is een smalle, geasfalteerde landweg, net zoals de andere wegen in de directe omgeving. De omgeving kenmerkt zich door boerderijen, schuren, bedrijfswoningen en reguliere woningen.

2.1.2 Bedrijf / bebouwing

Het perceel Ottenskamp 5 is decennia lang in gebruik geweest als agrarische locatie. Voorheen heeft de initiatiefnemer koeien gemolken op zijn bedrijf.

Op de locatie zijn twee (voormalige) bedrijfswoningen aanwezig waarvan de Ottenskamp 4a de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' heeft.

In afbeelding 5 is een luchtfoto van de locatie weergeven. Aan de noordzijde is de mestsilo (no. 1) aanwezig. Ten westen van de mestsilo liggen een drietal ruwvoederopslagen.

Gebouw 2 is de voormalige ligboxenstal. Op het dak van deze stal zijn zonnepanelen geïnstalleerd. Gebouw 3 is de jongveestal annex werktuigenberging. De bedrijfswoningen liggen ten zuiden van de bedrijfsgebouwen. De bijgebouwen, aangegeven met 4 en 6, horen bij de woning aan de Ottenskamp 5. Het bijgebouw van de Ottenskamp 4a ligt binnen het rode vierkant, ten noordwesten van de woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0005.png"

Afbeelding 5: luchtfoto locatie

Gebouw 2 wordt door initiatiefnemer in de huidige situatie verhuurd voor opslagdoeleinden. Het verhuren van dit gebouw voor opslag is een nevenactiviteit bij de woonfunctie en passend binnen de woonfunctie. Gebouw 3 wordt voor hobbymatige doeleinden gebruikt en voor de stalling van tractoren en machines die nu nog nodig zijn voor de agrarische activiteiten op het perceel en in de toekomst ook nodig zijn voor het onderhoud van het terrein. Ook dit is passend binnen de woonfunctie.

Beide bedrijfswoningen hebben de beschikking over een eigen inrit. Een derde inrit aan de oostzijde van het erf maakt gebouw 2 apart bereikbaar.

Achter de mestopslag is een flinke bomenrij aanwezig. Deze blijft in het nieuwe plan behouden en maakt deel uit van de landschappelijke inpassing.

2.2 Beoogde situatie

Initiatiefnemer heeft de wens om zijn locatie toekomstbestendig te maken en te investeren in ruimtelijke kwaliteit.

In de beoogde situatie wordt de agrarische functie van het perceel gewijzigd naar 'Wonen' inclusief het behouden van de bestaande kwalitatief goede schuren, het slopen van een mestopslag met bijbehorende verharding en het toevoegen van landschappelijke waarden door middel van een landschappelijke inpassing. Ter compensatie zal initiatiefnemer een gedeelte van circa 12.000 m2 ten westen van de woning inrichten als een kleinschalig landschap met landschapselementen. De landschapselementen zorgen voor een ecologisch waardevol gebied. Deze gronden krijgen de functie 'Tuin'. In paragraaf 2.2.1 is de landschappelijke inpassing nader uitgewerkt.

De nevenactiviteit opslag in gebouw 2 en de opslag ten behoeve van de woonfunctie en onderhoud van het terrein in gebouw 3 blijven gehandhaafd. In de regels is vastgelegd dat gebouw 2 alleen verhuurd mag worden door de eigenaar/bewoner van Ottenskamp 5 ten behoeve van (statische) opslag. Deze activiteit is beperkt tot de huidige omvang (oppervlakte en gebruik) en gekoppeld aan de functieaanduiding 'opslag' op de verbeelding.

Planologisch is de plattelandswoning aan de Ottenskamp 4a onderdeel van de voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de Ottenskamp 5.

In afbeelding 6 is de verbeelding van de beoogde situatie weergegeven. De bestaande bebouwing (beide woningen en de aanwezig schuren) hebben binnen de functie 'Wonen' gekregen. De maatvoering '2' geeft aan dat er twee woningen aanwezig zijn. De schuur voor de opslag ligt op de gevel van gebouw 2. Door middel van de specifieke bouwaanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen 1.250' is vastgelegd dat de bestaande bebouwing als maximum geldt. Binnen de bestemming 'Tuin' worden de landschappelijke inpassing gerealiseerd. Ook valt de bomenrij achter de (te slopen) mestopslag binnen deze functie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0006.png"

Afbeelding 6: verbeelding TAM omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling heeft als resultaat dat het bouwvlak fors kleiner wordt en het verhard oppervlak afneemt. Er komen geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden bij en de mestopslag met de bijbehorende verharding zullen verdwijnen. Dit heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. Initiatiefnemer heeft maatregelen getroffen om de waterhuishouding te verbeteren door het aanleggen van een poel. Alle aanwezige gebouwen worden van de riolering afgekoppeld en het hemelwater zal op eigen terrein worden opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem.

2.2.1 Landschappelijke inpassing

Door Maashuys Vastgoed en Advies is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de beoogde situatie. Het inpassingsplan is opgenomen als Bijlage 1 bij de motivering.

In de toekomstige situatie wordt de weide ten oosten van het bebouwingsblok ingezaaid met kruidenrijk grasland. Dit bevordert de ontwikkeling van een gevarieerd ecosysteem dat gunstig is voor insecten, kleine dieren en de algemene biodiversiteit. De bosplantsoenen aan de randen van het erf worden verder versterkt; er is momenteel al een begin gemaakt met een houtsingel, die in de komende periode zal worden uitgebreid. Ook de wilgen aan de rand van de weide worden aangevuld, wat extra beschutting en nestgelegenheid biedt voor diverse vogel- en zoogdiersoorten.

Op de tekening (zie afbeelding 7) lijkt het alsof de houtsingel wordt doorbroken, maar dat is niet het geval. Op deze locatie bevindt zich al een deel van de houtsingel die in het verleden is aangeplant door Het Limburgs Landschap.

Door voort te bouwen op de bestaande landschapselementen blijft de huidige biodiversiteit behouden en wordt de ecologische waarde van het gebied waar mogelijk versterkt. De variatie in vegetatie en landschapselementen creëert een aantrekkelijke leefomgeving voor verschillende soorten flora en fauna en draagt bij aan een duurzaam en natuurvriendelijk beheer van het terrein.

Voor het vergroten van het waterbergend vermogen is al een poel aangelegd aan de noordoostrand van het kruidenrijk grasland. In afbeelding 7 is de landschappelijke inpassing van de beoogde situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0007.png"

Afbeelding 7: landschappelijke inpassing (bron: Maashuys Vastgoed en Advies)

In het landschapsplan van de gemeente Bergen is het betreffende perceel onderdeel van het landschapstype “grootschalige landbouwontginningen” (Lege heide) waarin de volgende landschapselementen aanwezig zijn;

  • 1. Stelsel van lanen bestaande uit o.a. zomereiken
  • 2. Solitaire inheemse bomen (eik, linde)
  • 3. Houtwallen met eikenhakhout
  • 4. Singels bestaande uit eik, berk en hulst
  • 5. Erfbeplantingen met sparrenbosjes en boerenbongerds
  • 6. Meidoorn-of beukenhagen
  • 7. Toevoegen van water

De bestaande situatie is voor een belangrijk deel al in overeenstemming met de door de gemeente gewenste inrichting ter plaatse van het landschapstype “grootschalige landbouwontginningen” (Lege heide). De bebouwing is op natuurlijke wijze geïntegreerd in het landschap, omgeven door hagen, singels en een boomgaard.

Het behoud van de ecologische functie blijft essentieel. De extra investeringen in de landschappelijke kwaliteitsverbeteringen (zoals geschetst in afbeelding 7) bestaan uit:

  • 1. Versterking van het huidige “vogelbos” door de planten van bomensingel;
  • 2. Verhoging van de biodiversiteit door het grasland in te zaaien met een kruidenrijk grasmengsel en dit jaarlijks te hooien ter behoud van de kruidenrijkdom;
  • 3. De afscheiding tussen de percelen kan worden gerealiseerd door de versterking van de huidige wilgen;
  • 4. Het planten van een solitaire Walnoot;
  • 5. Het behouden van de gemeentelijk beschermde boom.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen van het rijksbeleid, het provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening en het gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt de langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland beschreven. Dat ingrepen in de leefomgeving in samenhang plaatsvinden en niet los van elkaar wordt als uitgangspunt gezien. Vanwege deze rede delegeert het Rijk de taak om de fysieke leefomgeving in te richten aan decentrale overheden. Daarbij komt de gebruiker centraal te staan.

Echter blijft het Rijk verantwoordelijk voor ‘het systeem’ de fysieke leefomgeving. Daarnaast komt rijks verantwoordelijkheid ter sprake als:

  • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft die daarnaast de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rond en nabij mainports, brainports, greenports en valleys
  • Er bij een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld bij het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed
  • Er bij een onderwerp een overschrijving plaatsvindt van de provincie- of landsgrens, een hoog afwentelrisico kent, of in beheer bij het Rijk is. In het laatste geval gaat het bijvoorbeeld over hoofdnetten van weg, spoor, water en energie. Ook de bescherming van gezondheid van inwoners is relevant op rijksniveau

De NOVI heeft een toekomstperspectief gericht op 2050. Het Rijk wil op nationale belangen sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • Duurzaam economisch groeipotentieel
  • Sterke en gezonde steden en regio’s
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Omdat de druk op de fysieke leefomgeving zo groot is in Nederland, botsen belangen wel eens. Gestreefd wordt om combinaties en win-win situaties te creëren. Dit is helaas niet altijd mogelijk. Als dat het geval is dienen belangen afgewogen te worden. In de NOVI staan daarom drie afwegingsprincipes:

  • Combineren van functies gaat voor enkelvoudige functies; Het scheiden van functies is vaak in het verleden te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt er gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies. Dit is gericht op efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied centraal; Het verschilt van gebied tot gebied wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. In het ene gebied liggen opgaven en belangen zwaarder dan in het andere gebied.
  • Afwentelen voorkomen staan; Het is belangrijk dat er, in onze samenleving, voorzien wordt in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing aan Novi

De functiewijziging van agrarisch naar wonen, waarbij de initiatiefnemer de voormalige stallen gebruikt als opslag en voor hobbymatig gebruik, sluit aan bij beleid doordat het inspeelt op een efficient en zorgvuldig gebruik van de ruimte en aanvaardbare combinatie tussen functies. Doordat sprake is van reguliere bewoning sluit het plan aan bij het streven naar toekomstbestendige ontwikkeling van het buitengebied.

Bij het realiseren van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering hebben de kenmerken en identiteit van een gebied een belangrijke rol gespeeld (grootschalige landbouwontginningen”.

Het voorliggende plan heeft een dusdanige kleine omvang dat het verder geen Rijksbelangen raakt en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 5.129g van het Bkl schrijft voor dat, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met:

  • a. De behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling;
  • b. Als de voorgenomen stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van een stedelijk gebied, aangetoond is dat er geen mogelijkheden zijn voor realisatie van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling binnen dat stedelijk gebied of stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van dat stedelijk gebied.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd:

  • Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Toetsing aan Ladder

In een eerdere uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling wanneer meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. Wordt het aantal woningen beperkt tot 11 of minder, dan kwalificeert dit volgens de Afdeling niet als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS, 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921).

Doordat geen nieuwe woningen gerealiseerd gaan worden, kan op basis hiervan worden vastgesteld dat de beoogde ontwikkeling niet kwalificeert als een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in dit geval dan ook niet vereist.

3.3 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Op 1 januari 2024 is de omgevingsvisie Limburg in werking getreden. De Omgevingsvisie schetst een langetermijnperspectief voor de periode 2030–2050. Centraal staat het voortdurend zoeken naar een evenwichtige benadering van bescherming én benutting van de fysieke leefomgeving. In de visie worden vraagstukken behandeld die op provinciaal niveau van wezenlijk belang zijn, evenals autonome ontwikkelingen die grote impact hebben op Limburg.

De Omgevingsvisie is een dynamisch en flexibel document. Deze opzet maakt het mogelijk om de visie aan te passen en te actualiseren in het licht van toekomstige ontwikkelingen en veranderende omstandigheden.

In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg worden drie hoofdopgaven onderscheiden, namelijk:

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied

Voor landelijk gebied is aangegeven dat Limburg een uniek landschap en prachtige natuurgebieden kent. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s.

  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouw- transitie;

Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan

  • 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.

Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:

  • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
  • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Onder het thematische deel wordt ingegaan op de verbreding van de land- en tuinbouw met niet-agrarische nevenfuncties. Dit draagt bij aan een vitaal landelijk gebied. Afhankelijk van de aard van de verbrede land- en tuinbouwactiviteit(en) leidt dit tot nieuw- en verbouw van agrarische bedrijfsgebouwen, vaak kleinschalig van aard. De ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-agrarische activiteit(en) dienen te worden afgestemd op de regionale behoefte.

Daarnaast is een binnen dit thema aandacht voor behoud van de landschappelijke kwaliteit en de wens om verrommeling te voorkomen. Limburg stimuleert bij vrijkomende agrarische bebouwing VAB’s) agrarisch hergebruik, herbestemmen buiten sector of sloop (met uitzondering van beeldbepalende/monumentale en karakteristieke bebouwing).

Toetsing aan omgevingsvisie

De beoogde ontwikkeling voorziet in het wijzigen van de functie van agrarisch naar wonen. De ontwikkeling is afgestemd op de lokale behoefte. De bestaande bebouwing wordt als nevenactiviteit bij de woonfunctie gebruikt voor opslag en ten behoeve van een hobbymatig gebruik bij de woonfunctie. Hiermee wordt het plangebied toekomstbestendig en draagt het bij aan onder andere de leefbaarheid, gezondheid en natuur. Hierbij is aandacht voor het realiseren van ruimtelijke kwaliteitswinst door de sloop van de mestsilo, het opruimen van verharding, het versterken van de biodiversiteit en het creëren van een kleinschaliger landschapsbeeld. Verder ontstaat er meer ruimte voor infiltratie van het regenwater. Het initiatief voldoet daarmee aan de kaders in de omgevingsvisie.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg

In de Omgevingsverordening Limburg (versie gepubliceerd op 03-02-2025) staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat:

  • Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap;
  • Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen.

Instructieregels voor wonen zijn opgenomen in paragraaf 12.1.1. Deze regels zien op de toevoeging van woningen. Daar is hier feitelijk geen sprake van.

In artikel 12.5, lid 1 van de Omgevingsverordening is bepaald dat een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toelaat, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

Toetsing aan Omgevingsverordening

Het planvoornemen voorziet echter niet het toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen. Een bestaande schuur wordt gebruikt voor opslagdoeleinden. Verhuur van de schuur vindt plaats door initiatiefnemer (bewoner Ottenskamp 5). Hierdoor is er sprake van een nevenactiviteit die passend is binnen de woonfunctie.

Het planvoornemen is in overeenstemming met de Omgevingsverordening van de provincie.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Bergen 2030

De afgelopen jaren heeft de gemeente Bergen aanzienlijke veranderingen doorgemaakt op het gebied van bevolkingssamenstelling, duurzaamheid en economie. Om richting te geven aan de toekomstige ontwikkeling, heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie vormt het kompas voor de gewenste ruimtelijke en maatschappelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie:

  • Waterbeheer op maat;
  • Voorzieningen bereikbaar houden;
  • Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving;
  • Energie onafhankelijk in 2030;
  • Woningvoorraad op maat;
  • Versterken natuurwaarden en biodiversiteit;
  • De meest toekomstbestendige gemeente;
  • Leefklimaat in de dorpen verbeteren;
  • Landschap en Landbouw in balans;
  • Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen.

Gemeente Bergen blijft zich inzetten voor het behoud en de versterking van onze unieke landschapstypen. Dit omvat het beschermen en versterken van het cultuurhistorisch, archeologisch en landschappelijk erfgoed. Gerichte inspanningen worden geleverd om het landschap in het Maasdal en aan de randen van Nationaal Park De Maasduinen te versterken. Buiten de Natura2000-gebieden ligt de focus van gemeente Bergen op het vergroten van de biodiversiteit en het verminderen van de spanning tussen natuur en landbouw. Hierbij stimuleren ze natuurinclusief groenbeheer en moedigen ze onze inwoners aan om hun tuinen en balkons natuurvriendelijker te maken. De kwaliteiten van Bergen worden grotendeels bepaald door onze landschappen en de herkenbare verschillen tussen landschapstypen. Ons beleid blijft gericht op het afstemmen van landbouwactiviteiten op de landschappelijke ondergrond. De gemeente Bergen zet in op het tegengaan van verdroging door het vernatten van ontginningsgebieden, eventueel in combinatie met energielandschappen en de teelt van biomassa. Het verbeteren van de bodemkwaliteit en de omslag naar natuurinclusieve landbouw zijn hierbij essentieel. Met deze gerichte aanpak zetten we stappen in het behoud en de ontwikkeling van een duurzame, biodiverse en leefbare gemeente Bergen.

Toetsing aan Omgevingsvisie

De herbestemming van de agrarische locatie, gericht op het toekomstbestendig maken van locatie, onstening van het buitengebied en natuurontwikkeling, sluit aan bij het beleid van de gemeente Bergen.

De ontwikkeling levert een positieve bijdrage aan de ambities uit de Omgevingsvisie. De aanleg van het kruidenrijk grasland resulteert in een gevarieerd ecosysteem dat gunstig is voor insecten, kleine dieren en de algemene biodiversiteit. De bosplantsoenen aan de randen van het erf worden versterkt, wat zorgt voor extra beschutting en nestgelegenheid voor diverse soorten vogels en zoogdieren.

Daarnaast wordt een knip- en scheerhaag aangeplant, die niet alleen een natuurlijke afscheiding vormt, maar ook schuilplaatsen en voedselbronnen biedt voor insecten en kleine dieren. Het planvoornemen heeft derhalve een positief effect op het versterken natuurwaarden en biodiversiteit.

Door meer ruimte voor vergroening en het toepassen van natuurinclusief groenbeheer, ondersteunt de ontwikkeling ook de inspanningen om verdroging tegen te gaan en de bodemkwaliteit te verbeteren.

De herontwikkeling van het voormalige agrarische bedrijf past verderv binnen de koers waarin wordt gestreefd naar Landschap en Landbouw in balans en Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving. Door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten verdwijnt een milieubelastende functie uit het buitengebied. De ontstening biedt ruimte voor landschappelijke versterking en vergroening dat aansluit bij het karakter van het omliggende landschap.De ontwikkeling draagt tevens bij aan een gezonde leefomgeving. Door het wegvallen van emissies van geur, fijnstof en stikstof verbetert de luchtkwaliteit en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving.

Samengevat draagt de herontwikkeling bij aan het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit, ontstaat er ruimte vergroening en water en draagt het een steentje bij aan een gezonde leefomgeving, waardoor de gemeente op weg is naar de meest toekomstbestendige gemeente.

3.4.2 Gemeentelijk waterbeleid: gemeente Bergen

Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

Toetsing aan gemeentelijk waterbeleid

Met de realisatie van dit plan neemt het verhard oppervlak af. Er komen geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden bij en de mestopslag met de bijbehorende verharding zullen verdwijnen.

Dit heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. Initiatiefnemer heeft al maatregelen getroffen om de waterhuishouding te verbeteren door de aanleg van een poel.

Aanvullend zullen alle aanwezige gebouwen afgekoppeld worden en wordt het hemelwater op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem.

Hoofdstuk 4 Fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen functies en activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1 Besluit milieueffectrapportage

4.1.1 Kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.

Of voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.

4.1.2 Toetsing en conclusie

Onderdeel J11 betreft een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Zoals al toegelicht bij de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking, is hier geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Het wijzigen van het omgevingsplan door de functie ‘agrarisch’ te veranderen in ‘wonen’ is niet opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bovendien is op de verbeelding en in de regels geborgd dat de bestaande oppervlakte aan bebouwing het maximum aan bebouwing is. Het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan en daarmee veranderen van de functie van Ottenskamp 5 en 4a is dus niet mer- of mer-beoordelingsplichtig.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Kader

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

4.2.2 Toetsing en conclusie

Binnen de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen in de bebouwing plaats. Er worden bovendien geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd.

De verwachte bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart (landbouw/natuur) vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van een deel van de locatie als tuin / landschapselement.

Aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht, is het uitvoeren van bodemonderzoek in het kader van deze ontwikkeling niet noodzakelijk.

4.3 Omgevingsveiligheid

4.3.1 Kader

Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kunnen worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Aandachtsgebieden

Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

4.3.2 Toetsing en conclusie

Voor het onderzoek is Atlas Leefomgeving gebruikt. De Atlas biedt actuele en verantwoorde informatie over milieu- en gezondheidsaspecten van de leefomgeving. Door middel van onderstaande uitsnede van de Atlas Leefomgeving zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht:

  • Risicovolle inrichtingen;
  • Hogedruk aardgas transportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen;
  • Bovengrondse hoogspanningslijnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0008.png"

Afbeelding 8: Uitsnede risicokaart (projectgebied bij rode pijl) (bron: Atlasleefomgeving.nl)

Risicovolle inrichtingen

Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is op ruim 450 meter ten noordwesten van het plangebied gesitueerd. Het betreft hier een propaantank. In de omgeving zijn meerdere propaantanken aanwezig, maar liggen allemaal verder dan die op 450 meter van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontouren van deze tanks reiken niet tot het plangebied. Risicovolle inrichtingen leiden hierdoor niet tot een belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Risicovol transport over wegen

Zoals te zien is op de risicokaart vindt in de omgeving van de planlocaties geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen.

Risicovol transport over spoorwegen

De dichtstbijzijnde Nederlandse spoorlijn waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden, (traject Nijmegen-Venlo) is gelegen op een afstand van circa 10 kilometer.

In Duitsland ligt het dichtstbijzijnde spoor op circa 6,5 kilometer afstand. Het plangebied ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van een spoorweg. Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied niet toenemen. Met betrekking tot risicovol transport over spoorwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten.

Risicovol transport over water

De dichtstbijzijnde waterweg (de Maas) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is gelegen op een afstand van circa 5,5 kilometer. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de Maas. Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied niet toenemen. Met betrekking tot risicovol transport over waterwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten.

Buisleidingen

In de buurt van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Met betrekking tot veiligheidsrisico’s ten opzichte van buisleidingen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten.

Advies Veiligheidsregio

Veiligheidsregio Limburg-noord heeft advies uitgebracht over de voorgenomen planontwikkeling. De veiligheidsregio bevestigd dat er geen risicobronnen liggen binnen relevante afstand. Externe veiligheid is dan ook niet van toepassing.

De Veiligheidsregio geeft in haar advies in overweging om een geboorde put met een debiet van 90 m3/uur aan te leggen.

Er ligt bij deze locatie een brandkraan voor Ottenskamp 5 en bovendien kan de brandweer beschikken over waterwagens als aanvulling. Daarbij liggen er in de directe nabijheid twee vijvers (Pannenweg 9 en Ottenskamp 4- 4b) die bij noodgevallen benut kunnen worden. Op basis van deze bevindingen is er geconcludeerd dat er geen noodzaak is tot het boren van een extra put.

Het advies van de veiligheidsregio is bijgevoegd als bijlage 2 bij deze motivering.

Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Water

4.4.1 Beleidsaspecten

Deze paragraaf vormt de toelichting hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting in de bestemming.

Het klimaat verandert. Er worden meer hevige en meer langdurige neerslag verwacht in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: 'ruimte maken voor water'. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe.

4.4.1.1 Waterschap beleid: Waterschap Limburg

In het waterbeheerplan (WBP) en de Waterschap verordening van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg.

Waterbeheerprogramma (WBP)

Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 - 2027:

  • Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riooloverstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast.
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot. Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving.
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht. Er wordt een stevig begin gemaakt met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater.
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn:

  • Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land;
  • Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten;
  • Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud;
  • Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet.


Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.

Per 1 januari 2024 is de Waterschap verordening Waterschap Limburg in werking getreden. In de Waterschap verordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.

4.4.1.2 Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen

Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'.

Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). Het gemeentelijk rioleringsplan dat vastgesteld is voor ingang van de Omgevingswet, blijft namelijk gelden totdat de periode is verstreken waarvoor het plan is vastgesteld. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) blijft gelden tot en met het jaar 2025. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) heeft dezelfde juridische status als het water & rioleringsprogramma, afgekort WRP.

De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in Omgevingswet (Ow), die sinds 2024 in werking is getreden. Deze wet beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Eén van die verplichtingen betreft het opstellen van een gemeentelijke Water en rioleringsprogramma, afgekort WRP (ex artikel 3.14 Ow). In het WRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Ow is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd.

Op basis van artikel 2.16 Ow heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater.

Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022:

In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel.

Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L)

Ambitie en doelen

In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn:

  • 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater.
  • 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren).
  • 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied.
  • 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij:
      • Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen
      • Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord).
  • 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering.
  • 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte.

Afvoercapaciteit:

Om gezondheidsrisico's van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat:

  • De riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt)

De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico's voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst.

Hemelwater (artikel 2.16 lid 1 onder a sub 1 Omgevingswet):

  • De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen.

Klimaat:

De gemeente Bergen richt zich op:

  • Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn.
  • Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt.
  • Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie.
  • Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen.
  • Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig).
  • Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn.

De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.

Wijziging omgevingsplan

Als het omgevingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elke wijziging van het omgevingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse functies. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw 'grondwaterneutraal' te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden.

Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg

De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WIBON. De beheergegevens zijn actueel.

4.4.2 Huidige situatie
4.4.2.1 Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak

In de huidige situatie is binnen het plangebied een agrarisch bedrijf met bedrijfsgebouwen en voorzieningen aanwezig, een bedrijfswoning en een plattelandswoning. Op de onderstaande luchtfoto is de bebouwing zichtbaar en is het plangebied met een rode stippellijn aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0009.png"

Afbeelding 9: luchtfoto met bebouwing en begrenzing plangebied

De oppervlakte van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 1.250 m2. De oppervlakte van de mestsilo is circa 700 m2. De te amoveren sleufilo's en erfverharding hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.100 m2.

4.4.2.2 Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden.

Het plangebied ligt niet binnen een beschermingszone of reserveringsgebied. Zie ook de onderstaande afbeelding.
afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0010.png"

Afbeelding 10: kaart legger (plangebied bij rode cirkel)

4.4.2.3 Huidige verwerking hemelwater

Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem en de afwatering op een bestaande vijver.

4.4.2.4 Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit

Beide woningen zijn aangesloten op de riolering. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de gemeentelijk riolering.

4.4.2.5 Aanwezig oppervlaktewater

Er is een bestaande poel aanwezig van circa 144 m2.

4.4.2.6 Grondwaterstanden en maaiveldhoogte

Grondwaterstand

De gemiddelde grootste grondwaterdiepten voor het besluitgebied variëren tussen 208 en 254 cm diepte. De gemiddelde kleinste grondwaterdiepten variëren tussen 117 en 180 cm diepte.


Maaiveldhoogte

Het plangebied ligt op 15,50 meter boven NAP.

4.4.3 Beoogde situatie
4.4.3.1 Beschrijving plan

In de beoogde situatie wordt de agrarische functie van het perceel gewijzigd naar 'Wonen' en worden verharding (mestsilo en verharding) opgeruimd. De nieuwe situatie wordt landschappelijk ingepast. De nieuwe aan te leggen landschapselementen zorgen voor een ecologisch waardevol gebied.

De verharding, die als gevolg van het planvoornemen wordt verwijderd, beslaat een oppervlakte van circa 1.800 m2. De bestaande poel in de tuin blijft behouden.

4.4.3.2 Ontwerp nieuw watersysteem

Hemelwater

Het Waterschap Limburg en de gemeente Bergen streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering, regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Binnen het plangebied vindt echter geen nieuwbouw plaats. Initiatiefnemer infiltreert het hemelwater van de twee schuren al in de aanwezige poel, die hiervoor voldoende bergingscapaciteit biedt. De afvoer van het hemelwater van beide woonhuizen en de overige bijgebouwen zijn niet aangesloten op het vuilwaterriool en zijn dat ook in het verleden niet geweest.

Het bebouwd oppervlak neemt af waardoor hemelwater meer ruimte krijgt om in de bodem te infiltreren. Door het nemen van deze maatregelen neemt de water bufferende werking van de gronden van het perceel toe.

Een deel van het perceel wordt ingericht als tuin (landschapselement) met daarin een poel. Omdat het planvoornemen feitelijke slechts een functiewijziging betreft van de bestaande bebouwing en er geen toename is aan verharding (maar juist een afname) heeft het planvoornemen geen negatieve effecten op zowel de waterkwantiteit.

De omzetting naar de functie wonen, waarbij hemelwater van bestaande bedrijfsbebouwing wordt ontkoppeld van het riool, sluit aan bij de doelstellingen van het waterschap om de sponswerking van het landelijk gebied te versterken. Door verharding te verwijderen en groen toe te voegen kan water infiltreren en de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren. Dit draagt bij aan een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving.

Afvalwater

Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie vinden geen ontwikkelingen plaats waardoor in de toekomst een toenemende hoeveelheid afvalwater van af zal komen. Hierdoor worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater.

4.4.3.3 Grondwater

Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een boringsvrije zone waardoor dit aspect geen belemmering vormt.

4.4.3.4 Waterkwaliteit & beheer

Aangezien de hoeveelheid bebouwing binnen het plangebied niet toeneemt heeft het planvoornemen geen belemmering ten aanzien van de bergingscapaciteit van nabijgelegen rivieren.

4.4.4 Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid en regels voor water van zowel het waterschap als van de gemeente.

4.5 Ecologie

4.5.1 Kader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.

Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • Er soorten aanwezig zijn;
  • Welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • 1. bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • 2. gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • 3. landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • 4. ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
4.5.2 Toetsing en conclusie

Flora en fauna

De voorgenomen ontwikkeling omvat geen bouwwerkzaamheden. Wel wordt een mestsilo gesloopt en erfverharding opgeruimd. Een mestsilo en/of erfverharding zijn niet geschikt om te dienen als leefgebied voor (beschermde) soorten. Het verwijderen van deze bebouwing / verharding heeft daarom geen negatief effect op het leefgebied van (beschermde) soorten. Het uitvoeren van een QuickScan ecologie wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Natura 2000 – stikstof

De regelgeving omtrent stikstofdepositie is vastgelegd in artikel 22.20 van de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat de regels uit artikel 5.5a van de voormalige Wet natuurbescherming voorlopig van kracht blijven, totdat bij koninklijk besluit een nieuwe datum wordt vastgesteld. Tot dat moment blijft de bestaande wet- en regelgeving ongewijzigd van toepassing. Na deze nog te bepalen datum zal stikstofdepositie worden gemonitord als omgevingswaarde.

Volgens de Wet natuurbescherming is voor alle activiteiten die mogelijk een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist, tenzij met zekerheid kan worden uitgesloten dat het project leidt tot een toename van stikstofdepositie op deze gebieden. Negatieve effecten kunnen ontstaan door verzuring en/of vermesting als gevolg van stikstofemissies (in de vorm van NOx of NH3), die via atmosferische depositie neerslaan in kwetsbare natuurgebieden.

Afhankelijk van de aard van het project kan stikstofdepositie optreden tijdens de aanleg-, sloop- of gebruiksfase. Daarom is het van belang om per fase te beoordelen of een vergunningplicht geldt en of aanvullende maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Maasduinen’ op circa 2 kilometer, zie afbeelding 11.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0011.png"

Afbeelding 11: Natura 2000-gebied nabij projectgebied te Siebengewald (bron: ministerie van LVVN)

De voorgenomen ontwikkeling omvat geen bouwactiviteiten. De sloop van de mestsilo en het opruimen van de erfverharding vergt slechts een beperkte inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen. Gezien de afstand tot aan de grens van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied kan op voorhand worden uitgesloten dat de sloopactiviteiten een stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige habitats. Ook is vanwege de relatief grote afstand vast te stellen dat het planvoornemen geen andere invloed heeft op Natura 2000-gebieden (trillingen, licht e.d.). Een AERIUS-berekening is daarom niet noodzakelijk geacht en een negatief effect kan worden uitgesloten.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), vormt een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgronden met belangrijke natuurwaarden op nationaal en internationaal niveau. Het beleid rondom het NNN is gericht op het behouden van ecosystemen en het creëren van leefgebieden die gunstig zijn voor de biodiversiteit.

Op basis van het rijksbeleid, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), geldt voor het NNN de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan wanneer zij deze kenmerken of waarden significant aantasten. Binnen het NNN wordt vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende provinciale natuurgebieden.

In afbeelding 12 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0012.png"

Afbeelding 12: Natuurnetwerk Nederland nabij projectgebied te Siebengewald (bron: Atlasleefomgeving.nl)

Het plangebied ligt buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland en heeft geen invloed op de instandhouding van deze gebieden.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie

4.6.1 kader

Algemeen

De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving.

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving.

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Archeologie

Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten;
  • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

Cultuurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl (art. 5.130) zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd document;
  • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

De Provincie Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten.

4.6.2 Toetsing en conclusie

Cultuurhistorie

Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Op de kaart behorende bij het Landschapsplan zijn in de nabijheid van het plangebied echter wel een aantal aanduidingen opgenomen (afbeelding 13).

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.TOP25002H22GOT5-VA01_0013.png"

Afbeelding 13: Uitsnede uit het Landschapsplan van de gemeente Bergen

Conform de kaart behorende bij het Landschapsplan is een belangrijke solitaire boom aanwezig in het noorden van het plangebied (groene ster). Verder is de huidige bebouwing (Ottenskamp 5 en 4a) opgenomen als voorbeelderf. De beoogde ontwikkeling houdt rekening met de landschapselementen. De solitaire boom blijft bestaan. Er zijn verder geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling

Archeologie

Op grond van het geldend (tijdelijk) omgevingsplan is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een dubbelbestemming 'Archeologie'. De impact van het planvoornemen op de bodem blijft beperkt tot het verwijderen van de mestsilo en de erfverharding.

Omdat er geen bouwactiviteiten zullen plaatsvinden, is het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek niet aan de orde. Bovedien ontbreekt de archeologische dubbelbestemming.

In het geval dat sprake is van een archeologische toevalsvondst, zal dit bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) worden gemeld.

4.7 Verkeer en parkeren

In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gehanteerd.

Verkeer

Binnen dit project worden geen nieuwe woningen toegevoegd; de twee bestaande woningen blijven behouden. De melkveehouderij wordt beëindigd, waardoor de frequente ritten van melkwagens – die meerdere keren per week plaatsvonden – zijn komen te vervallen. Dat geldt ook voor andere aan de bedrijfsvoering verbonden verkeersbewegingen zoals de dierenarts, het aanvoer vee voedermiddelen en kunstmest en erfbetreders. Andere vervoersbewegingen blijven bestaan. De huidige verkeersbewegingen bestaan uit:

  • Reguliere verkeersbewegingen van en naar de woning door eigenaren en bezoekers;
  • aanvoer van goederen met busjes voor de statische opslag via meest oostelijke inrit.

Met de beoogde ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo afnemen.

Parkeren

Parkeren gebeurt in de huidige situatie op eigen terrein. Aan de constructies van de opritten zullen geen veranderingen doorgevoerd worden, waardoor deze situatie onveranderd blijft bij de beoogde ontwikkeling.

De parkeerbehoefte is in de gemeente Bergen vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen gemeente Bergen (L.) (2023)’. Voor een vrijstaande koopwoning is dit buiten de bebouwde kom 2,4 parkeerplaats per woning. Op het terrein van Ottenskamp 5 en 4a is beide plaats voor minimaal drie auto’s.

De busjes, die 1 a 2 keer per week bij de opslag moeten zijn, kunnen daarvoor parkeren.

4.8 Duurzaamheid

4.8.1 Kader

Een van de centrale maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit is vastgelegd in artikel 1.3, onder a, van de Ow. Gezondheid speelt hierin een belangrijke rol, zowel in de zin van bescherming tegen negatieve invloeden als in het actief bevorderen van gezondheid, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor sport, beweging en positieve gezondheid.

De begripsbepaling van duurzame ontwikkeling is opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet en sluit aan bij de internationaal erkende Brundtland-definitie: "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen".

Artikel 1.3 en artikel 2.1 van de Omgevingswet borgen het belang van duurzaamheid. Artikel 1.3 benoemt de maatschappelijke doelen van de wet, waaronder het in samenhang bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van die leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 2.1 bepaalt dat bestuursorganen hun taken en bevoegdheden uitoefenen met het oog op deze doelen, tenzij specifieke regels anders bepalen.

Daarnaast geeft artikel 1.3 richting aan de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.6 van de wet. Deze verplicht burgers en bedrijven om voldoende zorg te dragen voor een goede leefomgeving. Deze bepalingen zorgen ervoor dat duurzame ontwikkeling integraal wordt meegenomen in het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Dit vraagt om een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming, waarbij belangen zoals ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen in onderlinge samenhang worden afgewogen.

4.8.2 Toetsing en conclusie

De beëindiging van een veehouderij binnen het plangebied draagt bij aan de duurzaamheid in het buitengebied van de gemeente doordat de milieubelasting aanzienlijk vermindert. Het stoppen van de veehouderij leidt tot een afname van emissies van stikstof, ammoniak en broeikasgassen, waardoor de kwaliteit van lucht, bodem en water verbetert. Daarnaast ontstaat ruimte voor natuurontwikkeling en wordt ingezet op een verbetering van de biodiversiteit.

4.9 Gezonde fysieke leefomgeving

4.9.1 Kader

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.

Endotoxinen

Het RIVM onderzoekt de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, hun gezinnen en werknemers in de sector. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen, zoals Q-koorts of Salmonella, die overdraagbaar zijn op mensen. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen – bestanddelen van bacteriële celwanden – luchtwegklachten veroorzaken. Ook geurhinder door mest is een bekend probleem.

In 2016 publiceerde het RIVM de resultaten van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), waarin de impact van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging op omwonenden werd onderzocht. Een jaar later volgde een aanvullend rapport met verdiepende analyses ter bevestiging van de eerdere bevindingen. Uit deze studies blijkt dat omwonenden gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxinen vormen daarbij een belangrijke factor voor luchtwegklachten. Met behulp van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan worden berekend binnen welke afstand van een veehouderij de advieswaarde van de Gezondheidsraad (30 EU/m³) wordt overschreden, wat kan duiden op verhoogde gezondheidsrisico’s.

De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de omgeving wat betreft het aspect gezondheid, omdat de veehouderij wordt beëindigd.

Geitenhouderij

Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) blijkt dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Met name in de omgeving van pluimvee- en geitenhouderijen is er een verhoogd risico op longontsteking. Op basis van deze bevindingen adviseert de GGD gemeenten om geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen of scholen, planologisch toe te staan binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Het vervolgonderzoek VGO-2 bevestigt dit risico: binnen deze afstand is een statistisch significant hoger aantal gevallen van longontsteking vastgesteld.

In Siebengewald bevinden zich twee geitenhouderijen. Beide op ongeveer 1,2 kilometer van het projectgebied. De omzetting van agrarisch met twee bedrijfswoningen naar wonen voorziet feitelijk niet in het toevoegen van extra woningen in de nabijheid van geitenhouderijen. Daarmee is er derhalve geen sprake van een toename van de risico’s voor de volksgezondheid.

4.9.2 Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de omgeving wat betreft het aspect gezondheid, omdat de veehouderij wordt beëindigd.

Binnen de voorgenomen ontwikkeling vinden geen veranderingen plaats die negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid. Nieuwe bronnen van hinder worden niet toegevoegd en bestaande milieufactoren, zoals geur en luchtkwaliteit, blijven gelijk of verbeteren.

4.10 Kabels, leidingen en straalpaden

Voor grotere kabels en leidingen wordt een planologische beschermingszone vastgesteld. Deze zone draagt bij aan het waarborgen van zowel de veiligheid als de bedrijfszekerheid van de betreffende leiding.

4.10.1 Toetsing en conclusie

De kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschap Limburg laten zien dat in of nabij het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen en/of kabels aanwezig zijn. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Conclusie fysieke leefomgeving

Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend project sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Algemeen

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). De herontwikkeling van Agrarisch naar Wonen (Ottenskamp 5) en de omzetting van de plattelandswoning naar de reguliere woonfunctie (Ottenskamp 4a) past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) wordt het als hoofdstuk 22G toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) gelezen te worden.

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied.

Hoofdstuk 2: Regels over functies

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan (in ieder geval onder de motorkap) nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan voor het buitengebied en het hiervan afgeleide handboek voor TAM-omgevingsplannen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies

In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten

De regels voor de gebiedsaanwijzingen die betrekking hebben op de kaart met cultuurhistorische waarden (inclusief de bijbehorende tabellen) en de kaart met landschappelijke waarden.

Hoofdstuk 5: Overgangsregels

In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.

Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

5.3 Werkingsbereik/ toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22G wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22G van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L).

Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).

5.4 Functies

Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven. Daarnaast zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.

Artikel 4 Tuin

De gronden aan de westzijde en ten noorden van de woonfunctie zijn voorzien van deze functie. In het geldende ruimtelijke plan hadden deze gronden de bestemming Agrarisch.

Artikel 6 Wonen

Binnen deze functie zijn twee grondgebonden woning toegestaan. Aanvullend op de bestaande bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken, is met de 'specifieke bouwaanduiding - maximum oppervlakte bijgebouwen 1.250 m2' bepaald dat binnen de woonfunctie deze afwijkende oppervlakte aan bijgebouwen is toegestaan.

Erfafscheidingen

Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Voor het overige zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Algemeen

Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. De initiatiefnemer beschikt over voldoende financiële middelen om dit plan ten uitvoer te brengen.

6.1.2 Kostenverhaal

Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het TAM-omgevingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast is een overeenkomst afgesloten waarin de afwikkeling van eventuele verzoeken tot nadeelcompensatie is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het TAM-omgevingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsplan op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

Participatietraject

Initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling. Het gaat om de bewoners van Pannenweg 5 en 11 en de bewoners van Ottenskamp  1, 2, 3, 4 en 6. Er zijn door omwonenden geen bezwaren geuit tegen het plan.

Zienswijzen

Het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht vanaf 18 december 2025 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en het is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via 'regels op de kaart'. Gedurende deze periode zijn geen zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren gebracht.